← Nederland

Omgevingsverordening Gelderland (Gelderland)

Kort samengevat

Deze verordening regelt de omgevingskwaliteit in Gelderland en is gericht op een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland, met een goede kwaliteit van de leefomgeving. Het bevat regels voor activiteiten die de fysieke leefomgeving beïnvloeden en voor het beheer van faunabeheer, zwemwater en vaarwegen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/provincie/2024/CVDR705323 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv25/2023/omgevingsverordening /join/id/stop/work_019 2023-12-27 2023-12-27 /akn/nl/act/provincie/2024/CVDR705323/nld@2024-01-02 /join/id/proces/pv25/2023/doel_334_7e382d59ecbc4337897676dd0726bac0 /join/id/proces/pv25/2023/doel_356_9e55cdeb951f4798b2cbe27e1a7d1c2c 2024-01-02 2024-05-01 2024-01-02 2024-05-01 2024-01-02 2024-05-01 /akn/nl/act/pv25/2023/omgevingsverordening/nld@2023-12-22;2 /akn/nl/act/pv25/2023/omgevingsverordening /akn/nl/act/pv25/2023/omgevingsverordening/nld@2023-12-22;2 /join/id/stop/work_019 1-0 Omgevingsverordening Gelderland Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Afdeling 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 (begripsbepalingen) 1 De bijlage Begripsbepalingen bij dit artikel bevat de begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening. 2 Begripsbepalingen die zijn opgenomen in een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling op grond van de wet zijn ook van toepassing op deze verordening, tenzij in de bijlage Begripsbepalingen een daarvan afwijkende begripsbepaling is opgenomen. Afdeling 1.2 Oogmerken van deze omgevingsverordening Artikel 1.2 (oogmerk uitvoering van de omgevingsvisie) 1 Deze verordening is gericht op het realiseren van de volgende oogmerken van de omgevingsvisie: a. een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland; en b. een goede kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. 2 De regels in deze verordening en de toepassing daarvan beogen een evenwichtige afweging van het gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van de maatschappelijke behoeften en het in stand houden of verbeteren van de volgende omgevingskwaliteiten: a. de biodiversiteit en de natuur; b. de natuur en het landschap, inclusief erfgoed; c. het water, met name het grond- en zwemwater; d. het milieu; e. het bereikbaarheidsnetwerk, met name de provinciale wegen; en f. de inrichting van de leefomgeving. Artikel 1.3 (oogmerk uitvoering van de Omgevingswet) Deze verordening stelt ter uitvoering van de wet en met het oog op de doelen van de wet regels over: a. het beschermen en duurzaam benutten van de Gelderse leefomgeving; b. het bereiken of voldoen aan provinciale omgevingswaarden en andere provinciale doelstellingen voor de fysieke leefomgeving; c. het verrichten van activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving in Gelderland; en d. het doelmatig en doeltreffend uitoefenen van taken en bevoegdheden door bestuursorganen in Gelderland. Afdeling 1.3 Afwegingsruimte Paragraaf 1.3.1 Afwijkingsmogelijkheden bij algemene regels voor activiteiten in hoofdstuk 4 Artikel 1.4 (maatwerkvoorschrift in afwijking van regels voor activiteiten) Gedeputeerde Staten kunnen, tenzij in artikelen 4.1, 7.3 en 7.10 anders is bepaald, met een maatwerkvoorschrift van een algemene regel afwijken, voor zover toepassing van die regel: a. gelet op het belang dat die regel beoogt te beschermen, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard; of b. in een specifiek geval niet toereikend is voor of in de weg staat aan het bereiken van het oogmerk waarmee die regel is gesteld. Artikel 1.5 (tijdelijke maatwerkregels in afwijking van algemene regels voor activiteiten) Met maatwerkregels kan voor de duur van ten hoogste twee jaar van een algemene regel voor een activiteit worden afgeweken, voor zover toepassing van die regel niet toereikend is voor of in de weg staat aan het bereiken van de oogmerken, bedoeld in de artikelen 1.2 en 1.

  1. Paragraaf 1.3.2 Afwijkingsmogelijkheden bij instructieregels in de hoofdstukken 5 en 6 Artikel 1.6 (ontheffing van een instructieregel) Gedeputeerde Staten kunnen met toepassing van artikel 2.32, vijfde en zesde lid, van de wet op verzoek van: a. een bestuursorgaan van een gemeente ontheffing verlenen van de instructieregels in hoofdstuk 5, tenzij in artikel 5.2 anders is bepaald; en b. een bestuursorgaan van een waterschap ontheffing verlenen van de instructieregels in hoofdstuk
  2. Artikel 1.7 (afwijking van een instructieregel voor het omgevingsplan om een zwaarwegend belang) 1 In afwijking van de instructieregels in hoofdstuk 5 kan, tenzij in artikel 5.2 anders is bepaald, een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaten als: a. zwaarwegende maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen; b. er geen reële alternatieven voorhanden zijn; en c. de nadelige gevolgen, die de betrokken provinciale belangen van die activiteit of ontwikkeling ondervinden, zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende gevolgen worden gecompenseerd. 2 Onder zwaarwegende maatschappelijke belangen worden in ieder geval verstaan: a. de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening; b. de duurzame opwekking van energie, voor zover dit een significante bijdrage levert aan de regionale, provinciale of landelijke energiedoelstelling; en c. de adaptatie aan de gevolgen of mogelijke gevolgen van klimaatverandering. 3 Bij toepassing van het eerste lid, onderdeel c, op de instructieregels in paragraaf 5.2.1 vindt compensatie plaats met inachtneming van de artikelen 5.12 tot en met 5.
  3. Paragraaf 1.3.3 Overige afwijkingsmogelijkheden Artikel 1.8 (experimenteerbepaling) 1 In afwijking van de regels over activiteiten in hoofdstuk 4, de instructieregels in de hoofdstukken 5 en 6 en de regels over activiteiten in een omgevingsplan kunnen, tenzij in de artikelen 4.1, 5.2, 7.3 of 7.10 anders is bepaald, regels worden gesteld over een experiment dat beoogt bij te dragen aan het nastreven van de oogmerken, genoemd in de artikelen 1.2 en 1.
  4. 2 Artikel 23.3, derde tot en met het achtste lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. voor "Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties" wordt gelezen: Gedeputeerde Staten; en b. voor "maatregel" wordt gelezen: regels. Paragraaf 1.3.4 Betrokkenheid Provinciale Staten bij afwijkingsmogelijkheden Artikel 1.9 (wensen en bedenkingen Provinciale Staten) 1 Gedeputeerde Staten geven geen toepassing of medewerking aan één van de afwijkingsmogelijkheden, bedoeld in de artikelen 1.4 of 1.7, dan nadat Provinciale Staten het voornemen tot toepassing van of medewerking aan die bevoegdheid is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van Gedeputeerde Staten te brengen. 2 Als een of meer leden van Provinciale Staten overleg vragen, wordt het voornemen geagendeerd voor de eerstvolgende vergadering van Provinciale Staten. 3 Provinciale Staten delen binnen vijf dagen na toezending aan Gedeputeerde Staten mee of overleg gewenst is. Afdeling 1.4 Aanwijzing gebieden en toepassingsbereik Artikel 1.10 (aanwijzing gebieden en toepassingsbereik regels omgevingsverordening) 1 De bijlage Overzicht informatieobjecten bevat de in deze verordening aangewezen gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en begrenzing zijn vastgelegd in een GML-bestand. 2 De regels in deze verordening zijn van toepassing in de provincie Gelderland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in de bijlage Overzicht informatieobjecten, voor zover er bij een regel geen geometrische begrenzing van een specifiek gebied of specifieke locatie is vastgelegd. 3 De begrenzing van de aangewezen gebieden is exact met uitzondering van de volgende gebieden waarvan de begrenzing indicatief is: a. Arkervaart; b. gekanaliseerde Linge; c. gesloten stortplaats; d. dijktrajecten 1 op 30, 1 op 100, 1 op 300, 1 op 1250 en handhaven huidige situatie; e. Korne, delen van de Oude IJssel en delen van de Linge; f. de Linge; g. de Oude IJssel; h. peilbesluitgebied; en i. verbodsgebied varend ontgassen. 4 Als provinciaal netwerk voor het doorgaand vervoer van gevaarlijke stoffen zijn aangewezen alle provinciale wegen, met uitzondering van de in de bijlage Wegen en wegdelen buiten de routering vervoer gevaarlijke stoffen genoemde wegen en weggedeelten. 5 Voor de vaststelling van de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden worden aangewezen de provinciale wegen zoals opgenomen in bijlage Geluidproductieplafonds provinciale wegen. Hoofdstuk 2 Toedeling van beheer en onderhoud Afdeling 2.1 Faunabeheer Artikel 2.1 (faunabeheereenheid) 1 Binnen de provincie Gelderland is er één faunabeheereenheid. 2 Het werkgebied van Faunabeheereenheid Gelderland omvat het hele grondgebied van de provincie Gelderland, met uitzondering van Kroondomein Het Loo. 3 De faunabeheereenheid heeft tot taak: a. het coördineren van de uitvoering van het faunabeheerplan; en b. het adviseren van Gedeputeerde Staten over faunabeleid. Artikel 2.2 (nadere regels faunabeheerplan) 1 Een faunabeheerplan wordt elke zes jaar herzien. 2 In aanvulling op artikel 6.2 van het Omgevingsbesluit bevat een faunabeheerplan: a. een beschrijving van de handelingen van het huidige en voorgaande faunabeheerplan; en b. de gegevens en bescheiden die op grond van de Omgevingsregeling worden verstrekt voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit die nodig is voor de uitvoering van het faunabeheerplan voor de onderdelen:
  5. het beperken van de omvang van populaties van in het wild levende dieren; en
  6. het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers. 3 Op verzoek van de faunabeheereenheid kan de termijn waarbinnen een faunabeheerplan wordt herzien, worden verlengd met ten hoogste één jaar. Artikel 2.3 (wildbeheereenheid) 1 De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten oppervlakte van ten minste vijfduizend hectare. 2 Een wildbeheereenheid publiceert de begrenzing van de gronden waarover haar zorg zich uitstrekt. 3 Een wildbeheereenheid draagt zorg voor het uitvoeren van tellingen door haar leden in overeenstemming met de telprotocollen van de faunabeheereenheid. Artikel 2.4 (geen uitzondering aansluitplicht wildbeheereenheid) Iedere jachthouder aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend, is lid van een wildbeheereenheid. Afdeling 2.2 Zwemwaterbeheer Artikel 2.5 (aanwijzing houder zwemlocatie) 1 Gedeputeerde Staten wijzen jaarlijks per aangewezen zwemlocatie als bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving een houder aan. 2 Als houder wordt aangewezen: a. de exploitant van de zwemlocatie; of b. als er geen sprake is van exploitatie van de zwemlocatie: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de zwemlocatie gelegen is. Artikel 2.6 (verplichtingen houder zwemlocatie) De houder van een zwemlocatie: a. verricht jaarlijks het onderzoek naar de veiligheid van de zwemlocatie, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. treft op grond van de resultaten van het onderzoek maatregelen om de veiligheid van de zwemlocatie te waarborgen of te verbeteren als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; c. treft realistische en evenredige maatregelen voor het behoud of het verbeteren van de kwaliteit van de zwemlocatie als bedoeld in artikel 3.6, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. treft passende zwemwaterbeheersm​​aatregelen als bedoeld in de artikelen 3.7, 3.8 en 3.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, naar aanleiding van een dagelijkse monitoring van de hygiëne en veiligheid op de dagen dat door een groot aantal personen wordt gezwommen; e. zorgt voor een duidelijke en fysieke markering van de voor zwemmers gevaarlijke plaatsen op de zwemlocatie; en f. zorgt voor voldoende mate van toezicht op de zwemmers gedurende de uren dat de zwemlocatie voor het publiek is opengesteld als voor het zwemmen een toegangsprijs wordt gevraagd. Afdeling 2.3 Vaarwegbeheer en -onderhoud Artikel 2.7 (toedeling vaarwegbeheer) 1 Het vaarwegbeheer van de Korne, delen van de Oude IJssel en delen van de Linge berust bij Gedeputeerde Staten. 2 Het vaarwegbeheer van de gekanaliseerde Linge berust bij het dagelijks bestuur van waterschap Rivierenland. 3 Het vaarwegbeheer van de Arkervaart berust bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk. Artikel 2.8 (vaarwegonderhoud) 1 De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van het vastgestelde vaarwegprofiel. 2 Het onderhoud van de vaarweg omvat in ieder geval: a. het op de vastgestelde afmetingen houden of brengen van de vaarweg; b. het in goede staat houden of brengen van de oevers, oevervoorzieningen en kunstwerken, zodanig dat de instandhouding en de bruikbaarheid van de vaarweg gewaarborgd blijft; en c. het schoonhouden van de vaarweg, met inbegrip van het afvoeren van vuil en waterplanten, voor zover dit voor het gebruik van de vaarweg noodzakelijk is. Afdeling 2.4 Nautisch beheer Artikel 2.9 (toedeling nautisch beheer) 1 Het nautisch beheer van de Linge berust bij het dagelijks bestuur van waterschap Rivierenland. 2 Het nautisch beheer van de Oude IJssel berust bij het dagelijks bestuur van waterschap Rijn en IJssel. Afdeling 2.5 Onderhoud van provinciale wegen Artikel 2.10 (onderhoud van provinciale wegen) Tenzij krachtens een wet, overeenkomst of besluit een andere regeling geldt, berust het onderhoud van een provinciale weg bij Gedeputeerde Staten. Hoofdstuk 3 Omgevingswaarden Afdeling 3.1 Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen Artikel 3.1 (oogmerk omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen) Deze afdeling is opgenomen met het oog op het waarborgen van de veiligheid van de regionale waterkeringen. Artikel 3.2 (toepassingsbereik omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen) Voor de veiligheid van regionale waterkeringen geldt per dijktraject de veiligheidsnorm, aangegeven in de artikelen 3.3 tot en met 3.
  7. Artikel 3.3 (dijktraject 1 op 30) Voor dijktraject 1 op 30 geldt de gemiddelde overschrijdingskans van 1:30 per jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend. Artikel 3.4 (dijktraject 1 op 100) Voor dijktraject 1 op 100 geldt de gemiddelde overschrijdingskans van 1:100 per jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend. Artikel 3.5 (dijktraject 1 op 300) Voor dijktraject 1 op 300 geldt de gemiddelde overschrijdingskans van 1:300 per jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend. Artikel 3.6 (dijktraject 1 op 1250) Voor dijktraject 1 op 1250 geldt de gemiddelde overschrijdingskans van 1:1250 per jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend. Artikel 3.7 (dijktraject handhaven huidige situatie) Voor dijktraject handhaven huidige situatie geldt het huidige dijkprofiel. Artikel 3.8 (termijn en aard omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen) 1 Aan de omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen wordt uiterlijk voldaan met ingang van 1 januari
  8. 2 De omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen zijn resultaatsverplichtingen voor het waterschap. Afdeling 3.2 Omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren Artikel 3.9 (oogmerk omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren) Deze afdeling is opgenomen met het oog op het voorkomen of beperken van wateroverlast van de regionale wateren. Artikel 3.10 (toepassingsbereik omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren) De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren gelden voor de beheergebieden van waterschap Rijn en IJssel, waterschap Vallei en Veluwe en waterschap Rivierenland. Artikel 3.11 (omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren waterschap Rijn en IJssel) 1 Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Rijn en IJssel geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1:100 per jaar voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn; en b. 1:10 per jaar voor het overige gebied. 2 Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1:10 per jaar. 3 In afwijking van het tweede lid geldt geen norm voor: a. Natura 2000-gebieden; b. gebieden die zijn aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de wet; en c. gebieden aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland. 4 Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari
  9. 5 De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. Artikel 3.12 (omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren waterschap Vallei en Veluwe) 1 Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1:100 per jaar voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn; en b. 1:10 per jaar voor het overige gebied. 2 Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1:10 per jaar. 3 In afwijking van het tweede lid geldt geen norm voor: a. Natura 2000-gebieden; b. gebieden aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de wet; en c. gebieden, voor zover niet behorend tot de onder a of b bedoelde gebieden, aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland. 4 Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari
  10. 5 De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. Artikel 3.13 (omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren waterschap Rivierenland) 1 Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Rivierenland geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1:100 per jaar voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn; en b. 1:10 per jaar voor het overige gebied. 2 Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1:100 per jaar voor het landgebruik hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b. 1:50 per jaar voor het landgebruik glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; c. 1:25 per jaar voor het landgebruik akkerbouw; d. 1:10 per jaar voor het landgebruik grasland. Voor het landgebruik is de situatie bepalend zoals vastgelegd in het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland versie 7 van Wageningen Universiteit en Researchcentrum met inachtneming van de navolgende conversietabel: landgebruik omgevingswaarde legenda-eenheden LGN7 hoofdinfrastructuur en spoorwegen hoofdwegen en spoorwegen glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw glastuinbouw, boomgaarden, bloembollen akkerbouw aardappelen, bieten, granen, overige landbouwgewassen grasland agrarisch gras, gras in bebouwd gebied, mais 3 In afwijking van het tweede lid geldt geen norm voor: a. Natura 2000-gebieden; b. gebieden die zijn aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de wet; en c. gebieden, voor zover niet behorend tot de onder a of b bedoelde gebieden, aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland. 4 Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari
  11. 5 De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. Artikel 3.14 (omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren waterschap Vechtstromen) Voor het beheergebied van waterschap Vechtstromen gelden de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zoals gesteld bij de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 3.15 (wijziging termijnen en vrijstelling omgevingswaarden) Op verzoek van het dagelijks bestuur van een waterschap kan: a. de termijn waarbinnen of het tijdstip waarop moet worden voldaan aan een omgevingswaarde, genoemd in artikelen 3.8, eerste lid, 3.11, vierde lid, 3.12, vierde lid en 3.13, vierde lid, worden gewijzigd; b. vrijstelling worden verleend van de omgevingswaarden wateroverlast als:
  12. het gebied waarvoor vrijstelling geldt niet groter is dan 100 hectare; en
  13. uit een gebiedsanalyse blijkt dat het nemen van maatregelen om aan de omgevingswaarde te voldoen niet doelmatig is. Hoofdstuk 4 Regels over activiteiten in de leefomgeving Afdeling 4.1 Toepassingsbereik afwegingsruimte afdeling 1.3 Artikel 4.1 (geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van afwijkingsmogelijkheden) De paragrafen 1.3.1 en 1.3.3 zijn niet van toepassing op: a. de paragrafen 4.2.1 en 4.2.3; en b. afdeling 4.
  14. Afdeling 4.2 Activiteiten met betrekking tot natuur en landschap Paragraaf 4.2.1 Flora- en fauna-activiteiten Artikel 4.2 (oogmerk regels over flora- en fauna-activiteiten) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op: a. het beschermen van soorten;​​ b. het voorkomen van schade door van nature in het wild levende dieren; en c. het mogelijk maken van ruimtelijke ontwikkelingen, onderzoek en asbestsanering. Artikel 4.3 (aanwijzing vergunningvrij geval: schadeveroorzakende soorten) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden, opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voorplantingsplaatsen of rustplaatsen van de veldmuis als dit gebeurt in overeenstemming met de voorwaarden in bijlage Voorwaarden vergunningvrije flora- en fauna-activiteit schadeveroorzakende soorten. Artikel 4.4 (aanwijzing vergunningvrij geval: ruimtelijke inrichting) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk vangen of het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in bijlage Voorwaarden vergunningvrije flora-en fauna-activiteit ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud aangewezen soorten met de daarbij voorgeschreven middelen als: a. dit gebeurt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud; en b. het vrijlaten van de gevangen soorten zo snel mogelijk gebeurt in de directe omgeving op een voor de betreffende soort geschikte plek. Artikel 4.5 (aanwijzing vergunningvrij geval: bescherming tegen verkeer) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk vangen van een kikker, pad of salamander als: a. dit gebeurt met het doel deze te vervoeren ter bescherming tegen het verkeer; b. dit gebeurt met behulp van het plaatsen van schermen; en c. de soorten onmiddellijk na het vervoeren worden vrijgelaten op een voor de soort geschikte plaats binnen 50 meter van de plaats waar zij zijn gevangen. Artikel 4.6 (aanwijzing vergunningvrij geval: onderzoek of onderwijs) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het vangen van de eieren of larven van de bruine kikker, groene kikker of gewone pad als: a. dit gebeurt voor het gebruik bij een onderzoek of onderwijs; en b. de soorten onmiddellijk na voltooiing van de metamorfose worden vrijgelaten op de plaats waar ze zijn gevangen. Artikel 4.7 (aanwijzing vergunningvrij geval: bescherming tegen landbouwwerkzaamheden) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het rapen en onder zich hebben van eieren en het opzettelijk vangen en onder zich hebben van niet vliegvlugge jonge vogels als: a. dit gebeurt om eieren en niet vliegvlugge jonge vogels tegen landbouwwerkzaamheden te beschermen; en b. het vrijlaten van de gevangen niet vliegvlugge jonge vogels onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden plaatsvindt op een voor de soort geschikte plaats. Artikel 4.8 (aanwijzing vergunningvrij geval: asbestsanering) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten en rustplaatsen, het opzettelijk wegnemen van nesten van de huismus, kerkuil of steenuil of het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de steenmarter als: a. dit gebeurt bij vervanging van asbesthoudende dakplaten door asbestvrije dakplaten van een ander bouwwerk dan een woning; en b. dit gebeurt in overeenstemming met de voorwaarden in bijlage Voorwaarden vergunningvrije flora-en fauna-activiteit asbestsanering. Paragraaf 4.2.2 Activiteiten die houtopstanden betreffen Artikel 4.9 (oogmerk maatwerkregels over houtopstand) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op: a. de natuurbescherming; b. de instandhouding van het bosareaal; of c. het beschermen van landschappelijke waarden. Artikel 4.10 (melding vellen houtopstand) In afwijking van artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving: a. wordt het vellen van een houtopstand ten minste zes weken maar niet eerder dan een jaar voor het begin daarvan gemeld; en b. is de meldplicht niet van toepassing op degene:
  15. die minimaal 500 hectare bos of 500 hectare wegbeplanting beheert in de provincie Gelderland;
  16. die werkt volgens de bij ministeriële regeling aangewezen gedragscode; en
  17. die jaarlijks ter kennisgeving aan Gedeputeerde Staten een werkplan overlegt waarin de planning voor houtkap op perceelsniveau of het niveau van het wegtracé is opgenomen. Artikel 4.11 (nadere invulling voorwaarden kapverbod) Onder bijzondere natuurwaarden of landschappelijke waarden als bedoeld in artikel 11.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden in ieder geval verstaan: a. een oude bosgroeiplaats; b. cultuurhistorisch waardevolle beplantingen; en c. beschermde natuurwaarden. Artikel 4.12 (nadere invulling bosbouwkundig verantwoord herbeplanten) 1 Het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet aan de volgende eisen: a. de oppervlakte van de herbeplanting is ten minste gelijk aan de gevelde of tenietgegane oppervlakte; b. de boomsoorten van de herbeplanting zijn geschikt om, gelet op de bodemkwaliteit en waterhuishouding ter plaatse, uit te groeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; c. door de keuze van de boomsoorten en de plantafstand wordt:
  18. binnen een periode van tien jaar een gesloten kronendak gerealiseerd; en
  19. een situatie gerealiseerd die op termijn leidt tot tenminste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden in verhouding tot de gevelde of tenietgegane houtopstand; d. de herbeplanting bestaat niet uit:
  20. soorten die een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse; of
  21. tuinsoorten of sierheesters; en e. in Natura 2000-gebieden heeft de herbeplanting geen nadelige gevolgen voor natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen. 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, onder 1, geldt voor rijbeplanting een maximale plantafstand van 10 meter. Artikel 4.13 (meldplicht aanleg en onderhoud brandgang) Een brandgang als bedoeld in artikel 11.131, eerste lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving is alleen uitgezonderd van de meldplicht vellen houtopstand en plicht tot herbeplanting als de brandgang: a. uitsluitend is begroeid met lage, slecht brandbare natuurlijke vegetatie; b. wordt aangelegd en onderhouden in:
  22. bosgebied dat voor ten minste 75% bestaat uit naaldhout; of
  23. heidegebied van ten minste 500 hectare; en c. een breedte heeft van:
  24. ten hoogste 50 meter; of
  25. ten hoogste 70 meter als de brandgang zich bevindt onder een hoogspanningstracé van het elektriciteitsnet. Paragraaf 4.2.3 Activiteiten die de jacht betreffen Artikel 4.14 (geen jacht tijdens bijzondere weersomstandigheden) Onverminderd artikel 11.66 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden de jacht op wildsoorten uit te oefenen tijdens een aangewezen periode van bijzondere weersomstandigheden. Afdeling 4.3 Grondwaterbedreigende activiteiten Paragraaf 4.3.1 Algemeen Artikel 4.15 (toepassingsbereik en oogmerk regels over grondwaterbedreigende activiteiten) 1 Deze afdeling gaat over grondwaterbedreigende activiteiten in een waterwingebied, een grondwaterbeschermingsgebied, een koude-warmte-opslagvrije zone, een boringsvrije zone, een intrekgebied, een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied of een minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. 2 Deze afdeling is opgenomen met het oog op het beschermen van de kwaliteit van het grondwater vanwege de openbare drinkwatervoorziening. Artikel 4.16 (specifieke zorgplicht) 1 Degene die een grondwaterbedreigende activiteit verricht in een waterwingebied, een grondwaterbeschermingsgebied, een koude-warmte-opslagvrije zone, een boringsvrije zone, een intrekgebied, een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied of eenminder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebieden weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat Gedeputeerde Staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf onverwijld op de hoogte worden gesteld als nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater zich voordoen of dreigen voor te doen. Artikel 4.17 (bebording waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden) Het drinkwaterbedrijf plaatst borden volgens het in bijlage Bebording waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden opgenomen model: a. langs alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwateren die toegang geven tot een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied of daaraan grenzen; en b. op of bij de grenzen van een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Paragraaf 4.3.2 Waterwingebieden Artikel 4.18 (verboden grondwaterbedreigende activiteiten in waterwingebieden) 1 Het is verboden de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een waterwingebied: a. een activiteit genoemd in bijlage Lijst van verboden grondwaterbedreigende activiteiten; b. handelingen waardoor de beschermende werking van een bodemlaag wordt of kan worden aangetast; c. het in de bodem brengen van afstromend water in dieper gelegen watervoerende bodemlagen; d. het aanleggen van een ondergrondse opslagtank; e. het aanleggen van een begraafplaats of terrein voor het verstrooien van as als bedoeld in de wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats; f. het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarden overschrijdt als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; of g. het hebben, gebruiken of vervoeren van meststoffen. 2 Het eerste lid geldt niet voor het drinkwaterbedrijf voor zover de activiteit noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. 3 Het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor: a. het saneren van de bodem of het grondwater en het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek; of b. het verrichten van grondwatermetingen voor de openbare drinkwatervoorziening. 4 Het eerste lid, aanhef en onder f, geldt niet voor het verspreiden van baggerspecie uit een watergang als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a, sub 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving. 5 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder f, geldt voor grond of baggerspecie met poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) dat toepassing is toegestaan: a. tot een maximale waarde van 0,1 microgram per kilogram; of b. tot een vastgestelde gebiedswaarde met een maximum van 0,5 microgram per kilogram voor perfluoroctaanzuur (PFOA) en perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) en 0,1 microgram per kilogram voor de overige PFAS; en c. als de grond of baggerspecie afkomstig is van buiten het waterwingebied: wanneer wordt gecontroleerd op basis van een partijkeuring op de stoffen, genoemd in bijlage 1 van het RIVM-briefrapport 2020-
  26. Artikel 4.19 (vergunningplichtige grondwaterbedreigende activiteiten in waterwingebieden) 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een waterwingebied: a. het hebben, gebruiken of vervoeren van schadelijke stoffen; b. handelingen met constructies waardoor schadelijke stoffen op of in de bodem terecht kunnen komen; c. het roeren van de bodem dieper dan twee meter onder het maaiveld; d. het buiten gebruik stellen van een boorgat dieper dan twee meter onder het maaiveld; of e. het op of in de bodem brengen van afstromend water. 2 Het eerste lid geldt niet voor het drinkwaterbedrijf voor zover de activiteit noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. 3 Het eerste lid, aanhef en onder a en b, geldt niet voor: a. het hebben of gebruiken van schadelijke stoffen voor het functioneren van motorrijtuigen of motorwerktuigen; b. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in gesloten deugdelijke verpakking, mits die stoffen deugdelijk zijn geladen en zijn beschermd tegen weersinvloeden; c. het hebben of gebruiken van schadelijke stoffen, met uitzondering van biociden, in hoeveelheden van minder dan 25 liter of 25 kilogram, mits die stoffen worden bewaard in een deugdelijke verpakking en zijn beschermd tegen weersinvloeden; d. het gebruiken van strooizout voor gladheidbestrijding; of e. het aanleggen, hebben en gebruiken van aardgasleidingen voor huishoudelijk gebruik. Paragraaf 4.3.3 Grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 4.20 (verboden grondwaterbedreigende activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden) 1 Het is verboden de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een grondwaterbeschermingsgebied: a. een activiteit genoemd in bijlage Lijst van verboden grondwaterbedreigende activiteiten; b. handelingen waardoor de beschermende werking van een bodemlaag wordt of kan worden aangetast; c. het in de bodem brengen van afstromend water in dieper gelegen watervoerende bodemlagen; d. het aanleggen van een ondergrondse opslagtank; of e. het aanleggen van een begraafplaats of terrein voor het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats. 2 Het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor: a. het saneren van de bodem of het grondwater en het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek; of b. het verrichten van grondwatermetingen voor de openbare drinkwatervoorziening. Artikel 4.21 (melding grondwaterbedreigende activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden) 1 Het is verboden de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een grondwaterbeschermingsgebied zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan aan Gedeputeerde Staten te melden: a. het uitbreiden van een begraafplaats of terrein voor het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats; b. het toepassen van grond of baggerspecie dat de kwaliteitsklasse landbouw/natuur of algemeen toepasbaar overschrijdt als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit; c. het hebben, gebruiken of vervoeren van meststoffen; d. het hebben, gebruiken of vervoeren van schadelijke stoffen; e. handelingen met constructies waardoor schadelijke stoffen op of in de bodem terecht kunnen komen; f. het roeren van de bodem dieper dan drie meter onder het maaiveld; g. het buiten gebruik stellen van een boorgat dieper dan drie meter onder het maaiveld; of h. het op of in de bodem brengen van afstromend water. 2 Het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan die watergang grenzende percelen als bedoeld in artikel 4.1269, derde lid, onder a, sub 1, van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3 Het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor: a. het gebruiken van dierlijke meststoffen, compost, anorganische meststoffen, kalkmeststoffen of dierlijke uitwerpselen; of b. het vervoeren van meststoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in gesloten deugdelijke verpakking, mits die stoffen deugdelijk zijn geladen en zijn beschermd tegen weersinvloeden. 4 Het eerste lid, aanhef en onder d en e, geldt niet voor: a. het hebben of gebruiken van schadelijke stoffen voor het functioneren van motorrijtuigen of motorwerktuigen; b. het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in gesloten deugdelijke verpakking, mits die stoffen deugdelijk zijn geladen en zijn beschermd tegen weersinvloeden; c. het hebben of gebruiken van schadelijke stoffen, met uitzondering van biociden, in hoeveelheden van minder dan 25 liter of 25 kilogram, mits die stoffen worden bewaard in een deugdelijke verpakking en zijn beschermd tegen weersinvloeden; d. het gebruiken van strooizout voor gladheidbestrijding; e. het hebben en gebruiken van een buisleiding of riolering die is aangelegd met een toestemming op grond van een provinciale verordening; of f. het aanleggen, hebben of gebruiken van een aardgasleiding voor huishoudelijk gebruik. 5 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, geldt voor grond of baggerspecie met poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) dat toepassing is toegestaan tot een maximale waarde van 0,1 microgram per kilogram. Artikel 4.22 (uitbreiden begraafplaats of uitstrooiveld in grondwaterbeschermingsgebieden) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, onder a, in een grondwaterbeschermingsgebied worden nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater voorkomen. Artikel 4.23 (toepassen grond of baggerspecie in grondwaterbeschermingsgebieden) 1 Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, onder b, in een grondwaterbeschermingsgebied zijn alleen de volgende toepassingen met de aangegeven kwaliteitsklassen, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, toegestaan: a. op of in de bodem brengen van grond van de kwaliteitsklasse wonen of van baggerspecie afkomstig uit het grondwaterbeschermingsgebied van de kwaliteitsklasse wonen; b. in oppervlaktewater, van grond of baggerspecie afkomstig uit het grondwaterbeschermingsgebied van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd; of c. in een omvang van meer dan 5000 kubieke meter als wordt aangetoond dat:
  27. de risico’s voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen;
  28. de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; en
  29. de kwaliteit daarvan de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen of de kwaliteitsklasse licht verontreinigd niet overschrijdt. 2 In afwijking van het eerste lid en in aanvulling op artikel 4.21, vijfde lid, geldt voor grond of baggerspecie met poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) dat toepassing is toegestaan: a. als de grond of baggerspecie afkomstig is van binnen het grondwaterbeschermingsgebied tot een vastgestelde gebiedswaarde met een maximum van 1,9 microgram per kilogram voor perfluoroctaanzuur (PFOA) en 1,4 microgram per kilogram voor de overige PFAS; of b. als de grond of baggerspecie afkomstig is van buiten het grondwaterbeschermingsgebied tot een vastgestelde gebiedswaarde met een maximum van 0,5 microgram per kilogram voor perfluoroctaanzuur (PFOA) en perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) en 0,1 microgram per kilogram voor de overige PFAS en wanneer wordt gecontroleerd op basis van een partijkeuring op de stoffen genoemd in bijlage 1 van het RIVM-briefrapport 2020-
  30. Artikel 4.24 (activiteiten met meststoffen in grondwaterbeschermingsgebieden) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, onder c, in een grondwaterbeschermingsgebied: a. is het op of in de bodem brengen van andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, compost, anorganische meststoffen, kalkmeststoffen of dierlijke uitwerpselen niet toegestaan; en b. worden bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin voorzieningen getroffen om lekkage naar de bodem te voorkomen. Artikel 4.25 (activiteiten met schadelijke stoffen in grondwaterbeschermingsgebieden) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, onder d en e, in een grondwaterbeschermingsgebied: a. is het op of in de bodem brengen van schadelijke stoffen of andere stoffen waarin schadelijke stoffen voorkomen, niet toegestaan; en b. worden voorzieningen getroffen om te voorkomen dat schadelijke stoffen op of in de bodem kunnen komen. Artikel 4.26 (boren en grondwerkzaamheden in grondwaterbeschermingsgebieden) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, onder f en g, in een grondwaterbeschermingsgebied: a. wordt verontreiniging van de bodem en het grondwater voorkomen; b. wordt de mate van doorlaatbaarheid van de bodem niet groter; c. worden voorzieningen getroffen om te voorkomen dat schadelijke stoffen via een boorgat in de bodem kunnen komen; en d. wordt het boorgat of de ontgraving afsluitend aangevuld bij het buiten gebruik stellen ervan of bij beëindiging van de werkzaamheden. Artikel 4.27 (op of in de bodem brengen van afstromend water in grondwaterbeschermingsgebieden) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid onder h, in een grondwaterbeschermingsgebied: a. heeft de kwaliteit van het afstromend water geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater; en b. wordt voorkomen dat afstromend hemelwater op of in de bodem kan komen als de kwaliteit van dit water nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater. Paragraaf 4.3.4 Koude-warmte-opslagvrije zones Artikel 4.28 (verboden grondwaterbedreigende activiteiten in koude-warmte-opslagvrije zones) 1 Het is verboden de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een koude-warmte-opslagvrije zone: a. het aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk; b. het aanleggen en gebruiken van een bodemenergiesysteem; c. handelingen waardoor de beschermende werking van een bodemlaag wordt of kan worden aangetast; of d. het in de bodem brengen van afstromend water in dieper gelegen watervoerende bodemlagen. 2 Het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor: a. het saneren van de bodem of het grondwater en het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek; of b. het verrichten van grondwatermetingen voor de openbare drinkwatervoorziening. Artikel 4.29 (melding grondwaterbedreigende activiteiten in koude-warmte-opslagvrije zones) 1 Het is verboden de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een koude-warmte-opslagvrije zone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan aan Gedeputeerde Staten te melden: a. het hebben, gebruiken of vervoeren van vloeibare schadelijke stoffen zwaarder dan water; b. het roeren van de bodem dieper dan drie meter onder het maaiveld; of c. het buiten gebruik stellen van een boorgat dieper dan drie meter onder het maaiveld. 2 Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor: a. het hebben of gebruiken van vloeibare schadelijke stoffen zwaarder dan water voor het functioneren van motorrijtuigen of motorwerktuigen; b. het vervoeren van vloeibare schadelijke stoffen zwaarder dan water in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in gesloten deugdelijke verpakking, mits die stoffen deugdelijk zijn geladen en zijn beschermd tegen weersinvloeden; of c. het hebben of gebruiken van vloeibare schadelijke stoffen zwaarder dan water in hoeveelheden van minder dan 25 liter, mits die stoffen worden bewaard in een deugdelijke verpakking en zijn beschermd tegen weersinvloeden. Artikel 4.30 (activiteiten met vloeibare schadelijke stoffen zwaarder dan water in koude-warmte-opslagvrije zones) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.29, eerste lid, onder a, in een koude-warmte-opslagvrije zone: a. is het op of in de bodem brengen van vloeibare schadelijke stoffen zwaarder dan water of andere vloeistoffen waarin vloeibare schadelijke stoffen zwaarder dan water voorkomen, niet toegestaan; en b. worden voorzieningen getroffen om te voorkomen dat vloeibare schadelijke stoffen zwaarder dan water op of in de bodem kunnen komen. Artikel 4.31 (boren en grondwerkzaamheden in koude-warmte-opslagvrije zones) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.29, eerste lid, onder b of c, in een koude-warmte-opslagvrije zone: a. wordt verontreiniging van de bodem en het grondwater voorkomen; b. wordt de mate van doorlaatbaarheid van de bodem niet groter; c. worden voorzieningen getroffen om te voorkomen dat schadelijke stoffen via een boorgat in de bodem kunnen komen; en d. wordt het boorgat of de ontgraving afsluitend aangevuld bij het buiten gebruik stellen ervan of bij beëindiging van de werkzaamheden. Paragraaf 4.3.5 Boringsvrije zones Artikel 4.32 (verboden grondwaterbedreigende activiteiten in boringsvrije zones) 1 Het is verboden de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een boringsvrije zone: a. het aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk; of b. handelingen waardoor de beschermende werking van een bodemlaag wordt of kan worden aangetast. 2 Het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor: a. het saneren van de bodem of het grondwater en het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek; of b. het verrichten van grondwatermetingen voor de openbare drinkwatervoorziening. Artikel 4.33 (melding grondwaterbedreigende activiteiten in boringsvrije zones) Het is verboden de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een boringsvrije zone zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan aan Gedeputeerde Staten te melden: a. het aanleggen en gebruiken van een bodemenergiesysteem; b. het roeren van de bodem dieper dan drie meter onder het maaiveld; of c. het buiten gebruik stellen van een boorgat dieper dan drie meter onder het maaiveld. Artikel 4.34 (boren en grondwerkzaamheden in boringsvrije zones) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.33, in een boringsvrije zone: a. wordt verontreiniging van de bodem en het grondwater voorkomen; b. wordt de mate van doorlaatbaarheid van de bodem niet groter; c. worden voorzieningen getroffen om te voorkomen dat schadelijke stoffen via een boorgat in de bodem kunnen komen; en d. wordt het boorgat of de ontgraving afsluitend aangevuld bij het buiten gebruik stellen ervan of bij beëindiging van de werkzaamheden. Paragraaf 4.3.6 Intrekgebieden Artikel 4.35 (verbod mijnbouwactiviteit in intrekgebieden) Het is verboden in een intrekgebied een mijnbouwwerk aan te leggen en te exploiteren, behalve voor het opsporen of winnen van aardwarmte. Paragraaf 4.3.7 Kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden Artikel 4.36 (verboden grondwaterbedreigende activiteiten in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) Het is verboden de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied: a. het aanleggen of exploiteren van een mijnbouwwerk; of b. het aanleggen of gebruiken van een bodemenergiesysteem. Artikel 4.37 (vergunningplichtige grondwaterbedreigende activiteiten in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied: a. een activiteit genoemd in lijst A van de bijlage Grondwaterbedreigende activiteiten in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden; b. het in de bodem brengen van afstromend water in dieper gelegen watervoerende bodemlagen; c. het aanleggen van een ondergrondse opslagtank; of d. het aanleggen van een begraafplaats of terrein voor het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats. Artikel 4.38 (melding grondwaterbedreigende activiteiten in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) 1 Het is verboden de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan aan Gedeputeerde Staten te melden: a. een activiteit genoemd in lijst B van de bijlage Grondwaterbedreigende activiteiten in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden; b. het uitbreiden van een begraafplaats of terrein voor het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats; c. het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater of in een omvang van meer dan 5000 kubieke meter; d. het gebruiken van meststoffen; e. het roeren van de bodem dieper dan 10 meter onder het maaiveld; f. het buiten gebruik stellen van een boorgat dieper dan 10 meter onder het maaiveld; g. het op of in de bodem brengen van afstromend water; of h. het aanleggen van een systeem voor individuele behandeling van afvalwater. 2 Het eerste lid, aanhef en onder c, geldt alleen voor toepassingen met grond of baggerspecie dat de kwaliteitsklasse landbouw/natuur of algemeen toepasbaar overschrijdt als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit. 3 Het eerste lid, aanhef en onder d, geldt niet voor het gebruiken van dierlijke meststoffen, compost, anorganische meststoffen, kalkmeststoffen of dierlijke uitwerpselen. 4 Het eerste lid, aanhef en onder e, geldt niet voor ontgrondingsactiviteiten. 5 Het eerste lid, aanhef en onder g, geldt alleen voor afstromend water van zonneparken groter dan 1 hectare, rijks- of provinciale wegen, parkeerplaatsen voor meer dan 100 motorvoertuigen en bedrijventerreinen met milieubelastende activiteiten die op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtig of meldingplichtig zijn. Artikel 4.39 (uitbreiden begraafplaats of uitstrooiveld in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, onder b, in een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied worden nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater voorkomen. Artikel 4.40 (toepassen grond of baggerspecie in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, onder c, in een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied zijn alleen de volgende toepassingen met de aangegeven kwaliteitsklassen, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, toegestaan: a. in oppervlaktewater, van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd; of b. in een omvang van meer dan 5000 kubieke meter als wordt aangetoond dat:
  31. de risico’s voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen; en
  32. de kwaliteit daarvan de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen of de kwaliteitsklasse licht verontreinigd niet overschrijdt. Artikel 4.41 (activiteiten met meststoffen in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) 1 Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, onder d in een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied is het op of in de bodem brengen van andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, compost, anorganische meststoffen, kalkmeststoffen, dierlijke uitwerpselen of overige organische meststoffen niet toegestaan. 2 Het op of in de bodem brengen van overige organische meststoffen is alleen toegestaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van het grondwater. Artikel 4.42 (boren en grondwerkzaamheden in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, onder e en f, in een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied: a. wordt verontreiniging van de bodem en het grondwater voorkomen; b. wordt de mate van doorlaatbaarheid van de bodem niet groter; c. worden voorzieningen getroffen om te voorkomen dat schadelijke stoffen via een boorgat in de bodem kunnen komen; en d. wordt het boorgat of de ontgraving afsluitend aangevuld bij het buiten gebruik stellen ervan of bij beëindiging van de werkzaamheden. Artikel 4.43 (op of in de bodem brengen van afstromend water in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, onder g, in een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied: a. heeft de kwaliteit van het afstromend water geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater; en b. wordt voorkomen dat afstromend hemelwater op of in de bodem kan komen als de kwaliteit van dit water nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater. Artikel 4.44 (aanleggen van een systeem voor individuele behandeling van afvalwater (IBA) in kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, onder h, in een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied heeft het systeem voor individuele behandeling van afvalwater geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater. Paragraaf 4.3.8 Minder kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden Artikel 4.45 (verboden grondwaterbedreigende activiteiten in minder kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) 1 Het is verboden de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied: a. het aanleggen of exploiteren van een mijnbouwwerk; of b. handelingen waardoor de beschermende werking van de bodemlaag wordt of kan worden aangetast. 2 Het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor: a. het saneren van de bodem of het grondwater en het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek; b. het verrichten van grondwatermetingen voor een openbaar grondwatermeetnet; of c. het drinkwaterbedrijf, voor zover de activiteit noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. Artikel 4.46 (melding grondwaterbedreigende activiteiten in minder kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) 1 Het is verboden de volgende grondwaterbedreigende activiteiten te verrichten in een minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan aan Gedeputeerde Staten te melden: a. het aanleggen of gebruiken van een bodemenergiesysteem; b. het roeren van de bodem dieper dan 30 meter onder het maaiveld; of c. het buiten gebruik stellen van een boorgat dieper dan 30 meter onder het maaiveld. 2 Het eerste lid, aanhef en onder b geldt niet voor ontgrondingsactiviteiten. Artikel 4.47 (boren en grondwerkzaamheden in minder kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden) Bij het verrichten van een grondwaterbedreigende activiteit als bedoeld in artikel 4.46, eerste lid, in een minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied: a. wordt verontreiniging van de bodem en het grondwater voorkomen; b. wordt de mate van doorlaatbaarheid van de bodem niet groter; c. worden voorzieningen getroffen om te voorkomen dat schadelijke stoffen via een boorgat in de bodem kunnen komen; en d. wordt het boorgat of de ontgraving afsluitend aangevuld bij het buiten gebruik stellen ervan of bij beëindiging van de werkzaamheden. Afdeling 4.4 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 4.4.1 Activiteiten op een gesloten stortplaats Artikel 4.48 (oogmerk regels over activiteiten op een gesloten stortplaats) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op het waarborgen van nazorg bij een gesloten stortplaats als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer. Artikel 4.49 (verbod gebruik gesloten stortplaats) Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten op een gesloten stortplaats als die activiteit de uitvoering of werking van een nazorgmaatregel kan belemmeren of aantasten. Paragraaf 4.4.2 Activiteiten op of in de bodem Artikel 4.50 (toepassingsbereik en oogmerk regels over activiteiten op of in de bodem) 1 Deze paragraaf is van toepassing op de activiteiten saneren van de bodem en graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, met uitzondering van werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen. 2 Deze paragraaf is opgenomen met het oog op het wegnemen van risico’s als gevolg van een verontreiniging in het grondwater. Artikel 4.51 (bodemonderzoek grondwaterverontreiniging) 1 Bij een voorgenomen activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit of bij het saneren van de bodem wordt ook de kwaliteit van het grondwater betrokken. 2 Als uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat een signaleringsparameter in het grondwater volgens bijlage Vd bij artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt overschreden, wordt een vervolgbodemonderzoek verricht naar de relatie tussen de verontreiniging in het grondwater en de verontreinigingsbron in de vaste bodem. 3 Als in het vervolgbodemonderzoek wordt vastgesteld dat de verontreiniging in het grondwater verband houdt met een verontreinigingsbron in de vaste bodem op de locatie, dan wordt in een nader bodemonderzoek ook de locatiespecifieke situatie in beeld gebracht en beoordeeld. 4 De beoordeling van de locatiespecifieke situatie bevat in ieder geval een beoordeling van: a. de negatieve gezondheidseffecten; en b. de risico's die optreden of dreigen op te treden ter plaatse van kwetsbare objecten als bedoeld in het regionaal waterprogramma. 5 Bij de beoordeling van de locatiespecifieke situatie wordt rekening gehouden met de Risicotool-box Grondwater van het Rijkinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Artikel 4.52 (informeren Gedeputeerde Staten over resultaten bodemonderzoek grondwater) Gedeputeerde Staten worden tenminste vier weken voor het begin van de activiteit saneren van de bodem of graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit geïnformeerd over de resultaten van het nader bodemonderzoek, bedoeld in artikel 4.51, als zo’n nader bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. Artikel 4.53 (sanering verontreinigingsbron grondwaterverontreiniging) 1 Als uit het nader bodemonderzoek, bedoeld in artikel 4.51, derde lid, blijkt dat er door de verontreiniging in het grondwater een negatief gezondheidseffect of een onaanvaardbaar risico kan optreden, wordt de saneringsaanpak van artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving gevolgd. 2 Bij het saneren wordt de verontreinigingsbron in de vaste bodem, die verband houdt met de verontreiniging in het grondwater, zoveel mogelijk verwijderd. Paragraaf 4.4.3 Activiteiten in stiltegebieden Artikel 4.54 (toepassingsbereik en oogmerk regels over activiteiten in stiltegebied) 1 Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in een stiltegebied. 2 Deze paragraaf is opgenomen met het oog op het voorkomen en beperken van geluid in de aangewezen stiltegebieden. Artikel 4.55 (verboden activiteiten in stiltegebieden) In een stiltegebied is het verboden: a. een toestel te gebruiken dat het ervaren van de natuurlijke geluiden kan verstoren; en b. zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Artikel 4.56 (vrijstellingen verboden activiteiten in stiltegebieden) Artikel 4.55 is niet van toepassing op: a. activiteiten in het kader van een normale agrarische bedrijfsvoering, bosbouw, jacht, natuurbeheer en visserij; b. activiteiten in het kader van wonen of het uitoefenen van een aan huis gebonden ambacht of beroep; c. activiteiten op kampeerterreinen; d. normaal onderhoud en beheer van gebouwen en terreinen; e. het gebruikmaken van een omgevingsvergunning of een andere toestemming voor een activiteit of gebiedsontwikkeling; en f. het gebruik van motoren in of aan vaartuigen voor de normale voortstuwing van vaartuigen tot een snelheid van ten hoogste acht kilometer per uur. Paragraaf 4.4.4 Varend ontgassen Artikel 4.57 (toepassingsbereik en oogmerk regels over varend ontgassen) 1 Deze paragraaf is van toepassing op het varend ontgassen door binnenschepen binnen het verbodsgebied varend ontgassen. 2 Deze paragraaf is opgenomen met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor omwonenden en het milieu door het ontgassen van binnenschepen. Artikel 4.58 (verbod varend ontgassen) Het is de vervoerder en de schipper verboden vanaf een binnenschip op een vaarweg gelegen binnen het verbodsgebied varend ontgassen een ladingtank te ontgassen met restladingdamp van: a. benzeen (UN 1114); b. ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN 1267); c. aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268); d. brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863); e. brandbare vloeistoffen N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993); of f. koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295). Artikel 4.59 (vrijstelling verbod varend ontgassen) Het verbod om varend te ontgassen, bedoeld in artikel 4.58, is niet van toepassing: a. als het ontgassen noodzakelijk is om redenen van veiligheid:
  33. vanwege drukverevening; of
  34. tijdens of na een calamiteit met het binnenschip; of b. als de vervoerder of schipper aantoont dat:
  35. de drie voorafgaande ladingen in de te ontgassen ladingtank niet bestonden uit de genoemde stoffen; of
  36. de te ontgassen ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof. Paragraaf 4.4.5 Geitenhouderij Artikel 4.60 (toepassingsbereik en oogmerk regels over geitenhouderij) 1 Deze paragraaf is van toepassing op de geitenhouderij. 2 Deze paragraaf is opgenomen met het oog op het beperken van risico’s voor de gezondheid van omwonenden van geitenhouderijen, in afwachting van de resultaten van nader onderzoek naar de oorzaak van die risico’s. Artikel 4.61 (tijdelijk verbod nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij) 1 Het is verboden om de volgende milieubelastende activiteiten te verrichten: a. een geitenhouderij of geitenhouderijtak te vestigen; b. een veehouderijbedrijf of een veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren geheel of gedeeltelijk te wijzigen in een geitenhouderij; c. het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden te vergroten; d. het oprichten van een nieuw dierenverblijf voor het houden van geiten; e. bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij. 2 Het eerste lid, aanhef en onder c, geldt niet voor op het eigen bedrijf geboren geitenlammeren tot en met een leeftijd van 60 dagen, mits het vergunde dan wel gemelde aantal geiten van 61 dagen en ouder niet toeneemt ten opzichte van het aantal op 30 augustus 2017 legaal gehouden aantal geiten van 61 dagen en ouder. Afdeling 4.5 Ontgrondingsactiviteiten Artikel 4.62 (toepassingsbereik en oogmerk regels over ontgrondingsactiviteiten) 1 Deze afdeling is van toepassing op ontgrondingsactiviteiten. 2 Deze afdeling is opgenomen met het oog op het o​​pnemen van een aanvullend verbod voor en van vergunningvrije gevallen van ontgrondingsactiviteiten, waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn. Artikel 4.63 (aanvullend verbod ontgrondingsactiviteit) In afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten als deze activiteit in hoofdzaak wordt verricht om bodemmateriaal te verkrijgen. Artikel 4.64 (aanvullende vrijstellingen ontgrondingsactiviteit) 1 In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1 van de wet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, niet als de grondlagen dieper dan drie meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven en niet meer dan zowel 3.000 kubieke meter aan volume als 3.000 vierkante meter aan oppervlakte wordt ontgraven. 2 In afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het eerste lid geldt geen vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van een plein, park, plantsoen, tuin, sportterrein, woningbouwterrein, parkeerterrein, speelterrein, industrieterrein, weg, spoorweg of luchthaven als de grondlagen dieper dan drie meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven. 3 In aanvulling op artikel 16.7, aanhef en onder g, onder 1°, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt geen vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit voor een noodzakelijke voorlandverbetering voor een dijk, met uitzondering van dijken die geen waterkerende functie hebben. 4 Voor de gevallen, genoemd in artikel 16.7, aanhef en onder h, van het Besluit activiteiten leefomgeving en het eerste lid, geldt geen vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit voor het aanbrengen van een afdichtende kleilaag tot vier en een halve meter diep waarbij het uiteindelijke opleveringspeil ten hoogste drie meter beneden het oorspronkelijke maaiveld ligt. Artikel 4.65 (melding ontgrondingsactiviteit) Het is verboden een ontgrondingsactiviteit te verrichten waarvoor op grond van artikel 16.7, aanhef en onder b, c, h of j, van het Besluit activiteiten leefomgeving of op grond van artikel 4.64, eerste lid, geen vergunningplicht geldt en waar 1.000 kubieke meter of meer wordt ontgraven zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan aan Gedeputeerde Staten te melden. Afdeling 4.6 Beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen Paragraaf 4.6.1 Algemeen Artikel 4.66 (toepassingsbereik en oogmerk regels over provinciale wegen) 1 Deze afdeling is van toepassing op activiteiten in een beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg. 2 Deze afdeling is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van de wegbeheerder. 3 Deze afdeling is opgenomen met het oog op het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van provinciale wegen. 4 Taken en bevoegdheden op grond van deze afdeling kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de artikelen 1.2 en 1.
  37. Paragraaf 4.6.2 Zorgplicht en vergunningplichtige activiteiten Artikel 4.67 (specifieke zorgplicht) 1 Degene die gebruik maakt van of een activiteit verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de weg kan verontreinigen of beschadigen, of andere nadelige gevolgen kan hebben voor het oogmerk, bedoeld in artikel 4.66, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2 Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van de weg wordt verzekerd; b. het gebruik van de weg, in overeenstemming met de bestemming, wordt verzekerd; c. het vrije zicht op en vanaf de weg wordt verzekerd; d. geen vaste stoffen, hinderlijke of schadelijke vloeistoffen of voorwerpen op de weg worden achtergelaten; e. houtgewas, bomen of struiken zodanig worden geplaatst of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer op de weg kunnen veroorzaken; f. geen voertuig onbeheerd wordt achtergelaten op de weg; en g. niet excessief op de weg wordt geparkeerd. Artikel 4.68 (verbod beperkingengebiedactiviteit op of langs een provinciale weg) 1 Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten in een beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg te verrichten: a. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen; b. andere werkzaamheden uit te voeren of werken te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen op, aan, in onder of boven de weg; c. op, in, over of onder de weg roerende zaken, vaste stoffen of voorwerpen te storten, plaatsen, aan te brengen of te hebben; d. houtgewas te beplanten, te behouden of te vellen; of e. de weg anders te gebruiken dan voor verkeersdoeleinden. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op het plaatsen van voorwerpen, waarop gedachten of gevoelens geopenbaard worden als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, voor zover dit gebruik niet strijdig is met het oogmerk, bedoeld in artikel 4.
  38. 3 In afwijking van het eerste lid, onder c, d en e, is geen omgevingsvergunning vereist voor: a. het leggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels en leidingen met een openbare functie en de hiermee samenhangende proefsleuven en sonderingen; b. het plaatsen van een gedenkteken naar aanleiding van een verkeersongeval; of c. het plaatsen van tijdelijke verkeersmaatregelen en omleidingsborden door of namens een andere wegbeheerder voor de duur van maximaal 24 uur. 4 Gedeputeerde Staten stellen vanuit het oogmerk, bedoeld in artikel 4.66, maatwerkregels vast voor de in het derde lid bedoelde gevallen. Paragraaf 4.6.3 Maatwerkregels kabels en leidingen Artikel 4.69 (meldplicht kabels en leidingen) 1 Het is verboden in een beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg de in artikel 4.68, derde lid, onder a, genoemde kabels of leidingen te leggen, te plaatsen, in stand te houden, te slopen of te verwijderen, zonder dit ten minste vier weken voor het begin en ten hoogste zes maanden voor het begin ervan te melden aan Gedeputeerde Staten. 2 Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die melding, wordt een nieuwe melding gedaan. 3 Het eerste en tweede lid gelden niet voor: a. activiteiten die worden verricht door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg; b. kabels voor telecommunicatie-infrastructuur. 4 In afwijking van het eerste en tweede lid worden werkzaamheden aan kabels en leidingen als gevolg van een calamiteit direct gemeld. Artikel 4.70 (gegevens en bescheiden bij melding begin van werkzaamheden) Ten minste twee weken voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit; b. de verwachte duur ervan; en c. de te nemen verkeersmaatregelen. Artikel 4.71 (ontgraving algemeen) 1 Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een ontgraving: a. beperkt tot een zo klein mogelijk profiel en onafgebroken uitgevoerd; b. op dezelfde dag dat deze wordt gemaakt, gedicht met de uitkomende grond of met aangevoerde grond met het RAG-keurmerk; c. als verdichting op dezelfde dag niet mogelijk is, voldoende veilig afgezet; d. niet verricht tussen een half uur voor zonsondergang en een half uur na zonsopgang; e. als tijdelijke verkeersmaatregelen nodig zijn, verricht in de werkbare uren die voor die weg zijn gesteld; en f. niet verricht en onderbroken bij slecht zicht door weersomstandigheden. 2 De gesloten bekleding of verharding van de weg wordt niet opgebroken, tenzij dit nodig is voor verlegging, onderhoud of reparatie van de kabels of leidingen. De verharding wordt teruggebracht in de oorspronkelijke staat. 3 De afwatering van de weg wordt niet belemmerd. 4 De tijdelijke verkeersmaatregelen voldoen aan de actuele versie van “Werk in Uitvoering 96a/b” van het kennisplatform CROW of aan een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd verkeersplan en conflicteren niet met tijdelijke verkeersmaatregelen van andere werkzaamheden. Artikel 4.72 (ontgraving bescherming groenvoorziening) 1 Voor de start van de ontgraving wordt het gras over de volle werkbreedte gemaaid. 2 Met het oog op de bescherming van de ecologische waarden en natuur wordt een ontgraving in de berm: a. zodanig uitgevoerd dat beplanting zowel boven- als ondergronds niet beschadigt; b. niet uitgevoerd binnen de kroonprojectie van bomen en 1,5 meter daarbuiten; en c. verdicht tot ten hoogste 1,5 MPa. 3 Binnen de kroonprojectie van bomen en een zone van 1,5 meter daarbuiten wordt niet met zwaar materieel gereden, geen zwaar materieel geparkeerd of materiaal opgeslagen. 4 Er wordt gewerkt volgens het landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen. 5 ​​Overtollige grond en puin worden onmiddellijk afgevoerd naar een erkend verwerker. Artikel 4.73 (ligging van de kabel of leiding) 1 Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een kabel of leiding gelegd: a. ten minste 1,0 meter buiten de verharding van de weg; b. op een afstand van ten minste 3,0 meter van de aanwezige bomen, gemeten vanuit de as van de bomenrij als er een bomenrij is; c. op een afstand van ten minste 1,5 meter van andere beplanting, met uitzondering van gras; d. als de kabel of leiding parallel aan een bermsloot wordt gelegd: op een afstand van ten minste 0,6 meter vanaf de insteek van de bermsloot; e. als de kabel of leiding parallel aan een talud wordt gelegd: op een afstand van ten minste 0,6 meter vanaf de teen van het talud; en f. als de kabel of leiding parallel aan een geleiderailconstructie wordt gelegd: op een afstand van ten minste 1,5 meter vanaf die constructie. 2 De afstanden worden gemeten tot aan de dichtstbij gelegen zijde van de kabel of leiding. 3 Het vlak, gelegen onder een helling van 1:3 uit de onderkant van de verharding of de fundering, wordt niet doorsneden. 4 In de berm van de weg is de gronddekking ten minste 0,8 meter boven een gasleiding of riolering, ten minste 1,0 meter boven een waterleiding en ten minste 0,6 meter boven een elektriciteitskabel. 5 Als een kabel of leiding kruist met een bermsloot, is de gronddekking boven de kabel of leiding ten minste 1,0 meter. 6 Waar kabels of leidingen boven een duiker komen te liggen of een persleiding kruisen en de voorgeschreven gronddekking niet kan worden verkregen, worden zij in mantelbuizen gelegd. 7 Wanneer het niet mogelijk is om buiten de wortelzone een kabel of leiding aan te leggen, wordt een mantelbuis onder de wortelzone aangelegd met een gestuurde boring. Artikel 4.74 (wegkruisingen) 1 Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt bij een kruising van een kabel of leiding met een weg: a. een mantelbuis gebruikt; en b. een gestuurde boring toegepast. 2 De kabel of leiding wordt zoveel mogelijk loodrecht op de as van de gesloten verharding aangelegd. Artikel 4.75 (gestuurd boren en persen) 1 Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt geboord of geperst volgens de geldende NEN normen voor de aanleg van kabels en leidingen. 2 Bij het boren is controleerbaar of de inhoud van de hoeveelheid uitkomende grond ongeveer gelijk is aan de inhoud van de voorwaartse verplaatsing van de persbuis, waarbij rekening wordt gehouden met de uitlevering van de grond. 3 Bij het verwijderen van de grond aan de voorzijde van de buis wordt niet uitgeboord. 4 Als de boring of persing mislukt, worden passende herstelmaatregelen getroffen die zijn afgestemd met Gedeputeerde Staten. Artikel 4.76 (afstanden bij boren) 1 Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een boring verricht op voldoende diepte ten opzichte van de verharding van de weg. 2 Een boring wordt op voldoende afstand van een andere kabel of leiding verricht. Artikel 4.77 (mantelbuizen) 1 Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg liggen het intredepunt en het uittredepunt van een mantelbuis, van waaruit wordt geboord, ten minste 1 meter buiten de weg. 2 De lengte van een mantelbuis bestrijkt ten minste een spreidingszone onder 45° vanuit de zijkant van de wegconstructie. 3 De mantelbuis is geschikt als toepassing voor bescherming van kabels en leidingen voor ondergrondse en bovengrondse toepassingen. Artikel 4.78 (noodreparatie) Bij een noodreparatie wordt de verharding pas opengebroken als het voor herstel benodigde materiaal op of nabij het werk is aangevoerd. Artikel 4.79 (verzakkingen en beschadigingen) Gedurende twee jaar na de datum van uitvoering van de werkzaamheden worden optredende verzakkingen en beschadigingen van de weg hersteld. Artikel 4.80 (verplichting tot verwijderen of verleggen bij belemmering) 1 Met het oog op het belang van aanleg, verruiming of wijziging van een provinciale weg worden kabels en leidingen, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de aanleg, verruiming of wijziging van die weg of het onderhoud daarvan door of namens de wegbeheerder. 2 Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende van de kabels of de leidingen geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop de kabels of de leidingen worden verplaatst of verlegd, stellen Gedeputeerde Staten die termijn bij maatwerkvoorschrift vast. 3 Alle kosten die verband houden met de verplaatsing of verlegging van kabels en leidingen zijn voor rekening van de rechthebbende van de kabels of de leidingen. Artikel 4.81 (informeren over een ongewoon voorval) Gedeputeerde Staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval, waarbij de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en c. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet. Paragraaf 4.6.4 Maatwerkregels plaatsen gedenkteken Artikel 4.82 (melding gedenkteken) Het is verboden in een beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg een gedenkteken te plaatsen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. Artikel 4.83 (locatie gedenkteken) 1 Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een gedenkteken geplaatst langs wegen met een snelheidsregime van 80 km/u of minder. 2 Een gedenkteken wordt niet in de tussenberm of middenberm geplaatst. 3 Er wordt één gedenkteken per locatie geplaatst voor maximaal 5 jaar. Artikel 4.84 (uitvoering en onderhoud gedenkteken) Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg voldoet een gedenkteken qua vorm, afmeting en constructie aan de volgende eisen: a. het gedenkteken bestaat uit een tegel; b. het gedenkteken heeft een maximale afmeting van 0,80 meter breed en 0,80 meter lang; c. het gedenkteken wordt niet boven het maaiveld aangebracht; d. het gedenkteken bevat geen uitstekende delen; en e. de afstand van de zijkant van het gedenkteken tot de verharding van de weg bedraagt:
  39. bij een weg met een snelheidsregime van 80 km/u: minimaal 3 meter;
  40. bij een weg met een snelheidsregime van 60 km/u: minimaal 1,80 meter;
  41. bij fietspad of parallelweg: minimaal 1,00 meter. Paragraaf 4.6.5 Maatwerkregels tijdelijke verkeersmaatregelen en omleidingsborden Artikel 4.85 (melding tijdelijke verkeersmaatregelen en omleidingsborden) 1 Het is verboden in een beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg tijdelijke verkeersmaatregelen en omleidingsborden te plaatsen zonder dit ten minste vijf werkdagen voor het begin ervan te melden. 2 In afwijking van het eerste lid worden tijdelijke verkeersmaatregelen en het plaatsen van omleidingsborden voor spoedwerkzaamheden direct gemeld. 3 Dit artikel geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de provinciale wegbeheerder in het kader van aanleg, beheer of wijziging van een weg of regeling van het verkeer over die weg. Artikel 4.86 (veilig werken) 1 Tijdelijke verkeersmaatregelen voldoen aan de actuele versie van Werk in Uitvoering 96a/b van het kennisplatform CROW of aan een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd verkeersplan en conflicteren niet met tijdelijke verkeersmaatregelen ten behoeve van andere werkzaamheden. 2 De werkzaamheden worden verricht in de werkbare uren die voor die weg zijn gesteld. Afdeling 4.7 Gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin Artikel 4.87 (oogmerk regels over gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin) ​​Deze afdeling is opgenomen met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van de gebruikers van een badwaterbassin. Artikel 4.88 (melding realiseren badwaterbassin) ​​Het is verboden een badwaterbassin te realiseren of te wijzigen zonder dit ten minste drie maanden voor de aanvang van de uitvoering ervan aan Gedeputeerde Staten te melden. Hoofdstuk 5 Instructieregels omgevingsplan Afdeling 5.1 Instructieregels omgevingsplan: algemeen Artikel 5.1 (aangewezen gebieden of locaties) Bij het toedelen van functies aan locaties in een omgevingsplan neemt de gemeenteraad de in artikel 1.10 bedoelde gebieden in acht. Artikel 5.2 (geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van afwijkingsmogelijkheden) De artikelen 1.6 en 1.7 zijn niet van toepassing op a. paragraaf 5.2.4; b. de artikelen 5.9, 5.10 en 5.11; en c. afdeling 5.
  42. Artikel 5.3 (overgangsrecht inhoud omgevingsplan) 1 Bij het uitvoering geven aan een instructieregel kan het omgevingsplan voorzien in overgangsrecht met eerbiedigende werking voor: a. activiteiten die op het tijdstip van inwerkingtreding van die regels op grond van een omgevingsplan rechtmatig worden verricht; of b. functies die op het tijdstip van inwerkingtreding van die regels op grond van een omgevingsplan zijn toegestaan. 2 Bij het uitvoering geven aan een instructieregel voorziet het omgevingsplan niet in overgangsrecht met eerbiedigende werking, voor zover een op het tijdstip van inwerkingtreding van die instructieregel rechtmatig verrichte activiteit of toegestane functie zich niet verdraagt met het oogmerk van die instructieregel. 3 Uiterlijk op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbesluit tot vaststelling of wijziging van het omgevingsplan stelt het gemeentebestuur Gedeputeerde Staten in de gelegenheid te adviseren over het overgangsrecht voor bestaande rechten als bedoeld in het eerste lid. Afdeling 5.2 Instructieregels omgevingsplan: natuur Paragraaf 5.2.1 Gelders natuurnetwerk Artikel 5.4 (oogmerk instructieregels over het Gelders natuurnetwerk) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de oppervlakte, samenhang en kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk. Artikel 5.5 (beschermen kwaliteit Gelders natuurnetwerk) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties in het Gelders natuurnetwerk, wordt een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. 2 Er is geen sprake van nadelige gevolgen voor de oppervlakte als die in overeenstemming met de artikelen 5.12 tot en met 5.17 worden gecompenseerd: a. in de nabijheid van het Gelders natuurnetwerk; of b. in het Gelders natuurnetwerk op gronden die op de ambitiekaart bij het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland zijn aangeduid met code N00.
  43. Artikel 5.6 (afwijkingsmogelijkheden bij militaire terreinen) In afwijking van artikel 5.5, eerste lid, laat een omgevingsplan binnen het Gelders natuurnetwerk terreinverharding en bouwactiviteiten op militaire terreinen en terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving alleen toe als de nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit gelijkwaardig worden gecompenseerd in overeenstemming met de artikelen 5.12 tot en met 5.
  44. Artikel 5.7 (afwijkingsmogelijkheden bij windturbines) 1 In afwijking van artikel 5.5, eerste lid, kan een omgevingsplan het bouwen van een windturbine toelaten: a. voor een locatie binnen het gebied dat is aangeduid als Gelders natuurwerk windturbines onder voorwaarden mogelijk; en b. als de compensatie voor de windturbine en bijbehorend terrein bestaat uit maatregelen waarbij:
  45. de nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd in overeenstemming met bijlage Gelijkwaardige natuurbeheertypen; en
  46. de oppervlakte aan natuur die verloren gaat voor 200 procent wordt gecompenseerd. 2 De initiatiefnemer legt de wijze van compensatie en de wijze waarop aandacht aan voorkomende soorten wordt besteed vast in een natuurversterkingsplan dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan. Artikel 5.8 (afwijkingsmogelijkheden uitbreiding bestaande activiteit) 1 In afwijking van artikel 5.5, eerste lid, kan een omgevingsplan een uitbreiding van een bestaande activiteit binnen het Gelders natuurnetwerk alleen toelaten als: a. voor die uitbreiding geen reële alternatieven voorhanden zijn; b. de kernkwaliteiten van het gebied in hun onderlinge samenhang bezien per saldo worden versterkt; en c. de versterking en uitvoering hiervan planologisch worden verzekerd in overeenstemming met de artikelen 5.12 tot en met 5.
  47. 2 In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een uitbreiding van een in bijlage Groeilocaties groei-krimpbeleid Veluwe bedoeld bedrijf alleen mogelijk maken als: a. de uitbreiding plaatsvindt op een in bijlage Groeilocaties groei-krimpbeleid Veluwe aangegeven uitbreidingslocatie; b. het toegekend aantal hectares uit bijlage Groeilocaties groei-krimpbeleid Veluwe niet wordt overschreden; c. de uitbreiding uiterlijk op 1 januari 2027 is opgenomen in een onherroepelijk omgevingsplan; en d. de initiatiefnemer per hectare aan natuur die verloren gaat door de uitbreiding een vergoeding van € 33.000 aan de provincie heeft betaald. Artikel 5.9 (beschermen zeldzame natuurbeheertypen) Een omgevingsplan laat een activiteit of ontwikkeling binnen het Gelders natuurnetwerk die nadelige gevolgen kan hebben voor de natuurbeheertypen bron, gemaaid rietland, hoogveen, trilveen of zwak gebufferd ven niet toe. Artikel 5.10 (afwijkmogelijkheden voor natuurbegraafplaats) 1 In afwijking van artikel 5.5, eerste lid, laat een omgevingsplan een natuurbegraafplaats in het Gelders natuurnetwerk alleen toe voor een locatie in het verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven Gelders natuurnetwerk en als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het aantal graven bedraagt ten hoogste 500 per hectare; b. er worden alleen menselijke stoffelijke resten en urnen begraven; c. er wordt alleen in vergankelijke materialen begraven; d. er vindt alleen grondverzet plaats als dit nodig is voor het delven van een graf of het begraven van een urn; e. bij het dichten van een graf wordt de bodem in de oorspronkelijke volgorde teruggeplaatst; f. de grafrust wordt eeuwigdurend gerespecteerd; g. er vinden geen bijzettingen plaats; h. er vindt geen asverstrooiing plaats; i. er worden geen grafmonumenten geplaatst; j. er worden geen gebouwen of bouwwerken opgericht; en k. er worden geen verhardingen of halfverhardingen aangebracht. 2 Een omgevingsplan dat een natuurbegraafplaats toelaat, voorziet: a. erin dat de kernkwaliteiten worden versterkt door naar rato per 250 graven per hectare:
  48. één hectare nieuwe natuur te realiseren; of
  49. vijf hectare bestaande natuur om te vormen naar een provinciaal doeltype zoals beschreven in het beheerplan Natura 2000; b. in een natuurversterkingsplan waarin wordt aangegeven de wijze:
  50. van versterking van de kernkwaliteiten;
  51. waarop aandacht aan voorkomende soorten wordt besteed; en
  52. van het dichten van graven; en c. in een gebod of voorwaardelijke verplichting voor een beheerplan dat inzicht geeft hoe met de ter plaatse voorkomende bijzondere soorten wordt omgegaan. Artikel 5.11 (natuurbegraafplaats op een bosbodem) In afwijking van artikel 5.5, eerste lid, laat een omgevingsplan een natuurbegraafplaats voor een locatie in het verkenningsgebied bijzondere voorwaarden natuurbegraven Gelders natuurnetwerk alleen toe als: a. is voldaan aan artikel 5.10; en b. in de toelichting bij het omgevingsplan wordt aangetoond dat de bosbodems eerder zijn geroerd en niet meer ongestoord zijn. Artikel 5.12 (fysieke natuurcompensatie) Een omgevingsplan dat een activiteit of ontwikkeling met nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk toelaat, bepaalt dat de nadelige gevolgen kunnen worden gecompenseerd door fysieke natuurcompensatie, als: a. de omvang van de fysieke natuurcompensatie gelijk is aan de oppervlakte van het aangetaste areaal, vermeerderd met de volgende toeslag:
  53. geen toeslag bij natuur met een ontwikkeltijd van vijf jaar of minder;
  54. 1/3e deel van de oppervlakte bij natuur met een ontwikkeltijd tussen de 5 en 25 jaar;
  55. 2/3e deel van de oppervlakte bij natuur met een ontwikkeltijd tussen 25 en 100 jaar; of
  56. een nader te bepalen oppervlakte bij natuur met een ontwikkeltijd van meer dan 100 jaar. b. de compensatie wordt uitgevoerd:
  57. in overeenstemming met bijlage Gelijkwaardige natuurbeheertypen;
  58. in overeenstemming met de ontwikkeltijd per natuurbeheertype genoemd in bijlage Ontwikkeltijd natuurbeheertypen; en
  59. in het Gelders natuurnetwerk op gronden die op de ambitiekaart bij het Natuurbeheerplan zijn aangeduid met code N00.01 of in de nabijheid van het Gelders natuurnetwerk. Artikel 5.13 (compensatiepool provincie: kleinschalige ontwikkelingen) Een omgevingsplan dat een activiteit of ontwikkeling met nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk toelaat, bepaalt dat de nadelige gevolgen kunnen worden gecompenseerd door gebruik te maken van vooraf door de provincie met dit doel als natuur ingerichte gronden als: a. fysieke natuurcompensatie in de nabijheid van de aantasting van het Gelders natuurnetwerk door initiatiefnemer niet mogelijk is; b. wordt voldaan aan de artikelen 5.12, 5.16, 5.17 en 5.18; c. voldoende grond beschikbaar is als bedoeld in de bijlage Compensatiepool Gelders natuurnetwerk; d. een nader te bepalen vergoeding aan de provincie wordt betaald; en e. de oppervlakte van het te compenseren areaal, inclusief de eventueel vereiste hectaretoeslag, kleiner is dan 0,5 hectare. Artikel 5.14 (compensatiepool derden) Een omgevingsplan dat een activiteit of ontwikkeling met nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk toelaat, bepaalt dat de nadelige gevolgen kunnen worden gecompenseerd door gebruik te maken van vooraf door, in opdracht van of in overeenstemming met de initiatiefnemer met dit doel als natuur ingerichte gronden als: a. wordt voldaan aan de artikelen 5.12, 5.16, 5.17 en 5.18; en b. de ingerichte gronden zijn opgenomen in de bijlage Compensatiepool Gelders natuurnetwerk. Artikel 5.15 (onderzoek kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk) 1 Bij toepassing van artikel 5.5, eerste lid, bevat de toelichting bij het omgevingsplan een beschrijving van de resultaten van het onderzoek naar de te verwachten effecten van die activiteit of ontwikkeling op de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk. 2 In de beschrijving van de onderzoeksresultaten worden in ieder geval betrokken de in het gebied aanwezige: a. actuele en potentiële natuurwaarden; b. in het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen beschermde soorten en soorten van nationale Rode lijsten; en c. ecologische samenhang. 3 Voor zover de ontwikkeling of activiteit daar effect op kan hebben, wordt in de beschrijving van de onderzoeksresultaten betrokken de in het gebied aanwezige: a. kwaliteit van lucht, water en bodem; b. stilte, rust en duisternis; en c. landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische, bodemkundige waarden en het reliëf. Artikel 5.16 (compensatieplan voor fysieke natuurcompensatie) Bij toepassing van fysieke natuurcompensatie als bedoeld in artikel 5.12 bevat het omgevingsplan een compensatieplan dat in ieder geval inzicht geeft in: a. hoe verzekerd is dat de fysieke natuurcompensatie wordt uitgevoerd; b. hoe monitoring van en rapportage over de uitvoering van de fysieke natuurcompensatie plaatsvinden; c. hoe de natuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd; d. de locatie waar de nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk optreden; en e. de locatie waar wordt gecompenseerd. Artikel 5.17 (planologische borging fysieke natuurcompensatie) Als de locatie waar de fysieke natuurcompensatie plaatsvindt nog geen functie heeft die de natuurcompensatie mogelijk maakt, vindt de planologische verankering van fysieke natuurcompensatie plaats in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen omgevingsplan als dat waarin de nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Artikel 5.18 (borging uitvoering fysieke natuurcompensatie) 1 De uitvoering van de fysieke natuurcompensatie wordt verzekerd door het opnemen van een gebod of voorwaardelijke verplichting in het omgevingsplan dat de nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt. 2 Het gebod of de voorwaardelijke verplichting bepaalt dat: a. alleen gebruik kan worden gemaakt van de bouw- of gebruiksmogelijkheden van het omgevingsplan als de maatregelen overeenkomstig het compensatieplan worden uitgevoerd binnen een termijn van vijf jaar, of zo mogelijk een kortere termijn, na vaststelling van het omgevingsplan waarin de activiteit is toegelaten; en b. de maatregelen overeenkomstig het compensatieplan in stand worden gehouden. 3 In afwijking van het tweede lid, onder a, geldt dat als op de locatie van de fysieke ingreep een beschermde inheemse diersoort of een soort, genoemd in de nationale Rode Lijsten, voorkomt, alleen gebruik kan worden gemaakt van de bouw- of gebruiksmogelijkheden van het omgevingsplan nadat de maatregelen conform het compensatieplan zijn uitgevoerd. Paragraaf 5.2.2 Groene ontwikkelingszone Artikel 5.19 (oogmerk instructieregels over de Groene ontwikkelingszone) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op: a. het bevorderen van de samenhang tussen de natuurgebieden, waardoor het Gelders natuurnetwerk versterkt wordt; en b. het zoneren van de overgang tussen natuurfuncties en andere functies. Artikel 5.20 (beschermen Groene ontwikkelingszone) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. 2 De versterking wordt bepaald aan de hand van de bijlage Versterking Groene ontwikkelingszone. Artikel 5.21 (uitbreiding grondgebonden veehouderij, landgoederen en extensieve openluchtrecreatie) In afwijking van artikel 5.20 kan een omgevingsplan: a. een uitbreiding van de hoofdfunctie van een grondgebonden veehouderij; b. een uitbreiding van een landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928 voor zover het daarbij opstallen betreft als bedoeld in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928; of c. extensieve openluchtrecreatie, toelaten als die uitbreiding landschappelijk wordt ingepast zodat de kernkwaliteiten niet significant worden aangetast. Artikel 5.22 (onderzoek kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone) 1 Bij toepassing van artikel 5.20 bevat de toelichting bij het omgevingsplan een beschrijving van de resultaten van het onderzoek naar de te verwachten effecten van die activiteit of ontwikkeling op de oppervlakte, samenhang en kwaliteit van de Groene ontwikkelingszone. 2 In de beschrijving van de onderzoeksresultaten worden in ieder geval betrokken de in het gebied aanwezige: a. actuele en potentiële natuurwaarden; b. in het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen beschermde soorten en soorten van nationale Rode lijsten; en c. ecologische samenhang. 3 Voor zover de ontwikkeling of activiteit daar effect op kan hebben, wordt in de beschrijving van de onderzoeksresultaten betrokken de in het gebied aanwezige: a. kwaliteit van water, bodem en lucht; b. stilte, rust en duisternis; en c. landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische, bodemkundige waarden en het reliëf. Artikel 5.23 (versterkingsplan) Als de Groene ontwikkelingszone wordt versterkt op grond van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel a, bevat het omgevingsplan dat de activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt een versterkingsplan, dat in ieder geval inzicht geeft in: a. hoe verzekerd is dat de versterking wordt uitgevoerd; b. hoe monitoring van en rapportage over de uitvoering van de versterking plaatsvinden; c. hoe de natuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd; d. de locatie waar de nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van de Groene ontwikkelingszone optreden; en e. de locatie waarop de versterking plaatsvindt. Artikel 5.24 (borging versterking) Planologische verankering van de versterking vindt plaats in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen omgevingsplan als waarin de nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Artikel 5.25 (borging uitvoering versterking) 1 De uitvoering van de versterking wordt verzekerd door het opnemen van een gebod of voorwaardelijke verplichting in het omgevingsplan dat de nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt. 2 Het gebod of de voorwaardelijke verplichting bepaalt dat: a. alleen gebruik kan worden gemaakt van de bouw- of gebruiksmogelijkheden van het omgevingsplan als de maatregelen overeenkomstig het versterkingsplan worden uitgevoerd binnen een termijn van vijf jaar, of zo mogelijk een kortere termijn, na vaststelling van het omgevingsplan waarin de activiteit is toegelaten; en b. de maatregelen overeenkomstig het versterkingsplan in stand worden gehouden. 3 In afwijking van het tweede lid, onder a, geldt dat als op de locatie van de fysieke ingreep een beschermde inheemse diersoort of een soort, genoemd in de nationale Rode Lijsten, voorkomt, alleen gebruik kan worden gemaakt van de bouw- of gebruiksmogelijkheden van het omgevingsplan nadat de maatregelen conform het versterkingsplan zijn uitgevoerd. Paragraaf 5.2.3 Ganzenrustgebied Artikel 5.26 (oogmerk instructieregels over ganzenrustgebieden) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op de bescherming en instandhouding van rustgebieden voor overwinterende ganzen. Artikel 5.27 (beschermen ganzenrustgebied) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een ganzenrustgebied, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als: a. de toelichting bij het omgevingsplan een beschrijving van de onderzoeksresultaten bevat waaruit blijkt dat de activiteit of ontwikkeling wordt verricht op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt; en b. na het verrichten minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Paragraaf 5.2.4 Weidevogelgebied Artikel 5.28 (oogmerk instructieregels over weidevogelgebied) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op de bescherming en instandhouding van broedgebieden voor weidevogels. Artikel 5.29 (beschermen weidevogelgebied) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen een weidevogelgebied, laat het: a. een nieuwe windturbine of nieuw zonnepark niet toe; en b. een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als de toelichting bij het omgevingsplan een beschrijving van de onderzoeksresultaten bevat waaruit blijkt dat de activiteit of ontwikkeling geen nadelige gevolgen kan hebben voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Paragraaf 5.2.5 Natte landnatuur Artikel 5.30 (oogmerk instructieregels over natte landnatuur) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op de bescherming en instandhouding van natte landnatuur. Artikel 5.31 (beschermen natte landnatuur) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen een beschermingszone natte landnatuur, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als de toelichting bij het omgevingsplan een beschrijving van de onderzoeksresultaten bevat waaruit blijkt dat dit geen significant nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van de natte landnatuur. Afdeling 5.3 Instructieregels omgevingsplan: landschap Artikel 5.32 (oogmerk instructieregels over landschap) Deze afdeling is opgenomen met het oog op de instandhouding en versterking van de landschappelijke diversiteit en kwaliteiten. Artikel 5.33 (beschermen landschap algemeen) 1 Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen. 2 Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: a. per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap die in de betreffende Gelderse streek van toepassing zijn; en b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd. Artikel 5.34 (beschermen landschap Gelderse streken: Achterhoek) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Achterhoek wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Achterhoek. Artikel 5.35 (beschermen landschap Gelderse streken: Betuwe en Tielerwaard) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard. Artikel 5.36 (beschermen landschap Gelderse streken: Bommelerwaard) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Bommelerwaard wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Bommelerwaard. Artikel 5.37 (beschermen landschap Gelderse streken: Gelderse Vallei) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Gelderse Vallei wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Gelderse Vallei. Artikel 5.38 (beschermen landschap Gelderse streken: IJsselvallei) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek IJsselvallei. Artikel 5.39 (beschermen landschap Gelderse streken: Land van Maas en Waal) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Land van Maas en Waal bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Land van Maas en Waal. Artikel 5.40 (beschermen landschap Gelderse streken: Liemers) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Liemers wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Liemers. Artikel 5.41 (beschermen landschap Gelderse streken: Over-Betuwe) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Over-Betuwe wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Over-Betuwe. Artikel 5.42 (beschermen landschap Gelderse streken: Randmeerkust) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Randmeerkust wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Randmeerkust. Artikel 5.43 (beschermen landschap Gelderse streken: Rijk van Nijmegen) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Rijk van Nijmegen wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Rijk van Nijmegen. Artikel 5.44 (beschermen landschap Gelderse streken: Veluwe) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Veluwe wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Veluwe. Afdeling 5.4 Instructieregels omgevingsplan: erfgoed Paragraaf 5.4.1 UNESCO Werelderfgoed: Hollandse Waterlinies Artikel 5.45 (oogmerk instructieregels over de Hollandse Waterlinies) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op de instandhouding en versterking van de uitzonderlijke universele waarde van het werelderfgoed Hollandse Waterlinies, waarvan de Nieuwe Hollandse Waterlinie deel uitmaakt. Artikel 5.46 (nadere uitwerking kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies) Bijlage Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies bevat de nadere uitwerking van de kernkwaliteiten van het werelderfgoed Hollandse Waterlinies, bedoeld in bijlage XVII bij artikel 7.4, eerste lid, onder C, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 5.47 (omgevingsplan binnen de Hollandse Waterlinies) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Hollandse Waterlinies, worden in het omgevingsplan regels gesteld in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies. 2 De regels houden in ieder geval in dat de kernkwaliteiten niet worden aangetast. 3 De toelichting op het omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten; en b. een beschrijving en motivering van de wijze waarop die kernkwaliteiten in stand worden gehouden of versterkt. Paragraaf 5.4.2 UNESCO Werelderfgoed: Neder-Germaanse Limes Artikel 5.48 (oogmerk instructieregels over de Neder-Germaanse Limes) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op de instandhouding en versterking van de uitzonderlijke universele waarde van het werelderfgoed Neder-Germaanse Limes. Artikel 5.49 (nadere uitwerking kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes) Bijlage Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes bij deze verordening bevat de nadere uitwerking van de kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes, bedoeld in bijlage XVII bij artikel 7.4, eerste lid, onder D, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 5.50 (omgevingsplan binnen de Neder-Germaanse Limes) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de bufferzone van de Neder-Germaanse Limes worden in het omgevingsplan regels gesteld in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes. 2 De regels strekken er in ieder geval toe dat: a. beschadiging of vernieling van werelderfgoed wordt voorkomen; b. de kernkwaliteiten niet worden aangetast; en c. het verboden is om zonder omgevingsvergunning activiteiten met een oppervlakte van 100 vierkante meter of meer te verrichten, waarbij de bodem dieper dan 30 centimeter onder maaiveld wordt geroerd. 3 In een omgevingsplan kan een andere oppervlakte of diepte worden aangehouden dan de oppervlakte en diepte, bedoeld in het tweede lid, onder c, als archeologische gegevens daartoe aanleiding geven. 4 De toelichting op het omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten; b. een beschrijving en motivering van de wijze waarop die nader uitgewerkte kernkwaliteiten in stand worden gehouden of versterkt; en c. als toepassing wordt gegeven aan het derde lid: een motivering van de in het omgevingsplan opgenomen andere oppervlakte of diepte, die berust op onderzoek verricht door een archeologische deskundige. Artikel 5.51 (omgevingsplan Neder-Germaanse Limes: kernzone Hunerberg) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de kernzone van de Neder-Germaanse Limes Hunerberg worden in het omgevingsplan regels gesteld die er in ieder geval toe strekken dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning activiteiten te verrichten, waarbij de bodem onder het maaiveld wordt geroerd. Artikel 5.52 (omgevingsplan Neder-Germaanse Limes: bufferzone Aquaduct) Onverminderd artikel 5.50worden, voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Neder-Germaanse Limes bufferzone Aquaduct, regels gesteld die ertoe strekken dat over een aanvraag om een omgevingsvergunning, die betrekking heeft op een activiteit binnen de bufferzone Aquaduct, Gedeputeerde Staten in de gelegenheid wordt gesteld om binnen vier weken advies uit te brengen over die aanvraag. Paragraaf 5.4.3 Molenbiotoop Artikel 5.53 (oogmerk instructieregels over de molenbiotoop) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op de instandhouding en versterking van historische molens en het molenlandschap in de provincie Gelderland. Artikel 5.54 (beschermen windvang molen) Een omgevingsplan laat binnen een molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting toe als daardoor de windvang van de molen wordt beperkt. Afdeling 5.5 Instructieregels omgevingsplan: milieu Artikel 5.55 (oogmerk instructieregels over bescherming kwaliteit grondwater) Deze afdeling is opgenomen met het oog op het beschermen van de kwaliteit van het grondwater. Artikel 5.56 (omgevingsplan binnen een waterwingebied) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen een waterwingebied, laat het omgevingsplan geen activiteit of functie toe die een groter risico kan vormen voor de kwaliteit van het grondwater dan de activiteit of functie die al rechtmatig op die locatie wordt verricht of is toegestaan vóór 1 januari
  60. Artikel 5.57 (omgevingsplan binnen een grondwaterbeschermingsgebied) 1 Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen een grondwaterbeschermingsgebied, laat het omgevingsplan geen activiteit of functie toe die een groter risico kan vormen voor de kwaliteit van het grondwater dan de activiteit of functie die al rechtmatig op die locatie wordt verricht of is toegestaan vóór 1 januari
  61. 2 Het eerste lid is niet van toepassing als: a. aangetoond wordt in de toelichting op het omgevingsplan dat een groter risico niet kan worden voorkomen; en b. compensatie van dat risico verzekerd wordt door het opnemen van regels in het omgevingsplan. Artikel 5.58 (verbod op rechtstreeks lozen in het grondwater) 1 Een omgevingsplan bepaalt dat het lozen op of in de bodem verboden is als daarbij verontreinigende stoffen zonder doorsijpeling door de bodem of de ondergrond in het grondwater komen. 2 Het omgevingsplan bepaalt dat bij maatwerkvoorschrift van het verbod kan worden afgeweken als wordt voldaan aan de vereisten van artikel 11, derde lid, onder j, van de kaderrichtlijn water. Artikel 5.59 (lozen van grondwater op of in de bodem) 1 Een omgevingsplan stelt voorwaarden aan het op of in de bodem lozen van grondwater dat afkomstig is van: a. een bodemsanering of grondwatersanering; b. een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; of c. het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. 2 Het omgevingsplan stelt daarbij in ieder geval de volgende voorwaarden: a. ten minste vier weken voor het begin van de activiteit of ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden aan het gemeentebestuur gegevens en bescheiden verstrekt over:
  62. de aard en omvang van de lozing; en
  63. de verwachte datum van het begin van de activiteit; b. voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster. Afdeling 5.6 Instructieregels omgevingsplan: provinciale wegen Artikel 5.60 (oogmerk instructieregels over gebruik en instandhouding provinciale wegen) Deze afdeling is opgenomen met het oog op het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van een provinciale weg. Artikel 5.61 (voorkomen belemmering provinciale wegen) Een omgevingsplan bevat geen regels die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van een provinciale weg belemmeren. Afdeling 5.7 Instructieregels omgevingsplan: ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking Paragraaf 5.7.1 Woonlocaties en recreatiewoningen Artikel 5.62 (oogmerk instructieregels over woonlocaties en recreatiewoningen) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op: a. een evenwichtige en toekomstbestendige woningvoorraad in Gelderland; en b. een duurzame exploitatie van recreatieparken. Artikel 5.63 (regionale woonagenda) 1 Per regio stellen de gemeentebesturen samen met Gedeputeerde Staten een regionale woonagenda op. 2 De regionale woonagenda bevat in ieder geval afspraken over: a. het versnellen van de woningbouw; b. het duurzaam bouwen van woningen; c. het bouwen van betaalbare woningen; d. het bouwen van flexibele woningen; en e. het toekomstbestendig maken bestaande woningvoorraad. 3 De regionale woonagenda wordt ten minste eenmaal in de vier jaar geactualiseerd en wordt voorts tussentijds geactualiseerd zodra gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven. Artikel 5.64 (doorwerking regionale woonagenda) 1 Een omgevingsplan laat nieuwe woningen alleen toe als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. 2 Als een ontwikkeling niet past binnen de regionale woonagenda, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda die ontwikkeling toch toelaten als: a. de gemeentebesturen in de regio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en b. Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen. Artikel 5.65 (permanente bewoning van recreatiewoningen) 1 Een omgevingsplan laat permanente bewoning van een recreatiewoning niet toe. 2 Van het eerste lid kan worden afgeweken in het kader van een transformatie van een bestaand park met recreatiewoningen naar een andere functie. Artikel 5.66 (bedrijfsmatige exploitatie van recreatieparken) Een omgevingsplan laat nieuwvestiging of uitbreiding van een park met recreatiewoningen alleen toe bij bedrijfsmatige exploitatie. Paragraaf 5.7.2 Werklocaties Artikel 5.67 (oogmerk instructieregels over werklocaties) Deze paragraaf is opgenomen met het oog op een evenwichtig en toekomstbestendig aanbod en de locatiekeuze van werklocaties in Gelderland. Artikel 5.68 (regionaal programma werklocaties) 1 Per regio stellen de gemeentebesturen samen met Gedeputeerde Staten een regionaal programma werklocaties op. Gedeputeerde Staten geven aan voor welke typen werklocaties het programma wordt opgesteld. 2 Een regionaal programma werklocaties wordt eenmaal in de vier jaar geactualiseerd en wordt voorts tussentijds geactualiseerd zodra gewijzigde omstandigheden daar aanleiding toe geven. Artikel 5.69 (inhoud regionaal programma werklocaties) 1 Het regionaal programma werklocaties geeft voor de werklocaties binnen de regio inzicht in: a. de toekomstbestendigheid van de bestaande voorraad; b. het profiel van de bestaande werklocaties en de onderlinge complementariteit; c. de toekomstige vraag, rekening houdend met trends en bestaande knelpunten bij bedrijven, zowel kwalitatief als kwantitatief; en d. de verhouding tussen vraag en aanbod, zowel kwalitatief als kwantitatief. 2 Het regionaal programma werklocaties bevat een visie op: a. het gewenste economisch profiel van de regio; b. het juiste bedrijf op de juiste plek; en c. het toekomstbestendig maken van de bestaande voorraad en de ontwikkeling van nieuwe werklocaties. 3 Het regionaal programma werklocaties bevat afspraken over: a. het toekomstbestendig maken van de bestaande voorraad aan werklocaties; b. de gewenste toevoegingen aan de bestaande voorraad aan werklocaties; c. het in evenwicht houden van vraag naar en aanbod van werklocaties; d. de randvoorwaarden waaronder nieuwe initiatieven kunnen worden ontwikkeld, met in ieder geval de volgende uitgangspunten:
  64. de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  65. het juiste bedrijf op de juiste plek; en
  66. een, met name qua duurzaamheid, toekomstbestendige inrichting van het terrein; e. de rolverdeling en procedure bij de besluitvorming over nieuwe initiatieven; en f. de m

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.