← Nederland

Besluit van provinciale staten van Zeeland houdende vaststelling Omgevingsverordening Zeeland 2018 (Zeeland)

Kort gezegd

Deze wet, de Omgevingsverordening Zeeland 2018, stelt algemene regels vast voor de fysieke leefomgeving in de provincie Zeeland, ter uitvoering van provinciaal beleid en wettelijke verplichtingen. Het doel is om een samenhangend en doelmatig beheer van ruimte, milieu, water, wegen, vaarwegen en natuur te waarborgen.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Besluit van provinciale staten van Zeeland houdende vaststelling Omgevingsverordening Zeeland 2018Besluit van provinciale staten van Zeeland van 21 september 2018, kenmerk 18923578, houdende vaststelling van de Omgevingsverordening Zeeland

  1. Provinciale staten van Zeeland, gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 14 augustus 2018, nr. 18021155; gelet op de artikelen 143 en 145 van de Provinciewet; gelet op artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht; gelet op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening; gelet op artikel 1.2, 1.3 en 5.5 van de Wet milieubeheer; gelet op de artikelen 2.1, 2.4, 2.8, 3.2, 3.10 en 3.11 van de Waterwet; gelet op artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet; gelet op artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2A van de Wegenverkeerswet 1994; gelet op de artikelen 2.9, derde lid, 3.3, tweede lid, 3.4, tweede lid, 3.8, tweede lid, 3.9, tweede lid, 3.10, tweede lid, 3.12, negende lid, 3.14, tweede lid, 3.15, derde lid en vierde lid, 3.25, eerste, tweede en vierde lid, 3.26, derde lid, 4.2, tweede lid, 4.3, derde lid, 4.5, vierde lid en 6.1 van de Wet natuurbescherming; gelet op artikel 5, tweede lid, gelet op de raadpleging van de Provinciale Commissie Omgevingsbeleid van Zeeland van 22 september 2017; gelet op het advies van de gezamenlijke Statencommissie Ruimte en Economie van 31 augustus 2018; overwegende dat het wenselijk is ter uitvoering en doorwerking van het provinciale ruimtelijke beleid in het gemeentelijk ruimtelijk beleid algemene regels vast te stellen als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening; overwegende dat Provinciale Staten ter bescherming van het milieu regels bij verordening dienen vast te stellen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in grondwaterbeschermingsgebieden en regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in stiltegebieden; Overwegende dat het wenselijk is ter bescherming van het milieu dat Provinciale Staten regels stellen ten aanzien van onderwerpen die van meer dan gemeentelijk belang zijn en als zodanig niet op lokaal niveau thuis horen. Het betreft regels over gebruik van gesloten stortplaatsen, onderwater flora en fauna, aangewezen industrieterreinen Overwegende dat Provinciale Staten, in afstemming met het waterschap, bij verordening normen dienen te stellen met betrekking tot de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren die in beheer zijn bij het waterschap moeten zijn ingericht overwegende dat, het met het oog op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer en gelet op de doelstellingen als bedoeld in artikel 2.1 van de Waterwet, wenselijk is een aantal regels vast te stellen omtrent besluiten van het waterschap en te verstrekken informatie; Overwegende dat het wenselijk is dat provinciale staten regels stellen met betrekking op de openbare wegen en vaarwegen in Zeeland die in beheer zijn bij de provincie betreffende het onderhoud en het beheer van die wegen en vaarwegen; Overwegende dat het wenselijk is dat Provinciale Staten regels stellen overwegende dat het Besluit van 9 februari 2016 houdende de wijziging van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 in verband met vrijstelling van de vergunningplicht voor het weiden van vee en gebruiken van meststoffen met ingang van 1 januari 2017 is vervallen; overwegende dat het wenselijk is de vrijstelling van de vergunningplicht voor het weiden van vee en het gebruiken van meststoffen voort te zetten; overwegende dat het Besluit Faunabeheer met ingang van 1 januari 2017 is vervallen en dat het wenselijk is de regels uit het Besluit Faunabeheer voort te zetten ter borging van de continuïteit van de faunabeheereenheid en faunabeheerplannen en tevens aanvullend regels te stellen; overwegende dat Provinciale Staten regels dienen te stellen waaraan faunabeheereenheden, wildbeheereenheden en het door de faunabeheereenheid vast te stellen faunabeheerplan dienen te voldoen; overwegende dat het wenselijk is om ten behoeve van diverse activiteiten vrijstelling te verlenen van de algemene beschermingsbepalingen voor beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming; overwegende dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten; overwegende dat het wenselijk is dat Provinciale Staten regels vaststellen ten aanzien van houtopstanden; overwegende dat het wenselijk is dat Provinciale Staten regels stellen aan de uitvoering van het verlenen van tegemoetkomingen in schade aangericht door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming; overwegende dat het wenselijk is dat Provinciale Staten regels stellen ter voorkoming van overlast (Distelbeheer); overwegende dat het wenselijk is dat Provinciale Staten regels stellen ter bescherming van het landschapsschoon; overwegende dat het wenselijk is om voor een aantal aan te duiden categorieën ontgrondingen vrijstelling te verlenen van de vergunningenplicht voor ontgrondingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet; besluiten vast te stellen de navolgende Omgevingsverordening Zeeland
  2. Inhoudsopgave ALGEMENE TOELICHTING
  3. Algemeen 1.1 Ambitie en bestuursfilosofie van de Provincie Zeeland 1.2 Status van de Omgevingsverordening 1.3 Digitale vastlegging 1.4 Rechtsbescherming 1.5 Opbouw van de Omgevingsverordening 1.6 Omgevingswet
  4. Hoofdstuksgewijs 2.1 Ruimte 2.2 Milieu 2.3 Water 2.4 Wegen en vaarwegen 2.5 Natuur 2.6 Distelbeheer 2.7 Landschapsbescherming 2.8 Ontgrondingen 2.9 Toezicht en strafbepaling 2.10 Overgangs- en slotbepalingen REGELS HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN HOOFDSTUK 2 RUIMTE AFDELING 2.1 ALGEMEEN AFDELING 2.2 BEDRIJVEN AFDELING 2.3 WONEN AFDELING 2.4 DUURZAME ENERGIE AFDELING 2.5 VERBLIJFSRECREATIE AFDELING 2.6 AGRARISCH AFDELING 2.7 LAWAAISPORTEN, GEMOTORISEERDE LUCHTSPORTEN EN LANDINGSPLAATSEN AFDELING 2.8 WATERKERINGEN AFDELING 2.9 NATUUR EN LANDSCHAP AFDELING 2.10 MOLENBIOTOOP AFDELING 2.11 SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK 3 MILIEU AFDELING 3.1 ALGEMEEN AFDELING 3.2 ALGEMEEN PROVINCIAAL MILIEUBELEID AFDELING 3.3 VOORKOMEN EN BEPERKEN VAN GELUIDHINDER AFDELING 3.4 GRONDWATERBESCHERMING MET HET OOG OP DE WATERWINNING AFDELING 3.5 BODEMSANERING AFDELING 3.6 ONTHEFFINGEN AFDELING 3.7 VERGOEDING VAN KOSTEN EN SCHADE HOOFDSTUK 4 WATER AFDELING 4.1 ALGEMENE BEPALINGEN AFDELING 4.2 OPPERVLAKTEWATER AFDELING 4.3 GRONDWATER AFDELING 4.4 WATERVEILIGHEID AFDELING 4.5 INFORMATIE EN OVERLEG HOOFDSTUK 5 WEGEN EN VAARWEGEN AFDELING 5.1 ALGEMEEN AFDELING 5.2 WEGEN AFDELING 5.3 VAARWEGEN HOOFDSTUK 6 NATUUR AFDELING 6.1 BEGRIPSBEPALINGEN AFDELING 6.1a KERNKWALITEIT DUISTERNIS AFDELING 6.2 VRIJSTELLING BEWEIDEN EN BEMESTEN AFDELING 6.3 FAUNABEHEEREENHEDEN AFDELING 6.4 FAUNABEHEERPLANNEN AFDELING 6.5 WILDBEHEEREENHEDEN AFDELING 6.6 VRIJSTELLING SOORTEN AFDELING 6.7 TEGEMOETKOMINGEN FAUNASCHADE AFDELING 6.8 HOUTOPSTANDEN AFDELING 6.9 BIJZONDERE SITUATIES AFDELING 6.10 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK 7 DISTELBEHEER HOOFDSTUK 8 LANDSCHAPSBESCHERMING AFDELING 8.1 BEGRIPSBEPALINGEN AFDELING 8.2 ALGEMENE BEPALINGEN AFDELING 8.3 VRIJSTELLINGEN AFDELING 8.4 BIJZONDERE SITUATIES HOODSTUK 9 ONTGRONDINGEN HOOFDSTUK 10 TOEZICHT EN STRAFBEPALING HOOFDSTUK 11 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN AFDELING 11.1 OVERGANGSRECHT AFDELING 11.2 SLOTBEPALINGEN BIJLAGEN BIJ REGELS Overige bijlagen Kaartbijlagen TOELICHTING OP REGELS ALGEMENE TOELICHTING 1.Algemeen 1.1 Ambitie en bestuursfilosofie van de Provincie Zeeland Ambitie De provincie Zeeland heeft het Omgevingsplan Zeeland 2018 (hierna Omgevingsplan) vastgesteld als opvolger van het Omgevingsplan Zeeland 2012-
  5. In de geest van de nieuwe Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding 1 januari 2021) is het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd en daar waar nodig geactualiseerd in dit integrale Omgevingsplan. Het Omgevingsplan omvat onderstaande (wettelijke) plannen: Omgevingsplan Zeeland (structuurvisie Wro, Millieubeleidsplan en Waterplan) Natuurvisie Mobiliteitsvisie Kustvisie Economische agenda Cultuurnota Zolang de nieuwe Omgevingswet nog niet in werking is, moet de Provincie zich houden aan de huidige wetgeving. Met het vaststellen van de opvolger van het Omgevingsplan 2012-2018 is getracht om, daar waar mogelijk, rekening te houden met de komende Omgevingswet. Dit zijn eerste bescheiden stappen in een omvangrijker traject richting de Omgevingswet: Alle provinciale beleidsvisies over de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd en krijgen de titel Omgevingsplan Zeeland 2018 In het plan zijn doelen en ambities voor de lange termijn opgenomen Het plan is minder gedetailleerd dan de huidige beleidsplannen en uitvoeringsacties zullen in aparte programma's worden ondergebracht In het plan en daaruit volgende Omgevingsverordening is meer flexibiliteit ingebouwd. Parallel aan het opstellen van het Omgevingsplan wordt met medeoverheden en andere externe partijen een structuur opgezet om in 2021 geheel te kunnen werken volgens de uitgangspunten en systematiek van de Omgevingswet. Daarbij zal ook duidelijk worden hoe een provinciale Omgevingsvisie onder de Omgevingswet er uit kan gaan zien. Bestuursfilosofie De Provincie heeft verschillende rollen binnen samenwerkend Zeeland waarmee zij haar ambities uit het Omgevingsplan realiseert. Voor zover dat past in het wettelijk kader gaat de Provincie uit van de filosofie uit de Omgevingswet, namelijk het denken van 'nee, tenzij' naar 'ja, mits' en het hanteren van loslaten en vertrouwen. Daar passen vier rollen bij: De Provincie als normsteller Gebiedsgerichte regisseursrol en kwaliteitsbewaker. De ondernemende Provincie. Stimulerende rol, de Katalysator van processen. De verbindende Provincie. Kennismakelaar en vindingrijke partner. De inspirerende Provincie. In het kader van de normerende rol zetten we de Omgevingsverordening in voor die onderwerpen waarvoor de Provincie eraan hecht dat doorwerking van het beleid van het Omgevingsplan juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in het Omgevingsplan is verwoord. De Omgevingsverordening voorziet ten opzichte van het Omgevingsplan dus niet in nieuw beleid. Ook regelen we niet meer dan noodzakelijk is. De inzet van de verordening beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of noodzakelijk is om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Dubbelingen met andere regelgeving vermijden we. Wat elders geregeld is, bijvoorbeeld in sectorale wet- en regelgeving, wordt niet nog eens geregeld in deze verordening om extra regeldruk te voorkomen. Het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' is toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in deze verordening. Waar mogelijk zijn afwijkmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Ook is zoveel mogelijk gekozen voor positief geformuleerde voorwaarden. In enkele gevallen was het niet goed mogelijk om een bepaling te formuleren als een 'ja, mits-constructie' en is een bepaling voor de benodigde juridische helderheid toch geformuleerd als een 'nee, tenzij-constructie'. Om te voorkomen dat procedures nodeloos ingewikkeld worden, is afgezien van de mogelijkheid om rechtstreeks werkende bepalingen op te nemen. Artikel 4.1 lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening biedt die mogelijkheid in de vorm van regels die moeten voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening in werking is getreden die is aangepast op de inhoud van deze verordening. Er is dus geen sprake van rechtstreeks werkende bepalingen waaraan bouwaanvragen getoetst zouden moeten worden zolang bestemmingsplannen niet zijn aangepast. 1.2 Status van de Omgevingsverordening De Omgevingsverordening richt zich – net zo breed als het Omgevingsplan – op de fysieke leefomgeving in de Provincie Zeeland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem. De Omgevingsverordening Zeeland 2018 heeft de status van: Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.
  6. Wet ruimtelijke ordening Milieuverordening in de zin van artikel 1.2 Wet milieubeheer Waterverordening in de zin van artikel 2.4 van de Waterwet en artikel 2 Scheepvaartsverkeerwet Wegenverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2A van de Wegenverkeerswet 1994 Verordening Wet natuurbescherming Zeeland in de zin van de Wet natuurbescherming Distelverordening in de zin van artikel 145 en 150 Provinciewet Landschapsverordening in de zin van artikel 145 Provinciewet Ontgrondingenverordening in de zin van artikel 5, lid 2 en artikel 7, lid 2 Ontgrondingenwet 1.3 Digitale vastlegging Ingevolge artikel 1.2.
  7. Besluit ruimtelijke ordening dient de verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening langs elektronische weg beschikbaar te worden gesteld. Dit dient te geschieden volgens een bepaalde standaardmethode. Er is voor gekozen de gehele verordening digitaal beschikbaar te maken. 1.4 Rechtsbescherming De Omgevingsverordening Zeeland bevat algemene regels. Tegen het besluit tot vaststelling van algemene regels staan geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden open bij de bestuursrechter. Wel kunnen belanghebbenden in procedures tegen bijvoorbeeld bestemmingsplannen, de onverbindendheid van de Omgevingsverordening inroepen. De Omgevingsverordening voorziet in de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen. Wanneer een ontheffing is verleend of geweigerd, kan hiertegen door belanghebbenden bezwaar en beroep worden ingesteld. De procedure daarvoor is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in andere specifieke wetgeving die aan de Omgevingsverordening ten grondslag ligt. Bewoners van Zeeland worden bij elke wijziging van het Omgevingsplan en de Omgevingsverordening betrokken, in ieder geval volgens de openbare voorbereidingsprocedure. 1.5 Opbouw van de Omgevingsverordening Hoewel de Omgevingsverordening beoogt verschillende regelgeving te integreren is voor wat betreft indeling besloten om een thematische onderverdeling te maken. Dit leidt er toe dat de Omgevingsverordening onderverdeeld is in de navolgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Algemeen. In dit hoofdstuk staan enkele bepalingen die op het totaal van de Omgevingsverordening van toepassing zijn. Hoofdstuk 2 Ruimte. In dit hoofdstuk is de ruimtelijke verordening te vinden die zich richt tot gemeenteraden en instructies bevat over de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wro biedt in artikel 4.
  8. Hier wordt nog eens expliciet vermeld dat de ruimtelijke verordening geen direct werkende bepalingen bevat. Verder wordt ter voorkoming van misverstanden duidelijk gemaakt dat de instructies in hoofdstuk 2 niet alleen gelden voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen, uitvoeringsbesluiten. Hoofdstuk 3 Milieu In dit hoofdstuk is de milieuverordening te vinden die zich richt tot gemeenten burgers, bedrijven en instellingen. Met dit onderdeel wordt invulling gegeven aan verplichtingen op grond van de Wet milieubeheer. In dit hoofdstuk zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot gesloten stortplaatsen, onderwater flora en fauna, varend ontgassen, het voorkoming en beperking van geluidhinder, grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning en bodemsanering. Hoofdstuk 4 Water betreft de Waterverordening. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die zich vooral richten tot het waterschap als functioneel bestuur en operationeel waterbeheerder van oppervlaktewateren in Zeeland die niet in beheer zijn bij het Rijk. Daaronder normen met betrekking tot het voorkomen en beperken van wateroverlast en regionale waterkeringen en regels die betrekking hebben op het beheer van grondwater. Met dit onderdeel wordt voldaan aan de verplichtingen van de Waterwet. Hoofdstuk 5 Wegen en vaarwegen heeft betrekking op de aansluiting op en het gebruik van provinciale (vaar)wegen en is gericht op gebruikers van (vaar) wegen en aanwonenden. Hoofdstuk 6 Natuur geeft invulling van bevoegdheden die de Provincie heeft op het gebied van natuurbescherming Hoofdstuk 7 Distelbeheer richt zich vooral op gebruikers, eigenaren, of andere zakelijk gerechtigden van landbouwgronden en een strook van 30 meter daaraan grenzend. Hoofdstuk 8 Landschapsbescherming richt zich tot gemeenten, burgers, bedrijven en instellingen en bevat verboden voor het plaatsen van borden, vlaggen en andere (reclame)uitingen om het Zeeuwse landschap te beschermen. Hoofdstuk 9 Ontgrondingen richt zich tot een ieder die de bodem gaat afgraven en verlagen en bevat vrijstellingsbepalingen en procedurele bepalingen. Overige hoofdstukken De overige hoofdstukken bevatten procedurele bepalingen en inwerkingtredingsbepalingen. Hoofstuk 10 gaat over toezicht en strafbepaling. In hoofdstuk 11 staan overgangs- en slotbepalingen. 1.6 Omgevingswet Het Rijk werkt aan een fundamentele herziening van het omgevingsrecht. Het omgevingsrecht moet inzichtelijker en voorspelbaarder worden en het gebruiksgemak van iedereen vergroten. Ook moet er meer ruimte komen voor initiatieven van onderop. De Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt, integreert zo’n 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving. Hieronder vallen onderwerpen als bouwen, milieu, waterbeheer, ruimtelijke ordening, monumentenzorg en natuur. Met de Omgevingswet wil het Rijk het wettelijk systeem ‘eenvoudig beter’ maken. Het Omgevingsplan van Zeeland biedt in de geest van de Omgevingswet al een integraal beleidskader voor alle aspecten van het fysieke domein die van provinciaal belang zijn. Omdat de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten vooralsnog niet in werking treden, is deze Omgevingsverordening nog gebaseerd op de nu geldende wet- en regelgeving. Wanneer de Omgevingswet en bijbehorende uitvoeringsbesluiten in werking treden, zal deze Omgevingsverordening daarop worden aangepast. 2.Hoofdstuksgewijs 2.1 Ruimte Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De Wro biedt het wettelijk kader en de wettelijke instrumenten voor het (uit)voeren van ruimtelijk beleid. De wet heeft een instrumenteel karakter en doet geen beleidsinhoudelijke uitspraken over wat een goede ruimtelijke ordening is. De grondslag voor het opstellen van de verordening is gelegen in artikel 4.1 van de Wro. Een grondgedachte achter de verordening is dat de provincie bij het vaststellen van strategisch beleid (zoals het Omgevingsplan) steeds moet afwegen welke onderdelen van het voorgestane beleid zo belangrijk zijn dat deze in acht genomen moeten worden bij ruimtelijke besluiten van gemeenten. (Het gebruik van dit instrument is met name aangewezen als de gemeentelijke beleidsruimte voor de vaststelling van de inhoud of de inrichting van bestemmingsplannen, al dan niet voorwaardelijk, naar het oordeel van het Rijk of de Provincie moet worden genormeerd of ingeperkt.; Mvt, TK, 2002-2003, 28916, nr. 3, p. 42). Provinciale regels worden in dit geval gesteld vanuit provinciale ruimtelijke belangen. De verordening is een middel om provinciaal beleid te verwezenlijken. Als het provinciaal bestuur een verordening vaststelt (het rijk heeft overigens een vergelijkbare bevoegdheid tot het vaststellen van algemene regels) wordt daarmee de beslissingsruimte van gemeenten ingekaderd. Dit is de kern van de regels zoals bedoeld in art. 4.1 Wro. Gemeenten hebben de plicht bestemmingsplannen vast te stellen voor het eigen gemeentelijk grondgebied dat per definitie ook steeds tevens provinciaal grondgebied is. Vanuit die optiek is het ook noodzakelijk dat provinciale regelgeving in gemeentelijke plannen doorwerkt. De verordening richt zich dan ook primair tot de gemeentelijke bestuursorganen. De verordening raakt immers de inhoud van bestemmingsplannen, omgevingsvergunningen, projectuitvoeringsbesluiten (en zo nodig ook de toelichting of de onderbouwing van genoemde besluiten) alsmede van beheersverordeningen. Voor de burger heeft deze systematiek als voordeel dat er eenheid ontstaat in ruimtelijk relevante regelgeving: regels van rijk en provincie werken door in gemeentelijke plannen en besluiten (die het dichtst bij de burger staan). Voor de gemeenteraad ontstaat de plicht binnen, in beginsel, een jaar na inwerkingtreding van de verordening, een bestemmingsplan of een beheersverordening vast te stellen met inachtneming van de verordening. Bij de verordening kan, ingevolge het bepaalde in artikel 4.1, tweede lid Wro een andere termijn worden gesteld (voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan of aanpassing van geldende bestemmingsplannen aan de inhoud van de verordening). Hoewel niet in de bepalingen van de Wro voorzien lijkt een redelijke uitleg van art. 4.1, tweede lid Wro te zijn dat bestemmingsplannen, die op het moment van inwerkingtreding van de verordening reeds voldoen aan het bepaalde in de verordening of in de verordening gestelde normen niet overschrijden, niet behoeven te worden aangepast. Ook in de rechtswetenschappelijke literatuur wordt aangenomen dat het overbodig is en daarmee in strijd met het doel van de wet dat gemeenteraden bestemmingsplannen moeten vaststellen die niet aangepast behoeven te worden. Een vraag in dit verband is ook in hoeverre, bij het stellen van algemene regels, aan gemeenten nog beleidsruimte kan worden geboden. Een keuze is in de verordening, ten aanzien van bepaalde thema’s, ‘maximale grenzen’ aan te geven die gemeenten niet mogen overschrijden. Bij de vertaling daarvan in het bestemmingsplan kan de gemeente de keuze maken of men, na afweging van lokale omstandigheden en belangen, zover wil gaan als de verordening toelaat. Denkbaar is ook dat het gemeentebestuur geen gebruik maakt van ontwikkelingen die in de verordening, binnen bepaalde grenzen, zijn toegelaten. In dat geval wordt het bestemmingsplan op dat specifieke punt niet aangepast aan de verordening. Ook hier lijkt sprake van enige discrepantie met de uitdrukkelijke wetsbepaling van art. 4.1, tweede lid. Anderzijds is er een aanknopingspunt in de parlementaire stukken te vinden (zie Nota n.a.v. het verslag, TK 2004-2005, 28916, nr. 12, p.57: “Algemene regels en aanwijzingen kunnen aan de gemeente enige mate van beleidsvrijheid bieden bij de vertaling in het bestemmingsplan”). Wat deze verordening betreft geldt dan ook primair dat een bestemmingsplan, dat in de verordening aangegeven grenzen niet overschrijdt, niet behoeft te worden aangepast. In de verordening worden tevens ‘voorwaardelijke normen’ gesteld in die zin dat regels worden gesteld omtrent de toelichting bij een bestemmingsplan of de ruimtelijke onderbouwing bij een besluit. Zo mogen bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen eerst worden toegelaten indien de toelichting voldoet aan bepaalde motiveringseisen. De grondslag daarvoor is eveneens gelegen in art. 4.1, eerste lid van de Wro dat de mogelijkheid kent tot het stellen van regels omtrent de toelichting of de ruimtelijke onderbouwing. Wat deze ‘voorwaardelijke normen’ betreft kan nog worden opgemerkt dat wanneer een ruimtelijke ontwikkeling slechts binnen zekere randvoorwaarden wordt toegelaten, al hetgeen niet aan die randvoorwaarden voldoet niet is toegelaten. In dat verband wordt tevens nog verwezen naar de hierboven weergegeven citaat uit de memorie van toelichting waaruit volgt dat rijk en provincie de beleidsruimte van gemeenten al dan niet voorwaardelijk kunnen normeren. Considerans Het waarom van de verordening In art. 4.1 Wro heeft de wetgever de bevoegdheid gegeven bij of krachtens provinciale verordening regels te stellen “indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken”. Dit betreft een motiveringsvereiste. Voor de motivering van de in de verordening geregelde onderwerpen wordt verwezen naar het Omgevingsplan Zeeland
  9. Voorts is in de artikelsgewijze toelichting aandacht besteed aan de motivering van de verschillende onderwerpen / beleidskeuzes die deel uitmaken van de verordening. In algemene zin wordt nog gewezen op het volgende. Bij de vaststelling van het Omgevingsplan is besloten een select aantal provinciale belangen (onderdelen uit het Omgevingsplan) te regelen in de verordening. Het betreft een aantal concreet geformuleerde provinciale beleidsdoelen waarvoor, met het oog op het gewicht dat vanuit het provinciaal belang daaraan wordt toegekend en met het oog op een goede ruimtelijke ordening, regeling bij verordening noodzakelijk wordt geacht (en niet de inzet van lichtere instrumenten). Tevens wordt beoogd ten aanzien van de in de verordening geregelde onderwerpen een bepaalde mate van rechtszekerheid te bieden. Dit kan worden bereikt door in de verordening een norm te stellen of door het stellen van regels omtrent de toelichting of de ruimtelijke onderbouwing. Bij het stellen van regels omtrent de toelichting c.q. de onderbouwing wordt een zorgvuldige afweging nagestreefd voorafgaand aan het op gemeentelijk niveau toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling. Bedacht moet worden dat het niet gaat om extra regels of ‘overregulering’. De onderwerpen die in de verordening worden geregeld zijn reeds onderdeel van het Omgevingsplan. Het gaat om bekende beleidsthema’s. In veel gevallen is ook sprake van ‘bestendig beleid’ (dat reeds in eerdere provinciale plannen en/of in een verordening is neergelegd). De normen die bij deze thema’s horen worden in de verordening, waar mogelijk, nog helderder en objectiever geformuleerd zodat het mogelijk is deze normen bij het opstellen van bestemmingsplannen over te nemen of het voorgeschreven afwegingskader in acht te nemen. Bij het ‘vertalen’ van de beleidsdoelen uit het Omgevingsplan in de verordening is getracht zoveel mogelijk ‘beleidsneutraal’ te werken. Daarmee wordt bedoeld dat niet is beoogd beleidswijzigingen ten opzichte van het Omgevingsplan door te voeren. Naar zijn aard is een verordening echter een product van wetgeving waaraan, vanuit het rechtszekerheidsbeginsel, hoge eisen worden gesteld. Op onderdelen kent de verordening dan ook een meer exacte formulering en een verfijning van in het Omgevingsplan opgenomen beleidsteksten. Voor een juridisch sluitende regeling is het ook noodzakelijk een vrij uitgebreide lijst van definities (begripsbepalingen) op te nemen voor in de verordening gehanteerde begrippen. Deze lijst is opgenomen in artikel 2.
  10. Geen ‘overregulering’ Slechts een select aantal onderdelen uit het Omgevingsplan is geregeld in de verordening. Wat de regeling van het Natuur Netwerk Zeeland betreft is bovendien sprake van een wettelijke verplichting. Het gehele Omgevingsplan houdt zijn betekenis voor het provinciale ruimtelijke beleid. Van gemeenten wordt een loyale bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen van het plan, ook ten aanzien van die onderdelen van het plan die niet in de verordening zijn opgenomen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Het motief om in de omgevingsverordening regels op te nemen hangt samen met de inhoud van het Omgevingsplan (kaderstelling) en met instructieregels in rijkswetgeving. Provinciale belangen De wetgever heeft bewust niet gekozen voor een duidelijke definitie van rijks-, provinciale of gemeentelijke belangen in de ruimtelijke ordening. Dit betekent dat een zekere mate van vrijheid bestaat voor het provinciaal bestuur om te beoordelen of de behartiging van een bepaald belang op provinciaal niveau dient plaats te vinden. De keuze voor behartiging van een bepaald belang zal uiteraard zorgvuldig dienen plaats te vinden en moet steeds worden gemotiveerd. In verband hiermee heeft, vooraf, overleg plaatsgevonden met de betrokken andere bestuursorganen en is bij de voorbereiding aan een ieder gelegenheid geboden opmerkingen naar voren te brengen. Bij de totstandkoming van de Wro (parlementaire behandeling van het wetsvoorstel) is de vraag naar het onderscheid in rijks-, provinciale en gemeentelijke belangen aan de orde gesteld. Hierna volgt een toelichtende tekst uit de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel (Wro) die inzicht geeft in de bedoeling van de wetgever. “Het zijn politieke, sociaaleconomische en maatschappelijke opvattingen die op enig moment bepalen of de behartiging van een bepaalde waarde, een bepaald belang op het gemeentelijke, provinciale of rijksniveau dient te geschieden of op welk van die drie niveaus een maatschappelijke opgave het meest adequaat kan of moet worden aangepakt. Een belangrijk ordeningsbeginsel in de moderne rechtsstaat is dat maatschappelijke belangen in eerste instantie op het meest nabije niveau worden behartigd, totdat is vastgesteld dat een adequate belangenbehartiging op dat schaalniveau niet langer verantwoord is omdat de belangen het lokale niveau overstijgen en een effectieve en evenwichtige afweging van de betrokken openbare belangen alleen op een hoger bestuurlijk schaalniveau kan plaatsvinden. En dat beginsel geldt ook op het terrein van de ruimtelijke ordening. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is dit kernachtig verwoord met ‘decentraal, tenzij’. In de ruimtelijke bestuurstraditie, opgebouwd tijdens de afgelopen decennia, hebben de drie overheidsniveaus vanuit dit beginsel beleid gevoerd. De vele streekplannen van de afgelopen decennia laten zien dat de provinciale besturen naar regio en tijd heel goed in staat zijn geweest om vanuit het algemene begrip ‘provinciaal belang’ aan te geven voor welke vraagstukken de afzonderlijke provincies zich verantwoordelijk achtten en, afhankelijk van ‘de gewichten’ in de planteksten, aan te geven welke beleidsinstrumenten zij inzetten ter behartiging of ter borging van de daarbij betrokken belangen. Daarbij kan het gaan om regionale bedrijfsterreinen, grote woningbouwlocaties, infrastructuur, natuur en landschappen of regionale milieuvoorzieningen, zoals stortplaatsen, vuilverbrandingsovens en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Ik ga ervan uit dat provinciale staten onder vigeur van de nieuwe Wro op diezelfde lijn zullen doorgaan”. “Of een onderwerp van zorg door de provincie of het Rijk wordt opgepakt en of de Wro-bevoegdheden zullen worden ingezet, is volgens het wetsvoorstel in eerste en laatste instantie een besluit dat door het desbetreffende democratisch gekozen overheidsorgaan wordt vastgesteld of waarop dat orgaan een democratische controle uitoefent”. (Eerste Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 28916, C, pag. 3 en 4) Zoals hiervoor onder “het waarom van de verordening” reeds is aangegeven zijn de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld als van ‘provinciaal belang’ aangemerkt. Structuur van de verordening en werkingsgebied Wat de inhoud van de verordening betreft is, zoals hiervoor reeds aangegeven, de tekst van het Omgevingsplan leidend geweest. Bij het converteren van beleidstekst naar verordening moesten echter ook verschillende inhoudelijke en instrumentele keuzes worden gemaakt. In de verordening zijn onder meer de volgende structuurbepalende elementen te onderscheiden: Bij bepaalde onderwerpen (zoals onderdelen van de regeling voor intensieve veehouderij) worden directe kwantitatieve normen gesteld: sommige ontwikkelingen (op bepaalde locaties) mogen niet worden toegelaten of worden begrensd in m² of hoogte in meters of aantal (kampeermiddelen); Voor bepaalde gebieden wordt een opdracht gegeven voor het aanwijzen van een (primaire) bestemming (waterstaatswerken / natuur); In veel gevallen worden kwalitatieve normen gesteld volgens een ‘ja, mits’-benadering. Bepaalde vormen van grondgebruik mogen worden toegelaten indien de plantoelichting voldoet aan bepaalde motiveringseisen, met als doel: ontwikkelen met kwaliteit. Bij het opstellen van het ontwerp is in belangrijke mate het principe van ‘eerbiedigende werking’ gehanteerd voor gevestigde rechten en belangen. Bestaande rechten worden in belangrijke mate gerespecteerd. Dit betekent dat de verordening in de eerste plaats betekenis heeft voor nieuwe situaties. In verschillende onderdelen van de verordening zijn combinaties te vinden van de onder a t/m d genoemde elementen. De verordening bevat regels zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 4.1 Wro. Vooralsnog is er geen noodzaak tot het stellen van regels zoals bedoeld in artikel 4.1, derde lid van de Wro (zogenaamde ‘bevriezende regels’). De verordening geldt voor het grondgebied van de provincie Zeeland. Ingevolge artikel 4.1 van de Wro kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een gedeelte van het grondgebied van de provincie. Verschillende artikelen of onderdelen daarvan gelden slechts voor specifiek aangegeven gebieden. In artikel 1.2.5 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voorgeschreven dat de verordening een geometrische plaatsbepaling bevat van het werkingsgebied. De kaarten bij de verordening bevatten deze plaatsbepaling. Voorts wordt de verordening langs elektronische weg vastgelegd overeenkomstig de daarvoor geldende regels (IMRO en STRI). Delegatie aan gedeputeerde staten (GS) Ingevolge het bepaalde in artikel 4.1 Wro kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld. Op grond hiervan kan in de verordening aan GS bevoegdheid worden gegeven tot nadere regeling. In de verordening wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt bijvoorbeeld voor het aanpassen van de begrenzing van gebieden en het wijzigen van kaarten. Het betreft in deze gevallen een praktische regeling voor aanpassing, betrekking hebbend op een gebied van beperkte omvang. Per geval zal worden bezien welke voorbereidingsprocedure daarbij zal worden gevolgd. In ieder geval zal overleg met de gemeenten plaatsvinden. Voor belangrijke wijzigingen, die betrekking hebben op een groter gebied, zal de reguliere procedure voor herziening van de verordening worden doorlopen. Voorbereidingsprocedure Het ontwerp van de verordening is bekendgemaakt in de Staatscourant, de PZC en de huis-aan-huis bladen. Tevens is het ontwerp langs elektronische weg bekendgemaakt via plaatsing op de website ‘zeeland.nl’. Vanaf 26 april t/m 20 juni 2018 is een ieder in de gelegenheid gesteld mondeling en schriftelijke opmerkingen over het ontwerp ter kennis van provinciale staten te brengen. Een overzicht van ingekomen opmerkingen en een reactie daarop is opgenomen in de antwoordnota die tezamen met de verordening is vastgesteld. Gevolgen voor gemeenten en lasten voor burgers, bedrijven en instellingen Een principe dat in de verordening in belangrijke mate wordt gehanteerd is de zogenaamde ‘eerbiedigende werking’ voor gevestigde belangen (rechtsposities). Dit betekent dat de verordening in de eerste plaats betekenis heeft voor nieuwe situaties en dat bestaande rechten worden gerespecteerd. In de verordening zijn geen ‘bevriezende regels’ opgenomen zoals bedoeld in artikel 4.1, derde lid Wro. Aan gemeenten wordt ook een ruime periode gegund voor aanpassing van bestemmingsplannen aan de verordening. Een schoksgewijze verandering van rechtsposities wordt niet beoogd. Voor enkele onderdelen is voorzien in overgangsrecht. Verder worden in diverse artikelen ‘maximale grenzen’ aangegeven. Het gemeentebestuur heeft hierbij de vrijheid een keuze te maken of men zover wil gaan als de verordening toelaat. Zoals hiervoor reeds is aangegeven geldt primair dat een bestemmingsplan dat in de verordening aangegeven grenzen niet overschrijdt, niet behoeft te worden aangepast. De in artikel 2.30 opgenomen hardheidsclausule is tenslotte het sluitstuk waarmee, in bijzondere omstandigheden, een te rigide werking van de bepalingen van de verordening kan worden voorkomen. Daar waar vigerende bestemmingsplannen (nog) niet voldoen aan de bepalingen van de verordening is aanpassing van deze plannen noodzakelijk. Dit vloeit immers voort uit het bepaalde in artikel 4.1, tweede lid van de Wro. Aan de gemeenten wordt voor deze aanpassing een ruime termijn gegund. Verwezen wordt naar het bepaalde in artikel 2.31 van de verordening. Daarbij moet worden aangetekend dat diverse artikelen ook reeds onderdeel vormden van de provinciale ruimtelijke verordening Zeeland zoals vastgesteld op 29 juni 2010 en de Verordening Ruimte Provincie Zeeland, zoals vastgesteld op 28 september
  11. Ook bij die verordeningen gold de wettelijke plicht tot aanpassing van bestemmingsplannen. Uit het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de verordening niet leidt tot significante extra lasten voor de gemeentebesturen in Zeeland of voor burgers, bedrijven en instellingen. Doorwerking In het overleg over de voorbereiding van bestemmingsplannen en projectbesluiten dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening met provinciale diensten moet plaatsvinden, zal van provinciezijde aandacht worden besteed aan de vraag of het desbetreffende voorontwerp in strijd is met provinciaal beleid. Daarbij kan ook de vraag in beschouwing worden genomen of de plantoelichting of de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan gestelde motiveringseisen. Ingeval, naar het oordeel van de provincie, geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met een vooroverlegreactie en vervolgens een ontwerpbestemmingsplan of ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd dat in strijd moet worden geacht met het provinciaal belang kunnen GS een zienswijze indienen met als doel dat het plan of het besluit alsnog in overeenstemming wordt gebracht met het provinciale beleid. Indien de gemeenteraad bij het vaststellen van het bestemmingsplan de zienswijze niet of niet volledig overneemt kunnen GS een reactieve aanwijzing geven of beroep instellen bij de bestuursrechter. Verder kunnen ook andere belanghebbenden zo nodig zienswijzen inbrengen en beroep instellen. In het uiterste geval kan de provincie zo nodig zelf een bestemmingsplan(herziening) vaststellen (inpassingsplan). 2.2 Milieu Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) is het opstellen van een milieuverordening verplicht. De milieuverordening omvat in ieder geval: Regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden (grondwaterbeschermingsgebieden) (artikel 1.2 Wm) Regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden (stiltegebieden) (artikel 1.2 Wm) 2.3 Water Wettelijk kader In de Waterwet

(2009), het daarop gebaseerde Waterbesluit en de ministeriële waterregeling, zijn regels opgenomen over de taken en bevoegdheden van het Rijk, Provincies, waterschappen en gemeenten op het terrein van het waterbeheer. Daarnaast bevat de Waterschapswet regels met betrekking tot de taken van waterschappen als organisaties van functioneel bestuur en de relatie met Provincies. Waterschappen richten zich op het beheer van regionale wateren en hebben als taak de zorg voor het regionale watersysteem en de zuivering van afvalwater. Een en ander in samenhang met kaders die worden opgesteld door de algemene democratie. Waterschappen beschikken over een eigen belastinggebied om hun taken te bekostigen en over eigen bevoegdheden op het terrein van vergunningverlening en handhaving. Naast wettelijke regels zijn in het nationaal bestuursakkoord water uitgangspunten en afspraken opgenomen met het oog op doelmatig waterbeheer en de afstemming van taken van de overheden die zijn betrokken bij het waterbeheer. Het begrip watersysteem wordt in de Waterwet omschreven als een samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken (artikel 1.1). De Waterwet omschrijft als doel van deze wet (artikel 2.1): voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Doelstelling is het watersysteem ‘op orde te krijgen’ en duurzaam te beheren. De Waterwet geeft een aantal onderwerpen aan waarvoor Provincies bij verordening regels moeten vaststellen, in afstemming met het waterschap. Daaronder vallen het vaststellen van normen voor de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem (artikel 2.8), normen voor de regionale waterkeringen (artikel 2.4) en de aanwijzing van gebieden waarvoor het waterschap peilbesluiten moet vaststellen (artikel 5.2). De normen voor de primaire waterkeringen staan in de Waterwet (artikel 2.2 e.v.). Uit de Waterwet volgt dat de normen en doelstellingen voor de waterkwaliteit niet in de verordening worden gesteld (artikel 2.10). Doelen en maatregelen ingevolge de Europese Kaderrichtlijn Water worden neergelegd in plannen van Provincies en beheerplannen van waterschappen. Deze worden verwerkt in stroomgebiedbeheerplannen die worden vastgesteld door het Rijk (hoofdstuk 4 Waterbesluit). Voor Zeeland is dat het Stroomgebiedbeheerplan voor de Schelde. De Waterwet geeft ook onderwerpen aan waarvoor Provincies bij verordening regels kunnen vaststellen, zoals regels met betrekking tot monitoring en het beoordelen van de mate van verwezenlijking van de normen (artikel 2.14) en gegevens in de waterschapslegger (artikel 5.1). Verder staat in de Waterwet een algemene bepaling dat bij of krachtens provinciale verordening, met het oog op een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer, regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de voorbereiding, vaststelling, wijziging en inhoud van door besturen van waterschappen vast te stellen plannen, besluiten of waterakkoorden (artikel 3.11). Op grond van Waterwet stellen Provincies de hoofdlijnen van het regionale waterbeleid vast (oppervlaktewater en grondwater) en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid (artikel 4.4). Daaronder valt de vastlegging van functies van regionale wateren en het beleid met betrekking tot de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van regionale wateren, gelet op de wettelijke doelstellingen en normen. Dit is uitgewerkt in het Omgevingsplan Zeeland. Waterschappen stellen in samenhang hiermee beheerplannen vast en voeren maatregelen uit (artikel 4.6). Daarnaast stellen zij regels vast in de keur. Ten aanzien van grondwater volgt uit de Waterwet (artikel 6.4) dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van gedeputeerde staten grondwater te onttrekken of water te infiltreren: ten behoeve van industriële toepassingen, indien de te onttrekken hoeveelheid water meer dan 150 000 m3 per jaar bedraagt; ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening of een bodemenergiesysteem. Voor andere grondwateronttrekkingen of infiltraties is het waterschap het bevoegd gezag. Op grond van de Waterwet zijn gemeenten verantwoordelijk voor het rioleringsbeheer en hebben zorgplichten voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving (artikel 3.5 en 3.6). Daarnaast is de gemeente belast met de lokale ruimtelijke inpassing van maatregelen op het gebied van de waterkwantiteit en het uitvoeren van milieumaatregelen. Bij de afstemming van watertaken is samenwerking het uitgangspunt. Het Rijk ziet toe op de taakuitoefening ten aanzien van rijkswateren en de provinciale taakuitoefening bij het regionale waterbeheer; Provincies zien toe op de taakuitoefening van de waterschappen, in samenhang met gemeentelijke watertaken. De regels in hoofdstuk 4 van de verordening sluiten aan bij het provinciale waterbeleid (Omgevingsplan Zeeland). 2.4 Wegen en vaarwegen Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de openbare wegen en vaarwegen in Zeeland die in beheer zijn bij de provincie. Regels zijn opgenomen betreffende het onderhoud en het beheer van wegen en vaarwegen. De regels zijn gericht op weggebruikers en ‘aanwonenden’. 2.5 Natuur Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet is een samenvoeging van de Boswet, Flora- en Faunawet en Natuurbeschermingswet. De Wet natuurbescherming regelt de wijze waarop de bescherming van natuur vorm krijgt en geeft invulling aan de afspraken tussen Rijk en Provincies uit het Bestuursakkoord Natuur. De provincie heeft hierbij nieuwe bevoegdheden gekregen. De invulling van deze bevoegdheden is geregeld in hoofdstuk
  1. Ook wordt een aantal bestaande bevoegdheden (bijvoorbeeld beheer en schadebestrijding) opnieuw geregeld in de wet. In hoofdstuk 6 zijn voor de onderdelen beweiden en bemesten, faunabeheereenheden, faunabeheerplannen, wildbeheereenheden, vrijstelling soorten, tegemoetkomingen faunaschade en houtopstanden regels opgenomen. 2.6 Distelbeheer Hoofdstuk 7 Distelbeheer richt zich vooral op gebruikers, eigenaren, of andere zakelijk gerechtigden van landbouwgronden en een strook van 30 meter daaraan grenzend 2.7 Landschapsbescherming Dit hoofdstuk heeft als doel om het belang van het landschapsschoon te beschermen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen voor het plaatsen van borden, spandoeken, vlaggen en informatiezuilen. Het hoofdstuk richt zich tot gemeenten, burgers, bedrijven en instellingen en bevat verboden voor het plaatsen van borden, vlaggen en andere (reclame) uitingen om het Zeeuwse landschap te beschermen. Dit belang is vooral aan de orde in gebieden buiten de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom liggen een aantal bedrijventerreinen, waar het uit landschappelijk oogpunt geen bezwaar behoeft te zijn als daar borden worden geplaatst. Deze bedrijventerreinen zijn daarom van het verbod uitgezonderd. Borden die zijn geplaatst binnen de bebouwde kom en op bedrijventerreinen vallen daarom buiten de werkingssfeer van de verordening. Deze borden kunnen wel onderworpen zijn aan gemeentelijke regelgeving. 2.8 Ontgrondingen Uit artikel 3 van de Ontgrondingenwet volgt dat het is verboden zonder vergunning te ontgronden dan wel als eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker, opstalhouder, beklemde meier of gebruiker van enige onroerende zaak toe te laten, dat aldaar zonder vergunning ontgronding plaats heeft. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de ontgronding, de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken. In artikel 4 van de Ontgrondingenwet is bepaald in welke gevallen deze wet niet van toepassing is. Uit artikel 8 van de Ontgrondingenwet volgt dat, voor zover niet de Minister bevoegd is, de bevoegdheid tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning berust bij gedeputeerde staten van de Provincie waarin de betrokken onroerende zaak is gelegen. Op grond van artikel 10 van de Ontgrondingenwet deelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten op het gebied waarvan de aanvraag om vergunning betrekking heeft, nadat het verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde ontgronding in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Op grond van de artikelen 5 en 7 van de Ontgrondingenwet kunnen bij provinciale verordening regels worden gesteld met betrekking tot vrijstellingen van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet en procedurele aspecten met betrekking tot de vergunningverlening. In dit hoofdstuk is hieraan invulling gegeven. 2.9 Toezicht en strafbepaling Dit hoofdstuk is nodig om de rol van de Provincie als toezichthouder uit te kunnen oefenen door de aanwijzing van toezichthouders en de mogelijkheid van strafbaarstelling te regelen. 2.10 Overgangs- en slotbepalingen In hoofdstuk 11 van deze Omgevingsverordening worden in het algemeen overgangsbepalingen geformuleerd die moeten voorkomen dat geldende besluiten opnieuw ter discussie komen en dat aanvragers lopende een procedure geconfronteerd worden met nieuw recht. De bepalingen van hoofdstuk 2 Ruimte richten zich in hoofdzaak op nieuwe ontwikkelingen. Dit betekent dat de verordening pas op dat moment doorwerkt in de gemeentelijke bestemmingsplannen. REGELS HOOFDSTUK1ALGEMEEN Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: Bestemmingsplan: plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) Bijlage: bij deze verordening behorende bijlage Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland Omgevingsplan Zeeland 2018: provinciaal plan voor de fysieke leefomgeving zoals vastgesteld door Provinciale Staten van de Provincie Zeeland op 21 september 2018 Provinciale Staten: de Staten van Zeeland Artikel1.2Toepassingsbereik In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder een bestemmingsplan mede verstaan een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro zoals deze luidde vóór 1 oktober 2010, een uitwerkings- en wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6 van de Wro, een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wro, een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken alsmede een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder de toelichting bij het bestemmingsplan mede verstaan de ruimtelijke onderbouwing bij een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro zoals deze luidde vóór 1 oktober 2010, de toelichting bij een projectuitvoeringsbesluit zoals bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet, de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder nieuwvestiging en nieuwe bebouwing of nieuwe bouwwerken niet verstaan het toelaten van grondgebruik of bouwwerken op gronden waar dit gebruik of die bouwwerken reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening krachtens een bestemmingsplan zijn toegelaten. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder de zinsnede "krachtens een bestemmingsplan toegelaten" mede verstaan vormen van bebouwing of grondgebruik die rechtens zoals krachtens een vrijstelling ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een projectbesluit dan wel een ontheffing ingevolge de Wro zoals deze luidde vóór 1 oktober 2010, een omgevingsvergunning of een projectuitvoeringsbesluit zijn toegelaten. In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt onder een bouwvlak mede verstaan een besluitvlak bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. HOOFDSTUK2RUIMTE AFDELING 2.1 ALGEMEEN Artikel2.1begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: aan huis gebonden beroep: dienstverlenend beroep dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie overeenkomt; agrarisch bedrijf: een bedrijf dat zich richt op het voortbrengen van agrarische producten; daaronder tevens begrepen aquacultuur, waaronder wordt verstaan de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen; agrarische bouwwerken: bouwwerken behorend bij een agrarisch bedrijf met uitzondering van erf-, terreinafscheidingen, drink- en voederbakken; agrarisch onderzoeksbedrijf: een bedrijf dat zich geheel of in overwegende mate richt op onderzoek naar nieuwe agrarische gewassen en verbetering van bestaande agrarische gewassen ten behoeve van de agrarische sector; bebouwing: één of meer gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde; bedrijf: een onderneming die is gericht op het vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt en niet zelfstandig onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop of levering van ter plaatse vervaardigde bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen; bedrijfsvloeroppervlak: de gezamenlijke oppervlakte van vaste vloeren in gebouwen en andere bouwwerken geen gebouw zijnde – mestdoorlatende vloeren daaronder begrepen – die worden of kunnen worden gebruikt voor de huisvesting van dieren ten behoeve van intensieve veehouderij, waaronder begrepen de hok- of stalruimten, inclusief scheidingswanden en gangpaden; bedrijventerrein: een terrein van ten minste een hectare dat bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie; beschermingszone: beschermingszone, voor zover grenzend aan een regionale waterkering zoals aangegeven in bijlage 8 en zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet zoals deze luidt op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening; bestaand: gebruik dat en bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening krachtens een bestemmingsplan zijn toegelaten; bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; bestaande intensieve veehouderij: een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, toegelaten intensieve veehouderij; bestaande neventak: een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, toegelaten neventak; bestaand solitair glastuinbouwbedrijf: een op het tijdstip van inwerking van deze verordening krachtens een bestemmingsplan toegelaten glastuinbouwbedrijf dat is gelegen buiten de glastuinbouwconcentratiegebieden op de Axelse Vlakte bij Terneuzen, bij Kapelle, Oosterland, Rilland, Sint Annaland of Sirjansland; binnenhaven: een haven ten behoeve van de binnenvaart die niet onmiddellijk aan zee of aan de Westerschelde grenst; biologische veehouderij: veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische productie; bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid waar, ingevolge de regels van een bestemmingsplan, bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; centrale bedrijfsmatige exploitatie: het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanige exploitatie dat daarbij gedurende het jaar, in verschillende perioden, aan verschillende personen die hun hoofdverblijf elders hebben, recreatieve verblijfsmogelijkheden worden geboden; continuïteit: de ontwikkeling van een bedrijf op een termijn van 10 jaar; detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; evenement: een éénmalige of ten hoogste 3 keer per jaar terugkerende publieke gebeurtenis op het gebied van ontspanning, kunst of cultuur; de reguliere beoefening van gemotoriseerde luchtsporten of regulier gebruik van landingsplaatsen wordt niet tot het begrip evenement gerekend; gemotoriseerde luchtsporten: het in wedstrijdverband, ter voorbereiding op wedstrijden of voor recreatieve doeleinden gebruiken van gemotoriseerde luchtvaartuigen, zoals modelvliegtuigen, ultra lichte vliegtuigen, micro light aeroplanes, schermvliegtuigen, paramotorvliegen, met uitzondering van zweeftoestellen. glastuinbouwbedrijf: een bedrijf gericht op de teelt of veredeling van gewassen geheel of nagenoeg geheel met behulp van kassen; grondgebonden agrarisch bedrijf: een bedrijf dat geheel of nagenoeg geheel afhankelijk is van agrarische grond als productiemiddel en waarbij geheel of nagenoeg geheel gebruik wordt gemaakt van open grond of plat glas dan wel een ander lichtdoorlatend materiaal met een hoogte van niet meer dan 1 meter; grootschalig bedrijventerrein: een als zodanig in bijlage 2 aangegeven bedrijventerrein; grootschalige detailhandelsvoorzieningen: detailhandelsvoorzieningen met een bruto vloeroppervlak van 1500 m² of meer; grootschalige zelfstandige kantoren: kantoren met meer dan 1000 m² bruto vloeroppervlak waar niet-kantoorfuncties geen substantieel onderdeel uitmaken van het gebouw of de gebouwen; intensieve veehouderij: een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat zich toelegt op de teelt van slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren, waarbij de teelt plaatsvindt zonder of nagenoeg zonder weidegang met uitzondering van een biologische veehouderij; jachthaven: haven die naar zijn aard en inrichting bedoeld en geschikt is voor het in hoofdzaak aanleggen van pleziervaartuigen, met bijbehorende voorzieningen. kampeermiddelen: een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan, enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan voor zover geen bouwwerk zijnde voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht, dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf en waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben; kassen: gebouwen van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de teelt of veredeling van tuinbouwgewassen, fruitteelt of sierteelt; kleinschalige bedrijventerreinen: bedrijventerreinen niet zijnde een grootschalig bedrijventerrein; kleinschalige kampeerterreinen: kampeerterreinen die in gebruik zijn als neventak bij een agrarisch of bij een ander bedrijf dan wel behorend bij een woning; knelgeval: een in de provincie Zeeland gevestigde intensieve veehouderij die in verband met de realisering van een natuurontwikkelingsproject, stads- of dorpsuitbreiding of -vernieuwing of een gebiedsgericht project wordt verplaatst; lawaaisporten: het in wedstrijdverband, ter voorbereiding op wedstrijden of voor recreatieve doeleinden gebruiken van voer- of vaartuigen met verbrandingsmotoren zoals motoren, bromfietsen, waterscooters en modelvaartuigen alsmede alle modelvliegtuigen en het beoefenen van de schietsport met vuurwapens in de open lucht; loswal: een kadeterrein dat bestemd en geschikt is voor het laden en lossen van schepen; neventak: een bedrijfsonderdeel dat qua omvang, arbeidsinzet en gelet op de inkomsten die daaruit redelijkerwijs kunnen worden verworven niet als hoofdtak kan worden aangemerkt of een activiteit waaruit de betrokkene niet het hoofdinkomen verwerft; omgevingskwaliteiten: kwaliteiten die van belang zijn voor een goede leefomgeving, bij de beschrijving waarvan tenminste de navolgende aspecten in beschouwing worden genomen: luchtkwaliteit, stank, geluid, lichtvervuiling, veiligheid, bodem- en waterkwaliteit - waterbodems en grondwater daaronder begrepen -, waterkwantiteit, ecologische en natuurlijke kwaliteit, landschappelijke en beeldkwaliteit, cultuurhistorische kwaliteit, bereikbaarheid en sociale kwaliteit; opstelling voor zonne-energie: een samenstel van bouwwerken of een andere constructie ten behoeve van het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon geplaatst op of boven de grond, water daaronder begrepen met uitzondering van zonnepanelen op daken; peil: het aansluitende afgewerkte terrein, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein wordt gemeten vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg; recreatieve bebouwing: gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van recreatief nachtverblijf gebouwen ten behoeve van recreatief dagverblijf waar dranken worden geschonken of eet en drinkwaren voor consumptie worden bereid of verstrekt; solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied: niet op bedrijventerreinen geclusterde bedrijven die, op basis van een in de toelichting bij het bestemmingsplan opgenomen onderbouwing, toelaatbaar zijn binnen bestaand stedelijk gebied, daaronder mede verstaan detailhandels- en horecabedrijven; teeltondersteunende voorzieningen: boog- en gaaskassen, overkappingsconstructies en stellingen ten behoeve van de bescherming van grondgebonden plantaardige agrarische teelten alsmede ten behoeve van het voorkomen van de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen bij grondgebonden agrarische teelten; tiphoogte: de totale hoogte van een windturbine, vanaf het peil tot aan het uiteinde of tip van de rotor in de hoogste stand; traditionele windmolen: een molen die in vroeger tijden is bedoeld voor bemaling ten behoeve van waterbeheer, het malen van granen of overige ambachtelijke werkzaamheden waarbij het gaande werk nog volledig intact dan wel in overwegende mate intact is; verduurzaming: het treffen van maatregelen die verder gaan dan hetgeen bij of krachtens de wet is voorgeschreven ten aanzien van milieu en dierenwelzijn en die strekken tot milieuwinst en het versterken van omgevingskwaliteiten; volwaardig glastuinbouwbedrijf: een glastuinbouwbedrijf dat de arbeidsinzet vergt van tenminste één voltijd arbeidskracht die daaruit zijn hoofdinkomen verwerft en waarbij de continuïteit van het glastuinbouwbedrijf op langere termijn is gewaarborgd; Wro: Wet ruimtelijke ordening zoals deze luidt ten tijde van de vaststelling van deze verordening; Artikel2.2Wijzigingsbevoegdheid Gedeputeerde staten zijn bevoegd de bijlagen behorende bij artikel 2.1, eerste lid te wijzigen. AFDELING 2.2 BEDRIJVEN Artikel2.3Bedrijven In een bestemmingsplan worden bedrijven uitsluitend toegelaten op gronden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening daartoe zijn bestemd alsmede op bedrijventerreinen. Het eerste lid is niet van toepassing op: grondstoffenwinning; olie- en gaswinning; waterwinning; afvalstort; nutsvoorzieningen; horeca- en recreatiebedrijven; agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A alsmede overige krachtens deze verordening toegelaten bedrijvigheid; overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid; solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied. In de toelichting bij een bestemmingsplan voor een nieuw bedrijventerrein, alsmede de uitbreiding van een bedrijventerrein, wordt aannemelijk gemaakt dat: het plan bijdraagt aan of niet in strijd is met de doelstelling dat 80 procent van de bedrijvigheid regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan grootschalige bedrijventerreinen en duurzaam beheer en onderhoud van het bedrijventerrein gewaarborgd is. In een bestemmingsplan wordt uitbreiding van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande kleinschalige bedrijventerreinen niet toegelaten, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van een eenmalige beperkte afronding met ten hoogste 20% of 0,5 hectare waarbij de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert. In afwijking van het vierde lid kan een verdere uitbreiding van een bestaand kleinschalig en goed ontsloten bedrijventerrein worden toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert en de sanering en het voorkomen van heroprichting van bedrijven elders in de provincie Zeeland, met ten minste een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 20% of 0,5 hectare, is gewaarborgd. Artikel2.4Binnenhaven en loswal In een bestemmingsplan wordt aan een binnenhaven en een loswal uitsluitend een andere functie toegekend indien binnen een afstand van 30 kilometer, berekend over de weg, een mogelijkheid aanwezig is de bestaande overslag en watergebonden bedrijvigheid op te vangen. Artikel2.5Kantoren In een bestemmingsplan worden nieuwe grootschalige, zelfstandige kantoren uitsluitend toegelaten in of direct aansluitend aan de binnenstad van Goes, Middelburg, Vlissingen en Terneuzen. In afwijking van het eerste lid is vestiging aan toegangswegen naar het stadscentrum, dichtbij doorgaande wegen en aan de stadsranden bij de toegangswegen toegestaan indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat vestigingsruimte, mede gelet op specifieke vestigingseisen, in de centra ontbreekt. Artikel2.6Detailhandel In een bestemmingsplan worden nieuwe detailhandelsvoorzieningen, daaronder mede verstaan de uitbreiding van bestaande detailhandelsvoorzieningen, primair toegelaten in bestaande kernwinkelgebieden. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin nieuwe detailhandelsvoorzieningen, met inbegrip van de uitbreiding van bestaande -voorzieningen, worden toegelaten wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het plan bijdraagt aan het beleidsdoel van bundeling en concentratie in bestaande kernwinkelgebieden. Het eerste lid is niet van toepassing op de in bijlage B genoemde categorieën. AFDELING 2.3 WONEN Artikel2.7Wonen In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie in het landelijk gebied wordt toegelaten wordt aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de in bijlage C bedoelde voorwaarden. Nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied, die niet voldoen aan de in bijlage C bedoelde voorwaarden, worden in een bestemmingsplan niet toegelaten. AFDELING 2.4 DUURZAME ENERGIE Artikel2.8Windenergie In een bestemmingsplan worden nieuwe windturbines, met een hogere tiphoogte dan 20 meter, toegelaten binnen de in bijlage 4 globaal aangegeven windenergie concentratielocaties. De toelichting bij een bestemmingsplan waarin windturbines overeenkomstig de eerste volzin worden toegelaten bevat een gebiedsafbakening waarbij, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, op kaart wordt aangegeven wat de begrenzing is van de windenergie concentratielocatie. Buiten de in bijlage 4 globaal aangegeven windenergie concentratielocaties wordt in een bestemmingsplan de vervanging van een, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, bestaande windturbine met een hogere tiphoogte dan 20 meter, door een turbine met een hogere tiphoogte dan de bestaande, niet toegelaten. In afwijking van het eerste lid kunnen nieuwe windturbines geconcentreerd worden toegelaten op gronden die zijn gelegen buiten de in bijlage 4 aangegeven windenergie concentratielocaties indien: er sprake is van een ligging langs een grootschalige infrastructuurlijn of er sprake is van een ligging op of aangrenzend aan een grootschalig bedrijventerrein. In de toelichting bij het bestemmingsplan waarin nieuwe windturbines op concentratielocaties worden toegelaten buiten de in bijlage 4 aangegeven windenergie concentratielocaties wordt aannemelijk gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich niet tegen de nieuwe concentratielocatie verzetten en de windturbines zijn gesitueerd in een cluster of een lijnopstelling van ten minste 3 windturbines. Artikel2.9Zonne-energie In een bestemmingsplan wordt een opstelling voor zonne-energie uitsluitend toegelaten binnen bestaand stedelijk gebied In afwijking van het eerste lid kan een opstelling voor zonne-energie worden toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied: aangrenzend aan bestaand stedelijk gebied indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bestaand stedelijk gebied op of aangrenzend aan een bouwvlak, mits de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het aangrenzende bouwvlak op of aangrenzend aan een bedrijventerrein indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan het bedrijventerrein op of aangrenzend aan gronden waarop glastuinbouwbedrijven zijn toegelaten indien de opstelling voor zonne-energie ruimtelijk ondergeschikt is aan de glastuinbouwbedrijven op of aangrenzend aan gronden die bestemd zijn voor infrastructuur, nutsvoorzieningen, stortplaats, opstellingen voor zonne-energie of een windenergie concentratielocatie op gronden die bestemd zijn voor water indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat er geen significant nadelige effecten zijn voor natuur, recreatie of visserij In de toelichting bij het bestemmingsplan waarin een opstelling voor zonne-energie wordt toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied wordt aannemelijk gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, een opstelling voor zonne-energie reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze gronden niet mag worden vergroot. AFDELING 2.5 VERBLIJFSRECREATIE Artikel2.10Verblijfsrecreatie in de kustzone In een bestemmingsplan wordt een nieuw verblijfsrecreatieterrein of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein uitsluitend toegelaten in de in bijlage 5 aangewezen badplaatsen en met inachtneming van de overige bepalingen van deze verordening. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D onder 1 opgenomen uitgangspunten. Indien een gebied in bijlage 5 tevens is aangewezen als aandachtsgebied dient in de toelichting bij het bestemmingsplan tevens aannemelijk te worden gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D onder 2 opgenomen uitgangspunten. Het eerste lid is niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot. In afwijking van het eerste lid is een nieuw verblijfsrecreatieterrein buiten de in bijlage 5 aangewezen badplaatsen toegelaten in de in bijlage 5, globaal aangegeven gebieden met de aanduiding 'aandachtsgebied' indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D bij deze verordening onder 2 opgenomen uitgangspunten. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat een gebiedsafbakening waarbij, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, wordt onderbouwd dat de bestemming van het nieuwe verblijfsrecreatieterrein valt binnen het bedoelde aandachtsgebied of, gezien de situeringskenmerken, in voldoende mate daarop aansluit. Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op een nieuw verblijfsrecreatieterrein dat gerealiseerd wordt in de vorm van een nieuw landgoed en buitenplaats, zoals bedoeld in bijlage C bij artikel 2.7, onder
  2. In afwijking van het eerste lid is uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein toegelaten buiten de in bijlage 5 aangegeven badplaatsen, met dien verstande dat In de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D onder 1 opgenomen uitgangspunten. Uitbreiding in de in bijlage 5 globaal aangegeven gebieden met de aanduiding Groene Zeeuwse Topkwaliteit en Beschermingsgebieden niet is toegelaten. Ingeval van uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een gebiedsafbakening waarbij, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, wordt onderbouwd dat de uitbreiding van het verblijfsrecreatieterrein, gezien de situeringskenmerken, niet wordt gerealiseerd binnen de bedoelde gebieden. In afwijking van het vijfde lid, onder b, is uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein toegelaten in de in bijlage 5 globaal aangegeven beschermingsgebieden indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de kenmerken en waarden van deze gebieden niet significant worden aangetast. De kenmerken en waarden van de beschermingsgebieden zijn vermeld in Zeeuwse Kustvisie zoals deze luidt op de datum van vaststelling van deze verordening. In afwijking van het vijfde lid onder b, is uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein toegelaten in de in bijlage 5 globaal aangegeven gebieden met de aanduiding Groene Zeeuwse Topkwaliteit indien deze gebieden tevens zijn aangeduid als aandachtsgebied. In de toelichting bij het bestemmingsplan dient aannemelijk te worden gemaakt dat de kenmerken en waarden van het gebied met de aanduiding Groene Zeeuwse Topkwaliteit niet significant worden aangetast. De kenmerken en waarden van de gebieden met de aanduiding Groene Zeeuwse Topkwaliteit zijn vermeld in de kustvisie zoals die luidt op de datum van vaststelling van deze verordening. Artikel2.11Verblijfsrecreatie buiten de kustzone In een bestemmingsplan wordt een nieuw verblijfsrecreatieterrein of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein uitsluitend toegelaten in bestaand stedelijk gebied en met inachtneming van de overige bepalingen van deze verordening. In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aannemelijk gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D onder 3 opgenomen uitgangspunten. Het eerste lid is niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, de nieuwvestiging of uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot. Het eerste lid is niet van toepassing op een nieuw verblijfsrecreatieterrein dat gerealiseerd wordt in de vorm van een nieuw landgoed en buitenplaats, zoals bedoeld in bijlage C bij artikel 2.7, onder
  3. In afwijking van het eerste lid is uitbreiding van een bestaand verblijfsrecreatieterrein toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied, met dien verstande dat in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D onder 3 opgenomen uitgangspunten. In afwijking van het eerste lid kan een nieuw verblijfsrecreatieterrein worden toegelaten buiten bestaand stedelijk gebied indien in de toelichting op het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat voldaan wordt aan de in bijlage D onder 4 opgenomen uitgangspunten. Artikel2.12Strandzonering In een bestemmingsplan wordt in de in bijlage 5 aangegeven gebieden met de aanduiding Natuurstranden en Recreatiestranden nieuwvestiging en uitbreiding van recreatieve bebouwing niet toegelaten. Het eerste lid is niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, de nieuwvestiging of uitbreiding van recreatieve bebouwing reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot. In afwijking van het eerste lid is verplaatsing van bestaande recreatieve bebouwing toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat: sprake is van het verplaatsen van bestaande recreatieve bebouwing van de in bijlage 5 aangegeven gebieden met de aanduiding Natuurstranden naar Recreatiestranden; verplaatsing van Recreatiestranden naar Natuurstranden is niet toegestaan sprake is van het verplaatsen van bestaande recreatieve bebouwing binnen de in bijlage 5 aangegeven gebieden met de aanduiding Recreatiestranden sprake is van het verplaatsen van bestaande recreatieve bebouwing binnen de in bijlage 5 aangewezen gebieden met de aanduiding Natuurstranden, indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en dit niet leidt tot een verminderde doorstuiving van zand; -verplaatsing van Recreatiestranden naar Natuurstranden is niet toegestaan in de in bijlage 5 aangegeven gebieden met de aanduiding Natuurstranden het oppervlak van een strandpaviljoen ten hoogste 600 m2 en van dagcabines ten hoogste 5 m2 bedraagt; in de in bijlage 5 aangegeven gebieden met de aanduiding Recreatiestranden het oppervlak van een strandpaviljoen ten hoogste 1000 m2, van slaaphuisjes 40 m2 en van dagcabines 5 m2 bedraagt. In afwijking van het eerste lid is uitbreiding van bestaande recreatieve bebouwing toegelaten, met dien verstande dat in de in bijlage 5 aangegeven gebieden met de aanduiding Natuurstranden het oppervlak van een strandpaviljoen ten hoogste 600 m2 en van dagcabines ten hoogste 5 m2 bedraagt; in de in bijlage 5 aangeven gebieden met de aanduiding Recreatiestranden het oppervlak van een strandpaviljoen ten hoogste 1000 m2, van slaaphuisjes 40 m2 en van dagcabines 5 m2 bedraagt. strandslaaphuisjes op Natuurstranden zijn uitgesloten. Het eerste lid is niet van toepassing op: Reddingsbrigadegebouwen Bouwwerken van openbaar belang voor zover deze bouwwerken niet buiten de in het eerste lid bedoelde gebieden kunnen worden gebouwd. Tot deze bouwwerken behoren in ieder geval: Bouwwerken voor het beheer van natuur en hulpdiensten Bouwwerken ten behoeve van de waterstaatkundige functie Bouwwerken ten behoeve van telecommunicatievoorzieningen, opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleinschalige opwekking van elektriciteit door middel van windturbines. Artikel2.13Centraal bedrijfsmatige exploitatie en verbod permanent wonen In een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden regels gesteld ter voorkoming van permanente bewoning. Tevens worden regels gesteld waarmee wordt verzekerd dat standplaatsen of bouwwerken die bestemd zijn voor recreatief nachtverblijf worden verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie. Bedoelde regels worden tevens opgenomen in volgende herzieningen van het bestemmingsplan voor het verblijfsrecreatieterrein. Het bepaalde in het eerste lid omtrent het stellen van regels ter voorkoming van permanente bewoning is ook van toepassing op de herziening van een bestemmingsplan voor een bestaand verblijfsrecreatieterrein waarin reeds regels zijn opgenomen ter voorkoming van permanente bewoning en het bepaalde omtrent centrale bedrijfsmatige exploitatie is mede van toepassing op de herziening van een bestemmingsplan voor een bestaand verblijfsrecreatieterrein waarin reeds regels zijn opgenomen omtrent een centraal bedrijfsmatige exploitatie. Het bepaalde in het eerste en tweede lid omtrent het stellen van regels waarmee wordt verzekerd dat standplaatsen of bouwwerken die bestemd zijn voor recreatief nachtverblijf worden verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie is niet van toepassing wanneer in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat wordt voldaan aan de in bijlage E bedoelde voorwaarden. In de toelichting bij een bestemmingsplan voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein en in de toelichting bij daarop volgende planherzieningen wordt aannemelijk gemaakt dat duurzaam beheer en onderhoud van het terrein is geborgd. Artikel2.14Kleinschalig kamperen In een bestemmingsplan waarin kleinschalige kampeerterreinen worden toegelaten of waarin voor deze terreinen regels worden gegeven worden zodanige regels gesteld dat op deze terreinen ten hoogste 25 kampeermiddelen zijn toegelaten, waarvan 20% met een maximum van 5 kampeermiddelen permanent zijn toegestaan. In afwijking van het eerste lid mag de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande situatie positief worden bestemd. Artikel2.15Jachthavens en watersport In een bestemmingsplan worden nieuwe ligplaatsen in jachthavens primair toegelaten in bestaande jachthavens. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin nieuwe ligplaatsen worden toegelaten wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het plan bijdraagt aan het beleidsdoel van kwaliteitsverbetering, voorkomen van overaanbod en innovatie van de bestaande jachthavens en wordt aannemelijk gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. Het eerste lid is niet van toepassing voor het toelaten van nieuwe ligplaatsen in het transformatieproject Scheldekwartier in de gemeente Vlissingen, zoals opgenomen in de Ontwikkelingsvisie Scheldekwartier en vastgesteld door de gemeenteraad bij besluit van 22 december
  4. AFDELING 2.6 AGRARISCH Artikel2.16Concentratie agrarische bebouwing In een bestemmingsplan worden nieuwe agrarische bouwwerken niet toegelaten buiten het in het plan, voor een agrarisch bedrijf, aangewezen bouwvlak. In afwijking van het eerste lid mogen in een bestemmingsplan worden toegelaten: sleufsilo's en kuilvoerplaten aansluitend aan een bouwvlak; tijdelijke mestopslag op veldkavels; als onderdeel van een agrarisch bedrijf, teelt ondersteunende voorzieningen en bassins ten behoeve van aquacultuur. In afwijking van het eerste lid mag de, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, bestaande situatie, voor zover die niet in overeenstemming is met het bepaalde in het eerste lid, positief worden bestemd. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken ten aanzien waarvan in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het kleinschalige bouwwerken betreft die noodzakelijk zijn ten behoeve van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Artikel2.17Bufferzones In een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal woon- of verblijfsrecreatieve bestemmingen worden aangewezen worden nieuwe woon- of verblijfsrecreatieve functies niet toegelaten binnen een afstand van 100 meter tot buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde gronden waarop agrarische gebouwen anders dan kassen zijn toegelaten. In een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal op buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde gronden agrarische gebouwen, anders dan kassen, worden toegelaten worden deze gebouwen niet toegelaten binnen een afstand van 100 meter tot gronden waarop woon- of verblijfsrecreatieve functies zijn toegelaten. In afwijking van het eerste en het tweede lid kan een kleinere afstand worden gehanteerd indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen of nagenoeg geen hinder optreedt bij woon- of verblijfsrecreatieve functies en de kleinere afstand niet leidt tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van de betrokken agrarische bedrijven. In een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal woon- of verblijfsrecreatieve bestemmingen worden aangewezen worden nieuwe woon- of verblijfsrecreatieve functies niet toegelaten binnen een afstand van 50 meter vanaf buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde kassen en, primair, vanaf daarvoor aangewezen bouwvlakken alsmede vanaf buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde gronden waarop fruitteelt is toegelaten. In een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal op buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde gronden de nieuwbouw van kassen wordt toegelaten en in een bestemmingsplan waarin het gebruik voor fruitteelt wordt toegelaten op buiten bestaand stedelijk gebied gesitueerde gronden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet als zodanig in gebruik waren, worden deze functies niet toegelaten binnen een afstand van 50 meter tot gronden waarop woon- of verblijfsrecreatieve functies zijn toegelaten. In afwijking van het vierde en het vijfde lid kan een kleinere afstand worden gehanteerd indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid zullen optreden en de kleinere afstand niet leidt tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van de betrokken agrarische bedrijven. Artikel2.18Glastuinbouw In een bestemmingsplan wordt de nieuwvestiging of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven niet toegelaten. Het eerste lid is niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, de nieuwvestiging of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot. In afwijking van het eerste lid kan de nieuwvestiging en uitbreiding van glastuinbouwbedrijven, tot een oppervlakte van ten hoogste 300 hectare worden toegelaten in het gebied in de gemeente Terneuzen met de aanduiding Glastuinbouw zoals vermeld in bijlage
  5. In afwijking van het eerste lid kan de nieuwvestiging of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven worden toegelaten in of aansluitend aan het in bijlage 7 aangegeven gebied met de aanduiding Glastuinbouw, bij Oosterland. De nieuwvestiging of uitbreiding is uitsluitend toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat: sprake is van een beperkte ontwikkeling en inbreidingsruimte wordt benut voorafgaand aan of in plaats van het benutten van uitbreidingsruimte en sprake is van landschappelijke afronding. In afwijking van het eerste lid kan bij een bestaand agrarisch bedrijf, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf, een neventak glastuinbouw van ten hoogste 2000 m² worden toegelaten, indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. In afwijking van het eerste lid kan uitbreiding van een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaand solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf worden toegelaten tot ten hoogste 2 hectare indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. Een verdere uitbreiding van een bestaand solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf tot ten hoogste 4 hectare kan worden toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en de sanering van kassen elders in de provincie Zeeland, met een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 2 hectare, is gewaarborgd. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd de begrenzing van de gebieden zoals aangegeven in bijlage 6 aan te passen indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het om een ondergeschikte aanpassing gaat en dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. Artikel2.19Intensieve veehouderij In een bestemmingsplan wordt de nieuwvestiging van intensieve veehouderij, de omschakeling van een bestaand bedrijf naar intensieve veehouderij alsmede het toevoegen van een neventak intensieve veehouderij niet toegelaten. Het eerste lid is niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan, de nieuwvestiging van, de omschakeling naar intensieve veehouderij of het toevoegen van een neventak reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot. Het eerste lid is niet van toepassing indien sprake is van een knelgeval. Het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels in verband met de vestiging van knelgevallen is toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf. Het bedrijfsvloeroppervlak van een bestaande intensieve veehouderij met een bedrijfsvloeroppervlak kleiner dan 5000 m², die wordt aangemerkt als knelgeval, bedraagt ten hoogste 5000 m². Het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels in verband met de uitbreiding van een bestaande intensieve veehouderij tot ten hoogste 5000 m² bedrijfsvloeroppervlak is toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het een uitbreiding betreft waarmee een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf en die noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en waartegen omgevingskwaliteiten zich niet verzetten. Het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels in verband met de uitbreiding van een bestaande intensieve veehouderij met een bedrijfsvloeroppervlak groter dan 5000 m² is toegelaten met ten hoogste 20% van het bestaande bedrijfsvloeroppervlak of tot een totaal bedrijfsvloeroppervlak van ten hoogste 8000 m2 indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het een uitbreiding betreft waarmee een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf en de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten Het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels in verband met de uitbreiding van een bestaande neventak intensieve veehouderij tot ten hoogste 2100 m² bedrijfsvloeroppervlak is toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. Indien wettelijke eisen ten aanzien van dierenwelzijn een groter bedrijfsvloeroppervlak vergen is het bepaalde omtrent het bedrijfsvloeroppervlak in het vijfde tot en met het achtste lid niet van toepassing. Indien het toepassen van het Beter Leven Keurmerk (1 ster) ten aanzien van dierenwelzijn een groter bedrijfsvloeroppervlak vergt, is het bepaalde omtrent bedrijfsvloeroppervlak in het vijfde tot en met het zevende lid niet van toepassing. Deze regel is uitsluitend van toepassing indien en voorzover een bedrijf bij toepassing van genoemd keurmerk minder dieren zou mogen houden dan in de huidige planologisch vergunde situatie. Artikel2.20Agrarische onderzoeksbedrijven In een bestemmingsplan wordt de nieuwvestiging van agrarische onderzoeksbedrijven uitsluitend toegelaten op: een bedrijventerrein of op gronden waarop, met inachtneming van de overige bepalingen van deze verordening, mede agrarische bedrijven of glastuinbouwbedrijven worden toegelaten. In een bestemmingsplan wordt de uitbreiding van bestaande agrarische onderzoeksbedrijven uitsluitend toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van de eerste wijziging van deze verordening de nieuwvestiging of uitbreiding van agrarische onderzoeksbedrijven, krachtens een bestemmingsplan, reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot. AFDELING 2.7 LAWAAISPORTEN, GEMOTORISEERDE LUCHTSPORTEN EN LANDINGSPLAATSEN Artikel2.21Lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen In een bestemmingsplan worden terreinen, water daaronder mede verstaan, ten behoeve van de nieuwvestiging of uitbreiding van lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen voor parachutisten niet toegelaten. Het eerste lid is niet van toepassing indien, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, krachtens een bestemmingsplan de vestiging of uitbreiding van de in het eerste lid bedoelde sporten reeds is toegelaten met dien verstande dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet mag worden vergroot. Het eerste lid is niet van toepassing indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van verplaatsing teneinde een betere concentratie of een beperking van geluidsoverlast te bereiken. Het eerste lid is niet van toepassing voor het toelaten van een kartbaan in of aansluitend aan het concentratiegebied voor lawaaisporten bij de landelijke bebouwingsconcentratie Bath in de gemeente Reimerswaal. Het eerste lid is niet van toepassing op het toelaten van start- en landingsplaatsen voor modelvliegtuigen op gronden die op tenminste 500 meter zijn gelegen van de gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Zeeland, niet zijnde binnendijken zoals aangegeven in bijlage 9 en met inachtneming van de ingevolge artikel 2.26 vastgestelde begrenzing. Het eerste lid is niet van toepassing op evenementen. AFDELING 2.8 WATERKERINGEN Artikel2.22Regionale waterkeringen In een bestemmingsplan wordt voor de in bijlage 8 aangegeven regionale waterkeringen primair de bestemming Waterstaat - waterkering aangewezen. Gedeputeerde staten zijn bevoegd de bijlage te wijzigen. In een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor een beschermingszone A wordt een gebiedsaanduiding vrijwaringszone opgenomen. Met betrekking tot gronden waarop een regionale waterkering ligt of die een functie als beschermingszone hebben kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. AFDELING 2.9 NATUUR EN LANDSCHAP Artikel2.23Bestaande natuur In een bestemmingsplan wordt voor de in bijlage 9 aangegeven gebieden met de aanduiding Bestaande natuur, primair de bestemming Natuur, Bos, Beschermde of Waardevolle dijk aangewezen. Bestaand gebruik en bestaande bebouwing mogen positief worden bestemd. In afwijking van het eerste lid worden binnendijken zoals aangegeven in bijlage 9 voor zover deze samenvallen met binnendijken, in bijlage 8 aangeduid als regionale waterkering, primair bestemd voor Waterstaat-waterkering en secundair voor Natuur, Bos, Beschermde- of Waardevolle dijk. De wezenlijke kenmerken en waarden van de in bijlage 9 aangegeven gebieden met de aanduiding Bestaande natuur zijn de huidige en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied. De natuurdoelen zijn vermeld in het Natuurbeheerplan Zeeland 2016 zoals dat luidt op de datum van vaststelling van deze verordening. In een bestemmingsplan worden geen bestemmingen aangewezen of regels gesteld die, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, mogelijk maken dat de wezenlijke kenmerken of waarden van de in bijlage 9 aangegeven gebieden met de aanduiding Bestaande natuur per saldo significant worden aangetast. Ook mag de bestemming niet leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden of tot een significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik worden toegelaten wordt aannemelijk gemaakt dat de in de vorige volzin bedoelde aantasting en vermindering zich niet voordoet. Het eerste en het vijfde lid zijn niet van toepassing op het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels waarbij: sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële andere mogelijkheden zijn en de negatieve effecten op de in het vierde lid bedoelde wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd volgens de in bijlage F beschreven voorwaarden. Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend de veiligheid, de drinkwatervoorziening, inrichtingen voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie of de plaatsing van installaties voor de opsporing, winning, opslag of het transport van olie en gas. Artikel2.24Agrarisch gebied van ecologische betekenis In een bestemmingsplan wordt voor het in bijlage 10 aangegeven gebied met de aanduiding Agrarisch gebied van ecologische betekenis, naast de agrarische bestemming, tevens de ecologische waarde in de bestemmingsomschrijving tot uitdrukking gebracht. Bestaand gebruik en bestaande bebouwing mogen positief worden bestemd. De wezenlijke kenmerken en waarden van de in bijlage 10 aangegeven gebieden met de aanduiding Agrarisch gebied van ecologische betekenis zijn vermeld in het Natuurbeheerplan Zeeland 2016 zoals dat luidt op de datum van vaststelling van deze verordening. In een bestemmingsplan worden geen bestemmingen aangewezen of regels gesteld die, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, mogelijk maken dat de wezenlijke kenmerken of waarden van de in bijlage 10 aangegeven gebieden met de aanduiding Agrarisch gebied van ecologische betekenis per saldo significant worden aangetast. Ook mag de bestemming niet leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden of tot een significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik worden toegelaten wordt aannemelijk gemaakt dat de in de vorige volzin bedoelde aantasting en vermindering zich niet voordoet. In een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor de in het eerste lid bedoelde gebieden wordt de regel gesteld dat het zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders verboden is in het bestemmingsplan nader te omschrijven werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren die een nadelig effect kunnen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte van de gronden of samenhang tussen gebieden. Daarbij wordt de regel gesteld dat de in de vorige volzin bedoelde omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend indien de wezenlijke kenmerken en waarden per saldo niet significant worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet worden verkleind. Het eerste, vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing op het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels waarbij: sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële andere mogelijkheden zijn en de negatieve effecten op de in het derde lid bedoelde wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd volgens de in bijlage F beschreven voorwaarden. Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend de veiligheid, de drinkwatervoorziening, inrichtingen voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie of de plaatsing van installaties voor de opsporing, winning, opslag of het transport van olie en gas. Artikel2.25Natuurontwikkelingsgebieden In de gebieden vermeld in bijlage 11 met de aanduiding Nieuwe natuur mogen het bestaand gebruik en de bestaande bebouwing positief worden bestemd. In een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor de in het eerste lid bedoelde gebieden worden geen nieuwe vormen van grondgebruik en wordt geen nieuwe bebouwing toegelaten. Het tweede lid is niet van toepassing op het toelaten van grondgebruik en bebouwing ten behoeve van natuurdoeleinden. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken of tijdelijke vormen van grondgebruik zoals bedoeld in artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht zoals dat luidt op de datum van vaststelling van deze verordening. Artikel2.26Wijziging begrenzing Natuurnetwerk Zeeland Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing van de in bijlage 9 en 10 aangegeven gebieden en de aanduiding van wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden wijzigen ten behoeve van: een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het Natuurnetwerk Zeeland voor zover: de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang tussen gronden van het Natuurnetwerk Zeeland worden behouden en de oppervlakte van het Natuurnetwerk Zeeland ten minste gelijk blijft. een kleinschalige ontwikkeling voor zover: de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden beperkt is en de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Zeeland of een vergroting van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Zeeland en de oppervlakte van het Natuurnetwerk Zeeland ten minste gelijk blijft en de voorgenomen wijziging zorgvuldig is onderbouwd waarbij, blijkend uit de bij het bestemmingsplan behorende toelichting, in ieder geval alternatieven zijn afgewogen. de in artikel 2.23 en 2.24, zesde lid onder c bedoelde mitigerende en compenserende maatregelen. Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing van de in bijlage 11 aangegeven gebieden en de aanduiding van wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden wijzigen. Artikel2.27Afwegingszone natuurgebieden In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor gronden die zijn gelegen binnen 100 meter rond bestaande natuurgebieden, niet zijnde binnendijken, zoals aangegeven in bijlage 9, met inachtneming van een ingevolge artikel 2.26 vastgestelde wijziging van de begrenzing, wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurgebieden en wordt aannemelijk gemaakt dat geen onevenredige aantasting van de bedoelde kenmerken en waarden plaatsvindt. In een bestemmingsplan waarin een bevoegdheid tot afwijking van de regels door middel van een omgevingsvergunning wordt opgenomen, voor de in het eerste lid bedoelde gronden, wordt de regel gesteld dat de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend indien geen onevenredige aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het binnen 100 meter afstand gelegen natuurgebied plaatsvindt. Artikel2.28Landschap en erfgoed In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor landschappen, landschapselementen, cultuurhistorisch waardevolle boerderijen of cultuurhistorische elementen vermeld in bijlage G en aangegeven in bijlage 12 wordt inzicht gegeven in de landschappelijke respectievelijk cultuurhistorische waarden van de gronden, boerderijen of elementen. In een bestemmingsplan worden geen bestemmingen aangewezen of regels gesteld die, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, mogelijk maken dat de in het eerste lid bedoelde landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden of elementen significant worden aangetast. Ook mogen de bestemming en de regeling niet leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden of tot een significante aantasting van de samenhang tussen de gronden of elementen. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik worden toegelaten wordt aannemelijk gemaakt dat de in de vorige volzin bedoelde aantasting en vermindering zich niet voordoen. Het tweede lis is niet van toepassing op cultuurhistorisch waardevolle boerderijen zoals vermeld in bijlage G en aangegeven in bijlage
  6. Het tweede lid is niet van toepassing op het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels waarbij: sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële andere mogelijkheden zijn en de negatieve effecten op de in het eerste lid bedoelde landschappelijke en cultuurhistorische waarden, oppervlakte en samenhang van de gronden of elementen zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd volgens de in bijlage F beschreven voorwaarden. Tot een groot openbaar belang wordt in ieder geval gerekend de veiligheid, de drinkwatervoorziening, inrichtingen voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie of de plaatsing van installaties voor de opsporing, winning, opslag of het transport van olie en gas. AFDELING 2.10 MOLENBIOTOOP Artikel2.29Molenbiotoop In de toelichting bij een bestemmingsplan wordt inzicht gegeven in de cultuurhistorische waarde van in of nabij het plangebied aanwezige traditionele windmolens. Een bestemmingsplan bevat regels tot behoud van windvang van de in of nabij het plangebied aanwezige traditionele windmolens. In ieder geval worden in een bestemmingsplan op zodanige wijze bestemmingen aangewezen dan wel regels gegeven dat binnen een straal van 100 meter gerekend vanaf het middelpunt van de traditionele windmolen geen nieuwe bebouwing en beplanting wordt toegelaten hoger dan het laagste punt van de verticaal staande wieken. Het bepaalde in het tweede lid, tweede volzin is niet van toepassing op: bestaand gebruik en bestaande bebouwing; het toelaten van een bouwwerk dat, gezien vanuit de molen, aan de achterzijde van bestaande bebouwing wordt opgericht en waarbij de hoogte en de breedte blijft binnen de hoogte en de breedte van de bestaande bebouwing waarachter het bedoelde bouwwerk wordt opgericht. het toelaten van een bouwwerk dat strekt ter vervanging van bestaande bebouwing en dat al dan niet wordt gebouwd ten behoeve van een andere functie dan de functie van de bestaande bebouwing voor zover de bebouwingsmogelijkheden, krachtens het vigerende bestemmingsplan waarin de bestaande bebouwing is toegelaten, niet worden vergroot. In afwijking van de vorige volzin mogen meer bebouwingsmogelijkheden worden geboden indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen nadelige effecten zullen optreden voor de windvang en de cultuurhistorische waarde van de molen. In een bestemmingsplan worden voorts op zodanige wijze bestemmingen aangewezen dan wel regels gegeven dat binnen een straal van 400 meter gerekend vanuit het middelpunt van de traditionele windmolen een zekere mate van vrije windvang is gewaarborgd. AFDELING 2.11 SLOTBEPALINGEN Artikel2.30Ontheffing Gedeputeerde staten kunnen, op aanvraag van burgemeester en wethouders, ontheffing verlenen van één of meer krachtens artikel 4.1, eerste lid van de Wro gestelde regels voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel2.31Termijn voor aanpassing bestemmingsplannen of beheersverordeningen Voor zover een bepaling in deze verordening verplicht tot aanpassing van een geldend bestemmingsplan, stelt het bevoegd gezag, in afwijking van de in artikel 4.1, tweede lid van de Wro genoemde termijn van een jaar, uiterlijk binnen 2 jaar na inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling een bestemmingsplan vast met inachtneming van deze verordening. Het bepaalde in deze verordening ten aanzien van de toelichting bij een bestemmingsplan is niet van toepassing op bestemmingsplannen die in werking zijn getreden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening. HOOFDSTUK3MILIEU AFDELING 3.1 ALGEMEEN Artikel3.1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: de wet: de Wet milieubeheer; de grondwateronttrekker: de houder van een inrichting als bedoeld in art. 15.34, tweede lid, van de wet; bestaand bedrijfsterrein: een bedrijfsterrein dat op 1 februari 1999 is toegelaten krachtens een bestemmingsplan, een uitwerkings- of wijzigingsplan of een vrijstellingsbesluit ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals deze gold tot 1 juli
  7. AFDELING 3.2 ALGEMEEN PROVINCIAAL MILIEUBELEID §3.2.1Milieukwaliteitseisen (gereserveerd) §3.2.2Instructies voor vergunningen voor inrichtingen (gereserveerd) §3.2.3Gebruik van gesloten stortplaatsen Artikel3.2Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: gesloten stortplaats: een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de wet; nazorgvoorzieningen: de voorzieningen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de wet; werk: een werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Artikel3.3Verbodsbepalingen Het is verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 van de wet bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd: werken te maken of te behouden; stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten indien die handelingen de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de wet, kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. Het eerste lid is niet van toepassing op: het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de wet; handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan. Artikel3.4Ontheffing Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 3.3, eerste lid, gestelde verbod indien het belang dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet. Aan een ontheffing kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden die tot doel hebben: de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd. Artikel3.5Inhoud aanvraag ontheffing De aanvraag om ontheffing, bedoeld in artikel 3.4, wordt in enkelvoud bij gedeputeerde staten ingediend In afwijking van artikel 3.70, derde lid, worden in de aanvraag de volgende gegevens vermeld: naam en adres van de aanvrager; het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen; het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart, die uiterlijk drie maanden voor de aanvraag om ontheffing door het kadaster is afgegeven, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik als bedoeld onder b is aangegeven; de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied bedoeld onder c; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren; de maatregelen die worden getroffen om: de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder f. bedoelde maatregelen. §3.2.4Overige algemene regels §3.2.4.1Onderwater flora en fauna Artikel3.6Verbodsbepalingen Het is een ieder die zich langs, op of onder een oppervlaktewater bevindt verboden, zonder ontheffing van gedeputeerde staten: waterplanten en wieren uit te steken, af te snijden of anderszins te verwijderen, voorhanden te hebben of te vervoeren; waterdieren nodeloos te verontrusten, te vangen, te doden, voorhanden te hebben of te vervoeren; voorwerpen bij zich te hebben die kennelijk tot doel hebben een onder a of b verboden handeling te verrichten; Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de in dit artikel genoemde verboden. Artikel3.7Ontheffing De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6 wordt in enkelvoud ingediend. §3.2.4.2Industrieterreinen van regionaal belang Artikel3.8Aanwijzing industrieterreinen van regionaal belang Als industrieterreinen van regionaal belang als bedoeld in artikel 163, tweede lid, van de Wet geluidhinder zijn aangewezen de volgende gezoneerde industrieterreinen: Industrieterrein Geluidszone Vastgesteld bij GS besluit Besluitnummer Geluidszone Vastgesteld bij: KB besluit Besluitnummer Geluidszone vastgesteld bij: Bestemmingsplan Arnestein n.v.t. n.v.t. 29 juni 1992 92.005653 n.v.t. Vlissingen-Oost n.v.t. n.v.t. 26 juli 1991 91.006723 n.v.t. Schelde / Buitenhaven n.v.t. n.v.t. 14 september 1990 90.019388 n.v.t. Terneuzenwest 12 augustus 1986 1979/95 16 december 1987 58 n.v.t. Oostelijke Kanaaloevers n.v.t. n.v.t. 14 augustus 1990 90.018025 n.v.t. Sluiskil-oost Kanaaleiland n.v.t. n.v.t. 27 november 1990 90.022947 n.v.t. Poel- en Ghellinckpolder 6 januari 1987 145 n.v.t. n.v.t. n.v.t. Axelse Vlakte II 26 november 1997 971170 7+8 n.v.t. n.v.t. 25 september 1997, nr. 22a2 De aanwijzingen van de geluidszones, zoals aangegeven in het eerste lid, van deze bepaling blijven van kracht ook indien de geluidszone(s) zelf bij afzonderlijke besluit word(t)en gewijzigd. §3.2.5Ontgassen Artikel3.9Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: ADN: Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb. 2001, 67); binnenschip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet; vaarweg: voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water in de zin van artikel 1.01, onder D, onder 5°, van het Binnenvaartpolitiereglement; ladingtank: tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd; restladingdamp: damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft; stoffen: chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen; ontgassen: afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht; schipper: persoon als bedoeld in artikel 1.2.1 van deel 1 van het ADN; vervoerder: de onderneming, bedoeld in 1.2.1 van deel 1 van het ADN. UN-nummer: een getal van vier cijfers dat een gevaarlijke stof identificeert tijdens het transport, zoals vastgelegd in de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods van de Verenigde Naties. Artikel3.10Verbod ontgassen Het is de vervoerder en de schipper verboden een ladingtank met restladingdampen van: benzeen (UN 1114), ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN 1267), aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268), brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863), brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993), of koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295). vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen. Gedeputeerde Staten kunnen andere stoffen dan genoemd in het eerste lid aanwijzen waarop het in dat lid bepaalde van overeenkomstige toepassing is, indien dit in het belang van de bescherming van het milieu is of deze stoffen gezondheidsschadelijke eigenschappen bevatten. Artikel3.11Minimumconcentratie restladingsdampen Van een restladingsdamp als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd het percentage, genoemd in het eerste lid, te verlagen. Artikel3.12Voorafgaande belading Het verbod, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, is niet van toepassing indien kan worden aangetoond dat de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in artikel 3.10, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel, dan wel indien kan worden aangetoond dat de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in artikel 3.10, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel. Artikel3.13Veiligheidsredenen Het verbod, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, is niet van toepassing, wanneer het ontgassen plaatsvindt: om redenen van drukverevening die om redenen van veiligheid moet plaatsvinden; tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is. Artikel3.14Vrijstelling Gedeputeerde staten kunnen vrijstelling verlenen van het verbod, gesteld in artikel 3.10, eerste lid, voor daarbij aan te geven categorieën van gevallen. Artikel3.15Ontheffing Gedeputeerde staten kunnen met inachtneming van artikel 3.13 ontheffing verlenen van het verbod, gesteld in artikel 3.10, eerste lid. Artikel3.16Nadere regels Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen. AFDELING 3.3 VOORKOMEN EN BEPERKEN VAN GELUIDHINDER §3.3.1Algemeen Artikel3.17Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: toestel en, motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder; openbare weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, wordt verstaan onder het begrip wegen met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers of fietsers; snelle motorboot: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Binnenvaartpolitiereglement artikel 1.
  8. onder A, onder 17°; deltawateren: Westerschelde, Oosterschelde, Keeten, Mastgat, Zijpe, Krammer, Slaak, Zuidvlije, Krabbekreek, Markiezaatsmeer, Grevelingenmeer, Voordelta, Veerse Meer; vuurwapen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder 3º, van de Wet wapens en munitie; waterscooter: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Binnenvaartpolitiereglement artikel 1.
  9. onder A, onder 18°; luchtkussenvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Besluit luchtkussenvoertuigen Wet geluidhinder. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; motorschip: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Binnenvaartpolitiereglement artikel 1.
  10. onder A, onder 2°; niet structurele activiteiten: activiteiten die maximaal 12 maanden duren, al dan niet verdeeld in meerdere kort durende perioden die zich over meerdere jaren kunnen uitstrekken, maar waarbij de totale tijdsduur van deze activiteiten het totaal van 12 maanden niet overschrijdt. referentieniveau van het omgevingsgeluid: de hoogste waarde van de volgende geluidsniveaus in de dag-, avond en/of nachtperiode: Het L95 van het omgevingsgeluid exclusief de bijdrage van de zogenaamde "niet-omgevingseigen bronnen". Het optredende equivalente geluidsniveau in dB(A), veroorzaakt door zoneringsplichtige wegverkeersbronnen, minus 10 dB. Voor de nachtelijke periode worden alleen wegverkeersbronnen in rekening gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende de nachtperiode. Artikel3.18Aanwijzing milieubeschermingsgebieden De gebieden waarvoor regels gelden ter voorkoming of beperking van geluidhinder worden als zodanig aangewezen op de bij deze verordening behorende kaarten genoemd in bijlage 13 en
  11. Gedeputeerde staten kunnen een op de kaart aangegeven grens nader bepalen. Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat de in het eerste lid aangewezen gebieden als zodanig goed zichtbaar zijn aangeduid door middel van borden, waarvan het model wordt vastgesteld door gedeputeerde staten. De in het derde lid bedoelde borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van dat gebied. Artikel3.19Zorgplicht Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een gebied dat in artikel 3.18 is aangewezen, geluid wordt voortgebracht in zodanige mate dat de heersende natuurlijke rust in dat gebied kennelijk is of wordt verstoord, is verplicht dergelijk handelen achterweg te laten- behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening nadrukkelijk is toegestaan- dan wel,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.