← Nederland

Omgevingsverordening provincie Flevoland (Flevoland)

Kort samengevat

Deze wet regelt activiteiten op gesloten stortplaatsen, in stiltegebieden en in grondwaterbeschermingsgebieden in de provincie Flevoland, met als doel de bescherming van nazorgvoorzieningen, het voorkomen van geluidhinder en de bescherming van grondwater voor drinkwater.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

act/provincie/2024/CVDR706275 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv24/2022/omgevingsverordening /join/id/stop/work_019 2024-12-19 2024-12-19 /akn/nl/act/provincie/2024/CVDR706275/nld@2025-01-01 /join/

Artikel 4

.5, tweede lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 2 meter ten opzichte van maaiveld bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 2. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.5, tweede lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 8 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 3. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.5, tweede lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 4. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.5, tweede lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 5. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.5, tweede lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 17 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 6. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.5, tweede lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 20 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. Artikel 4.13 Melding: uitvoeren van sonderingen in een beschermingsgebied voor grondwater

  1. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 2 meter ten opzichte van maaiveld zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  2. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 8 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  3. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  4. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  5. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 17 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  6. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 20 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  7. Het is verboden een sondering uit te voeren als bedoeld in Artikel 4.5, tweede lid onder f, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  8. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.
  9. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. gegevens en bescheiden over de uitvoerder; d. de kadastrale aanduiding van de plaats van de sondering; e. de coördinaten van de sondering(en) conform artikel 7.1b Omgevingsregeling ; f. de voor de sondering te gebruiken methode.
  10. Artikel 4.13, negende lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. Paragraaf 4.2.2.2 Waterwingebied Artikel 4.14 Melding: boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie in een waterwingebied
  11. Het is verboden tot een diepte van 2 meter ten opzichte van maaiveld een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  12. Het is verboden tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  13. Het is verboden tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  14. Het is verboden tot een diepte van 26 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  15. Het is verboden tot een diepte van 29 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  16. Het is verboden tot een diepte van 32 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  17. Het is verboden tot een diepte van 35 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  18. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.
  19. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding voor een boorput geschikt voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie gegevens en bescheiden over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  20. Een melding voor een boorput geschikt voor de uitwisseling van energie bevat aanvullend: a. de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput; b. de coördinaten van de boorput conform artikel 7.1b Omgevingsregeling; c. een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt; d. een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen; e. de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd; f. de diepte van de boorput ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil respectievelijk maaiveld.
  21. Artikel 4.14, negende lid en Artikel 4.14, tiende lid zijn van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. Artikel 4.15 Algemene regels heipalen bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk in een waterwingebied
  22. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.7, derde lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 2 meter ten opzichte van maaiveld bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 2. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.7, derde lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 3. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab prefab

Artikel 4

.7, derde lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 4. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab prefab

Artikel 4

.7, derde lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 26 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 5. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.7, derde lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 29 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 6. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.7, derde lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 32 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 7. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.7, derde lid onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 35 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. Artikel 4.16 Melding: uitvoeren van sonderingen in een waterwingebied

  1. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 2 meter ten opzichte van maaiveld zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  2. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  3. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  4. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 26 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  5. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 29 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  6. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 32 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  7. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 35 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  8. Het is verboden een sondering uit te voeren als bedoeld in Artikel 4.7, derde lid onder f, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  9. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.
  10. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. gegevens en bescheiden over de uitvoerder; d. de kadastrale aanduiding van de plaats van de sondering; e. de coördinaten van de sondering(en) conform artikel 7.1b Omgevingsregeling ; f. de voor de sondering te gebruiken methode.
  11. Artikel 4.16, tiende lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. Paragraaf 4.2.2.3 Boringsvrije zone Artikel 4.17 Melding: boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie in de boringsvrije zone
  12. Het is verboden tot een diepte van 8 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  13. Het is verboden tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  14. Het is verboden tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  15. Het is verboden tot een diepte van 17 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  16. Het is verboden tot een diepte van 20 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  17. Het is verboden tot een diepte van 23 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  18. Het is verboden tot een diepte van 26 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  19. Het is verboden tot een diepte van 29 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  20. Het is verboden tot een diepte van 32 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  21. Het is verboden tot een diepte van 35 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  22. Het is verboden tot een diepte van 38 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  23. Het is verboden tot een diepte van 41 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  24. Het is verboden tot een diepte van 44 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  25. Het is verboden tot een diepte van 47 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  26. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.
  27. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding voor een boorput geschikt voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie gegevens en bescheiden over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  28. Een melding voor een boorput geschikt voor de uitwisseling van energie bevat aanvullend: a. de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput; b. een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt; c. een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen; d. de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd; e. de diepte van de boorput ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil respectievelijk maaiveld.
  29. Artikel 4.17, zestiende lid en Artikel 4.17, zeventiende lid zijn van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. Artikel 4.18 Algemene regels heipalen bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk in de boringsvrije zone
  30. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 8 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 2. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 3. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 4. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 17 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 5. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 20 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 6. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 23 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 7. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 26 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 8. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 29 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 9. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 32 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 10. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 35 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 11. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 38 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 12. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 41 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 13. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 44 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. 14. Indien heipalen, waaronder mede verstaan prefab

Artikel 4

.9, aanhef en onder e, in het beschermingsgebied de funderende functie verliezen, wordt, indien de heipalen zich dieper dan 47 meter ten opzichte van NAP bevinden, het bovenste gedeelte van de heipalen tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte verwijderd op een dusdanige manier dat het onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte. Artikel 4.19 Melding: uitvoeren van sonderingen in de boringsvrije zone

  1. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 8 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  2. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  3. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  4. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 17 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  5. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 20 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  6. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 23 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  7. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 26 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  8. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 29 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  9. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 32 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  10. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 35 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  11. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 38 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  12. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 41 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  13. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 44 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  14. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 47 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag.
  15. Het is verboden een sondering uit te voeren als bedoeld in Artikel 4.9, aanhef en onder f, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag.
  16. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.
  17. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. gegevens en bescheiden over de uitvoerder; d. de kadastrale aanduiding van de plaats van de sondering; e. de coördinaten van de sondering(en) conform artikel 7.1b Omgevingsregeling; f. de voor de sondering te gebruiken methode.
  18. Artikel 4.19, zeventiende lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. Titel 4.3 Instructieregels Artikel 4.20 Waterschap Zuiderzeeland: grondwateronttrekkingsactiviteit in grondwaterbeschermingsgebieden
  19. Het algemeen bestuur van het waterschap regelt in de waterschapsverordening voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen, dat het absoluut verboden is grondwater te onttrekken of water te retourneren of te infiltreren van water, indien de onttrekking of infiltratie plaatsvindt op een grotere diepte dan in een beschermingszone voor grondwater, een waterwingebied en de boringsvrije zone is toegestaan.
  20. Het algemeen bestuur van het waterschap regelt in de waterschapsverordening, dat vergunningen voor onttrekkingen die op 22 december 2009 vallen onder het verbod als bedoeld in artikel 6.4 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland blijven bestaan tot het moment dat de onttrekking wordt beëindigd of tot 1 januari
  21. De instructieregel als bedoeld in Artikel 4.20, eerste lid heeft geen betrekking op: a. onttrekkingen ten behoeve van de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie; b. onttrekkingen ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; c. onttrekkingen ten behoeve van het onderzoeken en saneren van de bodem en het grondwater dan wel het verrichten van activiteiten ten gevolge van waarvan een verontreiniging van de bodem en het grondwater wordt verminderd of verplaatst, indien voor het saneren of die activiteiten Hoofdstuk 6 of het overgangsrecht als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is. Artikel 4.21 Bevoegd gezag: beoordelingsregels werken en handelingen voor een milieubelastende activiteit in een beschermingsgebied voor grondwater of een waterwingebied)
  22. De omgevingsvergunning voor werken en handelingen in een beschermingsgebied voor grondwater als bedoeld in Artikel 4.4, negende lid , wordt alleen verleend indien het belang waartoe het betreffende grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen zich daartegen niet verzet.
  23. De omgevingsvergunning voor werken en handelingen in een waterwingebied als bedoeld in Artikel 4.6, tiende lid, wordt alleen verleend indien het belang waartoe het betreffende grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen zich daartegen niet verzet. Hoofdstuk 5 Grondwateronttrekkingen Titel 5.1 Algemeen Artikel 5.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het de bescherming van de grondwaterkwaliteit, doelmatig waterbeheer en doelmatig gebruik van bodemenergie. Artikel 5.2 Werkingsgebied
  24. De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten .
  25. Het gebied vergunningvrije bodemenergiesystemen is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten. Titel 5.2 Activiteiten Afdeling 5.2.1 Grondwateronttrekkingen Artikel 5.3 (Toepassingsbereik) Deze paragraaf gaat over: a. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteit leefomgeving; en b. het onttrekken van grondwater in verband met de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5.4 (Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water)
  26. Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 5.3, onder a meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.
  27. Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan Gedeputeerde Staten in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
  28. Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in Bijlage V opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.
  29. Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan Gedeputeerde Staten de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en b. de kwaliteit van het geïnfiltreerde water. c. de analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling. Afdeling 5.2.2 Aanleg en gebruik van een open bodemenergiesysteem Artikel 5.5 (Toepassingsbereik) Deze paragraaf gaat over de aanleg en gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5.6 (Vergunningvrije bodemenergiesystemen)
  30. Met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie of doelmatig waterbeheer is geen omgevingsvergunning vereist voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem tot een maximale diepte van 150 meter beneden NAP als de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer is dan 10 m3 per uur.
  31. Het eerste lid is niet van toepassing in een bij omgevingsplan of deze verordening aangewezen interferentiegebied als bedoeld in Artikel 5.12 . Artikel 5.7 (Gegevens en bescheiden) In aanvulling op de gegevens en bescheiden zoals opgenomen in artikel 2.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden bij een melding voor het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 5.6 eerste lid en in artikel 4.1149 van het Besluit activiteit leefomgeving de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in artikel 7.35 van de Omgevingsregeling. Artikel 5.8 (Registratieplicht)
  32. In aanvulling op de registratieplicht zoals opgenomen in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een registratie bijgehouden van het gemiddelde chloridegehalte per jaar van het grondwater dat door het systeem in de bodem wordt teruggeleid.
  33. Jaarlijks voor 1 maart worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid als ook de gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving aan bevoegd gezag verstrekt. Artikel 5.9 (Vrijstelling registratieplicht) De in artikel 4.1150, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen registratieplicht ten aanzien van de hoeveelheid warmte en koude die aan de bodem zijn toegevoegd, als ook de in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde jaarlijkse verstrekking van deze gegevens en bescheiden, is niet van toepassing bij een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.6, eerste lid waarbij het onttrokken water in een aaneengesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken. Artikel 5.10 (Energie: Energierendement)
  34. Met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie behaalt een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving met een installatiedatum van vóór 1 januari 2024 jaarlijks minimaal een energierendement van SPF 3,5 en een systeem met een installatiedatum na 1 januari 2024 jaarlijks een energierendement van minimaal SPF
  35. .
  36. Indien uit de jaarlijkse verstrekte gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving blijkt dat het energierendement beneden het in het eerste lid genoemde energierendement komt, of het energierendement lager is dan 80% ten opzichte van het jaar ervoor worden maatregelen getroffen.
  37. Maatregelen als bedoeld in het tweede lid dienen ertoe te strekken dat het energierendement verhoogd wordt, waarbij minimaal het energierendement zoals vastgelegd in het eerste lid behaald wordt. Artikel 5.11 (Water: voorkomen verzilting) Met het oog op het beschermen van de grondwaterkwaliteit wordt vermenging van zoet met zout of brak grondwater als bedoeld in tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A) zoveel als wat redelijkerwijs kan voorkomen. Afdeling 5.2.3 Interferentiegebieden Artikel 5.12 (Toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelegen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek als bedoeld in de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen Gemeente Urk
  38. Artikel 5.13 (Energie: opslagsysteem)
  39. Een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.12 moet uitgevoerd worden als een doubletsysteem in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket tussen 60 en 225 meter minus maaiveld.
  40. In afwijking van het eerste lid kan worden afgeweken van een doubletsysteem indien aangetoond kan worden dat dit past binnen het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk68122/SV20190226, versie 3.0].
  41. Het is verboden om een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.12 uit te voeren als recirculatiesysteem. Artikel 5.14 (Voorkomen interferentie)
  42. De warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem, als bedoeld in Artikel 5.12, moeten worden gepositioneerd binnen de daarvoor bestemde zones, op de kaart van het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk68122/SV20190226, versie 3.0] aangegeven als rode en blauwe zoekgebieden.
  43. Binnen een zoekgebied kunnen open bodemenergiesystemen, als bedoeld in Artikel 5.12, met een totale capaciteit van 500m³/uur en 750.000 m³/seizoen gerealiseerd worden.
  44. De minimale filterlengte van een open bodemenergiesysteem, als bedoeld in Artikel 5.12, bedraagt 40 meter. Titel 5.3 Instructieregels Afdeling 5.3.1 Gedeputeerde Staten Artikel 5.15 Grondwaterregister
  45. Gedeputeerde staten houden een register bij waarin wateronttrekkingsactiviteiten, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, worden opgenomen.
  46. In het grondwaterregister wordt de wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving ingeschreven met vermelding van de gegevens en bescheiden die in het kader van deze wateronttrekkingsactiviteit aan gedeputeerde staten verstrekt worden.
  47. Een niet in het grondwaterregister opgenomen wateronttrekkingsactiviteit, als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteit leefomgeving, wordt ambtshalve door gedeputeerde staten in het grondwaterregister opgenomen. De datum van de ambtshalve inschrijving is de aanvangsdatum van de wateronttrekkingsactiviteit. Artikel 5.16 (Beoordelingsregel omgevingsvergunning bodemenergiesystemen)
  48. Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen die op grond van artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is vereist, is de Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1) van overeenkomstige toepassing.
  49. In aanvulling op het eerste lid is voor het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen gelegen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolse Hoek, zoals aangewezen in de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen Gemeente Urk 2019] het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk 68122/SV20190226, versie 3.0] van toepassing.
  50. Een omgevingsvergunning wordt enkel verleend indien er geen vermenging optreedt van zoet met zout of brak grondwater als bedoeld in tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A).
  51. In afwijking van het derde lid kan de omgevingsvergunning verleend worden indien aangetoond wordt dat de vermenging van zoet met zout of brak water niet leidt tot aanzienlijke verzilting van het grondwater. Artikel 5.17 (Voorschriften omgevingsvergunning bodemenergiesystemen) Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen die op grond van artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is vereist, is de Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1) van overeenkomstige toepassing. Afdeling 5.3.2 Waterschap Zuiderzeeland Artikel 5.18 Gegevens verstrekking en grondwaterregister
  52. Het dagelijks bestuur van het waterschap neemt de volgende gegevens op in het grondwaterregister als bedoeld in Artikel 5.15, eerste lid: a. een overzicht van de op grond van de waterschapsverordening vereiste vergunningen en gegevens en bescheiden op basis waarvan de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, plaatsvindt. b. de gegevens die op grond van de waterschapsverordening vereist zijn in het kader van de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, door de houder van de omgevingsvergunning of door degene op wie een informatieplicht rust aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden verstrekt.
  53. De in het eerste lid opgenomen registratieplicht geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten waar minder of gelijk aan 10.000 m3 grondwater onttrokken wordt.
  54. De op grond van het eerste en tweede lid vermelde gegevens worden daarnaast aan gedeputeerde staten verstrekt in verband met de grondwateronttrekkingsheffing als bedoeld in artikel 13.4b van de Omgevingswet. Hoofdstuk 6 Grondwaterkwaliteit Titel 6.1 Algemeen Artikel 6.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld uit oogpunt van de bescherming van de grondwaterkwaliteit en het beperken van risico’s voor verontreiniging van het grondwater en verdere verspreiding van verontreiniging in het grondwater. Artikel 6.2 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten die redelijkerwijs kunnen leiden tot verontreiniging van het grondwater of beïnvloeding van een historische verontreiniging in het grondwater. Artikel 6.3 Aanwijzing werkingsgebieden historische grondwaterverontreiniging
  55. Een bekende historische grondwaterverontreiniging is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.
  56. Het margegebied historische grondwaterverontreiniging is de bekende historische grondwaterverontreiniging inclusief een zone van 500 meter buiten de bekende historische grondwaterverontreiniging waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.
  57. Buiten het margegebied historische grondwaterverontreiniging is de zone waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.
  58. Een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. Titel 6.2 Activiteiten die invloed hebben op grondwater Afdeling 6.2.1 Risicobeoordeling bij beïnvloeding bekende historische verontreinigingen Artikel 6.4 Toets op beïnvloeding
  59. Voorafgaand aan het verrichten van een activiteit in een margegebied historische grondwaterverontreiniging wordt een risicobeoordeling grondwater uitgevoerd als blijkt dat die activiteit in staat is: a. het grondwater, en daarmee de grondwaterstroming, te beÏnvloeden; en b. de bekende historische grondwaterverontreiniging in het grondwater te beÏnvloeden.
  60. De risicobeoordeling grondwater is gericht op het bepalen of sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s van de bekende historische grondwaterverontreiniging als gevolg van de activiteit.Margegebied historische grondwaterverontreiniging
  61. Bij het uitvoeren van de risicobeoordeling grondwater wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  62. Voor het bepalen of sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s wordt gebruik gemaakt van de Risicotoolbox Grondwater of een gelijkwaardige methode. Artikel 6.5 Gegevens en bescheiden: resultaten risicobeoordeling Ten minste vier weken voor aanvang van de activiteit als bedoeld in Artikel 6.4, eerste lid worden de gegevens en bescheiden verstrekt aan gedeputeerde staten over: a. de resultaten van de risicobeoordeling grondwater; b. de resultaten van het voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in Artikel 6.4, derde lid. Artikel 6.6 Maatregelen na uitvoering risicobeoordeling grondwater
  63. Het is verboden om een activiteit te verrichten in een margegebied historische grondwaterverontreiniging indien de activiteit een bekende historische grondwaterverontreiniging beÏnvloedt waarbij op grond van de risicobeoordeling grondwater is bepaald dat een onaanvaardbaar verspreidingsrisico ontstaat.
  64. Artikel 6.6, eerste lid is niet van toepassing indien de initiatiefnemer van de activiteit als bedoeld in het eerste lid gelijktijdig of voorafgaand aan de activiteit een grondwatersanering uitvoert, conform een op grond van Artikel 6.10, verleende omgevingsvergunning. Artikel 6.7 Gegevens en bescheiden bij beëindiging activiteit Bij beëindiging van een activiteit in een margegebied historische grondwaterverontreiniging worden, indien de bekende historische grondwaterverontreiniging verminderd of verplaatst is, de gegevens en bescheiden over de grondwaterkwaliteit na beëindiging van de activiteit verstrekt aan gedeputeerde staten. Afdeling 6.2.2 Onderzoeksplicht bij aantreffen onbekende historische grondwaterverontreinigingen Artikel 6.8 Gegevens en bescheiden: onbekende historische grondwaterverontreiniging Gedeputeerde staten ontvangen onverwijld een afschrift van de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving die aan burgemeester en wethouders worden verstrekt op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of omgevingsplan, indien uit het voorafgaand bodemonderzoek dat plaatsvindt buiten het margegebied historische grondwaterverontreiniging blijkt dat voor één of meer verontreinigende stoffen de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in Bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt overschreden. Titel 6.3 Grondwatersanering Artikel 6.9 Melding grondwatersanering
  65. Het is verboden een grondwatersanering te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
  66. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding: a. de resultaten van voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de keuze voor de saneringsaanpak, waarbij aangetoond wordt dat de gekozen saneringsaanpak leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater; c. omschrijving van de werkzaamheden, waaronder ten minste het maximale volume van bodem en grondwater waarin de werkzaamheden plaatsvinden en de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater; d. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de grondwatersanering te voorkomen of te beperken; e. als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes; en f. de naam van de milieukundig begeleider.
  67. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.
  68. Artikel 6.9 is niet van toepassing als de grondwatersanering als vergunningplichtig is aangewezen in Artikel 6.
  69. Artikel 6.10 Omgevingsvergunning grondwatersanering
  70. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een grondwatersanering uit te voeren waarbij sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s, bedoeld in Artikel 6.
  71. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 6.10, eerste lid, worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van de risicobeoordeling grondwater, bedoeld in Artikel 6.4; b. de resultaten van voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. een beschrijving van de effecten die met de saneringsaanpak wordt beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van het grondwater die met de grondwatersanering zal worden bereikt, waarbij minimaal de onaanvaardbare verspreidingsrisico’s worden weggenomen; d. de keuze voor de saneringsaanpak, waarbij aangetoond wordt dat de gekozen saneringsaanpak leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater; e. een omschrijving van de werkzaamheden, waaronder ten minste het maximale volume van bodem en grondwater waarin de werkzaamheden plaatsvinden en de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater; f. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de grondwatersanering te voorkomen of te beperken; g. als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes; en h. de naam van de milieukundig begeleider. Artikel 6.11 Kwaliteitsborging grondwatersanering Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het grondwater en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt een grondwatersanering: a. uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000; en b. begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB
  72. Artikel 6.12 Gegevens en bescheiden: beëindigen grondwatersanering
  73. Ten hoogste vier weken na beëindiging van de grondwatersanering worden aan het bevoegde gezag gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
  74. Als er sprake is van gebruiksbeperkingen of nazorg worden ook gegevens en bescheiden bij het evaluatieverslag verstrekt over: a. de gebruiksbeperkingen die wenselijk zijn ter bescherming van de chemische en ecologische kwaliteit van het grondwaterlichaam en de aan het grondwaterlichaam toegekende maatschappelijke functies; en b. een voorstel voor nazorgmaatregelen als bedoeld in Artikel 6.
  75. Artikel 6.13 Nazorg na uitvoeren grondwatersanering Degene die de grondwatersanering verricht, is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen, bedoeld in Artikel 6.12, tweede lid onder b, tenzij in het evaluatieverslag een ander daartoe is aangewezen. Titel 6.4 Instructieregels Afdeling 6.4.1 Instructieregels voor het omgevingsplan Paragraaf 6.4.1.1 Activiteiten op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging Artikel 6.14 Bouwen op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging
  76. Het omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging alleen is toegelaten als een bronaanpak overeenkomstig Artikel 6.15 wordt uitgevoerd voor zover er sprake is van een mobiele bodemverontreiniging.
  77. Er is sprake van een mobiele bodemverontreiniging als bedoeld in Artikel 6.14, eerste lid indien de verontreinigende stof: a. in het vaste deel van de bodem voorkomt in concentraties hoger dan de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. in het grondwater voorkomt in concentraties hoger dan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving
  78. Het aannemelijk maken of er sprake is van een mobiele bodemverontreiniging kan volgen uit: a. het uitvoeren van een voorafgaand bodemonderzoek, als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
  79. Een gebouw als bedoeld in het eerste lid omvat ook de daaraan grenzende aaneengesloten tuin of het daaraan aangrenzende aaneengesloten terrein.
  80. Artikel 6.14, eerste lid geldt niet voor bijbehorende bouwwerken als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m
  81. Artikel 6.15 Eisen aan bronaanpak
  82. Het omgevingsplan bepaalt dat bij de uitvoering van een bronaanpak, bedoeld in Artikel 6.14, eerste lid, afdekken als saneringsaanpak, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet is toegestaan.
  83. Het omgevingsplan regelt dat een maatwerkvoorschrift met betrekking tot de uitvoering van een bronaanpak, bedoeld in Artikel 6.14, eerste lid, waarin een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving is toegestaan, alleen kan worden gesteld als de andere saneringsaanpak leidt tot het voorkomen of beperken van verontreinigende stoffen naar het grondwater.
  84. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat gedeputeerde staten een afschrift krijgen van: a. de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving na beëindiging van de bodemsanering.
  85. Artikel 6.15, derde lid is enkel van toepassing indien het saneren van de bodem wordt uitgevoerd vanwege een op grond van Artikel 6.14, eerste lid verplichte bronaanpak Artikel 6.16 Activiteiten op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging Het omgevingsplan bepaalt dat degene die een activiteit uitvoert op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging in het belang van bescherming van de bodem en het watersysteem maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem en het grondwater te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. Paragraaf 6.4.1.2 Lozen op of in de bodem Artikel 6.17 Lozen van grondwater op of in de bodem
  86. Met het oog op het beschermen van de bodem- en het watersysteem stelt een omgevingsplan voorwaarden aan het lozen van grondwater op of in de bodem dat afkomstig is van: a. een bodemsanering of grondwatersanering; b. een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en c. graven in een bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.
  87. Het omgevingsplan bepaalt dat ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, en ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden worden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit.
  88. Het omgevingsplan bepaalt dat voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem, dat afkomstig is van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, de emissiegrenswaarden: a. de waarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A bij het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn; of b. de concentraties van verontreinigende stoffen als bedoeld in bijlage XIX, onder B bij het Besluit kwaliteit leefomgeving waaronder gevaar van verontreiniging van het grondwater uit te sluiten is voor zover die stoffen niet zijn aangegeven in bijlage XIX, onder A bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
  89. Artikel 6.17, tweede lid is niet van toepassing bij het lozen van grondwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; b. het lozen plaatsvindt bij wonen.
  90. Artikel 6.17, derde lid is niet van toepassing bij het lozen van grondwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit indien dit gaat om graven in een bodemvolume kleiner dan 25 m
  91. Artikel 6.18 Verbod op rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen in het grondwater
  92. Een omgevingsplan bepaalt dat het rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond, in het grondwater verboden is.
  93. Artikel 6.18, eerste lid geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening of waterschapsverordening een omgevingsvergunning is vereist of waar op grond van de waterschapsverordening voorschriften aan zijn gesteld. Artikel 6.19 Maatwerkvoorschrift verbod op rechtstreeks lozen in het grondwater Het omgevingsplan bepaalt dat bij maatwerkvoorschrift een rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater als bedoeld in Artikel 6.18, eerste lid kan worden toegestaan, indien de lozing is toegestaan op grond van artikel 11, derde lid onder j van de Kaderrichtlijn Water en op voorwaarde dat de lozing niet verhindert dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt. Artikel 6.20 Maatwerkvoorschrift lozen van brijnwater Bij het opstellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 6.19 waarmee het lozen van brijnwater in het grondwater wordt toegestaan, wordt de Beleidsregel omgevingsvergunningsplichtige milieubelastende activiteiten onder de Omgevingswet in acht genomen. Afdeling 6.4.2 Instructieregels bevoegd gezag omgevingsvergunning Paragraaf 6.4.2.1 Omgevingsvergunning grondwatersanering Artikel 6.21 Beoordelingsregels omgevingsvergunning grondwatersanering
  94. De omgevingsvergunning voor een grondwatersanering als bedoeld in Artikel 6.10 wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
  95. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, de regionale waterprogramma’s, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.
  96. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving; b. een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en d. de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en e. de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang en streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
  97. Artikel 6.21, derde lid is niet van toepassing: a. voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving; of b. als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:
  98. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en
  99. toepassing is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving.
  100. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt. Artikel 6.22 Voorschriften omgevingsvergunning grondwatersanering Aan een omgevingsvergunning voor een grondwatersanering worden met het oog op het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van grondwaterlichamen als aan een grondwaterlichaam toegekende maatschappelijke functies voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het (omliggende) grondwater ten tijde van de grondwatersanering als na beëindiging voorkomen of beperken. Hoofdstuk 7 Ontgrondingen Titel 7.1 Algemeen Artikel 7.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de Omgevingswet. Artikel 7.2 Werkingsgebied De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op ontgrondingsactiviteiten op land en in regionale wateren in het grondgebied van de provincie Flevoland met uitzondering van de rijkswateren waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. Artikel 7.3 Aanwijzing beschermingszones archeologie
  101. De beschermingszone Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.
  102. De beschermingszone Top-10 Archeologische Locaties is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.
  103. De beschermingszone Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden Kuinderschans en - burchten, Unesco-monument Schokland en Rivierduingebied Swifterbant is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten. Titel 7.2 Activiteiten Afdeling 7.2.1 Aanwijzing vergunningvrije gevallen Artikel 7.4 Aanwijzing vergunningvrije gevallen In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt het verbod van artikel 5.1, van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten niet voor ontgrondingsactiviteiten, voor zover het gaat om het ontgronden: a. waarbij niet meer dan 500 m2 wordt ontgrond en bovendien een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden; of b. voor een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, als:
  104. grondlagen dieper dan 3 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;
  105. niet meer dan 1.500 m3 wordt ontgraven; en
  106. deze voorziening niet in open verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam. c. Ten behoeve van het bouwen, in stand houden of het slopen van een bouwwerk, waarvoor een omgevingsvergunning wordt verleend, indien bij het verlenen van deze omgevingsvergunning de ecologische belangen, archeologische belangen en de (geo)hydrologische belangen voldoende zijn afgewogen. Artikel 7.5 Melding
  107. Het is verboden een ontgrondingsactiviteit, bedoeld in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4, te verrichten zonder dit ten minste vier werken voor het begin ervan te melden.
  108. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.
  109. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over: a. de kadastrale ligging van de ontgrondingslocatie; b. de periode waarbinnen de ontgrondingsactiviteit wordt uitgevoerd; c. een beschrijving van het doel van de ontgrondingsactiviteit; d. de toestand en de functie van het terrein na het afronden van de ontgrondingsactiviteit; e. de oppervlakte van het te ontgronden terreingedeelte in m2; f. de beoogde maximale diepte in meter beneden maaiveld; g. de huidige maaiveldhoogte in meters ten opzichte van NAP; h. de opbouw van het bodemprofiel tot de grootste diepte van de voorgenomen ontgrondingsactiviteit; en i. de hoeveelheid te ontgraven en af te voeren oppervlaktedelfstof in m
  110. Artikel 7.5, derde lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen.
  111. Artikel 7.5 is niet van toepassing op een ontgrondingsactiviteit waarbij minder dan 1500 m3 wordt ontgraven. Afdeling 7.2.2 Afwijken van aanwijzing vergunningvrije gevallen Artikel 7.6 Afwijking algemeen
  112. In afwijking van artikel 16.7, onder e en g, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de uitzondering van het verbod van artikel 5.1, van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, enkel als een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden en andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken.
  113. Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4 gelden niet voor twee of meer uit te voeren ontgrondingsactiviteiten die in elkaars directe nabijheid plaatsvinden en een samenhangend geheel vormen. Artikel 7.7 Afwijking Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden Kuinderschans en -burchten, Unesco-monument Schokland en Rivierduingebied Swifterbant Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4, gelden niet voor ontgrondingsactiviteiten met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de beschermingszone van de provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden Kuinderschans en - burchten, Unesco-monument Schokland en Rivierduingebied Swifterbant. Artikel 7.8 Afwijking Top-10 Archeologische Locaties Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4, gelden niet voor ontgrondingsactiviteiten met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de beschermingszone van de top-10 Archeologische Locaties. Afdeling 7.2.3 Omgevingsvergunning ontgrondingsactiviteit Artikel 7.9 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning ontgrondingsactiviteit in het kader van archeologische monumentenzorg
  114. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit wordt in aanvulling op artikel 7.3, 7.4 en 7.207 Omgevingsregeling een rapport verstrekt, waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van gedeputeerde staten in voldoende mate is vastgesteld.
  115. Het rapport bedoeld in het eerste lid voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en is uitgevoerd overeenkomstig een door gedeputeerde staten goedgekeurd plan van aanpak of programma van eisen. Hoofdstuk 8 Bescherming landschap Titel 8.1 Algemeen Artikel 8.1 Oogmerk
  116. De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van het landschapsschoon en zijn gericht op het behoud en de ontwikkeling van een specifiek en karakteristiek landschapspatroon.
  117. De regels over de omgevingskwaliteit van het landschap zijn gesteld met het oog op ontwikkelingen en activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de instandhouding en bescherming en de versterking van de landschappelijke waarden als aangegeven in het provinciale beleid voor landschap. Artikel 8.2 Werkingsgebied activiteiten bescherming landschap De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op activiteiten in het landelijk gebied van Flevoland buiten de bebouwde kom en binnen het beperkingengebied provinciale wegen, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Titel 8.2 Activiteiten Artikel 8.3 Verbod op het plaatsen borden in het buitengebied
  118. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten om één of meer borden te plaatsen, te doen plaatsen, geplaatst te houden, aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht te houden op of aan een onroerende zaak.
  119. Het is de zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak verboden deze onroerende zaak te gebruiken of te laten gebruiken voor het plaatsen, doen plaatsen, geplaatst te houden, aanbrengen, doen aanbrengen of aangebracht te houden van één of meer borden zonder omgevingsvergunning. Artikel 8.4 Uitzondering verboden activiteiten bescherming landschap Het in Artikel 8.3 neergelegde verbod geldt niet voor het plaatsen, houden en/of verwijderen van borden; a. die niet zichtbaar zijn vanaf een openbare weg, een openbaar water, een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats; b. die betrekking hebben op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, en die borden zijn geplaatst of aangebracht op de bouwkavel waar dat beroep, bedrijf of die dienst wordt uitgeoefend of op of in de directe nabijheid van de inrit daarnaar toe; c. die zijn geplaatst of aangebracht op, in of aan een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer; d. die op of aan een onroerende zaak zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkoop, verhuur of verpachting van deze zaak, mits niet langer aanwezig dan voor de verkoop, verhuur of verpachting noodzakelijk is; e. die ofwel zijn geplaatst of aangebracht op een terrein waar een grootschalige publieke gebeurtenis, zoals een openbare wedstrijd, manifestatie, tentoonstelling of evenement, plaatsvindt, ofwel zijn geplaatst of aangebracht ter bekendmaking van of de bewegwijzering naar die gebeurtenis en mits;
  120. die gebeurtenis niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst;
  121. op borden, die zijn geplaatst buiten het terrein waar de gebeurtenis plaatsvindt, eventuele handelsreclame duidelijk ondergeschikt is aan de bekendmaking c.q. bewegwijzering en;
  122. het bord niet langer aanwezig is dan gedurende één maand voor die gebeurtenis tot één week erna, die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsorering van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg; f. die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsorering van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg; g. die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde bedrijventerrein; h. die betrekking hebben op een werk in uitvoering, waarvoor van overheidswege opdracht is gegeven, voor zover zij in de directe nabijheid van het werk zijn geplaatst of aangebracht en niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van het werk duurt; i. die zijn geplaatst of aangebracht in een wegberm en kunnen worden beschouwd als een herdenkingsteken zoals bedoeld in Artikel 9.25 en Artikel 11.32; j. die vanwege of met toestemming van het bevoegd gezag zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkeersveiligheid of de verkeersinformatie; k. die zijn geplaatst of aangebracht op of aan zuilen, muren en andere constructies, die daarvoor door de overheid zijn aangewezen of ten aanzien waarvan gedeputeerde staten in een ander kader met het gebruik daarvoor hebben ingestemd; l. die zijn geplaatst of aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting; m. die dienen tot het openbaren van gedachten of gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet, mits niet meer dan één bord per onroerende zaak wordt aangebracht en mits dat bord niet langer dan drie maanden ter plaatse aanwezig is; n. die dienen tot het aankondigen van verkiezingen voor een gemeenteraad, provinciale staten, de Tweede Kamer, het algemeen bestuur van het waterschap of het Europees parlement en tot het presenteren van daaraan deelnemende politieke partijen, mits niet langer aanwezig dan gedurende één maand voor de verkiezing tot één week na die verkiezing; o. die dienen ter aanduiding van gewassen, proefvelden, productinformatie of demonstratievelden, ter plaatse waar het product geteeld wordt, mits het bord geen merknaam bevat, niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2; p. die dienen ter bewegwijzering naar een verkooppunt van agrarische producten, naar een mini camping of naar een andere, aan het agrarisch bedrijf gerelateerde nevenactiviteit, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2; q. die dienen ter bewegwijzering naar een natuurgebied, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2; r. langs openbare wegen, niet zijnde openbare wegen in beheer van de provincie Flevoland, die een georganiseerd buurtinitiatief voor sociale veiligheid laten zien, mits;
  123. het geen commercieel initiatief is;
  124. er maximaal twee van deze borden aan dezelfde weg staan;
  125. de borden door of vanwege de gemeente, in beginsel geclusterd met andere borden en aan de rechterzijde van de weg, worden geplaatst;
  126. het bord maximaal 0,6 bij 0,3 meter groot is en maximaal de laagste reflectieklasse heeft. Artikel 8.5 Algemene regels vergunningvrij plaatsen borden buitengebied De borden als bedoeld in artikel 8.4 zijn deugdelijk geconstrueerd en verkeren in goede staat van onderhoud. Artikel 8.6 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 8.3 worden in aanvulling op artikel 7.2 en 7.3 Omgevingsregeling tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt; a. een tekening van de voorgenomen constructie; b. een opsomming van de te gebruiken materialen; c. de verwachte begin- en einddatum van de activiteit; en d. een beschrijving van de vorm, afmetingen, het doel en het opschrift van het bord. Titel 8.3 Instructieregels Artikel 8.7 Beoordelingsregels omgevingsvergunning plaatsen borden De omgevingsvergunning voor het plaatsen van borden als bedoeld in Artikel 8.3 wordt alleen verleend indien het belang van de bescherming van het landschap en het belang van de verkeersveiligheid zich daartegen niet verzet. Artikel 8.8 Instructieregel omgevingsplan: motiveringsplicht omgevingskwaliteit
  127. Een omgevingsplan dat een nieuwe ontwikkeling in het landelijk gebied toelaat, betrekt daarbij het provinciale beleid voor landschap en motiveert de omgevingskwaliteit van de ontwikkeling bijvoorbeeld met behulp van het HARK-model.
  128. De motivering bevat in ieder geval: a. een onderbouwing waaruit blijkt op welk gebied de nieuwe ontwikkeling betrekking heeft en dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; b. een beschrijving van de in het plangebied voorkomende omgevingskwaliteit en de wijze waarop de nieuwe ontwikkeling hier een positieve bijdrage aan levert en streeft naar verhoging van de omgevingskwaliteit. Hierbij wordt aangegeven hoe de ontwikkelingen aansluiten op de ruimtelijke en landschappelijke structuur; c. beeldmateriaal dat afhankelijk van de schaal van de ontwikkeling bestaat uit bijvoorbeeld ruimtelijke analyses, ruimtelijke concepttekeningen, kaartmateriaal, doorsnedes, realistische impressies, modellen en/of visualisaties. Hoofdstuk 9 Wegen Titel 9.1 Inleidende bepalingen Artikel 9.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de volgende belangen: a. het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale wegen overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer; b. het beschermen van de provinciale wegen met inbegrip van het belang van het onderhoud of wijziging van de weg ; c. het beschermen van een goede leefomgeving door het voorkomen van onbeheerste groei van geluid van de provinciale wegen. Artikel 9.2 Toepassingsbereik
  129. Dit hoofdstuk gaat over : a. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot wegen in beheer bij de provincie Flevoland; b. de aanwijzing van de wegen in beheer bij de provincie Flevoland waarvoor geluidproductieplafonds worden vastgesteld.
  130. Voor activiteiten die niet plaats vinden binnen het beperkingengebied met betrekking tot wegen in beheer bij de provincie Flevoland, geldt dat dit hoofdstuk ook van toepassing is op activiteiten nabij de provinciale wegen, die van invlo

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.