← Nederland

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 (Overijssel)

In het kort

Dit besluit regelt de toekenning van subsidies door Gedeputeerde Staten van Overijssel en is op 1 januari 2017 in werking getreden, ter vervanging van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011. Het beschrijft algemene bepalingen en definities die van toepassing zijn op de subsidieverlening.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben besloten: het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011 per 1 januari 2017 in te trekken; het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssl 2017 vast te stellen en inwerking te laten treden op 1 januari 2017. Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 luidt als volgt: Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2017 Hoofdstuk1Algemeen Paragraaf1.1Algemene bepalingen Artikel1.1.1.Begripsomschrijvingen Toelichting: In dit artikel wordt de betekenis van een aantal begrippen omschreven, die vaker in dit Uitvoeringsbesluit subsidies worden gehanteerd. Begrippen die in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) al worden omschreven, zijn niet in dit Uitvoeringsbesluit subsidies herhaald. In dit Uitvoeringsbesluit 2017 wordt verstaan onder: AGVV: de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (EG) nr. 651/2014, Pb L187/1 van de Europese Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard; Asv: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005; Toelichting: Subsidies die niet op basis van een subsidieparagraaf worden verstrekt maar op basis van de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 (Asv), worden ook wel Asv-subsidies genoemd. De Asv en het Ubs zijn een wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23 Awb). Awb: de Algemene wet bestuursrecht; algemene de-minimisverordening: de Verordening (EU) 1407/2013 van de Europese Commissie van 24 december 2013, betreffende de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op de-minimissteun; Toelichting: Subsidie kan geoorloofde staatssteun zijn als het valt onder een Europese vrijstellingsverordening. Welke vrijstelling precies van toepassing is, wordt in de betreffende subsidieparagraaf of in de verleningsbeschikking vermeld. algemene de-minimisverordening landbouw: de Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector; algemene de-minimisverordening visserij: de Verordening (EU) Nr. 717/2014 de Europese Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Overijssel; LVV: de Landbouw vrijstellingsverordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014, Pb L193/1, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard mede-overheden: de gemeenten, waterschappen, andere provincies en de rijksoverheid; Toelichting: Hier wordt een verschil gemaakt tussen gemeenten en waterschappen aan de ene kant en diverse vormen van (semi-)overheden aan de andere kant, zoals overheidsvennootschappen, geprivatiseerde overheidsonderdelen, zelfstandige bestuursorganen e.d. Ook een gemeenschappelijke regeling zoals bedoeld in de wet Gemeenschappelijke Regelingen, al of niet met private partners, valt niet onder het begrip mede-overheden. Mkb-onderneming : een micro-, kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in de Aanbeveling van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, PbL124/36; Toelichting: Een kleine onderneming is een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt. Een micro-onderneming is een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt. Tot de categorie middelgrote ondernemingen behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt. Omgevingsvisie: de op 1 juli 2009 door Provinciale Staten vastgestelde visie en het uitvoeringsprogramma voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel, inclusief de actualisatie zoals door Provinciale Staten vastgesteld op 3 juli 2013. Toelichting: De Omgevingsvisie is te vinden op www.overijssel.nl/thema's/ruimtelijke/omgevingsvisie/. onderneming: een natuurlijke of rechtspersoon die tegen betaling een product of dienst op de markt brengt, ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering; onderneming in moeilijkheden: een onderneming als bedoeld in artikel 2 lid 18 van de AGVV dan wel artikel 2 lid 14 van de LVV; Toelichting: Van een onderneming in moeilijkheden is sprake: in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een mkb die minder dan drie jaar bestaat) als meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal; in het geval van een onderneming als ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat) wanneer meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door de gecumuleerde verliezen is verdwenen; wanneer tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure loopt of de onderneming volgens het nationale recht aan de criteria voldoet om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen; wanneer de onderneming reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, dan wel herstructureringssteun heeft ontvangen en nog steeds in een herstructureringsplan zit; in het geval van een onderneming die geen kmo is als de afgelopen twee jaar: de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de onderneming, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg, en de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,0. subsidie: een subsidie als bedoeld in artikel 4:21 Awb, die voor een bepaalde termijn wordt verstrekt. Toelichting: De provincie verstrekt geen structurele subsidies. Afdeling 4.2.8 Awb ‘Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen’ is om die reden op provinciale subsidies niet van toepassing. De ‘bepaalde termijn’ wordt opgenomen in de subsidiebeschikking en is afhankelijk van de soort activiteit; dat kan om die reden variëren van een dag tot een aantal jaren voor grotere (infrastructurele) projecten. Als het gaat om jaarlijks min of meer doorlopende activiteiten is de gebruikelijke ‘bepaalde termijn’ maximaal vier jaar. Voor de periode van vier jaar is gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de zittingstermijn van Provinciale Staten (hoewel die termijnen uiteraard niet helemaal gelijk hoeven te lopen), alsmede de looptijd van beleidsnota’s én het een goede termijn is om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die nog steeds met de verstrekte subsidies worden gediend. Een subsidie kan ook in de vorm van een garantstelling of een niet-marktconforme lening worden verstrekt; in dat geval is in de subsidieparagraaf of in de verleningsbeschikking vermeld hoe die garantstelling of gunstiger leningvoorwaarden er uit zien.] subsidiabele kosten: de kosten die bij het verlenen en vaststellen van de subsidie in aanmerking komen voor de berekening van de hoogte van de subsidie; subsidieperiode: de periode vanaf de datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de verleningsbeschikking of vaststellingsbeschikking opgenomen datum waarop de subsidiabele activiteit is uitgevoerd; Ubs: Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel. Artikel1.1.2.Toepassingsbereik Toelichting: Omdat het vereiste van een wettelijke en niet wettelijke grondslag niet in alle gevallen kan worden gesteld, maakt het derde lid van artikel 4:23 Awb enkele belangrijke uitzonderingen, de zogenaamde buitenwettelijke subsidies. Om ervoor te zorgen dat naast de Awb ook de bepalingen van de Algemene subsidieverordening of dit Uitvoeringsbesluit subsidies gelden voor het verstrekken van deze subsidies is de reikwijdte hiervan uitdrukkelijk benoemd. In artikel 6 van de Algemene subsidieverordening zijn afwijkingsmogelijkheden van bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening opgenomen. Wanneer naast de provincie ook andere overheden of derden subsidiëren, kan een subsidieontvanger te maken krijgen met niet op elkaar afgestemde subsidiebepalingen. Elke subsidiënt heeft immers vaak zijn eigen specifieke bepalingen. In dat geval wordt bij de behandeling van Europese subsidies de Europese regelgeving gevolgd. Voor alle overige subsidies geldt dat Gedeputeerde Staten in de subsidiebeschikking door maatwerk één of meerdere bepalingen van de verordening of het uitvoeringsbesluit buiten toepassing kunnen laten om de toepassing van conflicterende bepalingen te voorkomen. De van de algemene reikwijdte uitgezonderde wettelijke grondslagen hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij door hun aard niet aansluiten bij de bepalingen in dit Uitvoeringsbesluit subsidies. Dit Uitvoeringsbesluit subsidies is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van subsidies op basis van de volgende wettelijke grondslagen: Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel; Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel; Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel; Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016; Subsidieregeling Rivierdijken; Subsidieverordening Bodemsanering Bedrijfsterreinen Overijssel; Subsidieverordening Innovatiefonds Overijssel II B.V.; Subsidieverordening Innovatiekrediet Overijssel; Wet personenvervoer 2000; Samenwerkingsovereenkomst Asbestbodemsaneringsopgave 2016-2022 Overijssel. Artikel1.1.3.Subsidieplafond Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieplafond vaststellen. Toelichting: Artikel 5 van de Algemene subsidieverordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. Gedeputeerde Staten zullen voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidieparagrafen een subsidieplafond vaststellen dat voor een heel kalenderjaar geldt. De Awb gaat er van uit dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóór dat de periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Artikel1.1.4Wijze van verlening Toelichting: Hoofdregel is dat subsidieaanvragen worden beoordeeld op volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag. In het aanvraagformulieren worden gegevens gevraagd die nodig zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. In het aanvraagformulier kan ook om mee te sturen bijlagen worden gevraagd. Als daaraan is voldaan, is een aanvraag volledig. Wanneer een aanvraag niet volledig is wordt om aanvulling gevraagd. Als ook na de gevraagde aanvulling sprake is van onvoldoende gegevens om de aanvraag te kunnen beoordelen, wordt de aanvraag op basis van artikel 4:5 Awb buiten behandeling gelaten. De datum waarop de gevraagde gegevens zijn ontvangen, is de datum waarop de aanvraag als volledig wordt beschouwd. Deze datum is van belang om te bepalen welke aanvraag als eerst inhoudelijk beoordeeld wordt en daarmee ook bepalend voor de volgorde waarin de subsidies verleend worden. Bij de inhoudelijk beoordeling kan blijken dat er nog een toelichting op de gegevens nodig is; de aanvrager wordt in dat geval daartoe in de gelegenheid gesteld. Komt die toelichting er niet of is er na ontvangst daarvan nog steeds onduidelijkheid, dan kan de aanvraag gemotiveerd worden afgewezen omdat onvoldoende duidelijk aan de regels uit dit Uitvoeringsbesluit subsidies is voldaan.Omdat de aanvraag al eerder als volledig is beschouwd heeft het vragen van een nadere toelichting geen invloed op de volgorde waarin de subsidies worden verstrekt. Gedeputeerde Staten kunnen in een bijzondere subsidieparagraaf afwijken van de hoofdwijze van verlening van de subsidie, door bijvoorbeeld te kiezen voor een verlening op basis van een vastgestelde kwaliteitsvolgorde, de zogenoemde tendersystematiek. Bij een tendersystematiek worden alle aanvragen die op de sluitingsdatum van de tender volledig waren met elkaar vergeleken en de hoogst scorenden in de ranking krijgen subsidie totdat het beschikbare subsidieplafond bereikt is. Bij de tendersystematiek kan een onvolledige aanvraag na sluitingsdatum om die reden alleen nog aangevuld worden voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Het gaat dan om bijvoorbeeld een ontbrekende handtekening onder de aanvraag, een bankrekeningbewijs of andere gegevens die geen invloed hebben op de inhoud van de activteiten of de financiering ervan. Als bij een tenderregeling blijkt dat door verstrekking van een subsidie, waarbij het te verstrekken subsidiebedrag hoger is dan het resterende bedrag van het subsidieplafond, het subsidieplafond wordt overschreden, dan weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie geheel, overeenkomstig artikel 4.25 lid 2 Awb. 1.Gedeputeerde Staten verlenen subsidie, voorzover het subsidieplafond dit toelaat, in volgorde van ontvangst van volledige aanvragen. 2.Een aanvraag wordt als volledig beschouwd als: het voorgeschreven aanvraagformulier is ingevuld; en de gegevens zoals genoemd in artikel 1.2.1 en eventuele aanvullende gegevens die gevraagd worden in de betreffende subsidieparagraaf zijn overgelegd. Artikel1.1.5.Subsidiabele kosten 1.Loonkosten van medewerkers in dienst van de aanvrager zijn subsidiabel als deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, doelmatig en aantoonbaar zijn én de berekening ervan gebaseerd is op één van de volgende systematieken: Toelichting: Loonkosten zijn subsidiabel, indien de urenadministratie en de toerekening van kosten een getrouw beeld geven. Dat wil zeggen dat aangetoond moet kunnen worden dat de verantwoorde uren ook voor de gesubsidieerde activiteiten zijn gewerkt. Voor de berekening van de loonkosten wordt waar het kan aangesloten bij de praktijk en administratie van de subsidieontvanger. Dat brengt met zich mee dat ook de gangbare invulling daarvan geldt: onder ‘directe loonkosten’ vallen dan het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen. De keuze is aan de subsidieaanvrager welk van de in het eerste lid onder sub a of b genoemde systematieken gehanteerd wordt. volgens de loonkosten plus opslag. Voor de berekening van de loonkosten op deze wijze wordt de volgende formule gehanteerd: directe loonkosten per jaar delen door 1.600 uren per fulltime medewerker, vermeerderd met maximaal 40% als vergoeding voor de indirecte kosten; Toelichting: Hierbij vormen de loonstaten per medewerker die deelneemt aan het project de basis voor de berekening van de subsidiabele loonkosten. Het aantal productieve uren en percentage indirecte kosten (overhead) opslag waarmee het uurtarief mag worden berekend is maximaal 40%. . het hanteren van een vast uurtarief van € 35 voor eigen werkzaamheden, directe loonkosten of voor arbeidskosten van personen waarvan het loon niet eenduidig bepaald kan worden. Toelichting: De subsidieaanvrager kan een vast uurtarief van € 35 hanteren voor loonkosten van personen waarvan het loon niet eenduidig bepaald kan worden.Dit uurtarief geldt ook voor bijvoorbeeld zzp-ers en andere vormen van inzet van arbeid die noch in loondienst zijn gemaakt noch als kosten derden zijn aan te merken.. 2.Kosten voor het gebruik van machines en apparatuur, zijn naar rato van het gebruik subsidiabel indien deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn. Dit geldt voor zowel machines en apparatuur die in bezit zijn als voor machines en apparatuur die nog worden aangeschaft ten behoeve van de te subsidiëren activiteit. Toelichting: Kosten die gemaakt worden voor gebruik van apparatuur ten behoeve van de subsidiabele activiteit zijn subsidiabel . Onder apparatuur vallen apparaten en machines, maar bijvoorbeeld ook bijkomende kosten zoals licenties voor software maar ook de eventuele onderhoudskosten van een machine of apparatuur. De kosten voor het gebruik van de apparatuur zijn naar rato van gebruik subsidiabel. Dit betekent dat de kosten niet volledig opgevoerd mogen worden indien de apparatuur breder ingezet wordt dan alleen voor de subsidiabele activiteit. Ook de eventuele afschrijvingskosten worden naar rato van gebruik opgenomen als kosten. 3.Kosten van derden zijn subsidiabel indien deze kosten op factuur aantoonbaar aan een onafhankelijke derde verschuldigd zijn, rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit zijn toe te rekenen zijn, doelmatig zijn en betrekking hebben op activiteiten die binnen de subsidieperiode uitgevoerd zijn. Het maximaal subsidiabele uurtarief van derden is € 130 exclusief Btw. Toelichting: Dit zijn de op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt en doelmatig zijn, bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit of in de vorm van kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde materialen, diensten en inhuur personeel. Doelmatig betekent onder andere dat het resultaat geleverd wordt tegen zo min mogelijke kosten. Daarnaast moeten de kosten worden gemaakt en de dienst of producten worden geleverd door een onafhankelijke derde. Er is bijvoorbeeld sprake van onafhankelijkheid als er: geen onderlinge band is tussen de aanvrager en de derde. De derde kan zelfstandige besluiten nemen zonder dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen de derde en de subsidieaanvrager; geen sprake is van een dochter-/zuster-/moederonderneming die als derde wordt betrokken. 4.Kosten voor de inzet van vrijwilligers zijn alleen subsidiabel als ze op factuur aantoonbaar zijn. Toelichting: Te denken valt bijvoorbeeld aan kosten als verzekeringspremie voor vrijwilligerinzet, lunches en andere kosten die door de aanvrager gemaakt worden om inzet van vrijwilligers te faciliteren. Het gaat hierbij niet om een vergoeding voor de inzet in uren van vrijwilligers, die is immers meestal niet op factuur aantoonbaar. 5.De subsidie voor het verkrijgen van een controleverklaring bedraagt 100% van de kosten indien deze door Gedeputeerde Staten verplicht wordt gesteld en de kosten ervan op factuur aantoonbaar aan een onafhankelijke accountant zijn verschuldigd. Toelichting: Een controleverklaring is een verklaring die afgegeven wordt door een accountant waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn uitgevoerd en de kosten zijn gemaakt. Wanneer Gedeputeerde Staten een controleverklaring verplicht stellen, wordt dit in de verleningsbeschikking opgenomen Artikel1.1.6Niet subsidiabele kosten Toelichting: Deze kosten worden niet meegenomen bij de berekening van de subsidie omdat ze niet aangemerkt zijn als kosten die direct aan de subsidiabele activiteiten toe te rekenen zijn. 1.De in de begroting bij de subsidiabele activiteiten opgenomen kostenpost Onvoorzien, kosten die niet rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, boetes, gerechtskosten, kosten voor financieringen, debetrente, leges, kosten voor het inhuren van een subsidieadviesbureau of andere subsidiebemiddelaar en vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers zijn niet subsidiabel; 2.Btw is niet subsidiabel, tenzij door de subsidieaanvrager bij de verlening kan worden aangetoond dat de Btw over de subsidiabele activiteiten niet met de fiscus of via het Btw-compensatiefonds kan worden verrekend; 3.Kosten van activiteiten die buiten de subsidieperiode zijn uitgevoerd, zijn niet subsidiabel, met uitzondering van de kosten als bedoeld in artikel 1.1.5 vijfde lid. Toelichting: Het begrip subsidieperiode is omschreven in artikel 1.1.1. Als bijvoorbeeld de activiteit is gestart voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen, dan kunnen alleen de kosten van het deel van de activiteit dat nog niet is uitgevoerd voor subsidie in aanmerking komen. In dat geval kan worden gevraagd om een specificatie van de kosten van de activiteiten die al zijn uitgevoerd. 4.Gangbare apparaatkosten van medeoverheden, tenzij de aanvrager kan aantonen dat deze kosten specifiek worden gemaakt ten behoeve van de subsidiabele activiteit en anders niet zouden zijn gemaakt zijn niet subsidiabel; Toelichting: In dit artikel is geregeld dat gangbare apparaatskosten van medeoverheden niet subsidiabel zijn. Conform artikel 1.1.1 worden onder medeoverheden gemeenten, waterschappen en provincies verstaan. Gangbare apparaatskosten zijn over het algemeen de overheadkosten. Ook inzet van ambtelijke capaciteit is hiermee beperkt subsidiabel. Indien sprake is van inzet van vast personeel wat gedekt is in de gemeentelijke begroting en tot de reguliere formatie behoort, is dit niet subsidiabel. Ook worden geen capaciteitstekorten bij de gemeenten gesubsidieerd, omdat de gemeenten hier zelf verantwoordelijk voor zijn. Dat betekent dus dat inzet van ambtelijke capaciteit alleen subsidiabel is als: er sprake is van inhuur voor het project (dan zijn de kosten subsidiabel conform artikel 1.1.5 derde lid, kosten derden die rechtstreeks op het project drukken); of er sprake is van inzet vaste formatie waarbij die vaste formatie aantoonbaar door tijdelijke inhuur of tijdelijke werktijduitbreiding gedurende de looptijd van het project wordt gerealiseerd; of er sprake is van vast personeel dat ongedekt in de (gemeentelijke) begroting staat en zichzelf als het ware moeten terugverdienen. Uit de aanvraag moet blijken dat van een of meer van deze uitzonderingen sprake is.] Artikel1.1.7Algemene weigeringsgronden Toelichting: Met dit artikel worden de weigeringsgronden uit artikel 4:35 Awb aangevuld. Dat wetsartikel maakt het bijvoorbeeld mogelijk een subsidie te weigeren als naar verwachting het gesubsidieerde project niet wordt uitgevoerd of als de aanvrager failliet is verklaard. In een subsidieparagraaf kunnen aanvullend of afwijkend bijzondere weigeringsgronden worden genoemd. 1.Gedeputeerde Staten kunnen besluiten de subsidie geheel of gedeeltelijk te weigeren indien de kosten van de subsidiabele activiteit naar haar oordeel als niet doelmatig kunnen worden aangemerkt of redelijkerwijs anders kunnen worden gedekt. Toelichting: Omdat subsidies met gemeenschapsgelden worden gefinancierd, is een doelmatige uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten van belang. Een activiteit doelmatig uitvoeren betekent dat naar mening van Gedeputeerde Staten de betreffende inspanningen en uitgaven voor de te subsidiëren activiteiten daadwerkelijk bijdragen aan de realisatie van het beoogde doel en de hiervoor ingezette middelen en kosten daarmee in verhouding staan.Uit het gebruik van het woord ’kunnen’ blijkt dat het een facultatieve weigeringsgrond is. Gedeputeerde Staten zullen hierbij een belangenafweging maken en kunnen de subsidie weigeren als de activiteit ook zonder de gevraagde subsidie gerealiseerd kan worden. 2.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als de te verstrekken subsidie lager is dan € 1.000. Toelichting: Om de provinciale uitvoeringskosten ook doelmatig te houden, wordt een ondergrens gehanteerd voor een te verstrekken subsidie. 3.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien sprake is van stapeling van subsidie. Er is sprake van stapeling van subsidie als voor dezelfde activiteit of dezelfde kosten al subsidie is verstrekt op grond van het Ubs of de Asv. Dit geldt niet indien sprake is van subsidie die verstrekt is uit Europese Fondsen of een subsidie in die verstrekt is in de vorm van een geldlening. Toelichting: Voor veel activiteiten geldt dat een combinatie van financiële bronnen bij elkaar wordt gebracht om realisering van die activiteiten mogelijk te maken. Een provinciale subsidie is daar vaak één van. Andere bronnen zijn onder andere subsidies van andere (semi-)overheden en/of Europese subsidies (vaak ook cofinanciering genoemd), private fondsen als het Oranjefonds of VSB-fonds, leningen van banken of revolverende overheidsfondsen, sponsoring, eigen middelen aanvrager of deelnemersbijdragen. Voor een provinciale subsidie geldt dat wanneer, zoals gebruikelijk, deze geen 100% van de subsidiabele kosten bedraagt, de aanvrager zelf het resterende deel gefinancierd moet krijgen uit andere bronnen dan provinciale subsidies. Gedeputeerde Staten vinden een dergelijke financiële betrokkenheid van de aanvrager van belang voor de realisatie van de activiteiten. Toelichting: Uitgangspunt is dat voor een activiteit één subsidieparagraaf is opgenomen in het Ubs. Toch kan het soms voorkomen dat meerder subsidieparagrafen of subsidiebronnen van de provincie ingezet kunnen worden. In dat geval kiest de aanvrager de meest passende of voor de aanvrager meest gunstige subsidieparagraaf of subsidiebron. Het is niet mogelijk om voor dezelfde activiteit of dezelfde kosten meerdere provinciale subsidies te ontvangen. 4.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als uit de begroting blijkt dat de kosten niet gefinancierd kunnen worden. 5.Gedeputeerde Staten weigeren een subsidie in de vorm van een geldlening als naar haar oordeel de lening naar verwachting niet terugbetaald kan worden. 6.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als sprake is van een aanvrager ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.. Artikel1.1.8Staatssteun Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie alleen verstrekken indien voldaan wordt aan een Europese verordening op basis waarvan de subsidie toelaatbaar is verklaard. Toelichting: Overheden die steun willen verlenen, moeten zich houden aan de regels voor staatssteun. De staatssteunregels zijn neergelegd in de artikelen 107, 108 en 109 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU). Staatssteun is in principe verboden. Er gelden echter vele uitzonderingen (vrijstellingsmogelijkheden) op het staatssteunverbod. Een maatregel levert pas staatssteun op als er aan alle voorwaarden van de cumulatieve criteria van het staatssteunverbod wordt voldaan. De Europese Commissie beoordeelt staatssteun op basis van vijf criteria: De steun wordt verleend aan een onderneming. Dit betekent dat het gaat om een organisatie die economische activiteiten verricht. Een economische activiteit is het aanbieden van een goed of dienst op een zekere markt. De steun wordt door de overheid verleend of met overheidsmiddelen bekostigd. Het verschaft een economisch voordeel aan een onderneming dat zij niet langs de normale commerciële weg gehad zou hebben.. Het voordeel is selectief, dat wil zeggen het komt ten goede aan bepaalde ondernemingen.. Het voordeel heeft een (potentiële) invloed op de handel tussen lidstaten. Bij subsidieverlening is bijna altijd wel sprake van het tweede t/m het vierde criterium. Of voldaan wordt aan het eerste en vijfde criterium wordt nader getoetst op basis van vragen in het betreffende aanvraagformulier. Meer informatie over staatssteun is o.a. te vinden op www.europadecentraal.nl. Indien sprake kan zijn van staatssteun dan is in de betreffende subsidieparagraaf vermeld welke Europese vrijstellingsverordening van toepassing is. Dit kan bijvoorbeeld de algemene de-minimisverordening, de Algemene Vrijstellingsverordening (AGVV) of de Landbouwvrijstellingsverordening (LVV) zijn. Subsidies op basis van de AGVV en de LVV kunnen alleen verstrekt worden als voldaan wordt aan de algemene en procedurele bepalingen zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van de AGVV dan wel LVV en de betreffende van toepassing zijnde artikelen. Dit betekent in ieder geval dat de subsidie een stimulerend effect moet hebben (artikel 6 van de AGVV en de LVV). Dit betekent dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd nog niet zijn gestart op het moment van de aanvraag. Ook mag de subsidieontvanger niet in moeilijkheden verkeren (artikel 1.1.1) en er mag geen terugvorderingsbesluit genomen zijn ten aanzien van eerder verleende staatssteun (de zogenoemde Deggendorfclausule) (artikel 1.1.4). Ook kan de subsidie lager worden verleend of vastgesteld indien de subsidie leidt tot overschrijding van de steunpercentages en steundrempels zoals opgenomen in hoofdstuk 1 dan wel het betreffende artikel van de AGVV of LVV. Alle financiële bijdragen van overheden voor de betreffende activiteit, worden bij elkaar opgeteld om het totale subsidiebedrag te bepalen (cumulatie) (artikel 8 van de AGVV en LVV). Op grond van de algemene de-minimisverordening kunnen overheden aan ondernemingen de-minimissubsidie tot € 200.000,- verstrekken over een periode van drie belastingjaren zonder dat dit staatssteun oplevert. Deze steun is zo minimaal (de-minimis) dat het weinig tot geen impact heeft op de interne markt. Voor een onderneming uit de visserij bedraagt de maximale de-minimissubsidie € 30.000,- en voor een landbouwonderneming maximaal € 15.000,- over een periode van drie belastingjaren. Paragraaf1.2De aanvraag Artikel1.2.1.Bij aanvraag in te dienen gegevens 1.De aanvraag om een subsidie wordt schriftelijk bij Gedeputeerde Staten ingediend door gebruik te maken van het beschikbaar gestelde digitale aanvraagformulier. Toelichting: Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door het invullen van een door of namens Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde digitaal aanvraagformulier op www.overijssel.nl/subsidie. Er zijn digitale formulieren voor subsidies op basis van subsidieparagrafen in dit Uitvoeringsbesluit, maar ook voor zogeheten ASV-subsidies die niet binnen het bereik van een subsidieparagraaf vallen. Doel van het aanvraagformulier is om aan de aanvrager te verduidelijken welke informatie hij bij de aanvraag moet geven zodat de behandeling van de aanvraag vlotter kan plaatsvinden. De volgende gegevens worden in ieder geval gevraagd in het aanvraagformulier: een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen; 2.Een aanvraag om subsidie bevat in ieder geval de volgende gegevens: Toelichting: Volgens artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in Afdeling 4.1.1. van de Awb. In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij zijn aanvraag voor subsidie. In dit artikellid is geregeld welke stukken en gegevens ingediend moeten worden bij een aanvraag voor subsidie. Het kan voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende gegevens worden gevraagd. Dan zal dan blijken uit de betreffende subsidieparagraaf. een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; de doelen en resltaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de prestaties daaraan bijdragen; een begroting waaruit de kosten van te subsidiëren activiteiten en de dekking daarvan blijkt, onder vermelding van de van toepassing zijnde subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 1.1.5. 3.Indien sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU overlegt de aanvrager, aanvullend op het eerste en tweede lid: Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun. –een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de te subsidiëren activiteiten; een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening; toelichting: Het voorgeschreven model van deze de-minimisverklaring is onderdeel van het betreffende aanvraagformulier. 4. Wanneer de AGVV of de LVV van toepassing is overlegt de aanvrager tevens: een Mkb-verklaring; een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden verkeert. toelichting: De in dit lid bedoelde verklaring is onderdeel van het betreffende aanvraagformulier. In artikel 1.1.1 is een definitie gegeven van ‘onderneming in moeilijkheden’. Artikel1.2.2.Indieningstermijn aanvraag Een aanvraag voor subsidie kan het hele kalenderjaar worden ingediend. Artikel1.2.3.Beslistermijn Toelichting: De in dit artikel genoemde termijnen zijn maximale beslistermijnen. Indien mogelijk zullen Gedeputeerde Staten eerder beslissen. Indien in een subsidieparagraaf een uiterste indieningstermijn is bepaald, dan wordt een aanvraag die na die datum is ontvangen afgewezen.Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb). 1.Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om een subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen 13 weken na sluiting van een in de subsidieparagraaf opgenomen indieningstermijn. 2.De in het eerste lid bedoelde termijn van 13 weken bedraagt maximaal 22 weken indien: sprake is van cofinanciering van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma; ter beoordeling van de aanvragen een adviescommissie is ingesteld. Paragraaf1.3Verlening van de subsidie Toelichting: Het subsidiesysteem gaat uit van een drietal arrangementen: arrangement. 1: kleinere subsidies tot € 25.000, arrangement. 2: middelgrote subsidies van € 25.000 tot € 125.000, en arrangement. 3: grotere subsidies vanaf € 125.000. Bij deze arrangementen hangt de zwaarte van de verantwoordingseisen voornamelijk af van het subsidiebedrag. Gedeputeerde Staten bepalen op basis van de geldende arrangement subsidieverlening hoe de verantwoording plaatsvindt. Uitgangspunt is het subsidiebedrag. Hogere regelgeving of aanvullende verplichtingen kunnen tot een zwaardere verantwoording leiden. Doordat bij de verlening wordt aangegeven welk verantwoordingsregime van toepassing is, weet de subsidieontvanger tijdig wat van hem wordt verwacht. Artikel1.3.1.Verlening subsidie 1.Gedeputeerde Staten geven een beschikking tot subsidieverlening, tenzij een subsidie direct wordt vastgesteld. 2.Bij het besluit tot verlenen van subsidie geven Gedeputeerde Staten de datum aan waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaatsvindt. 3.Een subsidie in de vorm van een geldlening wordt verleend onder de voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst wordt of is gesloten. Artikel1.3.2.Betaling en bevoorschotting 1.Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 1.5.1. wordt gegeven, vindt de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats. Toelichting: Als subsidie wordt verstrekt zonder dat daar een subsidieverlening aan vooraf is gegaan, dan vindt na vaststelling van de subsidie betaling van de subsidie in één bedrag plaats. Hierdoor is bevoorschotting niet aan de orde. Indien in de subsidiebeschikking het voorbehoud is gemaakt dat eerst een benodigde vergunning moet worden gekregen, kan betaling na ontvangst daarvan plaatsvinden omdat eerst aan het voorbehoud moet worden voldaan. 2.Als een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 1.5.2. of artikel 1.5.3. wordt gegeven, kunnen Gedeputeerde Staten aan de subsidieontvanger voorschotten tot maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag verstrekken. Toelichting: Gebruikelijk is dat Gedeputeerde Staten niet meer dan 90% bevoorschotten en de voorschotten in één of meer termijnen beschikbaar stellen, waarbij het aantal termijnen vaak zal afhangen van de looptijd en/of het te verwachten bestedingsritme van de gesubsidieerde activiteiten. In de verleningsbeschikking wordt de omvang en wijze van bevoorschotting opgenomen. Het woord ‘maximaal’ geeft aan dat het ook voor kan komen dat er geen voorschot wordt verstrekt. Dat kan het geval zijn als bijvoorbeeld de te subsidiëren activiteit nog afhankelijk is van een nog te krijgen vergunning. Voor het moment waarop de vergunning is ontvangen kan immers nog niet worden begonnen met de realisering van de activiteiten. Paragraaf1.4Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel1.4.1.Meldingsplicht Toelichting: De meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen in de vorm van onder andere het niet standaard verantwoording afleggen bij subsidies tot € 25.000,– het vragen van minder tussenrapportages en automatische bevoorschotting. De subsidieontvanger is verplicht tijdig te melden als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze informatieplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval passend worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan dit Ubs. De subsidieontvanger doet binnen vier weken via een digitaal formulier melding aan Gedeputeerde Staten, zodra: naar verwachting de voorwaarden of verplichtingen die aan de subsidieverlening zijn opgelegd niet, niet geheel kunnen worden nagekomen; of naar verwachting de activiteiten niet binnen de in de beschikking vermelde datum zullen worden nagekomen. Artikel1.4.2.Bestuursverklaring Indien de subsidie minder dan € 125.000,– bedraagt én de kosten en baten van de te verrichten prestaties in verband met de aard van die activiteiten zodanig ongewis zijn dat een realistische begroting niet vereist kan worden of indien sprake is van staatssteun, kan de verplichting worden opgelegd dat de subsidieontvanger op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en baten mag aantonen dat de activiteiten zijn verricht. De subsidieontvanger maakt hierbij gebruik van het beschikbaar gestelde format. Artikel1.4.3.Tussenrapportage Indien het verleende subsidiebedrag € 25.000 of meer bedraagt en de verlening betrekking heeft op activiteiten met een looptijd langer dan een jaar, kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. Een dergelijke tussentijdse verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar gevraagd. Artikel1.4.4.Instandhouding activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen de verplichting opleggen dat de resultaten van de activiteiten in stand worden gehouden voor een periode van maximaal vijf jaar. Toelichting: Bij veel subsidies gaat het effect ervan zich pas voordoen als de gesubsidieerde activiteiten zijn gerealiseerd. Het kan daarom van belang zijn expliciet in de verleningsbeschikking of bij de directe vaststellingsbeschikking vast te leggen dat voor een bepaalde periode de de resultaten van de activiteiten in stand moet worden gehouden. Dat kan bijvoorbeeld het actief houden van een gesubsidieerde website zijn of het gebruiken van een met provinciale subsidie aangeschaft apparaat of voertuig. Omdat de variëteit aan te subsidiëren activiteiten groot is, is één uniforme termijn niet goed uitvoerbaar. Daarom wordt in de betreffende subsidieparagraaf dan wel, bij ASV-subsidies, in het betreffende besluit bepaald of er sprake is van zo’n termijn en zo ja, voor hoe lang. Daarbij geldt vijf jaar instandhouding als maximale termijn. Als de aard van de activiteiten zich daartegen verzet, wordt een dergelijke instandhoudingsverplichting niet opgenomen. Artikel1.4.5Subsidieperiode 1.Gedeputeerde Staten kunnen de verplichting opleggen om de activiteiten voor een in de verleningsbeschikking genoemde datum te starten dan wel binnen een in de verleningsbeschikking genoemde subsidieperiode af te ronden. 2.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger de subsidieperiode aanpassen of verlengen indien sprake is van feiten en omstandigheden waarvan de subsidieaanvrager op het moment van de aanvraag niet op de hoogte kon zijn. 3.Gedeputeerde Staten verlenen geen uitstel indien de verlenging in strijd is met het beoogde beleidsdoel van de provincie of de activiteiten naar verwachting niet meer gerealiseerd gaan worden.. Toelichting: De subsidieperiode is de periode vanaf datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de verleningsbeschikking of vaststellingsbeschikking opgenomen datum waarop de subsidiabele prestatie moet zijn afgerond. Omdat de subsidiabele kosten op die periode betrekking hebben (met uitzondering van de accountantsverklaring) is het van belang die termijn die voor het realiseren van de activiteiten nodig is, realistisch te schatten Artikel1.4.6.Deugdelijke administratie Toelichting: De subsidieontvanger voert een deugdelijke administratie, zodat bij vaststelling of een eventuele controle van de subsidie kan worden aangetoond dat de activiteit is uitgevoerd en wat aantoonbaar de daarmee samenhangende kosten en (eventuele) baten zijn. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit een urenadministratie of andere gangbare manieren van inzichtelijk maken. 1.De subsidieontvanger is verplicht voor de verstrekte en vastgestelde subsidies een administratie te voeren waaruit blijkt wat de voortgang is van de gesubsidieerde activiteiten en de financiering daarvan. 2.Indien sprake is van kosten van derden dan dienen de facturen en betaalbewijzen te worden bewaard gedurende 12 maanden na subsidievaststelling. Paragraaf1.5Vaststelling van de subsidie Artikel1.5.1.Subsidies tot € 25.000 Indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 25.000 wordt de subsidie door Gedeputeerde Staten direct vastgesteld. Artikel1.5.2.Subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000 1.Indien de subsidieverlening € 25.000,– of meer bedraagt, maar minder dan € 125.000,–, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het realiseren van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten. 2.De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt: dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn gerealiseerd; dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. indien sprake is van staatssteun overlegt de aanvrager tevens een bestuursverklaring als bedoeld in artikel 1.4.2. 3.Indien de activiteiten zijn gerealiseerd, wordt de subsidie vastgesteld op het verleende bedrag, tenzij bij de verlening is bepaald dat een verklaring als bedoeld in artikel 1.4.2 moet worden overlegd. In dat geval wordt de subsidie vastgesteld op basis van de werkelijke subsidiabele kosten, met als maximum het verleende bedrag. Toelichting: Uit het derde lid volgt dat wanneer de activiteiten niet of niet geheel of niet volgens de voorschriften zijn gerealiseerd, de subsidie naar redelijkheid lager of op nihil wordt vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden. Redelijk kan ook zijn het naar rato lager vaststellen van de subsidie overeenkomstig de verhouding tussen de niet of niet helemaal gerealiseerde activiteiten en het daarmee samenhangende begrote bedrag. Het kan ook zijn dat staatssteunbepalingen ertoe leiden dat de subsidie lager dan de maximale verlening wordt vastgesteld, bijvoorbeeld omdat onder een maximaal staatssteunpercentage moet worden gebleven om binnen een vrijstelling te kunnen blijven vallen. Artikel1.5.3.Subsidies vanaf € 125.000 1.Indien de subsidieverlening € 125.000,- of meer bedraagt, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten. 2.De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, een kostenverantwoording en, indien in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking als zodanig verplicht, een accountantsverklaring conform het controleprotocol. Toelichting: Het controleprotocol is volgens een door Gedeputeerde Staten voorgeschreven model en te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. Niet in alle gevallen wordt een accountantsverklaring gevraagd: in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking wordt expliciet opgenomen wanneer het wel aan de orde is. 3.Uit het inhoudelijk verslag als bedoeld in het tweede lid blijkt in welke mate de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn gerealiseerd. Toelichting:Het inhoudelijk verslag is vormvrij en mag daarmee een al voor andere doeleinden opgesteld verslag zijn, zolang het maar voldoende informatie geeft om vast te kunnen stellen in welke mate de activiteiten zijn gerealiseerd. Wanneer de activiteiten niet of niet geheel of niet volgens de voorschriften zijn gerealiseerd, wordt de subsidie naar redelijkheid lager of op nihil vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden. 4.Uit de kostenverantwoording als bedoeld in het tweede lid blijkt wat het totale bedrag is van de gerealiseerde subsidiabele kosten van de activiteiten en de dekking daarvan is, gespecificeerd naar: loonkosten per medewerker in loondienst, met het bijbehorend uurtarief; de afschrijvingskosten per machine of apparaat naar rato gebruik; en de kosten van derden per factuur. 5.Indien de activiteiten zijn gerealiseerd, wordt de subsidie vastgesteld op basis van de werkelijke subsidiabele kosten. Daarbij wordt uitgegaan van het in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking genoemde subsidiepercentage, met als maximum het verleende bedrag. Toelichting: Indien de subsidiabele kosten lager uitvallen, dan zal de subsidie lager worden vastgesteld. De subsidie is een maximale bijdrage waarbij de provincie optreedt als (mede)financier. Meer subsidie ontvangen dan nodig is, is om die reden niet aan de orde. Is in de verleningsbeschikking bijvoorbeeld opgenomen dat de subsidie 40% van de begrote kosten bedraagt, dan geldt dat percentage ook bij de vaststelling van de subsidie. Vanuit financiële beheersbaarheid is de subsidie uiteindelijk nooit meer dan het maximaal verleende bedrag. Artikel1.5.4.Beslistermijn vaststelling subsidie Gedeputeerde Staten stellen binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. Hoofdstuk2Ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer Paragraaf2.1Effectuering Ruimtelijk beleid Artikel2.1.1Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor onderzoek, visie- en planontwikkeling van ruimtelijke projecten die van provinciaal belang zijn op het gebied van ruimtelijke ordening en wonen. Artikel2.1.2Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.1 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente, een Overijssels gemeentelijk samenwerkingsverband of een Overijssels rechtspersoon die zich inzet voor ruimtelijke activiteiten in Overijssel; toelichting: Dit betekent dat particulieren geen aanvraag kunnen indienen. het ruimtelijke project past binnen de centrale beleidsambities en onderwerpen van provinciaal belang zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel; het ruimtelijke project heeft een regionale schaal, uitstraling of werking of vervult een voorbeeldwerking. toelichting: Regionaal betekent dat de resultaten van het ruimtelijke project neerslaan in ten minste twee Overijsselse gemeenten. indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening. Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun. Artikel2.1.3Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten. Toelichting: Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van de algemene de-minimisverordening ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening. Artikel2.1.4Subsidiabele kosten 1.Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. 2.In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn kosten die voortvloeien uit financiële verplichtingen, aangegaan voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel. Toelichting: De start van het project kan eerder hebben plaatsgevonden dan de indiening van de subsidieaanvraag. Dit betekent dat de kosten die voortvloeien uit financiële verplichtingen, aangegaan voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel zijn. Artikel2.1.5Niet subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel: kosten voor bouw- en sloop; kosten voor investeringen; exploitatiekosten; overheadkosten. Artikel2.1.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.1.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Effectuering ruimtelijk beleid. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een projectplan. Paragraaf2.2Leefbare kleine kernen Ingetrokken Paragraaf2.3Verbeteren van de haveninfrastructuur en -faciliteiten Artikel2.3.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: bedrijf: een privaatrechtelijke rechtspersoon, een vennootschap, een maatschap of een eenmanszaak; kade: een verharde oever waarlangs schepen kunnen afmeren en aanleggen voor het laden en lossen van goederen. Artikel2.3.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: het oplossen van knelpunten op het gebied van ondiepten bij bruggen en sluizen; het aanleggen, uitbreiden of verbeteren van een kade; toelichting: Voor het afwikkelen van vervoersstromen via water is het op orde hebben van voldoende kades van groot belang. Gedeputeerde Staten stellen daarom subsidie beschikbaar voor het aanleggen, uitbreiden of verbeteren van een kade. het verbeteren van de wacht- of ligplaatsfaciliteit ten behoeve van de binnenvaart. Artikel2.3.3Criteria 1.Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is: een Overijsselse gemeente; of een bedrijf met kadefaciliteiten bestemd voor goederenvervoer indien de subsidieaanvraag wordt ingediend voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub b en sub c; de activiteit vindt plaats in Overijssel; de activiteit past binnen de beleidsdoelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie. 2.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub a aan het criterium dat de activiteit is gericht op het verbeteren van de haveninfrastructuur ter bevordering van het gebruik van een rivier of een kanaal voor goederenvervoer, met uitsluiting van de opwaardering van het Twentekanaal of de zijtak daarvan. Toelichting: Opwaardering van het Twentekanaal of de zijtak daarvan is uitgesloten omdat hiervoor reeds subsidie is verstrekt door het Rijk. 3.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.2 sub b aan het criterium dat de activiteit uitsluitend is bedoeld voor openbare voorzieningen. 4.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.2 sub c aan de volgende criteria: de activiteit is uitsluitend bedoeld voor openbare voorzieningen; de activiteit betreft een maatregel die gerealiseerd wordt in of nabij een binnenhaven ten behoeve van wachtende of tijdelijk afgemeerde binnenvaartschepen. 5.Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening. Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun. Artikel2.3.4Hoogte van de subsidie 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 250.000,– per aanvraag. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub b bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 150.000,– per aanvraag. 3.De subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub c bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,– per aanvraag. Toelichting: Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van de Algemene de-minimisverordening ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening. Artikel2.3.5Subsidiabele kosten Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. Artikel2.3.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.3.7Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de te verstrekken subsidie lager is dan € 25.000,–. Artikel2.3.8Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Verbeteren van de haveninfrastructuur en -faciliteiten. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een offerte waaruit de subsidiabele kosten blijken. Artikel2.3.9Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, artikel 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteit uiterlijk op 31 december 2019 te hebben uitgevoerd. Paragraaf2.4Investeringsimpuls verduurzaming goederenvervoer over water Artikel2.4.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: afmeerlocatie: een kade waarlangs binnenvaartschepen voor langere duur kunnen afmeren; LNG: vloeibaar aardgas, bestemd als brandstof voor binnenvaartschepen; LNG vulpunt: een mobiele of vaste installatie op een bunkerstation of kade waarmee LNG wordt afgeleverd in de brandstoftanks van vaartuigen; walstroomfaciliteit: een stroomaansluiting aan de wal die binnenvaartschepen voorziet van stroom aan boord en die stroomlevering door generatoren of aggregaten van het schip vervangt zolang het schip afgemeerd ligt. Artikel2.4.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: de aanschaf en aanleg van een walstroomfaciliteit; de aanschaf en aanleg van een LNG vulpunt. Artikel2.4.3Criteria 1.Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is: een Overijsselse gemeente; of een bedrijf met een afmeerlocatie bestemd voor goederenvervoer. Toelichting: Ook een havenbedrijf wordt gezien als een bedrijf. de activiteit past binnen de beleidsdoelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie; de activiteit is bestemd voor de scheepvaart in Overijssel; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening. Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun. 2.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub a aan de volgende criteria: de walstroomfaciliteit voldoet aan de richtlijn Walstroom Binnenvaart 2009; Toelichting: De Richtlijn walstroom binnenvaart 2009 is te vinden op www.walstroom.nl. de walstroomfaciliteit wordt gerealiseerd op een afmeerlocatie; er worden maximaal drie walstroomfaciliteiten per gemeente gesubsidieerd. 3.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub b aan de volgende criteria: het LNG vulpunt komt beschikbaar op een kade of in de nabijheid van een kade in Overijssel; het LNG vulpunt is openbaar toegankelijk voor binnenvaartschepen; het LNG vulpunt stoot geen onverbrand methaan uit; [vervallen.] Artikel2.4.4Hoogte van de subsidie 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000,–. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub b bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 200.000,–. Toelichting: Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van de algemene de-minimisverordening ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening. Artikel2.4.5Subsidiabele kosten Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. Artikel2.4.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.4.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Investeringsimpuls verduurzaming goederenvervoer over water. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een offerte waaruit de subsidiabele kosten blijken. Artikel2.4.8Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien voor de activiteit al subsidie is verstrekt op basis van paragraaf 8.1 van het Uitvoeringsbesluit subsidies 2011 dan wel paragraaf 3.1 van dit Uitvoeringsbesluit. Artikel2.4.9Verplichtingen subsidieontvanger 1.In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteit uiterlijk op 31 december 2018 te hebben uitgevoerd. 2.Overeenkomstig artikel 1.4.4 is de subsidieontvanger verplicht de walstroomfaciliteit of het LNG vulpunt in stand te houden op de bij de aanvraag vermelde locatie, voor een periode van vijf jaar. 3.In aanvulling op artikel 1.4.4 is de subsidieontvanger verplicht de walstroomfaciliteit of het LNG vulpunt gedurende vijf jaar na realisatie in eigendom te behouden. Paragraaf2.5Waterveiligheid en klimaatbestendigheid IJssel-Vechtdelta Ingetrokken Paragraaf2.6Ruimtelijke kwaliteit groene omgeving Algemene toelichting De provincie zet in op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied. Ruimtelijke ontwikkelingen zoals nieuwe functies en voorzieningen moeten daar aan bijdragen. Om dit samen met gemeenten te stimuleren is de werkwijze Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving ontwikkeld. Deze is inmiddels breed in gebruik. Belangrijke drager is deelname vanuit de samenleving. Gedeputeerde Staten willen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de investeringen in ruimtelijke kwaliteit versterken met inbreng van ideeën van omwonenden en daarmee belangen bij elkaar brengen. Daarnaast willen Gedeputeerde Staten bij nieuwe functies en voorzieningen gebiedsgerichte ontwikkelingen met ruimtelijke kwaliteit stimuleren die een voorbeeld kunnen zijn voor andere gebieden. Met deze subsidieregeling worden beide aspecten gestimuleerd. Met als resultaat voor een groter gebied een groter effect op de ruimtelijke kwaliteit, die beter aansluit bij wensen uit de samenleving. Artikel2.6.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: fysieke maatregelen: maatregelen die zichtbaar en tastbaar zijn in de groene omgeving; landelijk gebied: het grondgebied buiten het bestaande bebouwde gebied van steden en dorpen; ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. uitvoeringsplan: een beschrijving van de werkwijze en de maatregelen om tot uitvoering van een opgave te komen. Artikel2.6.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: participatie van een georganiseerde groep Overijsselse inwoners of omwonenden aan ruimtelijke ontwikkelingen met als doel verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied; stimuleren van gebiedsgerichte ontwikkelingen met als doel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied van Overijssel die een voorbeeld kunnen zijn voor andere gebieden; realisatie van de fysieke maatregelen, die voortvloeien uit het onder sub a of b genoemde proces of aanpak. Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor zowel planvormingsactiviteiten (lid a en

  1. b)als voor fysieke maatregelen (lid
  2. c)die zichtbaar en tastbaar zijn in de groene omgeving. Dit betekent dat de kosten die gemaakt worden ten behoeve van deze fysieke maatregel subsidiabel zijn. Artikel2.6.3Criteria 1.Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub a voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon in de vorm van een stichting, vereniging of coöperatie van inwoners of omwonenden in Overijssel; toelichting: particulieren kunnen geen aanvraag indienen. de participatie is gericht op versterking van draagvlak en betrokkenheid bij concrete ruimtelijke initiatieven of concrete lokale ruimtelijke ontwikkelingen. 2.Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub b voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente; de aanvraag heeft betrekking op een concreet ruimtelijk plan, een procesaanpak of manier van werken die leidt tot verbinden van belangen; het ruimtelijk plan, de procesaanpak of de manier van werken, als bedoeld onder sub b, levert aantoonbare meerwaarde op voor de ruimtelijke kwaliteit in het projectgebied zelf en is een voorbeeld voor andere landelijke gebieden in Overijssel. 3. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon in de vorm van een stichting, vereniging of coöperatie van inwoners of omwonenden in Overijssel; of een Overijsselse gemeente; de uitvoering van de maatregel geschiedt op basis van het uitvoeringsplan, waar de locatie onderdeel van uitmaakt; de activiteiten dragen bij aan de versterking van ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied van Overijssel; de activiteit draagt bij aan provinciale belangen van ruimtelijke kwaliteit zoals opgenomen in de catalogus gebiedskenmerken/omgevingsvisie. Toelichting: catalogus is te vinden op www.overijssel.tercera-ro.nl via link https://overijssel.tercera-ro.nl/SiteData/9923/Publiek/BV00019/b_NL.IMRO.9923.VerordeningOv01-va01_12208.pdf 4.[vervallen.] 5. Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening of de de-minimisverordening landbouw. Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun. Artikel2.6.4Hoogte van de subsidie 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,– per aanvrager. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub b bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,– per aanvrager. 3. De subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.000,- per aanvrager. Toelichting: Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van algemene de-minimisverordening ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening. Artikel2.6.5Subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.1.6 eerste lid zijn de vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers wel subsidiabel tegen een maximum uurtarief van € 15,- per uur. Artikel2.6.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.6.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Ruimtelijke kwaliteit groene omgeving. 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c een uitvoeringsplan. Het uitvoeringsplan bevat in ieder geval de volgende onderdelen: een beschrijving van de opgave: de aanleiding en probleemstelling; een beknopte beschrijving van de locatie en de situatie; een beschrijving van de bijdrage van de fysieke maatregelen aan de ruimtelijke kwaliteit van de groene omgeving; een beschrijving van alle voorgestelde maatregelen, ook die waarvoor geen subsidie wordt aangevraagd; een beschrijving van het resultaat; een beschrijving van het draagvlak en participatie door derden; een begroting van de kosten en financiering van de afzonderlijke maatregelen met daarbij het dekkingsvoorstel per maatregel; de verwachte planning van de uitvoering. Artikel2.6.8Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de aanvraag betrekking heeft op reguliere activiteiten of de bedrijfsvoering van de aanvrager; de aanvraag betrekking heeft op ruimtelijke projecten van overheden; toelichting: een aanvraag wordt geweigerd indien de aanvraag betrekking heeft op bijvoorbeeld aanpassing van wegen of uitbreiding van bedrijventerreinen; de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub a lager is dan € 2.500,–; de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub b lager is dan € 5.000,–; de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c lager is dan € 25.000,-; aan de aanvrager al drie subsidies zijn verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf; de gemeente uitsluitend een aanvraag indient voor de subsidie als bedoeld 2.6.2 sub c. Artikel2.6.9Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht binnen twaalf maanden na datum van de subsidieverlening te starten met de uitvoering van de activiteit en deze binnen drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben uitgevoerd. Artikel2.6.10Bevoorschotting Indien sprake is van een subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c verstrekken Gedeputeerde Staten, in afwijking van artikel 1.3.2 geen voorschot. Het eerste voorschot wordt verstrekt na de start van de uitvoering van de fysieke maatregelen. Paragraaf2.7Huisvesting statushouders Algemene toelichting De huisvestingstaakstelling legt een grote druk op de sociale huurwoningmarkt. Mede vanwege de schommelingen in de huisvestingstaakstelling en de toekomstige regionale woningbehoefte is het voor gemeenten lastig om hier steeds opnieuw op in te spelen. Gedeputeerde Staten willen gemeenten ondersteunen met het realiseren van tijdelijke en flexibele woonvormen voor statushouders. Dit met als doel om bij te dragen aan passende woonvormen voor statushouders. Artikel2.7.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: huurprijs: huurprijs als bedoeld in artikel 237, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; nieuwbouw: vervallen; onzelfstandige woonvoorziening: vervallen; statushouder: vreemdeling van 18 jaar of ouder die in Nederland een ‘verblijfsvergunning asiel’ voor bepaalde tijd heeft aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onder a, b, c of d, van de Vreemdelingenwet 2000; transformatie: vervallen; tijdelijke woonvoorziening: vervallen; verbouwen: de bouwkundige aanpassingen aan een woning waardoor statushouders gehuisvest kunnen worden; Toelichting: het gaat hier om bouwkundige aanpassingen aan een woning en niet bijvoorbeeld een nieuw toilet, badkamer of keuken. zelfstandige woonvoorziening: vervallen. Artikel 2.7.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: het beschikbaar stellen van tijdelijke woningen voor statushouders voor een periode van minimaal één jaar; Toelichting: De subsidie wordt verleend voor het beschikbaar stellen van tijdelijke woningen voor statushouders. De subsidie wordt conform artikel 2.7.4 berekend per slaapkamer die beschikbaar gesteld wordt. De gemeente moet verantwoorden dat gedurende een periode van minimaal één jaar woningen beschikbaar gesteld zijn voor statushouders. Het is niet noodzakelijk dat de gesubsidieerde woningen alleen maar voor statushouders zijn. Het is mogelijk dat de gemeente woningen realiseert die de doorstroming op de woningmarkt stimuleren waardoor aantoonbaar elders locaties vrijkomen voor statushouders. het verbouwen van woningen ten behoeve van gezinnen van statushouders met zes of meer personen. Artikel2.7.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente; de aanvrager heeft concrete afspraken gemaakt met de uitvoerende partij over het beschikbaar stellen of het verbouwen van woningen voor statushouders over een periode van minimaal 1 jaar, vastgelegd in een intentieverklaring; de activiteiten zijn gestart na 1 mei 2016; de aanvraag past binnen de kaders van het Statenvoorstel (PS/2016/1008) en de huisvestingstaakstelling van de aanvrager; de aan de statushouder gevraagde maximale huurprijs per woning bedraagt niet meer dan de actuele aftoppingsgrens. De maximale huurprijs geldt niet voor huishoudens of gezinnen die bestaan uit zes of meer personen; Toelichting: De aftoppingsgrens is een begrip uit de huurtoeslag. Als je huurprijs hoger is dan deze grens wordt de huurtoeslag verlaagd. [vervallen.] Artikel2.7.4Hoogte van de subsidie 1. De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld tarief van € 5.000,- per slaapkamer. De totale subsidie per aanvraag bedraagt maximaal € 250.000,- per aanvraag. Toelichting: Een slaapkamer is een kamer waarin men hoofdzakelijk slaapt. De subsidie wordt berekend op basis van het aantal slaapkamers. De subsidie van € 5.000,- is bedoeld voor het realiseren van woonvoorzieningen voor statushouders. In dit bedrag is inbegrepen de kosten voor basisvoorzieningen zoals een keuken of sanitair en andere kosten die nodig zijn voor het realiseren van een op basis waarvan de subsidie wordt berekend. 2. De subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.7.2 sub b bedraagt maximaal € 25.000,- per gezin met een minimum van € 5.000,- en maximum van € 250.000,- per aanvraag. Artikel2.7.5Subsidiabele kosten 1.In afwijking van artikel 1.1.5 betreft de subsidie een forfaitair bedrag. 2. voor de subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 sub b geldt dat in afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn kosten die gemaakt zijn voor de aanvraag wel subsidiabel, mits deze gemaakt zijn na 1 juli 2018. Artikel2.7.6Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Huisvesting statushouders. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een intentieverklaring als bedoeld in artikel 2.7.3 sub b. 3.In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid, onder c en d, hoeft de aanvrager geen begroting of dekkingsplan in te dienen. Artikel2.7.7Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.7.8Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht: de activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.2 uiterlijk 12 maanden na de datum van verlening van subsidie te hebben uitgevoerd; de statushouders ten minste een jaar te huisvesten. Artikel2.7.9Weigeringsgronden Vervallen Paragraaf 2.8 Vitaliteit van binnensteden (stadsarrangementen) Algemene toelichting Gemeenten en de provincie selecteren gezamenlijk projecten die bijdragen aan het vitaler maken van de binnensteden. Een overzicht van die projecten wordt een stadsarrangement genoemd. Het kan gaan om projecten op het gebied van visievorming, uitwerking van concepten, maar ook om fysieke maatregelen om de binnenstad te veranderen. Artikel 2.8.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: stadsarrangement: een door de provincie en gemeente opgesteld overzicht van activiteiten die bijdragen aan de vitaliteit, leefbaarheid en kwaliteit van de binnenstad van de betreffende gemeente. In het stadsarrangement is opgenomen wat de maximale provinciale bijdrage is, wie de subsidieaanvrager is en waar het project uitgevoerd wordt. Artikel 2.8.2 Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie verlenen voor activiteiten die de vitaliteit, leefbaarheid en kwaliteit van de binnenstad vergroten. Artikel 2.8.3 Criteria Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente of een andere organisatie die genoemd is in het stadsarrangement als de subsidieaanvrager; de activiteit is opgenomen in het stadsarrangement van de betreffende gemeente; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, lid 1 van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de algemene de-minimisverordening; Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun. [vervallen.] Artikel2.8.4Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld tarief zoals opgenomen in het stadsarrangement van de betreffende gemeente. Toelichting: Als sprake is van staatssteun en de subsidieontvanger heeft al steun op basis van algemene de-minimisverordening ontvangen dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening. Artikel2.8.4aSubsidiabele kosten Artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6 zijn niet van toepassing. Toelichting: De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld tarief welke bij het opstellen van het betreffende stadsarrangement is vastgesteld (lumpsum bedrag). Artikel 2.8.5 Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast. Artikel2.8.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Vitaliteit van binnensteden (stadsarrangementen). 2. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager het door de provincie en gemeente opgestelde stadsarrangement. 3. In afwijking van artikel 1.2.1 tweede sub c hoeft de aanvrager geen begroting en dekkingsplan te overleggen bij de aanvraag voor subsidie. Artikel 2.8.7 Verplichtingen subsidieontvanger De subsidieontvanger is, in aanvulling op artikel 1.4.1 en artikel 1.4.2 verplicht: de activiteiten binnen drie jaar na subsidieverlening te hebben uitgevoerd; de ervaringen en kennis die opgedaan is te delen met partijen die er om vragen. Artikel 2.8.8 Weigeringsgrond In aanvulling op artikel 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de aanvraag betrekking heeft op reguliere activiteiten of de bedrijfsvoering van de gemeente. Paragraaf2.9Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) Overijssel Paragraaf2.9.1Algemeen Algemene toelichtingDeze subsidieregeling is een uitwerking van artikel 3 van de door de Provincie Overijssel, LTO Noord, Waterschap Drents Overijsselse Delta, Waterschap Vechtstromen en Waterschap Rijn en IJssel op 7 februari 2018 afgesloten bestuursovereenkomst “Cofinanciering overhevelingsgelden binnen het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) en het aanbrengen van DAW-projecten”. Het is tevens een uitwerking van de bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Oost-Nederland. De doelstelling van de subsidieregeling is om een positief effect op de kwaliteit van water en bodem te bereiken en om een robuuster watersysteem met minder wateroverlast en grotere beschikbaarheid van water te realiseren. Het ondersteunt daarmee het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer in de provincie Overijssel. De subsidie kan een bijdrage leveren aan de internationale doelstellingen zoals beoogd in de Kaderrichtlijn Water (KRW) en/of de Nitraatrichtlijn. Deze zijn voor het oppervlaktewater uitgewerkt in de Omgevingsvisie en de bijbehorende factsheets van de KRW-waterlichamen in Overijssel en de waterbeheerplannen van de waterschappen. Ook kan de subsidie een bijdrage leveren aan de regionale klimaatdoelen door het vergroten van de beschikbare regionale (grond)watervoorraad en de vermindering van schade door vochttekorten. Voor Oost Nederland zijn de hierbij behorende doelen voor het thema Zoetwatervoorziening Oost Nederland opgenomen in "Wel goed water geven", het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016-2021. In subparagraaf 2.9.1 zijn de algemene bepalingen opgenomen die voor alle werkgebieden en waterschappen gelden. Subparagrafen 2.9.2 t/m 2.9.4 bevatten een overzicht van de maatregelen (subsidiabele activiteiten), de maximale subsidiebedragen en aanvullende en afwijkende voorwaarden die voor het betreffende werkgebied gelden. Bijlage 1 bevat het overzicht van alle maatregelen. Het overzicht is gebaseerd op: de uitvoeringsregeling Deltaplan Agrarisch Waterbeheer van Drenthe (1-7-2017) en de lijst van maatregelen die voor de Zoetwatervoorziening Oost-Nederland uitgevoerd kunnen worden. Deze lijst is een selectie uit de lijst van het Bestuurlijk Overleg Open Teelten (BOOT) van 2018. In bijlage 2 is een overzicht van maatregelen opgenomen die voor het werkgebied Waterschap Drents Overijsselse Delta van toepassing zijn. Artikel2.9.1.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: deelnemer: de in artikel 2.9.1.2 sub a genoemde partijen; fysieke maatregelen: maatregelen die zichtbaar en tastbaar zijn, inclusief de machines of installaties die hiervoor nodig zijn; grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, zoals iemand die de grond gebruikt om er bijvoorbeeld vee te weiden, gewassen te verbouwen of er een activiteit laat plaatsvinden die hij daar beheert; landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, (glas)tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - teelt van griendhout en elke andere vorm van bodemcultuur met uitzondering van bosbouw; landbouwbedrijf: een bedrijf actief in de landbouw dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren; maatregelcategorie: de categorieën zoals genoemd in bijlage 1 Totaaloverzicht maatregelen Waterkwaliteit en Zoetwatervoorziening; samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit niet in een groep verbonden deelnemers, waarvan ten minste één landbouwer of een organisatie die landbouwers vertegenwoordigt, niet zijnde een vennootschap. Toelichting: Indien sprake is van een aanvraag van een samenwerkingsverband dan zijn de deelnemers, overeenkomstig artikel 2.9.1.7 tweede lid sub a verplicht een samenwerkingsovereenkomst af te sluiten. Artikel2.9.1.2.Criteria 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.9.2.1, 2.9.3.1 en 2.9.4.1 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is: een landbouwbedrijf of een groep van landbouwbedrijven, een eigenaar van gronden met bestemming landbouw, een grondgebruiker, een loonwerkbedrijf, een landbouwmechanisatiebedrijf, een leverancier van landbouwproductiemiddelen, een landbouworganisatie, een drinkwaterbedrijf, een waterschap; of een samenwerkingsverband van onder i genoemde partijen, bestaande uit tenminste twee partijen die van belang zijn voor het verwezenlijken van de doelstelling van de subsidiabele maatregelen en tenminste één landbouwer of een organisatie die hen vertegenwoordigt; aan de aanvraag is een score van zeven punten of hoger toegekend op basis van Scoretabel 1; de resultaten of effecten van de maatregelen komen aantoonbaar voor meer dan 50% ten goede aan de landbouwsector in de provincie Overijssel of worden voor 100% uitgevoerd op landbouwgrond in de provincie Overijssel; de maatregelen zijn economisch doelmatig, marktconform en milieuefficiënt; Toelichting: Economisch doelmatig betekent hier efficiënt: Maatregelen worden uitgevoerd op de plaats en op de wijze waarop ze maximaal renderen. Marktconform betekent dat de kosten in overeenstemming zijn met de markt of het marktmechanisme conform het marktprijzensysteem. Milieuefficiënt is het streven om de maatregel zo milieuvriendelijk mogelijk te maken. indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie: aan artikel 14 van de LVV als sprake is van materiële en immateriële investeringen zoals opgenomen in bijlage 1 en 2 inclusief de met de investering samenhangende externe advisering; aan artikel 21 van de LVV indien sprake is van demonstraties en trainingen, workshops en coaching; aan artikel 22 van de LVV indien sprake is van niet met de investering samenhangende adviesdiensten. Toelichting: Overeenkomstig artikel 1.1.8 kunnen subsidies op basis van de LVV alleen verstrekt worden als voldaan wordt aan de algemene en procedurele bepalingen zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van de LVV en de betreffende van toepassing zijnde artikelen. Artikel2.9.1.3Hoogte van de subsidie 1. De subsidie voor maatregelen zoals opgenomen in bijlage 1 voor maatregelcategorie 1 en 2, bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten, met een maximum subsidie van € 10.000,- per landbouwbedrijf; 2. De subsidie voor maatregelen zoals opgenomen in bijlage 1 voor maatregelcategorie 3 en 4, bedraagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten met een maximum subsidie van € 10.000,- per landbouwbedrijf en een maximum van € 1.500,- per landbouwbedrijf voor de maatregel zoals opgenomen onder maatregelcategorie 4 onder sub a. Toelichting: De subsidie van € 1.500,- (maatregelcategorie 4 sub
  3. a)heeft betrekking op het opstellen (gebiedsgericht) bedrijfswaterplan of bedrijfs(afval)waterscan: waterkwantiteit (droog, nat) en waterkwaliteit mogelijk in combinatie milieupuntensysteem. 3. De subsidie voor maatregelen uit de maatregelcategorie 5 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met maximum van 20% van de totale subsidie. 4. De subsidie voor voorbereiding bedraagt maximaal 20% van de totale subsidie. Toelichting: Onder voorbereiding wordt verstaan de voorbereiding en coördinatie van het project, het penvoerderschap, de administratieve handelingen betreffende de subsidieaanvraag, opstellen van tussen- en eindrapportages alsmede opstellen van financiële verantwoordingen. Artikel2.9.1.4Subsidiabele kosten 1. In afwijking van artikel 1.1.5 zijn de volgende kosten die noodzakelijk en in relatie tot de subsidiabele activiteit staan, subsidiabel: deelname aan activiteiten die kennisdeling tot doel hebben; de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa; de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde van de activa; de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs; de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied; de kosten van haalbaarheidsstudies; de voorbereidingskosten voor het project of de activiteit; de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de personeelskosten, met vastgestelde uurtarieven volgens lid 2 van dit artikel; de communicatiekosten voor het betrekken van deelnemers en het delen van de resultaten; materiaalkosten. 2. Bovenstaande kosten, met uitzondering van personeelskosten, met vastgestelde uurtarieven, zijn alleen subsidiabel wanneer: de kosten gebaseerd zijn op marktconforme prijzen en tarieven; de specificaties van aangeschafte goederen of diensten en daarmee de kosten niet hoger zijn dan strikt noodzakelijk voor de subsidiabele activiteit. 3. Voor personeelskosten, met vastgestelde uurtarieven voor eigen arbeid, gelden de volgende uurtarieven: voor personeelskosten op het niveau van MBO: maximaal € 58,- per uur; voor personeelskosten op het niveau van HBO: maximaal € 79,- per uur; voor personeelskosten op het niveau van WO: maximaal € 99,- per uur. 4. In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid, zijn voorbereidingskosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen wel subsidiabel, mits deze gemaakt zijn tot uiterlijk één jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag. Toelichting: In artikel 1.1.6 zijn de overige niet subsidiabele kosten opgenomen. Artikel2.9.1.5Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Toelichting: Gedeputeerde Staten stellen deelplafonds vast voor bepaalde werkgebieden en maatregelen. Artikel2.9.1.6Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening 1. In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.9.2.1, 2.9.3.1 en 2.9.4.1 kan worden ingediend vanaf 22 november 2018 en ontvangen moet zijn uiterlijk op 4 januari 2019 vóór 17.00 uur. 2. Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen aangevuld worden voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Toelichting: Bij onvolledigheid van de aanvraag na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden zoals een handtekening, een bankrekeningnummer, kamer van koophandel gegevens e.d., het moet gaan om informatie die niet inhoudelijk betrekking heeft op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in deze subsidieparagraaf. De tijdige volledigheid/juistheid van de aanvraag is de verantwoordelijkheid van de aanvrager. Het in de beoordeling van de aanvraag meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat. Uit de aard van het tendersysteem volgt dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overlegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie die leidt tot een wijziging of aanvulling van de aanvraag. Artikel2.9.1.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) Overijssel. 2. In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.9.2.1, artikel 2.9.3.1 en artikel 2.9.4.1: een samenwerkingovereenkomst als sprake is van een samenwerkingverband; een projectplan waarin ten minste is opgenomen: een beschrijving van de aanleiding van het project; een beschrijving van de doelstellingen van het project; een beschrijving van de activiteiten die benodigd zijn om het project uit te voeren; de verwachte resultaten van het project; de verwachte realisatietermijn van het project; een overzicht van de fysieke maatregelen; een begroting en een dekkingsplan waarin in ieder geval is opgenomen: de voorbereidingskosten inclusief de kosten van de penvoerder, de communicatiekosten personeelskosten en gehanteerde uurtarief en niveau van de betrokken medewerkers; kosten van de maatregelen, onder vermelding van de met de investering samenhangende advieskosten, personeelskosten, gehanteerde uurtarief, niveau van de betrokken medewerkers en het begunstigde landbouwbedrijf; overige advieskosten; een dekkingsplan; 3. De aanvrager maakt gebruik van het door de provincie beschikbaar gesteld Model Samenwerkingovereenkomst, het Model Projectplan en het model Begroting en dekkingsplan. Toelichting: In dit lid genoemde modellen zijn te downloaden via http://www.overijssel.nl/loket/subsidies/@NB(/deltaplan-agrarisch/ Artikel2.9.1.8Volgorde van behandeling 1. In afwijking van artikel 1.1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Aanvragen die worden ingediend voor subparagraaf 2.9.2, 2.9.3 en 2.9.4 worden afzonderlijk geprioriteerd op basis van Scoretabel 1. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond en de vastgestelde deelplafonds dit toelaat. 2. Indien sprake is van gelijke score dan wordt de volgorde bepaald door loting. Scoretabel 1Wegingscriteria Punten a. Diversiteit van de samenwerking: - een landbouwbedrijf of een groep van landbouwbedrijven: 1 punt Toelichting: Een groep bestaande uit bijvoorbeeld 5 landbouwbedrijven ontvangt 1 punt en niet 5 punten. - een eigenaar van gronden met bestemming landbouw, een grondgebruiker of een loonwerkbedrijf: 1 punt - een landbouworganisatie: 1 punt - een drinkwaterbedrijf, een waterschap: 1 punt b. Fysieke maatregelen: meer dan 50% van de gevraagde subsidie is voor fysieke maatregelen: 2 punten c. Doelbereik: De aangevraagde adviezen en plannen geven aan welke vervolgstappen genomen moeten worden om aan de hierna genoemde doelen te voldoen. De aangevraagde maatregelen leiden direct tot deze doelen: - een geringer gebruik van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater, zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen en een gesloten kringloop, met als resultaat een emissievermindering en minder uitputting van hulpbronnen (zoals water, fosfaat en bodemvruchtbaarheid): maximaal 6 punten; - verbetering van ecologische en chemische waterkwaliteit zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn Water: maximaal 6 punten; - een klimaatbestendiger bedrijfsvoering op het vlak van een hogere grondwatervoorraad, meer water vasthouden in de bodem of het tegengaan van maaivelddaling: maximaal 6 punten. Totale score= score voor a+b+c Artikel2.9.1.9Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de gevraagde en de te verstrekken subsidie per aanvraag minder is dan € 10.000,-; de activiteiten zijn gestart voordat de subsidie is aangevraagd, met uitzondering van de voorbereidingskosten, als bedoeld in artikel 2.9.1.4 vierde lid. Artikel2.9.1.10Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1 t/m 1.4.4 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de maatregelen uiterlijk 31 december 2021 te hebben uitgevoerd. Paragraaf2.9.2Werkgebied Waterschap Drents Overijsselse Delta Artikel2.9.2.1Subsidiabele activiteiten 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de maatregelen zoals opgenomen in bijlage 2 Thema waterkwaliteit uitsluitend voor maatregelen die betrekking hebben op het gebied dat begrensd is in kaart 1. 2. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de maatregelen zoals opgenomen in bijlage 2, Thema beschikbaarheid van water uitsluitend voor maatregelen die betrekking hebben op het gebied dat begrensd is in kaart 2. 3. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de maatregelen zoals opgenomen in bijlage 2, Thema maaivelddaling uitsluitend voor maatregelen die betrekking hebben op het gebied dat begrensd is in kaart 3. 4. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de maatregelen zoals opgenomen in bijlage 2, Thema waterplannen uitsluitend voor maatregelen die betrekking hebben op het gebied dat begrensd is in kaart 4. Toelichting: de in dit artikel genoemde kaarten zijn te vinden op: http://www.overijssel.nl/loket/subsidies/@NB(/deltaplan-agrarisch/ Artikel2.9.2.2Criteria 1. Als sprake is van een maatregel als bedoeld in bijlage 2 Thema waterkwaliteit onder sub a dan wordt een aanvraag ingediend door een samenwerkingsverband overeenkomstig artikel 2.9.1.2 sub a onder i, bestaande uit ten minste tien deelnemers. Toelichting: Lid 1 heeft betrekking op realiseren van een wasplaats en een zuiveringsvoorziening gewasbeschermingsmiddelen zodat geen restlozing plaatsvindt of het realiseren van een zuiveringsvoorziening voor de restanten van de aangemaakte gewasbeschermingsmiddelen (bijvoorbeeld voor reiniging van spuit-apparatuur). 2. Als sprake is van een maatregel als bedoeld in bijlage 2 Thema waterkwaliteit onder sub c, d en e dan wordt een aanvraag ingediend door een samenwerkingsverband overeenkomstig artikel 2.9.1.2 sub a onder ii, bestaande uit ten minste drie deelnemers. Toelichting: Lid 2 heeft betrekking op de volgende maatregelen: aanschaf Beslissingsondersteunende systemen (BOS) beregening in de bloembollenteelt; aanschaf en installatie gerichte watergeefsystemen, bijvoorbeeld druppelirrigatie, ondergrondse drip-irrigatie in de bloembollenteelt; creëren van Gesloten kringloop in de glastuinbouw; workshops etc. 3. Als sprake is van een aanvraag voor subsidie voor maatregelen onder Thema Waterplannen dan wordt een aanvraag ingediend door een samenwerkingsverband overeenkomstig artikel 2.9.1.2 sub a onder ii, bestaande uit ten minste ten minste vijf van de volgende partijen: landbouwbedrijf, eigenaren van gronden met bestemming landbouw of grondgebruikers. Toelichting: Lid 3 heeft betrekking op de volgende maatregelen: opstellen Bedrijfswaterplan of Bedrijfswaterscan: waterkwantiteit of waterkwaliteit mogelijk in combinatie milieupuntensysteem; opstellen van een plan ‘Vruchtbare kringloop’ door meerdere landbouwbedrijven in een gebied. Artikel2.9.2.3Hoogte van de subsidie 1. De subsidie voor maatregelen zoals opgenomen in bijlage 2 onder Thema 1 t/m 3 bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van: € 10.000,- per landbouwbedrijf voor maatregelen zoals genoemd in bijlage 2 Thema waterkwaliteit onder sub a en een maximum van € 5.000,- per deelnemer voor de overige maatregelen onder Thema waterkwaliteit; € 10.000,- per landbouwbedrijf voor maatregelen zoals genoemd in bijlage 2 Thema beschikbaarheid van water en Thema maaivelddaling; € 1.500,- per landbouwbedrijf voor maatregelen zoals genoemd in bijlage 2 Thema waterplannen. 2. De subsidie voor maatregelen zoals opgenomen in bijlage 2 onder Thema 4 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van 20% van de totale subsidie. 3. De subsidie voor voorbereiding bedraagt maximaal 20% van de totale subsidie. Toelichting: Onder voorbereiding wordt verstaan de voorbereiding en coördinatie van het project, het penvoerderschap, de administratieve handelingen betreffende de subsidieaanvraag, opstellen van tussen- en eindrapportages alsmede opstellen van financiële verantwoordingen. Paragraaf2.9.3werkgebied Waterschap Vechtstromen Artikel2.9.3.1Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de maatregelen die opgenomen zijn in bijlage 1 voor zover die betrekking hebben op het gebied dat begrensd is in kaart 5. Toelichting: de in dit artikel genoemde kaart is te vinden op: http://www.overijssel.nl/loket/subsidies/@NB(/deltaplan-agrarisch/ Paragraaf2.9.4werkgebied Waterschap Rijn en IJssel Artikel2.9.4.1Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de maatregelen die opgenomen zijn in bijlage 1 en die betrekking hebben op het gebied dat begrensd is in kaart 6, met uitzondering van de maatregel onder sub h van maatregelcategorie 3 en de maatregel onder sub f van maatregelcategorie 4. Toelichting: De in dit artikel genoemde kaart is te vinden op: http://www.overijssel.nl/loket/subsidies/@NB(/deltaplan-agrarisch/ Bijlage1Totaal overzicht maatregelen Waterkwaliteit en Zoetwatervoorziening Maatregelcategorie 1 Conform artikel 14.3.a en 14.3.b LVV voor de volgende maatregelen waterkwaliteit (maximum subsidie 40%): aanschaf en installatie spuittechnieken die drift vergaand reduceren zoals wingsprayer en luchtondersteuning; aanschaf en installatie apparatuur voor Mechanische onkruidbestrijding; aanschaf en installatie Zuiveringssystemen voor afvalwater voor verwijdering (bijvoorbeeld voor reiniging spuitapparatuur); aanleg opvangvoorziening voor tegengaan Erfafspoeling; creëren van Gesloten kringloop in de glastuinbouw. Maatregelcategorie 2 Conform artikel 14.3.a en 14.3.b en c LVV voor de volgende maatregelen grondwatervoorraad en zoetwatervoorziening (maximum subsidie 40%): aanschaf Beslissingsondersteunende systemen beregening; aanschaf en installatie gerichte watergeefsystemen bijvoorbeeld druppelirrigatie, ondergrondse drip-irrigatie; aanschaf Beslissingsondersteunende systemen (BOS) op basis van bodemonderzoek aangevuld met beschikbare meetresultaten. Maatregelcategorie 3 Conform artikel 14.3.d en 14.3.e voor de volgende maatregelen waterkwaliteit (maximum subsidie 80%): advies Kringloopwijzer in de melkveehouderij; advies over teelten uit de grond en/of substraat met recirculatieplicht en nul lozing; uitvoering van de afvoer van nitraatrijke en/of fosforrijke groenresten direct na oogst en stimulering compostering daarvan; aanschaf Beslissingsondersteunende systemen Gewasbeschermingsmiddelen; aanschaf Gewis voor het meest optimale spuitmoment; advies over bemesten op basis van gewasonttrekking op basis van waarnemingen en aanschaf tool; aanschaf van sensor gestuurde of andere selectieve en/of gerichte spuitapparatuur; vergoeding productieverlies door verlenging periode van uitrijverbod onbewerkte mest; aanschaf en installatie meteo en grondwater gestuurd bemesten (managementsysteem); aanschaf en installatie precisiebemesting (GPS, rijenbemesting en dergelijke); aanschaf en installatie gerichte bemesting via druppelsystemen en dergelijke; aanschaf en installatie apparatuur hergebruik fosfor en stikstof uit slootbagger (kwaliteitsbaggeren); aanschaf en installatie apparatuur rijenbemesting dierlijke mest bij gewassen die in rijen worden geteeld; aanleg en beheer droge bufferstroken (mest- en spuitvrij) langs water; aanleg van (gebiedsgericht) zuivering van drainagewater (stikstof/fosfor, in sloot/slootkant/bodem). Maatregelcategorie 4 Conform artikel 14.3.d en 14.3.e en LVV voor de volgende maatregelen grondwatervoorraad en zoetwatervoorziening (maximum subsidie 80%): opstellen (gebiedsgericht) bedrijfswaterplan of bedrijfs(afval)waterscan: waterkwantiteit (droog, nat) en waterkwaliteit mogelijk in combinatie milieupuntensysteem; gezamenlijk opstellen van een plan ‘Vruchtbare kringloop’ door meerdere bedrijven in een gebied; advies over gezamenlijk aanpassen gewasteelt: natte teelten. Het betreft hier het gezamenlijk opstellen van het plan door meerdere bedrijven in een gebied; aanschaf en installatie apparatuur voor nuttig toepassen op bedrijf van sloot- en bermmaaisel; uitvoeringskosten voor het verhogen van het organische stofgehalte door toepassen stikstofarme en/of fosforarme gewasresten niet zijnde mest; aanschaf en installatie regelbare/peil gestuurde drainage eventueel in combinatie met klimaat adaptieve regelbare drainage; aanschaf, installatie en beheer stuwtjes en andere maatregelen om water langer vast te houden in waterlopen; aanschaf en installatie onderwaterdrainage; productieverlies door het beschikbaar stellen van landbouwgrond voor bovenwettelijke waterberging op perceel; aanschaf en installatie apparatuur om water vast te houden in een kavelsloot door: het plaatsen van een LOP-stuw of het verhogen van een bestaande duiker of deze volledig te dempen of het verhogen van de slootbodem. aanschaf en installatie apparatuur voor hergebruik gewasresten (stro, blad) op het bedrijf; aanleg en beheer natuurvriendelijke oevers en/of waterbergingsoever; aanleg natte bufferstroken; aanleg en beheer helofytenfilters in nabijheid watergang; voorlichting over (bewust) niet beregenen; aanschaf en installatie regelbare en/of peil gestuurde drainage; aanleg en beheer infiltratiegreppel (afspoeling tegen gaan); aanschaf, installatie en beheer van apparatuur om greppels afsluitbaar te maken; productieverlies door opzetten peil. Maatregelcategorie 5 Conform artikel 21 LVV voor de volgende maatregelen op het gebied van kennisdeling (maximum subsidie 100%): demonstraties en trainingen, workshops en coaching. Toelichting LVV Toelichting maatregelcategorie 1 t/m 4 Het gaat hierbij om met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële activa of immateriële activa op landbouwbedrijven. De in bijlage 1 opgenomen maatregelen zijn gericht op verbetering van de duurzaamheid van een landbouwbedrijf, verbetering van het natuurlijk milieu, modernisering van een landbouwbedrijf dan wel de verwezenlijking van agromilieuklimaatdoelstellingen. Deze maatregelen voldoen aan de in artikel 14 lid 3 sub a t/m e LVV genoemde doelstellingen. Ook de advieskosten die nodig zijn voor de investering vallen onder artikel 14 LVV. De maatregelen die niet leiden tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf zijn opgenomen in maatregelcategorie 3 en 4. Voor deze maatregelen geldt een subsidiepercentage van maximaal 80% overeenkomstig artikel 14 lid 3 sub d en lid 14 van de LVV. Overige advies aan landbouwondernemingen valt onder artikel 22 van de LVV. Deze subsidieparagraaf heeft klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken en waterbescherming, als bedoeld in artikel 22 lid 2 onder b en lid 4 van de LVV tot doel. Dit betekent dat voldaan moet worden aan de volgende criteria: de subsidie wordt rechtstreeks betaald aan de aanbieder van de adviesdiensten; de organisaties die de adviesdiensten verstrekt, beschikt over hiertoe gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel, alsmede over ervaring op het gebied van adviesverstrekking, en zijn betrouwbaar gebleken op de gebieden waarover zij advies verstrekken; als de adviesdiensten door producentengroeperingen en -organisaties worden verleend, mag lidmaatschap van die groeperingen of organisaties geen voorwaarde zijn om toegang tot die diensten te krijgen. Maatregelcategorie 5 bevat demonstraties, trainingen, workshops en coaching ten behoeve van landbouwbedrijven. Deze activiteiten zijn gericht op kennisoverdracht en voorlichting en voldoen daarmee aan artikel 21 van de LVV. Bijlage2Maatregelen Werkgebied Waterschap Drents Overijsselse Delta 1.Thema waterkwaliteit realiseren van een wasplaats en een zuiveringsvoorziening gewasbeschermingsmiddelen zodat geen restlozing plaatsvindt of het realiseren van een zuiveringsvoorziening voor de restanten van de aangemaakte gewasbeschermingsmiddelen (bijvoorbeeld voor reiniging van spuit-apparatuur); aanschaf en installatie zuiveringssystemen voor afvalwater voor verwijdering in de bloembollenteelt; aanschaf Beslissingsondersteunende systemen (BOS) beregening in de bloembollenteelt; aanschaf en installatie gerichte watergeefsystemen, bijvoorbeeld druppelirrigatie, ondergrondse drip-irrigatie in de bloembollenteelt; creëren van Gesloten kringloop in de glastuinbouw; opstellen bedrijfswaterplan of bedrijfswaterscan: waterkwantiteit of waterkwaliteit mogelijk in combinatie milieupuntensysteem; aanschaf Beslissingsondersteunende systemen gewasbeschermingsmiddelen; aanschaf Gewis voor het meest optimale spuitmoment; advies over bemesten op basis van gewasonttrekking op basis van waarnemingen en aanschaf tool; aanschaf van sensor gestuurde of andere selectieve of gerichte spuitapparatuur; productieverlies door verlenging periode van uitrijverbod onbewerkte mest; aanschaf en installatie meteo en grondwater gestuurd bemesten; aanschaf en installatie precisiebemesting, bijvoorbeeld GPS en rijenbemesting; aanschaf en installatie gerichte bemesting via druppelsystemen en dergelijke; aanschaf en installatie apparatuur hergebruik fosfor en stikstof uit slootbagger; aanschaf en installatie apparatuur rijenbemesting dierlijke mest bij gewassen die in rijen worden geteeld; aanleg en beheer droge bufferstroken langs water; aanleg van zuivering van drainagewater; uitvoering van de afvoer van nitraatrijke of fosforrijke groenresten direct na oogst en stimulering compostering daarvan; aanleg en beheer natuurvriendelijke oevers en/of waterbergingsoever; aanleg natte bufferstroken; aanleg en beheer helofytenfilters in nabijheid watergang; aanleg en beheer infiltratiegreppel; productieverlies door opzetten peil. 2. Thema beschikbaarheid van water uitvoering van de afvoer van nitraatrijke en/of fosforrijke groenresten direct na oogst en stimulering compostering daarvan; aanschaf Beslissingsondersteunende systemen beregening; aanschaf en installatie gerichte watergeefsystemen bijvoorbeeld druppelirrigatie, ondergrondse drip-irrigatie; afvoer nitraatrijke of fosforrijke groenresten direct na oogst en stimulering compostering daarvan (hier gericht op compostering); Aanschaf en installatie apparatuur voor nuttig toepassen op bedrijf van sloot- en bermmaaisel; Uitvoeringskosten voor het verhogen van het organische stofgehalte door toepassen stikstofarme en/of fosforarme gewasresten niet zijnde mest; Aanschaf en installatie regelbare/peil gestuurde drainage eventueel in combinatie met Klimaatadaptieve regelbare drainage; Aanschaf, installatie en beheer stuwtjes en andere maatregelen om water langer vast te houden in waterlopen; Aanschaf en installatie onderwaterdrainage; Productieverlies door het beschikbaar stellen van landbouwgrond voor bovenwettelijke waterberging op perceel; maatregelen met als doel minder waterafvoer ten behoeve van erosiepreventie. 3. Thema maaivelddaling aanleg regelbare of peil gestuurde drainage eventueel in combinatie met Klimaatadaptieve regelbare drainage; plaatsen en beheer stuwtjes en andere maatregelen om water langer vast te houden in waterlopen; aanschaf en installatie onderwaterdrainage; productieverlies door het beschikbaar stellen van landbouwgrond voor bovenwettelijke waterberging op perceel. 4. Thema waterplannen opstellen Bedrijfswaterplan of Bedrijfswaterscan: waterkwantiteit of waterkwaliteit mogelijk in combinatie milieupuntensysteem; opstellen van een plan ‘Vruchtbare kringloop’ door meerdere landbouwbedrijven in een gebied; demonstraties en trainingen, workshops en coaching. Toelichting LVV Toelichting maatregelcategorie onder Thema 1 t/m 3 Het gaat hierbij om met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële activa of immateriële activa op landbouwbedrijven. Deze maatregelen zijn gericht op verbetering van de duurzaamheid van een landbouwbedrijf, verbetering van het natuurlijk milieu, modernisering van een landbouwbedrijf dan wel de verwezenlijking van agromilieuklimaatdoelstellingen. Deze maatregelen voldoen aan de in artikel 14 lid 3 sub a t/m e LVV genoemde doelstellingen. Inclusief de voor deze investering gemaakte kosten voor advies. Overig advies aan landbouwondernemingen valt onder artikel 22 van de LVV. Deze subsidieparagraaf heeft klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken en waterbescherming, als bedoeld in artikel 22 lid 2 onder b en lid 4 van de LVV tot doel. Dit betekent dat voldaan moet worden aan de volgende criteria: de subsidie wordt rechtstreeks betaald aan de aanbieder van de adviesdiensten; de organisaties die de adviesdiensten verstrekt, beschikt over hiertoe gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel, alsmede over ervaring op het gebied van adviesverstrekking, en zijn betrouwbaar gebleken op de gebieden waarover zij advies verstrekken; als de adviesdiensten door producentengroeperingen en -organisaties worden verleend, mag lidmaatschap van die groeperingen of organisaties geen voorwaarde zijn om toegang tot die diensten te krijgen. Onder Thema 5 genoemde demonstraties, trainingen, workshops en coaching ten behoeve van landbouwbedrijven. Deze activiteiten zijn gericht op kennisoverdracht en voorlichting en voldoen daarmee aan artikel 21 van de LVV. Hoofdstuk3Milieu en Energie Paragraaf3.1Hernieuwbare energie en energiebesparing ToelichtingHet doel van deze subsidieregeling is het ondersteunen en versnellen van investeringen in technische voorzieningen gericht op energiebesparing, en de opwekking van hernieuwbare energie. Ondernemers, overheden en andere organisaties kunnen in aanmerking komen voor de subsidie. Woningen komen niet in aanmerking voor de subsidie. De subsidieregeling is een tenderregeling. Dit betekent dat de provincie het beschikbare subsidiebudget verdeelt op basis van een behaalde score en voor zover het subsidieplafond het toelaat. Het totale vermeden primaire energieverbruik is het belangrijkste beoordelingscriterium op basis waarvan de score wordt bepaald. De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 200.000,– per aanvraag, met uitzondering van zonne-energie. Voor zonne-energie geldt dat de subsidie maximaal 15% van de subsidiabele kosten bedraagt, met een maximum van € 100.000,- voor zonne-energie en een maximum van € 200.000,- voor de gehele aanvraag. Artikel3.1.1Begripsbepalingen biobrandstof: verzamelnaam voor brandstoffen die zijn gemaakt uit biomassa. Er zijn verschillende soorten. Bijvoorbeeld biodiesel, bio-ethanol, biogas of bio-butanol. biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval, conform Richtlijn2009/28/EG. De biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria voor biomassa ten behoeve van energiedoeleinden, zoals bedoeld in NTA 8080-1: 2015.nl en NTA 8080-2: 2015.nl. bodemenergie: technische voorziening waarmee, zonder per saldo grondwater te onttrekken, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van een bijbehorende warmtepomp, circulatiepomp en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig. energiebesparing: reductie van het energieverbruik in een nieuwe situatie vergeleken met de situatie waarin een referentietechnologie wordt toegepast; energielijst: energie- en milieulijst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met bedrijfsmiddelen die voor de fiscale EnergieInvesteringsaftrek regeling (EIA) in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar geactualiseerd. De energielijst is te vinden op de website http://www.rvo.nl/. EPC: Het vigerend bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat die hierin wordt gebruikt voor energiezuinigheid is de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De bepaling van de EPC ligt vast in de norm NEN 7120 Energieprestatie van Gebouwen (EPG). Toelichting: Het vigerend bouwbesluit is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2011-416.html Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 5 juli 2011, nr. 2011- 20112000271178, CZW). hernieuwbare energie: energie uit zonne-energie, windenergie, waterenergie, bodemenergie en energie uit biomassa. primaire energie: de energie-inhoud van fossiele grondstoffen zoals olie, kolen en gas vóór technische omzetting naar elektriciteit. Het rendement op primaire fossiele grondstoffen is gebaseerd op het meest recente cijfer van het CBS (publicatie 2018), conform de integrale methode. Hierin wordt rekening gehouden met de groei van hernieuwbare elektriciteit in de elektriciteitsmix. Toelichting: Dit betekent dat voor 1 kWh van de Nederlandse elektriciteitsmix 1,95 kWh primaire energie nodig is geweest. Er gaat immers energie verloren tijdens de omzetting van fossiele grondstoffen naar elektriciteit. Regeling Bouwbesluit 2012: vervallen; technische voorziening: bedrijfsmiddelen zoals genoemd in de energielijst of bedrijfsmiddelen ten behoeve van hernieuwbare energie; totale vermeden primaire energieverbruik: het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar door energiebesparing + het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar door hernieuwbare energie– het eigen primaire energieverbruik van de aanvullende technische voorzieningen over een periode van 15 jaar; waterenergie: is energie die gewonnen wordt met behulp van een technische voorziening door het gebruik van stroomsnelheid of hoogteverschil in oppervlaktewaterwater, is thermische energie in de vorm van (rest)warmte- of koude gewonnen uit water, of is energiebenutting waar water als opslagmedium dient om hernieuwbare energie toe te passen. Energie uit water omvat alle vormen van energiewinning en energieopslag met water als hernieuwbare energiebron. windenergie: technische voorziening waarmee elektriciteit wordt opgewekt uit de stroming van lucht met behulp van een windturbine. zonne-energie: technische voorziening waarmee elektriciteit- of warmteopwekking plaatsvindt door middel van photo-voltaïsche (PV) panelen, zonneboilers en PV-panelen met een zonnecollector (PVT) met inbegrip van omvormers. Artikel3.1.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor investeringen in: technische voorzieningen voor energiebesparing in of bij gebouwen, zoals opgenomen in de energielijst onder categorie A en de in de energielijst gestelde technische eisen; technische voorzieningen voor energiebesparing in bestaande of nieuwe bedrijfsprocessen zoals opgenomen in de energielijst onder categorie B en de in de energielijst gestelde technische eisen; hernieuwbare energie. Artikel3.1.3Criteria 1. Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap; er is sprake van energiebesparing of hernieuwbare energie in Overijssel; alleen investeringen in technische voorzieningen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of meer komen in aanmerking voor de subsidie; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet: de subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a en b aan artikel 38 van de AGVV; de subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub c aan artikel 41 van de AGVV. Toelichting: In artikel 1.1.8 is nader toegelicht wanneer sprake kan zijn van staatssteun 2. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a aan de volgende criteria: met de technische voorzieningen bij nieuwbouw van utiliteitsgebouwen waarbij een EPC-eis geldt, wordt tenminste een 25% lagere EPC bereikt dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag of wordt er, indien er geen EPC-eis geldt, een reductie van tenminste 25% gehaald ten opzichte van wat gangbaar is; Toelichting: De EPC-eisen zijn te vinden op de website http://www.rvo.nl/. met de technische voorzieningen bij bestaande utiliteitsgebouwen wordt tenminste een energieprestatie van label A++ bereikt of wordt een energielabel bereikt dat minimaal 4 stappen beter is dan dat het was en waarbij minimaal label B wordt bereikt of wordt minimaal de energieprestatie-eis uit het vigerend bouwbesluit voor nieuwbouw bereikt. 3. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub c aan de volgende criteria: windenergie komt alleen in aanmerking voor de subsidie als sprake is van installaties die bedoeld zijn voor kleinschalige opwekking, met een maximale hoogte van 25 meter en een maximaal vermogen van 50 kilowattpiek; zonne-energie komt alleen in aanmerking voor de subsidie als het wordt gecombineerd met investeringen zoals bedoeld in artikel 3.1.2 sub a, sub b of bodemenergie, windenergie, waterenergie of energie uit biomassa; energie uit biomassa komt alleen in aanmerking voor subsidie als er geen sprake is van biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt; indien sprake is van waterenergie dan voldoet die aan Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement. Artikel3.1.4Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 200.000,– per aanvraag, met uitzondering van zonne-energie. Voor zonne-energie geldt dat de subsidie maximaal 15% van de subsidiabele kosten bedraagt, met een maximum van € 100.000,- voor zonne-energie en een maximum van € 200.000,- voor de gehele aanvraag. Toelichting: Als er sprake is van staatssteun dan kan dit gevolgen hebben op de hoogte van de subsidieverlening of vaststelling. Wanneer voor dezelfde activiteit al steun is verleend dan kan dit betekenen dat onder toepassing van artikel 8 van de AGVV afgeweken wordt van de in dit artikel genoemde maximum percentages. Dit betekent onder andere dat de totale overheidsbijdrage voor de betreffende activiteit in totaal niet meer bedraagt dan: 30% indien de aanvrager een grote onderneming is; 40% indien de aanvrager een middelgrote onderneming is; 50% indien de aanvrager een kleine onderneming is. Artikel3.1.5Subsidiabele kosten 1. Uitsluitend de volgende kosten die nodig zijn om het hogere niveau aan energiebesparing te behalen zijn subsidiabel: aanschafkosten van de technische voorzieningen overeenkomstig artikel 1.1.5 derde lid; loonkosten ten behoeve van de installatie van de technische voorziening overeenkomstig artikel 1.1.5 derde lid of eerste lid sub b; Toelichting: Indien sprake is van eigen loonkosten van de aanvrager ten behoeve van de installatie van de technische voorziening dan zijn deze overeenkomstig artikel 1.1.5 eerste lid sub b, subsidiabel voor een vast tarief van € 35,- per uur. Voor loonkosten van derden geldt artikel 1.1.5 derde lid. 2. Bij de berekening van de subsidie worden alleen de kosten van de investering betrokken die als een afzonderlijke investering vast te stellen zijn. Artikel3.1.6Niet subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel: advieskosten; andere voorbereidingskosten dan kosten voor de installatiewerkzaamheden; kosten projectmanagement- of projectbegeleiding; kosten voor gronden; onderhoudskosten; exploitatiekosten. Artikel3.1.7Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: sprake is van woningen; sprake is van wettelijk vereiste technische voorzieningen, waaronder technische voorzieningen die op grond van het vigerend bouwbesluit voor nieuwbouw verplicht zijn; sprake is van aanschaf van voertuigen voor het vervoer over de weg, vaartuigen voor de binnenvaart of railgebonden voertuigen; voor zonne-energie al subsidie is aangevraagd of verstrekt door een ander bestuursorgaan; Toelichting: Dit betekent dat de aanschafkosten en loonkosten ten behoeve van de installatie voor zonne-energie niet subsidiabel zijn. Voorbeeld is de SDE+. subsidie wordt aangevraagd voor LED-verlichting of een HR-ketel. sprake is van een installatie die op het moment van de aanvraag al in bedrijf is genomen. Artikel3.1.8Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening 1. In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie kan worden ingediend: vanaf 15 februari en ontvangen uiterlijk op 1 april vóór 17.00 uur; vanaf 1 augustus en ontvangen uiterlijk op 16 september vóór 17.00 uur. 2. Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Toelichting: Doordat het een tenderregeling is, is het voor de gelijktijdige beoordeling nodig dat alle stukken voor de sluiting van de aanvraagtermijn ingediend zijn. Na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden die niet inhoudelijk van aard zijn, zoals een handtekening of een bankrekeningnummer. Artikel3.1.9Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘Hernieuwbare energie en energiebesparing’ 2. In afwijking van ar

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.