← Nederland

Nadere uitwerkingsregeling rechtspositie voor het personeel, in dienst van de gemeente Delft (NUR) (Delft)

In het kort

Deze regeling definieert belangrijke termen en stelt kaders vast voor de rechtspositie van personeel in dienst van de gemeente Delft, inclusief uitzonderingen en specifieke regelingen voor bepaalde groepen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Artikel0Dit artikel moet nog worden gesplitst HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Begripsomschrijvingen Artikel 1:1 1.Voor de toepassing van deze regeling en de Uitwerkingsregeling rechtspositie wordt verstaan onder: a.ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; b.betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten; c.pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; d.pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; e.arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gelegen welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; f.arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; g.formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; h.feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; i.seniorenarbeidsduur: de voor een ambtenaar, die in aanmerking komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5 geldende arbeidsduur per week, die gelijk is aan de arbeidsduur volgens de aanstelling; j.arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; k.volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt; l.overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; m.werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; n.werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; o.uurloon: 1/156 gedeelte van het –zo nodig naar een volledige betrekking herberekende– salaris van de ambtenaar per maand; p.Zvw: de Zorgverzekeringswet; q.CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; r.UWO: Uitwerkingsovereenkomst; s.functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; t.waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking; u.LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; v.WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; w.arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; x.WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; y.WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; z.IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; aa.IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; bb.WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; cc.WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; dd.WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; ee.WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; ff.Waz: Wet arbeid en zorg; gg.SUWI: de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; hh.uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; ii.pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; jj.WPA: de Wet privatisering ABP; kk.FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; ll.FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; mm.deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt; nn.ZW: de Ziektewet; oo.ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; pp.UWV: het Uitvoeringsbesluit Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. 2.Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. Beleidsregel 1 betreft uitvoering artikel 1:1 CAR, eerste lid sub k Het in enig jaar te werken aantal uren wordt voor degenen met een voltijdbetrekking bepaald, door elke werkbare dag op 7,2 uur te waarderen, met dien verstande dat de uitkomst van die berekening ten hoogste 1836 mag bedragen. Voor degenen met een deeltijdbetrekking wordt de uitkomst van de hiervoor bedoelde berekening dan wel, indien dat tot een lager aantal uren leidt, genoemd aantal van 1836 uren, naar evenredigheid van de omvang van de deelbetrekking vastgesteld. Toelichting: Door het ontbreken van een bepaling inzake het in enig jaar ten hoogste aantal te werken uren voor een werknemer met een deeltijdbetrekking kan het voorkomen dat deeltijders, in een jaar waarin betrekkelijk veel feestdagen in weekenden vallen, ten opzichte van ambtenaren met een voltijdbetrekking in een ongunstiger positie zouden komen te verkeren dan naar evenredigheid van de omvang van de deelbetrekking verwacht zou mogen worden. Dat wordt door middel van deze beleidsregel voorkomen. Artikel 1:1:1 Voor de toepassing van deze regeling wordt voor de begripsbepaling het bepaalde in de artikelen 1:1, 1:2 en 3:1 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling van toepassing verklaard. Voor de toepassing van deze regeling wordt voorts verstaan onder: a.werknemer: hij met wie door of namens het college overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3 een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; b.tak van dienst: een organisatieonderdeel als genoemd in het hoofdmodel van de ambtelijke organisatie, opgenomen in Het Delftse Organisatiemodel, vastgesteld en eventueel gewijzigd door of namens het college; c.organisaties: de organisaties als bedoeld in artikel 12:1; d.UR: Uitwerkingsregeling rechtspositie; e.NUR: Nadere uitwerkingsregeling rechtspositie. Artikel 1:1:1:1 Waar in deze regeling wordt verwezen naar artikelen, bestaande uit twee of drie (reeksen van) cijfers, betreft dit verwijzingen naar de betreffende artikelen uit de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling respectievelijk de Uitwerkingsregeling rechtspositie. Artikel 1:1:1:2 Voor de toepassing van deze regeling wordt voor de begripsbepaling het bepaalde in de artikelen 1:1, 1:2 en 3:1 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en 1:1:1 van de Uitwerkingsregeling rechtspositie van toepassing verklaard. Voor de toepassing van deze regeling wordt voorts verstaan onder: diensthoofd: de hoogste leidinggevende van een organisatieonderdeel als genoemd in het hoofdmodel van de ambtelijke organisatie, opgenomen in Het Delftse Organisatiemodel, vastgesteld en eventueel gewijzigd door of namens het college. Geen ambtenaar Artikel 1:2 1.Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: a.het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; b.het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; c.de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; d.de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; e.de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; f.de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; g.de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; h.hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening. 2.Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad. 3.Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 van toepassing. Artikel 1:2:1 1.Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25, 7:25a, 7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. 2.Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a, 17 en 20 niet van toepassing. 3.Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d, 17 en 20 niet van toepassing. 4.Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d, 11a en 20 niet van toepassing. Leer-werkbaan Artikel 1:2:2 1.Het college kan een werkzoekende een leerwerkbaan aanbieden. 2.Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. 3.De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als ambtenaar. 4.Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate begeleiding van de werkzoekende. 5.Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar. 6.De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt bezoldigd overeenkomstig schaal

  1. 7.Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op kosten van de gemeente. 8.Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR/UR van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en
  2. Instapplan Artikel 1:2:3 1.Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen. 2.Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. 3.In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar. Toepassing Artikel 1:3 1.De bepalingen van deze regeling en de Uitwerkingsregeling rechtspositie vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. 2.Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de Uitwerkingsregeling rechtspositie of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt – met redenen omkleed – gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. Artikel 1:3a Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. Voorschriften en instructies Artikel 1:4:1 Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar zijn oordeel nodig of wenselijk is: a.bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; b.instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Uitreiking van CAR, UR, NUR en Beleidsregels Artikel 1:4:2 1.Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen, welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. 2.Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken: a.de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; b.de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a. aangeduide centrales; c.de afdelingen van de organisaties bedoeld onder b; d.ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. Artikel 1:4:3 1.Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen. 2.Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. Voordragen van belangen Artikel 1:4:4 De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan voor te dragen. Omvang van de betrekking Artikel 1:5 Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd Vrijstelling Artikel 1:6 1.In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. 2.De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. Artikel 1:6:1 1.In bijzondere gevallen kan voor functies op het niveau van directeur of sectorhoofd een tijdelijke aanstelling worden verleend in afwijking van artikel 2:
  3. 2.Van een bijzonder geval als bedoeld in het eerste lid is sprake, als het vanuit een oogpunt van dienstbelang wenselijk is dat aanstelling in een functie voor beperkte tijd plaats vindt. 3.Een tijdelijke aanstelling als bedoeld in het eerste lid mag niet langer duren dan twee jaar. 4.Bij een aanstelling als bedoeld in het eerste lid kan in afwijking van de uitkomsten van de functiewaardering een salaris worden vastgesteld. Wanneer een hoger salaris wordt vastgesteld dan het maximumsalaris van de salarisschaal die behoort bij de organieke functiewaardering, kan bij de aanstelling worden uitgesloten dat het bepaalde in de hoofdstukken 8 en 10a niet geldt. HOOFDSTUK 2 AANSTELLING EN ARBEIDSOVEREENKOMST Aanstelling; het bevoegd gezag Artikel 2:1 Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid Artikel 2:2 1.Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie – na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek – kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. 2.Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. 3.Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. 4.De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen (WAV). Aanstelling; geneeskundig onderzoek Artikel 2:3 1.Onverminderd artikel 2:2 kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. 2.De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. Beleidsregel 2 Een geneeskundig onderzoek als bedoeld in artikel 2:3, ter bepaling of er uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan tegen aanstelling, geschiedt slechts indien de functie waarin de aanstelling zal plaatsvinden is vermeld op de lijst met functies waarvoor een aanstellingskeuring geldt, met inachtneming van het bepaalde in de Wet op de medische keuringen en het door de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst in opdracht van het kabinet opgestelde protocol aanstellingskeuringen. Toelichting: In artikel 2:3 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling wordt bepaald, dat iemand in de regel slechts voor een aanstelling in aanmerking kan komen als bij een geneeskundig onderzoek, gericht op de te vervullen betrekking, ingesteld door een geneeskundige, is gebleken dat tegen het vervullen van die betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Door de vaststelling van de Wet op de medische keuringen is een dergelijke algemeen gestelde keuringseis niet meer toegestaan. Per dienst wordt een lijst met functies vastgesteld waarvoor, gelet op de in medische termen te vertalen functie-eisen, een aanstellingskeuring dient plaats te vinden. Duur van de aanstelling Artikel 2:4 1.De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk. 2.Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling. 3.Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter. 4.In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen. 5.Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, overschrijden. 6.Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling. Paragraaf 1 Bericht van aanstelling Artikel 2:4:1 1.De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: a.de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); b.de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar; c.de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: iin een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; iivoor vervulling van een betrekking bij wijze van proef; iiivoor een project met een eenmalig en uniek karakter; ivhoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; vals vakantiekracht; vivoor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen. 2.Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld. 3.De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. Vacatures Artikel 2:4:2 1.De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet. 2.Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. Artikel 2:4:3 Bevordering geschiedt door het gezag, dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking waartoe bevorderd wordt. Paragraaf 3 In- en doorstroombanen Algemene bepalingen Artikel 2:4:14 1.Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a.besluit in- en doorstroombanen: het besluit van 17 december 1999, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidie voor het scheppen van arbeidsplaatsen door gemeenten in de collectieve en non-profit sector voor langdurig werklozen gericht op instroom in het arbeidsproces en doorstroom naar andere functies in het arbeidsproces (Besluit in- en doorstroombanen) vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. b.ambtenaar: degene, met een aanstelling als bedoeld in artikel 2:4, die in het kader van het besluit in- en doorstroombanen in dienst van de gemeente Delft treedt. c.WIW-er: een langdurig werkloze die met toepassing van de wet van 4 december 1997, houdende regeling voor de totstandkoming van een gemeentelijk werkfonds voor voorzieningen ter bevordering van de toetreding tot het arbeidsproces van langdurig werklozen en jongeren (Wet inschakeling werkzoekenden) vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, via een dienstverband bij de Stichting Werkplan weer is ingestroomd in het arbeidsproces. 2.De voor de gemeente Delft uit het besluit in- en doorstroombanen voortvloeiende extra arbeidsplaatsen kunnen ten dele worden gecreëerd bij de gemeente zelf als uitbreiding van de bestaande formatie. In dat geval geldt voor de ambtenaar het in dit hoofdstuk bepaalde als aanvulling op of eventueel in afwijking van het in de CAR, de UR de NUR bepaalde. Uitgangspunten Artikel 2:4:15 1.De ondernemingsraad adviseert het diensthoofd over de vraag of er sprake is van extra werkgelegenheid boven de bestaande, goedgekeurde formatie. Periodiek bespreekt de ondernemingsraad of uitvoering beantwoordt aan de doelstelling van de regeling en doet van haar bevindingen verslag aan het diensthoofd. 2.Financiering van deze extra arbeidsplaatsen vindt structureel plaats door middel van subsidiëring door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 3.Beëindiging van de in het vorige lid bedoelde subsidie leidt tot opheffing van de functie en daarmee tot ontslag van de ambtenaar op grond van artikel 8:3 van de CAR. Indien er in verband met dit ontslag recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, heeft betrokkene tevens aanspraak op een aanvullende uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10a van de CAR. 4.Op de ambtenaar is, met inachtneming van het in deze paragraaf bepaalde, de Delftse rechtspositieregeling zoals vastgelegd in de CAR, de UR en de NUR van toepassing. 5.De functie die de ambtenaar gaat uitoefenen ligt qua niveau niet boven schaal 1 van de salaristabel in bijlage II A behorende bij de CAR. Aanstelling Artikel 2:4:16 1.De ambtenaar wordt met toepassing van het eerste lid van artikel 2:4 van de CAR en het eerste lid, sub c onder ii van de NUR, aangesteld in tijdelijke dienst bij wijze van proef voor de duur van een jaar. Bij ten minste voldoende functioneren wordt na afloop van dit jaar een vaste aanstelling verleend, tenzij daartegen zwaarwegende bezwaren bestaan. 2.Zowel bij een aanstelling in tijdelijke dienst als bij een aanstelling in vaste dienst wordt schriftelijk vastgelegd dat het een aanstelling betreft in het kader van het besluit in- en doorstroombanen. 3.De formele arbeidsduur per week bedraagt als regel gemiddeld 32 uur. Het salaris, de arbeidsduurverkorting en het verlof worden naar rato van het aantal werkuren vastgesteld. 4.Voor een doorstromende WIW-er kan de formele arbeidsduur per week op het bij een volledige betrekking als bedoeld in artikel 1:1, lid 1, sub k, van de CAR genoemde aantal uren worden vastgesteld. Op grond van bij de persoon gelegen factoren kan de formele arbeidsduur per week ook voor anderen op ten hoogste het bij een volledige betrekking behorende aantal uren per week worden vastgesteld. Bezoldiging Artikel 2:4:17 1.De salariëring van de ambtenaar vindt plaats met inachtneming van het elders in dit artikel bepaalde, hetgeen is gebaseerd op het tweede lid van artikel 3:1:1, dat het college de bevoegdheid verleent om nadere regelen te stellen. 2.Aan de ambtenaar wordt, buiten de bezoldiging opgenomen in bijlage IIA behorende bij de CAR, een financiële vergoeding verstrekt voor overwerk, onregelmatige diensten of beschikbaarheidsdiensten, tenzij door uitbetaling van een dergelijke vergoeding de som van het salaris vermeerderd met eventuele toelagen en vergoedingen de 130% van het wettelijk minimumloon, eventueel gerekend naar evenredigheid van het aantal arbeidsuren volgens aanstelling, overschrijdt. 3.Het gedeelte van de in de eerste volzin van dit lid bedoelde vergoedingen dat niet mag worden uitbetaald, wordt gecompenseerd in tijd. 4.Bij indiensttreding van de ambtenaar vindt inschaling plaats in schaal 1, regel 1 genoemd in de salaristabel in bijlage II A behorende bij de CAR. Bij ten minste voldoende functioneren worden periodieke verhogingen toegekend conform het bepaalde in artikel 3a:1:1:7 van de NUR. Scholing en Vorming Artikel 2:4:18 1.De kosten, verbonden aan scholings- en begeleidingsafspraken in relatie tot de werkzaamheden van de ambtenaar, komen voor rekening van de werkgever. 2.Aan de ambtenaar worden scholing en vorming geboden op basis van de LOGA-afspraken. Het hoofd van dienst is belast met de nadere uitwerking voor de individuele ambtenaar. Slotbepalingen Artikel 2:4:19 In gevallen waarin het bepaalde in deze paragraaf niet of niet naar redelijkheid voorziet, treft het college de nodige voorzieningen. Het college is bevoegd ter uitvoering van het bepaalde in deze paragraaf nadere voorschriften vast te stellen. Arbeidsovereenkomst Artikel 2:5 1.Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. 2.De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. 3.Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Artikel 2:5:1 Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. Minimum-urengarantie bij oproepkrachten Artikel 2:5:2 De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt. Inhoud oproepovereenkomst Artikel 2:5:3 De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: a.de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; b.de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden – na daartoe opgeroepen te zijn – te verrichten; c.een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; d.de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; e.een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; f.indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:
  4. Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht Artikel 2:5:4 1.De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:
  5. 2.De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur. 3.Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. Overgangsrecht Artikel 2:6 1.Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4, wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden. 2.Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli
  6. 3.Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5, eerste lid, onder a,b of c, en artikel 2:5:2, onder b, junctie artikel 2:5, eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:
  7. 4.Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van de werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:
  8. Aanpassing arbeidsduur Artikel 2:7 1.Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 2.Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 3.Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie. Artikel 2:7a 1.Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. 2.Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: –de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; –het salaris evenredig wordt verhoogd; –de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; –de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; –de minimum vakantietoeslag als bedoeld in artikel 6:3, tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd; –de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, evenredig wordt verhoogd; –instemming van de ambtenaar is vereist; –artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is. 3.Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. 4.Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. HOOFDSTUK 2a RICHTLIJNEN BIJ WERVING EN SELECTIE Begripsbepalingen Artikel 2a:1:1:1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.logische opvolger: degene waarvan het als vanzelfsprekend wordt gevonden dat deze een bepaalde vacante functie gaat vervullen, bijv. de plaatsvervanger, 2e man/vrouw of junior, die in voorkomende gevallen bij afwezigheid van de betrokken functionaris (delen van) diens werkzaamheden langdurig waarnam; b.(her)plaatsingsmedewerker: de ambtenaar, werkzaam bij het vakteam Personeel en Organisatie, die in het bijzonder belast is met de verzuimbegeleiding enreïntegratie van zieke werknemers op grond van de wet Verbetering Poortwachter en de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; c.loopbaanadviescentrum: het onderdeel van het vakteam Personeel en Organisatie, waartoe medewerkers in dienst van de gemeente zich kunnen wenden voor loopbaanadvisering en –begeleiding; d.loopbaanafspraak in het kader van een persoonlijk ontwikkelingsplan: de in een persoonlijk ontwikkelingsplan als bedoeld in artikel 17:1:1 gemaakte en op schrift gestelde (principe-)afspraken tussen de medewerker, zijn/haar leidinggevende en eventueel mogelijk toekomstige leidinggevende inzake de loopbaanontwikkeling, geconcretiseerd tot (een) mogelijke toekomstige functie(s), eventueel gekoppeld aan afspraken over in verband daarmee te volgen opleiding en te ondernemen activiteiten, te realiseren binnen een termijn van ten hoogste drie jaar; e.sociaal plan: het plan als bedoeld in artikel 15a:1:1:1, onder x.; f.WSW: Wet sociale werkvoorziening; g.WIW: Wet inschakeling werkzoekenden; h.Besluit in- en doorstroombanen: het besluit van 17 december 1999, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidie voor het scheppen van arbeidsplaatsen door gemeenten in de collectieve en non-profit sector voor langdurig werklozen gericht op instroom in het arbeidsproces en doorstroom naar andere functies in het arbeidsproces, vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; i.competenties: de competenties als bedoeld in de gemeentelijke competentieset; j.persoonlijk ontwikkelingsplan: het plan als bedoeld in het tweede lid van artikel 17:1:1 van de Uitwerkingsregeling rechtspositie; k.gemeentelijk managementteam: het GMT als genoemd in het hoofdmodel van de ambtelijke organisatie, opgenomen in Het Delftse Organisatiemodel, vastgesteld en eventueel gewijzigd door of namens het college. l.P&O-adviseur: de ambtenaar van het vakteam Personeel en Organisatie die als adviseur van het management op het terrein van Personeel en Organisatie optreedt. Vacantstelling Artikel 2a:1:1:2 1.Zodra een vacature ontstaat toetst de directeur van een cluster of de omvang, taakinhoud en functieniveau nog conform de gewenste situatie zijn, dan wel aangepast moeten worden. De directeur kan op dat moment tot een herschikking van taken, formatie en/of personele bezetting overgaan. e.f 15a 2.Voor de vacature die, eventueel na de in het eerste lid bedoelde herschikking van taken, formatie en/of personele bezetting, ontstaat komen in eerste instantie de zogenaamde herplaatsingskandidaten voor benoeming in aanmerking, in tweede instantie een eventuele logische opvolger, in derde instantie degenen met wie in het kader van een persoonlijk ontwikkelingsplan loopbaanafspraken zijn gemaakt die passen op de vacature en vervolgens de overige interne kandidaten. 3.e functie die vacant is geworden b., eventueel, in zijn ogen De (her)plaatsingsmedewerker stuurt een exemplaar van de vacature ter kennisneming naar alle bekende (her)plaatsingskandidaten. De (her)plaatsingskandidaten die niet door de (her)plaatsingsmedewerker zijn genoemd als in aanmerking komend voor benoeming, maar toch van mening zijn dat zij voor deze vacature in aanmerking zouden moeten worden gebracht, kunnen dit kenbaar maken. Met (her)plaatsingskandidaten als bedoeld in dit lid, die naar aanleiding van de bekendmaking als bedoeld in dit lid uit eigen beweging te kennen hebben gegeven belangstelling voor een vacature te hebben of die door de (her)plaatsingsmedewerker naar voren zijn geschoven wordt altijd via de P&O-adviseur een gesprek gevoerd 4.het niet is gelukt om op grond van het bepaalde in het derde lid te komen tot vacaturevervulling Voordat een benoeming van een logische opvolger plaats vindt wordt het voorgenomen besluit voor een procedurele toets voorgelegd aan de ondernemingsraad. 5.Als er geen logische opvolger aanwezig is, wordt de vacature binnen de organisatie algemeen bekend gemaakt. Interne procedure Artikel 2a:1:1:3 1.Nadat het vijfde lid van algemeen bekend gemaakt bezien of er interne kandidaten zijn met wie in het kader van een persoonlijk ontwikkelingsplan loopbaanafspraken zijn gemaakt die aansluiten op de vacature.artikel 2a:1:1:2 3.wordt op basis van de reacties op de algemene bekendmaking als bedoeld in het vijfde lid van artikel 2a:1:1:2 beoordeeld of er andere interne kandidaten zijn die voor benoeming in aanmerking komen 4.het college, het college Interne kandidaten Artikel 2a:1:1:4 -degenen die, in dienst zijnde van een van de deelnemers aan de Mobiliteitsbank Haaglanden, uit dien hoofde toegang hebben tot de gemeenschappelijke interne arbeidsmarkt zoals geregeld in de samenwerkingsovereenkomst mobiliteitsbank Haaglanden en het Convenant Mobiliteitsbank Haaglanden Artikel 2a:1:1:5 functie-eisen Wanneer een interne kandidaat na een sollicitatiegesprek niet voor benoeming in de vacature in aanmerking wordt gebracht kan deze bij het vakteamhoofd of de P&O-adviseur informatie inwinnen waarom hij niet voor benoeming in aanmerking kwam. Externe procedure Artikel 2a:1:1:6 Transparante sollicitatieprocedure Artikel 2a:1:1:7 1.Er wordt een inzichtelijke selectieprocedure gevolgd. 2.Sollicitanten ontvangen per omgaande een bericht van ontvangst van hun sollicitatie, zo mogelijk met een indicatie van de termijn waarop ze of worden uitgenodigd voor een gesprek, of nader bericht kunnen verwachten. 3.Tijdens de selectieprocedure worden de in het eerste lid van artikel 2a:1:1:2 genoemde selectiecriteria in beginsel niet gewijzigd. 4.Er worden geen sollicitatiegesprekken gevoerd met meerdere sollicitanten gezamenlijk. Ook worden er geen bijeenkomsten georganiseerd die naar hun aard een bijdrage leveren aan de selectie van kandidaten, waarbij meerdere belangstellenden voor de functie(s) aanwezig zijn. 5.Voorkomen wordt dat sollicitanten tijdens de selectieprocedure op enigerlei wijze met elkaar in aanraking komen. 6.Er wordt vertrouwelijk omgegaan met de namen van sollicitanten en door hen overgelegde gegevens. 7.Er kan een selectiecommissie worden gevormd. De omvang hiervan wordt zo beperkt mogelijk gehouden. 8.Indien externe expertise ter ondersteuning van de selectie (bijv. assessment) wenselijk wordt geacht worden de kandidaten hierover tevoren geïnformeerd. 9.Inlichtingen over sollicitanten worden alleen ingewonnen nadat met de sollicitanten overeen is gekomen dat dat gebeurt, met wie dat gebeurt en wanneer dat gebeurt. Geen discriminatie Artikel 2a:1:1:8 Tijdens de sollicitatiegesprekken worden geen voor de functie niet relevante vragen gesteld. In ieder geval betreft het hier zaken die volledig in de privé-sfeer liggen, zoals politieke voorkeur, burgerlijke staat, gezinssamenstelling, seksuele voorkeur en sociale achtergrond. Voor de functie niet relevante feiten mogen geen rol spelen bij de keuze voor een kandidaat. Doelgroepen Artikel 2a:1:1:9 Een ieder heeft, binnen het kader van de in de artikelen 2a:1:1: 2a:1:1: aangegeven volgorde, gelijke kans om voor de vervulling van een vacature in aanmerking gebracht te worden. Het streven is er op gericht het personeelsbestand van de gemeente een afspiegeling te laten zijn van de samenleving. Gelet hierop is het zowel tijdens de interne procedure als tijdens de externe procedure mogelijk dat aan een kandidaat die behoort tot een groepering die in het personeelsbestand ondervertegenwoordigd is om die reden de voorkeur wordt gegeven. Onvoorziene situaties Artikel 2a:1:1:10 In die situaties waarin dit besluit niet voorziet kan namens het college en na overleg met de ondernemingsraad, worden besloten tot het volgen van een andere procedure voor de werving en selectie dan beschreven in deze regeling. HOOFDSTUK 3 SALARIS EN VERGOEDINGSREGELINGEN Bezoldiging Artikel 3:1 1.Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend. 2.In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt: a.schaal: de voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop; b.salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag; c.bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen – niet zijnde onkostenvergoedingen – als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage. 3.Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage II en bijlage IIa van de CAR. a.Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtestreepje, bijlage IIa op hem van toepassing is. b.Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op: -de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en -de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken. 4.Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II. 5.Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken: -dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II, die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa; -en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa. 6.Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand. 7.Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. 8.Na de toepassing van artikel 7:16, tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. Artikel 3:1:1 1.De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard der betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar, alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn. 2.Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde. 3.Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling der bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen. 4.Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd. Waarnemingstoelage Artikel 3:1:2 1.De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid. 2.De vergoeding als bedoeld in het eerste lid bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald. 3.De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt – zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid – in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regelen. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:
  9. Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan een betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van waarneming. 4.Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt. 5.Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen. Beleidsregel 4 De salarisschaal als bedoeld in het tweede lid van artikel 3:1:2 is schaal
  10. Toelichting: In de regel wordt een vergoeding wegens vervanging van een hoger bezoldigde collega pas toegekend nadat de vervanging in een aaneengesloten periode van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd. Voor degenen in de laagste salarisschalen wordt een dergelijke eis van een minimumduur van vervanging niet reëel geacht. Daarom wordt in bedoeld artikel 3:1:2 aangegeven dat deze eis van een minimum-vervangingsduur pas geldt vanaf een bepaalde salarisschaal. Al vanaf de vaststelling van het algemeen ambtenarenreglement, de voorganger van de huidige Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, Uitwerkingsregeling rechtspositie en de Nadere uitwerkingsregeling rechtspositie, is als “aangewezen schaal” salarisschaal 4 gebruikt. Ingaande salarisschaal 5 geldt derhalve bedoelde minimum-vervangingsduur om voor een vergoeding in aanmerking te komen. Overwerkvergoeding Artikel 3:2 De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste volzin. Beleidsregel 5 In geval van overwerk bestaat er aanspraak op een maaltijdvergoeding, als het overwerk ten minste twee uur duurt en de ambtenaar niet naar huis kan gaan om op een voor het nuttigen van de maaltijd gebruikelijk tijdstip te eten (dit door het tijdstip waarop het overwerk moet aanvangen). De hoogte van deze vergoeding is gelijk aan het vergoedingsbedrag van een avondmaaltijd, neergelegd in de voor het rijkspersoneel vastgestelde reisregeling binnenland. Toelichting: Wanneer het door de aard en de duur van het overwerk niet mogelijk is dat de ambtenaar thuis op een voor het nuttigen van de maaltijd gebruikelijk tijdstip kan eten, kunnen de voor een avondmaaltijd gemaakt kosten, op declaratiebasis, worden vergoed. Hierbij wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de terzake voor het rijkspersoneel vastgestelde regeling. Artikel 3:2:1 1.De vergoeding bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde. 2.Het verlof bedoeld in het eerste lid wordt door het college verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit naar het oordeel van het college toelaten, wordt het verlof verleend – zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin – op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. 3.Voor 1 november kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, mag tezamen maximaal 50,4 uur bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal als maximum. 4.Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met
  11. a.Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt: -100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur; -75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur; -75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur; -50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur; -50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur; -25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur. b.Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald. c.Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid, of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, als bedoeld in het derde lid van artikel 4:2:1, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%. 6.Het college bepaalt welke ambtenaren – gelet op de aard en het niveau van hun betrekking – geen aanspraak hebben op vergoeding van overwerk. Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten. 7.Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen. 8.Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk. Beleidsregel 5a Beleidsregel grens overwerkvergoeding In het zesde lid van artikel 3:2:1 staat dat het college bepaalt welke ambtenaren – gelet op de aard en het niveau van hun betrekking – geen aanspraak hebben op vergoeding van overwerk. Ter uitvoering van die bepaling geldt, dat ambtenaren die worden bezoldigd volgens salarisschaal 11 of hoger niet voor vergoeding voor het verrichten van werkzaamheden buiten de normaal voor hen geldende werktijden in aanmerking komen. Toelichting: het wordt vanaf een bepaald salarisniveau als inherent aan de functie gezien dat functionarissen zo nu en dan eens wat langer werken. Conform hetgeen in den lande gebruikelijk is, o.m. in de sector Rijkspersoneel, wordt overwerk vanaf schaal 11-niveau als inherent aan de functie gezien. Binnen het kader van de regeling flexibele werktijden zijn deze ambtenaren in staat hun overwerk in tijd voor tijd te compenseren. Toelage onregelmatige dienst Artikel 3:3 1.De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op: a.maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur; b.zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur; c.zondag tussen 0.00 en 24.00 uur. 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld. 3.In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld. 4.In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid. Artikel 3:3:1 Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in artikel 15:1:10, tweede lid, onder c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden. Verschuivingsvergoeding Artikel 3:4 Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding. Artikel 3:4:1 1.Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijke vastgestelde a.feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven; b.werktijd, deze werktijd wordt verschoven. 2.Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ingeval een verschuiving van de oorspronkelijke vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd. 3.De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon. Ambtsjubileumgratificatie Artikel 3:5 De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald: a.in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef; b.op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend. Artikel 3:5:1 1.Aan de ambtenaar die gedurende 12½ jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met 25% van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld ontvangt een gratificatie gelijk aan 70% van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende 40 respectievelijk 50 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage, over de maand waarin hij deze jubilea heeft. 2.Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: -op grond van artikel 8:3; -op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van 80 procent of meer; -op grond van artikel 8:10; -op grond van artikel 8:11, en die – indien het ontslag niet had plaatsgevonden – het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaar na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend. Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. In geval er sprake is van ontslag op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 8:11 wordt de proportionele gratificatie verleend over het deel van de formele arbeidsduur per week, waarvoor ontslag is verleend. 3.De op grond van dit artikel toegekende gratificaties worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. 4.Bij gedeeltelijk ontslag wordt de ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend. Beleidsregel 6 Voor medewerkers voor diensten op afroep wordt de diensttijd voor de berekening van ambtsjubilea bepaald door de datum van ingang van aanstelling en de eventuele datum einde aanstelling. De periode gedurende welke men een aanstelling heeft/had is dus bepalend, niet de feitelijk gewerkte tijd. Bij de berekening van een gratificatie ambtsjubileum wordt voor iemand met een aanstelling voor diensten op afroep als berekeningsbasis gehanteerd de gemiddelde bezoldiging en vakantietoelage die betrokkene in de aan de jubileumdatum voorafgaande 12 maanden heeft verdiend. Toelichting: Door het ontbreken van een bepaling inzake de berekening van een ambtsjubileumgratificatie voor medewerkers voor diensten op afroep kan de situatie ontstaan, dat de toevalstreffer van de bezoldiging in de maand waarin het jubileum valt bepalend is voor de hoogte van de gratificatie. Voor deze groep van werknemers wordt het juister geacht het gemiddelde loon over de twaalf maanden voorafgaande aan de jubileumdatum te hanteren als berekeningsbasis voor de gratificatie. Dit zal in zijn algemeenheid leiden tot een gratificatie die meer een afspiegeling vormt van de gemiddelde verdiensten dan wanneer de bezoldiging van één maand hiervoor bepalend is. Beleidsregel 8 Voor het bepalen van de duur van de overheidsdiensttijd wordt gehanteerd het begrip diensttijd in de regeling gratificatie bij ambtsjubileum, vastgesteld ter uitvoering van artikel 79 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Toelichting: De gratificatie ambtsjubileum is gekoppeld aan het aantal jaren dat een betrekking bij de overheid is vervuld. Uit praktische overwegingen wordt er voor gekozen om bij het bepalen van die overheidsdiensttijd zoveel mogelijk de terzake voor het rijkspersoneel vastgestelde regeling te hanteren. Eindejaarsuitkering Artikel 3:6 1.De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. 2.De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. 3.Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest. Persoonlijke toelage Artikel 3:7:8 1.Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend, wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat. 2.De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven. HOOFDSTUK 3A BEZOLDIGING Artikel 3a:1:1:1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1:1:2, alsmede de werknemer als bedoeld in artikel 1:1:1:2, voor zoveel het derde lid van artikel 2:5:6 van toepassing is; b.salaris: het salaris, als bedoeld in het tweede lid van artikel 3:1; c.salarisschaal: de schaal als bedoeld in het tweede lid van artikel 3:1, opgenomen in bijlage II dan wel bijlage IIa, behorende bij de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling; d.salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal dat in een salarisschaal voor een salaris is vermeld; e.maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal, dat kan worden bereikt door jaarlijkse salarisverhogingen; f.bezoldiging: de bezoldiging, als bedoeld in het tweede lid van artikel 3:1; g.functie: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar te verrichten; h.functiewaarderingsonderzoek: het op systematische wijze in rangorde plaatsen van functies, met als criterium de relatieve zwaarte van het werk; i.conversie: de vertaling van de gevonden rangorde naar salarisschalen. Artikel 3a:1:1:2 1.Het recht op bezoldiging vangt aan met de dag waarop de aanstelling van de ambtenaar ingaat. Indien in het aanstellingsbesluit geen datum van ingang is vermeld, vangt het recht op bezoldiging aan met de dag waarop de ambtenaar feitelijk in dienst is getreden. 2.Het recht op bezoldiging eindigt, in geval van ontslag, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat. Artikel 3a:1:1:3 Wanneer het salaris, een emolument of een toelage moet worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die maand. Artikel 3a:1:1:4 De salarissen van de ambtenaren, wier salaris niet bij of krachtens de wet is geregeld, worden vastgesteld op de bedragen volgens de salarisschalen of, indien voor een betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlagen. Artikel 3a:1:1:5 1.Het college bepaalt met inachtneming van de resultaten van een functiewaarderingsonderzoek en aan de hand van de vastgestelde conversie de voor de ambtenaar geldende salarisschaal, tenzij zijn wijze van functioneren zich nog daartegen verzet. 2.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van een functiewaarderingsonderzoek en de daarbij te hanteren methode. 3.Anders dan bij het aanvaarden van passende af gangbare arbeid, dan wel wijze van disciplinaire straf, als bedoeld in artikel 8:13 of 16:1:2, kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal. Artikel 3a:1:1:6 1.Bij aanstelling kent het college de ambtenaar het salaris toe dat in de voor hem geldende schaal is vermeld achter het salarisnummer
  12. 2.Van het bepaalde in het vorige lid kan worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris, indien daarvoor naar het oordeel van het college aanleiding bestaat. Artikel 3a:1:1:7 1.Het salaris van de ambtenaar wordt bij voldoende bekwaamheid, geschiktheid en ijver binnen de voor hem geldende salarisschaal periodiek verhoogd tot het naasthogere bedrag. 2.De periodieke verhogingen worden toegekend wanneer de ambtenaar het maximumsalaris nog niet heeft bereikt, voor de eerste maal met ingang van de eerste dag van de maand waarin zijn aanstelling één jaar is verstreken en nadien telkens na één jaar. 3.Het tijdstip waarop ingevolge het vorige lid aan de bedoelde ambtenaar voor de eerste maal een periodieke verhoging wordt toegekend, kan worden vervroegd indien daartoe naar het oordeel van het college aanleiding bestaat. 4.Het salaris wordt, in de salarisschalen 1 tot en met 5 van bijlage II van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, wanneer het maximumsalaris is bereikt, voor de eerste maal na drie jaar en vervolgens om de twee jaar verhoogd tot het naasthogere bedrag in de salarisschaal. 5.De tijd gedurende welke de ambtenaar ingevolge wettelijke verplichting, als bedoeld in artikel 3:7:1 of 3:7:2, wordt geacht in zijn betrekking met verlof te zijn, wordt voor de toekenning van het salaris als diensttijd in aanmerking genomen. Artikel 3a:1:1:8 1.Het college kan aan de ambtenaar, die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, een extra salarisverhoging toekennen tot een in de salarisschaal genoemd bedrag, niet uitgaande boven het maximumsalaris, op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver. 2.Bij de toepassing van het vorige lid blijft het tijdstip waarop ingevolge artikel 3a:1:1:7 een salarisverhoging wordt toegekend onverlet, tenzij het college anders bepaalt. Artikel 3a:1:1:9 1.Bij onvoldoende bekwaamheid, geschiktheid of ijver van de ambtenaar kan het college bepalen dat ten aanzien van hem salarisverhogingen, als bedoeld in artikel 3a:1:1:7, achterwege worden gelaten. 2.Het college kan nadien bepalen dat de salarisverhogingen, welke met toepassing van het eerste lid achterwege zijn gelaten, al dan niet met terugwerkende kracht, alsnog worden toegekend. 3.Een besluiten als bedoeld in het eerste lid wordt alleen genomen op basis van een beoordeling als bedoeld in artikel 15:1:
  13. 4.Van een beslissing tot toepassing van het eerste lid wordt de ambtenaar zo spoedig mogelijk, doch in elk geval voor de datum waarop anders de salarisverhoging zou ingaan, mededeling gedaan, onder vermelding van de redenen welke tot de beslissing hebben geleid. Artikel 3a:1:1:10 1.Wanneer voor de ambtenaar, voor wie een salaris geldt op grond van bijlage II bij de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, een salarisschaal als vermeld in genoemde bijlage II gaat gelden met een hoger maximumsalaris, wordt het salaris in de nieuwe schaal vastgesteld op het bedrag, gelegen onmiddellijk boven het salaris dat de ambtenaar in de oude schaal zou hebben genoten, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 3a:1:1:
  14. Onverminderd het bepaalde in artikel 3a:1:1:7 wordt het salaris in de nieuwe salarisschaal verhoogd tot een bedrag in die schaal, zodra en voor zoveel zulks nodig om te bereiken dat het nieuwe salaris blijft uitgaan boven het salaris dat de ambtenaar in de oude schaal zou hebben genoten. 2.Wanneer voor de ambtenaar, voor wie een salaris geldt op grond van bijlage IIa bij de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, een salarisschaal gaat gelden met een hoger maximumsalaris, wordt het salaris in de nieuwe schaal vastgesteld op het bedrag, gelegen onmiddellijk boven het salaris dat de ambtenaar in de oude schaal zou hebben genoten, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 3a:1:1:
  15. In geval dit zou leiden tot een salarisverschil tussen het nieuwe salaris en het salaris, dat hij in de oude salarisschaal genoten zou hebben, dat minder bedraagt dan 75% van het salarisverschil tussen het bedrag dat de ambtenaar aan salaris zou hebben ontvangen indien hij niet zou zijn overgegaan naar de nieuwe schaal, maar in zijn oude schaal een periodieke verhoging zou hebben gekregen, en het bedrag van zijn oude salaris, wordt de ambtenaar in de nieuwe schaal ingeschaald op het bedrag dat direct volgt op het naasthogere bedrag. 3.Wanneer voor de ambtenaar, voor wie een salaris geldt op grond van bijlage II van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, een salarisschaal gaat gelden op grond van bijlage IIa van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, wordt het salaris in de nieuwe schaal vastgesteld op het bedrag, gelegen onmiddellijk boven het salaris dat de ambtenaar zou hebben gekregen, wanneer het salaris met toepassing van het eerste lid zou zijn vastgesteld in de overeenkomstige salarisschaal van bijlage II van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling. Artikel 3a:1:1:11 Het salaris van de ambtenaar met een niet-volledige betrekking wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou gelden bij een volledige betrekking. Artikel 3a:1:1:12 1.Aan de ambtenaar die het maximum van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, en die naar het oordeel van het college blijk heeft gegeven van langdurige bijzondere uitoefening van de functie, kan een toelage worden toegekend. 2.De in het vorige lid bedoelde toelage is niet hoger dan 10 procent van het salaris van de betrokken ambtenaar, met dien verstande dat de som van dat salaris en die toelage het hoogste bedrag van de naasthogere salarisschaal niet overschrijdt. Artikel 3a:1:1:13 1.Aan de ambtenaar die naar het oordeel van het college bijzondere prestaties in de functie heeft geleverd, kan een tijdelijke toelage worden toegekend. 2.De in het vorige lid bedoelde toelage wordt ineens en ten hoogste één maal binnen een tijdvak van een jaar uitgekeerd. Een ambtenaar kan ten hoogste twee achtereenvolgende jaren voor een tijdelijke toelage in aanmerking komen. 3.De tijdelijke toelage bedraagt maximaal het voor de ambtenaar geldende salarisbedrag per maand. Artikel 3a:1:1:14 1.Aan de ambtenaar kan om redenen van werving of behoud een uitkering worden toegekend. 2.De in de eerste lid bedoelde uitkering wordt toegekend aan het einde van een tijdvak dat tevoren is vastgesteld door het tot toekennen van de uitkering bevoegde gezag, dat aan het toekennen nadere voorwaarden kan verbinden. 3.Aan de ambtenaar die niet heeft kunnen voldoen aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden door een naar het oordeel van het bestuursorgaan niet aan hemzelf te wijten oorzaak, kan de uitkering gedeeltelijk worden toegekend. Artikel 3a:1:1:15 Het college kan regelen vaststellen voor het toekennen van een toelage voor het verrichten van zwaar, vuil en/of gevaarlijk werk, alsmede voor het verrichten van thuiswachten buiten de normale werktijd. Artikel 3a:1:1:16 1.Indien het salaris minder is dan het maandbedrag van het minimumloon, dat krachtens de artikelen 8 en 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag geldt voor werknemers van dezelfde leeftijd als de ambtenaar, wordt hem een toelage toegekend ten bedrage van het verschil. 2.Voor de ambtenaar met een niet volledige betrekking, wordt het voor werknemers van dezelfde leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig deel van het minimumloon bij een volledige betrekking. Artikel 3a:1:1:17 1.Aan de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11 van bijlage II, behorende bij de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, en voor wie werktijden zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 3:3, wordt door het college een toelage toegekend. 2.De in het vorige lid bedoelde toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende uurloon. Dit percentage bedraagt: 20 voor de uren van maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 8 uur en tussen 18 en 22 uur; 45 voor de uren op zaterdag tussen 6 en 22 uur; 45 voor de uren op maandag tot en met zaterdag tussen 0 en 6 uur en tussen 22 en 24 uur; 70 voor de uren op zondag en op feestdagen genoemd in het derde lid van artikel 4:2:1; met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het per uurloon, behorende bij het maximumsalaris van salarisschaal 7 van bijlage II, behorende bij de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling. 3.In bijzondere gevallen kan het college een regeling treffen, welke het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt. Artikel 3a:1:1:18 1.Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 3a:1:1:17, een blijvende verlaging ondergaat, wordt door het college een aflopende toelage toegekend, indien: a.die blijvende verlaging ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelagen bedoeld in artikel 3a:1:1:17; en b.de ambtenaar de toelage, als bedoeld in artikel 3a:1:1:17, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste 2 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 60 jaar of ouder, wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van de toelage als bedoeld in artikel 3a:1:1:17, een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend indien de ambtenaar de toelage als bedoeld in artikel 3a:1:1:17 direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. 3.De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar bereikt en hij, onmiddellijk vóór de aanvang van die toelage, gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in artikel 3a:1:1:17 heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid. 4.Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden. 5.Het college stelt voor de uitvoering van dit artikel nadere regels vast. Beleidsregel 7b Beleidsregel inzake afbouw bij beëindiging of vermindering toelage onregelmatige dienst. 1.Een afbouwregeling als bedoeld in artikel 3a:1:1:18 wordt getroffen als er sprake is van beëindiging of vermindering van de toelage in de functie die de betrokken ambtenaar vervult. Bij het aanvaarden van een andere functie, waaraan geen of minder inkomsten wegens het verrichten van onregelmatige diensten zijn verbonden, zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden of er aanleiding is om een overeenkomstige afbouwregeling te treffen (maatwerk). 2.Wanneer er sprake is van wisselende inkomsten wordt voor de berekening van de in artikel 3a:1:1:18 bedoelde aflopende toelage uitgegaan van het in de 12 maanden voorafgaande aan de beëindiging of blijvende verlaging gemiddeld per maand genoten toelage. 3.Bij de uitvoering van artikel 3a:1:1:18 wordt zoveel mogelijk gehandeld overeenkomstig de hiervoor voor het rijkspersoneel vastgestelde regeling. 4.Wanneer iemand langdurig, zonder wezenlijke onderbreking, een financiële vergoeding wegens het verrichten van overwerk, al dan niet op declaratiebasis, heeft ontvangen, zal zoveel mogelijk conform het gestelde in artikel 3a:1:1:18 en het bepaalde in deze beleidsregel een afbouwregeling worden getroffen. 5.Wanneer iemand langdurig, zonder wezenlijke onderbreking, een financiële vergoeding wegens het verrichten van wachtdiensten als bedoeld in hoofdstuk 3d (artikel 3d:1:1:3, lid 4) of 3e (artikel 3e:1:1:3) van de Nadere uitwerkingsregeling rechtspositie heeft ontvangen, zal zoveel mogelijk conform het gestelde in artikel 3a:1:1:18 en het bepaalde in deze beleidsregel een afbouwregeling worden getroffen. Toelichting: middels deze beleidsregel wordt een reeds in de praktijk gebruikelijke afbouwregeling bij het wegvallen of verminderen van structureel overwerk of structurele wachtdiensten geformaliseerd, hetgeen de eenheid in de toepassing van de arbeidsvoorwaarden bevordert. Artikel 3a:1:1:19 1.Indien in de salarissen van het overheidspersoneel in de sector gemeenten een wijziging wordt aangebracht welke een algemeen karakter draagt, wordt door het college met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat, een overeenkomstige wijziging aangebracht in de salarissen van de ambtenaren. 2.Van de wijziging bedoeld in het vorige lid geeft het college kennis aan de raad. Artikel 3a:1:1:20 vervallen Artikel 3a:1:1:21 Voor de ambtenaar, die op grond van het bepaalde in artikel 3:1, derde lid, onder a, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, vanaf 1 april 1996 een salaris geniet op grond van bijlage II van de Collectie arbeidsvoorwaardenregeling, en die daardoor in een financieel opzicht nadeliger positie komt te verkeren dan een ambtenaar, voor wie bijlage IIa van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling geldt, geldt de bij dit hoofdstuk behorende bijlage A, waarin een conversietabel is opgenomen. Artikel 3a:1:1:22 Toelagen op grond van hoofdstuk 3 of hoofdstuk 3a worden zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand nadat deze ter betaling is doorgegeven betaalbaar gesteld. HOOFDSTUK 3B FUNCTIEWAARDERING Artikel 3b:1:1:1 hoofdstuk h.salarisschaal i. een cluster als genoemd in het hoofdmodel van de ambtelijke organisatie, opgenomen in Het Delftse Organisatiemodel, vastgesteld en eventueel gewijzigd door of namens het college j. de hoogste leidinggevende van een cluster als genoemd in het hoofdmodel van de ambtelijke organisatie, opgenomen in Het Delftse Organisatiemodel, vastgesteld en eventueel gewijzigd door of namens het college l.Middelen m.sMiddelen Artikel 3b:1:1:2 1.De plaats in de functierangorde van de bij de gemeente beschreven organieke functies wordt vastgesteld volgens het systeem van functiewaardering. 2.Het raster maakt onderdeel uit van het functiewaarderingssysteem. Artikel 3b:1:1:3 0.Het college bepaalt 2.Het college draagt 3.Het college draagt 4.het college Artikel 3b:1:1:4 0.Het college 1.etschriftelijk 2.het college Wanneer de bewuste functie door meer dan een ambtenaar wordt vervuld kan de in de vorige volzin genoemde termijn worden verlengd tot maximaal zes weken. 3.bedenkingen kenbaar gemaakt, het college 4.bedenkingen heeft kenbaar gemaaktwordt hierover gepleegd het college Het college schriftelijk Artikel 3b:1:1:5 Artikel 3b:1:1:6 Artikel 3b:1:1:7 3.het college Indien de commissie adviseert in afwijking van het advies van het in artikel 3b:1:1:6 bedoelde waarderingsadvies brengt zij dit in haar advies tot uitdrukking, met vermelding van de overwegingen. Artikel 3b:1:1:8 het college door de Ondernemingsraad aan te wijzen leden, in dienst van de gemeente 2.aan het georganiseerd overleg deelnemende organisaties aangewezen leden of minder dan Artikel 3b:1:1:9 2.het college Artikel 3b:1:1:10 1.t het college en, indien dit advies afwijkt van het waarderingsadvies van de systeemdeskundige als bedoeld in het eerste lid van artikel 3b:1:1:6, ook dat waarderingsadvies en de gronden van de waarderingscommissie om hiervan af te wijken 2.Het college stelt zijn 3.Het college vermeldt zijn Artikel 3b:1:1:11 1.t het college 2.Het college stelt zijn 3.Het college vermeldt zijn Artikel 3b:1:1:12 het college Artikel 3b:1:1:13 vervallen Artikel 3b:1:1:14
  16. Artikel 3b:1:1:15 1.Het college treft 2.t het college HOOFDSTUK 3C RICHTLIJNEN VOOR HET AANSTELLINGS- EN BEVORDERINGSBELEID Artikel 3c:1:1:1 Grondslag voor de vaststelling van de beloning is de zwaarte van de functie, zoals deze binnen het raam van de organisatie is geformeerd en door middel van het gemeentelijke functiewaarderingssysteem is gewaardeerd. Artikel 3c:1:1:2 Deze zwaarte als bedoeld in artikel 3c:1:1:1 wordt, via conversie van de functiescore, tot uitdrukking gebracht door het bepalen van een van de salarisschalen, behorende bij de in artikel 3:1, derde lid, bedoelde bijlagen II of IIa van de CAR, als de bij de functie behorende functionele salarisschaal.. Artikel 3c:1:1:3 Voor de benoeming in c.q. bevordering tot de functionele salarisschaal moet een volledige en goede functie-uitoefening vaststaan. Voor zover benoeming of bevordering niet in of naar de functionele salarisschaal plaatsvindt, vindt de positiebepaling plaats in een aanloopschaal: -bij redelijke functievervulling (groeifase, ontwikkeling): een salarisschaal lager dan de functionele salarisschaal; -bij onbekendheid met de te verrichten werkzaamheden: twee salarisschalen lager dan de functionele salarisschaal. Artikel 3c:1:1:4 Plaatsing in een aanloopschaal dient in principe voor een beperkte periode te gelden. Afhankelijk van de eisen, die de functie stelt en de ontwikkeling van de betreffende medewerker kan dit variëren van enkele maanden tot meerdere jaren. Artikel 3c:1:1:5 vervallen Artikel 3c:1:1:6 Met inachtneming van het hiervoor vermelde vindt bevordering in principe plaats met ingang van het tijdstip, waarop een functie zodanig van aard veranderde, dat de nieuwe waardering van toepassing werd, uiteraard met inachtneming van het gestelde in artikel 3c:1:1:3 inzake de wijze van functievervulling. Bij wijziging van de functiewaardering tengevolge van de invoering van het reglement functieonderzoek gemeente Delft 1986 werkt een bevordering in principe terug tot 1 januari 1986, tenzij duidelijk is dat de functie ook vóór die datum op een hoger niveau gewaardeerd had moeten worden, in welk geval de bevordering terugwerkt tot het moment waarop de functie voor zover is na te gaan op dat hogere niveau gewaardeerd had moeten worden. Artikel 3c:1:1:7 Wanneer op grond van de eerder gevoerde personeelsgesprekken en uit een advies van de systeemdeskundige als bedoeld in artikel 3b:1:1:1 blijkt dat de wijze van functievervulling zodanig is, dat er sprake is van een zodanige blijvende persoonsgebonden uitbouw van de functie, dat deze feitelijk het niveau bereikt van de organieke functies die gewaardeerd zijn met een hogere salarisschaal, kan aan de betreffende medewerker persoonlijk een salarisschaal boven de functionele salarisschaal worden toegekend. Artikel 3c:1:1:8 Bij een door de dienstleiding aangebrachte permanente verandering van een functie of delen van een functie wordt met behulp van het functiewaarderingssysteem als bedoeld in hoofdstuk 3B (dus vanuit een nieuwe functiebeschrijving) vastgesteld of herwaardering van de betreffende functie dient plaats te vinden. Artikel 3c:1:1:9 1.Wanneer na toekenning van een persoonsgebonden salarisschaal boven de functionele salarisschaal (conform het gestelde in artikel 3c:1:1:7) plaatsing in een zwaarder gewaardeerde functie plaats vindt, blijft het gestelde in de artikelen 3c:1:1:3 tot en met 3c:1:1:7 van overeenkomstige toepassing. 2.Hogere waardering van dezelfde functie wordt voor de toepassing van het in het eerste lid gestelde gelijk gesteld met plaatsing in een andere, zwaardere functie. Artikel 3c:1:1:10 vervallen Artikel 3c:1:1:11 Degene, die een salarisschaal heeft die boven de waardering van de functie die hij vervult uitgaat komt niet voor bevordering tot een persoonsgebonden salarisschaal boven de functionele salarisschaal in aanmerking. Artikel 3c:1:1:12 Buitengewone bekwaamheid, geschiktheid of inzet van de ambtenaar kan, zolang hij niet het maximum van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt, met toepassing van artikel 3a:1:1:8 worden gehonoreerd met een versnelling in het doorlopen van die salarisschaal. Een dergelijke versnelling kan eveneens plaatsvinden, indien binnen de functionele rang de salarisverhouding tot vergelijkbare collega’s dit wenselijk maakt. Bij die vergelijking behoort uiteraard ook de wijze van functievervulling in beschouwing te worden genomen. Artikel 3c:1:1:13 Het toekennen van een gratificatie kan worden overwogen wanneer er sprake is van een gedurende een bepaalde, veelal begrensde periode, leveren van een extra inzet of prestatie van duidelijk waarneembare kwalitatieve en/of kwantitatieve omvang. Vergelijkenderwijs moet het “extra” aantoonbaar zijn tegenover collega’s in de directe werkomgeving. Gratificaties belopen een door het college te bepalen normbedrag. Afwijking hiervan is mogelijk naar boven en naar beneden indien daartoe aanleiding bestaat. Beleidsregel 7b Beleidsregel bepalen normbedrag gratificatie voor extra inzet of prestatie Voor het toekennen van een gratificatie als blijk van waardering voor het gedurende een bepaalde, begrensde periode, leveren van een extra inzet of prestatie van duidelijk waarneembare kwalitatieve en/of kwantitatieve omvang, geldt als normbedrag € 500,-- (netto). Hierbij geldt dat de extra inzet of prestatie tegenover collega's in de directe werkomgeving aantoonbaar moet zijn. Indien daartoe aanleiding bestaat kan van dit bedrag naar boven of naar beneden worden afgeweken. Hierbij gelden dan de volgende criteria: ·als blijk van waardering voor een positieve houding (schouderklopje) kan eenmalig een gratificatie van € 125,-- (netto) worden toegekend ·bij een duidelijk aantoonbare extra inzet of prestatie van beperkte omvang kan een gratificatie van € 250,-- (netto) worden toegekend ·als de extra inzet of prestatie van uitzonderlijke aard (kwantitatief en/of kwalitatief) is kan van het normbedrag van € 500,-- naar boven worden afgeweken, waarbij als absolute bovengrens geldt het maandbedrag van het maximumsalaris in de salarisschaal waarin de betrokken ambtenaar is ingeschaald (bruto). Toelichting: in artikel 3c:1:1:13 wordt bepaald, dat voor het toekennen van een gratificatie als hier bedoeld een normbedrag wordt vastgesteld. Gelet op de wenselijkheid van eenheid in de toepassing van deze regeling wordt hierin thans voorzien. Hierbij is aansluiting gezocht bij de in de praktijk gegroeide norm. Artikel 3c:1:1:14 Aan de hand van functiegegevens enerzijds en gegevens uit ontwikkelings-, voortgangs- en beoordelingsgesprekken anderzijds wordt regelmatig aandacht besteed aan loopbaanontwikkeling. Verandering van functie in horizontale (gelijkwaardige) of in verticale (zwaardere, eventueel ook lichtere) zin moet mogelijk zijn, teneinde de mobiliteit van het personeel als geheel te bevorderen. Artikel 3c:1:1:15 Zij die zich op 1 oktober 1986 reeds in de op 30 september 1986 geldende hoogste functierang (functionele salarisschaal) waren ingeschaald behouden het op laatstgenoemde datum bestaande uitzicht op de uitlooprang (naasthogere salarisschaal) conform de daarvoor tot die datum geldende regels. Indien deze betrokkene op grond van de waardering volgens het nieuwe functiewaarderingssysteem van hun huidige of toekomstige functie aanspraak kunnen maken op een hogere rang/salarisschaal dan hun rang/salarisschaal op 30 september 1986 vervalt het recht op de oude uitlooprang (naasthogere salarisschaal). Artikel 3c:1:1:16 De salarisschalen 10a en 11a, genoemd in bijlage II en bijlage IIa, behorende bij de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, worden slechts gebruikt -voor degenen, die hierin op 1 oktober 1986 in de uitlooprang zijn ingeschaald, -als uitlooprang voor degenen die op grond van het bepaalde in artikel 3c:1:1:15 het uitzicht behouden op de uitlooprang, als deze schaal de naasthogere salarisschaal is, -als naasthogere salarisschaal op persoonlijke titel als bedoeld in artikel 3c:1:1:7 -het collegeheeft , -als aanloopschaal als bedoeld in artikel 3c:1:1:3 HOOFDSTUK 3D VERGOEDING WACHTDIENSTEN Artikel 3d:1:1:1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: –ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1:1:2, met uitzondering van het personeel, bedoeld in het eerste lid van artikel 9:9:1, sub b; –wachtdienst: de verplichting van de ambtenaar om zich, indien dit in het belang van de dienst door het college nodig wordt geacht, buiten de voor zijn betrekking vastgestelde werktijd ter beschikking te houden. Artikel 3d:1:1:2 De ambtenaar ontvangt voor de uren, doorgebracht in wachtdienst, een compensatie in verlof. Artikel 3d:1:1:3 1.De compensatie, bedoeld in artikel 3d:1:1:2, bedraagt per uur wachtdienst: -doorgebracht op zaterdagen, zondagen en daarmee op grond van het derde lid van artikel 4:2:1 gelijkgestelde dagen 1/8 uur -doorgebracht op overige dagen 1/16 uur. 2.De in het eerste lid bedoelde compensatie wordt met 50% verhoogd indien de ambtenaar gedurende de wachtdienst verplicht aan zijn woning gebonden is. 3.Het verlof, berekend overeenkomstig het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt door het college verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip, gelegen zo mogelijk binnen twee weken, doch uiterlijk binnen zes weken na de week, waarin de wachtdienst is verricht. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen naar het oordeel van het college niet verzetten, wordt het verlof verleend – zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin van dit lid – op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. 4.Indien naar het oordeel van het college het verlof, berekend overeenkomstig het bepaalde in het eerste en tweede lid, niet of niet geheel kan worden verleend overeenkomstig het bepaalde in het derde lid, wordt aan de ambtenaar voor elk niet verleend uur van dat verlof een vergoeding in geld toegekend gelijk aan zijn uurloon. Artikel 3d:1:1:4 1.Indien tijdens de wachtdienst ingevolge daartoe door of namens het college verstrekte opdracht werkzaamheden worden verricht, ontvangt de ambtenaar daarvoor, naast de compensatie, bedoeld in artikel 3d:1:1:2, een vergoeding. Deze vergoeding wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:2:
  17. Het bepaalde in het zesde en het zevende lid van artikel 3:2:1 blijft daarbij buiten toepassing. 2.Voor de vaststelling van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van de tijd, gedurende welke de werkzaamheden zijn verricht, vermeerderd met de werkelijke reistijd, naar boven afgerond op volle uren. Artikel 3d:1:1:5 1.Voor zover nodig in afwijking van het bepaalde in de vorige artikelen wordt aan de ambtenaar, die op de datum van inwerkingtreding van deze regeling 60 jaar of ouder is, indien hij dat wenst voor het verrichten van wachtdiensten een compensatie in geld toegekend overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 3d:1:1:3, echter per maand ten hoogste tot het bedrag, dat hij in de periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van deze regeling, gemiddeld per maand als vergoeding voor het verrichten van wachtdiensten heeft genoten. 2.Voor de ambtenaar die een in de in artikel 8:3 bedoelde regeling vermelde betrekking vervult, wordt in het eerste lid in plaats van “60 jaar” gelezen “55 jaar”. HOOFDSTUK 3F BEDRIJFSHULPVERLENING Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 3f:1:1:1 1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.EHBO-er: degene, niet zijnde een bedrijfshulpverlener, voor wie het bezit van een geldig EHBO-diploma geen functie-eis is, maar vanuit een oogpunt van dienstbelang wenselijk wordt gevonden; b.bedrijfshulpverlener: de ambtenaar, werkzaam bij de gemeente Delft, die bij besluit van het college is aangewezen om conform artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet hulp in of rond de gemeentelijke gebouwen te verlenen met een of meer van de volgende taken: -bedrijfshulpverlener; -assistent-ploegleider; -ploegleider; -coördinator bedrijfshulpverlening; -hoofd bedrijfshulpverlening. c.BHV: bedrijfshulpverleningsorganisatie van de gemeente Delft; 2.Voor zolang de bedrijfshulpverlener nog in opleiding is, is deze aspirant-bedrijfshulpverlener. 3.Een bedrijfshulpverlener kan tevens met leidinggevende taken op het terrein van de BHV worden belast. Paragraaf 2 EHBO Criteria voor EHBO-werkzaamheden Artikel 3f:1:1:2 1.De EHBO-er voert naast zijn werkzaamheden die voortvloeien uit de betrekking waarin hij is aangesteld de EHBO-taken naar behoren uit. 2.Er is sprake van naar behoren uitvoeren van de EHBO-taken naast de reguliere werkzaamheden als de EHBO-er voldoende inzetbaar is geweest voor het verlenen van eerste hulp, bestaande uit EHBO en reanimatie, aan personen. Daartoe dient de EHBO-er: -in het bezit te zijn van het Eenheidsdiploma-EHBO met de aantekening verbandleer en reanimatie van het Oranje Kruis; -gebruik te maken van de uitrusting die bij de betreffende taak hoort. Vergoedingen voor het bezit van het EHBO-diploma Artikel 3f:1:1:3 1.Indien de EHBO-er heeft voldaan aan de in het tweede lid van artikel 3f:1:1:2 gestelde criteria, wordt hiervoor maandelijks een toelage toegekend. Het brutobedrag van deze toelage wordt door het college vastgesteld in een bij de bezoldigingsregeling vast te stellen bijlage. 2.In geval het bezit van het diploma een functie-eis is, maar dat aspect van de functiebeschrijving niet heeft geleid tot een hogere functie-inpassing, wordt aan de betreffende EHBO-er, onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het eerste lid, de daarin bedoelde toelage toegekend. Paragraaf 3 Bedrijfshulpverlening Artikel 3f:1:1:4 1.Aanwijzing als aspirant-bedrijfshulpverlener of aanwijzing als bedrijfshulpverlener voor onbepaald tijd wordt schriftelijk door het college verleend. 2.In de aanwijzing wordt in ieder geval vermeld: a. de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, adres en woonplaats van de bedrijfshulpverlener; b. de dienst waar de (aspirant)bedrijfshulp werkzaam is; c. de BHV-locatie, de taak bij de BHV en de datum met ingang van waarvan hij wordt aangewezen voor de taak bij de BHV. 3.Intrekking van het besluit tot aanwijzing als (aspirant)bedrijfshulpverlener door het college vindt plaats: a. op schriftelijk verzoek van de (aspirant)bedrijfshulpverlener; b. indien de bedrijfshulpverlener niet meer in het bezit is van een geldig BHV-diploma; c. indien het hoofd Bedrijfshulpverlening hem niet meer in staat acht op adequate wijze zijn taak uit te voeren; d. bij schorsing of ontslag van de ambtenaar. Artikel 3f:1:1:5 1.De bedrijfshulpverlener voert naast zijn werkzaamheden die voortvloeien uit de betrekking waarin hij is aangesteld de bedrijfshulpverleningstaken naar behoren uit. 2.Er is sprake van naar behoren uitvoeren van de werkzaamheden als de bedrijfshulpverlener voldoende inzetbaar is geweest voor de uitoefening van deze taken. Dat is het geval indien: a.de (aspirant)hulpverlener voldoende inzetbaar is geweest voor de primaire bedrijfshulpverlening zoals: -het verrichten van levensreddende handelingen; -het bestrijden van branden met kleine blusmiddelen; -het afvoeren van gewonden, het begeleiden van personen in geval van ontruiming en het controleren van gebouwen op de aanwezigheid van personen. Daartoe dient de bedrijfshulpverlener: -in het bezit te zijn van het basisdiploma bedrijfshulpverlener van een door het college aangewezen exameninstituut dat daartoe gecertificeerd is; -jaarlijks de gebouwgebonden instructie inclusief de ontruimingsinstructie te volgen; -gebruik te maken van de uitrusting die bij de betreffende taak hoort; -te handelen conform de daarvoor door het college verstrekte instructies. b.de assistent-ploegleider voldoende inzetbaar is geweest voor één van de taken genoemd onder a. en bovendien op een bepaalde locatie leiding heeft gegeven aan één of meerdere leden van de bedrijfshulpverleningsorganisatie en bij calamiteiten als leidinggevende heeft geopereerd. Daartoe dient de assistent-ploegleider: -in het bezit te zijn van het diploma ploegleider van een door het college aangewezen exameninstituut dat daartoe gecertificeerd is; -jaarlijks de gebouwgebonden instructie inclusief de ontruimingsinstructie te volgen; -gebruik te maken van de uitrusting die bij de betreffende taak hoort; -te handelen conform de daarvoor door het college verstrekte instructies. c.de ploegleider voldoende inzetbaar is geweest voor één van de taken genoemd a. en bovendien leiding heeft gegeven aan meerdere leden van de bedrijfshulpverleningsorganisatie, eventueel verspreid over meerdere locaties en bij calamiteiten als leidinggevende heeft geopereerd. Daartoe dient de ploegleider: -in het bezit te zijn van het diploma ploegleider van een door het college aangewezen exameninstituut dat daartoe gecertificeerd is; -jaarlijks de gebouwgebonden instructie inclusief de ontruimingsinstructie te volgen; -gebruik te maken van de uitrusting die bij de betreffende taak hoort; -te handelen conform de daarvoor door het college verstrekte instructies. d.de coördinator bedrijfshulpverlening voldoende inzetbaar is geweest voor het in geval van een calamiteit fungeren als aanspreekpunt van de leden van de bedrijfshulpverleningsorganisatie. e. het hoofd bedrijfshulpverlening voldoende inzetbaar is geweest voor: -het dagelijks leiding geven aan de bedrijfshulpverleningsorganisatie; -het in geval van een calamiteit fungeren als aanspreekpunt van de ploegleiders. 3.De bedrijfshulpverlener is voldoende inzetbaar, indien de bedrijfshulpverlener zich gedurende een jaar verdienstelijk maakt op het terrein van de bedrijfshulpverlening, conform het in artikel 3f:1:1:5, tweede lid, per taak binnen de BHV-organisatie bepaalde, hetgeen blijkt uit het met gunstig gevolg afleggen van een proef van bekwaamheid inclusief het bijgewoond hebben van de gebouwgebonden instructie. 4.Het college ziet, op voordracht van het hoofd bedrijfshulpverlening, toe op de inzetbaarheid voor de aangewezen taak. 5.BHV-curssussen, -herhalingslessen en -oefeningen worden zoveel mogelijk tijdens de normale bedrijfstijd gehouden. Vergoeding voor BHV-activiteiten Artikel 3f:1:1:6 1.Indien de bedrijfshulpverlener heeft voldaan aan de voor hem geldende criteria van artikel 3f:1:1:4 en tijdig mutaties in zijn omstandigheden betreffende de BHV doorgeeft ontvangt de bedrijfshulpverlener een toelage. De toelage bestaat uit een basisgratificatie en – indien aan de nadere voorwaarden wordt voldaan – een taaktoeslag, een toeslag wegens langdurige deelname, een BHV-uurvergoeding en eventueel een gratificatie wegens buitengewone prestaties. De in dit artikel bedoelde bedragen zijn brutobedragen. 2.De toelage als bedoeld in het eerste lid wordt eenmaal per jaar, in de maand januari van het jaar volgend op het jaar waarin de werkzaamheden hebben plaatsgevonden, betaalbaar gesteld. Indien de hoogte van de vergoeding lopende het jaar wijzigt, wordt de basisgratificatie over het jaar berekend op maandbasis. 3.Het bedrag van de basisgratificatie als bedoeld in het eerste lid wordt door het college vastgesteld in een bij de bezoldigingsregeling vast te stellen bijlage. 4.Het bedrag van de taaktoeslag als bedoeld in het eerste lid voor een leidinggevende als bedoeld in het tweede lid van artikel 3f:1:1:5 onder b., c., d. of e. wordt door het college vastgesteld in een bij de bezoldigingsregeling vast te stellen bijlage. 5.Wegens langdurig deelnemerschap wordt eenmaal in de vijf jaren, voor het eerst na een 5-jarig deelnemerschap een jubileumgratificatie tot een door het college in de bezoldigingsregeling vast te stellen bijlage genoemd bedrag toegekend. 6.Indien de voorgeschreven BHV-activiteiten buiten de voor de betreffende BHV-er vastgestelde werktijd plaatsvinden, wordt hiervoor aan betrokkene een vergoeding toegekend. Deze vergoeding wordt berekend op basis van het aantal voor BHV-werkzaamheden buiten de vastgestelde werktijd bestede uren, op basis van het salaris per uur behorende bij het maximum van salarisschaal
  18. De vergoeding wordt vermeerder met 75% voor BHV-activiteiten verricht op zaterdag en met 100% voor BHV-activiteiten verricht op zondag. 7.Aan een BHV-er die naar het oordeel van het college een buitengewone prestatie voor de bedrijfshulpverlening heeft geleverd, kan een gratificatie worden toegekend, minimaal gelijk aan het bedrag dat door het college ter uitvoering van het vijfde lid is vastgesteld. 8.Alle in dit artikel genoemde vergoedingen komen ten laste van de dienst waar de desbetreffende BHV-er werkzaam is. Aansprakelijkheid Artikel 3f:1:1:7 1.Bij BHV-activiteiten geldt dat de schade die de bedrijfshulpverlener of aspirant-bedrijfshulpverlener ondervindt als gevolg van een dienstongeval voor rekening van de gemeente Delft komt, indien de (aspirant)bedrijfshulpverlener zich aan de voorgeschreven veiligheidsvoorschriften heeft gehouden en de schade niet te wijten is aan zijn grove schuld of onvoorzichtigheid. 2.Indien de bedrijfshulpverlener in het kader van BHV-activiteiten ondeskundig of onrechtmatig handelt, is de schade dientengevolge jegens derden voor rekening van de gemeente Delft. Dit laat onverlet het bepaalde in artikel 15:1:
  19. HOOFDSTUK 4 ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN Artikel 4:1 1.Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen op een andere omvang dat de formele arbeidsduur per week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden overschreden. 2.De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. 3.Bij de brandweer en de wat de van toepassing zijnde dienstroosters betreft daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het tweede lid afwijkende afspraken worden overeengekomen, met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing blijft. Artikel 4:2 1.In een nader door het college vast te stellen regeling worden algemene regels omtrent de werktijden vastgesteld. Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor een rooster opgesteld. 2.Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen: a.dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is; b.dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar bekend worden gemaakt; c.dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken; d.dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3, derde lid te ontwijken. 3.Bij de brandweer, en wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen. Beleidsregel 9 1.Voor wat betreft het bepalen van de werktijden op basis van het aantal krachtens aanstelling te werken uren bestaan veel varianten, die in twee hoofdgroepen uiteen vallen, te weten: a.Een feitelijke werkweek van 36 uur met vaste werktijden, bijvoorbeeld -4 dagen van negen uur, met een vaste vrije dag; -5 dagen van 7,2 uur met vaste begin- en eindtijden, dan wel binnen een systeem van variabele werktijden; -4 dagen van acht uur en een dag van vier uur, met een vaste vrije halve dag; -binnen een systeem van variabele werktijden overigens een werktijd van 36 uur per week, met een variabele arbeidsduur per dag. Deze hoofdgroep kent geen roosters. Als een dergelijke werktijdregeling wordt ingevoerd, bestaat er ook geen roostervrije tijd. Verplichte opname van roostervrije tijd is dan ook niet mogelijk. b.Een werkweek van gemiddeld 36 uur per week of een werkweek van 36 uur met wisselende werktijden en wisselende roostervrije tijd. In deze hoofdgroep is altijd sprake van een rooster, waarin de werktijden en de roostervrije tijden worden vastgelegd. Dit kan bijvoorbeeld: -4 dagen van negen uur, met een verspringende roostervrije dag -4 dagen van acht uur en een dag van vier uur, met een verspringende roostervrije ochtend-/middagperiode van vier uur. -een week (of meerdere weken) met een werktijd van veertig uur, gevolgd door een week (of meerdere weken) met een werktijd van 32 uur en roostervrije tijd (die al of niet wisselend kan worden ingepland, aaneengesloten op in uren). Voorbeeld hiervan is een zomer- en een winterrooster. Als er sprake is van een rooster, kunnen dagen, waarop de dienst (geheel of gedeeltelijk) gesloten is, ingeroosterd worden. 2.Bij 1.a noch bij 1.b kan sprake zijn van vrij opneembare “adv-dagen” (nog los van het feit, dat die dagen met ingang van 1 januari 1997 niet meer bestaan). Bij 1.a. niet, omdat de feitelijke werkweek gelijk is aan het aantal uren volgens de aanstelling, bij 1.b. niet omdat de roostervrije tijd moet worden ingeroosterd. In geval van ziekte tijdens roostervrije tijd wordt geen vervangende roostervrije tijd ingeroosterd. De diensthoofden zien er op toe, dat deze regel in alle gevallen gehanteerd wordt. 3.De feitelijke werktijd, al dan niet volgens rooster, bedraagt per jaar gemiddeld 1836 uur (exclusief vakantieverlof). 4.Per dienstonderdeel (afdeling), kan worden bepaald op welke wijze vakantieverlof kan worden opgenomen. Belangrijkste afspraak daarbij is hoe lang van tevoren vakantieverlof moet worden aangemeld i.v.m. het rooster. Het vakantieverlof wordt in uren toegekend (aantal vakantiedagen per jaar x 7,2; deeltijders naar evenredigheid van de omvang van hun betrekking) en verleend. Bij vakantie moeten zo veel uren vakantieverlof worden opgenomen als er volgens rooster in de vakantieperiode hadden moeten worden gewerkt. 5.Erkend wordt, dat de tot 1 januari 1997 bestaande adv-dagen in veel gevallen als normale verlofdagen worden beschouwd, ook wat de mogelijkheden tot opname ervan betreft. Om die reden is bij de invoering van de 36-urige werkweek besloten, dat in de gevallen waarin volgens rooster wordt gewerkt, voor het jaar 1997 de hoeveelheid tijd, overeenkomend met 6 gemiddelde werkdagen (dat is dus 6 x 7,2 uur) bij het vakantieverlof wordt gevoegd. Die tijd is dus vrij opneembaar, volgens de regels van vakantieverlof (zie 4). 6.Niet iedereen beschikt over roostervrije dagen (zie 1.a). Verplichte bedrijfssluiting betekent voor die categorie hetzij de verplichting vakantieverlof in te leveren, hetzij op andere dagen de benodigde uren extra te werken. 7.Voor verplichte gemeentebrede sluiting op bepaalde dagen (b.v. op de zogenaamde brugdagen) zal een nader besluit van het college nodig zijn. Vast staat dat sommige bedrijfsonderdelen op die dagen niet kunnen (omdat b.v. het huisvuil moet worden opgehaald) of mogen (b.v. omdat dat wettelijk niet is toegestaan) sluiten. Sommige diensten huldigen het standpunt, dat juist op die dagen de burger “zijn zaakjes” bij de gemeente wil regelen. Wel kunnen per dienst, in overleg met de ondernemingsraad, afspraken gemaakt worden over het aanwijzen van zogenaamde brugdagen. 8.Gemeentebreed geldt een bedrijfstijd op maandag tot en met vrijdag van 08.30 tot 17.00 uur. Als buiten die tijd, in het bijzonder voor 08.00 uur wordt gewerkt, is dat onvermijdelijk of op vrijwillige basis. 9.De openstelling van de diensten voor het publiek is productgebonden. Als het bedrijfsproces/-product zich daartoe leent, is de openstelling voor het publiek op vrijdagavond van 18.00 tot 21.00 uur (en/of, onder dezelfde conditie, op zaterdagochtend gedurende een periode van maximaal drie uur). Toelichting: Bij de invoering van de 36-urige werkweek, per 1 januari 1997, was het wenselijk een aantal gemeentebrede afspraken te maken over de wijze waarop aan deze arbeidsduur vorm kan worden gegeven en de voorwaarden waaronder. De op dat moment met de vakorganisaties overeengekomen spelregels zijn in deze bijlage ongewijzigd overgenomen. Artikel 4:2:1 1.Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt voorts zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. 2.Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. 3.Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd. 4.Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten. 5.Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert overeenkomstige toepassing, indien hij een daartoe strekkende aanvraag heeft ingediend. Beleidsregel 10 In artikel 4:2:1 van de Uitwerkingsregeling rechtspositie is bepaald, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. In verband hiermee is in het derde lid van dit artikel een aantal – christelijke – feestdagen genoemd als zijnde dagen, waarop in principe niet gewerkt hoeft te worden. Voorop staat, dat religieuze rust- en feestdagen zoveel mogelijk geëerbiedigd worden. Wanneer een werkne(e)m(st)er tijdig aangeeft een verlofdag te willen opnemen voor de viering van een voor hem belangrijke religieuze feestdag, dient aan dit verzoek in principe voldaan te worden. Alleen in geval te verwachten valt dat door inwilliging van een verzoek als hiervoor bedoeld het dienstbelang ernstig wordt geschaad zal hiervan afgeweken kunnen worden. Toelichting: De regels rond het zoveel mogelijk gelegenheid geven om de zondagsrust in acht te nemen en kerkelijke feestdagen te vieren dateren uit een tijd, dat er nog nauwelijks sprake was van een multiculturele maatschappij. Ook degenen die een niet-christelijke religie aanhangen dienen zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld te worden aan hun religieuze plichten te voldoen. Dit mag niet leiden tot extra verlof (ook voor hen bestaat het recht op verlof op een aantal christelijke feestdagen). Voorop staat, dat betrokkenen zoveel mogelijk tegemoet gekomen worden om aan hun religieuze plichten te kunnen voldoen. Beleidsregel 11 Goede vrijdag en 5 mei zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten. Toelichting: Naast de in het derde lid van artikel 4:2:1 genoemde feestdagen kunnen ook nog andere kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen worden aangewezen als dagen waarop de gemeente is gesloten. In het verleden zijn hiervoor al Goede Vrijdag en 5 mei aangewezen. Artikel 4:2:2 Indien door de ambtenaar als bedoeld in artikel 3:3 arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking gesteld tot een aantal uren gelijk aan dat, waarop op bedoelde zaterdag of zondag arbeid is verricht. Opgebouwd verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid Artikel 4:3 1.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a.opgebouwde verloftegoed: het voor l april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; b.kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. 2.Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode. 3.De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan. 4.In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwd verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 5.In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8, 8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 6.Ingeval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed. 7.In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid. 8.In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 9.In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed. 10.Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. Beleidsregel 11a Voor degenen die zijn geboren vóór 1950 geldt dat vóór 1 april 2006 gemaakte afspraken inzake verlofsparen ongewijzigd zullen worden voortgezet en dat deze groep werknemers op basis van en onder de voorwaarden van de verlofspaarregeling zoals die gold tot 1 april 2006 ook in de toekomst nog gebruik kan maken van die regeling. Toelichting: voor deze groep biedt de levensloopregeling geen mogelijkheid om verlof te sparen. HOOFDSTUK 4A UITWISSELEN VAN ARBEIDSVOORWAARDEN Vakantie-uren uitwisselen tegen geld Artikel 4a:1 1.De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie – als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid – te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid. 2.Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren – na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum. 3.Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal uur. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 4.Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 5.Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk de op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Geld uitwisselen tegen vakantie-uren Artikel 4a:2 1.De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie – als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid – te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid. 2.Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal uur. Voor de ambtenaar die is aangest

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.