CAR-UWO HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Begripsomschrijvingen Artikel 1:1 1. Voor de toepassing van deze regeling en de Uitwerkingsregeling rechtspositie wordt verstaan onder: a. ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aange-steld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; b. functie: het geheel van werkzaamheden dat door de ambte-naar is te verrichten conform artikel 3:1; c. pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; d. pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; e. arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gelegen welke door de ambte-naar arbeid moet worden verricht; f. arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de amb-tenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; g. formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; h. feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; i. vervallen; j. arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele ar-beidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; k. dienstverband: een aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst;; l. overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstop-dracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; m. werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet ver-richten; n. werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen geduren-de welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; o. uurloon: 1/156 gedeelte van het – zo nodig naar een volledig dienstverband herberekende – salaris van de ambtenaar per maand; p. Zvw: de Zorgverzekeringswet; q. CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sec-tor gemeenten; r. UWO: Uitwerkingsovereenkomst; s. functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; t. waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of na-mens het college verstrekte opdracht volledig een andere functie waarneemt, indien voor die functie een hogere schaal geldt dan voor de eigen functie; u. LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaar-den; v. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; w. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; x. WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; y. WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; z. IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsonge-schikten; aa. IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame ar-beidsongeschiktheid op grond van de WIA; bb. WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschik-ten; cc. WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk ar-beidsgeschikten op grond van de WIA; dd. WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; ee. WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; ff. Waz: Wet arbeid en zorg; gg. SUWI: de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en In-komen; hh. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzeke-rin¬gen 1997; ii. pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; jj. WPA: de Wet privatisering ABP; kk. FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, be-doeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst over-heids- en onderwijspersoneel; ll. FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het regle-ment zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; mm. deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeids-duur per week minder dan 36 uur bedraagt; nn. ZW: de Ziektewet; oo. ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; pp. UWV: het Uitvoeringsbesluit Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. qq. Salaris: Maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens for-mele arbeidsduur. rr. Salaristoelagen: De in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoem-de toelagen, te weten: de functioneringstoelage, de waarne-mingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de buiten-dagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de inconveniëntentoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantie-toelage en de afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend en die tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging wer-den gerekend. ss. Functieschaal: De salarisschaal die bij een functie hoort; tt. Periodiek: Het maandbedrag in een salarisschaal; uu. Salarisschaal: Een reeks maandbedragen als opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk; vv. Achterblijvende partner: Weduwe, weduwnaar, geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde part-ner die een samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar. 2. Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. Beleidsregel 1 betreft uitvoering artikel 1:1 CAR, eerste lid sub k Het in enig jaar te werken aantal uren wordt voor degenen met een voltijdbetrekking bepaald, door elke werkbare dag op 7,2 uur te waar-deren, met dien verstande dat de uitkomst van die berekening ten hoogste 1836 mag bedragen. Voor degenen met een deeltijdbetrekking wordt de uitkomst van de hiervoor bedoelde berekening dan wel, indien dat tot een lager aantal uren leidt, genoemd aantal van 1836 uren, naar evenredigheid van de omvang van de deelbetrekking vastgesteld. Toelichting: Door het ontbreken van een bepaling inzake het in enig jaar ten hoogste aantal te werken uren voor een werknemer met een deeltijdbetrekking kan het voorkomen dat deeltijders, in een jaar waarin betrekkelijk veel feest-dagen in weekenden vallen, ten opzichte van ambtenaren met een voltijdbe-trekking in een ongunstiger positie zouden komen te verkeren dan naar even-redigheid van de omvang van de deelbetrekking verwacht zou mogen worden. Dat wordt door middel van deze beleidsregel voorkomen. Artikel 1:1:1 Voor de toepassing van deze regeling wordt voor de begripsbepaling het bepaalde in de artikelen 1:1, 1:2 en 3:1 van de Collectieve ar-beidsvoorwaardenregeling van toepassing verklaard. Voor de toepassing van deze regeling wordt voorts verstaan onder: a. werknemer: hij met wie door of namens het college overeenkom-stig de bepalingen van hoofdstuk 3 een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; b. organisaties: de organisaties als bedoeld in artikel 12:1; c. UR: Uitwerkingsregeling rechtspositie; d. NUR: Nadere uitwerkingsregeling rechtspositie. Artikel 1:1:1:1 Waar in deze regeling wordt verwezen naar artikelen, bestaande uit twee of drie (reeksen van) cijfers, betreft dit verwijzingen naar de be-treffende artikelen uit de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling res-pectievelijk de Uitwerkingsregeling rechtspositie. Artikel 1:1:1:2 Voor de toepassing van deze regeling wordt voor de begripsbepaling het bepaalde in de artikelen 1:1, 1:2 en 3:1 van de Collectieve ar-beidsvoorwaardenregeling en 1:1:1 van de Uitwerkingsregeling rechtspositie van toepassing verklaard. Geen ambtenaar Artikel 1:2 1. Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereen-komst wordt niet als ambtenaar beschouwd: a. het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar on-derwijs; b. het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; c. de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zo-danig; d. de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; e. de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is be-noemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastin-gen; f. de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zon-der opsporingsbevoegdheid; g. de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; h. hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndi-ceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van be-geleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werk-voorziening. 2. Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhan-kelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georgani-seerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de onder-nemingsraad. 3. Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeente-lijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 van toepassing. Stageplaats Artikel 1:2a 1. Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een stage-overeenkomst. 2. Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen 2:1a, 2:1b, 2:4. 3. De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de duur afhankelijk is van de leerdoelen van de stagiair. 4. De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate begelei-ding. 5. Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald. 6. De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP. Werkervaringsplaats Artikel 1:2b 1. Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervarings-plaats aanbieden op basis van een werkervaringsovereenkomst. 2. Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepas-sing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen 2:1a, 2:1b en 2:4. 3. De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, voor een periode van maximaal 6 maanden. De werkerva-ringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een perio-de van maximaal 6 maanden. 4. De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker cen-traal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding. 5. Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald. 6. De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP. Aanstellingen op grond van de banenafspraak Artikel 1:2c 1. In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college salaris-schaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk mini-mumloon kan verdienen. 2. In afwijking van artikel 3:3,eerste lid, kan het college vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage van het salaris lager dan het wettelijk minimumloon, dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon. 3. Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in ar-tikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de einde-jaarsuitkering. 4. Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in de toelichting op artikel 6:3, tweede lid, genoemde minimumbedrag voor de vakantietoelage. 5. Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in ar-tikel 6a:7, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de levens-loopbijdrage. 6. Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als mini-mumbedrag voor de eindejaarsuitkering het in artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor. 7. Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als mini-mumbedrag voor de vakantietoelage het in de toelichting op artikel 6:3, tweede lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loon-waarde en de deeltijdfactor. 8. Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als mini-mumbedrag voor de levensloopbijdrage het in artikel 6a:7 eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor. 9. Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen. Artikel 1:2:1 1. Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burger-lijk recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 7:24a, 7:25, 7:25a en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. 2. Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a, 17 en 20 niet van toepassing. 3. Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d, 17 en 20 niet van toepassing. 4. Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werk-zaamheden in het kader van een door de overheid getroffen rege-ling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d, 11a en 20 niet van toepassing. Toepassing Artikel 1:3 1. De bepalingen van deze regeling en de Uitwerkingsregeling rechtspositie vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. 2. Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze rege-ling en de Uitwerkingsregeling rechtspositie of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt – met redenen omkleed – gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. Artikel 1:3a Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. Voorschriften en instructies Artikel 1:4:1 Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar zijn oordeel nodig of wenselijk is: a. bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepa-lingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functione-ren van de dienst; b. instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Uitreiking van CAR, UR, NUR en Beleidsregels Artikel 1:4:2 1. Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere rege-lingen, welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. 2. Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken: a. de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het College voor Arbeidszaken van de Vereni-ging van Nederlandse Gemeenten; b. de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van ge-meenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a. aangeduide centrales; c. de afdelingen van de organisaties bedoeld onder b; d. ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. Artikel 1:4:3 1. Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen. 2. Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als be-doeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. Artikel 1:4:3:1 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht kan na overleg in de commissie voor georganiseerd overleg worden besloten rechtspositionele besluiten uitsluitend elektronisch te verzenden of beschikbaar te stellen. 2. In overleg met de commissie voor georganiseerd overleg kunnen nadere afspraken gemaakt worden over de voorwaarden waaron-der het uitsluitend elektronisch verzenden of beschikbaar stellen van rechtspositionele besluiten kan worden ingevoerd. 3. Bij elektronische verzending of beschikbaarstelling van rechtsposi-tionele besluiten geldt de datum van toezending van dat besluit of van de melding dat het besluit in te zien en te downloaden valt, als de datum van bekendmaking in de zin van artikel 3:41 van de Al-gemene wet bestuursrecht. Voordragen van belangen Artikel 1:4:4 De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan voor te dragen. Omvang van de betrekking Artikel 1:5 Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehan-teerd Vrijstelling Artikel 1:6 1. In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere ge-vallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstel-ling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstukken 8 en 10d. In de com-missie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn be-reikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. 2. De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te be-reiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen wor-den vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. Artikel 1:6:1 1. In bijzondere gevallen kan voor functies op het niveau van direc-teur of afdelingshoofd een tijdelijke aanstelling worden verleend in afwijking van artikel 2:4. 2. Van een bijzonder geval als bedoeld in het eerste lid is sprake, als het vanuit een oogpunt van dienstbelang wenselijk is dat aanstel-ling in een functie voor beperkte tijd plaats vindt. 3. Een tijdelijke aanstelling als bedoeld in het eerste lid mag niet lan-ger duren dan twee jaar. 4. Bij een aanstelling als bedoeld in het eerste lid kan in afwijking van de uitkomsten van de functiewaardering een salaris worden vast-gesteld. Wanneer een hoger salaris wordt vastgesteld dan het maximumsalaris van de salarisschaal die behoort bij de organieke functiewaardering, kan bij de aanstelling worden uitgesloten dat het bepaalde in de hoofdstukken 8 en 10a niet geldt. HOOFDSTUK 2 AANSTELLING EN ARBEIDSOVEREENKOMST Aanstelling; het bevoegd gezag Artikel 2:1 Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. Aanstelling in algemene dienst Artikel 2:1a 1. De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. 2. Het college kan in een lokale regeling nadere regels stellen ter uit-voering van dit artikel. 3. De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de ge-meente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aange-steld in algemene dienst van de gemeente. Begripsbepalingen Artikel 2:1a:1:1 In de artikelen 2:1A:1:2 tot en met 2:1A:1:7 wordt verstaan onder: a. medewerker: de ambtenaar in de zin van de CAR, dan wel dege-ne met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is ge-sloten; b. passende functie: een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijke omstandigheden, kennis, vaardighe-den en vooruitzichten kan vervullen; onder persoonlijke omstan-digheden en vooruitzichten kunnen worden verstaan: interesse, gezondheid, opleiding, scholing en salarispositie. Inzetbaarheid Artikel 2:1a:1:2 Medewerkers in algemene dienst zijn in principe inzetbaar binnen de gehele organisatie op passende structurele en tijdelijke functies en op projecten met passende werkzaamheden.. Termijnen Artikel 2:1a:1:3 1. Nieuw in dienst tredende medewerkers en zittende medewerkers waarvan de functiegebonden aanstelling per 1 januari 2013 van rechtswege wordt omgezet in een aanstelling in algemene dienst, worden voor een periode van ongeveer 5 jaar in de functie ge-plaatst waarop ze respectievelijk hebben gesolliciteerd of die ze op de dag voor omzetting vervulden. 2. De termijn bedoeld in het eerste lid kan na afloop worden ver-lengd. Leidinggevende en medewerker bepalen in overleg de duur van de verlenging. 3. De termijn wordt telkens automatisch met één jaar verlengd, in-dien de medewerker voor of met het aflopen van de termijn niet in een andere functie is geplaatst of ingeval er geen nieuwe afspra-ken zijn gemaakt over de termijn van voortzetting/verlenging van de plaatsing in de huidige functie. Gesprekkencyclus Artikel 2:1a:1:4 1. Gesprekken over de inzetbaarheid van de medewerker binnen de gemeentelijke organisatie worden gevoerd binnen het kader van de personeelsgesprekkencyclus van beoordeling, ontwikkelings-gesprek en voortgangsgesprek als bedoeld in artikel 15:1:15:1. 2. Leidinggevende en medewerker maken jaarlijks concrete afspra-ken over ontwikkeling en opleiding gericht op inzetbaarheid in de huidige functie (effectiviteit) of over doorstroom naar een andere passende functie (loopbaanplan). De leidinggevende houdt bij het maken van de afspraken over ontwikkeling, opleiding of door-stroming, voor zover relevant, rekening met de persoonlijke situa-tie van de medewerker (leeftijd, gezondheid, gezinssituatie enz.). 3. De leidinggevende faciliteert de medewerker in het realiseren van de afspraken over opleiding en ontwikkeling met inachtneming van het gestelde in hoofdstuk 17 CAR. 4. De medewerker kan in het kader van mobiliteit (doorstroom ten bate van blijvende inzetbaarheid en effectiviteit) niet worden ver-plicht een hem/haar aangeboden passende functie te accepteren. De medewerker behoort een weigering echter wel te beargumen-teren. Ondersteuning Artikel 2:1a:1:5 1. Het kennisveld HRM ondersteunt de leidinggevende en de mede-werker bij het opstellen en het realiseren van een loopbaanplan. 2. Medewerkers die zich willen oriënteren op een vervolgfunctie, worden in de gelegenheid gesteld een loopbaantest af te leggen. Voorkeurspositie Artikel 2:1a:1:6 Medewerkers in algemene dienst die in overleg met hun leidinggeven-de een loopbaanplan hebben opgesteld, hebben na herplaatsingskan-didaten (als gevolg van reorganisatie of arbeidsongeschiktheid) een voorkeurpositie bij het vervullen van vacatures op hetzelfde niveau als de functie die zij vervullen, mits zij voldoen aan de functie-eisen. Zij hebben daarbij de zelfde positie als de interne kandidaten als bedoeld in het eerste lid van artikel 2a:1:1:3. Hardheidsclausule Artikel 2:1a:1:7 In die gevallen waarin (de toepassing van) de voorgaande artikelen voor de medewerker onbedoeld tot een onbillijke of onredelijke situatie leidt, kan het college hiervan afwijken. Aanvaarden andere werkzaamheden Artikel 2:1b 1. De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. 2. Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de ambtenaar verplicht om: a. tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te ver-richten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen; b. tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden; c. beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek ver-richten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambte-naar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schrif-telijke aanwijzing moet blijken. 3. Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoon-lijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werk-zaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd de verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt. Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid Artikel 2:2 1. Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie – na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd be-stuursorgaan gehouden onderzoek – kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. 2. Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoel-de onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. 3. Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 4. De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen (WAV). Aanstelling; geneeskundig onderzoek Artikel 2:3 1. Onverminderd artikel 2:2 kan het college bepalen dat voor bepaal-de functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere ei-sen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden ge-steld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onder-zoek gericht op de te vervullen functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren be-staan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de ge-neeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. 2. De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. Beleidsregel 2 betreft uitvoering artikel 2:3 CAR Een geneeskundig onderzoek als bedoeld in artikel 2:3, ter bepaling of er uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan tegen aanstelling, ge-schiedt slechts indien de functie waarin de aanstelling zal plaatsvinden is vermeld op de lijst met functies waarvoor een aanstellingskeuring geldt, met inachtneming van het bepaalde in de Wet op de medische keuringen en het door de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst in opdracht van het kabinet opgestelde protocol aanstellingskeuringen. Toelichting: In artikel 2:3 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling wordt bepaald, dat iemand in de regel slechts voor een aanstelling in aanmerking kan komen als bij een geneeskundig onderzoek, gericht op de te vervullen be-trekking, ingesteld door een geneeskundige, is gebleken dat tegen het vervul-len van die betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Door de vaststelling van de Wet op de medische keuringen is een dergelijke algemeen gestelde keuringseis niet meer toegestaan. Per dienst wordt een lijst met func-ties vastgesteld waarvoor, gelet op de in medische termen te vertalen functie-eisen, een aanstellingskeuring dient plaats te vinden. Duur van de aanstelling Artikel 2:4 1. De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd. 2. Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoog-ste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de tus-senpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang van die dag als een aanstelling voor onbepaalde tijd. 3. Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden, geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor on-bepaalde tijd. 4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgen-de aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambte-naar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden el-kaars opvolger te zijn. Paragraaf 1 Bericht van aanstelling Artikel 2:4:1 1. De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het be-richt van aanstelling. Dit bericht vermeldt: a. de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); b. de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar; c. de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: i in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; ii in een aanstelling bij wijze van proef; iii voor een project met een eenmalig en uniek karakter; iv hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; v als vakantiekracht; vi voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen. 2. Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de amb-tenaar kosteloos meegedeeld. 3. De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. Vacatures Artikel 2:4:2 1. De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het per-soneel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aan-stelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet. 2. Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomsti-ge toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. Artikel 2:4:3 Bevordering geschiedt door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking waartoe bevorderd wordt. Paragraaf 3 In- en doorstroombanen Algemene bepalingen Artikel 2:4:14 1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. besluit in- en doorstroombanen: het besluit van 17 december 1999, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidie voor het scheppen van arbeidsplaatsen door gemeenten in de collectieve en non-profit sector voor langdurig werklozen ge-richt op instroom in het arbeidsproces en doorstroom naar an-dere functies in het arbeidsproces (Besluit in- en doorstroom-banen) vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. b. ambtenaar: degene, met een aanstelling als bedoeld in artikel 2:4, die in het kader van het besluit in- en doorstroombanen in dienst van de gemeente Delft treedt. c. WIW-er: een langdurig werkloze die met toepassing van de wet van 4 december 1997, houdende regeling voor de totstandko-ming van een gemeentelijk werkfonds voor voorzieningen ter bevordering van de toetreding tot het arbeidsproces van lang-durig werklozen en jongeren (Wet inschakeling werkzoeken-den) vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werk-gelegenheid, via een dienstverband bij de Stichting Werkplan weer is ingestroomd in het arbeidsproces. 2. De voor de gemeente Delft uit het besluit in- en doorstroombanen voortvloeiende extra arbeidsplaatsen kunnen ten dele worden ge-creëerd bij de gemeente zelf als uitbreiding van de bestaande for-matie. In dat geval geldt voor de ambtenaar het in dit hoofdstuk bepaalde als aanvulling op of eventueel in afwijking van het in de CAR, de UR de NUR bepaalde. Uitgangspunten Artikel 2:4:15 1. De ondernemingsraad adviseert de algemeen directeur over de vraag of er sprake is van extra werkgelegenheid boven de be-staande, goedgekeurde formatie. Periodiek bespreekt de onder-nemingsraad of uitvoering beantwoordt aan de doelstelling van de regeling en doet van haar bevindingen verslag aan de algemeen directeur. 2. Financiering van deze extra arbeidsplaatsen vindt structureel plaats door middel van subsidiëring door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 3. Beëindiging van de in het vorige lid bedoelde subsidie leidt tot op-heffing van de functie en daarmee tot ontslag van de ambtenaar op grond van artikel 8:3 van de CAR. Indien er in verband met dit ontslag recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloos-heidswet, heeft betrokkene tevens aanspraak op een aanvullende uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10a van de CAR. 4. Op de ambtenaar is, met inachtneming van het in deze paragraaf bepaalde, de Delftse rechtspositieregeling zoals vastgelegd in de CAR, de UR en de NUR van toepassing. 5. De functie die de ambtenaar gaat uitoefenen ligt qua niveau niet boven schaal 1 van de salaristabel in bijlage II A behorende bij de CAR. Aanstelling Artikel 2:4:16 1. De ambtenaar wordt met toepassing van het eerste lid van artikel 2:4 van de CAR en het eerste lid, sub c onder ii van de NUR, aan-gesteld in tijdelijke dienst bij wijze van proef voor de duur van een jaar. Bij ten minste voldoende functioneren wordt na afloop van dit jaar een vaste aanstelling verleend, tenzij daartegen zwaarwegen-de bezwaren bestaan. 2. Zowel bij een aanstelling in tijdelijke dienst als bij een aanstelling in vaste dienst wordt schriftelijk vastgelegd dat het een aanstelling betreft in het kader van het besluit in- en doorstroombanen. 3. De formele arbeidsduur per week bedraagt als regel gemiddeld 32 uur. Het salaris, de arbeidsduurverkorting en het verlof worden naar rato van het aantal werkuren vastgesteld. 4. Voor een doorstromende WIW-er kan de formele arbeidsduur per week op het bij een volledige betrekking als bedoeld in artikel 1:1, lid 1, sub k, van de CAR genoemde aantal uren worden vastge-steld. Op grond van bij de persoon gelegen factoren kan de forme-le arbeidsduur per week ook voor anderen op ten hoogste het bij een volledige betrekking behorende aantal uren per week worden vastgesteld. Bezoldiging Artikel 2:4:17 1. De salariëring van de ambtenaar vindt plaats met inachtneming van het elders in dit artikel bepaalde, hetgeen is gebaseerd op het tweede lid van artikel 3:1:1, dat het college de bevoegdheid ver-leent om nadere regelen te stellen. 2. Aan de ambtenaar wordt, buiten de bezoldiging opgenomen in bij-lage IIA behorende bij de CAR, een financiële vergoeding verstrekt voor overwerk, onregelmatige diensten of beschikbaarheidsdien-sten, tenzij door uitbetaling van een dergelijke vergoeding de som van het salaris vermeerderd met eventuele toelagen en vergoe-dingen de 130% van het wettelijk minimumloon, eventueel gere-kend naar evenredigheid van het aantal arbeidsuren volgens aan-stelling, overschrijdt. 3. Het gedeelte van de in de eerste volzin van dit lid bedoelde ver-goedingen dat niet mag worden uitbetaald, wordt gecompenseerd in tijd. 4. Bij indiensttreding van de ambtenaar vindt inschaling plaats in schaal 1, regel 1 genoemd in de salaristabel in bijlage II A beho-rende bij de CAR. Bij ten minste voldoende functioneren worden periodieke verhogingen toegekend conform het bepaalde in artikel 3:4 van de CAR. Scholing en Vorming Artikel 2:4:18 1. De kosten, verbonden aan scholings- en begeleidingsafspraken in relatie tot de werkzaamheden van de ambtenaar, komen voor re-kening van de werkgever. 2. Aan de ambtenaar worden scholing en vorming geboden op basis van de LOGA-afspraken. Het hoofd van dienst is belast met de nadere uitwerking voor de individuele ambtenaar. Slotbepalingen Artikel 2:4:19 In gevallen waarin het bepaalde in deze paragraaf niet of niet naar re-delijkheid voorziet, treft het college de nodige voorzieningen. Het col-lege is bevoegd ter uitvoering van het bepaalde in deze paragraaf na-dere voorschriften vast te stellen. Arbeidsovereenkomst Artikel 2:5 1. Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsover-eenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij op-roep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. 2. De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in twee-voud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. 3. Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toe-passing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Artikel 2:5:1 Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. Minimum-urengarantie bij oproepkrachten Artikel 2:5:2 De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbe-taling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betref-fende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt. Inhoud oproepovereenkomst Artikel 2:5:3 De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: a. de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; b. de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden – na daartoe opgeroepen te zijn – te verrichten; c. een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de om-vang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te ge-ven; d. de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te ver-melden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; e. een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectieve-lijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelij-ke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de op-roepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; f. indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ont-slag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13. Betaling bij ziekte van de oproepkracht Artikel 2:5:4 1. De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende salaris-toelage(
- n)van de oproepkracht te baseren op de minimum af-spraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2. 2. Het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, worden uitgedrukt in een bedrag per uur. 3. Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering inge-volge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziek-te is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwar-taal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voor-afgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. Overgangsrecht Artikel 2:6 Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling. Aanpassing arbeidsduur Artikel 2:7 1. Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een per-soon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsover-eenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbe-langen zich hiertegen verzetten. 2. Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een per-soon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsover-eenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrek-king, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hierte-gen verzetten. 3. Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Be-sluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie. Artikel 2:7a 1. Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambte-naar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. 2. Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: – de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; – het salaris evenredig wordt verhoogd; – de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; – de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; – de minimum vakantietoeslag als bedoeld in artikel 6:3, tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd; – de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a, eerste lid, evenredig wordt verhoogd; – instemming van de ambtenaar is vereist; – artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is. 3. Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. 4. Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorge-legd aan de OR. HOOFDSTUK 2a RICHTLIJNEN BIJ WERVING EN SELECTIE Begripsbepalingen Artikel 2a:1:1:1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. logische opvolger: degene waarvan het als vanzelfsprekend wordt gevonden dat deze een bepaalde vacante functie gaat vervullen, bijv. de plaatsvervanger, 2e man/vrouw of junior, die in voorko-mende gevallen bij afwezigheid van de betrokken functionaris (de-len van) diens werkzaamheden langdurig waarnam; b. (her)plaatsingsmedewerker: de ambtenaar, werkzaam bij het clus-ter Gemeentebrede bedrijfsvoeringsondersteuning, afdeling Ka-derstelling en Programmering, kennisveld HRM, die in het bijzon-der belast is met de verzuimbegeleiding en reïntegratie van zieke werknemers op grond van de wet Verbetering Poortwachter en de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; c. loopbaanadviescentrum: het onderdeel van het cluster Ge-meentebrede bedrijfsvoeringsondersteuning, afdeling Kaderstelling en Programmering, kennisveld HRM, waartoe medewerkers in dienst van de gemeente zich kunnen wenden voor loopbaanad-visering en –begeleiding; d. loopbaanafspraak in het kader van een persoonlijk ontwikkelings-plan: de in een persoonlijk ontwikkelingsplan als bedoeld in artikel 17:1:1 gemaakte en op schrift gestelde (principe-)afspraken tus-sen de medewerker, zijn/haar leidinggevende en eventueel moge-lijk toekomstige leidinggevende inzake de loopbaanontwikkeling, geconcretiseerd tot (een) mogelijke toekomstige functie(s), even-tueel gekoppeld aan afspraken over in verband daarmee te volgen opleiding en te ondernemen activiteiten, te realiseren binnen een termijn van ten hoogste drie jaar; e. sociaal plan: het plan als bedoeld in artikel 15a:1:1:1, onder x.; f. WSW: Wet sociale werkvoorziening; g. WIW: Wet inschakeling werkzoekenden; h. Besluit in- en doorstroombanen: het besluit van 17 december 1999, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidie voor het scheppen van arbeidsplaatsen door gemeenten in de collectie-ve en non-profit sector voor langdurig werklozen gericht op in-stroom in het arbeidsproces en doorstroom naar andere functies in het arbeidsproces, vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; i. competenties: de competenties als bedoeld in de gemeentelijke competentieset; j. persoonlijk ontwikkelingsplan: het plan als bedoeld in het tweede lid van artikel 17:1:1 van de Uitwerkingsregeling rechtspositie; k. gemeentelijk managementteam: het GMT als genoemd in het gel-dende Organisatieplan. l. P&O-adviseur: de ambtenaar van het cluster Gemeentebrede be-drijfsvoeringsondersteuning, die als adviseur van het manage¬ment op het terrein van Personeel en Organisatie optreedt. Vacantstelling Artikel 2a:1:1:2 1. Zodra een vacature ontstaat toetst de directeur van een cluster of de omvang, taakinhoud en functieniveau nog conform de gewens-te situatie zijn, dan wel aangepast moeten worden. De directeur kan op dat moment tot een herschikking van taken, formatie en/of personele bezetting overgaan. De directeur bepaalt hierbij: a. tot de formatie van welk onderdeel van de gemeentelijke orga-nisatie deze behoort; b. de omvang (in uren per week) van de vacature(
- s)die hierdoor ontstaat/-staan; c. het verlangde werk- en denkniveau; d. welke eventuele bijzondere functie-eisen en/of competenties gelden; e. de functiewaardering (eventueel met toepassing van het be-paalde in hoofdstuk 3b NUR) Wanneer dit leidt tot een organisatiewijziging als bedoeld in hoofd-stuk 15a, wordt de in dat hoofdstuk opgenomen procedure in acht genomen voordat een besluit tot herschikking van taken c.a. wordt genomen. 2. Voor de vacature die, eventueel na de in het eerste lid bedoelde herschikking van taken, formatie en/of personele bezetting, ont-staat komen in eerste instantie de zogenaamde herplaatsingskan-didaten voor benoeming in aanmerking, in tweede instantie een eventuele logische opvolger, in derde instantie degenen met wie in het kader van een persoonlijk ontwikkelingsplan loopbaanafspra-ken zijn gemaakt die passen op de vacature en vervolgens de overige interne kandidaten. 3. De functie die vacant is geworden wordt gemeld bij de (her)plaat-singsmedewerker. Deze (her)plaatsingsmedewerker beheert een bestand van: a. ambtenaren voor wie op grond van de wet Verbetering Poort-wachter en de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen een reïntegratietraject is of moet worden uitgezet; b. ambtenaren met wie, eventueel in het kader van een sociaal plan, als gevolg van een organisatiewijziging (her)plaatsings-afspraken zijn gemaakt. De (her)plaatsingsmedewerker beoordeelt of er in zijn ogen interne kandidaten zijn die in het kader van een reïntegratietraject of in het kader van gemaakte (her)plaatsingsafspraken voor benoeming in een vacature in aanmerking zouden kunnen komen. De (her)plaatsingsmedewerker stuurt een exemplaar van de vaca-ture ter kennisneming naar alle bekende (her)plaatsingskandi-daten. De (her)plaatsingskandidaten die niet door de (her)plaatsings-medewerker zijn genoemd als in aanmerking komend voor be-noeming, maar toch van mening zijn dat zij voor deze vacature in aanmerking zouden moeten worden gebracht, kunnen dit kenbaar maken. Met (her)plaatsingskandidaten als bedoeld in dit lid, die naar aan-leiding van de bekendmaking als bedoeld in dit lid uit eigen bewe-ging te kennen hebben gegeven belangstelling voor een vacature te hebben of die door de (her)plaatsingsmedewerker naar voren zijn geschoven wordt altijd via de P&O-adviseur een gesprek ge-voerd (functie-interview/sollicitatiegesprek). 4. Als het niet is gelukt om op grond van het bepaalde in het derde lid te komen tot vacaturevervulling kan, indien een logische opvolger aanwezig is, deze in de bewuste functie worden benoemd. Voordat een benoeming van een logische opvolger plaats vindt wordt het voorgenomen besluit voor een procedurele toets voorge-legd aan de ondernemingsraad. 5. Als de melding bij de (her)plaatsingsmedewerker niet heeft geleid tot het voorzien in de vacature, en er geen logische opvolger aan-wezig is, wordt de vacature binnen de organisatie algemeen be-kend gemaakt. Interne procedure Artikel 2a:1:1:3 1. Nadat een vacature op grond van het vijfde lid van artikel 2a:1:1:2 algemeen bekend wordt gemaakt wordt bezien of er interne kan-didaten zijn met wie in het kader van een persoonlijk ontwikke-lingsplan loopbaanafspraken zijn gemaakt die aansluiten op de va-cature. Interne kandidaten als hier bedoeld komen na de in artikel 2a:1:1:2 genoemde procedure in aanmerking voor benoeming. 2. Voor de vervulling van managementfuncties (op het niveau van gemeentedirecteur en vakteamhoofd) kunnen door het gemeente-lijk managementteam direct kandidaten voor benoeming in aan-merking worden gebracht, zonder dat interne en/of externe wer-ving plaatsvindt en eventueel zonder kandidaten als bedoeld in het eerste lid in aanmerking te brengen. 3. Wanneer een vacature niet met toepassing van het in het eerste of tweede lid bepaalde is vervuld, wordt op basis van de reacties op de algemene bekendmaking als bedoeld in het vijfde lid van artikel 2a:1:1:2 beoordeeld of er andere interne kandidaten zijn die voor benoeming in aanmerking komen. 4. Wanneer op voorhand bekend is of een gegrond vermoeden be-staat dat er geen geschikte interne kandidaten zijn kan, na verkre-gen toestemming namens het college, direct worden overgegaan tot een gelijktijdige interne en externe werving. In situaties van aan-toonbare schaarste op de arbeidsmarkt kan voor met name aan-gewezen functies, na verkregen toestemming namens het college, direct worden overgegaan tot externe werving of, met toepassing van artikel 2a:1:1:6, direct worden overgegaan tot benoeming van een externe kandidaat. Interne kandidaten Artikel 2a:1:1:4 Benoeming geschiedt bij voorkeur uit interne kandidaten. Onder interne kandidaten worden in dit kader verstaan: de ambtenaar als bedoeld in de Collectieve arbeidsvoorwaarden-regeling mensen met een dienstverband bij de gemeente Delft of bij een aan de gemeente Delft gelieerde instelling, op grond van het Be-sluit in- en doorstroombanen mensen met een dienstverband bij de Stichting Werkplan op grond van de WIW, en ook feitelijk werkzaam zijn bij de gemeente Delft of bij een aan de gemeente Delft gelieerde instelling mensen met een dienstverband bij de gemeente Delft op grond van de WSW degenen die, in dienst zijnde van een van de deelnemers aan de Mobiliteitsbank Haaglanden, uit dien hoofde toegang hebben tot de gemeenschappelijke interne arbeidsmarkt zoals geregeld in de samenwerkingsovereenkomst mobiliteitsbank Haaglanden en het Convenant Mobiliteitsbank Haaglanden. Artikel 2a:1:1:5 Met een interne kandidaat wordt altijd een sollicitatiegesprek gevoerd, tenzij op basis van de bekende objectieve gegevens duidelijk is dat niet voldaan wordt aan de in artikel 2a:1:1:2 genoemde functie-eisen en/of competenties. In dat geval wordt met betrokkene zo spoedig mogelijk een gesprek gevoerd, waarbij de overwegingen die geleid hebben tot de conclusie dat er geen sollicitatiegesprek gevoerd wordt bekend worden gemaakt. Wanneer een interne kandidaat na een sollicitatiegesprek niet voor benoeming in de vacature in aanmerking wordt gebracht kan deze bij het afdelingshoofd of teamleider of de P&O-adviseur informatie in-winnen waarom hij niet voor benoeming in aanmerking kwam. Externe procedure Artikel 2a:1:1:6 Als het niet lukt de vacature door een interne kandidaat te laten ver-vullen wordt deze extern bekend gemaakt, tenzij er voor wordt geko-zen op andere wijze de externe procedure te volgen, bijvoorbeeld door gebruikmaking van een extern bureau. Ook als bekend is dat er een geschikte externe kandidaat aanwezig is voor een functie kan er voor worden gekozen de externe procedure achterwege te laten en over te gaan tot benoeming van deze kandi-daat. Transparante sollicitatieprocedure Artikel 2a:1:1:7 1. Er wordt een inzichtelijke selectieprocedure gevolgd. 2. Sollicitanten ontvangen per omgaande een bericht van ontvangst van hun sollicitatie, zo mogelijk met een indicatie van de termijn waarop ze of worden uitgenodigd voor een gesprek, of nader be-richt kunnen verwachten. 3. Tijdens de selectieprocedure worden de in het eerste lid van artikel 2a:1:1:2 genoemde selectiecriteria in beginsel niet gewijzigd. 4. Er worden geen sollicitatiegesprekken gevoerd met meerdere sol-licitanten gezamenlijk. Ook worden er geen bijeenkomsten georganiseerd die naar hun aard een bijdrage leveren aan de selectie van kandidaten, waarbij meerdere belangstellenden voor de functie(
- s)aanwezig zijn. 5. Voorkomen wordt dat sollicitanten tijdens de selectieprocedure op enigerlei wijze met elkaar in aanraking komen. 6. Er wordt vertrouwelijk omgegaan met de namen van sollicitanten en door hen overgelegde gegevens. 7. Er kan een selectiecommissie worden gevormd. De omvang hier-van wordt zo beperkt mogelijk gehouden. 8. Indien externe expertise ter ondersteuning van de selectie (bijv. assessment) wenselijk wordt geacht worden de kandidaten hier-over tevoren geïnformeerd. 9. Inlichtingen over sollicitanten worden alleen ingewonnen nadat met de sollicitanten overeen is gekomen dat dat gebeurt, met wie dat gebeurt en wanneer dat gebeurt. Geen discriminatie Artikel 2a:1:1:8 Tijdens de sollicitatiegesprekken worden geen voor de functie niet re-levante vragen gesteld. In ieder geval betreft het hier zaken die volledig in de privé-sfeer lig-gen, zoals politieke voorkeur, burgerlijke staat, gezinssamenstelling, seksuele voorkeur en sociale achtergrond. Voor de functie niet rele-vante feiten mogen geen rol spelen bij de keuze voor een kandidaat. Doelgroepen Artikel 2a:1:1:9 Een ieder heeft, binnen het kader van de in de artikelen 2a:1:1:2 t/m 2a:1:1:6 aangegeven volgorde, gelijke kans om voor de vervulling van een vacature in aanmerking gebracht te worden. Het streven is er op gericht het personeelsbestand van de gemeente een afspiegeling te laten zijn van de samenleving. Gelet hierop is het zowel tijdens de interne procedure als tijdens de externe procedure mogelijk dat aan een kandidaat die behoort tot een groepering die in het personeelsbestand ondervertegenwoordigd is om die reden de voorkeur wordt gegeven. Onvoorziene situaties Artikel 2a:1:1:10 In die situaties waarin dit besluit niet voorziet kan namens het college en na overleg met de ondernemingsraad, worden besloten tot het vol-gen van een andere procedure voor de werving en selectie dan be-schreven in deze regeling. HOOFDSTUK 3 SALARIS, VERGOEDINGEN, TOELAGEN EN UITKERINGEN Paragraaf 1: Algemene bepalingen Functies en functiewaardering Artikel 3:1 1. Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed. 2. Elke functie wordt beschreven op basis van een functiewaarde-ringssysteem. 3. Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op basis van een functiewaarderingssysteem. Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen Artikel 3:2 1. Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofd-stuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten. 2. De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en de uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling anders is bepaald. Beleidsregel 3 betreft uitvoering artikel 3:2 CAR De salarissen van de ambtenaren, wier salaris niet bij of krachtens de wet is geregeld, worden vastgesteld op de bedragen volgens de sala-risschalen of, indien voor een betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlagen. Beleidsregel 3A betreft uitvoering artikel 3:2 CAR 1. 1. Indien in de salarissen van het overheidspersoneel in de sector gemeenten een wijziging wordt aangebracht welke een algemeen karakter draagt, wordt door het college met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat, een overeenkomstige wijziging aange-bracht in de salarissen van de ambtenaren. 2. Van de wijziging bedoeld in het vorige lid geeft het college kennis aan de raad. Paragraaf 2: Salaris Vaststelling salaris Artikel 3:3 1. Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de functieschaal. 2. Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van oplei-ding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de functieschaal worden vastge-steld. Beleidsregel 4 betreft uitvoering artikel 3:3 CAR Wanneer het salaris, een emolument of een toelage moet worden be-rekend over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalender-dagen van die maand. Beleidsregel 4A betreft uitvoering artikel 3:3 CAR Het salaris van de ambtenaar met een niet-volledige betrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou gelden bij een volledige betrekking. Artikel 3:4 Salarisverhoging 1. Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de ambtenaar functioneert voldoende; b. de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet bereikt; c. er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie. 2. Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverho-ging aanvullende voorwaarden stellen. 3. Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverho-ging toekennen. 4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het col-lege voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum vaststellen. Beleidsregel 4B betreft uitvoering artikel 3:4 CAR 1. Bij onvoldoende bekwaamheid, geschiktheid of ijver van de amb-tenaar kan het college bepalen dat ten aanzien van hem salaris-verhogingen, als bedoeld in artikel 3:4, achterwege worden gela-ten. 2. Het college kan nadien bepalen dat de salarisverhogingen, welke met toepassing van het eerste lid achterwege zijn gelaten, al dan niet met terugwerkende kracht, alsnog worden toegekend. 3. Een besluiten als bedoeld in het eerste lid wordt alleen genomen op basis van een beoordeling als bedoeld in artikel 15:1:15. 4. Van een beslissing tot toepassing van het eerste lid wordt de amb-tenaar zo spoedig mogelijk, doch in elk geval voor de datum waar-op anders de salarisverhoging zou ingaan, mededeling gedaan, onder vermelding van de redenen welke tot de beslissing hebben geleid. Verlaging salarisschaal Artikel 3:5 1. Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salaris-schaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een grond aanwe-zig is. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn instem-ming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het sala-ris. 3. In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het salaris. 4. In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal plan of sociaal statuut. Inpassing in hogere schaal Artikel 3:6 De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal over-gaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris. Beleidsregel 4C betreft uitvoering artikel 3:6 CAR Artikel 3:6 CAR geeft weer hoe uitvoering wordt gegeven aan de in-passing in een hogere schaal. Onder promotie verstaan we dat het salaris van de medewerker wordt ingedeeld in een salarisschaal met een hoger maximum. Als hiervan sprake is geschiedt dit als volgt: Als eerste wordt een periodieke verhoging van het salaris in de oude schaal van de medewerker toegekend. Daarna wordt het salaris vast-gesteld op het naasthogere bedrag in de hogere schaal. Is het salaris van de medewerker in de oude schaal gelijk aan het maximum (trede 11) dan wordt het salaris vastgesteld in de hogere schaal op het naasthogere bedrag in de hogere schaal, waarbij de verhoging van het salaris tenminste 75% bedraagt van het verschil tussen de periodieken 10 en 11 in de oude schaal. Uitloopschaal Artikel 3:7 Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 decem-ber 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal. Paragraaf 3: Salaristoelagen Functioneringstoelage Artikel 3:8 1. Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage toekennen. 2. De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze opnieuw worden toegekend. 3. De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris. Arbeidsmarkttoelage Artikel 3:9 1. Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toe-kennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan perso-neel 2. De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld, met een maximum van 3 jaar. 3. De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris. Waarnemingstoelage Artikel 3:10 1. Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepa-ling geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen func-tie. 2. Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toe-lage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar ge-niet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij de start van de waarneming in de hogere schaal zou zijn ingedeeld. 3. Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid toegekend. Beleidsregel 5 betreft uitvoering artikel 3:10 CAR Bij de berekening van de hoogte van de waarnemingstoelage wordt de medewerker fictief ingeschaald in de bij de functie behorende schaal, conform het gestelde in beleidsregel 4C bij artikel 3:6. Toelage Onregelmatige Dienst Artikel 3:11 1. De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werk-tijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week: - maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20% - maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur: 40% - zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% - zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65% 2. Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salaris-schaal 6. 3. De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt. 4. Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel 3:18) worden uitbetaald. Buitendagvenstertoelage Artikel 3:12 1. De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktij-den en die door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op een buiten-dagvenstertoelage. 2. De buitendagvenstertoelage bedraagt: - 50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur; - 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren ge-werkt op zaterdag; - 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren ge-werkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid. 3. De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage. Toelage Beschikbaarheidsdienst Artikel 3:13 1. De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden be-schikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaar-heidsdienst. 2. De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zater-dag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid. 3. Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salaris-schaal 7. Inconveniëntentoelage Artikel 3:14 Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toe-kennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke arbeid. Garantietoelage Artikel 3:15 Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen. Afbouwtoelage Artikel 3:16 1. De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmati-ge dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveni-ententoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien - hij de toelage(
- n)zonder onderbreking van meer dan twee maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én - met de verlaging of beëindiging van de toelage(
- n)een be-drag is gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: - op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d of 9e) van toepassing is, of - indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een sociaal plan. 3. De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De af-bouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen bedrag. 4. Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(
- n)aan wisselingen onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het ge-middelde van de voorgaande 12 maanden. 5. Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is ver-bonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de salarisverho-ging. Beleidsregel 5A betreft uitvoering artikel 3:16 CAR Beleidsregel inzake afbouw bij beëindiging of vermindering toelage on-regelmatige dienst. 1. Een afbouwregeling als bedoeld in artikel 3:16 wordt getroffen als er sprake is van beëindiging of vermindering van de toelage in de functie die de betrokken ambtenaar vervult. Bij het aanvaarden van een andere functie, waaraan geen of minder inkomsten we-gens het verrichten van onregelmatige diensten zijn verbonden, zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden of er aanleiding is om een overeenkomstige afbouwregeling te treffen (maatwerk). 2. Wanneer er sprake is van wisselende inkomsten wordt voor de be-rekening van de in artikel 3:16 bedoelde aflopende toelage uitge-gaan van het in de 12 maanden voorafgaande aan de beëindiging of blijvende verlaging gemiddeld per maand genoten toelage. 3. Bij de uitvoering van artikel 3:16 wordt zoveel mogelijk gehandeld overeenkomstig de hiervoor voor het rijkspersoneel vastgestelde regeling. 4. Wanneer iemand langdurig, zonder wezenlijke onderbreking, een financiële vergoeding wegens het verrichten van overwerk, al dan niet op declaratiebasis, heeft ontvangen, zal zoveel mogelijk con-form het gestelde in artikel 3:16 en het bepaalde in deze beleidsre-gel een afbouwregeling worden getroffen. 5. Wanneer iemand langdurig, zonder wezenlijke onderbreking, een financiële vergoeding wegens het verrichten van wachtdiensten als bedoeld in hoofdstuk 3 (artikel 3:13) heeft ontvangen, zal zoveel mogelijk conform het gestelde in artikel 3:16 en het bepaalde in deze beleidsregel een afbouwregeling worden getroffen. Toelichting: middels deze beleidsregel wordt een reeds in de praktijk gebruike-lijke afbouwregeling bij het wegvallen of verminderen van structureel overwerk of structurele wachtdiensten geformaliseerd, hetgeen de eenheid in de toepas-sing van de arbeidsvoorwaarden bevordert. Paragraaf 4: Overige vergoedingen en uitkeringen Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam Artikel 3:17 1. De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende om-vang verricht. 2. De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar. Overwerkvergoeding Artikel 3:18 1. De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een over-werkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald. 2. De overwerkvergoeding bestaat uit: a. verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, b. het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar: - 100% voor overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur; - 75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur; - 75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur; - 50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur; - 50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur; - 25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, don-derdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur. 3. Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zo-ver de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof ver-leend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. 4. Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede lid onder b. 5. De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een overwerkvergoe-ding. 6. De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding. Beleidsregel 6 betreft uitvoering artikel 3:18 CAR In geval van overwerk bestaat er aanspraak op een maaltijdvergoe-ding, als het overwerk ten minste twee uur duurt en de ambtenaar niet naar huis kan gaan om op een voor het nuttigen van de maaltijd ge-bruikelijk tijdstip te eten (dit door het tijdstip waarop het overwerk moet aanvangen). De hoogte van deze vergoeding is gelijk aan het vergoedingsbedrag van een avondmaaltijd, neergelegd in de voor het rijkspersoneel vast-gestelde reisregeling binnenland. Toelichting: Wanneer het door de aard en de duur van het overwerk niet moge-lijk is dat de ambtenaar thuis op een voor het nuttigen van de maaltijd gebrui-kelijk tijdstip kan eten, kunnen de voor een avondmaaltijd gemaakt kosten, op declaratiebasis, worden vergoed. Hierbij wordt zoveel mogelijk aansluiting ge-zocht bij de terzake voor het rijkspersoneel vastgestelde regeling. Eindejaarsuitkering Artikel 3:18a [vervallen] Ambtsjubileum Artikel 3:19 1. Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever. 2. Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het maandsalaris over de maand van jubileren, plus de vakantietoela-ge berekend over deze maand en de in deze maand toegekende salaristoelagen. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst bedraagt de toe-lage het maandsalaris over de maand van jubileren, plus de va-kantietoelage en de toegekende salaristoelagen. 3. Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van arti-kel 8:3 of 8:4 CAR en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de maatgevende maand aangemerkt. Beleidsregel 6A betreft uitvoering artikel 3:19 CAR Voor medewerkers voor diensten op afroep wordt de diensttijd voor de berekening van ambtsjubilea bepaald door de datum van ingang van aanstelling en de eventuele datum einde aanstelling. De periode gedu-rende welke men een aanstelling heeft/had is dus bepalend, niet de feitelijk gewerkte tijd. Bij de berekening van een gratificatie ambtsjubi-leum wordt voor iemand met een aanstelling voor diensten op afroep als berekeningsbasis gehanteerd de gemiddelde bezoldiging en vakan-tietoelage die betrokkene in de aan de jubileumdatum voorafgaande 12 maanden heeft verdiend. Toelichting: Door het ontbreken van een bepaling inzake de berekening van een ambtsjubileumgratificatie voor medewerkers voor diensten op afroep kan de situatie ontstaan, dat de toevalstreffer van de bezoldiging in de maand waarin het jubileum valt bepalend is voor de hoogte van de gratificatie. Voor deze groep van werknemers wordt het juister geacht het gemiddelde loon over de twaalf maanden voorafgaande aan de jubileumdatum te hanteren als bere-keningsbasis voor de gratificatie. Dit zal in zijn algemeenheid leiden tot een gratificatie die meer een afspiegeling vormt van de gemiddelde verdiensten dan wanneer de bezoldiging van één maand hiervoor bepalend is. Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties Artikel 3:20 Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenma-lig een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of ge-leverde bijzondere prestaties. Beleidsregel 6B betreft uitvoering artikel 3:20 CAR Artikel 3:20 CAR geeft aan dat een medewerker of een groep mede-werkers een geldbedrag kan worden toegekend voor uitstekend func-tioneren en/of bijzondere prestaties. De richtlijn is dat de medewerker of groep een bedrag van (in totaal) € 250,- – 1.000,- netto kan worden toegekend. Het geldbedrag wordt ineens en ten hoogste eenmaal binnen een pe-riode van een jaar toegekend. In het geval van een groep medewerkers wordt er geen onderscheid gemaakt tussen medewerkers met een deeltijd of voltijd dienstver-band. Aan een medewerker of groep medewerkers die een uitstekende kortdurende en/of eenmalige bijzondere prestatie heeft geleverd, kan een kleiner geldbedrag in vorm van een (eenmalige) materiële belo-ning worden toegekend. Voorbeelden van deze vorm van belonen zijn: een bos bloemen, boeken-, diner- of theater bon. De richtlijn hiervoor is dat de bon een waarde van €50,- – €125, - vertegenwoordigt. Reis- en verblijfkostenvergoeding Artikel 3:21 Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij ge-bruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse tarief. Reiskostenvergoeding woon-werkverkeerd Artikel 3:22 Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer toekennen. Overlijdensuitkering Artikel 3:23 1. Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoela-gen eindigt de dag na het overlijden van de ambtenaar. 2. Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen — een overlijdensuitkering, die bestaat uit driemaal het laatst geno-ten salaris vermeerderd met de vakantietoelage en de toegeken-de salaristoelagen; 3. Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voor-gaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst Artikel 3:24 1. Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt. Indien de overle-dene geen partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de min-derjarige kinderen. 2. De uitkering bedraagt één jaarsalaris, vermeerderd met de vakan-tietoelage en de toegekende salaristoelagen, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden. 3. Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid genoemde uitkering. 4. Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderja-rige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. Recht op tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering Artikel 3:25 1. De ambtenaar heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten als hij één van de volgende aanvullende zorgverzekeringen heeft: Extra Zorg 3 of 4 bij IZA, Plus Collectief of Top Collectief bij CZ, Collectief Aanvullend 3 of 4 bij Menzis. 2. De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalen-derjaar in de maand december uitbetaald. 3. Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten. Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering Artikel 3:26 1. De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar. 2. De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6. 3. De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest. 4. De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest. Beleidsregel 7 betreft uitvoering hoofdstuk 3, paragraaf 1-4 CAR Toelagen op grond van hoofdstuk 3 of hoofdstuk 3a worden zo spoe-dig mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand nadat deze ter be-taling is doorgegeven betaalbaar gesteld. Paragraaf 5: Individueel Keuzebudget Artikel 3:27 Algemeen 1. De ambtenaar heeft recht op een Individueel Keuzebudget, hierna te noemen: IKB. 2. Het college is beheerder van het IKB. 3. Het IKB is een maandelijks, in geld uitgedrukt budget dat de ambtenaar naar keuze kan gebruiken voor de doelen genoemd in artikel 3:29,op de wijze zoals vastgelegd is in deze paragraaf. Artikel 3:28 Opbouw IKB 1. Het IKB wordt per maand opgebouwd en bestaat uit een deel waarover pensioen wordt opgebouwd en een deel waarover geen pensioen wordt opgebouwd. 2. Het deel van het IKB waarover pensioen wordt opgebouwd bedraagt: a. 8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris vermeerderd met de salaristoelagen genoemd in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en b. 6% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 145,83 bij een volledig dienstverband, en c. 1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig dienstverband, en d. indien en voor zolang hoofdstuk 9a van toepassing is op de ambtenaar, 1% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit voor maximaal 20 jaar geldt, tenzij artikel 9a:9, lid 1, onderdeel b, van toepassing is.. 3. Het deel van het IKB waarover geen pensioen wordt opgebouwd bedraagt 0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris. 4. Indien in een maand het salaris of de salaristoelagen niet volledig zijn uitbetaald dan wordt het IKB in die maand berekend op basis van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde salaristoelagen. Ontvangt de ambtenaar in een maand geen salaris dan wordt in die maand geen IKB opgebouwd. 5. Indien in een maand het salaris en de salaristoelagen niet volledig zijn uitbetaald op grond van artikel 7:3, lid 2 tot en met 4, dan wordt, in afwijking van lid 4 van dit artikel, het IKB in die maand berekend op basis van het volledige salaris en de volledige salaristoelagen. 6. Het college kan bronnen toevoegen aan het IKB. Een bron kan zijn een persoonlijk budget, voor zover dat in de gemeente bestaat en niet is opgenomen in de TOR zoals omschreven in paragraaf 7 in hoofdstuk 3. Artikel 3:29 Doelen IKB 1. De ambtenaar kan het IKB gebruiken voor: a. het kopen van vakantie-uren, tot een maximum van vier maal de aanstellingsduur per week gedurende het kalenderjaar; b. extra inkomen door uitbetaling van het IKB tot een maximum van het tot aan de datum van uitbetaling opgebouwde IKB; c. het financieren van een opleiding, indien en voor zover deze niet door de gemeente wordt vergoed en de geldende fiscale regelgeving de besteding van het IKB aan dit doel belastingvrij mogelijk maakt. 2. Het college kan de bestedingsdoelen zoals omschreven in lid 1 aanvullen. Artikel 3:30 1. De ambtenaar kan elke maand een keuze maken om zijn IKB te gebruiken voor een of meerdere van de in artikel 3:29 genoemde doelen. Hij heeft voor deze keuze geen toestemming nodig. 2. Het college wijst in verband met de salarisverwerking voor elke maand een uiterste datum aan waarop de ambtenaar zijn keuze kenbaar moet maken. 3. Als de ambtenaar geen keuze maakt, of bij zijn keuze slechts een deel van zijn IKB gebruikt, dan wordt het IKB over die maand, of het resterende deel daarvan, gereserveerd. De ambtenaar kan het gereserveerde IKB op een later moment in het lopende kalenderjaar besteden. 4. Heeft de ambtenaar na de sluitingsdatum van de salarisverwerking in december nog een resterend IKB dan wordt dit bij de salarisbetaling van die maand uitbetaald. 5. Besteding van het IKB kan alleen voor zover het beschikbare budget toereikend is. De keuze voor een doel heeft uitsluitend betrekking op hetzelfde kalenderjaar. 6. Bedragen die uit het IKB zijn gebruikt, kunnen niet meer worden teruggestort in het IKB. Artikel 3:31 Waarde van een vakantie-uur Als de ambtenaar kiest voor het kopen van vakantie-uren dan wordt het IKB per vakantie-uur verlaagd met het voor de ambtenaar geldende uurloon in de maand waarin hij de vakantie-uren koopt. Artikel 3:32 Uitbetaling IKB bij einde dienstverband 1. Bij beëindiging van het dienstverband wordt het resterende IKB bij de laatste salarisbetaling aan de ambtenaar uitbetaald. 2. Bij overlijden van de ambtenaar wordt in aanvulling op de overlijdensuitkering het resterende IKB uitbetaald aan de nagelaten betrekkingen zoals omschreven in artikel 3:23, lid 2 en 3. Artikel 3:33 Wet- en regelgeving 1. Het gebruik van het IKB kan gevolgen hebben voor loonheffingen, pensioen en sociale verzekeringen. De ambtenaar wordt geacht deze gevolgen te kennen. 2. Als blijkt dat een bedrag uit het IKB ten onrechte belastingvrij is uitgekeerd doordat de ambtenaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, verhaalt het college de verschuldigde loonheffing of eventuele boetes op de ambtenaar. 3. Als een netto voordeel voor de ambtenaar vervalt door wijzigingen van wet- en regelgeving dan wordt dat niet gecompenseerd door het college. 4. Alle transacties in het IKB moeten in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving. Artikel 3:34 Vakantietoelage 2016 1. De vakantietoelage die de ambtenaar heeft opgebouwd in de periode van juni 2016 tot en met december 2016 op grond van artikel 6:3 zoals dat gold op 31 december 2016 wordt uitbetaald bij de salarisbetaling van mei 2017. Dit bedrag maakt geen onderdeel uit van het IKB. 2. Indien de ambtenaar ontslag verleend wordt voor 1 mei 2017 dan wordt de opgebouwde vakantietoelage over 2016 uitbetaald bij de laatste salarisbetaling. Artikel 3:35 Overige bepalingen Voor de ambtenaar die werkzaam is in de kunsteducatie en op wie artikel 19b:10 van toepassing is, is artikel 3:28, lid 3, niet van toepassing. § 6 Overige individuele keuzemogelijkheden Artikel 3:36 Verkoop van vakantie-uren 1. De ambtenaar kan elk kalenderjaar een verzoek doen om ten hoogste 72 uren bovenwettelijk vakantieverlof te verkopen. Bij een deeltijd dienstverband wordt dit aantal naar rato vastgesteld. 2. Een verzoek als bedoeld in lid 1 wordt toegewezen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 3. Het college kan regels stellen over de aanvraagprocedure. 4. Het bepaalde in artikel 3:31 is van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 7: Overgangsrecht Overgangsrecht hoofdstuk 3 met toelichting per 1 januari 2016 1. Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend. Toelichting: a. Bestaande garantietoelage en afbouwtoelagen Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – onge-acht de benaming – die naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van het vaste inkomen van de betreffende ambte-naar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval in salaris of emolumenten en toelagen – niet zijnde onkostenvergoedin-gen – op te vangen, niet vervallen bij invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met andere woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden meegenomen in de toe-lage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals geregeld in dit overgangsrecht. Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 en vinden vanaf dat moment hun grond-slag in artikel 3:15. ‘Onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden bij toeken-ning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van toe-passing blijven. b. Tijdelijke toelage met schriftelijke overeengekomen einddatum Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een rechtsgrond omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage met een hogere grondslag en die niet te kwalificeren is als de garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld, maar die zich ook niet leent om te worden opgenomen in de TOR, kan even-eens worden voortgezet volgens de condities zoals die golden op het moment dat de toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage tijdelijk is en dat de einddatum of gebeurtenis tij-dens welke de tijdelijke toelage wordt betaald schriftelijk is vastgelegd in een besluit. Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zo-als sommige gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap in de carrière wordt aan een medewerker die kan doorgroeien naar een managementfunctie een toelage ge-geven voor maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in de TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde toelage eeuwig in een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een schriftelijk vastgelegde einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en tot de vastgeleg-de einddatum. 2. Het brandweerpersoneel bij de veiligheidsregio’s wordt uitgezon-derd van het nieuwe beloningshoofdstuk met uitzondering van het IKB, tenzij in het overleg van de Brandweerkamer met de vakbon-den anders wordt besloten. 3. Lokale financiële arbeidsvoorwaarden[1] die op al het personeel binnen een gemeente worden toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de lokale bezoldigingsverordening of rechts-positieregeling, vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze om-gezet in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3 (jaarbe-drag) deel 1. [1] Bruto blijft bruto, netto blijft netto. Toelichting: Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugke-ren in hoofdstuk 3, conform de formulering in hoofdstuk 3. 4. Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere rele-vante factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald: a. hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang geldende regels voor toela-gen/vergoedingen b. hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe systematiek. Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2. Toelichting: Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de grondslag van de vakan-tietoelage meer beloningselementen (inclusief emolumenten) om-vat dan het salaris en de toegekende salaristoelagen, moeten bij het vaststellen van de TOR rekening houden met het volgende. Als het daarbij gaat om beloningselementen, die met de introductie van hoofdstuk 3 komen te vervallen of die worden verlaagd, die-nen de betreffende bedragen bij wijze van nadeelcompensatie vóór opname in de TOR met 8% te worden verhoogd. In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die recht doet aan het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel is. Medewerkers worden gecompenseerd voor een eventuele teruggang in beloning. Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het overgangsrecht en de tijdelijke toela-gen met een schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom afgesproken om medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of ver-mindering van de aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het dienstverband ongewijzigd bestaan. De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee verschil-lende soorten toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men in de tijd achter elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is een vast beloningsele-ment dat iedereen in een gemeente ontvangt, bijvoorbeeld een ex-tra eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2 is lastiger te bepa-len, omdat deze voor iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of toeslag of vergoeding die in de lokale be-zoldigingsverordening is opgenomen. En niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of rooster. Om de TOR 2 te kunnen bepalen is afgesproken 2014 als refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is dat 2014 een recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is dui-delijk wat aan onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk is gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014 geldende (lokale) regels. De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van het nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het eind-bedrag vergeleken met het bedrag dat aan toeslagen is betaald in 2014. Is er een negatief verschil, dan wordt daarmee de TOR 2 gevuld. Geen roosters Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan re-produceren heeft de berekening aan de hand van een refertejaar geen zin. Daarom is in het LOGA afgesproken dat ook een andere rekenwijze kan worden toegepast die wordt gebaseerd op het werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat de roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van hoofdstuk 3. Op basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling van de TOR dit rooster berekend met de toelagepercentages uit 2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de hoogte van de TOR. Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij beloond met de ORT hetzij met een overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest hetzij om ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten. Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig zijn om het overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling wordt geïmplementeerd, de oude percentages van de oude regeling kunnen worden toegepast voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015. Voor nieuwe medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als het slechts om een hele kleine groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig over-werkt, kan dit alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door opname van het oude overwerkpa-troon, (zoals dat gold in refertejaar 2014), een TOR 2 ontstaat die niet nodig is. 5. Als 2014 geen representatief jaar is door langdurige ziekte (langer dan 2 maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel over-werk of andere redenen wordt inonderling overleg een ander re-presentatief refertetijdvak vastgesteld. Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode te komen als de bovengenoemde berekening tot een niet representa-tief beeld leidt. Als medewerkers bijvoorbeeld in 2014 extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de TOR in verhouding te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling van het overgangsrecht. De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer worden geïnterpreteerd dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat erom een geschikte berekeningswijze vast te stellen mits die recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door invoering van hoofd-stuk 3 niet op achteruitgaan. Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de medewerker en in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat laatste is het geval als het om patronen gaat en een groep van medewerkers in gelijke omstandigheden is betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een reorganisatie of gewijzigde werktij-denregelingen het onmogelijk is om de roosters van 2014 te repro-duceren. 6. Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage over-gangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de loonontwikkelin-gen. Toelichting: De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een positief verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2 –omdat bijvoorbeeld de toeslagen ORT van het nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot een negatief ver-schil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 + (-Euro 200) = Euro 100-. De TOR is een nominaal bedrag. De TOR telt mee in de pensi-oengrondslag maar is geen salaristoelage en geen grondslag voor eindejaarsuitkering, vakantietoelage of levensloopbijdrage. 7. Er zijn geen anticumulatiebepalingen. Toelichting: Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het in-komen van de medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt, bijvoorbeeld door promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT. De inkomensstijging wordt niet verrekend met de TOR van de medewerker. 8. Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december. Toelichting: De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand de-cember wordt uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste si-tuatie is, bijvoorbeeld omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse uitbetaling, of een uitbetaling per kwartaal, beter past. Daarom is (zie hieronder punt 13) afgesproken dat lokaal an-dere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft niet be-paald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is echter dat als het om groepen medewerkers gaat het GO ge-sprekspartner is. Betreft het een enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook individueel worden gemaakt. 9. De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op jaarba-sis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar. Toelichting: Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij deeltijd wordt het bedrag naar rato verlaagd. 10. Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd. 11. Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de toelage overgangsrecht H3 naar rato. Toelichting: Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de TOR naar rato. De TOR daalt niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is. 12. Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen effect. Toelichting: De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in principe naar rato, behalve ingeval van vergroting van de aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt verhoogd. 13. Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of beta-ling in termijnen gemaakt worden. Toelichting: Zie punt 8. 14. Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zou-den hebben op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3. Toelichting: De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het betreft de afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 de-cember 2020 recht hebben op een ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de gemeente, deze ambtsjubile-umgratificatie ontvangen conform die oude regeling. Dat betekent ook dat de in die regeling vastgestelde criteria gelden voor de be-paling of het relevante aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht vastleggen. Hoe de gemeente dit doet is niet bepaald. Be-treft het een kleine groep, dan kan het op individueel niveau. Mak-kelijker is op in een voetnoot bij het betreffende artikel in hoofdstuk 3 de oude regeling op te nemen. Beleidsregel 8 betreft uitvoering Hoofdstuk 3, paragraaf 6 CAR In het geval dat het recht op een bepaalde toelage, op grond waarvan bij herziening van Hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 een Toelage Over-gangsrecht (TOR) is toegekend, komt te vervallen, vervalt ook het daarbij behorende deel van de TOR. Bij het vervallen of verminderen van de TOR, wordt de afbouwtoelage, als genoemd in artikel 3:16, gehanteerd. Wanneer het recht op de desbetreffende toelage herleeft, herleeft ook het recht op het daarbij behorende deel van de TOR. HOOFDSTUK 3B FUNCTIEWAARDERING Begripsbepalingen Artikel 3b:1:1:1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1:1:2; b. functie: het samenstel van taken en/of werkzaamheden dat, afge-leid uit de taakstelling van de organisatie, is opgedragen aan een functiehouder, eventueel nader ingekleurd via tussen de leidingge-vende en betrokkenen te maken, schriftelijk vast te leggen, resul-taatafspraken; c. functiehouder: de ambtenaar als bedoeld onder a., die een functie als bedoeld onder b. vervult; d. functiebeschrijving: de normbeschrijving dan wel de lokale func-tiebeschrijving die een resultaatgerichte weergave is van aard, overwegend karakter, niveau en complexiteit van taken; e. normbeschrijving: de generieke functiebeschrijving zoals opgeno-men in het normbestand van HR21. De normbeschrijving is voor-zien van een vaste waardering (puntenreeks); f. lokale functiebeschrijving: de volgens het format van HR21 lokaal gewijzigde normbeschrijving of toegevoegde (nieuwe) functiebe-schrijving; g. functiewaardering: het bepalen van de relatieve functiewaarde van een functiebeschrijving aan de hand van de in HR21 vastgelegde waarderingsmethode. h. HR21: het in opdracht van de VNG voor de sector gemeenten ontwikkelde functiewaarderingssysteem i. gemeentedirecteur: de hoogste leidinggevende van een cluster als genoemd in het hoofdmodel van de ambtelijke organisatie, opge-nomen in Het Delftse Organisatiemodel, vastgesteld en eventueel gewijzigd door of namens het college; j. gemeentelijk managementteam: het gemeentelijk management-team als bedoeld in artikel 2a:1:1:1; k. cluster: een cluster als genoemd in het geldende Organisatieplan; l. bevoegd gezag: het college van burgemeester en wethouders; m. bestuurder: de bestuurder in de zin van de Wet op de onderne-mingsraden (WOR); n. externe deskundige: een door de systeemhouder (VNG) erkend deskundige inzake de ontwikkeling, toepassing en werking van HR21; o. gecertificeerde gebruiker: de volgens de normering van de extern deskundige opgeleide lokale gebruiker die geautoriseerd is om te werken met HR21; p. conversie: de vertaling van de gevonden rangorde naar salaris-schalen; q. indelingscommissie: de commissie als bedoeld in artikel 3b:1:1:6, die de indelingsadviezen toetst. Vaststelling functiebeschrijvingen/Functiematrix Artikel 3b:1:1:2 1. Het bevoegd gezag, of in opdracht de directeuren of afdelings-hoofden, selecteren (in samenspraak met de externe deskundige en/of een gecertificeerde gebruiker) per functie een normbe-schrijving uit HR21. Indien de normbeschrijving voor de functie onvolledig is, dan wel een voor de functie dekkende normbe-schrijving niet beschikbaar is, wordt een lokale functiebeschrij-ving opgesteld. 2. De geselecteerde normbeschrijving(
- en)en/of lokale functiebe-schrijving(
- en)wordt/worden besproken binnen het gemeentelijk managementteam en/of met de verantwoordelijke gemeentedi-recteur en/of diens afdelingshoofd(en). Zij worden om advies voorgelegd aan de indelingscommissie en vervolgens door of namens de bestuurder voorlopig vastgesteld. De voorlopig vast-gestelde functiebeschrijving(
- en)wordt/worden door de bestuur-der ter informatie aangeboden aan de ondernemingsraad (OR). 3. Indien sprake is van een organisatie brede functiebeschrijvings-ronde, of indien sprake is van een organisatorische verandering zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 van de WOR, dan stelt de be-stuurder de OR in de gelegenheid advies uit te brengen over de voorgenomen vaststelling van de functiebeschrijvingen. 4. Met inachtneming van het bepaalde in lid 2 en 3 stelt het bevoegd gezag de voor de gemeentelijke functies tot stand gekomen (norm- en lokale) functiebeschrijvingen bij algemeen verbindend voorschrift vast. Functiewaardering Artikel 3b:1:1:3 1. In opdracht van het bevoegd gezag worden door de gecertificeer-de gebruiker en/of externe deskundige aan de hand van de in HR21 vastgelegde functiewaarderingsmethode alle lokale functie-beschrijvingen gewaardeerd. 2. De waarderingsresultaten van de lokale functiebeschrijvingen wor-den ter toetsing en advies aangeboden aan de indelingscommissie als bedoeld in artikel 3b:1:1:6 3. De waarderingsresultaten worden opgenomen in een eindadvies functiewaardering aan het bevoegd gezag. Het waarderingsadvies bevat in ieder geval: - een motivering, gerubriceerd per invalshoek en dimensie, van de subscores en de totaalscore per lokale functiebeschrijving; - een overzicht van de functiewaarderingsresultaten van alle lo-kale functiebeschrijvingen; - een gecombineerd overzicht van de functiewaarderingsresulta-ten van alle geselecteerde normbeschrijvingen en lokale func-tiebeschrijvingen; - een verslag van de toetsing als bedoeld in het tweede lid. 4. Het bevoegd gezag stelt de waarderingen vast met inachtneming van het eindadvies functiewaardering. Afwijking van het advies kan slechts op basis van zwaarwegende argumenten. Het bevoegd gezag stelt de waarderingen van de lo-cale functiebeschrijvingen en normbeschrijvingen bij algemeen verbindend voorschrift vast. Vaststelling conversietabel Artikel 3b:1:1:4 1. Het bevoegd gezag stelt op basis van de vastgestelde gemeente-lijke salarisstructuur, na overleg met de commissie voor georgani-seerd overleg, een conversietabel vast. Wijziging van de gemeen-telijke salarisstructuur vindt niet plaats zonder overeenstemming binnen de commissie voor georganiseerd overleg. 2. Door middel van de vastgestelde conversietabel worden de waar-deringen van alle geselecteerde normbeschrijvingen en lokale functiebeschrijvingen omgezet naar functionele schalen. Voorbereiding indelingsadvies, indelingsbesluit, bezwaar en be-roep Artikel 3b:1:1:5 1. Het gemeentelijk managementteam of de direct verantwoordelijke gemeentedirecteur adviseert (in samenspraak met de externe deskundige en/of gecertificeerde gebruiker) het bevoegd gezag over de indeling van de functies in norm- en/of lokale functiebe-schrijvingen. 2. Wanneer er sprake is van een organisatie brede functiebeschrij-vingsronde, of wanneer er sprake is van een ingrijpende (organi-satorische) verandering zoals bedoeld in de WOR artikel 25 lid 1, sub d en e, wordt het indelingsadvies ter toetsing en advies voor-gelegd aan de indelingscommissie. 3. Bij indeling van een of enkele functies wordt jaarlijks achteraf door de indelingscommissie getoetst of de betreffende functies juist zijn ingedeeld. Indien naar het oordeel van de indelingscommissie niet correct is ingepast dan heroverweegt het bevoegd gezag het eer-der genomen besluit. Van dat besluit worden de indelingscommis-sie, de functiehouders en het verantwoordelijke management schriftelijk in kennis gesteld. 4. Het bevoegd gezag stelt de functiehouder schriftelijk op de hoogte welke (norm- of lokale) functiebeschrijving zij voornemens is op de functie van toepassing te verklaren. De functiehouder wordt daarbij geïnformeerd over de gevolgen voor de inschaling, het salaris en/of de bezoldiging. 5. De functiehouder als bedoeld in het vierde lid kan binnen twee weken nadat hij de in dat lid bedoelde mededeling heeft ontvan-gen aan het college kenbaar maken dat hij bedenkingen heeft te-gen het voornemen de voorlopig geselecteerde normbeschrijving of lokale functiebeschrijving uit HR21 op zijn functie van toepas-sing te verklaren. Wanneer de bewuste functie door meer dan een ambtenaar wordt vervuld kan de in de vorige volzin genoemde termijn worden verlengd tot maximaal zes weken. 6. Als de in het vierde lid bedoelde ambtenaar binnen de daarvoor gestelde termijn geen bedenkingen heeft kenbaar gemaakt, stelt het bevoegd gezag de voorlopig geselecteerde normbeschrijving of lokale functiebeschrijving vast. 7. Als de in het vierde lid bedoelde ambtenaar binnen de daarvoor gestelde termijn bedenkingen heeft kenbaar gemaakt, wordt hier-over overleg gepleegd met het hoofd van het desbetreffende clus-ter(onderdeel) en met de desbetreffende HRM-adviseur. Vervol-gens stelt het bevoegd gezag de voorlopig geselecteerde normbe-schrijving of lokale functiebeschrijving, al dan niet gewijzigd vast. 8. Na het verstrijken van de termijn als bedoeld in het zesde lid, of de besluitvorming als bedoeld in het zevende lid, maakt het bevoegd gezag, schriftelijk en gemotiveerd, aan de functiehouder bekend in welke functiebeschrijving de functie van de functiehouder is in-gedeeld en wat de gevolgen daarvan zijn voor de inschaling, het salaris en/of de bezoldiging. Deze mededeling is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen dit besluit kan de functiehou-der schriftelijk en gemotiveerd bezwaar maken bij het bevoegd gezag. Indelingscommissie Artikel 3b:1:1:6 1. De indelingscommissie bestaat uit: - drie door de ondernemingsraad aan te wijzen leden - drie door het gemeentelijk managementteam aan te wijzen le-den - een onafhankelijk voorzitter, aan te wijzen door het college op basis van een voordracht door de overige leden van de com-missie Aan de commissie wordt een ambtelijk secretaris toegevoegd. 2. De gecertificeerde gebruiker en/of externe deskundige zijn als adviseur(
- s)aanwezig bij de vergaderingen van de indelingscom-missie. 3. De commissie adviseert niet, wanneer minder dan twee van de door de Ondernemingsraad aangewezen leden of minder dan twee van de overige in het eerste lid genoemde leden aanwezig zijn. Nieuwe en gewijzigde taken Artikel 3b:1:1:7 1. Indien aan een functiehouder door of namens het gemeentelijk managementteam, nieuwe of gewijzigde taken worden opgedra-gen, dan heroverweegt het bevoegd gezag, na en met inachtne-ming van het advies van de direct verantwoordelijke gemeente di-recteur (in samenspraak met de externe deskundige en/of gecer-tificeerde gebruiker), de indeling in de functiebeschrijving. 2. Indien een functiehouder van mening is dat zijn functie zodanig is gewijzigd dat dit zou moeten leiden tot een heroverweging van de indeling van zijn functie, dan kan hij het bevoegd gezag ver-zoeken hiertoe over te gaan. 3. Indien de in het eerste of tweede lid bedoelde heroverweging leidt tot een nieuw indelingsbesluit dan is het bepaalde in artikel 3b:1:1:5 (met uitzondering van lid 2) van toepassing. 4. Indien de in het eerste lid bedoelde heroverweging niet leidt tot een nieuw indelingsbesluit, dan wordt de functiehouder hiervan in kennis gesteld. Wijziging functiebeschrijvingen Artikel 3b:1:1:8 1. Bij wijziging van de structuur, taken of doelstellingen van de orga-nisatie wordt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, door of namens de bestuurder bezien of de vastgestelde functie-beschrijvingen volledig en/of toereikend zijn. Het selecteren, wijzi-gen of opstellen van nieuwe functiebeschrijvingen verloopt vol-gens de procedure als beschreven in artikel 3b:1:1:2. 2. Een verzoek tot heroverweging van de bestaande functiebeschrij-vingen kan ook worden ingediend door de OR. Van kracht worden functiewaardering Artikel 3b:1:1:9 De nieuwe functiewaardering wordt van kracht op de datum dat deze wordt vastgesteld door het college. Het recht op een eventuele be-vordering met terugwerkende kracht zal per individu beoordeeld wor-den, op grond van artikel 3c:1:1:6 van de Nadere Uitwerkingsregeling (NUR). Maatregelen Artikel 3b:1:1:10 1. Het college treft maatregelen, die voor de uitvoering van deze re-geling noodzakelijk zijn. 2. Indien de bepalingen van deze regeling in enige situatie niet voor-zien of voor de ambtenaar die de functie vervult tot bijzondere hardheid leiden, treft het college nadere voorzieningen. regeling overgang naar HR21 Het college van burgemeester en wethouders; overwegende dat besloten is om ingaande 1 januari 2014: • de waardering van de functies te laten plaatsvinden met gebruik-making van het systeem HR21; • de hierbij behorende conversietabel vast te stellen; • de tussenschalen 10a en 11a niet meer te gebruiken voor de waardering van organieke (norm)functies die onderdeel uitmaken van de Delftse functiematrix; • de coördinatiemodule vast te stellen. dat het in verband hiermee gewenst is om regels te stellen om de overgang naar het nieuwe systeem van functiewaardering mogelijk te maken en duidelijkheid te scheppen voor de medewerkers inzake hun aanspraken; gelet op de uitkomst van het overleg hierover met de commissie voor georganiseerd overleg in de vergadering van 18 december 2013; besluit: vast te stellen de volgende "Regeling overgang naar HR21". 1. Bij de invoering van HR21 wordt aan de zittende medewerkers het salaris/de salarisschaal en de bestaande vooruitzichten op basis van de 'oude' waardering van de organieke functie gegarandeerd. Dit geldt ook voor diegenen die voor de invoering van HR21 in een organieke functie die is gewaardeerd in een van de twee tussen-schalen (salarisschaal 10a en salarisschaal 11a) zijn benoemd en worden ingedeeld in een normfunctie behorende tot de lokale functiematrix (het functiehuis Delft in HR21). 2. Bij de invoering van HR21 is als peildatum gebruikt de datum 1 april 2013. De organieke functies die op dat moment naar inhoud en niveau vastlagen of d.m.v. verkort onderhoud alsnog vastge-legd zijn, zijn meegenomen bij het invoeringstraject en overgezet in HR21 functies. Functies waarvan de inhoud op de peildatum nog niet vast lag worden na vaststelling en invoering van HR21 alsnog ingedeeld. De indeling maakt dan echter qua planning geen onderdeel uit van het project invoering HR21. Meer expliciet houdt dit in dat functies waarvoor geldt dat die on-derdeel uitmaken van een lopend organisatieveranderingsproces bij het huidige invoeringstraject buiten beschouwing blijven. Deze functies zullen zodra definitieve besluitvorming over de or-ganisatieverandering heeft plaatsgevonden en HR21 ingevoerd is worden ingedeeld en d.m.v. de conversietabel aan een salaris-schaal worden gekoppeld. Als dit leidt tot een hogere salarisschaal dan zal de datum van in-gang (‘terugwerkende kracht’) zijn de datum waarop de organisa-tieverandering wordt of is ingevoerd. Hiermee wordt bedoeld de datum waarop die organisatieverandering van kracht wordt. 3. Degenen die voor de invoering van HR21 herplaatsingskandidaat zijn geworden hebben een besluit ontvangen inzake boventallig-heid. Vanuit de salarisschaal behorende bij de functie van waaruit zij boventallig zijn geworden zal bezien worden welke functies 'passend' zijn. Dat houdt in dat een functie die (met toepassing van HR21) op maximaal een salarisniveau hoger of lager is ge-waardeerd als passend wordt aangemerkt. Bij plaatsing op zo'n functie blijven het oude salaris (salarisschaal) en vooruitzichten (op maximaal salaris) gegarandeerd. 4. Wat betreft de module coördinatie geldt het volgende. 4.1. De toelage module coördinatie wordt toegekend aan een me-dewerker voor wie een functiewaardering geldt t/m salaris-schaal 9 als er sprake is van de situatie waarin deze: - de werkzaamheden plant, verdeelt en de afstemming daar van verzorgt van ten minste 4 medewerkers; - de voortgang, kwaliteit en kwantiteit van de werkzaamhe- den bewaakt, borgt en toetst; - binnen het betreffende vakgebied optreedt als vraagbaak en klankbord voor de medewerkers binnen het betreffende vakgebied; - de vakinhoudelijke ondersteuning en begeleiding van me- dewerkers bij de uitvoering van de werkzaamheden ver zorgt; - informant is bij gesprekken in het kader van de jaarlijkse gesprekscyclus. 4.2. De toelage behoort tot de bezoldiging. Hierover ontvangt de medewerker als bedoeld bij 4.1. dan ook vakantietoelage en eindejaarsuitkering. Bij ziekte wordt de toelage doorbetaald, met inachtneming van de eventuele reglementaire korting van bezoldiging bij langdu-rige ziekte. 4.3. De toelage module coördinatie bedraagt het verschil tussen de laatste periodiek van de functionele schaal behorende bij de functie en het maximumsalaris dat behoort bij de naast ho-ger gelegen functieschaal. 4.4. De toelage module coördinatie wordt toegekend in de vorm van een persoonlijke functiegebonden toelage, toe te kennen voor de duur dat ook daadwerkelijk gecoördineerd wordt. Zij wordt vastgelegd in een (voor bezwaar en/of beroep) vatbaar besluit. Dat houdt in dat ook de intrekking daarvan, als de ba-sis hiervoor is komen te vervallen, zal moeten gebeuren in de vorm van een besluit waartegen bezwaar en/of beroep moge-lijk is. 4.5. De toelage kan worden ingetrokken als de basis daarvoor komt te vervallen. Hierbij valt in principe te denken aan de volgende omstandigheden. • Eén: als er vanuit de taakstelling en wijze van organiseren van de betreffende eenheid niet langer behoefte is aan een extra coördinatiemechanisme (de rol van coördinator) doordat bijvoorbeeld de hoeveelheid aan te sturen mede-werkers kleiner geworden is en de hierarchisch leidingge-vende de aansturing alleen aan kan zonder hulpconstruc-tie. • Twee: als voor een andere organisatorische inbedding van de eenheid gekozen wordt of voor een andere functie-structurering. Qua functiestructurering bijvoorbeeld brede-re functieprofielen met inhoudelijk en organisatorisch meer eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden bij een deel van de medewerkers waardoor ook in dit geval de noodzaak voor een extra coördinatiepunt komt te verval-len. • Drie: bij disfunctioneren (een beoordelingstraject is hier-voor een vereiste!) of op eigen verzoek. • Vier: bij het aanvaarden van een andere functie. • Vijf: bij vertrek van de functiehouder die de coördinerende taken uitoefent en de constatering dat aan de rol/functie van coördinator niet langer behoefte is. Het gaat dan feite-lijk niet om intrekken van de toelage maar om niet langer koppelen van de module aan een functie in de nieuw ont-stane situatie en veelal is er dan een relatie met de onder een of twee genoemde voorbeelden. 4.6. Wanneer een toelage module coördinatie wordt ingetrokken zal er een afbouwregeling worden getroffen conform het be-paalde in artikel 3:16 CAR. 5. Voor degenen die een zogenaamde "ID-baan" vervullen zal zodra HR21 is ingevoerd op basis van de inhoud van de feitelijk en orga-niek uitgevoerde werkzaamheden alsnog indeling plaatsvinden in HR21. Dit zal gebeuren in het eerste kwartaal van 2014 Wanneer dit leidt tot een hogere waardering dan zal hieraan terugwerkende kracht worden verleend tot aan de datum van invoering van HR21, te weten 1 januari 2014. 6. Met invoering van HR21 beschikt Delft niet meer over een incon-venienten regeling. In het kader van de harmonisering arbeids-voorwaarden Delft-Rijswijk zal worden bepaald op welke wijze er een vergoeding voor inconvenienten kan/moet worden gegeven. De alsdan vastgestelde regeling zal met terugwerkende kracht tot aan de datum van formele invoering van HR21 toegepast gaan worden. Wanneer er tegen het einde van het eerste kwartaal 2014 nog geen zicht is op een (al dan niet geharmoniseerde) inconvenien-tenregeling wordt dit onderwerp opnieuw aan de orde gesteld in het georganiseerd overleg. Vastgesteld d.d. 25 februari 2014 HOOFDSTUK 3C RICHTLIJNEN VOOR HET AANSTELLINGS- EN BEVORDERINGSBELEID Artikel 3c:1:1:1 Grondslag voor de vaststelling van de beloning is de zwaarte van de functie, zoals deze binnen het raam van de organisatie is geformeerd en door middel van het gemeentelijke functiewaarderingssysteem is gewaardeerd. Artikel 3c:1:1:2 Deze zwaarte als bedoeld in artikel 3c:1:1:1 wordt, via conversie van de functiescore, tot uitdrukking gebracht door het bepalen van een van de salarisschalen, behorende bij \ bijlage IIa van de CAR, als de bij de functie behorende functionele salarisschaal.. Artikel 3c:1:1:3 Voor de benoeming in c.q. bevordering tot de functionele salarisschaal moet een volledige en goede functie-uitoefening vaststaan. Voor zo-ver benoeming of bevordering niet in of naar de functionele salaris-schaal plaatsvindt, vindt de positiebepaling plaats in een aanloop-schaal: - bij redelijke functievervulling (groeifase, ontwikkeling): een salaris-schaal lager dan de functionele salarisschaal; Artikel 3c:1:1:4 Plaatsing in een aanloopschaal dient in principe voor een beperkte pe-riode te gelden. Afhankelijk van de eisen, die de functie stelt en de ontwikkeling van de betreffende medewerker kan dit variëren van en-kele maanden tot meerdere jaren. Artikel 3c:1:1:5 vervallen Artikel 3c:1:1:6 Met inachtneming van het hiervoor vermelde vindt bevordering in