Regels Ruimte voor Gelderland 2016GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Gelet op artikel 3, zesde lid, van de Algemene subsidieverordening Gelderland 2016; BESLUITEN Vast te stellen de volgende gewijzigde regeling: Regels Ruimte voor Gelderland 2016 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Paragraaf 1.1 Algemene bepalingen Artikel 1.1.1 Algemene begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 (PbEU van de Europese Commissie van 17 juni 2014; AsG: Algemene subsidieverordening Gelderland 2016; [vervallen] directe arbeidskosten: de kosten van niet in loondienst verrichte arbeid als ZZP-er of als directeur-grootaandeelhouder; directe loonkosten: het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten (werkgeversdeel pensioenpremie, WW-premie, WIA/WAO-premie en bijdrage Zorgverzekeringswet) en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen; indirecte kosten: het totaal van indirecte loonkosten en kosten voor overhead; indirecte loonkosten: het totaal van de kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden en de kosten van emolumenten; [vervallen] kosten van apparatuur: gebruikskosten van bestaande apparatuur of van apparatuur die niet speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit; kosten van apparatuur die speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit; kosten van derden: aan onafhankelijke derden verschuldigde kosten voor uitbesteding van diensten en het inlenen van personeel; kosten van materialen: de kosten voor verbruiksgoederen; Landbouw groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de EuropeseCommissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193); onafhankelijk taxateur: erkend taxateur die op onafhankelijke wijze de marktwaarde van een onroerend goed vaststelt op grond van algemeen aanvaarde waarderingsmethoden en die gecertificeerd is bij een passende kamer van het NRVT; publiekrechtelijke rechtspersoon: rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; rechtspersoon met een wettelijke taak: rechtspersoon voor zover die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefenen en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen. sluitende begroting: een begroting waaruit blijkt dat de totale inkomsten en uitgaven voor de activiteiten met elkaar in evenwicht zijn. Artikel 1.1.2 Toepassingsbereik Hoofdstuk 1 is buiten het bereik van deze regeling van toepassing op andere besluiten omtrent subsidie waarvan Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3 van de AsG of op grond van een bijzonder besluit bevoegd zijn. Paragraaf 1.2 De aanvraag Artikel 1.2.1 Tijdvak voor aanvragen Gedeputeerde Staten kunnen een tijdvak vaststellen waarbinnen aanvragen om subsidie kunnen worden ingediend. Artikel 1.2.2 Indieningstermijn bij verdeelplan Voor subsidie die wordt verleend op basis van een krachtens wettelijk voorschrift vastgesteld verdeelplan waarin tenminste de subsidieontvangers en de te ontvangen subsidiebedragen worden genoemd, wordt de aanvraag om subsidie in afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG uiterlijk zes maanden nadat het verdeelplan is vastgesteld ingediend. Artikel 1.2.3 Inhoud van aanvraag om subsidie 1 Bij de aanvraag om subsidie worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee beoogde doelstellingen; een begroting van de opbrengsten en kosten voor de activiteiten, voorzien van een toelichting; als de activiteiten een tijdvak van meer dan 12 maanden beslaan en de gevraagde subsidie € 2.500.000 of meer bedraagt: een planning van de uitvoering van de activiteiten over de totale projectperiode en de daaraan verbonden kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd; 2 Als subsidie wordt berekend op basis van een vast bedrag per eenheid dan wordt er, in afwijking van het eerste lid onder b, een verklaring bij de aanvraag verstrekt waaruit blijkt dat de aanvrager over voldoende middelen beschikt om eventuele resterende kosten te dekken. 3 Indien voor dezelfde activiteiten subsidie is verstrekt of aangevraagd bij een ander bestuursorgaan, doet de aanvrager daarvan mededeling in de aanvraag. Artikel 1.2.4 Boekjaarsubsidies 1 De aanvraag om een subsidie voor een boekjaar wordt ingediend voor 1 april van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar. 2 Indien voor het jaar voorafgaand aan het boekjaar reeds subsidie werd verkregen, kan de aanvraag tot en met 30 september worden ingediend. 3 [vervallen] Artikel 1.2.5 Ontvangstbevestiging Gedeputeerde Staten zenden de aanvrager zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging, waarin de ontvangstdatum is vermeld. Paragraaf 1.3 Beslissing op de aanvraag Artikel 1.3.1 Subsidies tot € 25.000 onder opschortende voorwaarde [vervallen] Artikel 1.3.2 Wijze van verdeling 1 Bij het verlenen van subsidie wordt de volgorde in acht genomen waarin de aanvragen om subsidie zijn ingediend. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. 2 Indien als gevolg van het verlenen van subsidie op grond van een aanvraag die is ingediend op een dag waarop meerdere aanvragen zijn ingediend het subsidieplafond zou worden bereikt, wordt de volgorde als bedoeld in het eerste lid bepaald door loting. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. 3Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen binnen een bepaald tijdvak worden ingediend en op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst. Een aanvraag wordt slechts in de rangorde opgenomen als zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. Als het vanwege technische storingen gedurende een onafgebroken periode van twee uur direct voorafgaand aan de deadline niet mogelijk is om met het online subsidieportal een subsidieaanvraag in te dienen, verlengen Gedeputeerde Staten het tijdvak waarbinnen aanvragen worden ingediend met 24 uur. 4Op aanvragen als bedoeld in het derde lid wordt in afwijking van het eerste lid beslist op volgorde van die rangorde. 5 Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het vierde lid weigeren indien die niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Artikel 1.3.3 Communautair toetsingskader
- Indien de verstrekking van subsidie als een steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VwEU moet worden aangemerkt en er geen andere staatssteunoplossing voor handen is, wordt de subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun (PbEU L 352).
- Geen subsidie wordt verstrekt indien tegen een subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.
- Geen subsidie wordt verstrekt onder toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de Landbouw groepsvrijstellingsverordening of de Catalogus Groenblauwe Diensten aan ondernemingen in moeilijkheden als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01). Artikel 1.3.4 Sluitende begroting 1 Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de begroting van de activiteit sluitend is. 2 Als toepassing wordt gegeven aan artikel 1.2.3, tweede lid, wordt de begroting geacht sluitend te zijn. Artikel 1.3.5 Niet-subsidiabele kosten Geen subsidie wordt verstrekt in verband met: kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag; kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen; [vervallen] verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten; kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en sancties; legeskosten indien de aanvraag wordt gedaan door een bestuursorgaan; [vervallen] kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen; kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager; kosten gemaakt na na afloop van de in de verleningsbeschikking opgenomen projectperiode met uitzondering van accountantskosten zoals bedoeld in artikel 27, derde lid, van de AsG; [vervallen] [vervallen] fooien, geschenken, gratificaties en bonussen; kosten voor representatie, personeelsactiviteiten, overboekingen, annuleringen en outplacementtrajecten; niet noodzakelijke of bovenmatige kosten. Artikel 1.3.6 Methoden voor berekening van kosten 1 De aanvrager kiest voor het berekenen van de kosten een van de volgende methoden: de vaste uurtariefsystematiek; de loonkosten plus vaste opslagsystematiek; de integrale kostensystematiek. 2 De aanvraag bevat een opgave van de gekozen systematiek. 3 Op verzoek van de aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het eerste lid een andere methode vaststellen. 4 Onverminderd het derde lid worden de subsidiabele kosten berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast. 5 In afwijking van het eerste lid wordt voor publiekrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen met een wettelijke taak de vaste uurtariefsystematiek toegepast, ongeacht of de subsidiabele activiteit tot de wettelijke taak van de rechtspersoon wordt gerekend. 6 Gedeputeerde Staten kunnen voor rechtspersonen als bedoeld in het vijfde lid een andere methode toestaan. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 7 In afwijking van het vijfde lid kunnen instellingen voor hoger onderwijs en academische ziekenhuizen zoals bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wettenschappelijk onderzoek kiezen voor een van de methoden voor het berekenen van kosten als genoemd in het eerste lid. Artikel 1.3.7 Vaste uurtariefsystematiek 1 De kosten bij de vaste uurtariefsystematiek zijn: een vast uurtarief als vergoeding voor de directe loon- en arbeidskosten en de indirecte kosten; kosten van apparatuur; kosten van materialen; kosten van derden. 2 Het vaste uurtarief bedraagt €
- 3 Het aantal gewerkte uren moet in de administratie per betrokken medewerker worden vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.
- 4 Het derde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is. Artikel 1.3.8 Loonkosten plus vaste opslagsystematiek 1 De kosten bij de loonkosten plus vaste opslagsystematiek zijn: een uurtarief voor directe loonkosten; een opslag over de directe loonkosten als vergoeding voor de indirecte kosten; een vast uurtarief als vergoeding voor de directe arbeidskosten; kosten van apparatuur; kosten van materialen; kosten van derden. 2Het uurtarief voor de directe loonkosten wordt bepaald door de directe loonkosten per jaar te delen door de productieve uren. Het aantal productieve uren wordt bepaald door het aantal van 1600 uren te vermenigvuldigen met de deeltijdfactor. Het uurtarief bedraagt ten hoogste €
- 3 Het vaste uurtarief voor directe arbeidskosten bedraagt €
- 4De opslag voor de indirecte kosten bedraagt 20%. 5 Bij subsidieverstrekking met een structureel karakter, waarbij voor activiteiten gedurende een periode van drie jaar of meer jaarlijks subsidie is of wordt verstrekt, bedraagt in afwijking van het vierde lid de opslag voor indirecte kosten 25%. 6 Gedeputeerde Staten kunnen van het in het vijfde lid genoemde percentage voor de opslag voor indirecte kosten afwijken als de noodzaak van de afwijking aannemelijk is gemaakt. 7Het aantal gewerkte uren van de betrokken medewerker wordt in de administratie met bijhorende loonkosten vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.600 op basis van een voltijd dienstverband. 8 Het vijfde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is. Artikel 1.3.9 Berekeningswijzen kosten 1 Bij de toepassing van de artikelen 1.3.7 en 1.3.8 worden de kosten van apparatuur, materialen, loon- en arbeidskosten en kosten van derden, alsmede vergoedingen voor vrijwilligers berekend aan de hand van het tweede tot en met achtste lid. 2 De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder i, onderdeel i, worden berekend door het werkelijke gebruik van het apparaat te vermenigvuldigen met het machine-uurtarief. 3 Het machine-uurtarief als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de normale bezetting van het apparaat en de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn. 4 Het werkelijke gebruik van het apparaat wordt vastgelegd in een controleerbare gebruiksadministratie. 5 De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder i, onderdeel ii, worden berekend door middel van lineaire afschrijving van het apparaat. 6 De lineaire afschrijving als bedoeld in het vijfde lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn. 7 De kosten van materialen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen. 8 De kosten van vergoedingen voor vrijwilligers zijn subsidiabel voor zover: deze aan de vrijwilliger zijn uitbetaald; het aantal gewerkte uren in de administratie met bijhorende vergoeding per vrijwilliger zijn vastgelegd; de hoogte van de vergoeding bedraagt maximaal het bedrag per uur, per maand en per jaar als door de Belastingdienst voor dat jaar is vastgesteld. Artikel 1.3.10 Integrale kostensystematiek 1 De kosten bij de integrale kostensystematiek zijn: een tarief voor de directe en indirecte kosten van de voor de uitvoering van de activiteiten ingezette kostendragers; kosten van derden. 2 De kosten per kostendrager als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden berekend in een tarief per eenheid van deze kostendrager. 3Het tarief als bedoeld in het tweede lid wordt gebaseerd op een positief besluit van het Tarieventeam van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten aanzien van de Eigen verklaring integrale kostensystematiek en het rapport van bevindingen van de accountant. 4 De kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van dat tarief. Artikel 1.3.11 Hoogte van de subsidie 1 Indien bij de beoordeling van de subsidieaanvraag blijkt dat door de subsidie van de provincie er een overschot op de begroting ontstaat, wordt de subsidie verminderd met het bedrag dat gelijk staat aan het positief resultaat op de begroting. 2 Als subsidie wordt berekend op basis van een vast bedrag per eenheid, is het eerste lid niet van toepassing. Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel 1.4.1 Administratieplicht De subsidieontvanger is verplicht alle op de activiteit betrekking hebbende bewijsstukken gedurende ten minste tien jaren na vaststelling van de subsidie te bewaren. Artikel 1.4.2 Administratie bij subsidies vanaf € 125.000 1 De subsidieontvanger is verplicht bij subsidieverstrekking vanaf € 125.000 een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden kosten en inkomsten. 2 Het voeren van een administratie als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat: alle ontvangsten en kosten in de administratie zijn vastgelegd met onderliggende bewijsstukken; bewijsstukken, als onderdeel van de administratie, aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en dat daaruit de aard en hoeveelheid van de geleverde goederen en diensten blijkt, en uit de urenregistratie blijkt dat de gedeclareerde mensuren daadwerkelijk zijn gemaakt en rechtstreeks toe te rekenen zijn aan het project waarvoor de subsidie is verleend. 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG is voorgeschreven. Artikel 1.4.3 Voortgangsrapportage Als een subsidie boven € 25.000 niet binnen een jaar na de subsidieverlening wordt vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger, zolang de subsidie niet is vastgesteld, eenmaal per jaar verplichten om een voortgangsrapportage over te leggen. Artikel 1.4.4 Meldingsplicht en aanleveren van bewijsstukken 1 De subsidieontvanger is verplicht om de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen als de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig, niet geheel of gewijzigd zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. 2 De beschikking tot subsidieverstrekking kan naar aanleiding van een melding als bedoeld in het eerste lid worden gewijzigd indien deze past binnen de daarop van toepassing zijnde wettelijke voorschriften en niet onredelijk laat is gedaan. 3 De subsidieontvanger is verplicht om op eerste verzoek van Gedeputeerde Staten door het overleggen van bewijsstukken aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 1.4.5 Vervreemding van goederen en rechten 1 De subsidieontvanger is gehouden, indien met subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na de subsidievaststelling worden vervreemd of anderszins aan derden ter beschikking worden gesteld, Gedeputeerde Staten hiervan in kennis te stellen en de verstrekte subsidie terug te betalen, tenzij anders bepaald. 2 Gedeputeerde Staten stellen het bedrag van de terug te betalen subsidie vast binnen dertien weken nadat zij kennis hebben gekregen van de omstandigheid bedoeld in het vorige lid. 3 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting de subsidie terug te betalen. Artikel 1.4.6 Vermogensvorming 1 De hoogte van de vergoeding voor vermogensvorming als bedoeld in artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale opbrengsten dat gedurende de laatste tien jaar door de subsidie is gevormd. 2 Bij de bepaling van de waarde van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen. 3 De waarde van onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, die van de roerende goederen op basis van hun boekwaarde. De geldmiddelen, waaronder begrepen banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde. 4 De waarde van onroerende goederen wordt voor rekening van de provincie vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen die daartoe door Gedeputeerde Staten in overeenstemming met de subsidieontvanger worden aangewezen. 5 Indien minder dan tien achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt, wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal jaren gedurende welke subsidie is verstrekt. 6 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van subsidieontvanger beslissen dat geen vergoeding verschuldigd is indien: de activiteiten door een ander worden overgenomen; de realisatie van de doelstelling niet in gevaar komt; en de activa en passiva tegen boekwaarde, bepaald op grond van historische kostprijs, worden overgenomen door de rechtsopvolger. Artikel 1.4.7 In stand houden resultaten De subsidieontvanger houdt gedurende ten minste vijf jaren na vaststelling van de subsidie, of zolang als in de beschikking tot verlening van de subsidie is bepaald, de resultaten van de activiteiten in stand, tenzij de aard van de activiteiten zich daartegen verzet. Artikel 1.4.
- Medewerking aan evaluatie
- De subsidieontvanger werkt mee aan een door of namens Gedeputeerde Staten ingesteld onderzoek, erop gericht de doeltreffendheid en de effecten van de subsidieverstrekking krachtens deze regels te evalueren.
- Voor zover deze niet bij deze regels zijn gesteld, kunnen Gedeputeerde Staten aan het besluit tot subsidieverlening of, als zodanig besluit niet is gegeven, aan het besluit tot subsidievaststelling voorschriften verbinden over de inlichtingen, gegevens en bescheiden die door de subsidieontvanger moeten worden verstrekt. Paragraaf 1.5 Vaststelling Artikel 1.5.1 Vaststelling van subsidie tussen € 25.000 en € 125.000 1 De subsidieontvanger van een subsidie tussen €25.000 en €125.000 geeft bij het verzoek om subsidievaststelling aan: of de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een activiteitenverslag; of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; 2 De subsidieontvanger geeft in de verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG aan: wat het totaal van de subsidiabele kosten is; in voorkomend geval wat de stand van de egalisatiereserve is; wat het totaal van de opbrengsten is, inclusief bijdragen van derden is, en wat het totaal van de eigen bijdragen is. Artikel 1.5.2 Vaststelling door middel van jaarrekening bij subsidies boven € 125.000 1 Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 27, tweede lid, van de AsG gaat de aanvraag om vaststelling van de subsidie, onverminderd artikel 27, eerste, derde en vierde lid van de AsG, vergezeld van: de jaarrekening waarin de subsidie separaat wordt verantwoord; het jaarverslag; en de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen die in ieder geval strekken tot de verantwoording van onderdeel a. 2[vervallen] 3 De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk vier weken na het verschijnen van de jaarrekening van het jaar waarin de activiteiten zijn geëindigd. Artikel 1.5.3 Vaststelling van subsidies bij bijzonder programma [vervallen] Paragraaf 1.6 Overige bepalingen Artikel 1.6.1 Incidentele subsidie In afwijking van artikel 5, tweede lid, van de AsG kan een incidentele subsidie worden verstrekt aan natuurlijke personen. Artikel 1.6.2 Cofinanciering EFRO Indien subsidie wordt verstrekt als provinciale cofinanciering bij een subsidie op grond van de Uitvoeringswet EFRO, is in afwijking van artikelen 5, eerste lid, 7, 8, 9, eerste lid, 14, 17, tweede lid, 20, derde lid, 21, 29 en paragraaf 6 van de AsG het bepaalde bij of krachtens de Uitvoeringswet EFRO van toepassing. Artikel 1.6.3 Tijdelijke ontheffing vanwege COVID-19 [vervallen] Paragraaf 1.7 Subsidie SPUK Artikel 1.7.1 Begripsomschrijving In deze paragraaf wordt verstaan onder: SPUK: specifieke uitkering van het rijk; SPUK-beschikking: beschikking van een Minister op aanvraag van Gedeputeerde Staten van Gelderland op grond waarvan middelen worden verstrekt. SPUK-regeling: de regeling op grond waarvan de SPUK-beschikking is verstrekt. Artikel 1.7.2 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de AsG kan worden verstrekt voor een activiteit waarvoor het Rijk op grond van een SPUK middelen aan de provincie beschikbaar heeft gesteld. Artikel1.7.3 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt als de SPUK-beschikking de subsidieontvanger, de subsidiabele activiteit en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld vermeldt. Artikel1.7.4 Aanvraag
- Een aanvraag om subsidie kan worden ingediend vanaf het moment dat Gedeputeerde Staten de SPUK-beschikking heeft ontvangen.
- In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2.3, eerste lid onder c wordt, als de activiteiten een tijdvak van meer dan 12 maanden beslaan en de gevraagde subsidie € 125.000 of meer bedraagt, bij de aanvraag een planning van de uitvoering van de activiteiten over de totale projectperiode en de daaraan verbonden kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd bijgevoegd.
- Van het tweede lid kan worden afgeweken als de SPUK-regeling of SPUK-beschikking dit toestaat. Artikel 1.7.5 Aanvrager Subsidie wordt alleen verstrekt aan een subsidieontvanger die vermeld staat in de SPUK-beschikking. Artikel1.7.6 Subsidiabele kosten Als de SPUK-regeling of de SPUK-beschikking afwijkt van het bepaalde in artikel 1.3.5, geldt hetgeen in de SPUK-regeling of SPUK-beschikking daaromtrent is opgenomen. Artikel 1.7.7 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste het bedrag dat in de SPUK-beschikking staat vermeld. Artikel 1.7.8 Verplichting Gedeputeerde Staten kunnen in aanvulling of in afwijking van paragraaf 1.4 nadere eisen stellen aan de verantwoording voor zover dit op grond van de SPUK-regeling of SPUK-beschikking wenselijk is. Artikel 1.7.9 Vaststelling Als de subsidieontvanger een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1 van de Awb, dient deze in afwijking van artikel 24, eerste lid, van de AsG binnen 18 maanden na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend, de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in overeenkomstig artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. 2 Duurzame ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheerHoofdstuk Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen Artikel 2.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: collectief wooninitiatief: een groep natuurlijke personen die zich verenigd hebben in een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die beoogt hun belangen in een woningbouwproject te behartigen; woningbouwproject: de bouw en realisatie van minimaal drie woningen door een collectief wooninitiatief waarin de leden ervan gaan wonen; financiële instelling: banken, verzekeraars en pensioenfondsen; duurzaam projectplan: een projectplan voor de realisatie van een woningbouwproject waarbij natuurinclusief, klimaatadaptief en circulair wordt gebouwd met behulp van concrete maatregelen in het ontwerp van de woningen en in de woonomgeving; aanvulling met duurzaamheid: voor een projectplan waarvoor op grond van artikel 2.4.1 sub b, in de periode van 2 november 2019 tot 2 november 2020 subsidie is verleend en nog niet is overlegd. Deze aanvulling heeft betrekking op het aanpassen van het projectplan tot een duurzaam projectplan. Paragraaf 2.2 Ontwikkeling forten (vervallen) Paragraaf 2.3 Gebiedsontwikkeling (vervallen) Paragraaf 2.
- Collectieve wooninitiatieven Artikel 2.4.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: procesbegeleiding voordat de aanvraag is ontvangen ten behoeve van het oprichten van een collectief wooninitiatief en ten behoeve van het opstellen van de subsidieaanvraag; het opstellen van een duurzaam projectplan voor de realisatie van een woningbouwproject, waarin een conclusie over de haalbaarheid is opgenomen en waar in ieder geval uit blijkt dat het collectieve wooninitiatief een vrije keuze heeft in de opdrachtverlening aan externe partijen in het bouwproces en een doorslaggevende stem heeft in het ontwerp- en bouwproces van een woningbouwproject, met inbegrip van de procesbegeleiding, of het opstellen van een programma van eisen, een voorlopig ontwerp, een definitief ontwerp en een bestek, voor het realiseren van een woningbouwproject, met inbegrip van de procesbegeleiding. Artikel 2.4.2 Criteria
- Subsidie wordt slechts verstrekt indien: een namens het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente afgegeven intentieverklaring beschikbaar is waaruit blijkt dat door de gemeente wordt meegewerkt aan de realisering van een woningbouwproject op de betreffende locatie, en de procesbegeleiding wordt uitgevoerd door een onafhankelijke begeleider met ervaring in procesbegeleiding.
- Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder a en b, slechts verstrekt als de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het woningbouwproject wordt gerealiseerd, de intentie heeft deze respectievelijk dit aan de leden van het collectief wooninitiatief te verkopen of te verhuren.
- Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder c, alleen verstrekt als: er een duurzaam projectplan is, waarin een conclusie over de haalbaarheid van het woningbouwproject is opgenomen, waar in ieder geval uit blijkt dat het collectief een vrije keuze heeft in de opdrachtverlening aan externe partijen in het bouwproces en een doorslaggevende stem heeft in het ontwerp- en bouwproces van een woningbouwproject; voor de individuele leden van het collectieve wooninitiatief een financieringstoets door een financiële instelling is uitgevoerd waaruit blijkt dat zij over voldoende financiële middelen beschikken voor de realisering van het woningbouwproject voor koopwoningen, of voor het collectieve wooninitiatief een financieringstoets door een financiële instelling is uitgevoerd waaruit blijkt dat het collectieve wooninitiatief over voldoende financiële middelen beschikt voor de realisering van het woningbouwproject voor huurwoningen; de gemiddelde stichtingskosten van de koopwoningen binnen een woningbouwproject, indien sprake is van nieuwbouw, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie ligt of de gemiddelde huur van de woningen binnen een woningbouwproject beneden de huurprijs van maximaal € 850 per maand ligt; de gemiddelde stichtingskosten van de koopwoningen binnen een woningbouwproject, indien sprake is van bestaande bouw of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie vermeerderd met €30.000 ligt; de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het woningbouwproject wordt gerealiseerd de intentie heeft deze respectievelijk dit aan de leden van het collectieve wooninitiatief te verkopen of te verhuren, en een overzicht waaruit blijkt dat het collectief wooninitiatief 35 % van de kosten van artikel 2.4.6, tweede lid onder a en b, aantoonbaar aan deze activiteiten heeft uitgegeven voor dat de aanvraag voor de lening voor de overige 65 % van de kosten is ingediend. Artikel 2.4.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan het collectieve wooninitiatief. Artikel 2.4.4 Aanvraag
- Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens verstrekt: een verklaring van de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het woningbouwproject wordt gerealiseerd, waaruit blijkt dat hij de intentie heeft de grond of het gebouw te verkopen of te verhuren aan de leden van het collectieve wooninitiatief; een lijst van deelnemers aan het collectieve wooninitiatief; offertes voor procesbegeleiding als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b en c.
- Onverminderd artikel 1.2.3 en het eerste lid wordt bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1 aanhef en onder b, een offerte voor het aanvullen van het projectplan tot een duurzaam projectplan verstrekt.
- Onverminderd artikel 1.2.3 en het eerste lid worden bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder c, de volgende gegevens verstrekt: een opgave van het aantal te realiseren woningen; een overzicht waaruit blijkt dat de gemiddelde stichtingskosten van de koopwoningen in een woningbouwproject, indien het nieuwbouw betreft, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie ligt of een overzicht waaruit blijkt dat de gemiddelde huur van de woningen in een woningbouwproject, beneden de huurprijs van maximaal € 850 per maand ligt; een overzicht waaruit blijkt dat de gemiddelde stichtingskosten van de koopwoningen in een woningbouwproject, indien sprake is van bestaande bouw of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie vermeerderd met €30.000 ligt; een verklaring van het collectieve wooninitiatief dat iedere deelnemer een toets heeft ingeleverd waaruit blijkt dat zij over voldoende financiële middelen beschikken voor de realisering van het woningbouwproject voor koopwoningen, of een verklaring van het collectieve wooninitiatief dat zij een toets heeft waaruit blijkt dat zij over voldoende financiële middelen beschikt voor de realisering van het woningbouwproject voor huurwoningen, en een duurzaam projectplan, waaruit blijkt op welke wijze invulling wordt gegeven aan natuurinclusief bouwen, klimaatadaptief bouwen en circulair bouwen. Artikel 2.4.5 Subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.3.5, onder a en b, zijn subsidiabel: kosten die voordat de aanvraag is ontvangen worden gemaakt aan procesbegeleiding ten behoeve van het opstellen van de subsidieaanvraag, en kosten die voordat de aanvraag is ontvangen worden gemaakt ten behoeve van de formele oprichting van een collectief wooninitiatief. Artikel 2.4.6 Hoogte van de subsidie
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder a en b, bedraagt: €2.000 voor procesbegeleiding ter voorbereiding van de aanvraag en de formele oprichting van een collectief wooninitiatief; €3.000 voor het aanvullen van een projectplan tot een duurzaam projectplan; €13.000 voor het opstellen van een duurzaam projectplan voor de realisatie van een woningbouwproject indien het nieuwbouw betreft; €15.500 voor het opstellen van een duurzaam projectplan voor de realisatie van een woningbouwproject, indien het bestaande bouw betreft of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw.
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder c, wordt verstrekt in de vorm van een renteloze lening, met een looptijd van maximaal twee jaar, voor een bedrag van maximaal 65% van de kosten en ten hoogste: €7.500 per woning tot een maximum van €150.000 per woningbouwproject indien het nieuwbouw betreft; €10.000 per woning tot een maximum van €200.000 per woningbouwproject indien het bestaande bouw betreft of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw. Artikel 2.4.7 Verplichtingen
- Het projectplan als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b, dient binnen één jaar na het verlenen van de subsidie te zijn voltooid en na voltooiing binnen een maand aan de provincie te worden overlegd.
- Onverminderd het vorige lid dient het aangevulde projectplan binnen drie maanden, na de termijn genoemd in het eerste lid, aan de provincie te worden overlegd.
- Met betrekking tot de subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder c, is de ontvanger verplicht: binnen twee jaar na het verlenen van de subsidie, te starten met de bouw van het woningbouwproject en dit zo snel mogelijk te melden aan de provincie; de lening af te lossen op het moment dat wordt gestart met de bouw van het collectief wooninitiatief woningbouwproject, dan wel, indien niet tijdig wordt gestart met de bouw, uiterlijk twee jaar na het verlenen van de subsidie; binnen drie jaar na het verlenen van de subsidie het woningbouwproject te hebben voltooid.
- Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag de in het eerste, tweede en derde lid genoemde termijnen verlengen. Artikel 2.4.8 Weigeringsgronden De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder c, wordt geweigerd als niet is gebleken dat de realisering van het woningbouwproject haalbaar is. Artikel 2.4.9 Vaststelling Na afloop van de in artikel 2.4.7, derde lid, aanhef en onderdeel b, genoemde termijnen wordt de subsidie ambtshalve op nihil vastgesteld. Paragraaf 2.5 Beleef de Waal [vervallen] Paragraaf 2.6 Waalpleisterplaatsen [vervallen] Paragraaf 2.7 Steengoed Benutten - Tijdelijke Stimulering Sociale woningmarkt [vervallen] Paragraaf 2.8 Steengoed benutten – Uitvoeringsgereed en realiseren Artikel 2.8.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: project: gecombineerde aanpak en uitvoering van maatregelen binnen een exploitatiegebied, die leiden tot fysieke realisatie; bebouwde kom: bestaand stedenbouwkundig geconcentreerd samenhangende structuur van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Bij interpretatieverschillen geldt als bebouwde kom, de bebouwingscontour van VROM uit 2005; buitengebied: gebied buiten de bebouwde kom; exploitatiegebied: op kaart aangegeven gebied waarbinnen het project wordt gerealiseerd; herbestemmen: geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw of gebied die juridisch wordt vastgelegd in een bestemmings- of inpassingsplan; herontwikkelen: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte; gebouw: onder gebouw wordt tevens verstaan aaneengesloten gebouwen; transformatie gebouw: ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen of verlaging van de milieucategorie in het kader van het wegnemen van milieuhinder voor de woonomgeving; sloop: afbreken, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik; aanloopstraten: straten met een groot aandeel in de routing naar een kernwinkelgebied; kernwinkelgebied: een aaneengesloten gebied in de binnenstad of centrum, met een hoge concentratie aan winkels, horecazaken, culturele voorzieningen en commerciële dienstverlening; transformatie gebied: door herontwikkeling gerealiseerde functiewijziging van grond, gebouwen en openbare ruimte binnen de bebouwde kom met als resultaat een andere functie; bodemsanering: bodemsanering waarbij sprake is van een ernstige verontreiniging op basis waarvan een goedgekeurd functiegericht saneringsplan is opgesteld; nominale waarde: waarden in een exploitatie op basis van prijspeil heden, waarbij geen rekening wordt gehouden met toekomstige kosten- of opbrengstenstijging en toekomstige rentewinsten of renteverliezen; footprint: de totale vloeroppervlakte van de begane grond van een gebouw; beeldbepalend gebouw: een gebouw, dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, een belangrijke bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld, dan wel van het buitengebied; beeldverstorend verpauperd gebouw: een gebouw dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, en zo mogelijk ook door de slechte staat van onderhoud als gevolg van leegstand, een negatieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads-of dorpsbeeld, dan wel van het buitengebied; exploitatietekort: negatief saldo op grond van de berekening van kosten en opbrengsten op basis van: nominale waarden direct verband houdende met en noodzakelijk voor de ontwikkeling en realisatie van het project; een BAR van maximaal 5%, en een Winst/Risicovoorziening van maximaal 5%; BAR: het in de vastgoedsector gehanteerde bruto aanvangsrendement waarmee de verhouding wordt weergegeven tussen huuropbrengsten in het eerste jaar en de stichtingskosten; erkend aannemer: in het Register Kennis en Kunde van de Monumentenwacht Gelderland opgenomen bedrijf, of een bedrijf dat is aangesloten bij de landelijke Vakgroep Restauratie. Artikel 2.8.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: een integrale gebiedsgerichte aanpak binnen de bebouwde kom, waarbij het gaat om herbestemming, transformatie of sloop van leegstaande of leegkomende gebouwen, gecombineerd met een aanpak van de openbare ruimte en passend in een actuele visie op de ontwikkeling van het gebied; stedelijke herstructurering van woongebied binnen de bebouwde kom, waarbij sprake is van verduurzaming van woningen, energietransitie en kwalitatief ruimtelijke verbeteringen; het herbestemmen, transformeren en herontwikkelen van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen binnen de bebouwde kom, met een grote invloed op de omgeving; slopen van panden die niet meer zinvol kunnen worden herbestemd of getransformeerd gevolgd door herbestemming van de vrijgekomen ruimte en herinvulling voor klimaat-adaptieve maatregelen en ruimtelijk kwalitatieve verbeteringen; het verplaatsen van niet aan het buitengebied verbonden functies in het buitengebied naar de bebouwde kom waarbij het gaat om functies die binnenstedelijk zijn te accommoderen waarmee leegstand wordt weggenomen. het herbestemmen, transformeren en herontwikkelen van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen in het buitengebied, met een grote invloed op de omgeving en waarbij de nieuwe bestemming leidt tot het vergroten van de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland. Artikel 2.8.3 Criteria 1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien: er sprake is van een exploitatietekort; de activiteiten leiden tot een ruimtelijke kwaliteitsimpuls van de bebouwde omgeving, met maatschappelijke meerwaarde ten bate van duurzame leefbaarheid; de activiteiten passen binnen de regionale programmering wonen, werken (bedrijventerreinen, kantoren) en detailhandel; sprake is van een functiegericht programma met een duurzaam karakter, waarvoor marktvraag is, tenzij sprake is van sloop zonder ’terugbouw’; de activiteiten bijdragen aan het voorkomen of het beperken van nieuwe structurele binnenstedelijke leegstand of ruimtelijk kwalitatieve problemen; en er sprake is van een gebiedsgerichte aanpak en onderbouwd met een visie op aanpak van leegstand. 2Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder b, slechts verstrekt indien het gaat om minimaal 50 woningen. 3Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder c, slechts verstrekt indien het gaat om een gebouw dat minimaal 5 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 1000 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 25 meter. 4Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder d, slechts verstrekt indien de aanvrager aantoont dat het project in twee jaar kan worden uitgevoerd. 5 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder e, slechts verstrekt indien na verplaatsing van de functie sprake is van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. 6 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder f, slechts verstrekt indien het gaat om een gebouw dat minimaal 5 jaar leeg staat en een footprint heeft van minimaal 2000 m2 en waarbij de aanpak gericht is op het wegnemen van een ruimtelijk kwalitatief probleem, milieu- of geluidshinder of van een onveilige situatie. 7Als de aanvraag betrekking heeft op subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 2.8.2, onder b, geldt in afwijking van het eerste lid, onder f, slechts de eis dat er sprake is van een gebiedsgerichte aanpak. 8Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in het tweede, derde en zesde lid opgenomen aantallen woningen, afmetingen en perioden van leegstand. Artikel 2.8.4 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten. Artikel 2.8.5 Vooroverleg 1 Voordat een aanvraag kan worden ingediend, vindt er een vooroverleg plaats aan de hand van het door de provincie beschikbaar gestelde vooroverlegformulier. 2 Het vooroverleg wordt gepland binnen 8 weken na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde formulier en vindt plaats binnen 12 weken. 3 Tijdens het vooroverleg wordt in ieder geval aan de orde gesteld: het percentage aan BAR dat van toepassing zal zijn op het project als de aanvrager voornemens is dit te hanteren; het percentage aan Winst/Risicovoorziening dat van toepassing zal zijn op het project als de aanvrager voornemens is om dit te hanteren; de haalbaarheid van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd; de projectgerelateerde klimaatambities, en welke informatie bij de aanvraag moet worden ingediend. Artikel 2.8.6 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: een toelichting waarin de aanvrager aangeeft op welke wijze met het project een structurele duurzame verbetering wordt verwezenlijkt, dan wel structurele leegstand zal worden voorkomen dan wel aangepakt; een opgave van de financiële bijdragen van de aan het project deelnemende partijen; een onderbouwing van de manier waarop leegstand op vrijkomende locaties wordt voorkomen; een realistische planning die aantoont dat de uitvoering van het project kan starten en binnen 3 jaar in een aaneengesloten bouwstroom kan worden gerealiseerd en opgeleverd; een kaart waarop het exploitatiegebied is aangegeven; grond- en opstalexploitaties, waarbij uitgegaan wordt van nominale waarden, inclusief verwachte en verleende subsidies, behorende bij het exploitatiegebied; door onafhankelijke taxateurs opgestelde taxatierapporten van de gronden en opstallen die verband houden met de realisering van het project; documenten waaruit de afspraken tussen de aan het project deelnemende partijen blijken ten aanzien van planning, uitvoering, financiën en regionale programmeringsafspraken; informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden; en informatie die bij het vooroverleg is verzocht overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.8.
- Artikel 2.8.7 Hoogte van de subsidie 1 De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van het exploitatietekort. Wanneer sprake is van circulair hergebruik van bouwmateriaal wordt de subsidie met 5% verhoogd. 2Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder a, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 500.000 per project. 3Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder b, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 500.000 per project. 4Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder c, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 200.000 per project. 5Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder d, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 100.000 per project. 6Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder e, bedraagt ten hoogste 50% van de sloopkosten, inclusief saneringskosten, en ten hoogste 50% van de kosten van herinvulling onbebouwd met een maximum van € 200.000 per project. 7Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder f, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 200.000 per project. 8In afwijking van artikel 1.3.5, onderdeel b, mogen bij de berekening van het exploitatietekort kosten van voor de datum waarop de aanvraag is ingediend worden meegenomen. Artikel 2.8.8 Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als: verlening ervan zou leiden tot lagere dan de actuele marktconforme prijzen van de grond en gebouwen in de omgeving van het project, of een gemeente per exploitatiegebied voor meer dan één activiteit subsidie zou ontvangen. Artikel 2.8.9 Niet-subsidiabele kosten Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.5 wordt geen subsidie verstrekt voor: kosten die worden gemaakt tot en met het definitief ontwerp; kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen; kosten voor kwalitatieve ingrepen in de openbare ruimte die uitstijgen boven hetgeen in de gemeente gangbaar is; waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; verwervingen of inbrengwaarde van onroerende zaken die in de exploitatie van het project zijn opgenomen en met een hogere waarde dan de actuele getaxeerde marktwaarde op basis van het huidige gebruik of leegstand; kosten van planschade; en kosten van bovenwijkse voorzieningen. Artikel 2.8.10 Verplichtingen 1Het project wordt binnen drie jaar na de datum van de verleningsbeschikking gerealiseerd, tenzij in deze paragraaf of in de verleningsbeschikking een andere termijn is opgenomen. 2 Indien sprake is van monumentale gebouwen, dient voldaan te worden aan de provinciale Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden. 3Als sprake is van monumentale gebouwen, dienen eventuele werkzaamheden aan deze gebouwen te worden uitgevoerd door een erkend aannemer dan wel door een aannemer die voldoet aan de aan een erkend aannemer gestelde eisen. Artikel 2.8.11 Vaststelling In afwijking van artikel 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van de subsidie, met dien verstande dat voor subsidie tot € 125.000 in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG. Paragraaf 2.9 Gelderse Gebiedsagenda’s Artikel 2.9.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: doelen: de doelen per gebied als bedoeld in de Uitvoeringsstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384), en de daaropvolgende doelen uit het coalitieakkoord en de daarop gebaseerde beleidsprogramma’s die door Provinciale Staten zijn vastgesteld en de daarop door Gedeputeerde Staten vastgestelde uitvoeringsprogramma’s; gebiedsagenda: een regionale samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen zoals voor de Achterhoek, de Veluwe, Arnhem-Nijmegen, Foodvalley, Cleantech Regio Stedendriehoek, de Gelderse Corridor, Regio Zwolle en de FruitDelta; gebiedsbreed overleg: een orgaan van de regionale samenwerking, ingesteld en operationeel gehouden door de samenwerkende partijen, dat actief is in het kader van de gebiedsagenda; samenwerkingsverband: verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit tenminste meerdere rechtspersonen of één of meer rechtspersonen en één of meer natuurlijke personen, dat is opgericht ter uitvoering van activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie wordt gevraagd en waarvan een rechtspersoon als penvoerder namens dit samenwerkingsverband optreedt; uitvoeringsagenda: een document van de gebiedsagenda waaruit blijkt hoe invulling wordt gegeven aan de doelen per gebied en de provinciale doelen. Artikel 2.9.2 Voorstel van gebiedsbreed overleg 1.Een gebiedsbreed overleg kan periodiek bij Gedeputeerde Staten een schriftelijk voorstel met initiatieven indienen. Initiatieven dienen bij te dragen aan de doelen per gebied en de provinciale doelen.
- Het voorstel van het gebiedsbreed overleg bevat ten aanzien van elk aangemeld initiatief in ieder geval: een omschrijving van het initiatief of projectvoorstel; de door de initiatiefnemer aan het gebiedsbreed overleg overgelegde informatie; gegevens van de initiatiefnemer; een inhoudelijke beoordeling door het gebiedsbreed overleg van het initiatief over: de uitvoerbaarheid van het initiatief; de planning voor de uitvoering; de bijdrage aan de doelen per gebied en de provinciale doelen; onderbouwing van de besluitvorming van het gebiedsbreed overleg. Artikel 2.9.3 Lijst met initiatieven 1.Gedeputeerde Staten stellen naar aanleiding van het voorstel als bedoeld in artikel 2.9.2, eerste lid, periodiek en voor ieder gebied een lijst van initiatieven vast die: passen binnen de uitvoeringsagenda; en in aanmerking kunnen komen voor subsidie.
- Ter uitvoering van artikel 4 van de AsG bevat de lijst ten aanzien van elke activiteit het maximale bedrag waarvoor subsidie kan worden verstrekt. 3.De lijst met initiatieven wordt bekend gemaakt in het Provinciaal Blad. Artikel 2.9.4 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor het uitvoeren van activiteiten die zijn opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 2.9.
- Artikel 2.9.5 Aanvrager In afwijking van artikel 5 van de AsG kan subsidie ook verstrekt worden aan een penvoerder van een samenwerkingsverband. Artikel 2.9.6 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.
- Artikel 2.9.7 Subsidiabele kosten Artikel 1.3.5 eerste lid, onder b. is niet van toepassing. Paragraaf 2.10 Ondersteuning bewonersinitiatieven op het gebied van sociale samenhang [vervallen] Paragraaf 2.11 Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden Artikel 2.11.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: bestuursovereenkomst: de Bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016 – 2021 regio Oost, zoals gepubliceerd in de Staatscourant op 16 december 2015; initiatiefnemer: de partij die maatregelen uit het werkprogramma uitvoert; investeringsvolume: het aan Zoetwater toe te rekenen investeringsvolume van het Regionale Bod “Aanbod Hoge Zandgronden” van 7 februari 2014, zoals bedoeld in de bestuursovereenkomst; RBO: Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-Oost; Rijksbijdrage: de decentrale uitkering Deltafondsmiddelen voor Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden, zoals overeengekomen in de bestuursovereenkomst; werkprogramma: het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016 – 2021, “Wel goed water geven!”. Artikel 2.11.2 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het uitvoeren van maatregelen conform bijlage 1 van het werkprogramma. Artikel 2.11.3 Verplichting De activiteit wordt uitgevoerd in de periode 2016-
- Artikel 2.11.4 Voorwaarde
- De subsidie wordt verstrekt onder de voorwaarde dat de Rijksbijdrage ter beschikking wordt gesteld.
- [vervallen] Artikel 2.11.5 Niet-subsidiabele kosten
- In aanvulling op artikel 1.3.5 wordt geen subsidie verstrekt voor personeelskosten van de aanvrager.
- In afwijking van artikel 1.3.5, onderdelen b en f, kan subsidie worden verstrekt voor: kosten die zijn gemaakt vanaf 1 januari 2016 en voordat de aanvraag is ontvangen; legeskosten. Artikel 2.11.6 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: Waterschap Rijn en IJssel; Waterschap Vallei en Veluwe; Gemeente Aalten; Gemeente Apeldoorn; Gemeente Barneveld; Gemeente Berkelland; Gemeente Bronckhorst; Gemeente Doetinchem; Gemeente Duiven; Gemeente Ede; Gemeente Elburg; Gemeente Harderwijk; Gemeente Montferland; Gemeente Nunspeet; Gemeente Putten; Gemeente Renswoude; Gemeente Rhenen; Gemeente Soest; Gemeente Voorst; Gemeente Westervoort; Gemeente Winterswijk; Gemeente Zevenaar; Gemeente Zutphen. Artikel 2.11.7 Aanvraag
- Een aanvraag om subsidie kan worden ingediend tot 1 juli
- In afwijking van artikel 1.2.3 kunnen de bij de aanvraag verstrekte gegevens bestaan uit een verwijzing naar het werkprogramma.
- Er kunnen meerdere aanvragen om subsidie worden ingediend tot het maximum van de beschikbare subsidie voor die subsidieontvanger, mits per aanvraag de verhouding tussen subsidie en investeringsvolume, zoals bedoeld in artikel 2.11.8, eerste lid, niet wijzigt. Artikel 2.11.8 Hoogte van de subsidie
- De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten hoogste: Waterschap Rijn en IJssel €2.220.000, bij een investeringsvolume van €7.300.000; Waterschap Vallei en Veluwe €880.000, bij een investeringsvolume van €2.900.000; Gemeente Aalten €5.114, bij een investeringsvolume van €19.400; Gemeente Apeldoorn €402.980, bij een investeringsvolume van €1.604.022; Gemeente Barneveld €26.677, bij een investeringsvolume van €102.000; Gemeente Berkelland €53.428, bij een investeringsvolume van €232.296; Gemeente Bronckhorst €15.682, bij een investeringsvolume van €60.000; Gemeente Doetinchem €94.776, bij een investeringsvolume van €363.000; Gemeente Duiven €117.619, bij een investeringsvolume van €504.022; Gemeente Ede €89.406, bij een investeringsvolume van €342.500; Gemeente Elburg €178.569, bij een investeringsvolume van €744.022; Gemeente Harderwijk €168.171, bij een investeringsvolume van €704.022; Gemeente Montferland €181.467, bij een investeringsvolume van €754.946; Gemeente Nunspeet €26.080, bij een investeringsvolume van €100.000; Gemeente Putten €115.538, bij een investeringsvolume van €448.396; Gemeente Renswoude €9.461, bij een investeringsvolume van €40.000; Gemeente Rhenen €25.313, bij een investeringsvolume van €96.800; Gemeente Soest €15.682, bij een investeringsvolume van €60.000; Gemeente Voorst €46.962, bij een investeringsvolume van €180.000; Gemeente Westervoort €0, bij een investeringsvolume van €7.365; Gemeente Winterswijk €87.446, bij een investeringsvolume van €335.000; Gemeente Zevenaar €115.925, bij een investeringsvolume van €504.022; Gemeente Zutphen €29.404, bij een investeringsvolume van €112.
- De subsidie wordt jaarlijks conform de kasreeks voor de Rijksbijdrage bevoorschot.
- Indien de verdeling van de Rijksbijdrage in de bestuursovereenkomst of in het werkprogramma wordt aangepast, wordt de subsidie overeenkomstig aangepast. Artikel 2.11.9 Verplichtingen [vervallen] Artikel 2.11.10 Vaststelling
- De subsidieontvanger dient tussen 1 januari en 1 april 2022 een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
- In afwijking van de artikelen 25 en 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van alle subsidies, met dien verstande dat in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG.
- Gedeputeerde Staten gaan niet eerder over tot een lagere vaststelling van de subsidie dan na advies van het RBO. Paragraaf 2.12 Aanpassingen Gemeenschapsvoorziening Artikel 2.12.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: gemeenschapsvoorziening: een gebouw, een gedeelte of de buitenruimte van een gebouw, of een openbaar gebied dat voldoet aan de volgende criteria: er vinden in een gebouw ten minste drie en buiten ten minste twee verschillende activiteiten op het terrein van zorg, welzijn, cultuur, educatie en sport plaats voor gebruikers; het gebouw, de buitenruimte of het openbaar gebied is bestemd voor brede en meerdere gebruikersgroepen; de gebruikers zijn op niet commerciële basis betrokken bij de activiteiten in de gemeenschapsvoorziening; de gebruikers die op structurele basis gebruikmaken van de gemeenschapsvoorziening zijn in meerderheid non-profitorganisaties, en het gebouw, de buitenruimte of het openbaar gebied staat ten minste zes dagen per week ter beschikking van de gebruikers. gekwalificeerd adviseur: een adviseur in het bezit van een geldig Fedec-, EPA-U-, BREEAM- of GPR-certificaat, dan wel een daarmee vergelijkbaar certificaat. aanpassen: aanpassen en verbouwen van een gemeenschapsvoorziening. duurzaamheidsmaatregel: een maatregel die een of meer van de activiteiten binnen de volgende categorieën bevat: besparing van energie door het aanbrengen van isolatie of energiezuinige installaties in de gemeenschapsvoorziening voor zover deze maatregelen niet verplicht zijn op grond van vigerende wet- en regelgeving; opwekking van duurzame energie door onder andere het plaatsen van zonnepanelen; bijdrage aan circulariteit door het gebruik van herbruikbare, natuurlijke of losmaakbare materialen in gebouwen of het hergebruik van materiaal bij de inrichting van de openbare ruimte; bijdrage aan klimaatadaptie door onder andere: het plaatsen van zonwering aan de buitenzijde; het aanleggen van een groen dak; het aanbrengen van verticaal groen of geveltuinen; het realiseren van een opvangmogelijkheid voor hemelwater op eigen terrein, of het realiseren van zoveel mogelijk waterdoorlatende verharding of groen binnen de buitenruimte. bijdrage aan biodiversiteit door het aanbrengen van faunavoorzieningen of een diversiteit aan inheemse beplanting op of aan gebouwen of in de buitenruimte, zodanig dat het is afgestemd op de omliggende groenstructuren en de diersoorten die voorkomen in de omgeving. projectplan duurzaamheid: een onderbouwd overzicht van een duurzaamheidsmaatregel die genomen wordt om de gemeenschapsvoorziening te verduurzamen en een opgave van de kosten van de maatregel. energiescan: een onderbouwd overzicht van de bouwkundige en technische maatregelen die genomen worden om maximale energiebesparing of -opwekking te bewerkstelligen, met een schatting van de kosten van de maatregelen en het effect van de uit te voeren maatregelen als bedoeld op de energierekening van de aanvrager en een verklaring dat de energiescan is uitgevoerd door een gekwalificeerd adviseur. Artikel 2.12.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: het verbeteren van de toegankelijkheid van een gemeenschapsvoorziening voor mensen met een handicap of een chronische ziekte; het aanpassen van een gemeenschapsvoorziening, als dit noodzakelijk is voor het kunnen uitvoeren van nieuwe activiteiten; het verbouwen van een gebouw, een gedeelte of de buitenruimte van een gebouw of een openbaar gebied tot gemeenschapsvoorziening, of activiteiten als genoemd onder a, b of c, waarbij een duurzaamheidsmaatregel wordt toegepast. Artikel 2.12.3Criteria
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder a, wordt slechts verstrekt als: een onderbouwd overzicht wordt overlegd van de bouwkundige en technische maatregelen die genomen zullen worden om toegankelijkheid voor mensen met een handicap of chronische ziekte te bewerkstelligen, en de kosten van het uitvoeren van deze maatregelen inzichtelijk zijn gemaakt.
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder b en c, wordt slechts verstrekt als een onderbouwd overzicht wordt overlegd van de bouwkundige en technische maatregelen die genomen zullen worden en de kosten van de uitvoering van deze maatregelen inzichtelijk zijn gemaakt.
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder c, wordt voorts slechts verstrekt als een verklaring van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente wordt overlegd waaruit blijkt dat het geen bezwaar heeft tegen de subsidiabele activiteit.
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder d, wordt slechts verstrekt als een projectplan duurzaamheid wordt overlegd. Als er sprake is van een maatregel als bedoeld in artikel 2.12.1 onder d, 1e en 2e, dan bevat het projectplan duurzaamheid ook een energiescan van maximaal een jaar oud. Artikel 2.12.4 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan een privaatrechtelijke rechtspersoon die zich blijkens statuten en feitelijke werkzaamheden tot doel stelt om een gemeenschapsvoorziening te beheren en ondersteuning te bieden bij de programmatische invulling van de activiteiten binnen een gemeenschapsvoorziening. Artikel 2.12.5 Hoogte van de subsidie
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2 onder a, b en c, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder d, bedraagt 70% van de subsidiabele kosten voor zover het een duurzaamheidsmaatregel betreft.
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2 bedraagt in totaal minimaal € 25.000 en maximaal € 350.
- Artikel 2.12.6 Subsidiabele kosten
- In afwijking van artikel 1.3.5, onder h, zijn de kosten voor het verbeteren van de toegankelijkheid als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap en chronische zieken subsidiabel.
- Voor de subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder a, b, c en d zijn niet subsidiabel de kosten voor: advies over en aanschaf van goederen ten behoeve van de inrichting en stoffering van het gebouw, of regulier beheer en onderhoud. Artikel 2.12.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger
- De subsidieontvanger is verplicht de subsidiabele activiteit binnen 36 maanden na de subsidieverlening uit te voeren en geheel af te ronden tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn is opgenomen.
- De subsidieontvanger is verplicht na de realisatie van de subsidiabele activiteit een actuele lijst van doelgroepen en het activiteitenprogramma voor het eerstvolgende kalenderjaar te zenden aan Gedeputeerde Staten. Als de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indient, maken de actuele lijst en het activiteitenprogramma daarvan onderdeel uit.
- De subsidieontvanger is verplicht om, als het gebouw een beschermd monument betreft, de activiteiten als bedoeld in artikel 2.12.2 uit te voeren volgens de aan de in bijlage 5 opgenomen Provinciale Uitvoeringsvoorschriften Duurzame Instandhouding Cultuurhistorische Waarden en om de werkzaamheden te laten uitvoeren door een erkend aannemer in de restauratiebouw, waarbij een inspanningsverplichting geldt om bij de uitvoering van de werkzaamheden één of meer leerwerkplekken te realiseren. Artikel 2.12.8 Weigeringsgronden [vervallen] Artikel 2.12.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger [vervallen] Paragraaf 2.13 Steengoed benutten – Procesondersteuning Artikel 2.13.1 Algemene bepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: herbestemming: het geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw of een gebied die wordt vastgelegd in een bestemmingplan; transformatie gebouw: ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen; transformatie gebied: functiewijziging van grond, gebouwen en openbare ruimte; herontwikkeling: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte. Artikel 2.13.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek naar de ruimtelijke en financiële haalbaarheid van een herbestemming, transformatie, stedelijke herstructurering of herontwikkeling van een gebouw of een gebied; het opstellen van een plan van aanpak voor de realisatie van een herbestemming, transformatie, stedelijke herstructurering of herontwikkeling van een gebouw of een gebied, of de procesbegeleiding of advisering in het kader van een herbestemming, transformatie, stedelijke herstructurering of herontwikkeling van een gebouw of een gebied. Artikel 2.13.3 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien de gemeente en de betrokken vastgoedeigenaren de intentie hebben om hun medewerking te verlenen aan de voorgenomen subsidiabele activiteiten. Artikel 2.13.4 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen; stichtingen, niet zijnde een collectief, als bedoeld in onderdeel b van artikel 2.1.1, of; verenigingen, niet zijnde een collectief, als bedoeld in onderdeel b van artikel 2.1.
- Artikel 2.13.5 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag om subsidie in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de herbestemming, transformatie, stedelijke herstructurering of herontwikkeling in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd; een onderbouwing op welke wijze en in welke mate de herbestemming, transformatie of herontwikkeling leegstand verkleint of voorkomt; indien de aanvrager niet een gemeente is, een schriftelijke verklaring van het gemeentebestuur dat de gemeente medewerking verleent aan de voorgenomen subsidiabele activiteit; indien de aanvrager niet de eigenaar is van het onder de herbestemming, transformatie of herontwikkeling vallende vastgoed: een schriftelijke verklaring van de eigenaar waaruit blijkt dat hij medewerking verleent aan voorgenomen subsidiabele activiteit; offertes van de voor de subsidiabele activiteiten in te schakelen derden. Artikel 2.13.6 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 50.
- Artikel 2.13.7 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de inhuur van externe deskundigen. Artikel 2.13.8 Verplichtingen
- De subsidieontvanger is verplicht: de activiteiten als bedoeld in artikel 2.13.2, aanhef en onder a en b, binnen zes maanden na het verlenen van de subsidie te hebben voltooid, welke termijn op verzoek door Gedeputeerde Staten met maximaal zes maanden kan worden verlengd; de activiteiten als bedoeld in artikel 2.13.2, aanhef en onder c, binnen 12 maanden na het verlenen van de subsidie te hebben voltooid, welke termijn op verzoek door Gedeputeerde Staten met maximaal twaalf maanden kan worden verlengd.
- De subsidieontvanger is verplicht de conclusies van het haalbaarheidsonderzoek, het plan van aanpak en een omschrijving van de procesbegeleiding of advisering en de resultaten daarvan te overleggen bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie, of als een dergelijk verzoek niet vereist is, binnen een maand na afloop van de subsidiabele activiteit.
- De subsidieontvanger werkt mee, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, aan onderzoek dat erop is gericht de doeltreffendheid en de effecten van de subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf te evalueren.
- De subsidieontvanger is verplicht om de kennis en de ervaring die met de gesubsidieerde activiteit is opgedaan tot één jaar na afloop van de subsidiabele activiteit te delen via het Gelders Forum: http://forum.gelderland.nl/. Artikel2.13.9 Tijdelijke subsidie voor toekomstbestendige centrumgebieden i.v.m. overbruggings- en herstelmaatregelen COVID-19 [verallen] Artikel 2.13.10 Subsidieaanvraag tijdelijke subsidie voor toekomstbestendige centrumgebieden [verallen] Artikel 2.13.11 Subsidiabele kosten en hoogte van tijdelijke subsidie voor toekomstbestendige centrumgebieden [verallen] Artikel 2.13.12 Uitvoeringstermijn en verplichtingen tijdelijke subsidie voor toekomstbestendige centrumgebieden [verallen] Paragraaf 2.14 Beleef Het Apeldoorns Kanaal Artikel 2.14.1 Begripsbepaling In deze paragraaf wordt verstaan onder: bestuurlijk overleg Apeldoorns Kanaal: het overleg bestaande uit bestuurders van het waterschap Vallei en Veluwe en de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Hattem, Heerde en Rheden. Artikel 2.14.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten die de beleefbaarheid en de recreatieve functie van het Apeldoorns Kanaal versterken, en die plaatsvinden in de openbare infrastructuur, of die bijdragen aan de ontwikkeling van de toeristisch recreatief aanbod langs het kanaal. Artikel 2.14.3 Criteria Subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2 wordt alleen verstrekt als: de activiteit wordt uitgevoerd in of betrekking heeft op de onmiddellijke nabijheid van het Apeldoorns Kanaal; het bestuurlijk overleg Apeldoorns Kanaal heeft verklaard de realisering van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd wenselijk te achten, en de activiteit is opgenomen in categorie 1, 2 of 3 van de projectenlijst opgenomen in de Uitwerkingsagenda Apeldoorns Kanaal (PS2018-308, bijlage 7). Artikel 2.14.4Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de fysieke uitvoering van de activiteiten. 2 Voor subsidie komen niet in aanmerking de interne loonkosten van een gemeente of waterschap. 3 Voor aanvragen die worden ingediend voor 1 april 2019, kan, in afwijking van artikel 1.3.5, onderdelen b en f, subsidie worden verstrekt voor kosten die zijn gemaakt vanaf 1 juli
- Artikel 2.14.5 Aanvrager 1 Subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2, aanhef en onder a, wordt verstrekt aan de deelnemers van het bestuurlijk overleg Apeldoorns Kanaal. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2, aanhef en onder b, kan worden verstrekt aan een rechtspersoon die de versterking van het toerisme en de recreatie van het Apeldoorns Kanaal als doel heeft. Artikel 2.14.6 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.
- wordt bij de aanvraag verstrekt: een verklaring van het bestuurlijk overleg Apeldoorns Kanaal waaruit blijkt dat zij de uitvoering van de activiteit wenselijk achten, en een GIS-kaart met daarop aangegeven de locatie van de activiteit. Artikel 2.14.7 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2 bedraagt 50 % van de subsidiabele kosten. 2 Subsidie als bedoeld onder artikel 2.14.2, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste € 80.
- Paragraaf 2.15 Sociale initiatieven COVID-19 [vervallen] Paragraaf 2.16 COVID-19 Overbrugging gemeenschapsvoorzieningen [vervallen] Paragraaf 2.17 Subsidieregeling Regio Deal Foodvalley en Regio Deal Veluwe Artikel2.17.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: proeffabriek: een innovatiecluster zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel 92 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening; Regio Deal Veluwe: De Regio Deal Veluwe, zoals gepubliceerd is in de bijlage bij de kamerbrief van 13 juli 2020 met als kenmerk DGNVLG/20172283 waarin afspraken zijn gemaakt ter financiering van de uitvoering van 4 actielijnen, waarvoor het Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij een subsidie aan de provincie Gelderland heeft verstrekt; Regio Deal Foodvalley: De Regio Deal Foodvalley, zoals gepubliceerd is in de bijlage bij Kamerstukken II 2018/2019, 29697, nr. 68, waarin middelen zijn beschikbaar gesteld voor proeffabrieken onder spoor 3a, waarvan een deel van die middelen in de vorm van een subsidieverlening van de gemeente Ede aan de provincie heeft verstrekt; regionaal adviesorgaan Veluwe: De Regionale Regiegroep Veluwe zoals omschreven in artikel 8 van de samenwerkingsovereenkomst Regio Deal Veluwe; regionaal adviesorgaan Foodvalley: Stichting FoodvalleyNL, aangevuld met vertegenwoordigers van (delen van) de triple helix uit de provincies Utrecht en Gelderland; samenwerkingsovereenkomst Regio Deal Foodvalley: de tussen de regionale partijen en regionale samenwerkingspartners bij de Regio Deal gesloten overeenkomst waarbij onder meer afspraken zijn gemaakt over het waarborgen van de realisatie van de programma’s/projecten van Regio Deal Foodvalley; samenwerkingsovereenkomst Regio Deal Veluwe: de tussen de regionale partijen en regionale samenwerkingspartners bij de Regio Deal Veluwe gesloten overeenkomst waarbij onder meer afspraken zijn gemaakt over het waarborgen van de realisatie van de actielijnen en daar onder vallende projecten van de Regio Deal Veluwe; samenwerkingsverband: verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit tenminste meerdere rechtspersonen of één of meer rechtspersonen en één of meer natuurlijke personen, dat is opgericht ter uitvoering van activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie wordt gevraagd en waarvan een rechtspersoon als penvoerder namens dit samenwerkingsverband optreedt; experimentele ontwikkeling: fase van onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening. Artikel2.17.2 Subsidie Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan uitsluitend worden verstrekt voor: activiteiten die bijdragen aan de realisatie van de doelen zoals omschreven in het onderdeel proeffabrieken van spoor 3a van de Regio Deal Foodvalley, voor zover de activiteiten betrekking hebben op investeringen in en de exploitatie van proeffabrieken, de experimentele ontwikkeling van één of meer bedrijfsmiddelen die worden gebruikt in proeffabrieken, of een combinatie hiervan. activiteiten die bijdragen aan de uitvoering van de Regio Deal Veluwe. Artikel2.17.3Criteria en voorwaarden
- Subsidie kan worden verstrekt als het betreffende regionaal adviesorgaan een advies heeft gegeven over de activiteiten en de wijze waarop de activiteiten zich verhouden tot de beoogde resultaten van de Regio Deal Foodvalley of Veluwe en als is voldaan aan aanvullende afspraken uit de samenwerkingsovereenkomst Regio Deal Foodvalley of Veluwe.
- Subsidie wordt verstrekt onder de voorwaarde dat aan de provincie op grond van de subsidieverlening uit hoofde van de Regio Deal Veluwe of de Regio Deal Foodvalley voldoende middelen ter beschikking zijn gesteld om subsidie op grond van deze regeling conform de afspraken zoals vastgelegd in de Regio Deal Foodvalley en de Regio Deal Veluwe te verlenen. Artikel2.17.4Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag : een advies van het betreffende regionaal adviesorgaan; een planning met de te behalen resultaten per periode inclusief een uitgavenplanning. Artikel 2.17.4a Subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.3.6, zesde lid, geldt bij subsidieverlening op grond van artikel 2.17.2 onder b, voor publiekrechtelijke rechtspersonen voor activiteiten die ten goede komen aan de Regio Veluwe als geheel het uurtarief gehanteerd zoals vastgelegd in de Handleiding overheidstarieven 2021 en daaropvolgende publicaties ten tijde van de aanvraag. Artikel2.17.5Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan rechtspersonen of een penvoerder namens een samenwerkingsverband. Artikel2.17.6Voortgangsrapportage
- Onverminderd artikel 1.4.3 is de subsidieontvanger verplicht om jaarlijks uiterlijk 1 mei een rapportage te overleggen waarin is opgenomen: een overzicht van de behaalde resultaten op grond van de in de betreffende Regio Deal, de subsidieaanvraag en de in de beschikking tot subsidieverlening benoemde resultaten en indicatoren; een financieel verslag; een actuele projectplanning en uitgavenplanning.
- De voortgangsrapportage wordt door Gedeputeerde Staten ook gebruikt om de voortgang van de Regio Deal te monitoren overeenkomstig de afspraken die zijn vastgelegd in respectievelijk de Regio Deal Foodvalley en de Regio Deal Veluwe.
- Gedeputeerde Staten kunnen gedurende de looptijd van het project waarvoor subsidie is verleend nadere eisen stellen aan de voortgangsrapportage als dit noodzakelijk is voor de monitoring van de betreffende Regio Deal. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om een verplicht format voor de voortgangsrapportage vast te stellen. Artikel2.17.7Melding
- In aanvulling op artikel 1.4.4, eerste lid, meldt de subsidieontvanger aan Gedeputeerde Staten voor het vertragen van of het essentieel wijzigen van de wijze van uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend. Hiervan is in ieder geval sprake als in de uitvoering van de activiteiten blijkt dat de subsidiabele kosten meer dan 20% afwijken dan zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening of de overeenkomstig artikel 2.17.6, eerste lid, onder c, geactualiseerde projectplan en uitgavenplanning.
- Gedeputeerde Staten kunnen toestemming verlenen voor het vertragen van of het essentieel wijzigen van de wijze van uitvoering van de activiteiten op grond van een voorafgaand schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger. Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden. Gedeputeerde Staten kunnen hierbij een nader advies vragen van het betreffende regionaal adviesorgaan.
- Toestemming als bedoeld in het tweede lid wordt niet verleend als afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen als omschreven in de aanvraag en de beschikking tot subsidieverlening. Artikel2.17.8Voorschotverlening en looptijd
- De subsidie wordt verleend op basis van voorschotten die worden bepaald aan de hand van de conform artikel 2.17.4, onder b, in de aanvraag opgenomen uitgavenplanning of de conform artikel 2.17.6, eerste lid, onder c, geactualiseerde uitgavenplanning.
- De subsidieontvanger heeft recht op uitbetaling van het volgende voorschot als de activiteiten waarvoor eerder een voorschot is ontvangen, zijn uitgevoerd.
- Gedeputeerde Staten kunnen bij het niet voldoen aan enig bepaling uit deze paragraaf een lager voorschot toekennen voor het volgende jaar.
- De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd zijn binnen twee maanden voorafgaand aan het einde van de looptijd van de betreffende Regio Deal afgerond. Artikel2.17.9Communautair kader
- Subsidie voor investeringen in en de exploitatie van proeffabrieken zoals genoemd in artikel 2.17.2 eerste lid onder a wordt verstrekt onder toepassing van artikel 27 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.
- Subsidie voor de experimentele ontwikkeling van één of meer bedrijfsmiddelen die worden gebruikt in proeffabrieken zoals genoemd in artikel 2.17.2, eerste lid onder a wordt verstrekt onder toepassing van artikel 25 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.
- Het maximale subsidiepercentage voor subsidie zoals bedoeld in artikel 2.17.2, eerste lid onder a, is afhankelijk van de subsidiabele activiteiten en de staatssteungrondslag en bedraagt niet meer dan 50% van de subsidiabele kosten. Paragraaf 2.18Oplossen knelpunten bij procedures voor woningbouw Artikel2.18.1Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: Actieplan Wonen: het beleidsplan voor het programma Actieplan Wonen, zoals door Provinciale Staten vastgesteld op 27 mei 2020 (PS 2020-195); knelpunt: vraagstukken op onder andere het gebied van stikstof, natuur inclusief bouwen, mobiliteit, flora en fauna of archeologie ten behoeve van de realisatie van woningbouw met uitsluiting van het onderwerp flexibel wonen; maatwerkoplossing: maatwerkoplossing om knelpunten op te lossen waarvoor de subsidie als bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder a en b geen uitkomst biedt of omdat aanvrager onvoldoende financiële middelen heeft om aan de daarvoor gestelde criteria te voldoen; tijdelijke inhuur capaciteit: voor een korte periode inhuren van externe capaciteit omdat de aanvrager niet over voldoende capaciteit beschikt om knelpunten in het kader van de bouw op te lossen; tijdelijke inhuur externe expertise: een externe deskundige met expertise op het gebied van onder andere stikstof, natuur inclusief bouwen, mobiliteit, flora en fauna of archeologie die voor een korte periode een gemeente ondersteunt bij het oplossen van knelpunten; verplaatsbare units: compacte fabrieksmatig geproduceerde en verplaatsbare woonunits; knelpunt flexibel wonen: vraagstukken op het gebied van flexibel wonen waarbij gebruik wordt gemaakt van verplaatsbare units om in- en doorstroom van relevante doelgroepen te bevorderen; relevante doelgroep: door de gemeente te selecteren doelgroepen die expliciet in het beleid van het Expertisecentrum Flexwonen worden genoemd. Artikel2.18.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise om knelpunten op te lossen zodat de woningbouw wordt versneld; de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise om knelpunten op het gebied van flexibel wonen op te lossen zodat de woningbouw wordt versneld; een maatwerkoplossing. Artikel2.18.3 Criteria 1.Subsidie wordt slechts verstrekt als dat leidt tot een versnelling van de woningbouw en het woningbouwproject uiterlijk 1 januari 2025 van start gaat. 2.In afwijking van het eerste lid wordt subsidie voor woningbouwprojecten uit actie 2 van het Actieplan Wonen, in de gemeenten Ede, Wageningen, Barneveld, Nijkerk en Scherpenzeel, slechts verstrekt als het woningbouwproject wordt opgenomen in een bestemmingsplan dat uiterlijk op 1 januari 2025 definitief is vastgesteld.
- Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder a en b, slechts verstrekt als de tijdelijke capaciteit of externe expertise voor maximaal een jaar wordt ingehuurd. 4.Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder b, slechts verstrekt als: de verplaatsbare units voor een bepaalde tijd op een voor wonen bestemde, of daarvoor tijdelijk te bestemmen, locatie worden geplaatst om extra woonruimte toe te voegen; sprake is van de plaatsing van tenminste 10 verplaatsbare units en daarvoor één of meer terreinen worden aangegeven die daarvoor redelijkerwijs beschikbaar en geschikt zijn, en de betrokken woningcorporatie(s) actief betrokken zijn bij het initiatief om de verplaatsbare units te realiseren. 5.Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder c, slechts verstrekt als: het gaat om een project binnen de focusregio’s en focusgemeenten als benoemd in actiepunt 1 van het Actieplan Wonen; en er een versnelling van de woningbouw of verhoging van de te realiseren woningvoorraad te verwachten is door inzet van de maatwerkoplossing. Artikel2.18.4 Aanvrager 1.Subsidie zoals bedoeld in 2.18.2, aanhef en onder a en b, wordt verstrekt aan een gemeente of een waterschap. 2.Subsidie zoals bedoeld in 2.18.2, aanhef en onder c, wordt verstrekt aan een gemeente. Artikel2.18.5 Vooroverleg Voordat er een aanvraag kan worden ingediend voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder c, vindt vooroverleg plaats over de maatwerkoplossing, waaruit blijkt in welke mate en op welke wijze het doel, de inzet en andere instrumenten zijn verkend. Artikel2.18.6 Aanvraag
- Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: een plan van aanpak waaruit blijkt welk knelpunt met de inzet van extra capaciteit of tijdelijke inhuur van expertise wordt opgelost; een planning van het woningbouwproject waaruit blijkt wanneer het woningbouwproject van start gaat of dat het woningbouwproject is opgenomen in een ontwerp bestemmingsplan.
- Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag voor een subsidie zoals bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder b, een globaal plan van aanpak waarin wordt aangegeven hoe de haalbaarheid wordt onderzocht, hoe draagvlak gezocht wordt bij de lokale politiek en in de omgeving van de beoogde locatie en een verklaring waaruit blijkt dat de woningcorporatie(s) actief betrokken zijn bij het initiatief om de verplaatsbare units te realiseren.
- Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag voor een subsidie zoals bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder c, een verslag van het vooroverleg. Artikel2.18.7 Hoogte van de subsidie
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste 50 % van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.000 per aanvraag.
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder a, bedraagt per aanvrager maximaal € 200.000 per kalenderjaar.
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste 75 % van de subsidiabele kosten tot: een maximum van € 45.000 per aanvraag voor de kosten van inhuur van projectleiding; een maximum van € 15.000 per aanvraag voor de kosten van externe expertise op het gebied van flexibel wonen
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder b, bedraagt per aanvrager maximaal € 120.000, - per kalenderjaar.
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder c, bedraagt per aanvrager ten hoogste 100 % van de subsidiabele kosten met een maximum van € 150.000,- per woningbouwproject. Artikel 2.18.8 Subsidiabele kosten
- Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder a en c, komen slechts in aanmerking de kosten voor de inhuur van capaciteit of externe expertise.
- Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.18.2, aanhef en onder b komen slechts in aanmerking de kosten voor de inhuur van capaciteit voor projectleiding of externe expertise op het gebied van flexibel wonen.
- Artikel 1.3.5, aanhef en onder h en i, zijn niet van toepassing. Artikel 2.18.9 Weigeringsgronden [vervallen] Paragraaf 2.19 Betaalbaar wonen Artikel 2.19.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: Actieplan Wonen: het beleidsplan Actieplan Wonen, zoals door Provinciale Staten vastgesteld op 27 mei 2020 (PS 2020-195); Besluit Woningbouwimpuls 2020: besluit van 11 mei 2020, houdende regels met betrekking tot verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van het versnellen van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving; betaalbare woning: sociale huurwoning: huurwoning met een aanvangshuurprijs onder de grens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag; middenhuurwoning: huurwoning met een maandelijkse kale huur van € 850 per maand; betaalbare koopwoning: koopwoning met een koopprijs van ten hoogste €250.000; gewogen gemiddelde: het tempo van de realisatie uitgedrukt als gemiddelde oplevermoment van sociale huurwoningen in jaren; project: project waarbij woningen worden gerealiseerd in een gebied dat zich kenmerkt door ten minste twee van de volgende onderdelen: financiële samenhang; geografische samenhang; organisatorische samenhang; publiek financieel tekort: het financieel tekort op het totaal van kosten en opbrengsten van een project dat ontstaat door publieke maatregelen en verminderde opbrengsten vanwege de realisatie van betaalbare woningen; publieke maatregelen; het uitvoeren van werken, werkzaamheden en maatregelen die op grond van de Wet ruimtelijke ordening verband houden met de kosten van de grondexploitatie, die bijdragen aan en noodzakelijk zijn voor het realiseren van het woningbouwproject; woning: woning als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder k, van de Wet op de huurtoeslag. Artikel 2.19.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het publiek financieel tekort van projecten die het versnellen van de bouw van betaalbare woningen tot doel hebben en zijn gericht op: de infrastructurele ontsluiting; verlaging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden; bodemsanering in een projectgebied; uitplaatsing van activiteiten die hinder veroorzaken voor woningbouw; de inrichting van de openbare ruimte in een projectgebied, of, het realiseren en behouden van betaalbare woningen in een afgebakend projectgebied. Artikel 2.19.3Criteria 1.Subsidie wordt alleen verstrekt als: het project voorziet in de bouw van maximaal 500 woningen waarvan minimaal 20% sociale huurwoning is; het project voorziet in de bouw van minimaal 10 sociale huurwoningen; de te realiseren sociale huurwoningen minimaal gedurende 20 jaar na de start van de bouw van het project kwalificeren als sociale huurwoning; de realisatie van het project haalbaar is; het project nog niet in de realisatiefase is; de bouw van de woningen uiterlijk twee jaar na de datum van de verleningsbeschikking start en in één aangesloten bouwstroom wordt gerealiseerd; de oplevering van de woningen plaatsvindt binnen 10 jaar na start van de bouw van de woningen; het project past binnen de regionale woonprogrammering; er sprake is van een publiek financieel tekort, en j. de aanvrager minimaal 30 % van het publiek financieel tekort van het project financiert. 2.De subsidiabele activiteit wordt beoordeeld op de mate waarin: een project effectief bijdraagt aan de doelstellingen van het Actieplan Wonen, waarbij relevante aspecten zijn: het absolute aantal sociale huurwoningen dat wordt gerealiseerd binnen het project; de versnelling van de start bouw van de sociale huurwoningen en de versnelling van het tempo van de realisatie van het project welke wordt uitgedrukt als gewogen gemiddelde. een project kwalitatief bijdraagt aan de doelstellingen van het Actieplan Wonen, waarbij relevante aspecten zijn: het aandeel middenhuur- en betaalbare koopwoningen ten opzichte van overige woningen op het totale project; in welke mate het project bijdraagt aan circulariteit, waarbij relevante aspecten zijn: het gebruik van herbruikbare materialen in gebouwen; het gebruik van natuurlijke materialen in gebouwen; de mate van losmaakbaarheid van materialen in gebouwen; het hergebruik van materiaal bij de inrichting van de openbare ruimte. in welke mate het project bijdraagt aan klimaatadaptatie, waarbij relevante aspecten zijn: de relatie met de gemeentelijke of regionale stresstest klimaatadaptatie conform het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie; het voorkomen of verminderen van opwarming van gebouw en de omgeving; het voorkomen of verminderen van negatieve effecten van overstroming op de locatie en in de directe omgeving, en het voorkomen of verminderen van droogte op de locatie en in de directe omgeving. in welke mate het project bijdraagt aan biodiversiteit, waarbij relevante aspecten zijn: het aanbieden van inheemse beplanting op of aan gebouwen; het aanbieden van een diversiteit aan inheemse beplanting in de buitenruimte; faunavoorzieningen in of aan gebouwen en in de buitenruimte, en afstemming van de natuurinclusieve maatregelen op de omliggende groene structuren en de diersoorten die voorkomen in de omgeving. 3.Aan de criteria als genoemd in het tweede lid, aanhef en onder a, wordt een score van maximaal 100 punten toegekend die voor 75% meetelt in de totale weging. 4.Aan de criteria als genoemd in het tweede lid, aanhef en onder b, wordt een score van maximaal 100 punten toegekend die voor 25% meetelt in de totale weging. 5.De punten worden als volgt over de criteria verdeeld: maximaal 80 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder a, 1e; maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder a, 2e; maximaal 40 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder b, 1e; maximaal 24 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder b, 2e; maximaal 18 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder b, 3e; maximaal 18 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder b, 4e. Artikel 2.19.4Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten. Artikel2.19.5Aanvraag 1.Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: een prognose van publieke kosten en opbrengsten waarmee het financiële tekort wordt onderbouwd; een toelichting op de noodzaak, toerekenbaarheid en proportionaliteit van de activiteiten ten behoeve van de te realiseren woningen; kaarten en beelden van het project; actuele taxatierapporten of waardebepaling ter onderbouwing van inbreng- of verwervingswaarde van gronden; bewijs dat aan de instandhoudingsverplichting als bedoeld in artikel 2.19.8 wordt voldaan. 2.Het format projectplan voor Betaalbaar wonen-projecten, dat door Gedeputeerde Staten is vastgesteld, is aan te merken als aanvraagformulier in de zin van artikel 7, tweede lid, van de AsG. 3.Het format projectplan voor Betaalbaar wonen-projecten, dat door Gedeputeerde Staten is vastgesteld, is aan te merken als aanvraagformulier in de zin van artikel 7, tweede lid, van de AsG. 4.Als aanvragen op basis van een onderlinge vergelijking gelijk eindigen dan is het hoogste absolute aantal sociale huurwoningen als bedoeld in het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder a, 1e, beslissend voor de plaatsing in de rangorde. 5.Als na toepassing van het voorgaande lid aanvragen op basis van een onderlinge vergelijking gelijk eindigen dan vindt plaatsing in de rangorde van deze aanvragen plaats door loting. 6.Een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.19.2, eerste lid, kan worden ingediend vanaf 9.00 uur op 1 november 2021 tot en met 16.00 uur op 30 november
- Artikel 2.19.6Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal € 7.500 per sociale huurwoning binnen een project tot ten hoogste 70% van het publiek financieel tekort met een totaal maximum van € 500.000 per project. Artikel 2.19.7Niet-subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.3.5 wordt geen subsidie verstrekt voor: waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; kosten van planschade. Artikel 2.19.8Verplichtingen De subsidieontvanger houdt gedurende ten minste 20 jaren na de start van de bouw van het project, of zolang als in de beschikking tot verlening van de subsidie is bepaald, het aantal door middel van deze subsidie gerealiseerde sociale huurwoningen in stand. Artikel 2.19.9Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als: er bij de beoordeling van het criterium genoemd in het tweede lid, aanhef en onder a, 2e, een score niet meer dan vier punten wordt toegekend; voor de subsidiabele activiteit een aanvraag is ingediend of subsidie is verstrekt op grond van paragraaf 2.22 of het Besluit Woningbouwimpuls
- Paragraaf 2.19 PM Paragraaf 2.20 SteenGoed Challenge: mijn huis staat in Gelderland Artikel 2.20.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: Deelnemer: een groep natuurlijke personen die zich verenigd hebben in een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die beoogt hun belangen in de transformatie van een SteenGoed Challenge locatie te behartigen; SteenGoed Challenge: de challenge ‘Mijn huis staat in Gelderland’ (PS2019-696). SteenGoed Challenge locatie: een op de website www.mijnhuisstaatingelderland.nl genoemde locatie. Transformatie: ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw, noodzakelijk voor toekomstige bewoning; Artikel 2.20.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: een klimaatadaptatie- en biodiversiteitsplan; een energietransitieplan; een leefbaarheidsplan, of de transformatie van een SteenGoed Challenge locatie. Artikel 2.20.3 Subsidiecriteria voor een plan
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.20.2, aanhef en onder a, b en c, wordt slechts verstrekt als het plan: betrekking heeft op een SteenGoed Challenge locatie, en uitvoerbaar is, waarbij relevante aspecten zijn: de technische uitvoerbaarheid van het plan; de financiële haalbaarheid van het plan; de juridische haalbaarheid van het plan; de planologische haalbaarheid van het plan.
- Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.20.2, aanhef en onder a, slechts verstrekt als het plan een bijdrage levert aan klimaatadaptatie en biodiversiteit, waarbij relevante aspecten onder andere zijn: het voorkomen van opwarming van de omgeving; het voorkomen van overstroming op de locatie en in de directe omgeving; het voorkomen van droogte op de locatie en in de directe omgeving; het beplanten van de locatie met inheemse kruiden, struiken of bomen; variatie aan inheemse soorten op de locatie; het treffen van voorzieningen voor diersoorten.
- Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.20.2, aanhef en onder b, slechts verstrekt als het plan een bijdrage levert aan de energietransitie, waarbij relevante aspecten onder andere zijn: de mate waarin het plan voorziet in het terugdringen van het fossiele energieverbruik; de mate waarin het plan voorziet in de overstap naar duurzame energiebronnen; de mate waarin het plan voorziet in energiebesparing.
- Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.20.2, aanhef en onder c, slechts verstrekt als het plan een bijdrage levert aan de sociale cohesie in de buurt, waarbij relevante aspecten onder andere zijn: de mate waarin de buurt betrokken wordt bij de planvorming voor de SteenGoed Challenge locatie; het organiseren van activiteiten voor bewoners van de buurt;
- Aan de subsidiabele activiteiten, als bedoeld in artikel 2.20.2, aanhef en onder a, b en c, wordt een score van maximaal 100 punten toegekend.
- De punten worden als volgt verdeeld over de criteria: maximaal 40 punten voor het criterium, als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, en maximaal 60 punten voor het criterium, als bedoeld in: het tweede lid; het derde lid, of het vierde lid.
- Indien toepassing van de voorgaande leden ertoe leidt dat aanvragen gelijk eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting. Artikel 2.20.4 Subsidiecriteria voor de transformatie
- Voor de subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 2.20.2, aanhef en onder d, worden twee subsidies verstrekt: een subsidie voor een transformatie beoordeeld op basis van het tweede lid, en een subsidie voor de door het publiek gekozen favoriete transformatie.
- Een transformatie als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt beoordeeld op de mate waarin de transformatie bijdraagt aan de volgende provinciale doelen uit de omgevingsvisie: klimaatadaptatie en biodiversiteit; energietransitie; woon- en leefklimaat; circulaire economie; bereikbaarheid; economisch vestigingsklimaat.
- Aan de transformatie wordt een score van maximaal 100 punten toegekend, als volgt verdeeld over de criteria: maximaal 30 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder a; maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder b; maximaal 20 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder c; maximaal 10 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder d; maximaal 10 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder e; maximaal 10 punten voor het criterium, genoemd in het tweede lid, aanhef en onder f.
- De beoordeling als bedoeld in het tweede lid vindt plaats aan de hand van een bezoek aan de locatie ter plaatse.
- Subsidie als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstrekt op basis van door het publiek, via de website www.mijnhuisstaatingelderland.nl, uitgebrachte stemmen, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.
- Indien toepassing van de voorgaande leden ertoe leidt dat aanvragen gelijk eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting. Artikel 2.20.5 Aanvrager Subsidie wordt alleen verstrekt aan een deelnemer aan de SteenGoed Challenge. Artikel 2.20.6 Aanvraag
- De aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.20.2, aanhef en onder a, b en c, kan worden ingediend tot 1 december
- In afwijking van artikel 1.2.3 bevat de aanvraag om subsidie uitsluitend het plan zoals genoemd in artikel 2.20.
- Artikel 2.20.7 Subsidiabele kosten Artikelen 1.3.4 en 1.3.5, eerste lid, onder b, zijn niet van toepassing. Artikel2.20.8 Hoogte subsidie
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.20.2, aanhef en onder a, b en c, bedraagt € 1500 voor het hoogst gerangschikte plan.
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.20.4, eerste lid, aanhef en onder a, bedraagt € 2500 voor de hoogst gerangschikte transformatie.
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.20.4, eerste lid, aanhef en onder b, bedraagt € 3000 voor de hoogst gerangschikte transformatie. Artikel 2.20.9 Wijze van verdeling
- Aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 2.20.2, worden op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde geplaatst.
- Voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 2.20.2, aanhef en onder a, b en c, wordt de rangorde bepaald door toepassing van de in artikel 2.20.3 opgenomen selectiecriteria met de daaraan gegeven weging van die criteria. Het totaal aantal punten dat na toepassing van deze criteria wordt behaald, bepaalt de plaats in de rangorde.
- Voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 2.20.2, aanhef en onder d, wordt de rangorde als volgt bepaald: voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.20.4, eerste lid, aanhef en onder a, door toepassing van de in artikel 2.20.4, tweede lid opgenomen selectiecriteria met de daaraan gegeven weging van die criteria. Het totaal aantal punten dat na toepassing van deze criteria wordt behaald, bepaalt de plaats in de rangorde; voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.20.4, eerste lid, aanhef en onder b, door het totaal aantal uitgebrachte publieksstemmen per SteenGoed Challenge locatie. Paragraaf 2.21 Dorpendeal Artikel 2.21.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder dorpendeal: set van samenwerkingsafspraken om de sociale cohesie van een wijk of dorp te versterken die voldoen aan de volgende criteria: het initiatief is mede van de lokale gemeenschap gekomen en de afspraken hebben een breed draagvlak bij die lokale gemeenschap; de gemeente is partner; de belangen van de partijen zijn beschreven; de wijze waarop wordt geborgd dat iedereen mee kan doen en iedereen wordt betrokken, die betrokken wil of kan worden, is beschreven; er zijn afspraken opgenomen over de activiteiten en minimale inbreng van partijen, en de wijze waarop de kennis en bevindingen worden gedeeld, is beschreven. Artikel2.21.2 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor een of meer onderdelen uit een dorpendeal. Artikel 2.21.3 Aanvrager De subsidie wordt verstrekt aan een gemeente. Artikel 2.21.4 Aanvraag In afwijking van artikel 1.2.3, eerste lid, wordt bij de aanvraag het volgende verstrekt: de ondertekende dorpendeal; informatie waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de geldende staatssteun- en aanbestedingsregels. Artikel 2.21.5 Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd als voor de dorpendeal al subsidie is verstrekt op grond van deze paragraaf. Artikel 2.21.6 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt tenminste € 25.000 en ten hoogste € 400.
- Artikel 2.21.7 Vaststelling In afwijking van artikel 27 van de AsG is artikel 26 van de AsG van toepassing op de vaststelling van alle subsidies op grond van deze paragraaf. Paragraaf 2.22 Cofinanciering Besluit Woningbouwimpuls 2020 Artikel 2.22.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: Besluit Woningbouwimpuls 2020: Besluit van 11 mei 2020, houdende regels met betrekking tot verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van het versnellen van de bouw van betaalbare woningen in een kwalitatief goede leefomgeving (Besluit Woningbouwimpuls 2020); betaalbare woning: betaalbare woning als bedoeld in artikel 1, onder c van het Besluit Woningbouwimpuls 2020; publieke onrendabele top: aan te vragen uitkering als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit Woningbouwimpuls 2020; project: project als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit Woningbouwimpuls
- Artikel 2.22.2 Subsidiabele activiteit Subsidie, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG, kan worden verstrekt voor de cofinanciering van één of meerdere projecten die in aanmerking komen voor een uitkering uit het Besluit Woningbouwimpuls
- Artikel 2.22.3 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt als: het project voldoende bijdraagt aan één of meerdere provinciale doelen uit de vigerende omgevingsvisie; het aandeel betaalbare woningen tenminste 50% van de door het project toegevoegde woningen betreft. Artikel 2.22.4 Aanvragers Subsidie wordt verstrekt aan een gemeente. Artikel 2.22.5 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de conceptaanvraag bijgevoegd een afschrift van de aanvraag zoals die wordt voorbereid uit hoofde van het Besluit Woningbouwimpuls
- Artikel 2.22.6 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 25% van de publieke onrendabele top met een maximum van € 1.000 per gerealiseerde woning. Artikel 2.22.7 Opschortende voorwaarde
- De subsidie wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat de aanvrager aantoont dat de bijbehorende uitkering uit het Besluit Woningbouwimpuls 2020 is verstrekt.
- De beschikking tot subsidieverlening wordt ingetrokken als niet binnen tien maanden na subsidieverlening is voldaan aan de opschortende voorwaarde. Artikel 2.22.8 Vaststelling [vervallen] Artikel 2.22.9 Verplichtingen Uiterlijk drie jaar na de beschikking tot uitkering uit het Besluit Woningbouwimpuls 2020 wordt met de eerste bouwwerkzaamheden binnen het project gestart en de bouw van de laatste woningen start uiterlijk binnen tien jaren na die datum. Paragraaf 2.23 Subsidieregeling Samenwerkingsovereenkomsten Waterschappen 2022-2027 Artikel2.23.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: samenwerkingsovereenkomst: een samenwerkingsovereenkomst tussen de provincie en een waterschap waarin afspraken zijn gemaakt over de onderwerpen en projecten waarop het waterschap en de provincie zullen samenwerken en die passen binnen het provinciaal beleid en dat van het waterschap; waterschap: het waterschap Rijn en IJssel, het waterschap Vallei en Veluwe of het waterschap Rivierenland; projectenlijst: een op grond van de samenwerkingsovereenkomst door het bevoegd gezag van het waterschap en gedeputeerde staten periodiek vastgestelde lijst met door het waterschap uit te voeren projecten; financieringsbronnen: middelen die beschikbaar zijn op grond van nationale regelingen waaronder de Regeling specifieke uitkering Programma Natuur, Europese regelingen en provinciale middelen; natuurpact 2013-2025: rijksmiddelen die aan de provincie ter beschikking zijn gesteld uit hoofde van het “Onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur" van 20 september 2011 en de aanvullingen en uitvoeringsafspraken van respectievelijk 7 december 2011 en 8 februari
- Artikel2.23.2 Samenwerkingsovereenkomst In de samenwerkingsovereenkomst worden in ieder geval afspraken vastgelegd hoe: partijen gezamenlijk werken aan de realisatie van verschillende doelen; partijen gezamenlijk komen tot één projectenlijst; de subsidiabele kosten worden bepaald; de te behalen resultaten kunnen worden bepaald, en; partijen periodiek overleggen over de voortgang, financiering, monitoring en evaluatie van projecten en de verslaglegging ervan. Artikel2.23.3 Projectenlijst In de projectenlijst wordt in ieder geval van ieder project opgenomen: projectnaam; de resultaten per financieringsbron; de kosten per resultaat; de gevraagde subsidie. Artikel2.23.4 Subsidiabele activiteit
- Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG wordt verstrekt voor het uitvoeren van projecten die zijn beschreven op de projectenlijst waarvoor subsidie uit hoofde van provinciale middelen wordt gevraagd.
- Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG wordt verstrekt voor het uitvoeren van projecten die zijn beschreven op de projectenlijst waarvoor subsidie uit hoofde van Europese of nationale middelen, waaronder middelen uit natuurpact 2013-2025, wordt gevraagd. Artikel2.23.5 Subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.3.5, aanhef en onder b, zijn de kosten bij subsidieverstrekking op grond van artikel 2.23.4 vanaf 1 januari 2021 subsidiabel voor zover de financieringsbronnen zich daartegen niet verzetten. Artikel2.23.6 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste het bedrag of percentage dat in de projectenlijst is opgenomen. Artikel2.23.7 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een planning met de te behalen resultaten inclusief een tijds- en uitgavenplanning. Artikel2.23.8 Voorschotverlening
- Het voorschot voor subsidie op grond van artikel 2.23.4, eerste lid, bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.
- Het voorschot voor subsidie op grond van artikel 2.23.4, tweede lid, bedraagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten.
- De betalingstermijnen worden aan de hand van de uitgavenplanning bepaald. Artikel2.23.9 Verplichtingen Voor subsidies die zijn verstrekt op grond van grond artikel 2.23.4, tweede lid, gelden de volgende verplichtingen: de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend, zijn uiterlijk 31 december 2025 gerealiseerd; de subsidieontvanger is verplicht om na de uitvoering van de activiteit de herstelde of verbeterde natuur gedurende zes jaar in stand te houden; de subsidieontvanger is verplicht om de gegevens aan te leveren die de provincie nodig heeft voor monitoring, rapportage en verantwoording Artikel2.23.10Vaststelling
- In afwijking van artikel 27 van de AsG is artikel 26 van de AsG van toepassing op de vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 2.23.4, eerste lid.
- Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.23.4, tweede lid, is artikel 27 van de AsG van toepassing. Paragraaf 2.24 Investeringsimpuls verduurzaming sociale huurwoningen Artikel 2.24.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: circulair: ontwikkelen, gebruiken en hergebruiken van materialen zonder natuurlijke hulpbronnen onnodig uit te putten, de leefomgeving te vervuilen en ecosystemen aan te tasten; energie-efficiëntie: hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door het verbruik vóór en na de invoering van een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie te meten of te ramen, gecorrigeerd voor externe factoren die het energieverbruik beïnvloeden; energielabel: op een gebouw betrekking hebbende schriftelijk verklaring ten aanzien van de energieprestatie als bedoeld in artikel 1.
- van het Besluit energieprestatie gebouwen; energielabelklasse: energielabelklasse als bedoeld in artikel 2.1, achtste lid van het Besluit energieprestatie gebouwen; energieprestatie: berekende of gemeten hoeveelheid energie die nodig is om aan de vraag naar energie te voldoen die verband houdt met een normaal gebruik van een gebouw, waaronder energie die wordt gebruikt voor verwarming, koeling, ventilatie, warmwatervoorziening en verlichting; Gelderse regio: regio Noord-Veluwe, regio Achterhoek, Cleantechregio, regio Food Valley, regio Arnhem-Nijmegen of regio Rivierenland voor zover deze binnen de grenzen van de provincie Gelderland ligt; klimaatadaptief: verminderen van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering, verkleinen van de uiteindelijke effecten ervan en het benutten van de kansen die een veranderend klimaat biedt; losmaakbaar: demonteerbaar op alle schaalniveaus binnen werken en gebouwen, zodat het object de functie kan behouden en hoogwaardig hergebruik realiseerbaar is; natuurinclusieve maatregelen: maatregelen gericht op het vergroten van de biodiversiteit; Sociale huurwoning: woning met aanvangshuurprijs onder de grens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a van de Wet op de huurtoeslag; woningcorporatie: toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet; zelfstandige sociale huurwoning: woning met een eigen afsluitbare toegang, keuken en toilet Artikel 2.24.2 Subsidiabele activiteit
- Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor projecten gericht op het verduurzamen van bestaande zelfstandige sociale huurwoningen in Gelderland waardoor het niveau van energie-efficiëntie wordt verhoogd;
- Aanvullend op het eerste lid kan subsidie worden verstrekt als in het project tevens: meerdere vormen van circulair renoveren worden toegepast; of klimaatadaptieve of natuurinclusieve maatregelen worden genomen Artikel 2.24.3 Criteria subsidiabele activiteit
- Subsidie wordt alleen verstrekt als het project is opgenomen op de projectenlijst van één van de zes Gelderse regio’s, samengesteld door vertegenwoordigers van de woningcorporaties uit die regio’s.
- Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie voor het verhogen van het niveau van energie-efficiëntie, bedoeld in 2.24.2, eerste lid, alleen verstrekt als: iedere woning in het project tenminste drie energielabelklassen stijgt, en; voor iedere woning in het project tenminste energielabelklasse B wordt bereikt.
- Onverminderd de voorgaande leden, wordt subsidie voor circulair renoveren alleen verstrekt als minimaal twee van de volgende vormen van circulair renoveren worden toegepast, waarbij een vorm pas wordt meegenomen als deze wordt toegepast voor tenminste 50% in gewicht of volume van het betreffende materiaal: hergebruik van materialen door hergebruik in het project zelf; hergebruik van materialen door beschikbaarstelling van materialen uit het project voor hergebruik elders; hergebruik van materialen doordat gebruik van reeds gebruikte materialen; gebruik van natuurlijke materialen, of; gebruik van losmaakbare materialen; het project wordt uitgevoerd als aanvulling op het verhogen van energie-efficiëntie, bedoeld in artikel 2.24.2, eerste lid.
- Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt subsidie voor het nemen van klimaatadaptieve of natuurinclusieve maatregelen alleen verstrekt als het project wordt uitgevoerd in combinatie met het verhogen van energie-efficiëntie, bedoeld in artikel 2.24.2, eerste lid. Artikel2.24.4 Wijze van verdeling
- Het totale subsidieplafond wordt naar rato van het aantal sociale huurwoningen op peildatum 1 februari 2022 per regio verdeeld over de Gelderse regio’s.
- Aanvragen om subsidie worden op basis van onderlinge vergelijking per regio gerangschikt.
- Naarmate de gemiddelde energie-efficiëntie per woning hoger is, wordt deze hoger gerangschikt.
- Bij gelijke gemiddelde energie-efficiëntie, wordt een project hoger gerangschikt als sprake is van: circulair renoveren als bedoeld in artikel 2.24.2, tweede lid, aanhef en onder b, of; klimaatadaptieve of natuurinclusieve maatregelen als bedoeld in artikel 2.24.2, tweede lid, aanhef en onder c.
- Als na toepassing van het vorige lid aanvragen gelijk eindigen, en met toekennen van deze aanvragen het plafond zou worden overschreden, vindt rangschikking van deze aanvragen plaats door loting.
- Als de beschikbare middelen per regio, bedoeld in het eerste lid, na toepassing van het twee tot en met vijfde lid niet zijn benut, worden de aanvragen die op grond van het tweede tot en met vijfde lid niet voor subsidie in aanmerking komen, opnieuw gerangschikt op basis van onderlinge vergelijking overeenkomstig het derde tot en met vijfde lid. Artikel2.24.5 Subsidiabele kosten
- Voor subsidie voor energie-efficiënte als bedoeld in artikel 2.24.2, eerste lid, komen de investeringskosten in aanmerking die nodig zijn om een hoger niveau aan energie-efficiëntie te bereiken als bedoeld in artikel 38, derde lid van de Algemene groepsvrijstellingsverordening.
- Voor subsidie voor circulair renoveren en klimaatadaptieve of natuurinclusieve maatregelen als bedoeld in artikel 2.24.2, tweede lid, aanhef en onder a en b komen de investeringskosten in aanmerking die nodig zijn om verder te gaan dan de toepasselijke normen van de Europese Unie, of bij ontbreken daarvan, het niveau van milieubescherming te verhogen als bedoeld in artikel 36, vijfde lid van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Artikel2.24.6 Hoogte van de subsidie
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.24.2, eerste lid bedraagt, tot maximaal 30% van de subsidiabele kosten: € 4.000 per woning, voor woningen met energielabelklasse E, F of G bij aanvang van het project; € 3.000 per woning, voor woningen met energielabelklasse D of C bij aanvang van het project.
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.24.2, tweede lid, bedraagt, tot maximaal 40% van de subsidiabele kosten: € 1.000 per woning voor circulair renoveren als bedoeld in artikel 2.24.2, tweede lid, onder a; € 250 per woning voor klimaatadaptieve of natuurinclusieve maatregelen als bedoeld in artikel 2.24.2, tweede lid, onder b.
- De totale subsidie bedraagt maximaal € 500.000 per project. Artikel 2.24.7 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan woningcorporaties. Artikel2.24.8 Aanvraag
- Een aanvraag om subsidie kan worden ingediend vanaf 9.00 uur op 1 februari 2022 tot en met 16.00 uur op 22 februari
- In afwijking van artikel 1.2.3, tweede lid, bevat de aanvraag een begroting van de opbrengsten en kosten voor de activiteiten, voorzien van een toelichting.
- Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: een projectoverzicht met kosten, aantal woningen, soorten woningen en behaalde energielabelstappen op een door de provincie beschikbaar gesteld format; een overzicht van de vormen en omvang van circulair renoveren of klimaatadaptieve of natuurinclusieve maatregelen op een door de provincie beschikbaar gesteld format, indien voor die onderdelen tevens subsidie wordt gevraagd. Artikel2.24.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger
- Het project wordt voor 31 december 2024 gerealiseerd.
- Op verzoek kan Gedeputeerde Staten de termijn, bedoeld in het eerste lid, met maximaal 12 maanden verlengen.
- De subsidieontvanger is verplicht: voor iedere woning in het project aan te geven wat mogelijke toekomstbestendige warmtevoorziening voor de woning is; gedurende de looptijd van het project per 100 woningen in het project tenminste één leerwerkplaats van 1 fte te creëren voor de uitvoering van het project dan wel naar rato indien het project een ander aantal dan 100 woningen bevat.
- De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de toegestane huurverhoging als gevolg van de verduurzaming niet wordt doorberekend aan de zittende huurder, voor dat deel dat is gefinanci