/akn/nl/act/provincie/2024/CVDR706275 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv24/2022/omgevingsverordening /join/id/stop/work_019 2023-12-11 2023-12-11 /akn/nl/act/provincie/2024/CVDR706275/nld@2024-01-01 /join/id/proces/pv24/2023/3_80_nieuweregeling 2024-01-01 2025-01-01 2024-01-01 2025-01-01 2024-01-01 2025-01-01 /akn/nl/act/pv24/2022/omgevingsverordening/nld@80 /akn/nl/act/pv24/2022/omgevingsverordening /akn/nl/act/pv24/2022/omgevingsverordening/nld@80 /join/id/stop/work_019 v1 Omgevingsverordening provincie Flevoland Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Bijlage I bevat de begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening. Hoofdstuk 2 Activiteiten op gesloten stortplaatsen Titel 2.1 Algemeen Artikel 2.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld in het belang van de bescherming van de nazorgvoorzieningen op gesloten stortplaatsen. Artikel 2.2 Werkingsgebied De regels in dit hoofdstuk gelden voor gesloten stortplaatsen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. Titel 2.2 Activiteiten Artikel 2.3 Verbod activiteiten op gesloten stortplaats Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten in, op, onder of over een plaats waar de eeuwigdurende zorg met betrekking tot een gesloten stortplaatsen wordt uitgevoerd door: a. Werken te maken of te behouden; b. Stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; c. andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten indien die handelingen de uitvoering van de nazorgvoorzieningen en -maatregelen kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. Artikel 2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning activiteiten op gesloten stortplaatsen Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 2.3 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen; b. een kadastrale kaart, die uiterlijk dertien weken voor de aanvraag door het kadaster is afgegeven, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik is aangegeven; c. de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied bedoeld onder b; d. een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren; e. de maatregelen die worden getroffen om: 1. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; 2. aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen en de goede werking daarvan te waarborgen; 3. anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren. f. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder e bedoelde maatregelen. Titel 2.3 Instructieregels Artikel 2.5 Bevoegd gezag: beoordelingsregels omgevingsvergunning activiteiten op gesloten stortplaatsen De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 2.3 wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. de activiteit veroorzaakt geen significante milieuverontreiniging; b. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; c. de activiteit veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor de nazorgvoorzieningen. Hoofdstuk 3 Stiltegbieden Titel 3.1 Algemeen Artikel 3.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen stiltegebieden. Artikel 3.2 Aanwijzing stiltegebieden 1. Een stiltegebied is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. 2. Een invloedgebied stilte is de zone van een straal van 1,5 kilometer buiten een stiltegebied waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. 3. Het begin en het eind van een stiltegebied wordt aangeduid door middel van borden, waarvan een model is opgenomen in Bijlage III. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen aan de buitengrens van de stiltegebieden die worden doorkruist. De borden worden voorzien van een onderbord waarop is aangegeven waar verstoringen van de stilte dienen te worden gemeld. Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht en informatieplicht 1. Degene die in een stiltegebied handelingen of activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handelingen of activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen, is verplicht dergelijk handelen of activiteiten achterwege te laten . 2. Indien het achterwege laten van de handelingen of activiteiten bedoeld in het eerste lid redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd, is diegene verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid te voorkomen; en voor zover de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid niet kunnen worden voorkomen: die nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3. leder die kennis draagt van een voorval binnen een stiltegebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht gedeputeerde staten hierover onmiddellijk te informeren. Titel 3.2 Activiteiten Artikel 3.4 Verbod op verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied 1. Het is binnen een stiltegebied verboden zonder omgevingsvergunning een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord. 2. Het is verboden zich met motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. 3. Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of aan een zodanige toertocht deel te nemen waarvoor geen ontheffing op grond van de Wegenverkeerswet 1994 is verleend. Artikel 3.5 Uitzondering op verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied Het verbod op verstoring van de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied geldt niet voor zover zij betrekking hebben op: a. een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies; b. het gebruik van een toestel als bedoeld in onderdeel b van het begrip toestel, indien dat noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar of anderszins uit een oogpunt van algemene veiligheid; c. een geluidsapparaat als bedoeld in onderdeel b van het begrip toestel, dat wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis en mits niet hoorbaar op een afstand van meer dan 50 meter van het apparaat; d. een werktuig als bedoeld in onderdeel c van het begrip toestel, dat wordt gebruikt ten behoeve van directe woonaansluitingen; e. een vuurwapen als bedoeld in onderdeel e van het begrip toestel, indien dat wordt gebruikt 1. door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; 2. in geval het een noodseinmiddel betreft: in geval van nood; 3. voor de jacht met inachtneming van het bepaalde in de Omgevingswet. Artikel 3.6 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.4, eerste lid worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een opgave van de uitvoerende van de activiteit, b. de datum van begin en eind van de activiteit, c. het tijdstip op de dag dat de activiteit wordt uitgevoerd, d. het toestel dat wordt gebruikt, e. de locatie van het toestel binnen het invloedgebied stilte of het stiltegebied, f. de hoeveelheid decibel die het toestel maakt op een afstand van 50 meter, g. andere vergunningen of ontheffingen die voor de activiteit benodigd zijn. Titel 3.3 Kwaliteit stiltegebied Artikel 3.7 Richtwaarde maximale geluidbelasting geluidbron binnen het invloedgebied stilte Als richtwaarde voor de maximale geluidbelasting vanwege een geluidbron binnen het invloedgebied stilte geldt een geluidniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter in het stiltegebied gerekend vanaf de grens van het stiltegebied. Artikel 3.8 Richtwaarde maximale geluidbelasting geluidbron binnen het stiltegebied Als richtwaarde voor de maximale geluidbelasting vanwege een geluidbron binnen het stiltegebied geldt een geluidniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter van de geluidbron. Titel 3.4 Instructieregels Artikel 3.9 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied De omgevingsvergunning voor het gebruik van een toestel als bedoeld in Artikel 3.4, eerste lid, wordt alleen verleend indien het belang waartoe het stiltegebied is aangewezen zich daartegen niet verzet en voldoende rekening wordt gehouden met de in Artikel 3.7 en Artikel 3.8 bedoelde richtwaarden. Artikel 3.10 Doorwerking omgevingswaarden 1. Bij het uitoefenen van de navolgende bevoegdheden wordt rekening gehouden met de in Artikel 3.7 en Artikel 3.8 bedoelde richtwaarden: a. het beslissen over een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. het vaststellen van een omgevingsplan; c. de bevoegdheden als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordeningen van de gemeenten als bedoeld in artikel 147 van de Gemeentewet; d. de bevoegdheden tot het treffen van verkeersmaatregelen op basis van de Wegenverkeerswet 1994. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de genoemde bevoegdheden betrekking hebben op een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies. Hoofdstuk 4 Grondwaterbeschermingsgebieden Titel 4.1 Algemeen Artikel 4.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening. Artikel 4.2 Aanwijzing grondwaterbeschermingsgebieden 1. Grondwaterbeschermingsgebieden bestaan uit de zones waterwingebied, beschermingsgebied voor grondwater en boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland. 2. De zone beschermingsgebied voor grondwater bestaat uit de locaties Beschermingsgebied voor grondwater Bremerberg 2 meter, Beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 8 meter, Beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 11 meter, Beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 14 meter, Beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 17 meter en Beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 20 meter, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. 3. De zone waterwingebied bestaat uit de locaties Waterwingebied Bremerberg 2 meter, Waterwingebied Harderbroek 11 meter, Waterwingebied Harderbroek 14 meter, Waterwingebied Fledite 26 meter, Waterwingebied Fledite 29 meter, Waterwingebied Fledite 32 meter en Waterwingebied Spiekzand 35 meter, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 4. De zone Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland bestaat uit de locaties Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 8 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 11 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 14 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 17 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 20 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 23 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 26 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 29 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 32 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 35 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 38 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 41 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 44 meter en Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 47 meter, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 5. Het begin en het eind van de beschermingsgebieden voor grondwater 'Bremerberg' en 'Harderbroek' en het waterwingebied 'Fledite' worden aangeduid door middel van borden, waarvan een model in Bijlage IV is opgenomen. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen aan de buitengrens van de gebieden die worden doorkruist. De borden worden voorzien van een onderbord waarop is aangegeven waar bedreigingen ten aanzien van de grondwaterkwaliteit dienen te worden gemeld. Artikel 4.3 Specifieke zorgplicht 1. Degene die in een grondwaterbeschermingsgebied handelingen of activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handelingen of activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen, is verplicht dergelijk handelen of activiteiten achterwege te laten. 2. Indien het achterwege laten van de handelingen of de activiteiten bedoeld in het eerste lid redelijkerwijs niet van diegene kan worden gevraagd is diegene verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid te voorkomen; en b. voor zover de gevolgen bedoeld in het eerste lid niet kunnen worden voorkomen: die nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3. leder die kennis draagt van een voorval binnen een grondwaterbeschermingsgebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dat terstond te melden aan gedeputeerde staten. Titel 4.2 Activiteiten Afdeling 4.2.1 Verboden, vergunningplichten en uitzonderingen Paragraaf 4.2.1.1 Beschermingsgebied voor grondwater Artikel 4.4 Verboden activiteiten in beschermingsgebied voor grondwater 1. Het is verboden een milieubelastende activiteit te verrichten als bedoeld in: a. artikel 3.5 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het exploiteren van een vergunningplichtige stookinstallatie; b. artikel 3.24 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke vloeistoffen; c. artikel 3.27 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke stoffen; d. artikel 3.36 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke meststoffen; e. artikel 3.39 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan, mengen en scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke vloeistoffen; f. afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving, complexe bedrijven; g. artikel 3.103 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de metaalproductenindustrie; h. artikel 3.118 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische producten industrie; i. artikel 3.122 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de leerindustrie; j. artikel 3.170 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de milieustraat; k. artikel 3.184 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen; l. artikel 3.232 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische wasserij; en m. artikel 3.329 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op militaire kazernes. 2. Het is verboden bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken. 3. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 2 meter ten opzichte van maaiveld. 4. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 8 meter ten opzichte van NAP. 5. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP. 6. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP. 7. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 17 meter ten opzichte van NAP. 8. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 20 meter ten opzichte van NAP. 9. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor werken en handelingen: a. werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken met uitzondering van werkendie voorzien in: 1. het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik; 2. het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen. b. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze -al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren; c. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren; d. een lozing op of in de bodem uit te voeren met uitzondering van lozingen waarvoor de regels gelden zoals gesteld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk; e. de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen of te verstoren met uitzondering van onderhoudsbaggerwerkzaamheden. 10. Waar sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden. Artikel 4.5 Uitzondering verboden activiteiten beschermingsgebied voor grondwater 1. Het verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden, als bedoeld in Artikel 4.4, tweede lid, geldt niet, indien uit de toelatingsbeschikking blijkt dat het middel in een met het oog op de bescherming van het grondwater aangewezen gebied mag worden toegepast. 2. Het verbod op bodemverstoring, als bedoeld in Artikel 4.4, derde lid, Artikel 4.4, vierde lid, Artikel 4.4, vijfde lid, Artikel 4.4, zesde lid, Artikel 4.4, zevende lid en Artikel 4.4, achtste lid, geldt niet voor: a. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring; b. het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; c. het onderzoeken en saneren van de bodem en het grondwater dan wel het verrichten van activiteiten ten gevolge van waarvan een verontreiniging van de bodem en het grondwater wordt verminderd of verplaatst, indien voor het saneren of die activiteiten Hoofdstuk 6 of het overgangsrecht als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is; d. het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een verleende omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; e. het slaan of hebben van prefab betonnen heipalen, mits wordt voldaan aan Artikel 4.12; f. het uitvoeren van sonderingen, mits: 1. na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de "Naprikmethode" en 2. ten minste vier weken voor het begin van de sondering een melding wordt gedaan als bedoeld in Artikel 4.13; g. onderhoudsbaggerwerkzaamheden. 3. Artikel 4.5, tweede lid vindt geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder de in Artikel 4.4, eerste lid en Artikel 4.4, negende lid gestelde verboden. Paragraaf 4.2.1.2 Waterwingebied Artikel 4.6 Verboden activiteiten in waterwingebied 1. Het is verboden een milieubelastende activiteit te verrichten als bedoeld in: a. artikel 3.5 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het exploiteren van een vergunningplichtige stookinstallatie; b. artikel 3.24 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke vloeistoffen; c. artikel 3.27 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke stoffen; d. artikel 3.36 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke meststoffen; e. artikel 3.39 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan, mengen en scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke vloeistoffen; f. afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving, complexe bedrijven; g. artikel 3.103 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de metaalproductenindustrie; h. artikel 3.118 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische producten industrie i. artikel 3.122 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de leerindustrie; j. artikel 3.170 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de milieustraat; k. artikel 3.184 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen; l. artikel 3.232 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische wasserij; en m. artikel 3.329 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op militaire kazernes. 2. Het is verboden bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken. 3. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 2 meter beneden maaiveld. 4. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP. 5. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP. 6. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 26 meter ten opzichte van NAP. 7. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 29 meter ten opzichte van NAP. 8. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 32 meter ten opzichte van NAP. 9. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 35 meter ten opzichte van NAP. 10. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning: a. werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken met uitzondering van werkendie voorzien in: 1. het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik; 2. het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen. b. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren; c. kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren; d. een lozing op of in de bodem uit te voeren met uitzondering van lozingen waarvoor de regels gelden zoals gesteld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk; e. de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen met uitzondering van onderhoudsbaggerwerkzaamheden. 11. Waar sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden. Artikel 4.7 Uitzondering verboden activiteiten in waterwingebied 1. Het verbod van Artikel 4.6, eerste lid geldt niet met betrekking tot grondwateronttrekkingsactiviteiten gericht op de openbare drinkwaterproductie. 2. Het verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in Artikel 4.6, tweede lid geldt niet, indien uit de toelatingsbeschikking blijkt dat het middel in een met het oog op de bescherming van het grondwater aangewezen gebied mag worden toegepast. 3. Het verbod op bodemverstoring als bedoeld in Artikel 4.6, derde lid, Artikel 4.6, vierde lid, Artikel 4.6, vijfde lid, Artikel 4.6, zesde lid, Artikel 4.6, zevende lid, Artikel 4.6, achtste lid en Artikel 4.6, negende lid geldt niet voor: a. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een grondwateronttrekkingsactiviteit met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring; b. het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; c. het onderzoeken en saneren van de bodem en het grondwater dan wel het verrichten van activiteiten ten gevolge van waarvan een verontreiniging van de bodem en het grondwater wordt verminderd of verplaatst, indien voor het saneren of die activiteiten hoofdstuk 6 of het overgangsrecht als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is; d. het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; e. het slaan of hebben van prefab betonnen heipalen, mits wordt voldaan aan Artikel 4.15; f. het uitvoeren van sonderingen, mits: 1. na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de "Naprikmethode" en 2. ten minste vier weken voor het begin van de sondering een melding wordt gedaan als bedoeld in Artikel 4.16; g. onderhoudsbaggerwerkzaamheden. 4. Artikel 4.7, derde lid vindt geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder de in Artikel 4.6, eerste lid en Artikel 4.6, tiende lid gestelde verboden. Paragraaf 4.2.1.3 Boringsvrije zone Artikel 4.8 Verbod op bodemverstoring in de boringsvrije zone 1. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 8 meter ten opzichte van NAP. 2. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP. 3. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP. 4. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 17 meter ten opzichte van NAP. 5. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 20 meter ten opzichte van NAP. 6. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 23 meter ten opzichte van NAP. 7. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 26 meter ten opzichte van NAP. 8. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 29 meter ten opzichte van NAP. 9. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 32 meter ten opzichte van NAP. 10. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 35 meter ten opzichte van NAP. 11. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 38 meter ten opzichte van NAP. 12. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 41 meter ten opzichte van NAP. 13. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 44 meter ten opzichte van NAP. 14. Het is verboden de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 47 meter ten opzichte van NAP. Artikel 4.9 Uitzondering verbod op bodemverstoring in de boringsvrije zone Het verbod op bodemverstoring als bedoeld in Artikel 4.8 geldt niet voor: a. het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een grondwateronttrekkingsactiviteit, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring; b. het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; c. het onderzoeken en saneren van de bodem en het grondwater dan wel het verrichten van activiteiten ten gevolge van waarvan een verontreiniging van de bodem en het grondwater wordt verminderd of verplaatst, indien voor het saneren of die activiteiten hoofdstuk 6 of het overgangsrecht als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is; d. het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit; e. het slaan of hebben van prefab betonnen heipalen, mits wordt voldaan aan Artikel 4.18; f. het uitvoeren van sonderingen, mits: 1. na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de "Naprikmethode" en 2. ten minste vier weken voor het begin van de sondering een melding wordt gedaan als bedoeld in Artikel 4.19; g. onderhoudsbaggerwerkzaamheden. Paragraaf 4.2.1.4 Omgevingsvergunning Artikel 4.10 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 4.4 , negende Lid wordt in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling relevante gegevens en bescheiden verstrekt over de voorgenomen activiteit. 2. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 4.6, tiende lid wordt in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling relevante gegevens en bescheiden verstrekt over de voorgenomen activiteit. Afdeling 4.2.2 Algemene regels en meldingen Paragraaf 4.2.2.1 Beschermingsgebied voor grondwater Artikel 4.11 Melding: boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie in een beschermingsgebied voor grondwater 1. Het is verboden tot een diepte van 2 meter ten opzichte van maaiveld een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 2. Het is verboden tot een diepte van 8 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 3. Het is verboden tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 4. Het is verboden tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 5. Het is verboden tot een diepte van 17 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 6. Het is verboden tot een diepte van 20 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 7. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden. 8. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding voor een boorput geschikt voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie gegevens en bescheiden over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 9. Een melding voor een boorput geschikt voor de uitwisseling van energie bevat aanvullend: a. de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput; b. de coördinaten van de boorput conform artikel 7.1b Omgevingsregeling; c. een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt; d. een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen; e. de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd; f. de diepte van de boorput ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil respectievelijk maaiveld. 10. Artikel 4.11 , achtste Lid en Artikel 4.11 , negende Lid zijn van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. Artikel 4.12 Algemene regels prefab betonnen heipalen bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk in een beschermingsgebied voor grondwater Bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk worden de prefab betonnen heipalen als bedoeld in Artikel 4.5, tweede lid onder e, minimaal twee meter beneden maaiveld afgewerkt door middel van de methodes 'afzagen' of 'afknabbelen'. Artikel 4.13 Melding: uitvoeren van sonderingen in een beschermingsgebied voor grondwater 1. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 2 meter ten opzichte van maaiveld zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 2. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 8 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 3. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 4. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 5. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 17 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 6. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 20 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 7. Het is verboden een sondering uit te voeren als bedoeld in Artikel 4.5, tweede lid onder f, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 8. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden. 9. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. gegevens en bescheiden over de uitvoerder;de voor de sondering te gebruiken methode; d. de kadastrale aanduiding van de plaats van de sondering; e. de coördinaten van de sondering(
- en)conform artikel 7.1b Omgevingsregeling. 10. Artikel 4.13 , negende Lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. Paragraaf 4.2.2.2 Waterwingebied Artikel 4.14 Melding: boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie in een waterwingebied 1. Het is verboden tot een diepte van 2 meter ten opzichte van maaiveld een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 2. Het is verboden tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 3. Het is verboden tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 4. Het is verboden tot een diepte van 26 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 5. Het is verboden tot een diepte van 29 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 6. Het is verboden tot een diepte van 32 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 7. Het is verboden tot een diepte van 35 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 8. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden. 9. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding voor een boorput geschikt voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie gegevens en bescheiden over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 10. Een melding voor een boorput geschikt voor de uitwisseling van energie bevat aanvullend: a. de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput; b. de coördinaten van de boorput conform artikel 7.1b Omgevingsregeling; c. een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt; d. een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen; e. de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd; f. de diepte van de boorput ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil respectievelijk maaiveld. 11. Artikel 4.14 , negende Lid en Artikel 4.14 , tiende Lid zijn van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. Artikel 4.15 Algemene regels prefab betonnen heipalen bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk in een waterwingebied Bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk worden de prefab betonnen heipalen als bedoeld in Artikel 4.7, derde lid onder e, minimaal twee meter beneden maaiveld afgewerkt door middel van de methodes 'afzagen' of 'afknabbelen'. Artikel 4.16 Melding: uitvoeren van sonderingen in een waterwingebied 1. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 2 meter ten opzichte van maaiveld zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 2. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 3. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 4. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 26 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 5. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 29 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 6. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 32 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 7. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 35 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 8. Het is verboden een sondering uit te voeren als bedoeld in Artikel 4.7, derde lid onder f, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 9. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden. 10. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. gegevens en bescheiden over de uitvoerder; de voor de sondering te gebruiken methode; d. de kadastrale aanduiding van de plaats van de sondering; e. de coördinaten van de sondering(
- en)conform artikel 7.1b Omgevingsregeling. 11. Artikel 4.16 , tiende Lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. Paragraaf 4.2.2.3 Boringsvrije zone Artikel 4.17 Melding: boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie in de boringsvrije zone 1. Het is verboden tot een diepte van 8 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 2. Het is verboden tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 3. Het is verboden tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 4. Het is verboden tot een diepte van 17 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 5. Het is verboden tot een diepte van 20 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 6. Het is verboden tot een diepte van 23 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 7. Het is verboden tot een diepte van 26 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 8. Het is verboden tot een diepte van 29 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 9. Het is verboden tot een diepte van 32 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 10. Het is verboden tot een diepte van 35 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 11. Het is verboden tot een diepte van 38 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 12. Het is verboden tot een diepte van 41 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 13. Het is verboden tot een diepte van 44 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 14. Het is verboden tot een diepte van 47 meter ten opzichte van NAP een boorput op te richten of te wijzigen die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 15. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden. 16. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding voor een boorput geschikt voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie gegevens en bescheiden over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 17. Een melding voor een boorput geschikt voor de uitwisseling van energie bevat aanvullend: a. de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput; b. een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt; c. een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen; d. de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd; e. de diepte van de boorput ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil respectievelijk maaiveld. 18. Artikel 4.17, zestiende lid en Artikel 4.17, zeventiende lid zijn van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. Artikel 4.18 Algemene regels prefab betonnen heipalen bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk in de boringsvrije zone Bij werkzaamheden aan de fundering van een bouwwerk worden de prefab betonnen heipalen als bedoeld in Artikel 4.9, aanhef en onder e, minimaal twee meter beneden maaiveld afgewerkt door middel van de methodes 'afzagen' of 'afknabbelen'. Artikel 4.19 Melding: uitvoeren van sonderingen in de boringsvrije zone 1. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 8 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 2. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 11 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 3. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 14 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 4. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 17 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 5. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 20 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 6. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 23 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 7. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 26 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 8. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 29 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 9. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 32 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 10. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 35 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 11. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 38 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 12. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 41 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 13. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 44 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 14. Het is verboden een sondering uit te voeren tot een diepte van 47 meter ten opzichte van NAP zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan bevoegd gezag. 15. Het is verboden een sondering uit te voeren als bedoeld in Artikel 4.9, aanhef en onder f, zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. 16. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden. 17. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over: a. de begrenzing van de activiteit; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; c. gegevens en bescheiden over de uitvoerder; d. de kadastrale aanduiding van de plaats van de sondering; e. de coördinaten van de sondering(
- en)conform artikel 7.1b Omgevingsregeling; f. de voor de sondering te gebruiken methode. 18. Artikel 4.19 , zeventiende Lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. Titel 4.3 Instructieregels Artikel 4.20 Waterschap Zuiderzeeland: grondwateronttrekkingsactiviteit in grondwaterbeschermingsgebieden 1. De algemene vergadering regelt in de waterschapsverordening voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen, dat het absoluut verboden is grondwater te onttrekken of water te retourneren of te infiltreren van water, indien de onttrekking of infiltratie plaatsvindt op een grotere diepte dan in een beschermingszone voor grondwater, een waterwingebied en de boringsvrije zone is toegestaan. 2. De algemene vergadering regelt in de waterschapsverordening, dat vergunningen voor onttrekkingen die op 22 december 2009 vallen onder het verbod als bedoeld in artikel 6.4 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland blijven bestaan tot het moment dat de onttrekking wordt beëindigd of tot 1 januari 2025. 3. De instructieregel als bedoeld in Artikel 4.20 , eerste Lid heeft geen betrekking op: a. onttrekkingen ten behoeve van de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie; b. onttrekkingen ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; c. onttrekkingen ten behoeve van het onderzoeken en saneren van de bodem en het grondwater dan wel het verrichten van activiteiten ten gevolge van waarvan een verontreiniging van de bodem en het grondwater wordt verminderd of verplaatst, indien voor het saneren of die activiteiten Hoofdstuk 6 of het overgangsrecht als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is. Artikel 4.21 Bevoegd gezag: beoordelingsregels werken en handelingen voor een milieubelastende activiteit in een beschermingsgebied voor grondwater of een waterwingebied) 1. De omgevingsvergunning voor werken en handelingen in een beschermingsgebied voor grondwater als bedoeld in Artikel 4.4 , negende Lid, wordt alleen verleend indien het belang waartoe het betreffende grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen zich daartegen niet verzet. 2. De omgevingsvergunning voor werken en handelingen in een waterwingebied als bedoeld in Artikel 4.6, tiende lid, wordt alleen verleend indien het belang waartoe het betreffende grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen zich daartegen niet verzet. Hoofdstuk 5 Grondwateronttrekkingen Titel 5.1 Algemeen Artikel 5.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het de bescherming van de grondwaterkwaliteit, doelmatig waterbeheer en doelmatig gebruik van bodemenergie. Artikel 5.2 Werkingsgebied De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. Titel 5.2 Activiteiten Afdeling 5.2.1 Grondwateronttrekkingen Artikel 5.3 (Toepassingsbereik) Deze paragraaf gaat over: a. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteit leefomgeving; en b. het onttrekken van grondwater in verband met de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5.4 (Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water) 1. Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 5.3, onder a meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%. 2. Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan Gedeputeerde Staten in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten. 3. Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in Bijlage V opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie. 4. Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan Gedeputeerde Staten de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en b. de kwaliteit van het geïnfiltreerde water. c. de analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling. Afdeling 5.2.2 Aanleg en gebruik van een open bodemenergiesysteem Artikel 5.5 (Toepassingsbereik) Deze paragraaf gaat over de aanleg en gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5.6 (Vergunningvrije bodemenergiesystemen) 1. Met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie of doelmatig waterbeheer is geen omgevingsvergunning vereist voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem als de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer is dan 10 m3 per uur. 2. Het eerste lid is niet van toepassing in een bij omgevingsplan of deze verordening aangewezen interferentiegebied. Artikel 5.7 (Gegevens en bescheiden) In aanvulling op de gegevens en bescheiden zoals opgenomen in artikel 2.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden bij een melding voor het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 4.1149 van het Besluit activiteit leefomgeving de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in artikel 7.35 van de Omgevingsregeling. Artikel 5.8 (Registratieplicht) 1. In aanvulling op de registratieplicht zoals opgenomen in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden van de volgende gegevens een registratie bijgehouden: a. gemiddelde chloride-gehalte per jaar van het grondwater dat door het systeem in de bodem wordt teruggeleid. 2. Jaarlijks voor 1 maart worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid als ook de gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving aan bevoegd gezag verstrekt. Artikel 5.9 (Vrijstelling registratieplicht) De in artikel 4.1150, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen registratieplicht ten aanzien van de hoeveelheid warmte en koude die aan de bodem zijn toegevoegd, als ook de in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde jaarlijkse verstrekking van deze gegevens en bescheiden, is niet van toepassing bij een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.6, eerste lid waarbij het onttrokken water in een aaneengesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken. Artikel 5.10 (Energie: Energierendement) 1. Met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie behaalt een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving jaarlijks minimaal een energierendement van SPF 5. 2. Indien uit de jaarlijkse verstrekte gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.1155a van het Besluit activiteiten leefomgeving blijkt dat het energierendement beneden SPF 5 komt of minder is dan 80% is afgenomen ten opzichte van het jaar ervoor worden maatregelen getroffen. 3. Maatregelen als bedoeld in het tweede lid dienen ertoe te strekken dat het energierendement verhoogd wordt, waarbij minimaal een energierendement van SPF 5 behaald wordt. Artikel 5.11 (Water: voorkomen verzilting) Met het oog op het beschermen van de grondwaterkwaliteit wordt vermenging van zoet met zout of brak grondwater als bedoeld in tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A) zoveel als wat redelijkerwijs kan voorkomen. Afdeling 5.2.3 Interferentiegebieden Artikel 5.12 (Toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelegen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek als bedoel in de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen Gemeente Urk 2019. Artikel 5.13 (Energie: opslagsysteem) 1. Een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.12 moet uitgevoerd worden als een doubletsysteem in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket tussen 60 en 225 meter minus maaiveld. 2. In afwijking van het eerste lid kan afgeweken van een doubletsysteem indien aangetoond kan worden dat dit past binnen het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk68122/SV20190226, versie 3.0]. 3. Het is verboden om een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.12 uit te voeren als recirculatiesysteem. Artikel 5.14 (Voorkomen interferentie) 1. De warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem, als bedoeld in Artikel 5.12, moeten worden gepositioneerd binnen de daarvoor bestemde zones, op de kaart van het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk68122/SV20190226, versie 3.0] aangegeven als rode en blauwe zoekgebieden. 2. Binnen een zoekgebied kunnen open bodemenergiesystemen, als bedoeld in Artikel 5.12, met een totale capaciteit van 500m³/uur en 750.000 m³/seizoen gerealiseerd worden. 3. De minimale filterlengte van een open bodemenergiesysteem, als bedoeld in Artikel 5.12, bedraagt 40 meter. Titel 5.3 Instructieregels Afdeling 5.3.1 Gedeputeerde Staten Artikel 5.15 Grondwaterregister 1. Gedeputeerde staten houden een register bij waarin wateronttrekkingsactiviteiten, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, worden opgenomen. 2. In het grondwaterregister wordt de wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving ingeschreven met vermelding van de gegevens en bescheiden die in het kader van deze wateronttrekkingsactiviteit aan gedeputeerde staten verstrekt worden. 3. Een niet in het grondwaterregister opgenomen wateronttrekkingsactiviteit, als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteit leefomgeving, wordt ambtshalve door gedeputeerde staten in het grondwaterregister opgenomen. De datum van de ambtshalve inschrijving is de aanvangsdatum van de wateronttrekkingsactiviteit. Artikel 5.16 (Beoordelingsregel omgevingsvergunning bodemenergiesystemen) 1. Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen die op grond van artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is vereist, is de Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1) van overeenkomstige toepassing. 2. In aanvulling op het eerste lid is voor het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen gelegen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolse Hoek, zoals aangewezen in de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen Gemeente Urk 2019] het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk 68122/SV20190226, versie 3.0] van toepassing. 3. Een omgevingsvergunning wordt enkel verleend indien er geen vermenging optreedt van zoet met zout of brak grondwater als bedoeld in tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A). 4. In afwijking van het derde lid kan de omgevingsvergunning verleend worden indien aangetoond wordt dat de vermenging van zoet met zout of brak water niet leidt tot aanzienlijke verzilting van het grondwater. Artikel 5.17 (Voorschriften omgevingsvergunning bodemenergiesystemen) Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen die op grond van artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is vereist, is de Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1) van overeenkomstige toepassing. Afdeling 5.3.2 Waterschap Zuiderzeeland Artikel 5.18 Gegevens verstrekking en grondwaterregister 1. Het dagelijks bestuur van het waterschap neemt de volgende gegevens op in het grondwaterregister als bedoeld in Artikel 5.15, eerste lid: a. een overzicht van de op grond van de waterschapsverordening vereiste vergunningen en gegevens en bescheiden op basis waarvan de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, plaatsvindt. b. de gegevens die op grond van de waterschapsverordening vereist zijn in het kader van de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, door de houder van de omgevingsvergunning of door degene op wie een informatieplicht rust aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden verstrekt. 2. De in het eerste lid opgenomen registratieplicht geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten waar minder of gelijk aan 10.000 m3 grondwater onttrokken wordt. 3. De op grond van het eerste en tweede lid vermelde gegevens worden daarnaast aan gedeputeerde staten verstrekt in verband met de grondwateronttrekkingsheffing als bedoeld in artikel 13.4b van de Omgevingswet. 4. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen aangaande het tijdstip en de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het derde lid, worden aangeleverd. Hoofdstuk 6 Grondwaterkwaliteit Titel 6.1 Algemeen Artikel 6.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld uit oogpunt van de bescherming van de grondwaterkwaliteit en het beperken van risico’s voor verontreiniging van het grondwater en verdere verspreiding van verontreiniging in het grondwater. Artikel 6.2 Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten die redelijkerwijs kunnen leiden tot verontreiniging van het grondwater of beïnvloeding van een historische verontreiniging in het grondwater. Artikel 6.3 Aanwijzing werkingsgebieden historische grondwaterverontreiniging 1. Een bekende historische grondwaterverontreiniging is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. 2. Het margegebied historische grondwaterverontreiniging is de bekende historische grondwaterverontreiniging inclusief een zone van 500 meter buiten de bekende historische grondwaterverontreiniging waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. 3. Buiten het margegebied historische grondwaterverontreiniging is de zone waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. 4. Een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. Titel 6.2 Activiteiten die invloed hebben op grondwater Afdeling 6.2.1 Risicobeoordeling bij beïnvloeding bekende historische verontreinigingen Artikel 6.4 Toets op beïnvloeding 1. Voorafgaand aan het verrichten van een activiteit in een margegebied historische grondwaterverontreiniging wordt een risicobeoordeling grondwater uitgevoerd als blijkt dat die activiteit in staat is: a. het grondwater, en daarmee de grondwaterstroming, te beÏnvloeden; en b. de bekende historische grondwaterverontreiniging in het grondwater te beÏnvloeden. 2. De risicobeoordeling grondwater is gericht op het bepalen of sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s van de bekende historische grondwaterverontreiniging als gevolg van de activiteit.Margegebied historische grondwaterverontreiniging 3. Bij het uitvoeren van de risicobeoordeling grondwater, wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 4. Voor het bepalen of sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s wordt gebruik gemaakt van de Risicotoolbox Grondwater of een gelijkwaardige methode. Artikel 6.5 Gegevens en bescheiden: resultaten risicobeoordeling Ten minste vier weken voor aanvang van de activiteit als bedoeld in Artikel 6.4, eerste lid worden de gegevens en bescheiden verstrekt aan gedeputeerde staten over: a. de resultaten van de risicobeoordeling grondwater; b. de resultaten van het voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in Artikel 6.4, derde lid. Artikel 6.6 Maatregelen na uitvoering risicobeoordeling grondwater 1. Het is verboden om een activiteit te verrichten in een margegebied historische grondwaterverontreiniging indien de activiteit een bekende historische grondwaterverontreiniging beÏnvloedt waarbij op grond van de risicobeoordeling grondwater is bepaald dat een onaanvaardbaar verspreidingsrisico ontstaat. 2. Artikel 6.6, eerste lid is niet van toepassing indien de initiatiefnemer van de activiteit als bedoeld in het eerste lid, gelijktijdig of voorafgaand aan de activiteit een grondwatersanering uitvoert, conform een op grond van Artikel 6.10, verleende omgevingsvergunning. Artikel 6.7 Gegevens en bescheiden bij beëindiging activiteit Bij beëindiging van een activiteit in een margegebied historische grondwaterverontreiniging worden, indien de bekende historische grondwaterverontreiniging verminderd of verplaatst is, de gegevens en bescheiden over de grondwaterkwaliteit na beëindiging van de activiteit verstrekt aan gedeputeerde staten. Afdeling 6.2.2 Onderzoeksplicht bij aantreffen onbekende historische grondwaterverontreinigingen Artikel 6.8 Gegevens en bescheiden: onbekende historische grondwaterverontreiniging Gedeputeerde staten ontvangen onverwijld een afschrift van de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving die aan burgemeester en wethouders worden verstrekt op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of omgevingsplan, indien uit het voorafgaand bodemonderzoek dat plaatsvindt buiten het margegebied historische grondwaterverontreiniging blijkt dat voor één of meer verontreinigende stoffen de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in Bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt overschreden. Titel 6.3 Grondwatersanering Artikel 6.9 Melding grondwatersanering 1. Het is verboden een grondwatersanering te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding: a. de resultaten van voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de keuze voor de saneringsaanpak, waarbij aangetoond wordt dat de gekozen saneringsaanpak leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater; c. omschrijving van de werkzaamheden, waaronder ten minste het maximale volume van bodem en grondwater waarin de werkzaamheden plaatsvinden en de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater; d. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de grondwatersanering te voorkomen of te beperken; e. als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes; en f. de naam van de milieukundig begeleider. 3. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste een week voor die afwijking te melden. 4. Artikel 6.9 is niet van toepassing als de grondwatersanering als vergunningplichtig is aangewezen in Artikel 6.10. Artikel 6.10 Omgevingsvergunning grondwatersanering 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een grondwatersanering uit te voeren waarbij sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s, bedoeld in Artikel 6.4. 2. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 6.10, eerste lid, worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van de risicobeoordeling grondwater, bedoeld in Artikel 6.4; b. de resultaten van voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. een beschrijving van de effecten die met de saneringsaanpak wordt beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van het grondwater die met de grondwatersanering zal worden bereikt, waarbij minimaal de onaanvaardbare verspreidingsrisico’s worden weggenomen; d. de keuze voor de saneringsaanpak, waarbij aangetoond wordt dat de gekozen saneringsaanpak leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater; e. een omschrijving van de werkzaamheden, waaronder ten minste het maximale volume van bodem en grondwater waarin de werkzaamheden plaatsvinden en de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater; f. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de grondwatersanering te voorkomen of te beperken; g. als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes; en h. de naam van de milieukundig begeleider. Artikel 6.11 Kwaliteitsborging grondwatersanering Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het grondwater en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt een grondwatersanering: a. uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000; en b. begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000. Artikel 6.12 Gegevens en bescheiden: beëindigen grondwatersanering 1. Ten hoogste vier weken na beëindiging van de grondwatersanering worden aan het bevoegde gezag gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Als er sprake is van gebruiksbeperkingen of nazorg worden ook gegevens en bescheiden bij het evaluatieverslag verstrekt over: a. de gebruiksbeperkingen die wenselijk zijn ter bescherming van de chemische en ecologische kwaliteit van het grondwaterlichaam en de aan het grondwaterlichaam toegekende maatschappelijke functies; en b. een voorstel voor nazorgmaatregelen als bedoeld in Artikel 6.13. Artikel 6.13 Nazorg na uitvoeren grondwatersanering Degene die de grondwatersanering verricht, is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen, bedoeld in Artikel 6.12, tweede lid onder b, tenzij in het evaluatieverslag een ander daartoe is aangewezen. Titel 6.4 Instructieregels Afdeling 6.4.1 Instructieregels voor het omgevingsplan Paragraaf 6.4.1.1 Activiteiten op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging Artikel 6.14 Bouwen op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging 1. Het omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging alleen is toegelaten als een bronaanpak overeenkomstig Artikel 6.15 wordt uitgevoerd voor zover er sprake is van een mobiele bodemverontreiniging. 2. Er is sprake van een mobiele bodemverontreiniging als bedoeld in Artikel 6.14, eerste lid indien de verontreinigende stof: a. in het vaste deel van de bodem voorkomt in concentraties hoger dan de interventiewaarde bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. in het grondwater voorkomt in concentraties hoger dan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving 3. Het aannemelijk maken of er sprake is van een mobiele bodemverontreiniging kan volgen uit: a. het uitvoeren van een voorafgaand bodemonderzoek, als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. 4. Een gebouw als bedoeld in het eerste lid omvat ook de daaraan grenzende aaneengesloten tuin of het daaraan aangrenzende aaneengesloten terrein. 5. Artikel 6.14, eerste lid geldt niet voor bijbehorende bouwwerken als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2. Artikel 6.15 Eisen aan bronaanpak 1. Het omgevingsplan bepaalt dat bij de uitvoering van een bronaanpak, bedoeld in Artikel 6.14, eerste lid, afdekken als saneringsaanpak, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet is toegestaan. 2. Het omgevingsplan regelt dat een maatwerkvoorschrift met betrekking tot de uitvoering van een bronaanpak, bedoeld in Artikel 6.14, eerste lid, waarin een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving is toegestaan, alleen kan worden gesteld als de andere saneringsaanpak leidt tot het voorkomen of beperken van verontreinigende stoffen naar het grondwater. 3. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat gedeputeerde staten een afschrift krijgen van: a. de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving na beëindiging van de bodemsanering. 4. Artikel 6.15, derde lid is enkel van toepassing indien het saneren van de bodem wordt uitgevoerd vanwege een op grond van Artikel 6.14, eerste lid verplichte bronaanpak Artikel 6.16 Activiteiten op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging Het omgevingsplan bepaalt dat degene die een activiteit uitvoert op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging in het belang van bescherming van de bodem en het watersysteem maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem en het grondwater te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. Paragraaf 6.4.1.2 Lozen op of in de bodem Artikel 6.17 Lozen van grondwater op of in de bodem 1. Met het oog op het beschermen van de bodem- en het watersysteem stelt een omgevingsplan voorwaarden aan het lozen van grondwater op of in de bodem dat afkomstig is van: a. een bodemsanering of grondwatersanering; b. een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en c. graven in een bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. 2. Het omgevingsplan bepaalt dat ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, en ten minste vier weken voor de activiteit wijzigt, aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden worden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 3. Het omgevingsplan bepaalt dat voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem, dat afkomstig is van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, de emissiegrenswaarden: a. de waarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A bij het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn; of b. de concentraties van verontreinigende stoffen als bedoeld in bijlage XIX, onder B bij het Besluit kwaliteit leefomgeving waaronder gevaar van verontreiniging van het grondwater uit te sluiten is voor zover die stoffen niet zijn aangegeven in bijlage XIX, onder A bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. 4. Artikel 6.17, tweede lid is niet van toepassing bij het lozen van grondwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; b. het lozen plaatsvindt bij wonen. 5. Artikel 6.17, derde lid is niet van toepassing bij het lozen van grondwater afkomstig van graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit indien dit gaat om graven in een bodemvolume kleiner dan 25 m3. Artikel 6.18 Verbod op rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen in het grondwater 1. Een omgevingsplan bepaalt dat het rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond, in het grondwater verboden is. 2. Artikel 6.18, eerste lid geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening of waterschapsverordening een omgevingsvergunning is vereist of waar op grond van de waterschapsverordening voorschriften aan zijn gesteld. Artikel 6.19 Maatwerkvoorschrift verbod op rechtstreeks lozen in het grondwater Het omgevingsplan bepaalt dat bij maatwerkvoorschrift een rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater als bedoeld in Artikel 6.18, eerste lid kan worden toegestaan, indien de lozing is toegestaan op grond van artikel 11, derde lid onder j van de Kaderrichtlijn Water en op voorwaarde dat de lozing niet verhindert dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt. Artikel 6.20 Maatwerkvoorschrift lozen van brijnwater Met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 6.19 kan eveneens een rechtstreekse lozing van verontreinigde stoffen afkomstig van brijnwater in het grondwater worden toegestaan. Afdeling 6.4.2 Instructieregels bevoegd gezag omgevingsvergunning Paragraaf 6.4.2.1 Omgevingsvergunning grondwatersanering Artikel 6.21 Beoordelingsregels omgevingsvergunning grondwatersanering 1. De omgevingsvergunning voor een grondwatersanering als bedoeld in Artikel 6.10 wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, de regionale waterprogramma’s, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam. 2. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, de regionale waterprogramma’s, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam. 3. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving; b. een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving; en c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en d. de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en e. de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang en streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt. 4. Artikel 6.21, derde lid is niet van toepassing: a. voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving; of b. als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van: 1. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en 2. toepassing is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving. 5. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt. Artikel 6.22 Voorschriften omgevingsvergunning grondwatersanering Aan een omgevingsvergunning voor een grondwatersanering worden met het oog op het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van grondwaterlichamen als aan een grondwaterlichaam toegekende maatschappelijke functies voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het (omliggende) grondwater ten tijde van de grondwatersanering als na beëindiging voorkomen of beperken. Hoofdstuk 7 Ontgrondingen Titel 7.1 Algemeen Artikel 7.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk over ontgrondingsactiviteiten zijn gesteld met het oog op de doelen van de Omgevingswet. Artikel 7.2 Werkingsgebied De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op ontgrondingsactiviteiten op land en in regionale wateren in het grondgebied van de provincie Flevoland met uitzondering van de rijkswateren waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. Artikel 7.3 Aanwijzing beschermingszones archeologie 1. De beschermingszone Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. 2. De beschermingszone Top-10 Archeologische Locaties is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. Titel 7.2 Activiteiten Afdeling 7.2.1 Aanwijzing vergunningvrije gevallen Artikel 7.4 Aanwijzing vergunningvrije gevallen In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt het verbod van artikel 5.1, van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten niet voor ontgrondingsactiviteiten, voor zover het gaat om het ontgronden: a. waarbij niet meer dan 500 m2 wordt ontgrond en bovendien een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden; of b. voor een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, als: 1. grondlagen dieper dan 3 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven; 2. niet meer dan 1.500 m3 wordt ontgraven; en 3. deze voorziening niet in open verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam. Artikel 7.5 Melding 1. Het is verboden een ontgrondingsactiviteit, bedoeld in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4, te verrichten zonder dit ten minste vier werken voor het begin ervan te melden. 2. Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden. 3. In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over: a. de kadastrale ligging van de ontgrondingslocatie; b. de periode waarbinnen de ontgrondingsactiviteit wordt uitgevoerd; c. een beschrijving van het doel van de ontgrondingsactiviteit; d. de toestand en de functie van het terrein na het afronden van de ontgrondingsactiviteit; e. de oppervlakte van het te ontgronden terreingedeelte in m2; f. de beoogde maximale diepte in meter beneden maaiveld; g. de huidige maaiveldhoogte in meters ten opzichte van NAP; h. de opbouw van het bodemprofiel tot de grootste diepte van de voorgenomen ontgrondingsactiviteit; en i. de hoeveelheid te ontgraven en af te voeren oppervlaktedelfstof in m3. 4. Artikel 7.5, derde lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. 5. Artikel 7.5 is niet van toepassing op een ontgrondingsactiviteit waarbij minder dan 1500 m3 wordt ontgraven. Afdeling 7.2.2 Afwijken van aanwijzing vergunningvrije gevallen Artikel 7.6 Afwijking algemeen 1. In afwijking van artikel 16.7, onder e en g, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de uitzondering van het verbod van artikel 5.1, van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, enkel als een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden en andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken. 2. Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4 gelden niet voor twee of meer uit te voeren ontgrondingsactiviteiten die in elkaars directe nabijheid plaatsvinden en een samenhangend geheel vormen. Artikel 7.7 Afwijking Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4, gelden niet voor ontgrondingsactiviteiten met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de beschermingszone van de provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden. Artikel 7.8 Afwijking Top-10 Archeologische Locaties Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4, gelden niet voor ontgrondingsactiviteiten met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de beschermingszone van de top-10 Archeologische Locaties. Afdeling 7.2.3 Omgevingsvergunning ontgrondingsactiviteit Artikel 7.9 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning ontgrondingsactiviteit in het kader van archeologische monumentenzorg 1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit wordt in aanvulling op artikel 7.3, 7.4 en 7.207 Omgevingsregeling een rapport verstrekt, waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van gedeputeerde staten in voldoende mate is vastgesteld. 2. Het rapport bedoeld in het eerste lid voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en is uitgevoerd overeenkomstig een door gedeputeerde staten goedgekeurd plan van aanpak of programma van eisen. Hoofdstuk 8 Bescherming landschap Titel 8.1 Algemeen Artikel 8.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van het landschapsschoon en zijn gericht op het behoud en de ontwikkeling van een specifiek en karakteristiek landschapspatroon. Artikel 8.2 Werkingsgebied activiteiten bescherming landschap De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op activiteiten in het landelijk gebied van Flevoland buiten de bebouwde kom en binnen het beperkingengebied provinciale wegen, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Titel 8.2 Activiteiten Artikel 8.3 Verbod op het plaatsen borden in het buitengebied 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten om één of meer borden te plaatsen, te doen plaatsen, geplaatst te houden, aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht te houden op of aan een onroerende zaak. 2. Het is de zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak verboden deze onroerende zaak te gebruiken of te laten gebruiken voor het plaatsen, doen plaatsen, geplaatst te houden, aanbrengen, doen aanbrengen of aangebracht te houden van één of meer borden zonder omgevingsvergunning. Artikel 8.4 Uitzondering verboden activiteiten bescherming landschap Het in Artikel 8.3 neergelegde verbod geldt niet voor het plaatsen, houden en/of verwijderen van borden; a. die niet zichtbaar zijn vanaf een openbare weg, een openbaar water, een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats; b. die betrekking hebben op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, en die borden zijn geplaatst of aangebracht op de bouwkavel waar dat beroep, bedrijf of die dienst wordt uitgeoefend of op of in de directe nabijheid van de inrit daarnaar toe; c. die zijn geplaatst of aangebracht op, in of aan een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer; d. die op of aan een onroerende zaak zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkoop, verhuur of verpachting van deze zaak, mits niet langer aanwezig dan voor de verkoop, verhuur of verpachting noodzakelijk is; e. die ofwel zijn geplaatst of aangebracht op een terrein waar een grootschalige publieke gebeurtenis, zoals een openbare wedstrijd, manifestatie, tentoonstelling of evenement, plaatsvindt, ofwel zijn geplaatst of aangebracht ter bekendmaking van of de bewegwijzering naar die gebeurtenis en mits; 1. die gebeurtenis niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst; 2. op borden, die zijn geplaatst buiten het terrein waar de gebeurtenis plaatsvindt, eventuele handelsreclame duidelijk ondergeschikt is aan de bekendmaking c.q. bewegwijzering en; 3. het bord niet langer aanwezig is dan gedurende één maand voor die gebeurtenis tot één week erna, die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsorering van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg; f. die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsorering van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg; g. die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde bedrijventerrein; h. die betrekking hebben op een werk in uitvoering, waarvoor van overheidswege opdracht is gegeven, voor zover zij in de directe nabijheid van het werk zijn geplaatst of aangebracht en niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van het werk duurt; i. die zijn geplaatst of aangebracht in een wegberm en kunnen worden beschouwd als een herdenkingsteken zoals bedoeld in Artikel 9.25 en Artikel 11.32; j. die vanwege of met toestemming van het bevoegd gezag zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkeersveiligheid of de verkeersinformatie; k. die zijn geplaatst of aangebracht op of aan zuilen, muren en andere constructies, die daarvoor door de overheid zijn aangewezen of ten aanzien waarvan gedeputeerde staten in een ander kader met het gebruik daarvoor hebben ingestemd; l. die zijn geplaatst of aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting; m. die dienen tot het openbaren van gedachten of gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet, mits niet meer dan één bord per onroerende zaak wordt aangebracht en mits dat bord niet langer dan drie maanden ter plaatse aanwezig is; n. die dienen tot het aankondigen van verkiezingen voor een gemeenteraad, provinciale staten, de Tweede Kamer, de algemene vergadering of het Europees parlement en tot het presenteren van daaraan deelnemende politieke partijen, mits niet langer aanwezig dan gedurende één maand voor de verkiezing tot één week na die verkiezing; o. die dienen ter aanduiding van gewassen, proefvelden, productinformatie of demonstratievelden, ter plaatse waar het product geteeld wordt, mits het bord geen merknaam bevat, niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2; p. die dienen ter bewegwijzering naar een verkooppunt van agrarische producten, naar een mini camping of naar een andere, aan het agrarisch bedrijf gerelateerde nevenactiviteit, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2; q. die dienen ter bewegwijzering naar een natuurgebied, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2; r. langs openbare wegen, niet zijnde openbare wegen in beheer van de provincie Flevoland, die een georganiseerd buurtinitiatief voor sociale veiligheid laten zien, mits; 1. het geen commercieel initiatief is; 2. er maximaal twee van deze borden aan dezelfde weg staan; 3. de borden door of vanwege de gemeente, in beginsel geclusterd met andere borden en aan de rechterzijde van de weg, worden geplaatst; 4. het bord maximaal 0,6 bij 0,3 meter groot is en maximaal de laagste reflectieklasse heeft. Artikel 8.5 Algemene regels vergunningvrij plaatsen borden buitengebied De borden als bedoeld in artikel 8.4 zijn deugdelijk geconstrueerd en verkeren in goede staat van onderhoud. Artikel 8.6 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 8.3 worden in aanvulling op artikel 7.2 en 7.3 Omgevingsregeling tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt; a. een tekening van de voorgenomen constructie; b. een opsomming van de te gebruiken materialen; c. de verwachte begin- en einddatum van de activiteit; en d. een beschrijving van de vorm, afmetingen, het doel en het opschrift van het bord. Titel 8.3 Instructieregels Artikel 8.7 Beoordelingsregels omgevingsvergunning plaatsen borden De omgevingsvergunning voor het plaatsen van borden als bedoeld in Artikel 8.3 wordt alleen verleend indien het belang van de bescherming van het landschap en het belang van de verkeersveiligheid zich daartegen niet verzet. Hoofdstuk 9 Wegen Titel 9.1 Inleidende bepalingen Artikel 9.1 Oogmerk De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de volgende belangen: a. het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale wegen overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer; b. het beschermen van de provinciale wegen met inbegrip van het belang van het onderhoud of wijziging van de weg. Artikel 9.2 Toepassingsbereik 1. Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot wegen in beheer bij de provincie Flevoland. 2. Voor activiteiten die niet vallen onder het beperkingengebied met betrekking tot wegen in beheer bij de provincie Flevoland, geldt dat dit hoofdstuk ook van toepassing is voor activiteiten op/nabij locaties, binnen het grondgebied van de provincie Flevoland, die vallen onder het beheer bij de provincie Flevoland. 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op activiteiten door de provincie Flevoland, ten behoeve van de aanleg, de wijziging, het beheer en/of onderhoud van de weg, de toezicht en handhaving van de weg of de regeling van het wegverkeer over die weg. Artikel 9.3 Werkingsgebied Provinciale Wegen De regels in dit hoofdstuk gelden voor het beperkingengebied provinciale wegen waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II bij deze verordening. Artikel 9.4 Normadressaat Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 9.5 Specifieke zorgplicht 1. Degene die activiteiten uitvoert in het beperkingengebied van de provinciale wegen, anders dan overeenkomstig de functie daarvan, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in Artikel 9.1, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het voor het verkeer noodzakelijke uitzicht op of bij de weg zo min mogelijk wordt belemmerd; b. geen gevaar wordt veroorzaakt voor de verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer; en c. de staat van het wegdek niet wordt aangetast op een wijze dat hoogteverschillen ontstaan of afwatering van de weg wordt gehinderd. Artikel 9.6 Maatwerkvoorschriften 1. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk worden verbonden, met uitzondering van bepalingen over meldingen. 2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van bij of krachtens Afdeling 9.2.1, Afdeling 9.2.2 en Afdeling 9.2.3 gestelde regels voor het gebruik en onderhoud van de provinciale wegen, tenzij anders is bepaald. 3. Met een maatwerkvoorschrift wordt Artikel 9.7, Artikel 9.8, Afdeling 9.3.1 en Afdeling 9.3.2 niet versoepeld. Artikel 9.7 Algemene regels bij een melding In aanvulling op Artikel 21.1 gelden de volgende regels bij een melding: a. een melding vervalt als met de uitvoering van een activiteit binnen zes maanden, na het doen van de melding, geen start is gemaakt; b. de melding met alle daarbij behorende gegevens en bescheiden zijn tijdens de uitvoering van de activiteit op de locatie aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond; c. de melder van de activiteit stelt tenminste 5 werkdagen voor aanvang van de activiteit de toezichthouder van de provincie Flevoland hiervan in kennis. Artikel 9.8 Algemene regels bij een omgevingsvergunning 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft tot een activiteit in dit hoofdstuk wordt die alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het oogmerk genoemd in Artikel 9.1. 2. Een omgevingsvergunning wordt niet geweigerd als door het stellen van voorschriften het te beschermen belang gelijkwaardig kan worden gediend. Titel 9.2 Regels wegen Afdeling 9.2.1 Algemene regels met betrekking tot activiteiten in het beperkingengebied Artikel 9.9 Verwijderen van werken en objecten 1. Bij een verruiming of wijziging van een weg waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, worden bouwwerken, werken die geen bouwwerk zijn of andere objecten verplaatst of verlegd in het geval ze een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de werkzaamheden door of namens de wegbeheerder. 2. Indien met de rechthebbende geen schriftelijke overeenstemming wordt bereikt over de termijn waarop het bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast. Afdeling 9.2.2 Onderhoud en werkzaamheden van de weg Artikel 9.10 Activiteiten gepaard met tijdelijke verkeersmaatregelen In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden zonder omgevingsvergunning activiteiten uit te voeren waarbij (tijdelijke) verkeersmaatregelen moeten worden genomen ten behoeve van het reguleren van verkeer. Artikel 9.11 Omgevingsvergunning werken In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden zonder omgevingsvergunning werken te maken, plaatsen, hebben, wijzigen of verwijderen, met inbegrip van; a. het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken die daarmee samenhangen; b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen; en c. het wijzigen van de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de weg. Artikel 9.12 Omgevingsvergunning uitweg 1. In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken, te wijzigen, aan te sluiten of verandering te brengen in de wijze van aanleg op een provinciale weg. 2. Een omgevingsvergunning voor een uitweg per perceel wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende eisen: a. een uitweg wordt geplaatst conform de beoordelingsregels zoals opgenomen in Bijlage VI; b. de afstand van de uitweg tot bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in-en uitwegen en bochten meer dan 200 meter bedraagt; c. de uitweg wordt dusdanig geconstrueerd dat het verkeer vooruitrijdend de kavel, zonder nadere manoeuvres, op kan rijden en verlaten; d. de uitweg heeft een gesloten of elementenverharding; en e. de uitweg sluit vloeiend aan op de weg of het fietspad. Artikel 9.13 Omgevingsvergunning tweede uitweg 1. In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden zonder omgevingsvergunning een tweede uitweg te maken, te wijzigen, aan te sluiten of verandering te brengen in de wijze van aanleg op een provinciale weg. 2. Het aanleggen, maken, hebben, wijzigen of aansluiten van een tweede uitweg op een provinciale weg wordt alleen toegestaan, met inachtneming van Artikel 9.12, tweede lid, indien: a. geen tweede uitweg mogelijk is die aansluit op een gemeentelijke weg; b. er sprake is van bedrijfssplitsing, aanvullende bedrijfsactiviteiten of een overmacht situatie; of c. het verkeer geen keermogelijkheid heeft op het terrein. Artikel 9.14 Omgevingsvergunning kabels en leidingen In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden zonder omgevingsvergunning kabels en leidingen aan te leggen, te houden, te wijzigen of te verwijderen. Artikel 9.15 Technische eisen kabels en leidingen 1. Kabels en leidingen moeten voldoen aan de volgende technische eisen: a. stalen transportleidingen: de NEN 3650; b. stalen leidingen in kruisingen met belangrijke waterstaatswerken: de NEN 3651; c. stalen leidingen voor transport van gas, drinkwater en afvalwater, stuiklassen voor buizen en hulpstukken van PE met een dichtheid van tenminste 930 kg/m3: de NEN 7200; d. roosters en deksels voor putten en kolken voor verkeerszones voor voorvoetgangers en voertuigen, met een maximale dagmaat tot en met 1000 mm: de NEN-EN 124; e. kabels en leidingen zijn, met inachtneming van de te verwachte gronddruk, berekend op een verkeersbelasting volgens belastingmodel 3 (Load Model 3) conform NEN-EN 1991-2; f. kabels en leidingen ten behoeve van de riolering hebben een dekking van ten minste 1.00 meter. 2. De normadressaat dient voorafgaand aan het leggen van een kabel of leiding een KLIC melding te doen en overleg te plegen met de betrokken netbeheerder. Artikel 9.16 Gestuurde boringen en persen bij bomen 1. Bij het leggen van kabels en leidingen nabij bomen wordt onder bomen door geboord. 2. Er worden geen boomwortels afgehakt of beschadigd. Artikel 9.17 Wegkruisingen Bij een kruising van een kabel of leiding met een weg wordt; a. een mantelbuis gebruikt; b. een gestuurde boring toegepast; en c. de mantelbuis zoveel mogelijk haaks op de weg as geplaatst. Artikel 9.18 Slopen of verwijderen van kabels en leidingen Kabels en leidingen die niet meer in gebruik zijn worden te allen tijde verwijderd. Artikel 9.19 Merktekens Bij het plaatsen van merktekens ten behoeve van kabels en leidingen dient het merkteken 0.50 meter boven het maaiveld uit te steken. Artikel 9.20 Grondwerkzaamheden Grondwerkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen moeten onder de volgende omstandigheden worden uitgevoerd: a. ontgravingen dienen gescheiden plaats te vinden en aangevuld te worden; b. ontgravingen dienen na afloop van iedere dag te worden dichtgemaakt of, indien dit niet mogelijk is, veilig te worden afgezet; c. opengebroken weggedeelten, bestratingen en andere in verband met de werkzaamheden aanwezige obstakels dienen duidelijk te worden gemarkeerd; d. kabels en leidingen dienen in den droge te worden gelegd of verlegd, zo nodig met behulp van bronbemaling van voldoende capaciteit nabij de verharding tot 0.25 meter beneden de onderkant van de boorbuizen of mantelbuizen; e. de bovenste laag van de aanvulling mag geen puin bevatten. Afdeling 9.2.3 Gebruik van de weg Artikel 9.21 Omgevingsvergunning voorwerpen en objecten 1. Het is binnen het beperkingengebied Provinciale Wegen verboden zonder omgevingsvergunning voorwerpen en objecten te storten, plaatsen, leggen, hebben, behouden of wijzigen. 2. Het verbod geldt niet voor activiteiten die betrekking hebben op; a. het plaatsen, hebben, wijzigingen of verwijderen van verkeertekens en onderborden als bedoeld in artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994; en b. herdenkingstekens zoals bedoeld in Artikel 9.25. Artikel 9.22 Omgevingsvergunning standplaats/verkooppunt 1. Het is binnen het beperkingengebied Provinciale Wegen verboden zonder omgevingsvergunning een standplaats in te nemen. 2. Onder de volgende voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een standplaats: a. het betreft een parkeer- of carpoolplaats; b. de omgevingsvergunning wordt verleend voor een periode van maximaal een jaar; en c. de veiligheid en de doelmatigheid van de parkeer- of carpoolplaats worden niet onacceptabel aangetast naar het oordeel van het bevoegd gezag. Artikel 9.23 Omgevingsvergunning borden 1. In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden om zonder omgevingsvergunning borden te plaatsen. 2. Het verbod zoals bedoeld in het eerste lid geldt niet voor het plaatsen, hebben, wijzigen of verwijderen van borden ten behoeve van recreatieve bewegwijzering. 3. De voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid: a. worden geplaatst; 1. buiten de bebouwde kom; 2. op een deugdelijke wijze, dit betekent dat borden op stalen palen bevestigd en met grondankers geplaatst moeten worden; 3. het bord in een goede staat van onderhoud verkeert en/of wordt onderhouden; 4. het bord niet groter is dan 1.00 meter bij 1.00 meter; 5. er niet meer dan twee borden bij elkaar op een locatie worden aangebracht; 6. de borden worden geplaatst in de onverharde buitenberm op een afstand van ten minste 1.80 meter uit de kant van de verharding; 7. zelfstandig en niet aan bestaande bebording en/of OV-masten bevestigd; 8. minimaal 2 meter van OV-masten; 9. zonder spiegeling, fluorisering, verlichting en bewegende delen; 10. minimaal 0.5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld is bevestigd; 11. 200 meter van bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in-en uitwegen en bochten; en 12. meer dan 50 meter voor of 50 meter voorbij bestaande bewegwijzering of verkeersborden. b. worden verwijderd door degene die de voorzieningen plaatst: 1. indien de voorzieningen waar ze betrekking op hebben niet langer aanwezig zijn en/of noodzakelijk zijn; en 2. na verwijdering van de borden wordt de berm in oorspronkelijke staat terug gebracht. 4. Voordat het bord wordt geplaatst dient een KLIC melding gedaan te worden. Artikel 9.24 Omgevingsvergunning evenementen In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van wegen verboden om zonder een omgevingsvergunning een evenement te houden. Artikel 9.25 Meldingsplicht herdenkingstekens 1. In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden om zonder voorafgaande melding als bedoeld in Artikel 21.1 herdenkingstekens te plaatsen. 2. Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt een herdenkingsteken: a. door aanwezigheid, grootte, plaats of vormgeving op een deugdelijke wijze geplaatst; b. zonder knipperende, bewegende of verlichtende delen geplaatst; c. minimaal op 0.5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld geplaatst; d. in de onverharde buitenberm op een afstand van tenminste 1.80 meter uit de kant van de verharding geplaatst; e. niet in bochten geplaatst; en f. in het geval van meerdere slachtoffers wordt het een gecombineerde herdenkingsteken 3. Het herdenkingsteken wordt na vijf jaar door de melder verwijderd. Titel 9.3 Gegevens en bescheiden Afdeling 9.3.1 Algemene gegevens Artikel 9.26 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden omgevingsvergunning Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit op basis van dit hoofdstuk worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag en worden die ondertekend en voorzien van: a. een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan. Afdeling 9.3.2 Aanvullende gegevens en bescheiden voor activiteiten Artikel 9.27 Gegevens en bescheiden met betrekking tot werken Tenminste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 9.11 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. als het gaat om bouwen van een werk; 1. een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit; 2. een tekening van de voorgenomen constructie; 3. een opsomming van de te gebruiken materialen; en 4. de verwachte begin- en einddatum van de activiteit. b. als het gaat om het verwijderen van een werk; 1. de verwachte begin- en einddatum van de activiteit. Artikel 9.28 Gegevens en bescheiden met betrekking tot uitwegen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.12 en Artikel 9.13 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit; b. een tekening van de voorgenomen constructie; c. een opsomming van de te gebruiken materialen; en d. de verwachte begin- en einddatum van de activiteit. Artikel 9.29 Gegevens en bescheiden met betrekking tot kabels en leidingen Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.14 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of plattegrond van de betrokken locatie; b. een tekening van de voorgenomen constructie inclusief maatvoering; c. een opsomming van de te gebruiken materialen; en d. de verwachte begin- en einddatum van de activiteit. Artikel 9.30 Gegevens en bescheiden met betrekking tot standplaats/verkooppunt Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.22 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de totale afmetingen van de ruimte die de aanvrager wil gaan gebruiken; b. een beschrijving van de verkoopinrichting waaronder begrepen de afmeting van de (mobiele) wagen of kar inclusief de daaraan vast gemaakte uitbreidingen zoals luifels en zijschotten; c. omschrijving van de waren die de aanvrager op de standplaats wenst te verkopen; d. de periode van verkoop van waren; e. een plaatsaanduiding op de weg waar de aanvrager de standplaats wil betrekken, onder vermelding van het wegnummer van de weg en de hectometrering; en f. een plattegrondtekening met een schaal die niet kleiner mag zijn dan 1:1.000. Op de plattegrond is aangegeven: 1. schaalaanduiding, 2. adres, 3. kadastrale aanduiding, 4. wegnummer van de provinciale weg, 5. hectometrering en 6. plek waar de verkoopinrichting moet komen. Artikel 9.31 Gegevens en bescheiden met betrekking tot borden Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.23 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit; b. een tekening van de voorgenomen constructie inclusief maatvoering; c. een opsomming van de te gebruiken materialen; en d. de voorgenomen duur van de aanwezigheid van het bord. Artikel 9.32 Gegevens en bescheiden met betrekking tot evenementen Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.24 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. aard van het evenement; b. te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het verkeer; en c. omleidingsroutes indien de aanvrager wenst dat het verkeer wordt gestremd. Hoofdstuk 10 Luchtvaart Titel 10.1 Algemeen Artikel 10.1 Oogmerk De regels zijn gesteld ter verduidelijking.Luchthaven gelegen in de provincie Flevoland Artikel 10.2 Werkingsgebied Dit hoofdstuk is van toepassing op: a. aanvragen tot het vaststellen of wijzigen van een luchthavenbesluit voor een luchthaven gelegen in de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II; b. aanvragen tot het vaststellen of wijzigen van een luchthavenregeling voor een luchthaven gelegen in de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II. Titel 10.2 Activiteiten Artikel 10.3 Gegevens en bescheiden 1. Een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling bevat de volgende gegevens en bescheiden: a. naam, adres, contactgegevens, rechtspersoonlijkheid, contactperso(o)n(
- en)en eventuele adviseurs van de aanvrager, en indien de aanvrager niet de (beoogde) exploitant is, tevens de genoemde gegevens van de (beoogde) exploitant; b. een aanduiding van het terrein dat bestemd is om als luchthaven te worden ingericht, met een topografische kaart op een schaal van 1:10.000 en de kadastrale aanwijzing van het terrein; c. de eigendomssituatie met betrekking tot het terrein, en voor zover de aanvrager niet de eigenaar is, een verklaring van de eigenaar of eigenaren dat deze instemt of instemmen met het voorgenomen gebruik als luchthaven; d. een of meer tekeningen waaruit de beoogde ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven blijkt, met inbegrip van (maximale) hoogte van objecten; e. een plan voor het gebruik van de luchthaven voor een periode in de eerste vijf jaar na inwerkingtreding van het luchthavenbesluit; f. de wijze waarop in naderingsluchtverkeersleiding zal worden voorzien; g. de voor het beoogde gebruik noodzakelijke berekeningen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling burgerluchthavens en artikel 10.44, derde lid van de Wet luchtvaart met betrekking tot het bepalen van de geluidsbelasting en het externe-veiligheidsrisico van het luchthavenluchtverkeer; h. een bij het voornemen passende beschrijving van de mogelijke effecten op het milieu; i. de wijze waarop in naderingsluchtverkeersleiding zal worden voorzien en de voor het beoogd