Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland houdende regels omtrent de fysieke leefomgeving (Omgevingsverordening NH2020)Provinciale Staten van Noord-Holland: Gelet op: artikel 3.17 van de Erfgoedwet; artikelen 5, tweede lid, 7, tweede lid, en 10, vierde lid, van de Ontgrondingenwet; artikelen 105, 118, 143, 145, 150 en 220 van de Provinciewet; artikel 2 lid 3 van de Scheepvaartverkeerswet artikelen 2.4, 2.8, 2.14, 3.1, 3.2, 3.10, 3.11, 4.5, 4.7, 5.1, 5.2, 5.5, 6.4, tweede lid, 7.7 en 7.19 van de Waterwet; artikel 2 van de Waterschapswet; artikelen 15 en 57 van de Wegenwet; artikelen 2 en 2a van de Wegenverkeerswet 1994; artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; artikelen 39 vierde lid en 39c derde lid 39d, vijfde lid van de Wet bodembescherming; artikelen 8.43 en 8.64 van de Wet luchtvaart; artikelen 1.2, 5.5, 7.6, 10.33 van de Wet milieubeheer; artikelen 1.3, 2.4, derde lid, 2.9, derde lid, 3.3, tweede lid, 3.8, tweede lid, 3.10, tweede lid, 3.12, negende lid, 3.14, tweede lid; 3.15, derde en vierde lid, 3.16, derde en vierde lid en 3.25, tweede lid, 4.2, 4.3 en 4.5, vierde lid en 6.1 van de Wet natuurbescherming; artikelen 4.1 en 6.7 van de Wet ruimtelijke ordening. Overwegende, dat het wenselijk is om, vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet en ter uitvoering van de omgevingsvisie NH2050, samenhangende, overzichtelijke en gebruiksvriendelijke regels te stellen over de fysieke leefomgeving; Besluiten vast te stellen: Omgevingsverordening NH2020 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Afdeling 1.1 Begrippen Artikel1.1Begrippen Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. Afdeling 1.2 Toepassingsbereik en oogmerk Artikel1.2Toepassingsbereik 1.Deze verordening gaat over: de fysieke leefomgeving; en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. 2.De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval: bouwwerken; infrastructuur; watersystemen; water; bodem; lucht; landschappen; natuur; cultureel erfgoed; en werelderfgoed. Artikel1.3Oogmerk Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur; behoud en herstel van de biologische diversiteit; en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Hoofdstuk2Toedeling van taken en bevoegdheden Afdeling 2.1 Water Artikel2.1Toedeling watersysteembeheer Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem waarvan de zorg op grond van artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet bij reglement is opgedragen aan het waterschap. Afdeling 2.2 Vaarwegen Artikel2.2Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over de taken en bevoegdheden ten aanzien van de vaarwegen als onderdeel van de regionale verkeersinfrastructuur. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in: het vaarwegbeheer, de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van vaarwegen en bijbehorende werken; en het nautisch beheer, de overheidszorg gericht op de afwikkeling van een veilig en vlot scheepvaartverkeer op deze vaarwegen. Artikel2.3Oogmerk Deze afdeling is gericht op een goed functionerend regionaal vaarwegenstelsel, zowel voor beroeps- als recreatievaart. Artikel2.4Toedeling vaarwegbeheer 1.Gedeputeerde Staten zijn belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied vaarweg - beheer PNH. 2.Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied vaarweg - beheer HHNK. 3.Het dagelijks bestuur van het waterschap Amstel ,Gooi en Vecht is belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied vaarweg - beheer AGV. 4.Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Rijnland is belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied vaarweg – beheer Rijnland. 5.Burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de vaarweg is gelegen, zijn belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied vaarweg – beheer gemeente. 6.Het Plassenschap Loosdrecht is belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied vaarweg - beheer Plassenschap Loosdrecht. 7.Het Recreatieschap Alkmaarder- en Uitgeestermeer is belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied vaarweg - beheer Recreatieschap Alkmaarder- en Uitgeestermeer. Artikel2.5Vaarwegprofielen en bediening bruggen en sluizen Gedeputeerde Staten stellen voor de als werkingsgebied vaarweg – profiel en bediening aangeduide vaarwegen vast: de minimale breedte, diepte en vrije doorvaarhoogte van de vaarweg zoals deze door de vaarwegbeheerder in stand moet worden gehouden; en de bedieningstijden en bedieningsvoorschriften van de beweegbare bruggen en sluizen, met uitzondering van spoorbruggen en bij het Rijk in beheer zijnde bruggen en schutsluizen. Artikel2.6Taken vaarwegbeheerder De vaarwegbeheerder draagt zorg voor: het in stand houden en bruikbaar houden van de vaarweg. Voor zover een vaarwegprofiel als bedoeld in artikel 2.5, onderdeel a, is vastgesteld, wordt hierbij dit profiel in acht genomen; het in goede staat houden van de oevers en schutsluizen, voor zover dit nodig is ten behoeve van de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarweg; en het schoonhouden van de vaarweg en het vrijhouden van obstakels, met inbegrip van het afvoeren van vuil en waterplanten, voor zover dit nodig is voor de bruikbaarheid van de vaarweg. Artikel2.7Taken sluis- en brugbeheerders De sluis- of brugbeheerder draagt zorg voor bediening van sluizen en bruggen in overeenstemming met de bedieningstijden en bedieningsvoorschriften als bedoeld in artikel 2.5, onderdeel b. Artikel2.8Toedeling nautisch beheer 1.Gedeputeerde Staten zijn aangewezen als nautisch beheerder voor: de vaarwegen waarvoor Gedeputeerde Staten op grond van artikel 2.4, eerste lid, zijn belast met het vaarwegbeheer; en de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied nautisch beheer PNH. 2.Burgemeester en wethouders die op grond van artikel 2.4, vijfde lid, zijn belast met het vaarwegbeheer van een vaarweg zijn aangewezen als nautisch beheerder voor de betreffende scheepvaartweg. 3.Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is aangewezen als nautisch beheerder voor: de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied nautisch beheer HHNK; en alle voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande scheepvaartwegen waarvoor op grond van artikel 2.4 geen vaarwegbeheerder is aangewezen en die in waterstaatkundig beheer zijn bij het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. 4.Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht is aangewezen als nautisch beheerder voor: de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied nautisch beheer AGV; en alle voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande scheepvaartwegen waarvoor op grond van artikel 2.4 geen vaarwegbeheerder is aangewezen en die in waterstaatkundig beheer zijn bij het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. 5.Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Rijnland is aangewezen als nautisch beheerder voor: de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied nautisch beheer Rijnland; en alle voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande scheepvaartwegen waarvoor op grond van artikel 2.4 geen vaarwegbeheerder is aangewezen en die in waterstaatkundig beheer zijn bij het hoogheemraadschap van Rijnland. 6.in afwijking van het derde lid zijn burgemeester en wethouders van Zaanstad aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied nautisch beheer Zaanstad. 7.In afwijking van het vierde lid zijn burgemeester en wethouders van Aalsmeer aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied nautisch beheer Aalsmeer. 8.In afwijking van het derde lid zijn burgemeester en wethouders van Castricum worden aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied nautisch beheer Castricum. 9.In afwijking van het derde lid zijn burgemeester en wethouders van Uitgeest worden aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied nautisch beheer Uitgeest. 10.In afwijking van het vierde lid zijn burgemeester en wethouders van Wijdemeren aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied nautisch beheer Wijdemeren. Afdeling 2.3 Natuurbeheer Paragraaf2.3.1Faunabeheereenheden Artikel2.9Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat de aanvullende regels aan faunabeheereenheden, als bedoeld in artikel 3.12, negende lid, van de Wet natuurbescherming. Artikel2.10Werkzaamheden en activiteiten faunabeheereenheden 1.Een faunabeheereenheid is binnen diens werkgebied verantwoordelijk voor de coördinatie van de uitvoering van de door haar vastgestelde faunabeheerplannen. 2.Een faunabeheereenheid is binnen diens werkgebied verantwoordelijk voor de informatievoorziening aan de achterban van alle in haar bestuur vertegenwoordigde organisaties over ten minste de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen en actuele regelgevende en ecologische ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer. Artikel2.11Eisen aan een faunabeheereenheid Aanvullend op de eisen gesteld in artikel 3.12, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voldoet een faunabeheereenheid aan de volgende eisen: bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid worden de rechten en plichten opgenomen die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen. de binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht: hebben een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 7.500 hectare; vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de faunabeheereenheid; en zijn zo veel mogelijk aaneengesloten. het werkgebied van een faunabeheereenheid strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid uitstrekt. Artikel2.12Samenstelling faunabeheereenheden 1.In het bestuur van een faunabeheereenheid zijn ten minste vertegenwoordigd: agrariërs; particuliere grondeigenaren; verenigingen van jagers; en minimaal twee maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren; werkzaam binnen het werkgebied van de betreffende faunabeheereenheid. 2.De in het eerste lid, onder d, bedoelde maatschappelijke organisaties hebben gezamenlijk minimaal twee zetels in het bestuur van de faunabeheereenheid. 3.Een faunabeheereenheid nodigt in ieder geval de volgende organisaties uit bij haar vergaderingen aanwezig te zijn en hen te adviseren: Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren; Stichting De Faunabescherming; en Vogelbescherming Nederland. Artikel2.13Verlening toestemming door faunabeheereenheden 1.Aan een toestemming als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Wet natuurbescherming worden in ieder geval de voorwaarden verbonden die zijn verbonden aan de ontheffing of opdracht waarop die toestemming ziet. Er kan niet worden afgeweken van de aan de ontheffing of opdracht verbonden voorwaarden. 2.In het geval van verlening van een toestemming als bedoeld in het eerste lid wordt onverwijld een afschrift van de inhoud verzonden aan Gedeputeerde Staten. Paragraaf2.3.2Wildbeheereenheden Artikel2.14Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat regels aan wildbeheereenheden, zoals bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. Artikel2.15Minimale oppervlakte wildbeheereenheden Het werkgebied van een wildbeheereenheid heeft een oppervlakte van tenminste 7.500 hectare. Artikel2.16Samenwerking tussen wildbeheereenheden en terreinbeherende organisaties Een wildbeheereenheid kan een platform organiseren waarin de relevante in haar werkgebied gelegen terreinbeherende organisaties en grondgebruikers samenkomen om af te stemmen hoe uitvoering van het faunabeheerplan plaatsvindt. Artikel2.17Begrenzing wildbeheereenheden 1.De begrenzing van het werkgebied van een wildbeheereenheid wordt door de desbetreffende wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een kaart. 2.Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot een gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt. 3.Een wildbeheereenheid kan, in afstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen. 4.De betrokken wildbeheereenheden informeren Gedeputeerde Staten schriftelijk indien sprake is van het wijzigen van een begrenzing zoals bedoeld in het derde lid. 5.Door tussenkomst van Gedeputeerde Staten van de provincie of provincies waarin het desbetreffende gebied is gelegen wordt de begrenzing van het werkgebied van een wildbeheereenheid bekendgemaakt in het provinciaal blad. Artikel2.18Informatieoverdracht wildbeheereenheden Het secretariaat van een wildbeheereenheid informeert de leden van de wildbeheereenheid op adequate wijze over de uitvoering van de aan de wildbeheereenheid toegestane handelingen, regelgevende en ecologische feiten en ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer. Afdeling 2.4 Industrielawaai Artikel2.19Toepassingsbereik Deze afdeling bevat de aanwijzing van de industrieterreinen van regionaal belang, waarbij Gedeputeerde Staten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het geluidzonebeheer. Artikel2.20Aanwijzing industrieterreinen van regionaal belang wet geluidhinder Als industrieterreinen van regionaal belang als bedoeld in artikel 163, tweede lid, van de Wet geluidhinder, worden aangewezen de industrieterreinen ter plaatse van het werkingsgebied industrieterreinen van regionaal belang Wet geluidhinder. Afdeling 2.5 Cultureel erfgoed Artikel2.21Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over beschermingswaardig cultureel erfgoed. Artikel2.22Oogmerk Deze afdeling stelt regels met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Artikel2.23Aanwijzing en schrapping provinciaal monument 1.Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om een monument aan te wijzen als beschermd monument. 2.Gedeputeerde Staten kunnen een besluit tot aanwijzing als beschermd monument wijzigen en kunnen verbeteringen van feitelijke aard aanbrengen in de redengevende omschrijving van een beschermd monument. 3.In afwijking van het eerste lid wordt een monument, ingeschreven in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet of ingeschreven in een gemeentelijk erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.16 van de Erfgoedwet, door Gedeputeerde Staten niet als monument aangewezen. 4.Gedeputeerde Staten kunnen een besluit tot aanwijzing van een beschermd monument intrekken. 5.Gedeputeerde Staten trekken een besluit tot aanwijzing van een beschermd monument in, indien dat na opname in het erfgoedregister wordt ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in het gemeentelijk monumentenregister. 6.Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste en vierde lid is het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel2.24Aanwijzing en schrapping beschermde structuur 1.Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om een stads- of dorpsgezicht aan te wijzen als beschermde structuur. 2.Gedeputeerde Staten kunnen een besluit tot aanwijzing als beschermde structuur wijzigen en kunnen verbeteringen van feitelijke aard aanbrengen in de redengevende omschrijving van een beschermde structuur. 3.In afwijking van het eerste lid wordt een stads- of dorpsgezicht, aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, door Gedeputeerde Staten niet als beschermde structuur aangewezen. 4.Gedeputeerde Staten kunnen een besluit tot aanwijzing van een beschermde structuur intrekken. 5.Gedeputeerde Staten trekken een besluit tot aanwijzing van een beschermde structuur in, indien het betreffende stads- of dorpsgezicht wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6.Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste en vierde lid is het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Hoofdstuk3Toedeling van functies aan locaties Hoofdstuk4Activiteiten in de fysieke leefomgeving Afdeling 4.1 Natuurbeheer Paragraaf4.1.1Natura 2000-gebieden Artikel4.1Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat de vrijstellingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de Wet natuurbescherming. Artikel4.2Vrijstelling voor activiteiten en categorieën van activiteiten Het verbod bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing op de activiteiten en categorieën van activiteiten die genoemd zijn in bijlage 3a, tenzij aan deze activiteiten beperkingen zijn gesteld in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld beheerplan als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet natuurbescherming. Artikel4.3Tijdelijk en uitzonderlijk gebruik helikopters of andere luchtvaartuigen 1.Er is geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming nodig voor het gebruik van een ontheffing tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van een terrein als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart, indien het gebruik van deze ontheffing plaatsvindt op of van terreinen die verder van Natura 2000-gebieden zijn gelegen dan de vastgestelde kritische afstanden zoals opgenomen in bijlage 3b bij deze verordening, waarbij: voor het gebruik van een paraplu ontheffing helikopters de vastgestelde kritische afstanden gelden zoals opgenomen in bijlage 3b bij deze verordening; en voor het gebruik van een locatiegebonden ontheffing helikopters en het gebruik van een locatiegebonden ontheffing overige luchtvaartuigen de vastgestelde kritische afstanden gelden zoals opgenomen in kolom 2 van de tabellen in bijlage 3b bij deze verordening. 2.Onder paraplu ontheffing helikopters als bedoeld in het eerste lid, onder a, van dit artikel wordt verstaan een paraplu ontheffing voor één of meerdere starts of landingen van bemande helikopters buiten stiltegebieden, Natura 2000-gebieden en de in bijlage 3b opgenomen kritische afstanden rond deze gebieden. Per terrein geldt een maximumgebruik van 2 starts en 2 landingen (2x2) per dag. 3.Onder locatiegebonden ontheffing helikopters als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan: locatiegebonden ontheffing voor bemande helikopters, bedoeld voor één of meerdere starts of landingen op één en hetzelfde terrein ten behoeve van evenementen en projecten. 4.Onder locatiegebonden ontheffing overige luchtvaartuigen als bedoeld in het eerste lid, onder b, van dit artikel wordt verstaan: locatiegebonden ontheffing voor luchtvaartuigen niet zijnde bemande helikopters, bedoeld voor één of meerdere starts of landingen op één en hetzelfde terrein. Artikel4.4Ontbrandingstoestemming of melding Er is geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming nodig voor het gebruik van een ontbrandingstoestemming als bedoeld in hoofdstuk 3b van het Vuurwerkbesluit of melding Vuurwerkbesluit, indien het gebruik van deze ontbrandingstoestemming of melding vuurwerkbesluit plaatsvindt op een terrein dat verder van een Natura 2000-gebied is gelegen dan de vastgestelde kritische afstanden zoals opgenomen in bijlage 3c. Paragraaf4.1.2Soortenbescherming Artikel4.5Toepassingsbereik Deze paragraaf bevat regels die het grondgebruikers mogelijk maken om, wanneer aan de voorwaarden in de verordening is voldaan, schade die veroorzaakt wordt door een aantal in het wild levende diersoorten te voorkomen en bestrijden. Artikel4.6Oogmerk Deze paragraaf bevat regels met het oog op het onder bepaalde voorwaarden mogelijk maken dieren die vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming te verjagen of te doden ter voorkoming van schade. Artikel4.7Vrijstelling nestbehandeling vogels Van het verbod in artikel 3.1, tweede en derde lid, van de Wet natuurbescherming is vrijgesteld het door de grondgebruiker op de bij hem in gebruik zijnde gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied, nesten en eieren van de in bijlage 4a aangewezen soorten rapen, opzettelijk vernielen en beschadigen, en wegnemen ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 3°, van de Wet natuurbescherming. Artikel4.8Vrijstelling directe schadebestrijding 1.Van het verbod van artikel 3.1, eerste lid, en artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming is vrijgesteld het door de grondgebruiker op de bij hem in gebruik zijnde gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, opzettelijk doden van de in bijlage 4b aangewezen soorten ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 3°, van de Wet natuurbescherming. 2.De in het eerste lid genoemde soorten worden op grond van het eerste lid slechts gedood ter ondersteuning van verjaging. 3.De handelingen bedoeld in het eerste en tweede lid worden uitsluitend uitgevoerd ter voorkoming van de, per soort in bijlage 4b benoemde, schades. 4.De handelingen bedoeld in het eerste en tweede lid worden uitsluitend uitgevoerd in de, per soort in bijlage 4b benoemde, periode. 5.De handelingen bedoeld in het eerste en tweede lid worden, voor zover het kwetsbare gewassen betreft, uitsluitend uitgevoerd in aanvulling op het in werking hebben van tenminste twee preventieve middelen. 6.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de door de grondgebruiker gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, zijn gelegen in door Gedeputeerde Staten aangewezen foerageergebieden. 7.Voor foerageergebieden is van toepassing: een geldigheidsperiode van 1 november tot 1 april voor de grauwe gans en de kolgans; een geldigheidsperiode van 1 november tot 1 mei voor de brandgans; een geldigheidsperiode van 1 november tot 1 juni voor de rotgans. 8.Bij de handelingen bedoeld in het eerste en tweede lid wordt uitsluitend gebruik gemaakt van het geweer en eventueel een hond zoals genoemd in artikel 3.9 van het Besluit natuurbescherming. 9.Van het verbod als bedoeld in 3.16, eerste lid, onder a van het Besluit natuurbescherming zijn vrijgesteld de handelingen bedoeld in het eerste en tweede lid vanaf één uur voor zonsopkomst tot één uur na zonsondergang uit te voeren. 10.De handelingen bedoeld in het eerste en tweede lid worden uitsluitend uitgevoerd op de percelen waarop schade is ontstaan, dreigt te ontstaan of de direct daaraan grenzende percelen of wateren. 11.Gedode dieren worden voor het verlaten van het veld opgeruimd. 12.Voor zover de handelingen bedoeld in het eerste en tweede lid worden uitgevoerd, worden op de percelen waarop schade is ontstaan, dreigt te ontstaan of de direct daaraan grenzende percelen of wateren, per verjaagactie: niet meer dan vier dieren per ingezet geweer gedood. Als de te verjagen dieren zijn verdreven, wordt een verjaagactie geacht te zijn beëindigd en vangt een nieuwe verjaagactie aan; maximaal vijf geweerdragers ingezet. Artikel4.9Vrijstelling ruimtelijke inrichting of bestendig beheer 1.Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet natuurbescherming wordt vrijstelling verleend voor het verrichten van handelingen door de eigenaar of de grondgebruiker in het kader van: de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, drinkwaterleidingen en infiltratiekanalen ten behoeve van drinkwaterproductie, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer. 2.De in het eerste lid bedoelde vrijstelling is van toepassing op de diersoorten genoemd in bijlage 4c bij deze verordening. 3.De vliegvelden genoemd in het eerste lid onder b betreffen permanente luchthavens zoals bedoeld in de artikelen 8.43, eerste en tweede lid, 8.70, eerste lid, of 10.15 van de Wet luchtvaart, en permanente luchthavens zoals bedoeld in de artikelen 8.64, eerste lid, 8.77, eerste lid, of 10.39, eerste lid van de Wet luchtvaart. Artikel4.10Melding en rapportage 1.Direct voorafgaand aan de uitvoering van de in de artikelen 4.7, 4.8 en 4.9 bedoelde handelingen maakt de eigenaar of grondgebruiker of degene aan wie namens hem conform artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming toestemming is verleend, hiervan melding met gebruikmaking van een door Gedeputeerde Staten beschikbaar gesteld elektronisch meldingsformulier. 2.Wijzigingen van het conform eerste lid gemelde worden voorafgaand aan de uitvoering elektronisch gemeld via een door Gedeputeerde Staten beschikbaar gesteld elektronisch meldingsformulier. 3.Uiterlijk een maand na uitvoering wordt door de grondgebruiker of degene aan wie namens hem, conform artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming, toestemming is verleend, aan een faunabeheereenheid gerapporteerd over de uitvoering van de handelingen onder vermelding van de locatie, de afschotcijfers of aantal behandelde nesten en eieren en de data waarop uitvoering van de handelingen heeft plaatsgevonden. 4.Uitvoering van de in de artikelen 4.7 en 4.8 bedoelde handelingen vindt plaats overeenkomstig het daartoe door de Stichting Faunabeheer Noord-Holland vastgestelde en door Gedeputeerde Staten conform artikel 3.12, zevende lid, van de Wet natuurbescherming goedgekeurd faunabeheerplan. Paragraaf4.1.3Houtopstanden en herbeplanting Artikel4.11Toepassingsbereik Deze paragraaf voorziet in provinciale regels die gelden bij het vellen van houtopstanden als bedoeld in de Wet natuurbescherming en is daarnaast mede van toepassing op het vellen van geknotte populieren of wilgen als bedoeld in artikel 4.1, onderdeel f, van de Wet natuurbescherming. Artikel4.12Oogmerk Deze paragraaf bevat regels met het oog op: Het vastleggen van de manier van melding bij het vellen van een houtopstand om uniforme en tijdige meldingen te ontvangen; Het stellen van eisen die gelden wanneer spraken is van een herplantplicht om zo een goede kwaliteit herplant te krijgen; Het vaststellen welke aandachtspunten Gedeputeerde Staten moeten betrekken bij het eventueel verlenen van een ontheffing ten behoeve van herplanting op andere gronden om zo een goed gewogen besluit te nemen; en Het onder bepaalde voorwaarden vrijstellen van de plicht tot herplant om regulier beheer en omvorming naar andere natuurdoeltypen conform provinciale ambities mogelijk te maken. Artikel4.13Eisen melding bij vellen houtopstand ex artikel 4.2 Wet natuurbescherming 1.De velling van een houtopstand wordt ten minste één maand en ten hoogste één jaar voor de velling aan Gedeputeerde Staten gemeld. 2.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde meldplicht of van de termijn daarvan. 3.Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen over de wijze van indienen van de in het eerste lid bedoelde melding en de daarbij aan te leveren gegevens. Het verzoek dan wel de melding wordt digitaal via een webformulier ingediend. 4.Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen over de wijze van indienen van het in het tweede lid bedoelde verzoek om ontheffing en de daarbij aan te leveren gegevens. Het verzoek dan wel de melding wordt digitaal via een webformulier ingediend. Artikel4.14Eisen aan herbeplanting 1.Van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming is sprake indien: de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte; de aan te brengen herbeplanting kwalitatief en kwantitatief in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of anderszins tenietgegane houtopstand; de te herplanten houtopstand kan, gelet op lokale ecologische omstandigheden, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; geen gebruik wordt gemaakt van sierheesters, tuinsoorten, invasieve exotische soorten of andere soorten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse. 2.Onverminderd het eerste lid geniet natuurlijke verjonging van de houtopstand bij inheemse soorten waar dat mogelijk is de voorkeur. 3.Bij de uitvoering van maatregelen tot herbeplanting geldt dat: zeer terughoudend gebruik wordt gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen en meststoffen; de bodemopbouw zoveel mogelijk intact wordt gehouden. Artikel4.15Vrijstellingen herbeplantingsplicht 1.Het kappen van bomen voor verjongingsgaten indien deze niet groter zijn dan drie maal de boomhoogte, waarbij de verjoningsgaten een maximum oppervlak hebben van 0,25 hectare en gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel en het kappen maximaal één keer per vier jaar plaats vindt, is vrijgesteld van het verbod als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. 2.De volgende activiteiten zijn vrijgesteld van het verbod als bedoeld in de artikelen 4.2, eerste lid, en 4.3, eerste, tweede en vijfde lid, van de Wet natuurbescherming: het vrijstellen van oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn; het door natuurlijke ontwikkelingen te niet gaan van houtopstanden bij vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen; maatregelen die plaatsvinden ter realisatie van het beheertype zoals dat voor de betreffende locatie is opgenomen op de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan als bedoeld in artikel 1.3 van de Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Holland. Artikel4.16Ontheffing voor herbeplanting op andere gronden 1.Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, van de Wet natuurbescherming ten behoeve van herbeplanting op andere grond, en betrekken daarbij of: de gevelde houtopstand een landschapselement of een andere houtopstand betreft met een belangrijke ecologische of landschappelijke functie; hierdoor de oppervlakte van een boskern afneemt; de betreffende houtopstand deel uit maakt van een instandhoudingsdoel als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet natuurbescherming; of de betreffende houtopstand is gelegen ter plaatse van het werkingsgebied oude bosgroeiplaats. 2.Onverminderd het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten uitsluitend ontheffing verlenen indien de andere grond: onbeplant is en vrij van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming is; vrij is van (natuur)compensatieverplichtingen; en geen beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden worden geschaad door de herbeplanting op deze andere grond. Afdeling 4.2 Milieubeschermingsgebieden Paragraaf4.2.1Stiltegebieden Artikel4.17Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten in milieubeschermingsgebieden zijnde de stiltegebieden zoals vastgesteld in artikel 4.
- Artikel4.18Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op de in artikel 1.2 , tweede lid, van de Wet milieubeheer bedoelde voorkoming of beperking van geluidhinder in de gebieden die zijn vastgesteld in artikel 4.
- Artikel4.19Vaststelling stiltegebieden 1.Als stiltegebied als bedoeld in artikel 1.2 , tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer wordt vastgesteld het werkingsgebied stiltegebieden, bestaande uit de gebieden zoals opgenomen in Bijlage
- 2.Gedeputeerde Staten maken de begrenzing van stiltegebieden op uniforme wijze kenbaar door een daartoe strekkende aanduiding ter plaatse. 3.De in het tweede lid bedoelde aanduidingen worden geplaatst langs alle verharde openbare wegen en vaarwegen die tot het stiltegebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied. Artikel4.20Zorgplicht voor stiltegebieden 1.Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in het werkingsgebied stiltegebieden geluid wordt voortgebracht in zodanige mate dat de heersende natuurlijke rust in dat gebied is of wordt verstoord, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten -behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan - dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde de verstoring te voorkomen of te beperken. 2.Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de algemene zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.1a van de Wet Milieubeheer van toepassing is. Artikel4.21Verbod gebruik toestellen in stiltegebieden 1.Het is verboden zonder ontheffing van Gedeputeerde Staten een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in het werkingsgebied stiltegebieden kan worden verstoord. 2.Tot een toestel als bedoeld in het eerste lid behoren in elk geval: een knalapparaat; een toestel om geluid voort te brengen, al dan niet gekoppeld aan een versterker, zoals een muziekinstrument, omroepinstallatie, sirene en hoorn; een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen; een modelvliegtuig, modelboot en modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; en een vuurwapen. Artikel4.22Verbod rijden motorvoertuig in stiltegebieden Het is verboden zonder ontheffing van Gedeputeerde Staten in het werkingsgebied stiltegebieden met een motorvoertuig te rijden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Artikel4.23Verbod toertocht motorvoertuigen in stiltegebieden 1.Het is verboden zonder ontheffing van Gedeputeerde Staten in het werkingsgebied stiltegebieden een toertocht voor motorvoertuigen te houden. 2.Het is verboden zonder ontheffing van Gedeputeerde Staten in het werkingsgebied stiltegebieden deel te nemen aan een toertocht voor motorvoertuigen. Artikel4.24Verbod waterscooter en snel varen met een vaartuig in stiltegebieden 1.Het is verboden zonder ontheffing van Gedeputeerde Staten in het werkingsgebied stiltegebieden met een waterscooter, jetski, of daarmee vergelijkbaar watersporttoestel te varen. 2.Het is verboden zonder ontheffing van Gedeputeerde Staten in het werkingsgebied stiltegebieden met een vaartuig sneller te varen dan 9 km per uur, met uitzondering van het werkingsgebied stiltegebied Waddenzee waarvoor een maximale snelheid van 20 km per uur geldt. Artikel4.25Verbod gebruik vuurwerk in stiltegebieden Het is verboden in het werkingsgebied stiltegebieden vuurwerk te gebruiken. Artikel4.26Vrijstellingen voor stiltegebieden 1.Het in artikel 4.21, eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor het gebruik van de volgende toestellen in het werkingsgebied stiltegebieden: een toestel in een woning, in of op het bijbehorende erf of tuin van een woning, of een ander bij die woning behorend gebouw, onder de voorwaarde dat het toestel niet hoorbaar is op een afstand van 50 meter van dat toestel; een vuurwapen indien dat wordt gebruikt: ingeval het een noodseinmiddel betreft: ingeval van nood; met inachtneming van de Wet natuurbescherming. knalapparatuur, indien dit wordt gebruikt voor beheer en schadebestrijding, waarbij het aantal knallen maximaal drie per uur per gebruiker is. Indien binnen 300 meter nog een knalapparaat in gebruik is, geldt voor deze apparaten gezamenlijk het maximum van totaal vier knallen per uur, waarbij elke gebruiker twee knallen per uur mag produceren. 2.De in de artikelen 4.21, eerste lid, en 4.22 gestelde verboden gelden niet voor zover het gebruik van een toestel of het rijden met een motorvoertuig in het werkingsgebied stiltegebieden rechtstreeks verband houdt met: de uitoefening van normale werkzaamheden in het kader van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; de openbare drinkwater- of energievoorziening; de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken dan wel werken van telecommunicatie; het bouwen of het onderhoud van gebouwen; de bescherming, het onderhoud of het beheer van een gebied, inclusief dijkwerkzaamheden; seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen. 3.De in de artikelen 4.21, eerste lid, 4.22 en 4.24 gestelde verboden gelden niet voor zover het gebruik van een toestel, het rijden met een motorvoertuig of het varen met een waterscooter of een snel vaartuig: rechtstreeks verband houdt met de openbare veiligheid, ten behoeve van het verlenen van spoedeisende medische hulp of de afwending van dreigend gevaar; wordt verricht door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie. 4.Het in artikel 4.22 gestelde verbod geldt niet voor het rijden in een gehandicaptenvoertuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, dat wordt gebruikt voor het vervoer van een minder valide. 5.De in de artikelen 4.23 en 4.24 gestelde verboden gelden niet voor motorvoertuigen, vaartuigen of waterscooters in het werkingsgebied stiltegebieden die elektrisch worden aangedreven. 6.Het in artikel 4.25 gestelde verbod geldt niet voor zover dit gebruik noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar. Artikel4.27Ontheffingsmogelijkheid voor stiltegebieden 1.Gedeputeerde Staten kunnen in het werkingsgebied stiltegebieden per genummerd stiltegebied voor in totaal 12 activiteiten per kalenderjaar, waarbij elke activiteit een maximale tijdstuur van 24 uur heeft, ontheffing verlenen van de verboden gesteld in de artikelen 4.21 tot en met 4.24 indien het belang om de natuurlijke geluiden in het werkingsgebied stiltegebieden te ervaren dan wel het belang van de heersende natuurlijke rust in dat gebied zich daartegen niet verzet. 2.Een ontheffingsaanvraag wordt in elk geval getoetst aan de volgende criteria: nut en noodzaak; plaats van de activiteit en mate van verstoring; en tijdsduur en periode waarbinnen de activiteit zich afspeelt. 3.Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing van de in de artikelen 4.21 tot en met 4.24 vervatte verboden intrekken, indien het belang van de heersende natuurlijke rust in dat gebied dat vereist. 4.Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen over de wijze van indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoek en de daarbij aan te leveren gegevens. Het verzoek wordt digitaal via een webformulier ingediend. Paragraaf4.2.2Bescherming waterwinning Artikel4.28Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden. Artikel4.29Oogmerk Deze paragraaf bevat regels met het oog op de in artikel 1.2 van de Wet milieubeheer bedoelde bescherming van waterwinning. Artikel4.30Aanwijzing beschermingsgebieden 1.Als beschermingsgebieden worden aangewezen het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied en het werkingsgebied waterwingebied. 2.Het betrokken drinkwaterbedrijf plaatst langs alle openbare wegen en vaarwateren die toegang geven tot een grondwaterbeschermingsgebied, dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grenzen van het gebied, borden waarvan een model is vastgesteld in bijlage 2a. Artikel4.31Zorgplicht 1.Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 4.30 is aangewezen, kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten - behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan - dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 2.In geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater behoort tot de maatregelen bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten, terstond Gedeputeerde Staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf informeert. Artikel4.32Inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebied 1.Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten of in werking te hebben, indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage 2b. 2.Degene die een inrichting drijft waarin een bodembedreigende activiteiten wordt ondernomen treft bodem beschermende maatregelen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt bereikt. 3.Indien voor een inrichting, waar een bodembedreigende activiteit wordt ondernomen, een omgevingsvergunning is vereist bevat deze het voorschrift dat bodem beschermende maatregelen worden getroffen waarmee een verwaarloosbaar risico wordt gerealiseerd van verslechtering van de grondwaterkwaliteit. Daarbij dient het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. 4.Het in dit artikel gestelde verbod tot het in werking hebben van een inrichting is niet van toepassing op een inrichting die voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel in overeenstemming met de voor die inrichting tot op dat moment geldende regels van deze verordening in werking is. 5.Het in dit artikel gestelde verbod geldt niet voor een inrichting die op 22 juli 2011 in overeenstemming met op dat moment geldende regels in werking was. Artikel4.33Boorputten en grond- of funderingswerken 1.Het is in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied verboden boorputten op te richten of te hebben. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming; tijdelijke bronbemaling ten behoeve van de uitvoering van werken, mits het BRL SIKB 2100 en protocol 2101 in acht wordt genomen; brandputten voor de levering van bluswater in het geval van een calamiteit zoals berm-, bos en heidebranden; en boorputten voor de controle van de grondwaterstand (peilbuizen). 3.Het is in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied verboden grond- of funderingswerken uit te voeren op een diepte van drie meter of meer onder het maaiveld. 4.Het in het derde lid gestelde verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften: bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd en het bodemprofiel wordt aangevuld tot tenminste drie meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken; of voor het inbrengen van palen: mits geen palen met verbrede voet worden gebruikt. 5.Van het voornemen tot het oprichten van een boorput of het uitvoeren van grond- of funderingswerken waarbij toepassing wordt gegeven aan de in het tweede of vierde lid bedoelde voorschriften, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 7.16 van toepassing. 6.De in dit artikel opgenomen verboden zijn niet van toepassing als de activiteit voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel in overeenstemming met de dan geldende regels is uitgevoerd. 7.Het in dit artikel gestelde verbod geldt niet voor een boorput of grond- of funderingswerk die op 22 juli 2011 in overeenstemming met op dat moment geldende regels is opgericht of uitgevoerd. Artikel4.34Buisleidingen 1.Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding voor transport van vloeistoffen of gassen te leggen of te hebben, die de bodem kunnen verontreinigen, met uitzondering van: aardgas-, riolerings- en waterleidingbuizen. 2.Het in dit artikel opgenomen verbod is niet van toepassing als de activiteit voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel in overeenstemming met de dan geldende regels is uitgevoerd. 3.Het in dit artikel gestelde verbod geldt niet voor een buisleiding die op 22 juli 2011 in overeenstemming met op dat moment geldende regels in werking was. Artikel4.35Afstromend water 1.Het is in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied verboden om afstromend water op of in de bodem te lozen. 2.Het in het eerste lid verbod geldt niet: ten aanzien van gebouwen indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die door afspoelen of uitloging het grondwater kunnen verontreinigen; indien afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem; ten aanzien van bestaande wegen, parkeerplaatsen of bebouwing: zolang er geen aanleiding is vanuit geconstateerde vervuilingen. 3.Van het voornemen tot het lozen van afstromend water op of in de bodem doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 7.16 van deze verordening van toepassing. 4.Het is in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied verboden afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen. 5.De in dit artikel opgenomen verboden zijn niet van toepassing als de activiteit voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel in overeenstemming met de dan geldende regels is uitgevoerd. Artikel4.36Begraafplaatsen 1.Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats aan te leggen. 2.Van het voornemen tot uitbreiding van een bestaande begraafplaats of een bestaand uitstrooiveld in een grondwaterbeschermingsgebied doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. Ten aanzien van deze melding is artikel 7.15 van deze verordening van toepassing. 3.Het in dit artikel gestelde verbod geldt niet voor een inrichting die op 22 juli 2011 in overeenstemming met op dat moment geldende regels in werking was. Artikel4.37Energietoevoeging en -onttrekking 1.Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte en/of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd. 2.Het in dit artikel opgenomen verbod is niet van toepassing als de handeling voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel in overeenstemming met de dan geldende regels is uitgevoerd. 3.Het in dit artikel gestelde verbod geldt niet voor een werk dat op 22 juli 2011 in overeenstemming met op dat moment geldende regels in werking was. Artikel4.38IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie 1.Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied IBC-bouwstof toe te passen. 2.Het is verboden in het werkingsgebied grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie indien respectievelijk klasse wonen voor grond en kwaliteitsklasse A voor baggerspecie niet worden overschreden én de kwaliteit minimaal zo goed is als de kwaliteit van de ontvangende grond. 4.Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid doet degene die de activiteit onderneemt een melding. De melding van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, bevat de resultaten van locatie specifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen. Ten aanzien van de melding is artikel 7.16 van toepassing. Artikel4.39Inrichtingen waterwingebied 1.Het is verboden in het werkingsgebied waterwingebied een inrichting op te richten indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien het in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. Artikel4.40Activiteiten waterwingebied 1.Het is in het werkingsgebied waterwingebieden verboden: stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen, waarvan degene die die handeling verricht, weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat ze, op of in de bodem gebracht of gerakend, de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen; een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten als daarmee verspreiding of lozing van hetgeen is bedoeld onder a, in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt; werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden van hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder a, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien de betreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. Artikel4.41Ontheffing 1.Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in de artikelen 4.33 t/m 4.38 opgenomen verboden, indien: er sprake is van een groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn; en er sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. 2.Gedeputeerde Staten stellen het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om ontheffing. Afdeling 4.3 Bodemsanering Artikel4.42Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming voor het werkingsgebied Bodemsanering, dit betreft het hele grondgebied van Noord-Holland met uitzondering van het grondgebied van de gemeenten Amsterdam, Zaanstad, Haarlem en Alkmaar, omdat zij zelfstandig bevoegd gezag Wet bodembescherming zijn, zoals bedoeld in artikel 88 van de Wet bodembescherming. Artikel4.43Oogmerk Deze afdeling stelt regels met het oog op de bescherming van de bodem. Artikel4.44Meldingsplichten Wet bodembescherming 1.Degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee Gedeputeerde Staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk een week voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk bij Gedeputeerde Staten de aanvangsdatum van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering. 2.Indien de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering niet zal worden gestart op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon dit onverwijld schriftelijk aan Gedeputeerde Staten, onder opgave van de nieuwe aanvangsdatum. Indien de nieuwe aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon de nieuwe aanvangsdatum minimaal een week voor deze datum schriftelijk aan Gedeputeerde Staten. 3.Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de in het eerste lid bedoelde persoon uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het hele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan Gedeputeerde Staten van dat tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte. Artikel4.45Evaluatieverslag Wet bodembescherming Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, Wet bodembescherming biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan Gedeputeerde Staten aan. Artikel4.46Nazorg saneringen 1.Afvalzorg Bodemservice B.V. geniet een uitsluitend recht in geval van nazorg in het kader van saneringen in opdracht van de provincie. 2.Indien na sanering door of namens de provincie verontreiniging in de bodem is achtergebleven en hierop nazorgmaatregelen noodzakelijk zijn die op basis van langdurige afkoopafspraken door of namens de provincie worden uitgevoerd of van de provincie worden overgenomen, worden deze maatregelen onder voorwaarden opgedragen aan Afvalzorg Bodemservice BV. Afdeling 4.4 Ontgrondingen Artikel4.47Toepassingsbereik Deze afdeling regelt de gevallen waarin geen vergunning nodig is voor een ontgronding. Artikel4.48Oogmerk Deze afdeling stelt regels met het oog op het vrijstellen van activiteiten waarvoor vanwege het doel of de omvang van de ontgronding geen vergunningsplicht geldt. Artikel4.49Vrijstellingen 1.Het verbod om zonder vergunning te ontgronden of een ontgronding toe te laten geldt overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Ontgrondingenwet niet voor de volgende categorieën ontgrondingen: ontgrondingen ten behoeve van het aanleggen of wijzigen van watergangen, waterpartijen, vijvers, bassins, putten of reservoirs waarbij niet meer dan 10.000 m3 oppervlaktedelfstoffen wordt ontgraven; ontgrondingen ten behoeve van het maken of wijzigen van natuurbouwprojecten waarbij niet meer dan 10.000 m3 oppervlaktedelfstoffen wordt ontgraven; ontgrondingen ten behoeve van het maken of wijzigen van waterkeringen, vaargeulen of havens waarbij niet meer dan 10.000 m3 oppervlaktedelfstoffen wordt ontgraven; ontgrondingen ten behoeve van het uitvoeren van grondbewerkingen voor de land- en tuinbouw waarbij niet meer dan 10.000 m3 oppervlaktedelfstoffen wordt ontgraven; ontgrondingen ten behoeve van het maken of wijzigen van spoorwegen, vliegvelden, bouwterreinen, industrieterreinen, openbare wegen, straten, pleinen, sportterreinen, parken, plantsoenen of al dan niet openbare tuinen, waarbij de diepte van de ontgronding niet meer dan 3,00 m bedraagt; ontgrondingen ten behoeve van het maken of wijzigen van funderingen of ondergrondse delen van bouwwerken; ontgrondingen ten behoeve van het aanleggen of wijzigen van kaden voor water-, spoel- en bezinkbassins voor de uitoefening van land- en tuinbouw; ontgrondingen ten behoeve van het maken of wijzigen van permanente depots van bodemmateriaal als deze onderdeel uitmaken van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer; ontgrondingen ten behoeve van het oprichten of veranderen van een inrichting bestemd tot het op of in de bodem brengen van afvalstoffen als bedoeld in categorie 28 van onderdeel C van bijlage I bij het Besluit Omgevingsrecht; ontgrondingen ten behoeve van bodemsaneringen; ontgrondingen ten behoeve van archeologische opgravingen door een daartoe bevoegde instantie; ontgrondingen ten behoeve van de realisering van onderdelen van een landinrichtingsproject waarvoor het landinrichtingsplan of aanpassingsplan zoals bedoeld in artikel 4, sub b van de Ontgrondingenwet nog niet is vastgesteld, mits: de inrichting plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de landinrichtingscommissie; en niet meer dan 10.000 m3 oppervlaktedelfstoffen wordt ontgraven. ontgrondingen ten behoeve van de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder overeenkomstig een daartoe vastgesteld projectplan als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Waterwet. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op ontgrondingen die geheel of gedeeltelijk zijn gericht op de verkrijging van oppervlaktedelfstoffen. 3.Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdelen a,b,c,d en l, is niet van toepassing als in een tijdsbestek van 12 maanden door cumulatie van ontgrondingen ten behoeve van hetzelfde project meer dan 10.000 m3 oppervlaktedelfstoffen wordt ontgraven. Afdeling 4.5 Gesloten stortplaatsen Artikel4.50Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het gebruik van na 1996 gesloten stortplaatsen, zoals bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer. Artikel4.51Oogmerk Deze afdeling bevat regels gericht op de nazorg van de in artikel 4.50 genoemde gesloten stortplaatsen. Artikel4.52Verbod 1.Ter plaatse van het werkingsgebied stortplaatsen Wet milieubeheer is het voor stortplaatsen gesloten na 1996 verboden: werken te maken of te behouden; stoffen of voorwerpen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten indien die handelingen de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer; handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan. Artikel4.53Ontheffing 1.Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 4.52, eerste lid, gestelde verbod indien het belang dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet. 2.Aan een ontheffing kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden die tot doel hebben: de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; te voorkomen dat de uitvoering van maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer anderszins wordt belemmerd; evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de in onderdelen a tot en met c genoemde voorschriften. 3.Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1 en artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht met uitzondering van inrichtingen zoals bedoeld in artikel 4.52, tweede lid, onder b. 4.Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen over de wijze van indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoek en de daarbij aan te leveren gegevens. Het verzoek wordt digitaal via een webformulier ingediend. Artikel4.54Uitvoering nazorgmaatregelen 1.Afvalzorg Bodemservice B.V. geniet een uitsluitend recht als bedoeld in artikel 2.24, onderdeel a, van de Aanbestedingswet
(2012)met betrekking tot de uitvoering van nazorgmaatregelen ter zake van op of na 1 september 1996 gesloten stortplaatsen. 2.Na afgifte van een verklaring van Gedeputeerde Staten tot sluiting van een stortplaats als bedoeld in de wet wordt de provincie verantwoordelijk voor de uitvoering van de nazorgmaatregelen van deze stortplaats. Deze nazorgmaatregelen worden onder voorwaarden opgedragen aan Afvalzorg Bodemservice B.V. 3.Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de baggerstortplaats Amerikahaven te Amsterdam. Afdeling 4.6 Cultureel erfgoed Artikel4.55Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over beschermenswaardig cultureel erfgoed. Artikel4.56Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Artikel4.57Zorgplicht provinciaal monument Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 4.58, tweede lid, onder a, b of c of een andere activiteit die een beschermd monument, als bedoeld in artikel 2.23 betreft, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een monument is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. Artikel4.58Verboden activiteiten provinciaal monument 1.Het is verboden om in het werkingsgebied cultureel erfgoed aan een beschermd monument als bedoeld in 2.23 onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 2.Het is verboden om in het werkingsgebied cultureel erfgoed zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht: een beschermd monument te slopen, beschadigen, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken, op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht; werkzaamheden aan de fundering of riolering van een beschermd monument te verrichten zonder voorafgaand archeologisch onderzoek. 3.Indien de monumentale waarden van het beschermd monument worden geschaad wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geweigerd, tenzij: er sprake is van een groot openbaar belang; er geen reële alternatieven zijn; en wordt aangetoond dat de beschadiging van het monument zo minimaal mogelijk is. 4.Met ingang van de dag van toezending van het ontwerpbesluit tot aanwijzing als beschermd monument op grond van artikel 3:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht tot het onherroepelijk worden van het besluit tot aanwijzing, of tot het tijdstip waarop vaststaat dat het bouwwerk niet wordt aangewezen als beschermd monument, is het bepaalde in de voorgaande leden en het bepaalde in artikel 4.57 van overeenkomstige toepassing. Artikel4.59Verboden activiteiten beschermde structuur 1.Het is verboden om in het werkingsgebied cultureel erfgoed zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een bouwwerk te slopen in een beschermde structuur als bedoeld in artikel 2.
- 2.Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Afdeling 4.7 Geitenhouderijen Artikel4.60Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over geitenhouderijen. Artikel4.61Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op het belang van gezondheid, gelet op het voorzorgbeginsel. Artikel4.62Verbod geitenhouderij 1.Zolang een ruimtelijk plan niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6.35 is het verboden om: een geitenhouderij, al dan niet als neventak, nieuw te vestigen; een agrarisch bedrijf geheel of gedeeltelijk te wijzigen naar geitenhouderij, of; een geitenhouderij uit te breiden door het aantal geiten dat wordt gehouden te vergroten. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor zover voor een van de genoemde activiteiten vóór 12 december 2018: een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer bij het bevoegd gezag is ingediend, of; een aanvraag voor een omgevingsvergunning bij het bevoegd gezag is ingediend, tenzij de aanvraag ziet op of wordt aangemerkt als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3.Voor de bepaling van het aantal aanwezige geiten als bedoeld in het eerste lid, kan gebruik worden gemaakt van het aantal geiten zoals opgenomen in een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer of van het aantal zoals geregistreerd in het I&R-systeem zoals bedoeld in de Regeling identificatie en registratie van dieren of een daarmee gelijk te stellen registratiesysteem indien deze melding of registratie heeft plaatsgevonden vóór 12 december
- Afdeling 4.8 Varend ontgassen Artikel4.63Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het ontgassen van benzeen en van bepaalde benzeenhoudende koolwaterstoffen vanuit een ladingtank van binnenschepen tijdens de vaart op vaarwegen binnen de provincie. Artikel4.64Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op de bescherming van het milieu en de volksgezondheid. Artikel4.65Verbod ontgassen 1.Het is ter plaatse van het werkingsgebied varend ontgassen de vervoerder en de schipper verboden een ladingtank vanaf een binnenschip varend te ontgassen met restladingdampen van: benzeen (UN-nummer 1114); ruwe aardolie (UN-nummer 1267) voor zover met meer dan 10% benzeen; aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1268); brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863); brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993); of koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295). 2.Gedeputeerde Staten kunnen andere stoffen dan genoemd in het eerste lid aanwijzen waarop het in dat lid bepaalde van overeenkomstige toepassing is, indien dit in het belang van de bescherming van het milieu is of deze stoffen gezondheidsschadelijke eigenschappen bevatten. Artikel4.66Minimumconcentratie restladingsdampen 1.Van een restladingladingsdamp als bedoeld in artikel 4.65, eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens van de desbetreffende stof. 2.Gedeputeerde Staten zijn bevoegd het percentage, genoemd in het eerste lid, te verlagen. Artikel4.67Voorafgaande belading Het verbod, bedoeld in artikel 4.65, eerste lid, is niet van toepassing indien kan worden aangetoond dat: de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in artikel 4.65, eerste lid; of indien kan worden aangetoond dat de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in artikel 4.65, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel. Artikel4.68Veiligheidsredenen In afwijking van de verboden, bedoeld in artikel 4.65, eerste lid, is het ontgassen toegestaan: voor drukverevening welke om veiligheidsredenen moet plaatsvinden; tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is. Artikel4.69Overeenkomstige toepassing Het bepaalde in artikelen 4.66, 4.67 en 4.68 is van overeenkomstige toepassing voor zover sprake is van een stof als bedoeld in artikel 4.65, tweede lid. Artikel4.70Vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen vrijstelling verlenen van het verbod, gesteld in artikel 4.65, eerste lid, voor daarbij aan te geven categorieën van gevallen. Artikel4.71Ontheffing Gedeputeerde Staten kunnen met inachtneming van artikel 4.69 ontheffing verlenen van het verbod, gesteld in artikel 4.65, eerste lid. Artikel4.72Nadere regels Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen. Afdeling 4.9 Vaarwegen Artikel4.73Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied vaarweg – rechtstreeks werkende regels waarvan het vaarwegbeheer door Gedeputeerde Staten wordt uitgevoerd. Artikel4.74Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op de instandhouding, de bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen. Artikel4.75Onderhoudsplicht vaarwegen 1.Onverminderd artikel 5.3 van de Waterwet is de onderhoudsplichtige van de oever langs een vaarweg verplicht deze stevig en passend in de omgeving te houden, zodat deze in goede staat is. 2.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen omtrent de inhoud van de onderhoudsverplichting, bedoeld in het eerste lid. Artikel4.76Verbod belemmeren vaarweg Het is verboden op welke wijze dan ook de bruikbaarheid of instandhouding van een vaarweg te belemmeren. Artikel4.77Ontheffingsplichtige handelingen 1.Het is, zonder ontheffing van Gedeputeerde Staten, verboden: een andere vaarweg op deze vaarwegen aan te sluiten; een vaarweg te verleggen, te versmallen, de diepte te wijzigen of op andere wijze te veranderen dan wel buiten gebruik te stellen; een werk boven, op, in onder of langs een vaarweg aan te brengen, te houden, te veranderen, of te verwijderen. 2.De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op werkzaamheden die door of in opdracht van Gedeputeerde Staten worden verricht in het kader van het vaarwegbeheer. 3.Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Afdeling 4.10 Provinciale wegen Artikel4.78Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over: de inrichting, het onderhoud en het gebruik van provinciale wegen, anders dan door of namens Gedeputeerde Staten ter uitvoering van de beheertaak op grond van artikel 15 van de Wegenwet; en de beperkingengebieden langs de provinciale wegen, voor zover daarbij de in artikel 4.79 bedoelde belangen in het geding kunnen zijn. Artikel4.79Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op het belang van de provincie ten aanzien van het wegbeheer van de provinciale wegen. Dit belang ziet op: het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale infrastructuur overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer; het beschermen van de provinciale infrastructuur, met inbegrip van het belang van het wegbeheer, onderhoud of de wijziging daarvan. Artikel4.80Zorgplicht voor infrastructuur 1.Degene die in het werkingsgebied provinciale wegen gebruik maakt van provinciale infrastructuur, anders dan overeenkomstig de functie daarvan, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de infrastructuur verontreinigt, verandert of beschadigt, of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, zoals bedoeld in artikel 4.79, is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2.Deze plicht houdt in ieder geval in dat het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale infrastructuur wordt verzekerd en alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen. Artikel4.81Omgevingsvergunning Het is verboden om in het werkingsgebied provinciale wegen en in het werkingsgebied beperkingengebied provinciale wegen zonder omgevingsvergunning: een weg aan te leggen of verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, waaronder het aansluiten van een weg op een provinciale weg; een uitweg op een provinciale weg te maken, te hebben, te wijzigen of te verwijderen of het gebruik van een uitweg op een provinciale weg in betekenende mate te intensiveren. Artikel4.82Vergunning van Gedeputeerde Staten 1.In het werkingsgebied provinciale wegen en in het werkingsgebied beperkingengebied provinciale wegen is het verboden om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten: aanduidingen, handelsreclame of licht-of geluidgevende voorzieningen in welke vorm dan ook te hebben, plaatsen of te wijzigen, anders dan in het kader van een veilig gebruik van de weg; werken te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen; stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen, neer te leggen of te laten staan. 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is geen vergunning vereist voor het plaatsen en hebben van gedenktekens langs de weg. Artikel4.83Melding gedenktekens 1.In het werkingsgebied provinciale wegen is het verboden zonder voorafgaande melding aan Gedeputeerde Staten gedenktekens te plaatsen. 2.Een melding wordt uiterlijk vier weken voorafgaand aan plaatsing van het gedenkteken gedaan. 3.Een gedenkteken is alleen toegestaan als deze: door aanwezigheid, grootte, plaats of vormgeving de belangen zoals opgenomen in artikel 4.79 niet in het geding brengen; niet aan wegmeubilair wordt vastgemaakt; niet meer dan 1 m2 grond in beslag neemt; en maximaal 10 jaar aanwezig is gerekend vanaf datum melding. Afdeling 4.11 Regionale luchthavens Paragraaf4.11.1Algemeen Artikel4.84Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over de milieugebruiksruimte en de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthavens van regionale betekenis met een luchthavenbesluit, als bedoeld in afdeling 8.3.2 van de Wet luchtvaart. Artikel4.85Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op het bieden van voldoende faciliteiten voor klein zakelijk vliegverkeer en helikopters, het bieden van voldoende faciliteiten aan de recreatieve functie van luchtvaart en in samenhang hiermee het in stand houden van een duurzame, gezonde en veilige leefomgeving. Paragraaf4.11.2Luchthaven Hilversum Artikel4.86Luchthavengebied Luchthaven Hilversum 1.Als luchthavengebied, als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart, wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied Luchthaven Hilversum. 2.In het werkingsgebied Luchthaven Hilversum zijn gelegen: een onverharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 069°-249°, met een lengte van 600 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in de Bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Tractatenblad 1973, 109); een onverharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 179°-359°, met een lengte van 730 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchthavenluchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in Bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Tractatenblad 1973, 109); een onverharde start- en landingsbaan, gelegen in de geografische richting 123°-303°, met een lengte van 730 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchthavenluchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in Bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Tractatenblad 1973, 109); drie zweefvliegbanen, gelegen in de geografische richting 069°-249°, 179°-359° en 123°-303°. Artikel4.87Gebruik Luchthaven Hilversum Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied Luchthaven Hilversum, als bedoeld in artikel 4.86, gelden de volgende regels: Luchthavenexploitant is Stichting Vliegveld Hilversum of diens rechtsopvolger. De luchthavenexploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt luchthaven niet leidt tot een overschrijding van een grenswaarde, zoals opgenomen in deze tabel: Baan Baankop Coördinaten handhavingspunten X-coördinaat Y-coördinaat Grenswaarden enkel vliegtuigen met vaste vleugel in handhavingspunten Grenswaarden vliegtuigen en helikopters samen in handhavingspunten 07/25 07 138.081 466.988 57,43 dB(A) Lden 57,75 dB(A) Lden 25 138.833 467.261 52,96 dB(A) Lden 54,65 dB(A) Lden 13/31 13 138.008 467.168 52,62 dB(A) Lden 53,54 dB(A) Lden 31 138.781 466.650 53,74 dB(A) Lden 53,90 dB(A) Lden 18/36 18 138.647 467.528 53,04 dB(A) Lden 53,78 dB(A) Lden 36 138.653 466.596 54,19 dB(A) Lden 54,68 dB(A) Lden Voor het luchthavenluchtverkeer gelden de volgende regels: op de luchthaven is uitsluitend burgerluchtverkeer toegestaan, waarbij incidenteel gebruik door militaire vliegtuigen ook is toegestaan; op de luchthaven zijn luchtvaartuigen met een maximum startgewicht van 6.000 kg toegestaan; op de luchthaven zijn per gebruiksjaar maximaal 2.000 bewegingen met helikopters met een maximum startgewicht van 6.000 kg toegestaan; het is toegestaan, na toestemming van de havenmeester, om de luchthaven incidenteel te doen gebruiken door helikopters met een maximaal startgewicht van groter dan 6.000 kg; het gebruik van de luchthaven vindt plaats overeenkomstig de zichtvliegvoorschriften, bedoeld in deel 5 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening EU 923/2012 onder SERA.5005, binnen de daglichtperiode; het is de luchthavenexploitant toegestaan om het luchthavengebied te doen of te laten gebruiken 24 uur per dag voor het uitvoeren van helikoptervluchten van maatschappelijk belang alsmede voor het uitvoeren van daarmee verband houdende vluchten gericht op het innemen van brandstof. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: uitgevoerde vluchten worden meegeteld in de berekening van geluidsbelasting; uitgevoerde vluchten worden niet meegeteld bij het aantal vliegbewegingen als bedoeld onder c; de luchthavenexploitant draagt zorg voor sluitende afspraken met de helikopter-operator over het veilig gebruik van de luchthaven buiten de daglichtperiode. het uitvoeren van circuitvluchten ten behoeve van het oefenen of het lesgeven in starten of landen en het uitvoeren van oefennaderingen met luchtvaartuigen, is verboden: op werkdagen vóór 08.00 uur; op zaterdagen vóór 08.00 uur en na 16.00 uur; en op zon- en erkende feestdagen vóór 11.00 uur en na 16.00 uur. het uitvoeren van vluchten met luchtvaartuigen met het doel valschermspringen te laten beoefenen is verboden: op werkdagen vóór 08.00 uur; op zaterdagen vóór 08.00 uur en na 18.00 uur, waarbij geldt dat vluchten na 18.00 uur wel zijn toegestaan, voor zover de frequentie na dat tijdstip die van vier vliegtuigbewegingen per kwartier niet te boven gaat en hoogte wordt gewonnen buiten gebieden met aaneengesloten bebouwing; en op zon- en erkende feestdagen vóór 11.00 uur en na 18.00 uur. het uitvoeren van rondvluchten met luchtvaartuigen is verboden: op werkdagen vóór 08.00 uur; op zaterdagen vóór 08.00 uur en na 19.00 uur; en op zon- en erkende feestdagen vóór 11.00 uur en na 19.00 uur. sub g tot en met i zijn niet van toepassing voor het uitvoeren van vluchten met luchtvaartuigen, waarvan de voortgebrachte hoeveelheid geluid, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 6 van Bijlage 16, volume I, bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, minder dan 60 dB(A) bedraagt; sub g tot en met i zijn niet van toepassing voor het uitvoeren van vluchten met luchtvaartuigen, waarvan de voortgebrachte hoeveelheid geluid, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 10 van Bijlage 16, volume I, bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, minder dan 66 dB(A) bedraagt. Artikel4.88Beperkingengebieden Luchthaven Hilversum Als beperkingengebieden als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied Luchthavengebied Luchthaven Hilversum: de 10-5 plaatsgebonden risicocontouren als bedoeld in artikel 10 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-5 plaatsgebonden risicocontour Luchthaven Hilversum; de 10-6 plaatsgebonden risicocontouren als bedoeld in artikel 11 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-6 plaatsgebonden risicocontouren Luchthaven Hilversum; de geluidscontour van 48 dB(A) Lden als bedoeld in artikel 9, onder b, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied geluidscontour 48 dB(A) Lden Luchthaven Hilversum; de geluidscontour van 56 dB(A) Lden als bedoeld in artikel 12, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied geluidscontour 56 dB(A) Lden Luchthaven Hilversum; de veiligheidsgebieden als bedoeld in artikel 13 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied Veiligheidsgebieden luchthaven Hilversum; en een gebied met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid, als bedoeld in artikel 14 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied Hoogtebeperkingen Luchthaven Hilversum. Artikel4.89Aanvullend beperkingengebied Luchthaven Hilversum 1.Als aanvullend beperkingengebied geldt het werkingsgebied aanvullend beperkingengebied luchthaven Hilversum. 2.Het tweede, derde en vierde lid van artikel 12 van het Besluit burgerluchthavens zijn van overeenkomstige toepassing op het werkingsgebied aanvullend beperkingengebied, met dien verstande dat in het hiervoor genoemde artikel 12 voor 56 dB(A) Lden steeds moet worden gelezen 47 Bkl geluidszone. 3.Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op woningbouwplan Ter Sype in de gemeente Wijdemeren, voor zover dat gelegen is buiten de 48 dB(A) Lden-contour. 4.Overeenkomstig artikel 19 van het Besluit burgerluchthavens worden voor het gebied gelegen tussen de 56 dB(A) Lden-contour en de 48 dB(A) Lden-contour, voor zover dit buiten het werkingsgebied aanvullend beperkingengebied gelegen is, geen beperkingen vastgelegd. Paragraaf4.11.3Luchthaven Texel Artikel4.90Luchthavengebied luchthaven Texel 1.Als luchthavengebied als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied Luchthaven Texel. 2.In het werkingsgebied Luchthavengebied luchthaven Texel zijn gelegen: een onverharde baan, gelegen in de geografische richting 036°-216°, met een lengte van 1.109 meter en een breedte van minimaal 25 meter met daarbijbehorende onverharde rijbanen, en voor het luchtverkeer ingedeeld in codenummer 2 en codeletter C, zoals vermeld in de Bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Tractatenblad 1973, 109); een onverharde baan, gelegen in de geografische richting 126°-306°, met een lengte van 622 meter en een breedte van minimaal 30 meter met daarbij behorende onverharde rijbanen, en voor het luchthavenluchtverkeer ingedeeld in codenummer 1 en codeletter B, zoals vermeld in Bijlage 14 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Tractatenblad 1973, 109); een landingsplaats ter grootte van 30 bij 30 meter voor het landen en opstijgen met helikopters. Artikel4.91Gebruik Luchthaven Texel Ter plaatse van het werkingsgebied Luchthavengebied Luchthaven Texel als bedoeld in artikel 4.90 gelden de volgende regels: Luchthavenexploitant is Texel Airport NV of diens rechtsopvolger. De luchthavenexploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt luchthaven niet leidt tot een overschrijding van een grenswaarde, zoals opgenomen in deze tabel: Baan Baanlengte Baankop Coördinaten handhavingspunten Grenswaarden in handhavingspunten X Y 04-22 1.109m 04 117.403 569.549 63,0 dB(A) Lden 22 118.166 570.612 63,7 dB(A) Lden 13-31 622m 13 117.238 569.868 50,3 dB(A) Lden 31 117.905 569.390 50,3 dB(A) Lden Voor het luchthavenluchtverkeer gelden de volgende regels: op de luchthaven is uitsluitend burgerluchtverkeer toegestaan. in afwijking van het lid a zijn op de luchthaven per gebruiksjaar maximaal 100 vliegbewegingen met militaire vliegtuigen en militaire helikopters toegestaan; de havenmeester dient vooraf toestemming te verlenen voor het gebruik van het luchthavengebied voor zweefvliegtuigen; het gebruik van de luchthaven vindt plaats overeenkomstig de zichtvliegvoorschriften, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 3, van het Luchtverkeersreglement, binnen de daglichtperiode, en overeenkomstig de instrumentvliegvoorschriften, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, van het Luchtverkeersreglement, tussen 07.00 en 21.00 uur plaatselijke tijd, voor zover deze periode buiten de uniforme daglichtperiode valt, uitsluitend voor het landen en opstijgen van helikopters die zijn uitgerust met blindvlieginstrumenten, met dien verstande dat dit geen les- en oefenvluchten zijn; het is de luchthavenexploitant toegestaan om het luchthavengebied te doen of te laten gebruiken 24 uur per dag voor het uitvoeren van helikoptervluchten van maatschappelijk belang alsmede voor het uitvoeren van daarmee verband houdende vluchten gericht op het innemen van brandstof. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: uitgevoerde vluchten worden meegeteld in de berekening van geluidsbelasting; de luchthavenexploitant draagt zorg voor sluitende afspraken met de helikopter-operator over het veilig gebruik van de luchthaven buiten de daglichtperiode. het gebruiksjaar betreft de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar. Voor het overige gebruik van de luchthaven gelden de volgende regels: de hoogte van de te gebruiken werk- en voertuigen, alsmede eventueel te plaatsen opstallen, beplantingen of anderszins, mag de betreffende door ICAO aangegeven hindernisvrije vlakken niet te boven gaan; alvorens het gebied rondom de VDF-pijler wordt betreden dient contact te worden opgenomen met de Luchtverkeersleiding Nederland te Schiphol in verband met de werking van de ter plaatse aanwezige VDF-pijler; indien bij of in de onmiddellijke omgeving van LVNL-kabels ten behoeve van de luchtvaarthulp- en/of communicatiemiddelen werkzaamheden worden uitgevoerd, dient tijdig overleg plaats te vinden met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Directie Luchtvaart, afdeling Luchtvaartveiligheid. Artikel4.92Beperkingengebieden luchthaven Texel Als beperkingengebieden als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied Luchthavengebied Luchthaven Texel: de 10-5 plaatsgebondenrisicocontouren als bedoeld in artikel 10 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-5 plaatsgebondenrisicocontour Luchthaven Texel; de 10-6 plaatsgebondenrisicocontouren als bedoeld in artikel 11 van het Besluit burgerluchthavens ter plaatse van het werkingsgebied 10-6 plaatsgebondenrisicocontour Luchthaven Texel; de geluidscontour van 48 dB(A) Lden als bedoeld in artikel 9, onder b, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied geluidscontour 48 dB(A) Lden Luchthaven Texel; de geluidscontour van 56 dB(A) Lden als bedoeld in artikel 12, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied geluidscontour 56 dB(A) Lden Luchthaven Texel; de veiligheidsgebieden als bedoeld in artikel 13 van het Besluit burgerluchthavens ter plaatse van het werkingsgebied Veiligheidsgebieden Luchthaven Texel; en een gebied met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid, als bedoeld in artikel 14 van het Besluit burgerluchthavens ter plaatse van het werkingsgebied Hoogtebeperkingen Luchthaven Texel. Artikel4.93Aanvullend beperkingengebied Luchthaven Texel 1.Als aanvullend beperkingengebied geldt het werkingsgebied aanvullend beperkingengebied luchthaven Texel. 2.Het tweede, derde en vierde lid van artikel 12 van het Besluit burgerluchthavens zijn van overeenkomstige toepassing op het aanvullend beperkingengebied, met dien verstande dat in het derde lid, onder b van het hiervoor genoemde artikel 12 voor 56 dB(A) Lden moet worden gelezen 47 Bkl geluidszone. 3.Overeenkomstig artikel 19 van het Besluit burgerluchthavens worden voor het gebied gelegen tussen de 56 dB(A) Lden-contour en de 48 dB(A) Lden-contour, voor zover dit buiten het aanvullend beperkingengebied gelegen is, geen beperkingen vastgelegd. Paragraaf4.11.4Luchthaven Loodswezen IJmuiden Artikel4.94Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden 1.Als luchthavengebied als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart wordt vastgesteld het werkingsgebied Luchthavengebied Loodswezen IJmuiden. 2.Op de luchthaven is gelegen een landingsplaats ter grootte van 14 bij 14 meter, omgeven door een safety area van 7 meter, voor het landen en opstijgen met helikopters. Artikel4.95Gebruik Luchthaven Loodswezen IJmuiden Ter plaatse van het Luchthavengebied Luchthaven Loodswezen IJmuiden als bedoeld in artikel 4.94 gelden de volgende regels: De luchthavenexploitant is het Nederlands Loodswezen B.V. of diens rechtsopvolger. De luchthavenexploitant laat op de luchthaven luchthavenluchtverkeer toe zolang de daardoor veroorzaakte geluidsbelasting ter plaatse van een handhavingspunt luchthaven niet leidt tot een overschrijding van een grenswaarde, zoals opgenomen in deze tabel: Handhavingspunt X Y Oost 101158 498328 West 100961 498289 voor het luchthavenluchtverkeer gelden de volgende regels: op de luchthaven zijn uitsluitend helikopters die worden ingezet voor het beloodsen van zeeschepen toegestaan, waarbij geldt dat incidenteel gebruik door niet-commerciële, niet-particuliere helikopters, na toestemming van de exploitant, is toegestaan; het gebruik van de luchthaven vindt voor dagoperaties plaats zonder beperkingen; het gebruik van de luchthaven vindt voor nachtoperaties plaats onder VMC (Visual Meteorological Conditions) en onder de voorwaarden gesteld bij de ontheffing van het VFR (Visual Flight Rules) vliegverbod bij nacht; de luchthavenexploitant staat geen starts en landingen toe indien het in bedrijf zijn van een of meer windturbines van “Windpark Spuisluis” gelet op de windsnelheid en windrichting een risico vormt voor een veilige vluchtuitvoering; binnen twee weken na het einde van elk kwartaal overlegt de exploitant een rapportage aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland over het gebruik van de luchthaven over de periode van het begin van het gebruiksjaar tot het einde van het kwartaal. Het gebruiksjaar betreft hierbij de periode van 1 januari tot en met 31 december. Artikel4.96Beperkingengebieden Luchthaven Loodswezen IJmuiden Als beperkingengebieden als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden: de 10-6 plaatsgebondenrisicocontouren als bedoeld in artikel 11 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-6 risicocontour Luchthaven Loodswezen IJmuiden; de geluidscontour van 48 dB(A) Lden als bedoeld in artikel 9, onder b, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied geluidscontour 48 dB(A) Lden Luchthaven Loodswezen IJmuiden; de geluidscontour van 56 dB(A) Lden als bedoeld in artikel 12, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied geluidscontour 56 dB(A) Lden Luchthaven Loodswezen IJmuiden; de geluidscontour van 70 dB(A) Lden als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied geluidscontour 70 dB(A) Lden Luchthaven Loodswezen IJmuiden; een gebied met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid, ter plaatse van het werkingsgebied Hoogtebeperkingen Luchthaven Loodswezen IJmuiden. Artikel4.97Aanvullend beperkingengebied Luchthaven Loodswezen IJmuiden 1.Als aanvullend beperkingengebied geldt het werkingsgebied aanvullend beperkingengebied Luchthaven Loodswezen IJmuiden. 2.Overeenkomstig artikel 19 van het Besluit burgerluchthavens worden voor het aanvullend beperkingengebied geen aanvullende beperkingen vastgelegd. Afdeling 4.12 Windenergie Artikel4.98Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het bouwen, opschalen en vervangen van windturbines. Artikel4.99Oogmerk Deze afdeling stelt regels over het bouwen, opschalen en vervangen van windturbines met het oog op een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van windturbines. Artikel4.100Bouwverbod windturbines 1.Zolang een ruimtelijk plan niet voldoet aan artikel 6.27a is het verboden om een of meer windturbines met een rotordiameter van meer dan 5 meter of een ashoogte van meer dan 7 meter te bouwen of op te schalen, tenzij sprake is van vervanging van een of meer met vergunning gebouwde windturbines: door eenzelfde aantal of minder windturbines met eenzelfde, vergelijkbare of geringere ashoogte, rotordiameter en verschijningsvorm; en op gronden waarop op het tijdstip van het van kracht worden van deze bepaling de bouw van een of meer windturbines volgens een ruimtelijk plan is toegestaan. 2.[vervallen] 3.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid. Afdeling 4.13 Grondwateronttrekking Artikel4.101Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het onttrekken van grondwater. Artikel4.102Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op het reguleren en registreren van grondwateronttrekkingen. Artikel4.103Uitzondering vergunningplicht Een vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet is buiten interferentiegebieden niet vereist ten aanzien van inrichtingen met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan tien kubieke meters per uur. Hoofdstuk5Omgevingswaarden Afdeling 5.1 Normen regionale waterkeringen Artikel5.1Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over regionale waterkeringen in beheer van de waterschappen. Artikel5.2Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op het realiseren van waterveiligheid. Artikel5.3Veiligheidsnorm regionale waterkeringen 1.Ter plaatse van het werkingsgebied Regionale waterkeringen geldt als veiligheidsnorm, aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar, de ter plaatse van het werkingsgebied als veiligheidsnorm vastgelegde waarde. 2.Gedeputeerde Staten stellen een technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor het waterschap. 3.Gedeputeerde Staten stellen voorschriften vast voor de door het dagelijks bestuur van het waterschap te verrichten beoordeling van het waterkerend vermogen van de regionale waterkeringen en stellen ten behoeve van die beoordeling de maatgevende hoogwaterstanden vast. 4.Gedeputeerde Staten stellen, na overleg met het dagelijks bestuur van het waterschap, het tijdstip vast waarop de verschillende regionale waterkeringen moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid. 5.Een wijziging van de begrenzing of een veiligheidsnorm als bedoeld in het eerste lid, geschiedt in het geval een regionale waterkering in twee provincies is gelegen bij besluit van Provinciale Staten van beide provincies. Afdeling 5.2 Normen voor waterkwantiteit Artikel5.4Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over regionale wateren in beheer van de waterschappen. Artikel5.5Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Artikel5.6Normen voor waterkwantiteit 1.Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom als norm een gemiddelde kans op overstroming van: 1/100 per jaar voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen met maaiveldcriterium 0%; 1/50 per jaar voor glastuinbouw met maaiveldcriterium 1%; 1/10 per jaar voor het overige gebied met maaiveldcriterium 5%. 2.Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom als norm een gemiddelde kans op overstroming van: 1/100 per jaar voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen met maaiveldcriterium van 0%; 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw met maaiveldcriterium 1%; 1/25 per jaar voor akkerbouw met maaiveldcriterium 1%; 1/10 per jaar voor grasland, gedurende de periode van 1 maart tot 1 oktober met maaiveldcriterium 5%. 3.In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a geldt binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap van Rijnland voor bebouwing gelegen buiten de bebouwde kom de norm van het omringend landgebruik genoemd in het tweede lid, aanhef, onder b, c of d. 4.In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder d geldt binnen de beheersgebieden van Waterschap Amstel, Gooi en vecht en hoogheemraadschap Rijnland voor grasland de norm van 1/10 per jaar met maaiveldcriterium 10 %. 5.In afwijking van het eerste en tweede lid gelden ter plaatse van het werkingsgebied Gebiedswaarden Wateroverlast de ter plaatse van het werkingsgebied als normen en maaiveldcriteria vastgelegde gebiedswaarden. 6.Voor de toepassing van het tweede lid is wat betreft het landgebruik de situatie zoals vastgelegd in het ruimtelijk plan bepalend. Indien een ruimtelijk plan onvoldoende duidelijkheid verschaft omtrent het type landgebruik dan kan het landgebruik ook worden bepaald met behulp van het meest recente Landelijk Grondgebruikersbestand Nederland van Wageningen University & Research. 7.Voor de bepaling van het landgebruik natuur mag gebruik worden gemaakt van de meest recente voortgangskaart realisatie Natuurnetwerk waarop gebieden zijn aangeduid als Natuurnetwerk gerealiseerd of van het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland van Wageningen Universiteit en Researchcentrum. 8.Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften stellen over de toepassing van het eerste tot en met vierde lid. 9.Uiterlijk op 31 december 2027 voldoet de inrichting van de regionale wateren binnen de beheersgebieden van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, het hoogheemraadschap van Rijnland en het waterschap Amstel, Gooi en Vecht aan de in het eerste en krachtens het zevende lid opgenomen normen. Hoofdstuk6Instructieregels Afdeling 6.1 Stedelijke functies Paragraaf6.1.1Algemeen Artikel6.1Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over: nieuwe stedelijke ontwikkelingen voor het gehele provinciale grondgebied; en kleinschalige ontwikkelingen, niet zijnde kleinschalige woningbouwontwikkelingen, in het landelijk gebied Artikel6.2Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: het actief stimuleren van de regionale afstemming, duurzaam ruimtegebruik en het voorkomen van overprogrammering; het verbeteren van ruimtelijke kwaliteit door het functie wijzigen van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing; en het toestaan van schuilmogelijkheden voor dieren met zo beperkt mogelijk impact op de openheid van het landschap. Artikel6.3Nieuwe stedelijke ontwikkelingen 1.Een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. 2.Gedeputeerde Staten stellen nadere regels aan de afspraken bedoeld in het eerste lid. Artikel6.4Kleinschalige ontwikkelingen Ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied kan een ruimtelijk plan uitsluitend voorzien in een kleinschalige ontwikkeling, niet zijnde een kleinschalige woningbouwontwikkeling indien: op de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie waar een stedelijke functie is toegestaan; het toegestane bebouwd oppervlak niet wordt vergroot; en het aantal burgerwoningen niet toeneemt. Artikel6.5Voormalige agrarische bouwpercelen 1.Ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied kan een ruimtelijk plan voorzien in de mogelijkheid dat de bestaande bebouwing op een voormalig agrarisch bouwperceel, inclusief de agrarische bedrijfswoning(en) en uitgezonderd kassen, wordt gebruikt voor kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij of zorgfuncties indien: sprake is van volledige beëindiging van het agrarisch bedrijf; deze functie de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven en de woonfunctie van omringende woningen niet beperkt; buitenopslag buiten het bouwvlak niet is toegestaan; deze functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie; benodigde parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel worden gerealiseerd; in geval van bijzondere huisvesting uitsluitend sprake is van afhankelijke woonruimten of woningen als onderdeel van zorgfuncties, en; in geval van recreatiefuncties permanente bewoning wordt verboden. 2.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de aard en omvang van de in het eerste lid genoemde functies. Artikel6.6Schuilstallen Ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied kan een ruimtelijk plan voorzien in de bouw van een schuilstal, indien: deze uitsluitend is bedoeld als schuilvoorziening voor dieren voor weersomstandigheden; het grondoppervlak van de schuilstal niet meer bedraagt dan 30 m2; en er niet meer dan één schuilstal per perceel met een minimum omvang van 5.000 m2 wordt gebouwd. Paragraaf6.1.2Kleinschalige woningbouwontwikkeling en functiewijziging naar wonen in landelijk gebied Artikel6.7Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over: kleinschalige woningbouwontwikkeling in het werkingsgebied landelijk gebied; en functiewijziging van een stedelijke functie of van een agrarisch bouwperceel naar wonen in het werkingsgebied landelijk gebied. Artikel6.8Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: het zoveel mogelijk binnenstedelijk of aansluitend aan verstedelijking bouwen van nieuwe woningen; en het verbeteren van ruimtelijke kwaliteit door het slopen of van functie wijzigen van voormalige bedrijfsbebouwing. Artikel6.9MRA landelijk gebied 1.Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied MRA landelijk gebied niet voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling. 2.In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voorzien in functiewijziging van een stedelijke functie of van een agrarisch bouwperceel naar wonen in de vorm van maximaal twee burgerwoningen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: ter plaatse van de bestaande stedelijke functie of het agrarisch bouwperceel is ten minste één bedrijfswoning planologisch toegestaan; de functiewijziging naar een woonfunctie beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet; de bestaande bedrijfsbebouwing op de overige gronden wordt gesloopt en aan deze gronden wordt een bestemming toegekend zonder bouwmogelijkheden; en een tweede burgerwoning is alleen mogelijk als meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing op het bestemmingsvlak wordt gesloopt. 3.In afwijking van het eerste lid kan een nieuwe burgerwoning worden toegestaan, indien deze woning wordt gesitueerd in een dorpslint en hierbij een aanwezige bedrijfswoning binnen het werkingsgebied glastuinbouwconcentratiegebied wordt wegbestemd en gesloopt. 4.In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voorzien in een functiewijziging van een karakteristieke boerderij naar een woonfunctie waarbij de karakteristieke boerderij mag worden gesplitst in meerdere burgerwoningen, indien geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing. Artikel6.10Noord-Holland Noord landelijk gebied 1.Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied Noord-Holland Noord landelijk gebied uitsluitend voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. 2.De in het eerste lid genoemde afspraken kunnen alleen afspraken bevatten over locaties die zijn gelegen in of aan kernen of in of aan dorpslinten. 3.In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan ook voorzien in functiewijziging van een stedelijke functie of van een agrarisch bouwperceel naar wonen in de vorm van maximaal twee burgerwoningen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: ter plaatse van de bestaande stedelijke functie of agrarisch bouwperceel is ten minste één bedrijfswoning planologisch toegestaan; de functiewijziging naar een woonfunctie beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet; de bestaande bedrijfsbebouwing op de overige gronden wordt gesloopt en aan deze gronden wordt een bestemming toegekend zonder bouwmogelijkheden; en een tweede burgerwoning is alleen mogelijk als meer dan 1.500 m² grondoppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing op het bestemmingsvlak wordt gesloopt. 4.In afwijking van het eerste lid kan een nieuwe burgerwoning worden toegestaan, indien deze woning wordt gesitueerd in een dorpslint en hierbij een aanwezige bedrijfswoning binnen het werkingsgebied glastuinbouwconcentratiegebied wordt wegbestemd en gesloopt. 5.In afwijking van het bepaalde eerste lid kan een ruimtelijk plan voorzien in een functiewijziging van een karakteristieke boerderij naar een woonfunctie waarbij de karakteristieke boerderij mag worden gesplitst in meerdere burgerwoningen, indien geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing. 6.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen aan de afspraken, bedoeld in het eerste lid. Paragraaf6.1.3Detailhandel Artikel6.11Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over detailhandel op bedrijventerreinen en kantoorlocaties. Artikel6.12Oogmerk Deze paragraaf bevat regels met het oog op: het behouden en versterken van detailhandel in de centra van kernen door het voorkomen van versnippering van het aanbod in en buiten de kernen het voorkomen van ruimtelijk relevante leegstand in winkelgebieden om zo een detailhandelsstructuur te behouden die uitgaat van duurzaam ruimtegebruik; het vrijwaren van veel consumentenverkeer op bedrijventerreinen; en het tegengaan van extra verkeersbewegingen en landschappelijke aantasting van het landelijk gebied door vestiging van detailhandelsbedrijven. Artikel6.13Detailhandel 1.Een ruimtelijk plan kan uitsluitend nieuwe detailhandel mogelijk maken op bedrijventerreinen of kantoorlocaties, indien sprake is van detailhandel in de vorm van: een afhaalpunt ten behoeve van internethandel; detailhandel die zowel bedrijfseconomisch als ruimtelijk ondergeschikt is aan de toegelaten bedrijfsuitoefening en daarop nauw aansluit; brand- of explosiegevaarlijke detailhandel; of volumineuze detailhandel indien deze in winkelgebieden uit een oogpunt van hinder, veiligheid of verkeersaantrekkende werking niet inpasbaar is. Als het totaal winkelvloeroppervlak meer dan 1500 m2 bedraagt, geldt dat: dit aantoonbaar niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand in bestaande winkelgebieden; en de regionale adviescommissie detailhandel hierover een advies heeft uitgebracht. 2.Een ruimtelijk plan maakt ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied geen nieuwe detailhandelsbedrijven mogelijk. 3.Onverminderd het tweede lid, maakt een ruimtelijk plan geen nieuwe solitaire detailhandelsbedrijven mogelijk, tenzij wordt gemotiveerd dat dit niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand van bestaande winkelgebieden. Paragraaf6.1.4Verblijfsrecreatie Artikel6.14Toepassingsbereik Dit artikel gaat over de openheid van het provinciale landschap in relatie tot de mogelijkheid van bestaande en nieuwe verblijfsrecreatie als ook de regionale uitwerking en impact van verblijfsrecreatieve functies. Het werkingsgebied betreft de gehele provincie. Artikel6.15Oogmerk Deze paragraaf bevat regels met het oog op nakoming van de regionaal afgesproken ambities ten aanzien van de ontwikkeling van verblijfsrecreatie, om zo een belangenafweging te kunnen maken tussen de openheid van het provinciaal landschap en de mogelijkheid voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van verblijfsrecreatie. Artikel6.16Verblijfsrecreatie 1.Een ruimtelijk plan borgt bij bestaande en nieuwe verblijfsrecreatie de geformuleerde ambities van de binnen een regio opgestelde afspraken voor verblijfsrecreatie. 2.Een ruimtelijk plan voorziet bij bestaande en nieuwe verblijfsrecreatie alleen in de mogelijkheid voor kort verblijf waarbij de verblijfsrecreant elders een hoofdverblijf heeft. 3.Een ruimtelijk plan dat verblijfsrecreatie mogelijk maakt (bestaand en nieuw) stelt regels ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie. Paragraaf6.1.5Industrieterreinen van provinciaal belang Artikel6.17Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over industrieterreinen van provinciaal belang in het Noordzeekanaalgebied. Artikel6.18Oogmerk Deze paragraaf stelt regels met het oog op: het waarborgen van fysieke ruimte en milieugebruiksruimte voor de energietransitie, circulaire activiteiten en bedrijven, zware industriële activiteiten en havengebonden en havengerelateerde activiteiten; het ten behoeve van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving waarborgen van terughoudendheid met het plaatsen van gevoelige of (beperkt) kwetsbare functies binnen de milieucontour van de onder a. genoemde activiteiten. Artikel6.19Industrieterreinen van provinciaal belang in het Noordzeekanaalgebied 1.In een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied industrieterrein van provinciaal belang, wordt de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten niet verlaagd. 2.Het ruimtelijk plan voorziet, indien bedrijven met milieucategorie 4.1 of hoger van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, alleen in een nieuwe of wijziging van een bestaande functie: ten behoeve van de energietransitie of circulaire activiteiten en bedrijven; of ten behoeve van havengebonden of havengerelateerde activiteiten. Artikel6.20Milieucontour industrieterrein van provinciaal belang Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied milieucontour industrieterrein van provinciaal belang, voorziet alleen in een nieuwe of wijziging van een bestaande functie: als er geen beperkingen optreden voor de bestaande milieugebruiksruimte voor geluid, geur of omgevingsveiligheid voor bedrijven op het industrieterrein van provinciaal belang; en als in het geval van woningen of andere milieugevoelige objecten rekening wordt gehouden met de milieubelasting van het industrieterrein van provinciaal belang op de desbetreffende locatie. Daarbij worden de redenen vermeld om op de desbetreffende locatie een nieuwe milieugevoelige functie toe te staan, voorzien van een afweging over de verwachte kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de aan de zijde van de ontvanger zo nodig te treffen maatregelen alsmede de uitkomsten van onderzoek naar de haalbaarheid van die maatregelen. Artikel6.21Transformatiegebied industrieterrein van provinciaal belang Op een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied transformatiegebied industrieterrein van provinciaal belang is artikel 6.20 van overeenkomstige toepassing. Paragraaf6.1.6Wonen binnen de LIB 5 zone Schiphol Artikel6.22Toepassingsbereik Deze paragraaf ziet op het toevoegen van woningen binnen de LIB 5 zone Schiphol, zijnde het planologisch afwegingsgebied zoals bedoeld in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol. Artikel6.23Oogmerk Deze paragraaf bevat regels met het oog op: het waarborgen van terughoudendheid met woningbouw in het landelijk gebied binnen de LIB 5 zone Schiphol; het expliciet meewegen van luchtvaartgeluid in ruimtelijke plannen waarin woningen worden toegevoegd binnen de LIB 5 zone Schiphol Artikel6.24Woningen binnen de LIB 5 zone Schiphol 1.Voor zover een ruimtelijk plan nieuwe woningen toestaat op gronden die liggen ter plaatse van het werkingsgebied LIB 5 zone wordt in de toelichting op dat plan rekenschap gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en worden de redenen vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen. 2.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de toelichting zoals bedoeld in het eerste lid. Afdeling6.2 Duurzame energie Paragraaf6.2.1Windenergie Artikel6.25Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen, opschalen en vervangen van windturbines. Artikel6.26Oogmerk Deze paragraaf bevat regels met het oog op het mogelijk maken van windturbines ter uitvoering van de Regionale Energiestrategieën Noord Holland Noord 1.0 en Noord Holland Zuid 1.0 en met het oog op een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van windturbines. Artikel 6.27 Windturbines [vervallen] Artikel 6.27a Windturbines in RES zoekgebieden
- Een ruimtelijk plan mag uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied zoekgebieden wind en wind + zon RES 1.0 voorzien in het bouwen, vervangen of opschalen van een of meer windturbines met een rotordiameter van meer dan 5 meter of een ashoogte van meer dan 7 meter, als: aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies wordt gevraagd inzake de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing van de windturbines. aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies wordt gevraagd inzake de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing van de windturbines.
- Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid. Artikel 6.27b Kleine windturbines in landelijk gebied
- Voor zover een ruimtelijk plan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het, in afwijking van artikel 6.27a, ook buiten het werkingsgebied zoekgebieden wind en wind + zon RES 1.0 voorzien in de bouw van één windturbine per bouwperceel, als: de windturbine wordt gebouwd op een agrarisch bouwperceel of op een bouwperceel van ten minste 1 hectare waar een stedelijke activiteit is toegestaan; de ashoogte niet meer bedraagt dan 15 meter vanaf het maaiveld; de windturbine in landschappelijk opzicht aansluit op de bijbehorende bebouwing; en de windturbine zorgvuldig ruimtelijk wordt ingepast.
- Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid. Paragraaf6.2.2Zonne-energie Artikel6.28Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het oprichten van opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied. Artikel6.29Oogmerk Deze paragraaf bevat regels met het oog op een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van zonne-opstellingen in het landelijk gebied. Artikel6.30Opstellingen voor zonne-energie 1.Ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied kan de oprichting van een of meer opstellingen voor zonne-energie uitsluitend mogelijk worden gemaakt door middel van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van een ruimtelijk plan of beheersverordening wordt afgeweken. 2.Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden: de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die maximaal 25 jaar bedraagt; na het verstrijken van de onder a bedoelde termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd; en voor het gestelde onder b wordt financiële zekerheid gesteld. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid kan een ruimtelijk plan het oprichten van een of meer opstellingen voor zonne-energie in het werkingsgebied het landelijk gebied mogelijk maken op gronden bestemd voor en feitelijk in gebruik als nutsvoorzieningen, of infrastructuur voor weg-, spoor-, water- of luchtverkeer, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit. 4.Op het bepaalde in het eerste en het derde lid is afdeling 6.5 Ruimtelijke inpassing in landelijk gebied van overeenkomstige toepassing. 5.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid. 6.Gedeputeerde Staten stellen in ieder geval nadere regels over de locatie, omvang en landschappelijke inpassing van een opstelling voor zonne-energie als bedoeld in het eerste lid. Afdeling 6.3 Land- en tuinbouw Artikel6.31Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over de land- en tuinbouw en daarmee samenhangende functies. Artikel6.32Oogmerk Deze afdeling bevat regels met het oog op: het in stand houden en bevorderen van een duurzame en vitale land- en tuinbouw; het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied; een goede balans tussen de agrarische sector en de natuur- en watersystemen, een duurzame economische ontwikkeling en een gezonde leefomgeving; en behoud en versterken van de nationaal ruimtelijke economische clusters Greenport Noord-Holland Noord en Greenport Aalsmeer en het MRA AgriFood cluster in relatie tot Programma Metropolitaan landschap voor de MRA. Artikel6.33Agrarische bedrijven 1.Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied agrarische bedrijven voorzien in agrarische bedrijven, waarbij geldt dat: bebouwing wordt geconcentreerd in een bouwperceel, waarbij de omvang van het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt. bij het toestaan van een nieuw bouwperceel wordt gemotiveerd waarom niet op bestaande bouwpercelen in de behoefte kan worden voorzien, waarbij ingegaan wordt op de mogelijkheden tot hergebruik van bouwpercelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut en op het combineren van functies op bestaande bouwpercelen. in afwijking op onderdeel a is een omvang van het bouwperceel van meer dan 2 hectare toegestaan, indien de uitbreiding noodzakelijk is voor het agrarisch productieproces en het geen glastuinbouwbedrijf betreft. in afwijking op onderdeel a geldt dat de omvang van een bouwperceel voor een glastuinbouwbedrijf meer kan bedragen dan 2 hectare, indien het bedrijf grenst aan bestaand stedelijk gebied, niet grenst aan andere glastuinbouwbedrijven, sprake is van grondgebonden teelt en sprake is van aantoonbare duurzame synergie met aangrenzende stedelijke functies. per volwaardig agrarisch bedrijf kan ten hoogste één bedrijfswoning worden toegestaan. in afwijking van onderdeel e geldt dat een extra bedrijfswoning kan worden toegestaan, indien dit noodzakelijk is voor het toezicht op de bedrijfsvoering. ten behoeve van de bedrijfsvoering kan worden voorzien in de huisvesting van tijdelijke werknemers, indien: de huisvesting wordt voorzien binnen het bouwperceel, en; het een ondergeschikte functie ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf betreft. indien het agrarisch bedrijf is gelegen in veenpolderlandschap, bevat het ruimtelijk plan een verbod op het scheuren van grasland, tenzij wordt aangetoond dat dit bijdraagt aan meer biodiversiteit in het grasland en daarbij bodemerosie en extra CO2 uitstoot wordt vermeden. 2.Niet-agrarische bedrijfsfuncties zijn als onderdeel van een agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij geldt dat: uitsluitend kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij, detailhandel en zorgfuncties zijn toegestaan; en de omvang past binnen de op basis van het eerste lid bepaalde omvang van het bouwperceel. 3.Agrarisch aanverwante bedrijven zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, indien: het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft; het agrarisch aanverwant bedrijf zich vestigt op een bestaand agrarisch bouwperceel; of het een verplaatsing van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft en gemotiveerd wordt waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in de verplaatsing kan worden voorzien en waarom hergebruik van percelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut niet mogelijk is; en de omvang een bouwperceel na toepassing van onderdeel a, b of c ten hoogste 2 hectare bedraagt. 4.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de aard en omvang van de in het tweede lid genoemde niet-agrarische bedrijfsfuncties. Artikel6.34Intensieve veehouderij 1.Een ruimtelijk plan voorziet niet in de vestiging van intensieve veehouderij of de al dan niet gedeeltelijke omschakeling van bestaande agrarische bedrijven naar intensieve veehouderij. 2.In afwijking van het eerste lid is vestiging van intensieve veehouderij mogelijk indien dit zich richt op verplaatsing van op 30 november 2011 in Noord-Holland bestaande intensieve veehouderij in Noord-Holland. 3.Voor zover een ruimtelijk plan betrekking heeft op een bestaande intensieve veehouderij zoals bedoeld in het tweede lid geldt bij uitbreiding dat ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren. Artikel6.35Geitenhouderijen 1.Een ruimtelijk plan voorziet niet in bestemmingen en regels die de mogelijkheid bieden tot: nieuwvestiging van geitenhouderijen, al dan niet