NRGA-VrAAHet bestuur van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, GELET OP: het feit dat de CAR(-UWO) Veiligheidsregio’s geen cao is in de zin van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst, waardoor overeengekomen wijzigingen niet rechtstreeks doorwerken in de aanstelling van individuele ambtenaren; artikel 21 van de Gemeenschappelijke Regeling VrAA 2024 welke bepaalt dat het algemeen bestuur van de Veiligheidsregio verantwoordelijk is voor de inrichting van de ambtelijke organisatie die valt onder de Veiligheidsregio en dat het bestuur de rechtspositieregeling voor het personeel vaststelt. het feit dat het bestuur in de vergadering van de bestuursvergadering van 16 december 2024 heeft ingestemd met het concept bestuursbesluit tot vaststelling van een groot aantal tekstuele wijzigingsvoorstellen van de NRGA en ARBAA. het feit dat gewijzigde arbeidsvoorwaardelijke regelingen rechtskracht krijgen door ze te publiceren op overheid.nl. het feit dat publicatie alleen kan plaatsvinden wanneer de door ons hiervoor ingeschakelde externe organisatie beschikt over actuele, door het bestuur vastgestelde regelingen in haar regelingenbestand en dit hierbij alsnog wordt gerealiseerd. BESLUIT De voorgelegde teksten van de NRGA-VrAA en ARBAA vast te stellen. Algemene bepalingen §1Definities Artikel1.1begrippen Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: aanstelling in algemene dienst: een aanstelling als genoemd in artikel 2.2a achterblijvende partner: weduwe, weduwnaar, geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar; ambtenaar: degene die door de Veiligheidsregio Amsterdam Amstelland is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn en degene met wie een arbeidsovereenkomst als genoemd in artikel 2.26 is aangegaan; ANW Algemene nabestaandenwet; AOW: Algemene ouderdomswet; arbeidsongeschiktheid: ongeschiktheid tot het verrichten van eigen arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek; arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht; ARBAA: Aanvullende Rechtpositieregeling Brandweer Amsterdam-Amstelland; Arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, Arbeidsomstandighedenwet; VrAA: de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; bestuur: het Algemeen Bestuur van de VRAA; deeltijdaanstelling: de aanstelling met een arbeidsduur van gemiddeld minder dan 36 uur per week; dienst: een aaneengesloten periode waarin door de ambtenaar arbeid wordt verricht en die gelegen is tussen twee opeenvolgende onafgebroken rusttijden; dienstreis: reis in het kader van het werk, anders dan het woon-werkverkeer; feitelijke arbeidsduur: de arbeidsduur die voor de ambtenaar in een bepaalde periode is vastgesteld; FLO: Functioneel Leeftijdsontslag; formele arbeidsduur: de arbeidsduur volgens de aanstelling; functie: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten conform artikel 3.1; functieschaal: de salarisschaal die bij een functie hoort; herplaatsingstoelage: een herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het pensioenreglement; invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen als bedoeld in artikel 1.1 pensioenreglement; IVA: regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; LOAV: Landelijk Overleg Arbeidsvoorwaarden Veiligheidsregio’s; maximale arbeidsduur: een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week; nachtdienst: een dienst waarin de uren tussen 00.00 uur en 06.00 uur geheel of gedeeltelijk zijn inbegrepen; nevenwerkzaamheden: werkzaamheden ten behoeve van derden, ongeacht of daarvoor enige beloning wordt genoten, ondernemingsraad: het medezeggenschapsplatform dat de medezeggenschapsrol vervult; overwerk: werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienst-opdracht verricht boven de feitelijke arbeidsduur per week; partner: de man of vrouw met wie de ambtenaar is gehuwd; de man of vrouw met wie de ambtenaar een geregistreerd partnerschap is aangegaan, of de man of vrouw met wie de ambtenaar duurzaam samenleeft en een gemeenschappelijke huishouding voert, wat blijkt uit het formulier verklaring niet-huwelijkse samenlevingsvormen; pensioenfonds: Stichting Pensioenfonds ABP; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; periodiek: het maandbedrag in een salarisschaal; rooster: de op basis van een dienstregeling vastgestelde dagen waarop en de tijdstippen waartussen de ambtenaar zijn functie vervult; salaris: maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens formele arbeidsduur; salarisschaal: een reeks maandbedragen als opgenomen in de bijlage bij hoofdstuk 3; salaristoelagen: daartoe worden gerekend de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de inconveniëntentoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend. Deze werden tot 1 juni 2016 tot de bezoldiging gerekend; spaaruren: de uren, die de ambtenaar opbouwt op grond van artikel 4.10 (opname en opbouw van spaaruren); tewerkstelling: de benaming en de omvang van de door de ambtenaar te verrichten werkzaamheden en de naam van het organisatorische verband waarbinnen deze werkzaamheden worden vervuld; uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledig dienstverband herberekende- salaris van de ambtenaar per maand; UWO: UitwerkingsOvereenkomst Veiligheidsregio's UWV: Uitvoering Werknemersverzekeringen; vakantie-uitkering: jaarlijkse toelage van 8% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), hetgeen met ingang van 1 januari 2017 een vast onderdeel van het individueel keuzebudget vormt; vakorganisaties: bonden van overheidspersoneel die partij zijn in het arbeidsvoorwaardenoverleg met de werkgever; vast rooster: een rooster met dezelfde begin- en eindtijden op vaste dagen van de week; volledige aanstelling: de aanstelling die een formele arbeidsduur omvat van gemiddeld 36 uur per week; Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten; Wao: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; Wazo: Wet arbeid en zorg; werkgever: de rechtspersoon Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, het Algemeen, Dagelijks bestuur en Voorzitter van de veiligheidsregio, dan wel de functionaris die voor de desbetreffende bevoegdheid (onder)mandaat heeft gekregen krachtens het Algemeen mandaatbesluit Amsterdam-Amstelland; Wet suwi: wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; aaa. WGA: regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; bbb. Wia: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; wisselend rooster: een rooster met wisselende begin- en eindtijden per dag of op wisselende dagen per week; Wulbz: Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte; Wvp: Wet verbetering poortwachter; WW: Werkloosheidswet; ZW: Ziektewet. wettelijk betaald ouderschapsverlof: de periode waarin de ambtenaar recht heeft op een uitkering op grond van artikel 6: Wazo. §2(vervallen) Artikel1.2(vervallen) Artikel1.3(vervallen) §3(vervallen) Artikel1.4(vervallen) Artikel1.5(vervallen) Artikel1.6(vervallen) Artikel1.7(vervallen) §4Vergoedingen en indexering Artikel1.8betalingsbewijs Een vergoeding op grond van deze regeling wordt alleen toegekend na gemaakte kosten en overlegging van een betalingsbewijs, tenzij in deze regeling anders is bepaald. Artikel1.9indexering bedragen De toelagen die vermeld zijn in de Bedragengids van de Gemeente Amsterdam waarnaar in deze regeling wordt verwezen, worden geïndexeerd naar de algemene salarisherzieningen geldend voor de sector gemeenten. §5Verhaal pensioenpremies Artikel1.10 Tenzij bij wet of bij de regeling van het onderwerp een eigen voorziening is getroffen: komen de pensioenpremies voor rekening van de ambtenaar als hij geen recht heeft op salaris en de toegekende salaristoelage(n); vindt geen verhaal pensioenpremies plaats, als wel recht bestaat op salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)maar deze niet wordt betaald. §6Overige bepalingen Artikel1.11rechten bij een volledige aanstelling en deeltijdaanstelling 1.De in de rechtspositieregelingen omschreven aanspraken hebben in beginsel betrekking op de ambtenaar die een volledige aanstelling heeft of heeft gehad. 2.De rechten bij een deeltijdaanstelling worden naar evenredigheid van de arbeidsduur bepaald, tenzij in deze regeling anders is bepaald. Artikel1.12(vervallen) Artikel1.13vordering ambtenaar op de VrAA De in deze regeling omschreven rechten zijn niet meer opeisbaar vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin deze voor het eerst realiseerbaar waren. Artikel1.14vordering VrAA op de ambtenaar 1.Als de (gewezen) ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, kan het onverschuldigde betaalde gedurende twee jaar na de dag van uitbetaling worden teruggevorderd of verrekend. 2.Deze termijn kan tot vijf jaar worden verlengd indien de (gewezen) ambtenaar van de gemaakte fout niet alleen kennis droeg of kon dragen, maar die fout bovendien door zijn toedoen is ontstaan. Artikel1.14Abeëindiging rechten Bij overlijden van de ambtenaar wordt het dienstverband geacht te zijn beëindigd met ingang van de daarop volgende dag. Artikel1.15betaling salaris en andere geldelijke rechten 1.Betaling van salaris en andere geldelijke rechten vindt plaats op de rekening van de ambtenaar. 2.Voor zover de wet geen dwingende bepalingen geeft, kunnen slechts op verzoek van de ambtenaar of gewezen ambtenaar zijn geldelijke rechten geheel of gedeeltelijk aan anderen betaalbaar worden gesteld. §7Mandaat Artikel1.16mandatering en uitoefening bevoegdheden Voor de VrAA geldt de Mandateringsregeling Brandweer Amsterdam-Amstelland/Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland Artikel1.17(vervallen) §8Bekendmaking Artikel1.18 1.Deze regeling ligt bij het organisatie-onderdeel voor de ambtenaar ter inzage en is via internet te raadplegen. 2.Deze regeling wordt aan de ambtenaar verstrekt bij zijn indiensttreding en periodiek op door het bestuur te bepalen tijdstippen. Artikel1.19elektronische berichtgeving 1.Salarisstroken en de jaaropgave aan de ambtenaar zijn elektronisch inzichtelijk. . 2.De salarisstrook en jaaropgave worden op andere wijze verstrekt: als de ambtenaar geen mogelijkheid heeft om kennis te nemen van een elektronisch bericht; bij ontslag of overlijden van de ambtenaar; op verzoek van de ambtenaar in het geval deze een zwaarwegend belang heeft bij incidentele verzending op andere wijze. 2Aanstelling en Arbeidsovereenkomst §1Algemene bepalingen Artikel2.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: oproepwerkzaamheden: werkzaamheden die incidenteel zijn en naar aard en omvang een wisselend karakter hebben; werknemer: degene die op grond van een arbeidsovereenkomst oproepwerkzaamheden verricht; keuring: het medisch onderzoek genoemd in de Wet op de medische keuringen; keurend arts: de geneeskundige in de zin van de Wet op de medische keuringen; keuringvrager: de aanstaand werkgever in de zin van de Wet op de medische keuringen; beoordelaar: de direct leidinggevende van de ambtenaar of diens direct leidinggevende; beoordelingsadviseur: de ambtenaar die door de werkgever is aangewezen toe te zien op de juiste wijze van beoordeling. §2Aanstelling Artikel2.2aanstelling in vaste of tijdelijke dienst Aanstelling van de ambtenaar vindt plaats in vaste dienst of in tijdelijke dienst. Artikel2.2aaanstelling in algemene dienst De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de VrAA. Artikel2.3aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef 1.Voorafgaand aan de aanstelling in vaste dienst kan een aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef plaatsvinden. 2.De aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef duurt minimaal zes maanden en maximaal één jaar. 3.Als tijdens de aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef onvoldoende komt vast te staan dat de ambtenaar voor een aanstelling in vaste dienst in aanmerking komt, kan de aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef worden verlengd. 4.De totale duur van de verlenging van de aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef is maximaal één jaar. 5.De totale duur van de aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef in eenzelfde functie is maximaal twee jaar. 6.Gedurende de aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef vindt twee keer een beoordeling plaats als bedoeld in paragraaf 6. Artikel2.4Aanstellingen op grond van de banenafspraak 1.In afwijking van artikel 3.1 kan het bestuur voor de ambtenaar die onder een doelgroep in het doelgroepenregister van de Wet banenafspraak valt en onvoldoende arbeidsvermogen heeft om een reguliere functie te bekleden, een samenstel van taken vaststellen. 2.Het bestuur kan voor de ambtenaar die onder een doelgroep in het doelgroepenregister van de Wet banenafspraak valt en niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kan verdienen, in afwijking van artikel 3.3, een salaris vaststellen met toepassing van salarisschaal A als genoemd in de CAR(UWO) Veiligheidsregio’s. Als het salaris in de salarisschaal A omgerekend naar het salaris per uur lager is dan € 14,-, heeft de ambtenaar minimaal recht op een salaris per uur van €14,-. Het op dit lid gebaseerde bedrag van € 14,- wordt niet geïndexeerd met de salarisverhogingen. 3.Het bestuur kan voor de ambtenaar die onder de Wajong doelgroep valt en voldoende arbeidsvermogen heeft om zelfstandig een reguliere functie te bekleden of niet in aanmerking komt voor loondispensatie, op grond van artikel 3:3 een salaris vaststellen aan de hand van zijn functieschaal zoals opgenomen in de salaristabel in bijlage IIa van de CAR(UWO) Veiligheidsregio’s. 4.Indien loondispensatie wordt toegekend, kan het bestuur het salaris en de salaristoelagen van de ambtenaar naar rato van de loonwaarde conform de loondispensatie verminderen. Het naar loonwaarde bepaalde salaris van de ambtenaar vermeerderd met de Wajong-aanvullingsuitkering is gelijk aan het wettelijk minimumloon. 5.Indien loonkostensubsidie wordt toegekend, kan het bestuur het salaris en de salaristoelagen van de ambtenaar naar rato van de loonwaarde niet verminderen. Het salaris van de ambtenaar is gelijk aan het wettelijk minimumloon. De loonkostensubsidie vergoedt aan het bestuur het verschil tussen het naar loonwaarde bepaalde salaris van de ambtenaar en het wettelijk minimumloon. §3Aanstellingen in tijdelijke dienst Artikel2.4(vervallen) (vervallen 1 juli 2015 BD2015- 007302) Artikel2.5omzetten aanstelling 1.Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen in tijdelijke dienst, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste zes maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang van die dag als een aanstelling in vaste dienst. 2.Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes maanden, geldt de laatste aanstelling als aanstelling in vaste dienst. 3.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. 4.Een tijdelijke aanstelling kan de 24 maanden overschrijden voor een eenmalig project waarvoor unieke werkzaamheden moeten worden verricht en waarvoor van de Vraa redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat deze de kennis in huis heeft. 5.De ketenbepalingen genoemd in dit artikel zijn niet van toepassing op aanstellingen in verband met: een beroepsbegeleidende leerweg (BBL) politiekassistenten. 6.Voor de ambtenaar die de AOW- gerechtigde leeftijd heeft bereikt, geldt de aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop: de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan zes maanden hebben opgevolgd en een periode van 48 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden; meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes maanden. 7.Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal opvolgende aanstellingen is overschreden, worden alleen de aanstellingen in tijdelijke dienst in aanmerking genomen die zijn aangegaan na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Artikel2.5aovergangsrecht Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.5, zoals die luidde vóór 1 juli 2015, wordt artikel 2.5, zoals geldt na 1 juli 2015, pas van toepassing indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling. Artikel2.6beroepsopleiding 1.Vervallen. 2.Aanstelling in tijdelijke dienst voor de duur van de beroepsopleiding gebeurt voor een functie in het kader van een leerwerktraject in het middelbaar beroepsonderwijs. 3.Indien aanvankelijk een aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef voor de betreffende functie heeft plaatsgevonden, vindt de aanstelling in tijdelijke dienst voor de duur van de opleiding plaats voor de resterende duur van de opleiding. 4.De aanstelling duurt tot zes weken na de datum waarop de uitslag van het examen waarmee de opleiding wordt afgesloten, bekend is. 5.Gedurende de aanstelling in tijdelijke dienst voor de duur van de opleiding vindt twee keer een beoordeling plaats. 6.Bij de tweede beoordeling geeft de beoordelaar op het beoordelingsformulier gemotiveerd aan of de ambtenaar al dan niet zal worden aangesteld in vaste dienst. 7.In afwijking van artikel 3.3 (vaststelling salaris) is het salaris voor de ambtenaar met een functie bedoeld in het tweede lid gelijk aan het wettelijk minimumloon als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en wijzigt overeenkomstig. De bedragen zijn genoemd in de Bedragengids. §4Voorwaarden voor aanstelling en tewerkstelling Artikel2.7vereisten voor aanstelling 1.Voor aanstelling is vereist: een verklaring omtrent gedrag, en een verklaring van de keurend arts als dit op grond van een wettelijk voorschrift verplicht is gesteld of als aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid zijn gesteld. 2.Een vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts worden aangesteld als hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning, tenzij hij is uitgesloten van deze verplichting. Artikel2.8Wet flexibel werken 1.Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft de ambtenaar, recht de formele arbeidsduur per week te verminderen of de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledig dienstverband, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 2.Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft de ambtenaar, het recht de werktijden aan te passen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienst belangen zich hiertegen verzetten. 3.Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan de ambtenaar het college verzoeken tot aanpassing van zijn arbeidsplaats. 4.De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Artikel2.9functionele voorwaarden 1.Als het voor de vervulling van de functie noodzakelijk is dat de ambtenaar voor een bepaald tijdstip een diploma heeft behaald, kan dit bij de aanstelling als voorwaarde worden gesteld. 2.Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar op wiens aanvraag wijziging van tewerkstelling plaatsvindt. Artikel2.10wijziging tewerkstelling 1.Er is sprake van wijziging van de tewerkstelling als de functie of de formele arbeidsduur van de ambtenaar wijzigt of als de ambtenaar gaat werken bij een ander organisatie-onderdeel. Wijziging van de tewerkstelling kan plaatsvinden op verzoek van de ambtenaar of om reden van dienstbelang. 2.Wijziging van de tewerkstelling leidt niet tot wijziging van de aanstelling. 3.Bij wijziging van een tewerkstelling wordt de ambtenaar opnieuw medisch gekeurd als dit op grond van een wettelijk voorschrift verplicht is gesteld of als de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid stelt. 4.Wijziging van een tewerkstelling vereist opnieuw een verklaring omtrent het gedrag als de eisen van de nieuw te vervullen functie aanmerkelijk afwijken van de oorspronkelijke functie. Artikel2.10awijziging functie in het belang van de dienst 1.De ambtenaar is - nadat hij is gehoord - verplicht om in het belang van de dienst een andere functie te aanvaarden. Deze functie kan hem redelijkerwijs, in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden, kennis en vaardigheden, zijn inkomsten en de voor hem bestaande vooruitzichten, worden opgedragen. 2.Als belang van de dienst wordt in elk geval aangemerkt de optimale inzet van de beschikbare personeelscapaciteit Artikel2.11tijdelijk verrichten andere werkzaamheden 1.Indien de VrAA dit in het belang van de dienst nodig acht, is de ambtenaar verplicht om - met behoud van rechten - tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten. 2.Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, meldt hij dit - onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden direct aan te vangen - door tussenkomst van het hoofd van het organisatie-onderdeel - meteen aan de algemeen directeur, die zo spoedig mogelijk een beslissing hierover neemt. §5Medische keuring Artikel2.12algemene bepalingen 1.Op deze paragraaf is de Wet op de medische keuringen van toepassing. 2.De keuringvrager is verantwoordelijk voor een correcte procedure en betaalt de keuring. Artikel2.13keurend arts 1.De keurend arts is niet de behandelend of de begeleidend arts van betrokkene. 2.De keurend arts kan zich laten bijstaan door deskundigen, tenzij betrokkene, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft aangegeven daartegen bezwaar te hebben Artikel2.14procedure van keuring 1.Betrokkene is verplicht de keurend arts inlichtingen te verstrekken en zijn medewerking te verlenen. 2.De keurend arts vraagt geen informatie aan derden dan na uitdrukkelijke toestemming van betrokkene. 3.De keurend arts informeert betrokkene over de uitslag van de keuring en rapporteert na toestemming van de betrokkene aan de keuringvrager. 4.Als betrokkene beslist dat de keuringvrager niet van de uitslag in kennis mag worden gesteld, geeft de keurend arts hiervan bericht aan de keuringvrager. 5.Als betrokkene het bericht zelf wil verzorgen, bericht hij de keuringvrager binnen één week. 6.De keuringvrager kan de sollicitatieprocedure beëindigen als betrokkene hem niet binnen de gestelde termijn bericht. Artikel2.15keuringsuitslag 1.De uitslag van de keuring is positief, positief onder bepaalde beperkingen of negatief. 2.Bij onvolledigheid van medische gegevens houdt de keurend arts de uitslag voor naderonderzoek en aanvullende gegevens maximaal vier weken aan. 3.De rapportage aan de keuringvrager bevat alleen de uitslag van de keuring. Artikel2.16keuringsdossier 1.De keurend arts houdt een dossier bij met de gegevens van de keuring en verstrekt betrokkene desgevraagd inzage in of een afschrift van het dossier. 2.De keurend arts verstrekt geen inlichtingen uit het dossier aan de keuringvrager of aan derden, tenzij betrokkene hiervoor uitdrukkelijke toestemming geeft. 3.Indien niet tot aanstelling wordt overgegaan wordt het dossier vernietigd, tenzij betrokkene, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, aangeeft daarmee niet in te stemmen. Artikel2.17herkeuring 1.Betrokkene kan een herkeuring aanvragen als hij het niet eens is met de uitslag van de keuring. Er zal dan in overleg met de betrokkene een arts worden aangewezen die de herkeuring uitvoert. De artikelen 2.12 tot en met 2.16 zijn van overeenkomstige toepassing. 2.Betrokkene wordt over de bindende uitslag door de herkeurend arts geïnformeerd. §6Beoordeling van de ambtenaar met een aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef Artikel2.18beoordeling 1.De ambtenaar met een aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef wordt beoordeeldop de wijze waarop hij zijn functie vervult, waarbij rekening wordt gehouden met de inwerktijd die ten aanzien van de functie in redelijkheid in acht moet worden genomen. Bij de beoordeling worden geen andere aspecten betrokken dan die zijn vermeld in het beoordelingsformulier. Het beoordelingsformulier is opgenomen in Bijlage A. 2.De werkgever kan na instemming van de ondernemingsraad voor bepaalde categorieënpersoneel het beoordelingsformulier met één of meer beoordelingsaspecten uitbreiden. Artikel2.19frequentie van beoordeling 1.De eerste beoordeling vindt plaats zodra een derde deel van de aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef is verstreken. De tweede beoordeling vindt plaats uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef eindigt. 2.Als de ambtenaar tijdens zijn aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef een andere functie gaat vervullen en daarom opnieuw een aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef is aangegaan, is het eerste lid en artikel 2.3, zesde lid, van overeenkomstige toepassing, gerekend vanaf de datum van de wijziging van de functie. 3.Bij de tweede beoordeling geeft de beoordelaar op het beoordelingsformulier gemotiveerd aan of de ambtenaar al dan niet zal worden aangesteld in vaste dienst of dat er redenen zijn om de aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef te verlengen. 4.Als de aanstelling in tijdelijke dienst bij wijze van proef is verlengd, is het eerste lid voorde duur van deze verlenging van overeenkomstige toepassing. Als de verlenging een half jaar of korter is, vindt slechts één beoordeling plaats. Artikel2.20beoordelaar 1.De beoordelaar gaat over tot de beoordeling na overleg met de beoordelingsadviseur. 2.De beoordelingsadviseur kan bepalen dat de beoordeling plaatsvindt door tweebeoordelaars of dat de beoordeling in zijn aanwezigheid plaatsvindt. Artikel2.21wijze van beoordelen 1.Als twee beoordelaars uiteenlopend waarderen, wordt het oordeel van de direct leidinggevende vermeld en wordt het oordeel van de andere beoordelaar afzonderlijk op het beoordelingsformulier aangegeven. 2.Als de beoordeling niet op een juiste wijze plaatsvindt of als de beoordeling onvoldoendeis gemotiveerd, meldt de beoordelingsadviseur dit gemotiveerd op het beoordelingsformulier. 3.Het beoordelingsformulier wordt door de beoordelaar of de beoordelaars getekend. Artikel2.22beoordelingsgesprek 1.De ambtenaar wordt binnen één week na het opstellen van het beoordelingsformuliertijdens een gesprek in kennis gesteld van de beoordeling. 2.De ambtenaar die zich met de beoordeling kan verenigen, tekent het beoordelingsformulier voor akkoord en ontvangt een exemplaar. 3.De ambtenaar die zich niet met de inhoud kan verenigen, maakt binnen één week na het gesprek zijn bedenkingen gemotiveerd schriftelijk kenbaar. Dit stuk wordt als bijlage bij het beoordelingsformulier gevoegd. 4.Het hoofd van het organisatie-onderdeel neemt kennis van de inhoud van de beoordeling. 5.Vervallen. Artikel2.23tweede gesprek 1.Binnen één week nadat de ambtenaar zijn bedenkingen kenbaar heeft gemaakt, vindt in aanwezigheid van de beoordelingsadviseur een gesprek tussen de beoordelaar of beoordelaars en de ambtenaar plaats. 2.Als de bedenkingen van de ambtenaar daartoe aanleiding geven, wordt de beoordeling gewijzigd. 3.De ambtenaar die zich met de beoordeling kan verenigen, tekent het beoordelingsformulier voor akkoord en ontvangt een exemplaar. Als de ambtenaar zich niet kan verenigen met de inhoud van het beoordelingsformulier deelt de werkgever hem binnen twee weken na het gesprek schriftelijk mee op welke grond zijn bedenkingen niet erkend worden. Deze mededeling wordt als bijlage bij het beoordelingsformulier gevoegd. Artikel2.24(vervallen) (Vervallen m.i.v. 1 oktober 2008 BD2009-009014) Artikel2.25aanstelling met terugwerkende kracht Als het bezwaar of beroep gegrond wordt verklaard, vindt de aanstelling of verlenging van de aanstelling met terugwerkende kracht plaats. §7Arbeidsovereenkomst Artikel2.26oproepwerkzaamheden 1.Een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor oproepwerkzaamheden. 2.De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en doorwerknemer en werkgever getekend. Artikel2.27duur en opzegging 1.De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd. 2.Werkgever en werknemer kunnen de arbeidsovereenkomst opzeggen op grond van de bepalingen uit hoofdstuk 12 (Ontslag). Artikel2.28voorwaarden 1.De arbeidsovereenkomst garandeert een minimum van twee uur per oproep. Dewerknemer heeft voor iedere periode van minder dan twee uur waarin hij arbeid heeft verricht, recht op een salaris alsof hij twee uur arbeid heeft verricht. 2.De arbeidsovereenkomst bevat in ieder geval de volgende afspraken: de aard van de werkzaamheden; het overeengekomen salaris per uur; de verplichting voor de werkgever om werkzaamheden aan de werknemer aan te bieden in geval zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen; de verplichting voor de werknemer om de werkzaamheden na oproep te verrichten; de verplichting voor de werkgever om een oproep minimaal 24 uur vóór aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de werknemer kenbaar te maken; de vermelding van de tijden waarbinnen de werkzaamheden worden verricht; de mogelijkheid tot intrekking van de oproep door de werkgever en weigering door de werknemer tot minimaal 12 uur vóór aanvang van de feitelijke werkzaamheden; de vaststelling van het maximaal aantal weigeringen binnen een vastgestelde periode. 3.Als de werkgever de oproep intrekt zonder inachtneming van de termijn van 12 uur is hij gehouden het salaris te betalen alsof de werkzaamheden feitelijk zijn verricht. 4.De werknemer met een arbeidsovereenkomst heeft recht op: salaris en de toegekende salaristoelage(n); 8% van het voor de werknemer in de maand van opbouw geldende salaris vermeerderd met de salaristoelagen genoemd in hoofdstuk 3, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van€ 146,65 bij een volledig dienstverband, en 6% van het voor de werknemer in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 145,83 bij een volledig dienstverband, en 1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig dienstverband, en 0,8% van het voor de werknemer in de maand van opbouw geldende salaris, en vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid. De bovengenoemde rechten worden uitgedrukt in een bedrag per uur en worden maandelijks uitbetaald. 5.De werknemer heeft recht op een reiskosten vergoeding voor woon-werkverkeer. De tegemoetkoming woon-werkverkeer is afhankelijk van het aantal kilometers tussen woon en werkadres met een maximum van 30 kilometer enkele reisafstand. 6.Het bedrag per kilometer staat vermeld in de Bedragengids. 7.Het bedrag per kilometer wordt niet geïndexeerd. 3Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen §1Algemene bepalingen Artikel3.1functies en functiewaardering 1.Het bestuur stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de VrAA kunnen worden bekleed. 2.Elke functie wordt beschreven op basis van het functiewaarderingssysteem Methode Rangordenen Functies (MRF). 3.Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op basis van het functiewaarderingssysteem genoemd in lid 2. Artikel3.2recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen 1.Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofdstuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten. 2.De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en de uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling anders is bepaald. 3.De salarisschalen en de daarbij behorende salarissen zijn opgenomen in de Bedragengids. Artikel3.2aPayroll 1.Het bestuur spreekt schriftelijk met de payroll werkgever af dat de totale beloning van de payroll werknemer vanaf de eerste werkdag van de ter beschikkingstelling bij de veiligheidsregio vergelijkbaar is met de totale beloning van de ambtenaar, die een gelijke of gelijkwaardige functie vervult onder dezelfde of vergelijkbare omstandigheden. 2.De totale beloning wordt bij de ter beschikkingstelling van de payroll werknemer vastgesteld. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de totale beloning naast de wettelijk verplichte loonbestanddelen in de inlenersbeloning, in ieder geval verstaan: de beloningselementen van het IKB bedoeld in artikel 3.28 lid 2 onderdeel b en 3.28 lid 2 onderdeel c en 3.28 lid 2 onderdeel d; de werkgeverspremie ouderdomspensioen (OP)/nabestaandenpensioen (NP) en arbeidsongeschiktheidspensioen (AAOP) van het ABP. 3.Als de gelijke of gelijkwaardige beloningselementen niet volledig onderdeel uitmaken van de totale beloning aan de payroll werknemer die een gelijke of gelijkwaardige functie vervult, dan spreekt het bestuur schriftelijk met de payroll werkgever af dat de payroll werknemer een toelage ter compensatie ontvangt. 4.De toelage ter compensatie van de beloningselementen wordt uitgedrukt in een percentage van het salaris van de payroll werknemer en is niet pensioengevend. De toelage is gelijk aan het verschil tussen: de hoogte van gelijke of gelijkwaardige beloningselementen in lid 2 onderdeel a die de payroll werknemer per maand opbouwt of ontvangt, en de hoogte van de beloningselementen in lid 2 onderdeel a die een ambtenaar per maand opbouwt of ontvangt. 5.Als de payroll werknemer geen deelnemer is of kan worden bij de pensioenregeling ABP, dan spreekt het bestuur schriftelijk met de uitlener af dat de payroll werknemer vanaf de eerste werkdag een toelage ontvangt voor pensioencompensatie. De toelage is een percentage van het salaris van de payroll werknemer. De toelage is gelijk aan het verschil tussen de totale werkgeverspremiepercentages van het ABP en de totale werkgeverspremiepercentages van een adequate pensioenregeling in de zin van artikel 8a Waadi waar de payroll werknemer deelnemer is. Daarbij worden de percentages van het: ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen met elkaar vergeleken. 6.Het bestuur verstrekt de payroll werkgever schriftelijk alle informatie en middelen die nodig zijn om de totale beloning en eventuele toelage correct vast te stellen. De payroll werkgever informeert vervolgens bij aanvang van de ter beschikkingstelling de payroll werknemer schriftelijk als de payroll werknemer een toelage krijgt uitbetaald. Het bestuur vergewist dan bij de payroll werkgever of de payroll werknemer de correcte toelage ontvangt. §2Salaris Artikel3.3vaststelling salaris 1.Het bestuur stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn functieschaal zoals opgenomen in de salaristabel in bijlage IIa van de CAR(-UWO) Veiligheidsregio's, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de functieschaal. Als het salaris in de salaristabel in bijlage IIa omgerekend naar het salaris per uur lager is dan het minimumloon voor medewerkers van 21 jaar en ouder, heeft de ambtenaar minimaal recht op een salaris per uur ter hoogte van het minimumloon voor medewerker van 21 jaar en ouder. 2.Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de functieschaal worden vastgesteld. 3.Het maximale salaris en de toegekende salaristoelagen bedraagt per kalenderjaar niet meer dan de maximale bedragen genoemd in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. 4.Voor de ambtenaar in artikel 1:2c, lid 2 geldt een aparte salarisschaal A. De salaristabel salarisschaal A is: Schaal A Percentages van het WML 0 100% 1 101,8% 2 103,6% 3 105,5% 4 107,3% 5 109,1% 6 110,9% 7 112,7% 8 114,5% 9 116,4% 10 118,2% 11 120% 5.Als het salaris in de salaristabel in lid 1 of lid 3 omgerekend naar het salaris per uur lager is dan € 14,-, heeft de ambtenaar minimaal recht op een salaris per uur van € 14,-. Het op dit lid gebaseerde bedrag van € 14,- wordt niet geïndexeerd met de algemene salariswijzigingen. Artikel3.4salarisverhoging 1.Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: de ambtenaar functioneert voldoende; de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet bereikt; er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling, zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie. 2.Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen. 3.Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging toekennen. 4.In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college voor ambtenaren of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum vaststellen. Artikel3.5verlaging salarisschaal 1.Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een grond aanwezig is. 2.In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het salaris. 3.In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van artikel 7.8 (wijze van opdragen passende arbeid), herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het salaris. 4.In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van hoofdstuk 16, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris. Artikel3.6inpassing in hogere schaal De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris. Artikel3.6asalaris bij promotie 1.Het salaris wordt bij promotie vastgesteld op minimaal het eerstvolgende hogere bedrag in de nieuwe salarisschaal. Het verschil in salaris moet minimaal 75% zijn van het bedrag dat de ambtenaar zou hebben gekregen bij een periodieke verhoging in de oude salarisschaal als hij geen promotie zou hebben gekregen. 2.Als door de promotie toegekende salaristoelagen vervallen en niet geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd in nieuw toegekende salaristoelagen, worden deze bij toepassing van het eerste lid aangemerkt als salaris. 3.Bij toepassing van het tweede lid blijft de waarnemingstoelage, genoemd in artikel 3.10, eerste lid, buiten beschouwing. 4.Als de toelagen als bedoeld in het tweede lid niet ingepast kunnen worden in de nieuwe salarisschaal, behoudt de ambtenaar recht op het niet ingepaste deel van de toelage. Deze toelage wordt bij een volgende promotie aangemerkt als salaris. Artikel3.6bsalaris na promotie met terugwerkende kracht Bij promotie met terugwerkende kracht wordt het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar heeft gekregen en het salaris dat hij had moeten krijgen over die periode aan de ambtenaar betaald. Artikel3.6csamenloop promotie en periodiek Als de datum van promotie en periodieke salarisverhoging samenvallen, vindt eerst de periodieke salarisverhoging plaats en daarna de promotie. Artikel3.6dperiodiekdatum na promotie 1.Na promotie is de periodiekdatum gelijk aan de eerste dag van de maand waarin de ambtenaar promotie heeft gehad. 2.Bij promotie na een direct voorafgaande waarneming wordt de periodiekdatum vastgesteld op de eerste dag van de maand waarin de ambtenaar de functie is gaan waarnemen. Artikel3.7uitloopschaal De VrAA kent geen uitloopschaal. §3Salaristoelagen Artikel3.8functioneringstoelage 1.Het bestuur kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage toekennen. 2.De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze opnieuw worden toegekend. 3.De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris. Artikel3.9arbeidsmarkttoelage 1.Het bestuur kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan personeel. 2.De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld, met een maximum van 3 jaar. 3.De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris. Artikel3.10waarnemingstoelage 1.Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen functie. 2.Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij de start van de waarneming in de hogere schaal zou zijn ingedeeld. 3.Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid toegekend. Artikel3.11toelage onregelmatige dienst 1.De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4.7) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week: maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20% maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur: 40% zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur: 40% zondag en op de volgende feestdagen: nieuwjaarsdag; eerste of tweede paasdag; Koningsdag; Hemelvaartsdag; eerste of tweede pinksterdag, of eerste of tweede kerstdag tussen 00.00 en 24.00 uur: 65%. Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 6. 2.De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt. 3.Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel 3.18) worden uitbetaald. Artikel3.12buitendagvenstertoelage 1.De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel 4.5, tweede lid), heeft recht op een buitendagvenstertoelage. 2.De buitendagvenstertoelage bedraagt: 50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur; 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag; 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op de volgende feestdagen: nieuwjaarsdag; eerste of tweede paasdag; Koningsdag; Hemelvaartsdag; eerste of tweede pinksterdag, of eerste of tweede kerstdag. 3.De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage. Artikel3.13toelage beschikbaarheidsdienst 1.De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaarheidsdienst. 2.De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag, zondag en op de volgende feestdagen: nieuwjaarsdag; eerste of tweede paasdag; Koningsdag; Hemelvaartsdag; eerste of tweede pinksterdag, of eerste of tweede kerstdag. 3.Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 7. 4.Vervalt. 5.Voor ambtenaren die deel uitmaken van de Crisisorganisatie Amsterdam is het uurloon voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 12. Artikel3.14inconveniëntentoelage 1.Het bestuur kan aan een ambtenaar een structurele inconveniëntentoelage toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke arbeid. Het rangordenen en waarderen van functies naar structurele inconveniënten vindt plaats aan de hand van de Methode voor het Rangordenen van Inconveniënten (MRI). 2.De ambtenaar ontvangt een incidentele inconveniëntentoeslag, aangegeven in een percentage over salaris en salaristoelagen per uur, voor werkzaamheden die door het bestuur worden vastgesteld. : 3.Bij samenloop van een incidentele en een structurele inconveniëntentoeslag, wordt over de uren waarin werkzaamheden zijn verricht het percentage voor incidentele inconveniëntentoeslag uitbetaald, voor zover die hoger is dan het percentage van de structurele inconveniëntentoeslag. Artikel3.15garantietoelage Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd Met een lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen. Artikel3.16afbouwtoelage 1.De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien: hij de toelage(
- n)met een onderbreking van ten hoogste twee maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én met de verlaging of beëindiging van de toelage(
- n)een bedrag is gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een sociaal plan. 3.De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen bedrag. 4.Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(
- n)aan wisselingen onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande 12 maanden. 5.Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging. §4Overige vergoedingen en uitkeringen Artikel3.17vergoeding BHV, EHBO en interventieteam 1.De ambtenaar die door het bestuur is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht. 2.De jaarlijkse vergoeding wordt netto uitgekeerd. Het bedrag wordt genoemd in de PGA van de gemeente Amsterdam en wordt niet geïndexeerd. Artikel3.18overwerkvergoeding 1.De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4.7), heeft recht op een overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst (artikel 3.11) worden uitbetaald. 2.De overwerkvergoeding bestaat uit: compensatieverlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar: 100% voor overwerk op een zondag of op de volgende feestdagen: nieuwjaarsdag; eerste of tweede paasdag; Koningsdag; Hemelvaartsdag; eerste of tweede pinksterdag, of eerste of tweede kerstdag. 75% voor overwerk op een zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur; 75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een feestdag tussen 00.00 en 6.00 uur; 50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 00.00 en 6.00 uur; 50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur; 25% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 06.00 en 20.00 uur. 3.Het compensatieverlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. 4.Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan kan de ambtenaar kiezen voor: een vergoeding uitsluitend bestaande uit een bedrag opgebouwd uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede lid onder b. het inzetten van verlof voor verlofsparen als bedoeld in artikel 6.4b. 5.De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een overwerkvergoeding. 6.De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding. 7.De in het zesde lid genoemde functieschaal geldt niet voor artsen te werk gesteld bij de RVE GGD. Artikel3.18a(vervallen) (vervallen 1 januari 2017 ZD2016-005434) Artikel3.19ambtsjubileum 1.Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever. 2.Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(
- n)over de maand van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(
- n)over de maand van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%. 3.Een ambtenaar aan wie volledig ontslag wordt verleend op grond van artikel 12.11 (reorganisatie) of 12.8 (ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid) en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de maatgevende maand aangemerkt. Artikel3.20beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties Het bestuur kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere prestaties. Artikel3.21reis- en verblijfkostenregeling Zie voor de reis- en verblijfkostenvergoeding hoofdstuk 9, Verplaatsingskosten en thuiswerken. Artikel3.22reiskostenvergoeding woon-werkverkeer Zie voor de reiskostenvergoeding woon-werkverkeer hoofdstuk 9, Verplaatsingskosten en thuiswerken. Artikel3.22aThuiswerkvergoeding Zie voor de thuiswerkvergoeding hoofdstuk 9, Verplaatsingskosten en thuiswerken. Artikel3.23overlijdensuitkering 1.Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de ambtenaar. 2.Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen — een overlijdensuitkering, die bestaat uit driemaal het laatste genoten salaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%. 3.Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. Artikel3.24Financiële compensatie bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst 1.Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende partner een financiële compensatie verstrekt. Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige kinderen. 2.De financiële compensatie is uitgewerkt in de Landelijke Regeling aanspraken na Dienstongevallen Veiligheidsregio’s (LRD). 3.Vervallen . 4.Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid dan wordt de financiële compensatie uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. Artikel3.25recht op tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering Zie voor het recht op tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering hoofdstuk 8, Ziektekosten. Artikel3.26hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering Zie voor de hoogte van de tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering hoofdstuk 8, Ziektekosten. §5Individueel Keuzebudget Artikel3.27algemeen 1.De ambtenaar heeft recht op een Individueel Keuzebudget, hierna te noemen: IKB. 2.Het bestuur van de VrAA is beheerder van het IKB. 3.Het IKB is een maandelijks, in geld uitgedrukt budget dat de ambtenaar naar keuze kan gebruiken voor de doelen genoemd in artikel 3.29 op de wijze zoals vastgelegd is in deze paragraaf. Artikel3.28opbouw IKB 1.Het IKB wordt per maand opgebouwd en bestaat uit een deel waarover pensioen wordt opgebouwd en een deel waarover geen pensioen wordt opgebouwd. 2.Het deel van het IKB waarover pensioen wordt opgebouwd bedraagt: 8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris vermeerderd met de salaristoelagen genoemd in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, en 8,33% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, en 1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949. indien en voor zolang artikel 27a.1 van de ARBAA van toepassing is op de ambtenaar, 1% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit voor maximaal 20 jaar geldt, tenzij artikel 27a.9, lid 1 onderdeel b van de ARBAA van toepassing is. 3.Het deel van het IKB waarover geen pensioen wordt opgebouwd bedraagt 0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris. 4.Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)gedeeltelijk zijn uitbetaald dan wordt het IKB in die maand berekend op basis van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde salaristoelage(n). Ontvangt de ambtenaar in een maand geen salaris dan wordt in die maand geen IKB opgebouwd. 5.Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)gedeeltelijk zijn uitbetaald op grond van artikel 7.4 lid 2 tot en met 4 dan wordt, in afwijking van lid 4 van dit artikel, het IKB in die maand berekend op basis van het volledige salaris en toegekende salaristoelage(n). 6.Het bestuur kan bronnen toevoegen aan het IKB. Een bron kan zijn een persoonlijk budget, voor zover dat in de veiligheidsregio bestaat en niet is opgenomen in de TOR zoals genoemd in respectievelijk artikel 3.37 en bijlage R van de NRGA. 7.Op de ambtenaar, bedoeld in hoofdstuk 27h van de ARBAA, is lid 2 onderdeel c van dit artikel niet van toepassing. Artikel3.29doelen IKB 1.De ambtenaar kan het IKB gebruiken voor: het kopen van vakantie-uren, tot een maximum van vier maal de aanstellingsduur per week gedurende het kalenderjaar; extra inkomen door uitbetaling van het IKB tot een maximum van het tot aan de datum van uitbetaling opgebouwde IKB; het financieren van een opleiding, indien en voor zover deze niet door de gemeente wordt vergoed en de geldende fiscale regelgeving de besteding van het IKB aan dit doel belastingvrij mogelijk maakt; extra opbouw pensioen op grond van het pensioenreglement; een vergoeding van contributie voor een vakbond. 2.Het bestuur kan de bestedingsdoelen zoals genoemd in lid 1 aanvullen. Artikel3.30besteding IKB 1.De ambtenaar kan elke maand een keuze maken om zijn IKB te gebruiken voor een of meerdere van de in artikel 3.29 genoemde doelen. Hij heeft voor deze keuze geen toestemming nodig. 2.Het bestuur van de VrAA wijst in verband met de salarisverwerking voor elke maand een uiterste datum aan waarop de ambtenaar zijn keuze kenbaar moet maken. 3.Als de ambtenaar geen keuze maakt, of bij zijn keuze slechts een deel van zijn IKB gebruikt, dan wordt het IKB over die maand, of het resterende deel daarvan, gereserveerd. De ambtenaar kan het gereserveerde IKB op een later moment in het lopende kalenderjaar besteden. 4.Heeft de ambtenaar na de sluitingsdatum van de salarisverwerking in december nog een resterend IKB dan wordt dit bij de salarisbetaling van die maand uitbetaald. 5.Besteding van het IKB kan alleen voor zover het beschikbare budget toereikend is. De keuze voor een doel heeft uitsluitend betrekking op hetzelfde kalenderjaar. 6.Bedragen die uit het IKB zijn gebruikt, kunnen niet meer worden teruggestort in het IKB. Artikel3.31waarde van een vakantie-uur Als de ambtenaar kiest voor het kopen van vakantie-uren dan wordt het IKB per vakantie-uur verlaagd met het voor de ambtenaar geldende uurloon vermeerderd met het IKB per uur van de maand waarin hij de vakantie-uren koopt. Artikel3.32uitbetaling IKB bij einde dienstverband 1.Bij beëindiging van het dienstverband wordt het resterende IKB bij de laatste salarisbetaling aan de ambtenaar uitbetaald. 2.Bij overlijden van de ambtenaar wordt in aanvulling op de overlijdensuitkering het resterende IKB uitbetaald aan de nagelaten betrekkingen zoals omschreven in artikel 3.23, lid 2 en 3. Artikel3.33wet- en regelgeving 1.Het gebruik van het IKB kan gevolgen hebben voor loonheffingen, pensioen en sociale verzekeringen. De ambtenaar wordt geacht deze gevolgen te kennen. 2.Als blijkt dat een bedrag uit het IKB ten onrechte belastingvrij is uitgekeerd doordat de ambtenaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, verhaalt het college de verschuldigde loonheffing of eventuele boetes op de ambtenaar. 3.Als een netto voordeel voor de ambtenaar vervalt door wijzigingen van wet- en regelgeving dan wordt dat niet gecompenseerd door het college. 4.Alle transacties in het IKB moeten in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving. Artikel3.34(vervallen) (vervallen 31 oktober 2017 ZD2017-006772) §6Overige individuele keuzemogelijkheden Artikel3.35verkoop van vakantie-uren 1.De ambtenaar kan elk kalenderjaar een verzoek doen om ten hoogste 72 uren bovenwettelijk vakantieverlof te verkopen. Bij een deeltijd dienstverband wordt dit aantal naar rato vastgesteld. 2.Vakantie-uren die de ambtenaar heeft gekocht op grond van artikel 3.29 lid 1, sub a kunnen niet worden verkocht op grond van dit artikel. 3.Een verzoek als bedoeld in lid 1 wordt toegewezen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 4.Het college kan regels stellen over de aanvraagprocedure. 5.Het bepaalde in artikel 3.31 is van overeenkomstige toepassing. Artikel3.36inruil voor netto reiskostenvergoeding woon-werkverkeer 1.De ambtenaar kan een gedeelte van zijn bruto salaris inzetten voor een netto vergoeding voor de reiskosten woon-werkverkeer tot aan het maximum van de daarvoor bestemde fiscale ruimte. Deze mogelijkheid kan tot wederopzegging worden aangevraagd. 2.De Wet op de Loonbelasting 1964 is van toepassing. §7Overgangsrecht Artikel3.37overgangsbesluit Hoofdstuk 3 Er is een overgangsbesluit hoofdstuk 3 voor ambtenaren die op 31 december 2015 in dienst zijn van de gemeente Amsterdam. De regeling is opgenomen in Bijlage R. 4Arbeidsduur, werktijden en spaaruren §1Algemeen Artikel4.1algemene bepalingen Er is een standaard werktijdenregeling en een bijzondere werktijdenregeling. Artikel4.2rooster 1.De ambtenaar werkt volgens het voor hem vastgestelde rooster, dat wordt onderbroken door een onbetaalde pauze. 2.De ambtenaar begint zijn werkzaamheden op het met de leidinggevende overeengekomen tijdstip. Artikel4.3feitelijke arbeidsduur 1.De feitelijke arbeidsduur per week kan in overleg met de ambtenaar worden vastgesteld op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden overschreden. 2.De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. Artikel4.4feitelijke arbeidsduur bij overwerk 1.De feitelijke arbeidsduur per dienst bij overwerk bedraagt maximaal 12 uur. 2.Tussen het einde van het overwerk en de daaropvolgende begintijd ligt een rusttijd van minimaal 11 uur. 3.De rusttijd die samenvalt met een deel van het rooster van de volgende dag wordt voorde toepassing van artikel 3.18, tweede lid onder a (overwerkvergoeding), als verlof aangemerkt. §2Standaardregeling voor de werktijden Artikel4.5standaard werktijdenregeling 1.De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster. 2.Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur. 3.De feitelijke arbeidsduur per week kan in overleg met de ambtenaar worden vastgesteld op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week. 4.De ambtenaar en de werkgever maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar. 5.Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat: hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en de werkgever; de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven; de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken. 6.Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijdenaangepast worden. 7.De ambtenaar en de werkgever overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden. 8.Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en de werkgever het er over eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk teveel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het salaris per uur of een uur compensatieverlof. 9.De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als bedoeld in hoofdstuk 3. 10.Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4.8 van overeenkomstige toepassing. 11.Wanneer de ambtenaar en de werkgever er niet in slagen om de werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt de werkgever wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk. 12.De werkgever kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het vierde lid. Wanneer de ambtenaar en de werkgever hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstertoelage als bedoeld in hoofdstuk 3. 13.De werkgever en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de werktijden inde organisatie. De OR kan verbetervoorstellen indienen, waarvan de werkgever alleen gemotiveerd kan afwijken. §3Bijzondere regeling voor de werktijden Artikel4.6werkingssfeer bijzondere werktijdenregeling Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt vastgesteld door de werkgever. Artikel4.7bijzondere werktijdenregeling 1.De werkgever stelt de werktijden van de ambtenaar vast. 2.De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. 3.Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt de werkgever deze vast in een rooster. 4.Bij de vaststelling van de werktijden worden de werktijden ten minste één maand vooraanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar. Artikel4.8werken op zaterdag, zon- en feestdagen 1.De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag, zondag en op de feestdagengenoemd in artikel 6.9, tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. 2.Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de officiële feestdagen die samenhangen met zijn geloof of culturele achtergrond. Artikel4.9inroostering bij arbeid op zaterdag of zondag Indien door de ambtenaar, met toelage onregelmatige dienst, als bedoeld in hoofdstuk 3, arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt voor hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend. §4Spaaruren Artikel4.10opname en opbouw van spaaruren 1.De ambtenaar kan maximaal 1/9 deel van zijn formele arbeidsduur aan spaaruren opbouwen. 2.De feitelijke arbeidsduur inclusief spaaruren bedragen samen niet meer dan 11 uur per dag en 50 uur per week. 3.Om reden van dienstbelang kan de opbouw of de opname van spaaruren worden ingeroosterd. 4.De spaaruren vervallen aan het einde van elk kalenderjaar, met uitzondering van de uren die in verband met deelname aan de levensloopregeling op grond van artikel 4.13 worden gekapitaliseerd. Artikel4.11opbouw van spaaruren bij arbeidsongeschiktheid 1.De opbouw van spaaruren wordt bij een gehele of gedeeltelijke verhindering wegens arbeidsongeschiktheid opgeschort: als in het rooster alleen de opbouw van spaaruren is opgenomen: vanaf het moment dat de verhindering een aaneengesloten periode van 12 weken heeft geduurd tot het moment van volledig herstel; in alle overige gevallen: vanaf de datum van verhindering tot het moment van volledig herstel. 2.De opbouw van spaaruren gaat echter tijdens de verhindering wegens arbeidsongeschiktheid door als de opbouw en de opname van spaaruren in het rooster zijn opgenomen. Artikel4.12opname van spaaruren bij arbeidsongeschiktheid 1.De opname van spaaruren wordt bij een gehele of gedeeltelijke verhindering wegens arbeidsongeschiktheid opgeschort als de verhindering is ontstaan vóór de opname van de spaaruren, tenzij de opname en de opbouw van de spaaruren in het rooster zijn opgenomen. 2.Als de verhindering wegens arbeidsongeschiktheid ontstaat tijdens de opname van de spaaruren gaat opname van spaaruren door indien opbouw en opname van spaaruren in het rooster is opgenomen. 3.De spaaruren komen te vervallen bij verhindering wegens arbeidsongeschiktheid op een aangewezen verplichte vrije dag als bedoeld in artikel 6. 10 (verplicht verlof). Dit geldt niet als alleen de opname van spaaruren in het rooster is opgenomen. Artikel4.13opname en kapitalisatie verloftegoed 1.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: de krachtens het voormalige spaarurencontract vóór 1 april 2006 opgebouwde spaaruren; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van de opgebouwde spaaruren in een geldbedrag. 2.Opname van het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door de werkgever verleend, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. De ambtenaar geniet het verlof zoveel mogelijk in een aaneengesloten periode. 3.De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. De werkgever beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. 4.Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ter hoogte van het op het moment vanuit betalen geldende salaris per uur van de ambtenaar. 5.Het verloftegoed kan alleen worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling, en het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levensloopregeling. 6.Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen met betrekking tot de levensloopregeling. 7.Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd, kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende verloftegoed. De werkgever beslist of aan het verzoek kan worden voldaan. 8.Het opgebouwde verloftegoed wordt in geval van ontslag geacht te zijn opgenomen vóórde datum van ingang van het ontslag. 9.Bij ontslag op grond van artikel 12.8 (ontslag wegens arbeidsongeschiktheid) wordt het in het zevende lid bedoelde verloftegoed uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende salaris per uur van de ambtenaar. 10.Om redenen van dienstbelang kan van het achtste lid worden afgeweken. 11.In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van artikel 11.31 (uitkering bij overlijden van de ambtenaar), het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende salaris per uur van de ambtenaar. Artikel4.14Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters 1.De artikelen 4.1 tot en met 4.13 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster. 2.Het bestuur stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit artikel een werktijdenregeling vast. 3.Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het bestuur er zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden §5Regeling ontheffing nachtdiensten in de functie van brandweercentralist of calamiteitencoördinator (CaCo Artikel4:15Werkingssfeer Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar werkzaam in de functie van brandweercentralist of calamiteitencoördinator (CaCo) binnen het meldkamerdomein, die minimaal 10 jaar heeft gewerkt in een rooster met nachtdiensten binnen het meldkamerdomein van de Veiligheidsregio’s, Ambulance of Politie of in 24- uursdiensten bij een Veiligheidsregio of diens rechtsvoorganger. Artikel4:16Begripsbepaling Deze paragraaf verstaat onder nachtdienst een dienst die uren bevat gelegen tussen 00.00 uur en 06.00 uur. Artikel4:17Ontheffing 1.Ontheffing van het werken in nachtdiensten op verzoek van de ambtenaar gaat niet eerder in dan met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag van het bereiken van de leeftijd als hieronder aangegeven: in 2024 vanaf de leeftijd van 60 jaar; in 2025 vanaf de leeftijd van 59 jaar; c. in 2026 vanaf de leeftijd van 58 jaar en d. in 2027 vanaf de leeftijd van 57 jaar. 2.De ambtenaar dient zijn verzoek tot gehele of gedeeltelijke ontheffing van nachtdiensten in uiterlijk 6 maanden voorafgaand aan de gewenste ingangsdatum. 5Uitwisseling arbeidsvoorwaarden (Cafetariamodel) Vervallen per 1 januari 2017 6Vakantie en verlof §1Vakantie Artikel6.1recht op vakantie 1.De ambtenaar heeft recht op vakantie met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n). 2.Het vakantierecht bestaat uit wettelijke en bovenwettelijke vakantie-uren. 3.De ambtenaar met een voltijddienstverband heeft recht op 144 wettelijke vakantie-uren. Dit aantal wordt naar evenredigheid verminderd voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week. 4.De ambtenaar met een voltijddienstverband heeft recht op 43,2 bovenwettelijke vakantie-uren. Dit aantal wordt naar evenredigheid verminderd voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week. Het saldo van bovenwettelijke vakantie-uren is inclusief de lokaal verplicht aangewezen feestdagen van 1 en 5 mei (10,3 uren). Voor de resterende 32,9 uren bovenwettelijke vakantie-uren kan een verzoek tot opname worden ingediend. 5.Per kalenderjaar kan maximaal 36 uur versnipperd in gehele uren worden opgenomen. 6.De ambtenaar krijgt zoveel mogelijk gelegenheid vakantie op te nemen op officiële feestdagen die samenhangen met zijn geloof of culturele achtergrond, anders dan de feestdagen genoemd in artikel 6.9 (verlof op feestdagen). 7.Bij vaststelling van het recht op vakantie over een kalenderjaar blijven buitenbeschouwing de perioden, die in totaal meer dan 31 dagen omvatten waarover hij geen recht had op salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)of hem geen salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)is betaald. Artikel6.2intrekking vakantie 1.Slechts om redenen van dringend dienstbelang kan een al toegestane vakantie worden ingetrokken of kan de ambtenaar van vakantie worden teruggeroepen. De ambtenaar heeft dan recht op schadeloosstelling, naar redelijkheid te bepalen. 2.Als de ambtenaar van vakantie wordt teruggeroepen, wordt de duur van de terugreis niet in mindering gebracht op zijn vakantietegoed. Artikel6.3vakantieopbouw tijdens arbeidsongeschiktheid en andere reden van afwezigheid 1.De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn functie vervult. 2.Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde lid. 3.Een vermindering als bedoeld in het tweede lid, wordt niet toegepast: gedurende afwezigheid van de ambtenaar wegens zwangerschap en bevalling; gedurende afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid. 4.Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens arbeidsongeschiktheid geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geweest. 5.De uren waarop de ambtenaar tijdens zijn vakantieperiode wegens arbeidsongeschiktheid verhinderd is geweest zijn functie te vervullen worden niet van zijn vakantietegoed afgeschreven. 6.Het vijfde lid is niet van toepassing op de periode dat de ambtenaar tijdens zijn arbeidsongeschiktheid geheel of gedeeltelijk van zijn vakantie heeft kunnen genieten. Artikel6.4vervaltermijn wettelijk verlof 1.Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is verleend, vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van het kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest. 2.De ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijke verlof gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. De werkgever kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen. Artikel6.4averjaringstermijn bovenwettelijk verlof Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is verleend, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat kalenderjaar. Artikel6.4bVerlofsparen 1.De ambtenaar kan verlofsparen. 2.De verlofspaaruren verjaren niet. 3.De bronnen van verlofspaaruren zijn: het verlof uit de overwerkvergoeding de vakantie-uren gekocht uit het IKB de vakantie-uren bij onregelmatig werken en beschikbaarheidsdienst overig, toegekende niet wettelijke vakantie-uren als vastgelegd in de Uitvoeringsregeling verlofsparen VRAA 2023 (zie regeling). 4.De ambtenaar kiest uit het derde lid welke uren hij spaart. Een combinatie van bronnen uit het derde lid is mogelijk. 5.De ambtenaar met een voltijddienstverband mag op 31 december van een kalenderjaar maximaal 3600 uren verlof hebben. Hieronder vallen de wettelijke en bovenwettelijke vakantie-uren en andere (compensatie)verlofuren. 6.Als de ambtenaar verlofspaaruren opneemt voor een periode van een maand of langer dan geldt artikel 6.18 tweede tot en met negen lid. 7.Als de ambtenaar arbeidsongeschikt is, dan geldt artikel 6.20. 8.De ambtenaar neemt voor het einde van zijn dienstverband zijn verlofspaaruren zoveel mogelijk op in overleg met de werkgever Artikel6.4cBovenwettelijke vakantie-uren bij onregelmatig werken en beschikbaarheidsdienst De ambtenaar bedoeld in artikelen 3.11 en 3.13 krijgt 14,4 uren bovenwettelijke vakantie-uren erbij indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust. Artikel6.5geen uitbetaling van vakantie-uren tijdens aanstelling Tijdens het dienstverband vindt geen uitbetaling van vakantie-uren plaats, behalve op grond van artikel 3.35 verkoop van vakantie-uren. Artikel6.6verrekening vakantie-uren bij ontslag 1.Als de ambtenaar bij ontslag meer vakantie blijkt te hebben opgenomen dan hem op grond van artikel 6.1, tweede lid toekomt, wordt de te veel opgenomen vakantie verrekend of teruggevorderd op basis van het salaris per uur. 2.Voor vakantie uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het salaris per uur van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie uur. 3.De ambtenaar behoudt het recht op niet opgenomen vakantie-uren met inachtneming van artikel 6.4, eerste lid, als hij is ontslagen en zonder wezenlijke onderbreking opnieuw in dienst van de veiligheidsregio is aangesteld. Artikel6.7verrekening vakantie-uren bij overlijden 1.In afwijking van artikel 6.6, eerste lid vindt na overlijden van de ambtenaar geenverrekening plaats van te veel opgenomen vakantie-uren. 2.In afwijking van artikel 6.6, tweede lid worden na overlijden van de ambtenaar de niet opgenomen vakantie-uren uitbetaald op basis van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)per uur over de laatste kalendermaand van zijn dienstverband. §2Overgangsrecht bovenwettelijke vakantie-uren Artikel6.8Behoud van hogere bovenwettelijke vakantie-uren op 31 december 2023 In afwijking van artikel 6.1 lid 4 behoudt de ambtenaar die op 31 december 2023 recht had op meer dan 43,2 bovenwettelijke vakantie-uren zijn recht op deze vakantie-uren tot het einde van het dienstverband. Het perspectief op meer uren vervalt tenzij hierover een andere afspraak wordt gemaakt tussen de bij deze rechtpositieregeling betrokken sociale partners. §3Algemeen verlof Artikel6.9verlof op feestdagen 1.De ambtenaar heeft recht op verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)op de volgende feestdagen, voor zover het dienstbelang het toelaat en de dagen niet vallen op een zaterdag of zondag: nieuwjaarsdag; eerste en tweede paasdag; Koningsdag; 1 mei; 5 mei; Hemelvaartsdag; eerste en tweede pinksterdag, en eerste en tweede kerstdag. 2.De ambtenaar met een wisselend werkrooster die op een feestdag, niet vallende op een zaterdag of zondag, roostervrij is, heeft recht op verlof van dezelfde duur als in zijn rooster gebruikelijk is. 3.De ambtenaar die werkzaamheden verricht op een feestdag heeft recht op verlof van dezelfde duur. Dit geldt niet voor de uren waarover de ambtenaar in verband met overwerk recht heeft op uren ter compensatie, als bedoeld in artikel 3.18 (overwerkvergoeding). 4.Bij de vaststelling van het aantal verlofuren wordt een gedeelte van een half uur gerekend voor een half uur. 5.Het verlof genoemd het tweede en derde lid wordt zoveel mogelijk verleend in hetzelfde kalenderjaar. 6.De ambtenaar die het verlof om redenen van dienstbelang niet of niet volledig kan opnemen, krijgt voor het niet genoten deel een vergoeding op basis van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)per uur. Artikel6.10(vervallen) §4Bijzonder verlof Artikel6.11algemene bepalingen 1.Op deze paragraaf is de Wet arbeid en zorg van toepassing. 2.In deze paragraaf wordt verstaan onder kind: eigen kind, stief- of pleegkind; ouder: eigen ouder, stief-, pleeg- of schoonouder. Artikel6.12calamiteitenverlof,ander kort verzuimverlof en overlijdensverlof 1.De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, kraamverlof of overlijdensverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Artikel6.13vervallen Artikel6.14adoptie- en pleegzorgverlof 1.De ambtenaar heeft in verband met de adoptie van een kind of het opnemen van een pleegkind in zijn gezin, recht op zes weken verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n). 2.De Wazo-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft. 3.De ambtenaar verleent zijn medewerking aan het aanvragen van een uitkering in verband met adoptie- of pleegzorgverlof bij UWV en de uitbetaling daarvan aan de werkgever. 4.Als door handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar deze uitkering niet of te laat tot uitbetaling komt, geweigerd wordt, vermindering ondergaat of hem een boete wordt opgelegd en dit hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt dat deel van de uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)in mindering gebracht. Artikel6.15kortdurend zorgverlof 1.De ambtenaar heeft recht op verlof met behoud van 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van: zijn partner; een kind; een bloedverwant in de eerste of tweede graad, niet zijnde een kind; degene die, zonder dat er sprake is van een arbeidsrelatie, deel uitmaakt van de huishouding van de ambtenaar; of degene met wie de ambtenaar anderszins een sociale relatie heeft, voor zover de te verlenen verzorging rechtstreeks voortvloeit uit die relatie en redelijkerwijs door de ambtenaar moet worden verleend. 2.Het verlof bedraagt in elke periode van 12 achtereenvolgende maanden maximaal twee maal de arbeidsduur per week. De periode van 12 maanden gaat in op de eerste dag waarop het verlof is genoten. Artikel6.16langdurend zorgverlof 1.De ambtenaar heeft recht op langdurend zorgverlof met behoud van 50% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)voor de noodzakelijke verzorging in verband met een ziekte of hulpbehoevendheid van de personen genoemd onder 6.15 eerste lid. 2.Het langdurend zorgverlof bedraagt in elke periode van 12 achtereenvolgende maanden maximaal zes maal de arbeidsduur per week. 3.Tijdens het langdurend zorgverlof wordt de vakantieopbouw verminderd evenredig met de omvang van het langdurend zorgverlof. 4.Als de ambtenaar tijdens het langdurend zorgverlof door arbeidsongeschiktheid niet instaat is zijn functie te vervullen, wordt het langdurend zorgverlof niet opgeschort. 5.De ambtenaar die gebruik maakt van langdurend zorgverlof en langer dan zevenkalenderdagen door arbeidsongeschiktheid niet in staat is zijn functie te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag recht op: het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n); volledige vakantieopbouw. Artikel6.17verlof bij huwelijk 1.Voor de toepassing van dit artikel wordt gelijkgesteld met huwelijk: het ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand sluiten van een geregistreerd partnerschap; 2.De ambtenaar krijgt op zijn verzoek verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken. 3.Als verlof is toegekend in verband met partnerregistratie, bestaat in het geval van ondertrouw of huwelijk met dezelfde partner als waarvoor het eerdere verlof is toegekend, geen recht op verlof als bedoeld in lid 2. 4.Voor deeltijders wordt geen berekening naar rato toegepast. Artikel6.18Vervallen Artikel6.19(vervallen) Artikel6.20Non-activiteit 1.Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)en vakantietoelage. 2. Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven. 2.Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven. 3. Het bestuur kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen. Artikel6.20a 1.Het bestuur kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren. 2.Gedurende de periode van het verlof komen zowel het werknemers- en werkgeversgedeelte van de te betalen pensioenpremies voor rekening van de ambtenaar. Bij deeltijdverlof vindt dit naar rato plaats. In het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend, komt alleen het werknemersgedeelte van de verschuldigde pensioenpremies voor rekening van de ambtenaar. §5Onbetaald verlof Artikel6.21recht op onbetaald verlof 1.De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de veiligheidsregio kan verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van minimaal één maand en ten hoogste 18 maanden. 2.De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof. 3.In bijzondere situaties kan de werkgever afwijken van de voorwaarden gesteld in het eerste en tweede lid. 4.Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan. 5.De ambtenaar dient het verzoek minimaal drie maanden voor de gewenste ingangsdatum schriftelijk in. 6.De werkgever beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing. 7.Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het verlof worden ingetrokken. 8.Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd, tenzij de werkgever en de ambtenaar hiermee instemmen. 9.Een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering wordt toegekend, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt dit verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren. Artikel6.22aanspraken tijdens het onbetaald verlof 1.Het recht op vakantie-uren als genoemd in artikel 6.1, tweede lid, (recht op vakantie) wordt voor de ambtenaar die onbetaald verlof geniet, verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof. 2.Gedurende de periode van verlof bestaat geen recht op uitkeringen, tegemoetkomingen, toelagen en vergoedingen. Bij deeltijdverlof wordt dit naar rato vastgesteld. 3.In afwijking van lid 2 behoudt de ambtenaar tijdens onbetaald verlof de tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering. 4.Tijdens de eerste drie maanden van onbetaald verlof blijft het verhaal van de pensioenpremies voor de ambtenaar en werkgever gelijk aan het bedrag dat conform het Pensioenreglement verschuldigd is. Duurt het onbetaald verlof langer dan drie maanden, dan verhaalt de werkgever met ingang van de vierde maand naast het verschuldigde werknemersdeel van de premies ook het verschuldigde werkgeversdeel van de premies op de werknemer. Bij gedeeltelijk onbetaald verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Voor de toepassing van lid 4 gelden periodes van onbetaald verlof die elkaar opvolgen binnen een periode van zes weken als één periode. Artikel6.23samenloop onbetaald verlof met arbeidsongeschiktheid 1.Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn functie onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen arbeidsongeschikt is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag. 2.De werkgever kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering. Artikel6.24samenloop onbetaald verlof met zwangerschaps- en bevallingsverlof Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Artikel6.25Aanspraken tijdens onbetaald Wazo-verlof 1.Tijdens onbetaald Wazo-verlof bestaat geen aanspraak op salaris, uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. 2.Tijdens onbetaald Wazo-verlof krijgt de ambtenaar, in afwijking van lid 1, wel de gehele tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering. 3.Tijdens onbetaald Wazo-verlof blijft het verhaal van de pensioenpremies voor de werknemer en de werkgever gelijk aan het bedrag dat conform het Pensioenreglement verschuldigd is. 4.Artikel 6.21 tot en met 6.24 gelden niet voor het onbetaalde Wazo-verlof. §6Ouderschapsverlof Artikel6.26Betaald ouderschapsverlof 1.De ambtenaar heeft recht op ouderschapsverlof met behoud van een deel van het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)voor elk kind waarvoor hij duurzaam de verzorging en opvoeding op zich heeft genomen en hij als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot het kind of, volgens verklaringen uit het bevolkingsregister, op hetzelfde adres woont als het kind. 2.Het is niet toegestaan dat de ambtenaar tijdens de uren waarvoor het ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. 3.De ambtenaar heeft geen recht op verlof na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaar heeft bereikt. Artikel6.27aanvraag en opnemen ouderschapsverlof 1.De ambtenaar dient de aanvraag tot ouderschapsverlof minimaal twee maanden vóór de door hem gewenste ingangsdatum in. 2.De ambtenaar met ouderschapsverlof heeft voor maximaal 13 keer de formele arbeidsduur per week aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en salaristoelage(n). Bij een voltijd dienstverband is dit 468 uur. 3.De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt de werkgever hiermee in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt opgeschort. 4.De ambtenaar die voor een kind al gebruik heeft gemaakt van ouderschapsverlof bij een vorige werkgever, heeft voor datzelfde kind recht op het eventueel nog resterende ouderschapsverlof. Artikel6.28doorbetaling bij ouderschapsverlof 1.Over de uren waarover de ambtenaar ouderschapsverlof is verleend bestaat recht op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)volgens de volgende tabel: Salaris Percentage doorbetaling salaris en salaristoelage(
- n)≤ het maximum salarisschaal 2 80% › het maximum van salarisschaal 2 en ≤ het maximum van salarisschaal 4 70% › het maximum van salarisschaal 4 50% 2.In afwijking van het eerste lid, kan de ambtenaar per kind kiezen voor: een hoger percentage doorbetaling van salaris en salaristoelage(
- n)met als gevolg dat het aantal uren betaald ouderschapsverlof minder wordt dan 468 uur, of een lager percentage doorbetaling van salaris en salaristoelage(
- n)met als gevolg dat het aantal uren betaald ouderschapsverlof meer wordt dan 468 uur. Hierbij wordt de volgende tabel gehanteerd: Salaris Keuze percentage van de ambtenaar: 50% Keuze percentage van de ambtenaar 70% Keuze percentage van de ambtenaar 80% Keuze percentage van de ambtenaar 100% Uren betaald ouderschapsverlof voor 13 weken ≤ het max. schaal 2 748,8 uur 534,9 uur 468 uur 374,4 uur › het max. van schaal 2 en ≤ het max van schaal 4 655,2 uur 468 uur 409,5 uur 327,6 uur ≥ het maximum van salarisschaal 4 468 uur 334,3 uur 292,5 uur 234 uur 3.Als uitgangspunt bij het bepalen van het percentage in het tweede lid geldt het salaris van een voltijddienstverband bij aanvang van de opname van het betaald ouderschapsverlof 4.Het recht op betaald ouderschapsverlof is korter dan 13 weken als het betaalde ouderschapsverlof in lid 2 wordt gecombineerd met de Wazo-uitkering geregeld in artikel 6.31 5.Het opnemen van ouderschapsverlof heeft geen wijziging in te betalen premies en inhoudingen tot gevolg. 6.Als de ambtenaar tijdens de ouderschapsverlofperiode wegens arbeidsongeschiktheid zijn functie niet kan vervullen, blijft artikel 7.4 (recht op salaris en de toegekende salaristoelage(n)) tijdens de eerste tien werkdagen buiten toepassing. 7.In geval van geboorte van een meerling of adoptie van meer kinderen tegelijk heeft de ambtenaar slechts eenmaal recht op doorbetaling als bedoeld in het eerste lid. Artikel6.29overige aanspraken bij ouderschapsverlof 1.Tijdens het ouderschapsverlof vindt geen opbouw van spaaruren plaats. 2.Tijdens het ouderschapsverlof vindt de reguliere vakantie-opbouw van wettelijke vakantie-uren plaats. De opbouw van bovenwettelijke vakantie-uren wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof. Artikel6.30Betaald ouderschapsverlof gecombineerd met Wazo-uitkering 1.De ambtenaar die tijdens het eerste levensjaar van het kind betaald ouderschapsverlof als genoemd in deze regeling combineert met het wettelijk betaald ouderschapsverlof heeft aanspraak op maximaal 9 weken van doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(
- n)voor 100%. Voor de resterende periode betaald ouderschapsverlof geldt het bepaalde in artikel 6.28 lid 1. 2.De lengte van de resterende periode betaald ouderschapsverlof, als in het eerste lid bedoeld, hangt af van het aantal opgenomen weken 100% betaald ouderschapsverlof dat de ambtenaar heeft opgenomen in het eerste levensjaar van het kind. De volgende combinaties zijn mogelijk: Ouderschapsverlof 100% betaald (betaald en wettelijk betaald samen) In het eerste levensjaar kind Betaald ouderschapsverlof artikel 6.26 e.v. Voor het achtste levensjaar kind Totaal 9 weken = 324 uur 4 weken = 144 uur 13 weken = 468 uur 8 weken = 288 uur 5 weken = 180 uur 13 weken = 468 uur 7 weken = 252 uur 6 weken = 216 uur 13 weken = 468 uur 6 weken = 216 uur 7 weken = 252 uur 13 weken = 468 uur 5 weken = 180 uur 8 weken = 288 uur 13 weken = 468 uur 4 weken = 144 uur 9 weken = 324 uur 13 weken = 468 uur 3 weken = 108 uur 10 weken = 360 uur 13 weken = 468 uur 2 weken = 72 uur 11 weken = 396 uur 13 weken = 468 uur 1 week = 36 uur 12 weken = 432 uur 13 weken = 468 uur 3.De ambtenaar kan in afwijking van het eerste en tweede lid kiezen om in het eerste levensjaar van het kind alleen gebruik te maken van het wettelijk betaald ouderschapsverlof zonder de doorbetaling van 100% van zijn salaris en salaristoelage(n). De ambtenaar heeft dan aanspraak op de wettelijke uitkering voor maximaal 9 weken en behoudt aanspraak op betaald ouderschapsverlof voor maximaal 13 weken als bedoeld in de artikel 6.26 t/m 6.30. 4.Bij twee of meerlingen bestaat voor één kind aanspraak op 100% betaald ouderschapsverlof als bedoeld in het eerste lid. Artikel6.31(vervallen) §7Zwangerschap en bevalling Artikel6.32algemene bepalingen Op deze paragraaf is de Wet arbeid en zorg van toepassing. Artikel6.33zwangerschaps- en bevallingsverlof 1.De ambtenaar heeft in verband met haar bevalling recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof met behoud van het salaris en de toegekende salaristoelage(n). 2.Het recht op zwangerschapsverlof bestaat vanaf zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling tot en met de dag van de bevalling, of vanaf 10 weken voor die dag bij een zwangerschap van een meerling. De ambtenaar overlegt hiertoe een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige. Het zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag bij een zwangerschap van een meerling. 3.Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen. 4.Als een kind tijdens het bevallingsverlof vanwege zijn medische toestand in een ziekenhuis is opgenomen, wordt het bevallingsverlof verlengd met het aantal opnamedagen, te rekenen vanaf de achtste dag van opname tot en met de laatste dag van het bevallingsverlof tot een maximum van tien weken. Deze verlenging van het bevallingsverlof is uitsluitend van toepassing voor zover de ziekenhuisopname langer duurt dan het aantal dagen waarmee het bevallingsverlof als gevolg van de werkelijke datum van bevalling op grond van het derde lid wordt verlengd. 5.Voor de toepassing van het derde lid worden dagen waarover de ambtenaar op grond van artikel 29a, tweede lid, Ziektewet ziekengeld heeft ontvangen in de periode dat zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij zwangerschapsverlof heeft opgenomen. 6.In afwijking van het derde lid kan de ambtenaar de werkgever verzoeken het bevallingsverlof op te delen na zes weken waarop het recht op dat verlof is ingegaan. De ambtenaar kan dit deel van het verlof opnemen gedurende het tijdvak van 30 weken, te rekenen vanaf de dag nadat het bevallingsverlof is opgedeeld. Dit verzoek wordt gedaan uiterlijk drie weken nadat het verlof is ingegaan. Artikel6.34(vervallen) §8vervallen 7Rechten en plichten bij arbeidsongeschiktheid §1Definities Artikel7.1 1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd; werkzaamheden in het kader van de re-integratie: loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7.6, derde lid; scholing in het kader van de re-integratie: scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7.6, derde lid; arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in: de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of; arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht, en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten. restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen; arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 14a, eerste en tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet; arbodeskundige: de deskundige, bedoeld in artikel 14 Arbeidsomstandighedenwet; inactieve: de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een veiligheidsregio; postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag, ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een veiligheidsregio of inactieve was. 2. Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst waarbij de ziekte of gebrek bestaat uit PTSS als beroepsziekte is een aanvullende regeling van toepassing. 3.Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst waarbij de ziekte of gebrek haar oorzaak vindt in een dienstongeval is een aanvullende regeling van toepassing. §2Algemene bepalingen Artikel7.2begin en einde van de arbeidsongeschiktheid 1.Arbeidsongeschiktheid gaat in op de dag dat de ambtenaar zich volgens de procedure, bedoeld in artikel 7.6 eerste lid, arbeidsongeschikt heeft gemeld. 2.Arbeidsongeschiktheid eindigt op het moment dat de ambtenaar: op advies van de arbodeskundige medisch geschikt is verklaard voor het volledig vervullen van zijn functie, of zijn functie volledig is gaan vervullen, tenzij dit in strijd is met de voorschriften van de Arbo-dienst of gecertificeerd deskundige(
- n)of gemaakte afspraken. 3.Als de datum van geschiktverklaring door de arbodeskundige anders is dan de feitelijke datum van hervatting, geldt de datum die aangegeven is door de arbodeskundige. 4.In bijzondere gevallen kan de ambtenaar zijn functie slechts weer vervullen als de werkgever, gelet op het advies van de arbodeskundige, hiervoor toestemming heeft gegeven. Hierbij wordt ook de mate van hervatting bepaald. Toestemming is in ieder geval vereist, als de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig arbeidsongeschikt is geweest. 5.Arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar tijdens zijn vakantie wordt beschouwd als arbeidsongeschiktheid in de zin van dit hoofdstuk, als: de ziek- en hersteldmelding wordt gedaan volgens de geldende procedure, en bij verblijf in het buitenland: na terugkeer aan de arbodeskundige een verklaring wordt overgelegd van de behandelend arts, waaruit blijkt wat de aard van de arbeidsongeschiktheid was en vanaf welke dag de ambtenaar arbeidsongeschikt werd en hersteld is Artikel7.3onderbreking perioden van arbeidsongeschiktheid Achtereenvolgende perioden van arbeidsongeschiktheid die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk bij elkaar geteld. Dit geldt ook als de perioden direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6.33 en 6.34, wordt genoten, echter alleen wanneer de arbeidsongeschiktheid redelijkerwijs voortvloeit uit dezelfde oorzaak. §3Rechten bij arbeidsongeschiktheid Artikel7.4recht op salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)1.De ambtenaar heeft vanaf de eerste dag van arbeidsongeschiktheid gedurende zes maanden recht op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). 2.De ambtenaar heeft bij voortduring van deze arbeidsongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). 3.De ambtenaar heeft bij voortduring van deze arbeidsongeschiktheid gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op 75% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). 4.De ambtenaar heeft bij voortduring van deze arbeidsongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op 70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). 5.De ambtenaar behoudt recht op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)over de uren waarop hij: zijn arbeid verricht; passende arbeid verricht; werkzaamheden in het kader van zijn re-integratie verricht; scholing volgt in het kader van zijn re-integratie; vakantieverlof geniet. 6.De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden, genoemd in het eerste lid, recht op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. 7.De ambtenaar, bedoeld in het derde en vierde lid, die minimaal 50% van zijn formele arbeidsduur per maand zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn re-integratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn re-integratie, heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)waar hij recht op heeft op grond van dit artikel. Hierbij geldt als maximum het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)bedoeld in het eerste lid. 8.De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, genoemd in artikel 6.33 en 6.34 arbeidsongeschikt is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, genoemd in het eerste tot en met het vierde lid, op. 9.De doorbetaling van salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)wegens arbeidsongeschiktheid eindigt als de ambtenaar wordt herplaatst in een andere functie. 10.Het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)worden niet lager dan het loon zoals genoemd in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag. 11.In individuele gevallen van terminale ziekte zal de afweging worden gemaakt of ook naafloop van de termijn van zes maanden, genoemd in het eerste lid, het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)worden doorbetaald. 12.De ambtenaar die tevens zelfstandig ondernemer is maakt aanspraak op financiële compensatie voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een dienstongeval bij de veiligheidsregio zoals uitgewerkt in een aanvullende regeling. Artikel7.5deskundigenoordeel Bij verschil van mening over de arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar kan een deskundigenoordeel als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder e, Wet Suwi gevraagd worden bij UWV. §4Verplichtingen bij arbeidsongeschiktheid Artikel7.6verplichtingen werkgever De werkgever stelt een procedure vast voor ziek- en hersteldmelding, begeleiding ziekteverzuim en Arbo-begeleiding waarin in ieder geval de volgende elementen zijn opgenomen: wanneer en bij wie de ambtenaar zich arbeidsongeschikt meldt op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag; hoe en door wie een eventuele controle plaatsvindt en of de ambtenaar thuis moet blijven; dat er contact tussen de arbodeskundige en ambtenaar plaatsvindt zodra de arbodeskundige, de werkgever of de ambtenaar dit nodig acht; dat uiterlijk binnen drie weken na aanvang van de arbeidsongeschiktheid contact is tussen de arbodeskundige en de arbeidsongeschikte ambtenaar en tussen de arbodeskundige en de werkgever; dat de werkgever het ziekteverloop bijhoudt; dat er tussen werkgever en de ambtenaar in ieder geval iedere zes weken contact is; dat er tussen werkgever en de arbodeskundige in ieder geval iedere zes weken contact is. De werkgever informeert de ambtenaar over de procedure. De werkgever stelt in overleg met de ambtenaar een plan van aanpak op als genoemd inartikel 25, tweede lid, Wia. Dit plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. De werkgever treft zo spoedig mogelijk maatregelen zodat de ambtenaar in staat is omeigen arbeid of andere passende arbeid te verrichten. Als vaststaat dat de eigen functie of passende arbeid niet kan worden verricht binnen degemeente, dan bevordert de werkgever het verrichten van passende arbeid bij een andere werkgever. Artikel7.7verplichtingen ambtenaar 1.De ambtenaar verstrekt gevraagd en ongevraagd alle informatie die noodzakelijk is voorde uitvoering van dit hoofdstuk. 2.De ambtenaar is verplicht: zich te gedragen volgens de procedures voor ziek- en hersteldmelding, begeleiding ziekteverzuim en Arbo- begeleiding; de aanwijzingen van de arbodeskundige op te volgen ter bevordering van zijn herstel, en zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak voor re-integratie, als genoemd in artikel 25, tweede lid, Wia; tijdig een uitkering op grond van de Wia aan te vragen. 3.Als de ambtenaar medisch hiertoe in staat is, is hij verplicht om de eigen of andere aangeboden passende arbeid te verrichten binnen of buiten de gemeente. Artikel7.8wijze van opdragen passende arbeid 1.passende arbeid kan zonder wijziging van de tewerkstelling aan de ambtenaar worden opgedragen door: een andere functie voor tijdelijke duur, een proefplaatsing in een andere functie; detachering bij een andere werkgever. 2.Na 24 maanden van arbeidsongeschiktheid kan passende arbeid aan de ambtenaar worden opgedragen in een andere functie door definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de tewerkstelling. 3.Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die arbeidsongeschikt is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut. 4.Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die arbeidsongeschikt is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80 arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut. 5.Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een andere functie mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden. 6.Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in de artikelen 6.33 en 6.34, niet in aanmerking genomen. 7.Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of als zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. 8.De termijn van 24 maanden wordt verlengd: met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld. 9.De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen. 10.Na de toepassing van het tweede lid kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigenfunctie, of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden, met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. Artikel7.9onderzoek door arbodeskundige De ambtenaar die wegens arbeidsongeschiktheid verhinderd is zijn functie te vervullen, is verplicht mee te werken aan medisch onderzoek door of namens de arbodeskundige ter beantwoording van de vraag: of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn functie wegens arbeidsongeschiktheid en in welke mate; of de verhindering tot het vervullen van zijn functie aan zijn opzet te wijten is; of hij zich zodanig gedraagt dat zijn herstel wordt belemmerd dan wel vertraagd; of een nader specialistisch onderzoek noodzakelijk is; of hij geschikt kan worden geacht voor de vervulling van andere passende arbeid. Artikel7.10verplicht medisch onderzoek bij functievervulling 1.De ambtenaar die zijn functie vervult, is verplicht mee te werken aan een medisch onderzoek door of namens de arbodeskundige als er grond is om te veronderstellen dat zijn lichamelijke of geestelijke toestand vereist dat hij zijn werkzaamheden niet verricht vanwege: zijn eigen belang; het belang van de werkgever, of het belang van bij zijn taakvervulling betrokken derden. 2.Als na het medisch onderzoek blijkt dat het niet verantwoord is dat hij zijn functie blijft vervullen, wordt de ambtenaar ontheven uit zijn functie. Hij wordt dan geacht arbeidsongeschikt te zijn waardoor de bepalingen van dit hoofdstuk op hem van toepassing zijn. Artikel7.11Periodiek ArbeidsGezondheidskundig Onderzoek (PAGO) 1.De ambtenaar die bij de vervulling van zijn functie aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, of aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, is verplicht mee te werken aan een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek door de arbodeskundige. 2.Als na het onderzoek blijkt dat het niet verantwoord is dat de ambtenaar zijn functie blijft vervullen wordt hij ontheven uit zijn functie. Hij wordt dan geacht arbeidsongeschikt te zijn waardoor de bepalingen van dit hoofdstuk op hem van toepassing zijn. §5Maatregelen Artikel7.12vermindering salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)Als de ambtenaar weigert de eigen of andere passende arbeid te verrichten binnen of buiten de VrAA, worden de inkomsten die hij met passende arbeid had kunnen ontvangen geheel in mindering gebracht op zijn salaris, de toegekende salaristoelage(
- n)en de opbouw van het IKB. Artikel7.13stopzetten betaling 1.De ambtenaar heeft geen recht op salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)als bedoeld in artikel 7.4 en de opbouw van het IKB, bedoeld in artikel 3.28 voor de duur dat hij: niet voldoet aan de verplichtingen in artikel 7.7; weigert mee te werken aan een onderzoek door de arbodeskundige; zonder geldige reden niet verschijnt voor een onderzoek door de arbodeskundige; zich kennelijk opzettelijk onttrekt aan een deskundigenoordeel als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder e, Wet Suwi; verhindering wegens arbeidsongeschiktheid voorwendt, althans zodanig overdreven voorstelt, dat de noodzaak tot verhindering niet kan worden aangenomen; zich zodanig gedraagt dat zijn herstel wordt belemmerd of vertraagd; werkzaamheden voor zich zelf of derden verricht, tenzij dit gebeurt in het belang van zijn re-integratie en hij hiervoor schriftelijk toestemming heeft gekregen van de werkgever. 2.In afwijking van het eerste lid vindt betaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)en de opbouw van het IKB wel plaats als de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag. §6Samenloop van salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)bij arbeidsongeschiktheid met andere uitkeringen Artikel7.14samenloop met Ziektewetuitkering 1.Als de ambtenaar recht heeft op een ZW-uitkering wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)waarop hij op grond van artikel 7.4 recht heeft. 2.De ambtenaar verleent zijn medewerking aan uitbetaling van de ZW-uitkering via de werkgever. 3.Als de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde termijnen endit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering. 4.Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering. 5.Als de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 7.4 (recht op salaris en de toegekende salaristoelage(n)) recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar uitbetaald. Artikel7.15samenloop met Werkloosheidswetuitkering Als de ambtenaar vanwege de functie waarin de arbeidsongeschiktheid is ontstaan, recht heeft op een werkloosheidsuitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)waarop hij op grond van artikel 7.4 (recht op salaris en de toegekende salaristoelage(n)) recht heeft. Artikel7.16samenloop met Wia-uitkering 1.Als de ambtenaar vanwege zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op een WGA- ofIVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)waar hij op grond van artikel 7.4 recht op heeft. Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGA-uitkering in verband met volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGA-uitkering. 2.Als de ambtenaar op grond van twee of meer functies recht heeft op een WGA- ofIVA-uitkering, wordt die uitkering toegerekend aan de functie op grond waarvan de betaling wordt gedaan naar rato van het salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)uit hoofde van de desbetreffende functies. 3.De ambtenaar verleent zijn medewerking om de WGA- of IVA-uitkering via de werkgever tot uitbetaling te laten komen. 4.Als de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering. 5.Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering. 6.Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene deWGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag plaatsvond. 7.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar die op grond van arbeidsongeschiktheid recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong. Artikel7.17inkomsten herplaatsing in mindering brengen op salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)1.Als de ambtenaar tijdens zijn arbeidsongeschiktheid op advies van de arbodeskundige of UWV, in het kader van zijn re-integratie of herplaatsing werkzaamheden voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar recht heeft op grond van artikel 7.4 (recht op salaris en de toegekende salaristoelage(n)). 2.Onder inkomsten worden ook verstaan: een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 9 Pensioenreglement, zoals dat luidde op 31 december 2005; elke andere toelage, onder welke benaming ook, die betrekking heeft op werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid. Artikel7.18verlaging salaris en salaristoelage(
- n)bij samenloop Als de ambtenaar recht heeft op een andere uitkering dan genoemd in deze paragraaf, wordt dit bedrag in mindering gebracht op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
- n)tenzij deze uitkering geen verband houdt met zijn arbeidsongeschiktheid. §7Arbeidsongeschiktheid in en door de dienst Artikel7.19periodieke aanvullende uitkering bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst 1.Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst heeft de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering recht op een periodieke aanvullende uitkering. De basis voor de berekening van de aanvullende uitkering is de uitkering van het UWV waarop geen maatregel conform artikel 88 WIA is toegepast. Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst heeft de definitief herplaatste ambtenaardie recht heeft op een WGA-uitkering recht op een periodieke aanvullende uitker