Leidraad invordering gemeentelijke belastingenArtikel0Dit artikel moet nog worden gesplitst Lijst met gebruikte afkortingen Abw Algemene bijstandswet Awb Algemene wet bestuursrecht AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen BW Burgerlijk Wetboek FW Faillissementswet Rv Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Sr Wetboek van Strafrecht Stb Staatsblad Stcrt Staatscourant Sv Wetboek van Strafvordering Wfsv Wet financiering sociale verzekering WSF Wet studiefinanciering 2000 WSNP Wet schuldsanering natuurlijke personen WvK Wetboek van Koophandel Inhoud 1 Leeswijzer Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2 Inleiding op de Leidraad invordering gemeentelijke belastingen § 1 Inleidende opmerkingen 1 Algemeen 2 n.v.t. 3 n.v.t. 4 Aansprakelijkgestelden 5 Karakter van de Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 6 Algemene wet bestuursrecht 7 Algemene uitgangspunten van het invorderingsbeleid 8 Strak en efficiënt beleid 9 Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven 10 Algemene beginselen van behoorlijk bestuur 11 Voor de invordering minder geschikte dagen 12 Datum van binnenkomst bescheiden, bevoegde gemeenteambtenaar 13 De belastingdeurwaarder: gedragsregels 14 Binnentreding 15 Bewaren invorderingsbescheiden 16 Bestuurlijke boeten 17 Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen 18 n.v.t. 19 n.v.t. 3 Tekst van de Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Hoofdstuk I Algemene bepalingen § 1 Toepassingsgebied 1 Algemeen § 1 Begrippen 1 Woonplaats § 2 n.v.t. § 1 Algemeen 1 Civiele invordering 2 Fiscale en civiele mogelijkheden 3 n.v.t. 4 Aanspreken borg § 2 Conservatoir beslag 1 Versnelde invordering 2 Gegronde vrees voor verduistering 3 Materiële schuld § 3 Faillissementsaanvraag 1 Faillissementsaanvraag; algemeen 1A Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag 2 n.v.t. 3 Particulieren 4 vervallen 5 Saneringsaanbod 6 Verzoek uitstel van betaling 7 Toestemming 8 vervallen 9 n.v.t. 10 Verlenen van steunvordering 11 Verzet § 4 Rechtsbijstand in civiele procedures 1 Gemeenteadvocaat 2 Procesvertegenwoordiging 3 n.v.t. 4 n.v.t. 5 In persoon procederen voor de burgerlijke rechter 6 Toestemming 7 n.v.t. § 1 Bevoegdheid belastingdeurwaarder 1 Reikwijdte 2 Bescherming van belastingdeurwaarder Artikel 5 n.v.t. § 1 Reikwijdte Invorderingswet 1 Rente en kosten § 1 Betaling en afboeking 1 Tijdstip van betaling 2 Afboekingen van betalingen 3 Teveelbetaling 4 Ontvangen bedragen uit executie, wettelijke schuldsaneringsregeling of faillissement 5 Splitsing in kosten, rente en belastingaanslag 6 Bestuurlijke boete 7 Aansprakelijkgestelden 8 Betalingen van kleine bedragen 9 Betaling bij vergissing 10 Kwitantie 11 Mededeling afboeking 12 Vrijwillig betaalde belasting § 1 Girale uitbetaling van belastingteruggaven 1 Algemeen 2 Aanwijzen rekeningnummer voor uitbetaling 3 Uitbetalingsfouten Hoofdstuk II Invordering in eerste aanleg § 1 Invordering in eerste aanleg 1 Begin invordering 2 Verzending/uitreiking aanslagbiljet 3 Verzending via TPGPost 4 Uitreiking 5 Meer belastingschuldigen 6 Betalingsplicht aangeslagene 7 Vooraf inlichten erfgenamen e.d. § 1 Betalingstermijnen 1 Algemeen 2 n.v.t. 2a n.v.t. 3 Dagtekening 4 Begrip 'maand' 5 Termijnverlenging 6 Bezwaar- of beroepschrift schorst betalingsverplichting niet § 1 Versnelde invordering 1 Algemeen 2 Vervaldagen op het aanslagbiljet 3 Reikwijdte versnelde invordering 4 n.v.t. 5 Faillissement en de wettelijke schuldsaneringsregeling (eerste lid, onderdeel
(1)alsmede § 2 te worden herschreven. 4 Artikel 26, § 2, lid 20, betalingen op belastingschulden Geformuleerd beleid: 'Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met betalingen die nog moeten worden gedaan op geformaliseerde belastingaanslagen waarop het verzoek om kwijtschelding geen betrekking heeft.' Betalingen op belastingschulden betreffen tevens belastingen die door andere overheden zijn geheven. Als gevolg van het amendement-Noorman-den Uyl is het vanaf 1 januari 1998 niet langer toegestaan onderdelen van uitgaven (waaronder betalingen op belastingschulden) niet of maar heel beperkt mee te nemen. Gemeenten hebben vanaf 1 januari 1998 op dit punt derhalve niet langer beleidsvrijheid. 5 Artikel 26, § 2, lid 26, normbedragen voor bestaanskosten Bij de berekening van de kwijtschelding worden de kosten van bestaan binnen een bepaalde bandbreedte gesteld op 90% van het inkomen van de belastingschuldige. Het is gemeenten toegestaan een ruimer kwijtscheldingsbeleid te voeren door dit percentage te verhogen tot maximaal 100%. Hiertoe dient in de Leidraad een verwijzing te worden opgenomen naar het raadsbesluit waarin dit percentage is vastgesteld. 6 Artikel 28, § 1, lid 1, berekening invorderingsrente Indien het college van burgemeesters en wethouders een regeling heeft vastgesteld waarbij de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 31 van de Invorderingswet 1990 niet dan wel gedeeltelijk van toepassing is verklaard, dient deze passage herschreven te worden. Gemeenten hebben immers de bevoegdheid zelfstandig regels te stellen voor de bij de berekening van de invorderingsrente toe te passen afrondingen en voor het niet in rekening brengen van invorderingsrente die een bepaald bedrag niet te boven gaat. (Dit geldt eveneens voor artikel 30, § 1, lid 1 van deze Leidraad.) 7 Artikel 48, § 2, lid 1, drempel van € 23,- bij invordering erfgenamen In de model-Leidraad is bepaald dat in een situatie waarbij een aanslag ten name van een overledene niet meer bij de gezamenlijke erfgenamen kan worden ingevorderd, invordering achterwege blijft ten last van een erfgenaam van wie minder dan euro 23,- moet worden ingevorderd. In de plaats van deze euro 23,- kan een ander bedrag worden opgenomen. 8 Artikel 49, § 2, lid 3, geen aansprakelijkstelling onder € 227,- Ten aanzien van de aansprakelijkstelling van derden voor een belastingschuld kan de gemeente een grens vaststellen waaronder derden niet aansprakelijk worden gesteld. De model-Leidraad gaat uit van een grens van euro 227,-. 9 Hoofdstuk XII, § 3, lid 2, Vervolgingskosten Het staat gemeenten vrij een ander beleid te formuleren ten aanzien van omstandigheden waarbij voor het uitbrengen van exploiten geen vervolgingskosten in rekening worden gebracht. Ook ten aanzien van Hoofdstuk XII, § 3, lid 3 van deze model-Leidraad geldt dat een andere benadering ten aanzien van de vervolgingskosten denkaar is. 10 Hoofdstuk XV, § 4, lid 1, minimumbedrag voor paspoortsignalering In de model-Leidraad is als beleid geformuleerd dat geen verzoek om paspoortsignalering aan de minister van Binnenlandse Zaken wordt voorgelegd indien de totale materiële belastingschuld minder dan euro 4.538,- bedraagt. Dit minimumbedrag kan in overleg met het ministerie aangepast worden. 2 Inleiding § 1 Inleidende opmerkingen Algemeen 1 In deze leidraad wordt verstaan onder: belastingdeurwaarder: de daartoe door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaar; de wet: de wet van 1 juni 1990 op de invordering van rijksbelastingen andere dan invoerrechten en accijnzen (Invorderingswet 1990); de regeling: de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; belastingen: belastingen die door de gemeente worden geheven; negatieve definitieve aanslag: de aanslag als bedoeld in artikel 15 van de AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief bedrag; gegevensdrager: boeken, bescheiden en andere gegevensdragers; ontvanger: de gemeenteambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie terzake mandaat is verleend door de ontvanger; het vragen van gegevensdragers: de vordering om boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, zulks ter keuze van de ontvanger, voor raadpleging ter beschikking te stellen; de inspecteur: de gemeenteambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie terzake mandaat is verleend door de inspecteur; wettelijke schuldsaneringsregeling: de schuldsaneringsregeling op grond van de Wet tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen, ook wel de WSNP genoemd. Onder de overige in deze leidraad gebezigde begrippen wordt hetzelfde verstaan als hetgeen daaromtrent in de wet wordt verstaan. Voor de toepassing van deze leidraad worden de op andere wijze geheven belastingen aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen. 2 n.v.t. Op basis van artikel 249 van de Gemeentewet zijn de artikelen 5, 20, 21, 59, 62 en 69 van de Invorderingswet 1990 niet van toepassing voor de invordering van gemeentelijke belastingen. Bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 7, derde lid, en 8, eerste lid van de wet buiten toepassing. 3 n.v.t. Aansprakelijkgestelden 4 De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als ten aanzien van belastingschuldigen. Ook hier is terwille van de leesbaarheid op de daarvoor geëigende plaatsen vermeden tevens de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften op de invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden te beperken. Karakter van de Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 5 De wet bevat voorschriften ter verwezenlijking van de aanspraken die de gemeente op de belastingschuldigen heeft. Deze voorschriften beogen de invordering op eenvoudige, weinig kostbare en doeltreffende wijze te doen plaatshebben. De bepalingen van deze leidraad strekken er toe het invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren. De leidraad beoogt niet een uiteenzetting te geven van de bestaande jurisprudentie. Algemene wet bestuursrecht 6 Hoewel artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 van de Awb niet van toepassing zijn op de wet, wordt, zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met de Awb gehandeld. De ontvanger dient bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriaal verkoop, en dergelijke). Zie in dit verband het tiende lid van deze paragraaf. Het voorgaande betekent onder meer dat de ontvanger handelt overeenkomstig deze leidraad, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de leidraad te dienen doelen (vgl. art. 4:84 Awb). Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er dient dus sprake te zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden, op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren in verhouding tot de door de ontvanger te dienen belangen. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in art. 3:4 Awb. Algemene uitgangspunten van het invorderingsbeleid 7 Als de invordering op verschillende wijzen kan geschieden, geldt als uitgangspunt dat de voor de gemeente eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze de voorkeur verdient. Soms is verhaal mogelijk door middel van een vordering op grond van artikel 19 van de wet. Het verdient de voorkeur om reeds voordat tot de tenuitvoerlegging van het dwangbevel wordt besloten, te bezien of van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, nu het daarbij gaat om een specifiek in de wet voorziene invorderingsmaatregel waarbij doelmatigheid en doeltreffendheid voorop staan. Strak en efficiënt beleid 8 Hoewel de ontvanger een open oog dient te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de belastingschuldige, is zijn taak er in de eerste plaats op gericht te bewerkstelligen dat wordt voldaan aan de betalingsverplichtingen en wel als regel binnen de termijn of termijnen die de wet, c.q. de verordening daartoe stelt. De ontvanger dient zich er steeds van bewust te zijn dat het verlengen van betalingstermijnen of het oplopen van een belastingschuld kan leiden tot de situatie, waarin de schuld niet meer invorderbaar blijkt, dan wel, voorzover nog wel invorderbaar al dan niet in geval van faillissement, de belangen van andere schuldeisers kan schaden. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven 9 Als de ontvanger het nodig acht in het kader van de invordering maatregelen te treffen, waardoor naar redelijkerwijs moet worden aangenomen, het voortbestaan wordt bedreigd van een bedrijf of een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden, vraagt hij daartoe toestemming van het college van burgemeester en wethouders. De enkele maatregel van beslaglegging behoeft niet steeds het vorenbedoelde effect te hebben. Zo zijn er zeer wel gevallen denkbaar waarin op een zodanige wijze kan worden gehandeld, dat derden geheel onkundig blijven van de beslaglegging. Daarentegen is in het algemeen van een daadwerkelijke bedreiging van het voortbestaan bijvoorbeeld wel sprake en dient dus toestemming te worden gevraagd als: met beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijf wordt beoogd; door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd; derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het geval is bij derdenbeslag; de beslaglegging andere crediteuren zal bewegen tot het nemen van bijzondere stappen, waaronder mede wordt verstaan het opzeggen van het bankkrediet; de ontvanger van een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door de schuldeiser. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur 10 Het optreden van de ontvanger dient in alle gevallen zorgvuldig te zijn. Daarbij dienen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als uitgangspunt. Tot de voornaamste algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden gerekend de beginselen van gelijkheid, motivering, rechtszekerheid en zorgvuldigheid. Een aantal van die beginselen is opgenomen in de Awb, maar niet allemaal. Zo ontbreekt in de Awb thans nog ondermeer het gelijkheidsbeginsel. De genoemde beginselen komen tot uitdrukking bij de afweging van de belangen van de gemeente, de belastingschuldigen en eventueel betrokken derden. Een van de consequenties hiervan is dat, hoezeer ook de gemeente gebruikmaakt van automatisering en massale administratieve processen, aan de redelijke belangen van de belastingschuldigen of derden niet voorbij mag worden gegaan. In dit verband wordt er tevens op gewezen, dat de ontvanger niet alleen verantwoordelijk is voor de inning op juiste wijze van vorderingen waarvan de invordering aan hem is opgedragen, maar ook voor de beslissing (ook in afwijzende zin) op verzoeken van belastingschuldigen om enigerlei tegemoetkoming. Het optreden van de ontvanger dient steeds blijk te geven van tact en gevoel voor objectiviteit. Het beginsel van gelijke behandeling komt tot uitdrukking in de gelijke behandeling van (in hoge mate) gelijke gevallen. Het motiveringsbeginsel betekent voor de ontvanger dat hij zijn handelingen en besluiten deugdelijk motiveert zodat de belastingschuldige of de derde van zijn beweegredenen kennis kan nemen en zich eventueel tegen de (voorgenomen) handelingen of besluiten kan verweren. Voorts brengen de beginselen van behoorlijk bestuur met zich mee dat opgewekt vertrouwen wordt gehonoreerd en dat de aan de ontvanger gegeven bevoegdheden slechts worden gebruikt overeenkomstig hun bedoeling. Voor de invordering minder geschikte dagen 11 Op dagen die daarvoor uit beleidsmatig oogpunt minder geschikt worden geacht, worden ten aanzien van particulieren in het algemeen geen invorderingsmaatregelen genomen, die zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven. In het bijzonder kan hierbij worden gedacht aan landelijke of regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen. Het vorenstaande geldt ook voor degenen die een onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen, één en ander voorzover het invorderingsmaatregelen betreft die betrekking hebben op bezittingen die tot de privé-sfeer van deze belastingschuldigen kunnen worden gerekend. Datum van binnenkomst bescheiden; bevoegde gemeenteambtenaar 12 Als aan de indiening van bepaalde bescheiden (bijvoorbeeld een beroepschrift ex artikel 22 of een bezwaarschrift ex artikel 30 van de wet, een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, etc.) rechtsgevolgen zijn verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend, wordt de datum van binnenkomst bij een niet bevoegde instantie beschouwd als datum van binnenkomst bij de bevoegde ontvanger. Het vorenstaande is overeenkomstig van toepassing indien genoemde bescheiden worden ingediend bij een andere autoriteit waarvan de indiener meende en redelijkerwijs kon menen dat deze autoriteit de tot ontvangst bevoegde instantie was. Als echter de ontvanger tussen de twee genoemde data heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, blijven deze gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg en het aansprakelijk stellen van derden. Als op grond van de wet of het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de indiening van bepaalde bescheiden, het maken van bezwaar, het indienen van een beroepschrift, het doen van verzet, enz. dient te geschieden bij de belastingdeurwaarder respectievelijk bij de ontvanger maar dit feitelijk bij een andere gemeenteambtenaar heeft plaatsgevonden, wordt deze indiening enz. geacht bij de belastingdeurwaarder respectievelijk bij de ontvanger te hebben plaatsgevonden. De belastingdeurwaarder: gedragsregels 13 Belastingdeurwaarder is de door of namens het college van burgemeester en wethouders als zodanig aangewezen ambtenaar van de gemeente. De rechten en plichten uit hoofde van de Ambtenarenwet zijn op hem van toepassing. In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de ontvanger). Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid, gebruikt hij zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend en waakt hij ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die handelingen te dienen doelen. Ter voorkoming van misverstanden meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en legitimeert hij zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van enige gemeentelijke belasting. De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de door hem rechtstreeks aan de wet en aan Rv ontleende bevoegdheden slechts uitoefent na daartoe verkregen opdracht van de ontvanger en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen. Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem of een ander heeft gedragen een klacht in te dienen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is. Binnentreding 14 Als de belastingdeurwaarder in een woning wil binnentreden om beslag te kunnen leggen, handelt hij overeenkomstig het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden. Dit betekent dat hij zich steeds moet legitimeren en het doel van de binnentreding moet meedelen. Alvorens de belastingdeurwaarder overgaat tot het binnentreden van een woning, waarvan de bewoner niet aanwezig is dan wel waarvan de bewoner toestemming tot binnentreding weigert, raadpleegt de belastingdeurwaarder de gemeentelijke basisadministratie om zich te vergewissen van de meest recente adresgegevens van de betrokken belastingschuldige. Gelet op het belang van de bescherming van het huisrecht mag de belastingdeurwaarder van de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen alleen gebruikmaken voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Dit betekent dat niet willekeurig of lichtvaardig gebruik mag worden gemaakt van de uitoefening van de bevoegdheid tot binnentreden. Het belang waarmee het binnentreden is gediend moet opwegen tegen de inbreuk op het huisrecht. Het invorderingsbelang dat is gediend met binnentreding door de belastingdeurwaarder in de woning van de belastingschuldige, tegen diens wil, dient telkenmale te worden afgewogen tegen het belang van bescherming van het huisrecht. Het binnentreden zal in concreto en met het oog op het doel waartoe wordt binnengetreden redelijkerwijs nodig moeten zijn. Indien het doel ook op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bereikt, zoals bijvoorbeeld door het leggen van loonbeslag, moet worden afgezien van het binnentreden zonder toestemming van de bewoner. Ook van belang is op welke wijze zal worden binnengetreden. De inbreuk op het huisrecht dient niet groter te zijn dan in het concrete geval noodzakelijk is. Indien het binnentreden beperkt kan blijven tot enkele gedeelten van de woning, zou het in strijd zijn met de eis van de proportionaliteit indien zonder redenen alle ruimten van de woning betreden worden. De belastingdeurwaarder zal veelal met de binnentredingsproblematiek worden geconfronteerd in het kader van een beslagopdracht op roerende zaken. Indien bij uitvoering van die opdracht de bewoner niet aanwezig is dan wel de belastingdeurwaarder geen toestemming van de bewoner krijgt tot binnentreden in een woning, wordt niet binnengetreden dan na overleg met de ontvanger die de beslagopdracht heeft gegeven, tenzij de belastingdeurwaarder door niet onmiddellijk binnen te treden van oordeel is dat de belangen van de gemeente zullen worden geschaad. Ten overvloede wordt opgemerkt dat ook niet wordt binnengetreden als wel toestemming door de bewoner wordt verleend, maar de belastingdeurwaarder tot het oordeel komt dat binnentreden op dat moment in redelijkheid niet wenselijk is, bijvoorbeeld in het geval een huisgenoot van belastingschuldige op sterven ligt. In het overleg met de belastingdeurwaarder over de vraag of zonder toestemming van de bewoner in een woning moet worden binnengetreden, zal de ontvanger naast de voormelde criteria ook anderszins de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dienen te nemen. Verwezen wordt in dit verband naar § 1, Inleidende opmerkingen, tiende lid, van deze leidraad. Met betrekking tot binnentredingssituaties zonder toestemming van de bewoner in andere gevallen dan in het kader van de opdracht tot beslaglegging op roerende zaken, zoals bijvoorbeeld voor een nadere inventarisatie, het wegvoeren van zaken, de voorbereiding van de verkoop, het gelegenheid geven tot bezichtiging en de verkoop zelf, dient de belastingdeurwaarder te allen tijde te overleggen met de ontvanger die met de invordering is belast. Bij het binnentreden tegen de wil van de bewoner geldt in alle gevallen onverkort artikel 444, tweede lid, Rv. Dit betekent dat de belastingdeurwaarder zich in die gevallen dient te vervoegen bij de burgemeester van de gemeente, in wiens tegenwoordigheid de opening van de deuren of van het huisraad zal worden gedaan, of bij de hulpofficier van Justitie. De belastingdeurwaarder is er tegenover de belastingschuldige verantwoordelijk voor dat de functionaris die bij de binnentreding aanwezig is, ook daartoe is bevoegd in de zin van artikel 444 Rv. De burgemeester of de hulpofficier van Justitie tot wie de belastingdeurwaarder zich wendt heeft in het kader van het binnentreden zonder toestemming van de bewoner een eigen verantwoordelijkheid en zal voorafgaand aan het binnentreden ook een toetsing verrichten om te voorkomen dat een lichtvaardig gebruik wordt gemaakt van de bij de wet toegekende bevoegdheden tot binnentreden. Het is derhalve niet alleen de ontvanger of de belastingdeurwaarder die een afweging maakt tussen het belang waarmee het binnentreden in een concreet geval is gediend en het belang van het beschermen van het huisrecht van de bewoner. Komt de burgemeester of de hulpofficier in een specifiek geval tot het oordeel dat de bescherming van het huisrecht dient te prevaleren boven het belang dat met het binnentreden is gediend, dan wordt niet binnengetreden. Voorts zal de burgemeester of de hulpofficier beoordelen of de wijze van uitoefening van de bevoegdheid tot binnentreden voldoet aan de eis van proportionaliteit. Bij binnentreding in bedrijfsruimten en andere ruimten die niet als woning zijn aan te merken, geldt niet de Algemene wet op het binnentreden, maar wel het bepaalde in artikel 444 Rv. Alvorens de belastingdeurwaarder zonder toestemming een bedrijfsruimte betreedt, zal hij daartoe eerst het handelsregister raadplegen, teneinde te kunnen beschikken over de meest actuele gegevens. In geval de belastingdeurwaarder twijfelt of een bepaalde ruimte als woning moet worden aangemerkt, dient hij zekerheidshalve te handelen als bij woningen. Bewaren invorderingsbescheiden 15 De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende drie jaren na afdoening of zo veel langer als het recht tot dwanginvordering van de daaraan ten grondslag liggende belastingaanslag nog niet is verjaard. De op kwijtschelding betrekking hebbende bescheiden worden gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer indien redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meerdere bepaalde belastingaanslagen worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard of zo veel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bestuurlijke boeten 16 Beschikkingen en/of uitspraken inzake bestuurlijke boeten worden ingevorderd als belasting en volgen het regime van de belasting waarmee zij verband houden. Een op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de wet met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig en in verband met de vaststelling van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel m, van de wet is opgelegd, is invorderbaar in zoveel termijnen als geldt voor die belastingaanslag. Losse boetebeschikkingen, dat wil zeggen boetebeschikkingen die niet in verband staan tot een bepaalde belastingaanslag of boetebeschikkingen die wel in verband staan tot een bepaalde belastingaanslag, maar niet gelijktijdig met die belastingaanslag zijn vastgesteld, kennen een betalingstermijn van twee maanden. Tevens wordt opgemerkt dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 32 van de wet, ook derden aansprakelijk kunnen worden gesteld voor bestuurlijke boeten. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen 17 In de gevallen dat belastingschuldige of zijn gemachtigde, om andere redenen dan in verband met artikel 35 van de wet, verzoekt om een verklaring dat op dat moment ten name van hem noch belastingaanslagen openstaan noch andere vorderingen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen en/of verzoekt om een verklaring waaruit blijkt dat zich in het verleden voor wat betreft de invordering geen moeilijkheden hebben voorgedaan komt de ontvanger aan een zodanig verzoek tegemoet, tenzij uiteraard een dergelijke verklaring in strijd zou zijn met de werkelijkheid. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden. De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belastingschuldige blijft achterwege tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is. 18 n.v.t. 19 n.v.t. Tekst van de Leidraad Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1 Deze wet geldt bij de invordering van rijksbelastingen. Op deze wet zijn artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 231, eerste lid, Gemeentewet 1.Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen. § 1 Toepassingsgebied Algemeen 1 Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Allereerst is de wet van toepassing op belastingaanslagen die zijn vastgesteld op de voet van de AWR. Daarnaast zijn de bepalingen van de wet geheel of ten dele van toepassing op velerlei andere heffingen. Een verdere uitbreiding van de reikwijdte van de wet is te vinden in artikel
- De bepalingen van deze leidraad zijn geheel respectievelijk ten dele van toepassing op alle heffingen waarop de wet geheel respectievelijk ten dele van toepassing is en waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen. In het tweede lid van artikel 1 van de wet is de relatie van de wet tot de Awb aangegeven. Verwezen wordt in dit verband naar §1, Inleidende opmerkingen, zesde lid, van deze leidraad. Artikel 2 De wet verstaat onder: rijksbelastingen: belastingen welke van rijkswege door de rijksbelastingdienst worden geheven, alsmede rechten bij invoer en rechten bij uitvoer als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, van de Douanewet; heffingsrente en revisierente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; Communautair douanewetboek: verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302); toepassingsverordening Communautair douanewetboek: verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van de verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 253); compenserende interesten: de compenserende interesten, bedoeld in de artikelen 589 en 709 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek; kosten van ambtelijke werkzaamheden: de kosten, bedoeld in hoofdstuk 4, paragraaf 2, van de Douanewet; bestuurlijke boeten: de verzuimboeten en de vergrijpboeten, bedoeld in hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dan wel in enige andere wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen; Onze Minister: Onze Minister van Financiën; directeur, inspecteur of ontvanger: de functionaris die als zodanig bij ministeriële regeling is aangewezen; belastingdeurwaarder: de door Onze Minister als zodanig aangewezen ambtenaar van de rijksbelastingdienst; belastingschuldige: degene te wiens naam de belastingaanslag is gesteld; werknemer, artiest, beroepssporter, buitenlands gezelschap, dienstbetrekking en inhoudingsplichtige: de werknemer, de artiest, de beroepssporter, het buitenlandse gezelschap, de dienstbetrekking en de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964; belastingaanslag: de voorlopige aanslag, de aanslag, de uitnodiging tot betaling, de navorderingsaanslag en de naheffingsaanslag, alsmede de voorlopige conserverende aanslag, de conserverende aanslag en de conserverende navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting, het recht van successie en het recht van schenking; kind: eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de neergaande lijn; sociale verzekeringspremies: de premies voor de sociale verzekeringen, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en c, van de Wet financiering sociale verzekeringen, en de ingevolge de Zorgverzekeringswet geheven inkomensafhankelijke bijdrage. Deze wet verstaat mede onder: rijksbelastingen: de heffingsrente, de revisierente, de compenserende interesten, de kosten van ambtelijke werkzaamheden, alsmede de bestuurlijke boeten; wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen: de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Douanewet, voorzover deze betrekking hebben op de heffing van rijksbelastingen; belastingaanslag: een ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen of enige andere wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen vastgestelde beschikking of uitspraak strekkende tot - al dan niet nadere - vaststelling van een ingevolge die regelingen verschuldigd of terug te geven bedrag; aanslagbiljet: de kennisgeving van de beschikking of de uitspraak, bedoeld in onderdeel c; invorderen van rijksbelastingen: het betalen van een terug te geven bedrag aan rijksbelastingen. Voor de toepassing van deze wet geldt, in afwijking in zoverre van het eerste en het tweede lid en behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken ingevolge het elders in deze wet bepaalde, als belastingaanslag: de belastingaanslag na toepassing van de ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen of enige andere wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen voorziene verrekeningen; ingeval een aanslagbiljet naast een of meer belastingaanslagen als bedoeld in onderdeel a een of meer ingevolge het tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikkingen omvat: het gezamenlijke bedrag van de ingevolge de op het aanslagbiljet vermelde belastingaanslagen in te vorderen bedragen. Ingeval het derde lid, aanhef en onderdeel b, toepassing vindt, worden de op het aanslagbiljet vermelde bestanddelen - wat belasting betreft na de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde verrekening - tot een negatief bedrag geacht naar evenredigheid te zijn verrekend met de bestanddelen tot een positief bedrag en omgekeerd. Bepalingen van deze wet die rechtsgevolgen verbinden aan het aangaan, het bestaan, de beëindiging of het beëindigd zijn van een huwelijk zijn van overeenkomstige toepassing op het aangaan, het bestaan, de beëindiging onderscheidenlijk het beëindigd zijn van een geregistreerd partnerschap. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt een Europese coöperatieve vennootschap gelijkgesteld met een Europese naamloze vennootschap. Artikel 231, tweede en derde lid, van de Gemeentewet Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen: Onze Minister van Financiën, het bestuur van 's Rijksbelastingen en de directeur: het college; de inspecteur: de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen; de ontvanger of een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger: de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen; de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de gemeenteambtenaren belast met de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen; de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen gemeenteambtenaar. de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de Tweede Kamer: de raad. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen in de Algemene wet en in de Invorderingswet 1990 voor 'algemene maatregel van bestuur' en voor 'ministeriële regeling' gelezen: besluit van het college. Met betrekking tot gemeentelijke belastingen wordt in de artikelen 27l, 27n, 27p en 29b van de Algemene wet voor ‘de Staat’ gelezen: de gemeente. Artikel 249 Gemeentewet Bij de invordering van gemeentelijke belastingen blijven van de Invorderingswet 1990 buiten toepassing de artikelen 5, 20, 21, 59, 62 en
- Bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 7, derde lid, en 8, eerste lid, van die wet buiten toepassing. Vertaalbepaling Gemeentewet In artikel 231 van de Gemeentewet is de Invorderingswet 1990 van toepassing verklaard op de invordering van gemeentelijke belastingen. Tegelijkertijd zijn in artikel 249 van de Gemeentewet enkele artikelen van toepassing uitgezonderd. In deze Leidraad is bij de uitgezonderde artikelen steeds vermeld dat deze niet van toepassing zijn voor gemeenten. In artikel 231 van de Gemeentewet is tevens bepaald aan welke bestuursorganen van de gemeente de in de Invorderingswet genoemde bevoegdheden toekomen. Het gaat daarbij om een vertaling van de functionarissen die in artikel 2 van de wet worden genoemd naar bestuursorganen van de gemeente. Daar waar de Invorderingswet 1990 spreekt over Onze Minister is bij de gemeente het college van burgemeester en wethouders bevoegd. In deze leidraad is vastgelegd hoe de bevoegdheden ten aanzien van de invordering bij de gemeente zijn verdeeld tussen het college van burgemeester en wethouders, de ontvanger en de functionarissen van de gemeente. § 1 Begrippen Woonplaats 1 Artikel 2 geeft een nadere omschrijving van in de wet gebruikte begrippen. Met opzet is er van afgezien in de wet een nadere omschrijving van het begrip woonplaats te geven. Omdat de wettelijke bepalingen in het kader van de invordering aansluiten bij de bepalingen inzake burgerlijke rechtsvordering, wordt onder woonplaats zo veel mogelijk verstaan het begrip woonplaats als bedoeld in artikel 1:10 tot en met 1:15 BW. Dit geldt in ieder geval met betrekking tot de op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in acht te nemen formaliteiten bij de invordering. Met nadruk wordt erop gewezen dat een in het kader van de heffing aan het college van burgemeester en wethouders opgegeven verblijfplaats niet zonder meer kan gelden als woonplaats. In het geval dat geen woonplaats in Nederland bekend is, verdient het bij twijfel over de werkelijke verblijfplaats de voorkeur te betekenen in persoon of overeenkomstig de overigens in artikel 54 Rv opgenomen wijze van betekenen. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van de eerste afdeling van hoofdstuk Vl van de wet kan voor de inhoud van de in die bepalingen gebruikte begrippen woon- plaats en plaats van vestiging veelal worden aangesloten bij de inhoud van die begrippen in de heffingswet op grond waarvan de belastingschuld, waarvoor de aansprakelijkheid wordt ingeroepen, is ontstaan. § 2 n.v.t. Artikel 3 De ontvanger is belast met de invordering van de rijksbelastingen. Naast de bevoegdheden die de ontvanger heeft ingevolge deze wet, beschikt hij ook over de bevoegdheden die een schuldeiser heeft op grond van enige andere wettelijke bepaling. In alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak treedt de ontvanger als zodanig in rechte op. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling de gevallen aanwijzen waarin de invordering van landbouwheffingen geschiedt door een ander dan de ontvanger. § 1 Algemeen Civiele invordering 1 Het bepaalde in de volgende artikelen is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. Fiscale en civiele mogelijkheden 2 De ontvanger heeft al de bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Daarnaast beschikt hij op grond van de wet over specifieke bevoegdheden. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger zowel gebruik kan maken van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden als van specifieke fiscale bevoegdheden om hetzelfde doel te bereiken. Er bestaat, onverminderd hetgeen daaromtrent in het vijfde lid van de inleidende opmerkingen is gesteld, in dat geval geen algemene regel die bepaalt welke bevoegdheden voorgaan. In beginsel is de ontvanger derhalve vrij in zijn keuze van invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Bij deze keuze worden desalniettemin de belangen van de gemeente zorgvuldig afgewogen tegen die van de belastingschuldige en eventuele derden. Het resultaat van deze belangenafweging moet de toets van behoorlijk bestuur kunnen doorstaan en bepaalt daarmee in belangrijke mate de grenzen van de keuzevrijheid van de ontvanger. In de gevallen waarin de ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van gebruikmaking van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, geschiedt dit alleen indien het belang van de invordering bij een dergelijke wijziging opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. In dit verband moet worden bedacht dat enig nadeel bij een zodanige wijziging voor de belastingschuldige en de derde niet altijd te voorkomen zal zijn. 3 n.v.t. Aanspreken borg 4 Ingeval de belastingschuldige in gebreke is te betalen en er geen uitzicht is op spoedige betaling of verhaal dient direct de borg te worden aangesproken. Wel zal eerst de totale omvang van de verschuldigde belasting vastgesteld moeten worden. De schuld, waarvoor de borg wordt aangesproken, dient onherroepelijk vast te staan. Het aanspreken van de borg vindt zoveel mogelijk in één keer plaats. § 2 Conservatoir beslag Versnelde invordering 1 Om de rechten van de gemeente veilig te stellen voordat belastingaanslagen invorderbaar zijn, staan de ontvanger veelal twee wegen open: gebruikmaking van versnelde invordering op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet of het leggen van conservatoir beslag. Het geheel der feiten en omstandigheden bepaalt de keuze van de ontvanger. Met name de noodzaak tot slagvaardig optreden zal er veelal toe leiden dat de keuze ten gunste van de versnelde invordering uitvalt. Gegronde vrees voor verduistering 2 Indien de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, legt de ontvanger niet alsnog om dezelfde grond executoriaal beslag ingevolge de artikelen 10 en
- Materiële schuld 3 In situaties waarin direct invorderingsmaatregelen nodig zijn om de inning van materieel verschuldigde belasting, waarvoor nog geen belastingaanslag is opgelegd, veilig te stellen, wordt zo veel mogelijk eerst de belastingschuld in een belastingaanslag geformaliseerd, waarna invorderingsmaatregelen worden genomen. Als het echter niet mogelijk is een belastingaanslag op te leggen, wordt alleen dan tot conservatoir beslag overgegaan als aan de materiële verschuldigdheid in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld. Het opleggen van de belastingaanslag kan worden beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv. De belastingaanslag wordt opgelegd binnen de termijn die de voorzieningenrechter daartoe stelt. Gebeurt dit niet dan vervalt het beslag, maar de mogelijkheid om de belastingaanslag op te leggen blijft bestaan. § 3 Faillissementsaanvraag Faillissementsaanvraag; algemeen 1 Een faillissement heeft voor een belastingschuldige doorgaans ingrijpende maatschappelijke gevolgen. Daarom weegt de ontvanger bij de beslissing of tot aanvragen van faillissement moet worden overgegaan alle betrokken belangen zorgvuldig tegen elkaar af. Bij ondernemingen wordt daarbij met name aandacht besteed aan de mogelijke consequenties van het faillissement voor de voortzetting van de bedrijfsactiviteiten alsmede gevolgen van het faillissement voor de werkgelegenheid van de betrokken werknemers. Voorts zal de ontvanger alleen dan tot faillissementsaanvraag overgaan als de belastingschuldige verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen (zie artikel I Fw). Onverminderd het vorenstaande blijft een faillissementsaanvraag achterwege als de belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht van korte duur is. De belastingaanslagen waarvoor het faillissement wordt aangevraagd, moeten onherroepelijk vaststaan ofwel in redelijkheid materieel verschuldigd kunnen worden geacht. Dit laatste zal moeten blijken uit een schriftelijke verklaring van de inspecteur. Zijn er echter naast de voorlopige aanslag nog andere onbetaald gebleven belastingaanslagen dan kan de voorlopige aanslag, samen met de andere onbetaald gebleven belastingaanslagen, wel worden opgenomen in een faillissementsaanvraag. In dat geval is er geen reden een voorlopige aanslag buiten de faillissementsaanvraag te houden. Geen faillissement wordt aangevraagd gedurende de loop van een aan de belastingschuldige voor desbetreffende belastingaanslagen verleend uitstel van betaling. In dat geval wordt, voordat wordt overgegaan tot de aanvraag van het faillissement, het uitstel beëindigd. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag 1A Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, wordt, als aan ten minste twee van de in artikel 19a, eerste lid, BW vermelde omstandigheden is voldaan, in beginsel de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die ertoe moeten leiden dat die rechtspersoon wordt ontbonden, boven het aanvragen van het faillissement van die rechtspersoon. Voor de te treffen maatregelen die moeten leiden tot ontbinding van de rechtspersoon is toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist. 2 n.v.t. Particulieren 3 Voor particulieren heeft een faillissement doorgaans vergaande emotionele en sociale gevolgen. Om die reden blijft voor deze groep belastingschuldigen het aanvragen van faillissement op voorhand achterwege als kan worden verwacht dat de aanwezige vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement door de ontvanger kunnen worden uitgewonnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan. Onder particulieren moet in dit verband worden verstaan natuurlijke personen die niet een onderneming drijven c.q. zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen. Natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening hebben gestaakt, worden in dit verband niet beschouwd als particulieren. Onbeheerde nalatenschap 4 Vervallen. Saneringsaanbod 5 Als de belastingschuldige, voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen, een verzoek om kwijtschelding of een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling doet, dan wel een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt, een en ander in de zin van artikel 26, § 21, van de leidraad, zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek c.q. het aanbod aan een nader oordeel te onderwerpen. Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het aanbod louter gedaan is om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren of als het aanbod onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid opgenomen saneringsbeleid en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek c.q. het aanbod bij beschikking gemotiveerd af zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden. Verzoek uitstel van betaling 6 Als de belastingschuldige, voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen, een verzoek om uitstel van betaling doet, zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek aan een nader onderzoek te onderwerpen. Hiervan wordt afgeweken indien op voorhand duidelijk is dat het verzoek louter gedaan is om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren of als het verzoek onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde uitstelbeleid en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek bij beschikking gemotiveerd af zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden. Toestemming 7 Voor iedere faillissementsaanvraag door de ontvanger is de schriftelijke toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist. Toestemming wordt in ieder geval niet verstrekt indien de door de ontvanger voorgenomen faillissementsaanvraag niet past binnen het in deze paragraaf verwoorde beleid. 8 vervallen 9 n.v.t. Verlenen steunvordering 10 Als een andere schuldeiser van de belastingschuldige het initiatief neemt om tot een faillissementsaanvraag over te gaan en hij daartoe de ontvanger om gegevens over de belastingschuld verzoekt om deze te gebruiken als zogenaamde steunvordering bij de faillissementsaanvraag, verstrekt de ontvanger deze gegevens alleen als dit in het belang van de invordering is. Voor het verstrekken van deze gegevens geldt niet hetgeen in het eerste tot en met het zevende lid van deze paragraaf is vermeld met betrekking tot faillissementsaanvraag door de ontvanger. Wel is voor het verstrekken van deze gegevens toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist indien het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of een zelfstandig beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden (zie Inleidende opmerkingen, § 1, negende lid, van deze Leidraad). De gegevens worden uitsluitend schriftelijk verstrekt. Wanneer de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van de belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de belastingschuld als steunvordering, geldt wel hetgeen hiervoor is vermeld in het eerste, derde, zevende en achtste lid van deze leidraad. In dat geval is dus ook toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist. Verzet 11 Als de ontvanger gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot verzet als bedoeld in artikel 10 Fw. heeft hij hiervoor toestemming van het college van burgemeester en wethouders nodig. §
- Rechtsbijstand in civiele procedures Gemeenteadvocaat 1 Aan de advocaat aan wie de rechtsbijstand van de gemeente in invorderingszaken is opgedragen, wordt de persoonlijke titel van gemeenteadvocaat verleend. In overleg met de gemeenteadvocaat kan aan één of meer van zijn kantoorgenoten de persoonlijke titel van plaatsvervangend gemeenteadvocaat worden verleend. Procesvertegenwoordiging 2 In voor de burgerlijke rechter dienende zaken waarin procesvertegenwoordiging verplicht is en welke voortvloeien uit dan wel direct of indirect samenhangen met de invordering van door de gemeente geheven belastingen en andere heffingen (hierna: de invordering), treedt de gemeenteadvocaat op als advocaat ten behoeve van de ontvanger. 3 n.v.t. 4 n.v.t. In persoon procederen voor de burgerlijke rechter 5 De ontvanger voorziet zich in alle voor de burgerlijke rechter dienende zaken van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van: procedures voor de kantonrechter; procedures voor de voorzieningenrechter in kort geding, voor zover de ontvanger daarin de gedaagde partij is. Toestemming 6 Alle door ontvangers te voeren gerechtelijke procedures waarin als eiser wordt opgetreden, behoeven de toestemming van het college van burgemeester en wethouders. Het vorenstaande geldt niet voor, behoudens voor zover in het kader van hoger beroep te voeren: verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; procedures voor de kantonrechter; procedures tot het instellen van een eis in hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv. Van deze procedures dient echter uiterlijk nadat het vonnis is uitgesproken mededeling aan het college van burgemeester en wethouders te worden gedaan; -procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid dan wel artikel 708, tweede lid, Rv. Opgemerkt wordt dat voor andere verzoekschriftprocedures dan de hiervoor genoemde ex artikel 700, derde lid, Rv en 708, tweede lid, Rv ook geen toestemming van het college van burgemeester en wethouders nodig is. Te denken valt in dit verband aan de procedure ter verkrijging van verlof tot het leggen van conservatoir beslag. Voorts kan gedacht worden aan de verzoekschriftprocedure die is voorgeschreven om tot verkoop van aandelen over te gaan en aan de verzoekschriftprocedure tot opening van een rangregeling. 7 n.v.t. Artikel 4 Tot het verrichten van de bij of krachtens de wet aan een deurwaarder opgedragen werkzaamheden is, voorzover die werkzaamheden geschieden in opdracht van een ontvanger en betreffen de vervolgingen voor de invordering van rijksbelastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder bevoegd. § 1 Bevoegdheid belastingdeurwaarder Reikwijdte 1 Op grond van artikel 4 van de wet, is de belastingdeurwaarder bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortspruitende bevoegdheden van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg waartoe de ontvanger op grond van artikel 3, tweede lid, gerechtigd is én die werkzaamheden die verricht moeten worden wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt. Bescherming van belastingdeurwaarder 2 Belastingdeurwaarders zijn, voorzover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Wanneer zij dus als zodanig in de rechtmatige uitoefening van hun bevoegdheden werkzaam zijn, genieten zij de strafrechtelijke bescherming die uit deze artikelen voortvloeit. Als sprake is van geweld of bedreiging met geweld jegens de belastingdeurwaarder, dan wel de verwachting bestaat dat deze situatie zich zal voordoen, kan de belastingdeurwaarder zich tot de politie wenden om zich te verzekeren van de nodige bescherming bij de door hem te verrichten handelingen. Artikel 5 De bevoegdheid van een directeur, inspecteur of ontvanger is niet bepaald naar een geografische indeling van Nederland. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de functionaris, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, onder wie een belastingschuldige ressorteert. Gelet op het bepaalde in artikel 249 van de Gemeentewet is dit artikel niet van toepassing op gemeenten. Artikel 6 De bepalingen van deze wet strekken zich niet alleen uit tot de rijksbelastingen, maar ook tot de opcenten, de betalingskorting, de renten en de kosten. Onder opcenten worden verstaan niet alleen die welke ten behoeve van het Rijk, doch ook die welke ten behoeve van andere openbare lichamen worden geheven. § 1 Reikwijdte Invorderingswet Rente en kosten 1 Naast de gemeentelijke belastingen is de wet ook van toepassing op de daarmee samenhangende toeslagen, rente en kosten. Onder rente als bedoeld in dit artikel wordt alleen verstaan de invorderingsrente als bedoeld in artikel 28 e.v. Zij is derhalve voor de invordering zelfstandig te beschouwen als hoofdsom van belasting. Onder kosten wordt verstaan alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht in het kader van de invordering langs civielrechtelijke weg. De kosten van ambtelijke werkzaamheden worden op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel a van de wet, beschouwd als een gemeentelijke belasting. Artikel 7 De toerekening van de betalingen geschiedt achtereenvolgens aan: de kosten; de betalingskorting; de rente; de belastingaanslag. Toerekening van betalingen op een belastingaanslag geschiedt, behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken ingevolge deze wet, naar evenredigheid aan de op het aanslagbiljet vermelde in te vorderen bedragen, met dien verstande dat indien artikel 9.1, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 of artikel 27b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden, de toerekening in de laatste plaats geschiedt aan de premie volksverzekeringen. De ontvanger is verplicht voor iedere contante betaling een kwitantie af te geven. § 1 Betaling en afboeking Toepassingsgebied Ingevolge artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 7, derde lid, niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven. Tijdstip van betaling 1 Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de gemeente ontvanger. Bij betaling door middel van storting van contant geld, pin- of creditcardtransactie, alsmede transacties via telebankieren, geldt het uur en de dag van bijschrijving op de rekening van de ontvanger (valutadatum) als tijdstip van betaling. Afboekingen van betalingen 2 Zowel bij vrijwillige betalingen als bij betalingen die door invorderingsmaatregelen zijn afgedwongen kunnen zich vragen voordoen over de afboeking van de ontvangen bedragen, wanneer de belastingschuldige meer dan één belastingaanslag heeft openstaan. In dat geval gelden de volgende richtlijnen. Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7, eerste lid, van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen (zie ook het vijfde lid van deze paragraaf). Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken. Teveelbetaling 3 Wanneer de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald, terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld. Ontvangen bedragen uit executie, wettelijke schuldsaneringsregeling of faillissement 4 Na voldoening van de executiekosten wordt het door de belastingdeurwaarder afgedragen bedrag toegerekend aan de belastingaanslagen waarvoor de executie heeft plaatsgevonden. De afboeking op gelijk bevoorrechte schulden vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in het tweede en derde lid van deze paragraaf. Opgemerkt wordt dat de eventuele meeropbrengst van een executie niet kan worden verrekend met belastingaanslagen die niet in het beslag zijn begrepen. De beoogde afboeking kan worden bereikt door voor deze belastingaanslagen een vordering onder de belastingdeurwaarder te doen. Van deze mogelijkheid wordt afgezien als het overblijvende bedrag voortvloeit uit de verkoop van zaken die eigendom zijn van derden, zoals bij toepassing van artikel 22 van de wet. In dat geval keert de belastingdeurwaarder het overblijvende bedrag uit aan de betreffende derde. Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement ontvangen bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de gegevens van de uitdelingslijst. Hierbij wordt opgemerkt dat als meer belastingaanslagen ter verificatie zijn ingediend, eerst wordt afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslag. Splitsing in kosten, rente en belastingaanslag 5 De toerekening van een betaling op een belastingaanslag geschiedt achtereenvolgens aan de kosten, de rente en de belastingaanslag. Onder kosten worden verstaan alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. De kosten van ambtelijke werkzaamheden vallen niet onder de werking van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag (beslagkosten, taxatiekosten en dergelijke) worden toegerekend aan één van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt. Onder rente wordt uitsluitend verstaan de invorderingsrente. Als een door middel van executie ingevorderd bedrag onvoldoende is om daaruit alle kosten te bestrijden worden in de eerste plaats de aan de belastingschuldige in rekening gebrachte kosten die toekomen aan derden voor de door hen in het kader van de tenuitvoerlegging verrichte handelingen voldaan. Bestuurlijke boete 6 Behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken vanwege hetgeen voortvloeit uit de wet, bijvoorbeeld in het kader van de aansprakelijkheid, vindt op grond van artikel 7, tweede lid, van de wet toerekening van betalingen op een belastingaanslag plaats naar evenredigheid, te weten aan de belasting, aan de kosten van ambtelijke werkzaamheden, aan de bestuurlijke boete. Als er sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag vastgestelde bestuurlijke boete vindt toerekening van betalingen niet plaats naar evenredigheid aan de belasting en aan de bestuurlijke boete, maar vindt toerekening uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep). Wanneer echter, ondanks dit uitstel, zo veel wordt betaald dat er na afboeking op de belasting nog een bedrag overblijft dan wordt dit bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Wanneer op de bestuurlijke boete is afgeboekt en nadien wordt de bestuurlijke boete alsnog aangevochten dan blijven de afboekingen gehandhaafd. In de gevallen waarin op de bestuurlijke boete wordt afgeboekt, wordt ook op de eventueel daarop belopen invorderingsrente afgeboekt, ook wanneer de bestuurlijke boete nog niet onherroepelijk vaststaat. Aansprakelijkgestelden 7 Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde vindt toerekening plaats met inachtneming van de aansprakelijkstelling. Dit brengt met zich mee dat de aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening gebrachte vervolgingskosten eerst worden afgeboekt, aangezien deze kosten buiten het toepassingsgebied van artikel 7 van de wet vallen. Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag, waarbij artikel 7 wel van toepassing is, echter met dien verstande dat op de op die aanslag zelf betrekking hebbende invorderingsrente en kosten alleen worden afgeboekt indien en voorzover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. Het hierna van genoemd resterend bedrag overblijvende bedrag wordt op de belastingaanslag afgeboekt, met inachtneming van de toerekeningsbepaling van artikel 7, tweede lid, van de wet. Van deze toerekening naar evenredigheid wordt afgeweken indien de derde niet aansprakelijk is gesteld voor de bestuurlijke boete. Alsdan kan namelijk ook niet op de bestuurlijke boete worden afgeboekt. De ontvanger licht zowel de belastingbeschuldige als de aansprakelijkgestelde schriftelijk in omtrent de afboeking van zijn betaling. Betalingen van kleine bedragen 8 Betalingen op belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de termijnen worden niet geweigerd. Mocht in zodanig geringe bedragen en met zodanige frequentie worden afbetaald dat van nodeloze overlast moet worden gesproken, dan treedt de ontvanger in overleg met de betaler teneinde wijziging in diens betalingsgewoonte te brengen. Betaling bij vergissing 9 Met de terugbetaling van een bedrag, dat is voldaan ten gevolge van enigerlei vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht. Het is zeer wel mogelijk dat de betaling rechtsgeldig heeft plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en de invordering niet zondermeer opnieuw kan plaatshebben. In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald. tenzij ten behoeve van de ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te gelegenertijd op juiste wijze zal worden voldaan. Kwitantie 10 In alle gevallen waarin betaling plaatsheeft aan de belastingdeurwaarder wordt een kwitantie afgegeven. Ook wordt een kwitantie afgegeven in de gevallen waarin ten kantore van de ontvanger wordt betaald. Indien en voorzover op de (kas)kwitantie een bedrag aan rente is verantwoord, is er sprake van een voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 30 van de Invorderingswet. Betaling door middel van een bank- of giro-overschrijving is geen contante betaling in de zin van artikel 7, derde lid van de wet. In die gevallen gelden bank- en giro-afschriften als overschrijvingsbewijs. Bij betaling door storting op het postkantoor of bank op rekening van de ontvanger geldt het afgestempelde strookje van het stortings- of acceptgiroformulier als stortingsbewijs. Als dag van betaling wordt bij een girale betaling de dag van bijschrijving op een rekening van de ontvanger beschouwd. Wanneer een verzoek om afgifte van een duplicaatkwitantie wordt gedaan, wordt hieraan tegemoet gekomen door de ontvangst van het desbetreffende bedrag per brief te bevestigen. Mededeling afboeking 11 De belastingschuldige wordt van iedere afboeking van een betaling schriftelijk op de hoogte gesteld, tenzij het betreft een slotbetaling op een belastingaanslag waarbij geen kosten en rente worden afgeboekt. Een kennisgeving blijft voorts achterwege indien betaling plaatsvindt op grond van een machtiging tot automatische afschrijving en daarbij geen vervolgingskosten worden afgeboekt. Vrijwillig betaalde belasting 12 Als bij de verwerking van een bedrag dat als vrijwillig betaalde belasting (het zogenaamde gewetensgeld) zou kunnen worden verantwoord blijkt, dat terzake nog een belastingaanslag (navorderings- of naheffingsaanslag) kan worden opgelegd, wordt die aanslag, nadat deze is opgelegd, zoveel mogelijk uit het gestorte bedrag voldaan. Artikel 7a De ontvanger betaalt een terug te geven bedrag aan rijksbelastingen dan wel andere belastingen of heffingen voorzover de invordering daarvan aan hem is opgedragen uitsluitend uit door bijschrijving op een rekening, bestemd voor girale betaling, die op naam staat van de belastingschuldige dan wel ingeval de belastingschuldige dat voorafgaande aan de uitbetaling aan de inspecteur of de ontvanger te kennen heeft gegeven of daarmee heeft ingestemd, door bijschrijving op een door de belastingschuldige aangewezen rekening, bestemd voor girale betaling, die op naam staat van hem of een andere persoon. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op andere door de ontvanger uit te betalen bedragen. §
- Girale uitbetaling van belastingteruggaven Algemeen 1 Waar in dit artikel wordt gesproken van belastingteruggaven wordt daaronder verstaan een terug te geven bedrag aan rijksbelastingen dan wel andere belastingen of heffingen voorzover de invordering daarvan aan de ontvanger is opgedragen alsmede andere door de ontvanger uit te betalen bedragen. Uitbetaling van belastingteruggaven vindt primair plaats door bijschrijving op een daartoe door de belastingschuldige aangewezen rekening, bestemd voor girale betaling. Het maakt daarbij niet uit of bedoelde rekening op naam staat van de belastingschuldige of van een andere persoon. In gevallen waarbij vorenbedoelde aanwijzing door de belastingschuldige niet heeft plaatsgevonden, kan uitbetaling van de belastingteruggave plaatsvinden door middel van bijschrijving op een rekening, bestemd voor girale betaling, die op naam staat van de belastingschuldige. Aanwijzen rekeningnummer voor uitbetaling 2 De gemeente verzoekt de belastingschuldige aan te geven op welk rekeningnummer kan worden uitbetaald. Uitbetalingsfouten 3 Indien uitbetaling van een belastingteruggave plaatsvindt op een andere rekening van de belastingschuldige dan die welke daartoe door hem is aangewezen, dient de ontvanger in beginsel opnieuw uit te betalen. De ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt gerestitueerd. Indien en voorzover echter blijkt dat het eerder betaalde bedrag niet ter beschikking van de belastingschuldige is gekomen - bijvoorbeeld omdat de rekening ten tijde van de bijschrijving een debetstand kent en ook de (eventuele) kredietfaciliteit van de rekening de restitutie niet toelaat – vindt hernieuwde uitbetaling direct plaats. Indien en voorzover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel betaalde bedrag vervolgens terug vorderen uit ongerechtvaardigde verrijking. Uitbetalingsfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (art. 6:34 BW). Desgevraagd wordt belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald. Hoofdstuk II Invordering in eerste aanleg Artikel 8 De ontvanger maakt de belastingaanslag bekend door toezending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet, met dien verstande dat een uitnodiging tot betaling, door de inspecteur vastgesteld in de vorm van een elektronisch bericht, door de ontvanger langs elektronische weg aan de belastingschuldige wordt toegezonden. Een belastingaanslag is door de belastingschuldige in zijn geheel verschuldigd. § 1 Invordering in eerste aanleg Toepassingsgebied Ingevolge artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 8, eerste lid niet van toepassing bij de invordering van de gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven. Begin invordering 1 Artikel 8 van de wet bevat de bepalingen die het begin van de invordering van een belastingaanslag regelen. De inspecteur stelt het bedrag van de belastingaanslag vast en maakt ter zake daarvan een aanslagbiljet op. Daarmede wordt de uit de wet voortvloeiende materiële schuld geformaliseerd. Vervolgens maakt de ontvanger de belastingaanslag bekend door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet aan de belastingschuldige. Verzending/uitreiking aanslagbiljet 2 Artikel 8, eerste lid, van de wet verplicht de ontvanger het door de inspecteur opgemaakte aanslagbiljet toe te zenden of aan de belastingschuldige uit te reiken. De toezending of uitreiking vormt de eerste daad van invordering. Aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde worden aan de curator gezonden. Ingeval van faillissement wordt het aanslagbiljet aan de curator gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt, danwel een boedelschuld vormt. Wanneer de belastingschuldige minderjarig is, wordt het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al bezwaren heeft opgeleverd. Aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden. worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen. Uitnodigingen tot betaling, door de inspecteur vastgesteld in de vorm van een elektronisch bericht, worden door de ontvanger langs elektronische weg aan de belastingschuldige toegezonden. Verzending via TPGPost 3 Voor de verzending van de aanslagbiljetten en andere bescheiden maakt de ontvanger gebruik van de diensten van de TPGpost. Uitreiking 4 Als de ontvanger dit wenselijk acht verzendt hij het aanslagbiljet niet, maar reikt hij het biljet aan de belastingschuldige dan wel aan diens wettelijke vertegenwoordiger uit. Meer belastingschuldigen 5 Artikel 8, tweede lid, van de wet bepaalt dat een belastingaanslag door de belastingschuldige - dat is degene op wiens naam het aanslagbiljet (mede) is gesteld - in zijn geheel verschuldigd is. Als op het aanslagbiljet meer dan één naam voorkomt, is ieder van hen als hoofdschuldenaar op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel k van de wet, die belastingaanslag in zijn geheel verschuldigd, ongeacht tot welke verrekening zij onderling zijn gehouden. Betalingsplicht aangeslagene 6 De gehoudenheid van de belastingschuldige tot betalen wordt niet geheel of gedeeltelijk ongedaan gemaakt door de omstandigheid, dat de in de belastingaanslag formeel tot uitdrukking gebrachte schuld afwijkt van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd. In dit verband wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaarschrift (zie artikel 25, paragraaf 2 van deze leidraad). Vooraf inlichten erfgenamen e.d. 7 Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zo veel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijke termijn te voldoen. Voordat verhaal wordt gezocht op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken of op goederen, verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, licht de ontvanger de andere belanghebbende(n) dan de belastingschuldige zo veel mogelijk omtrent zijn voornemen in. Artikel 9 Een belasting aanslag is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. In afwijking van het eerste lid is een navorderingsaanslag, alsmede een conserverende navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting invorderbaar één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en een naheffingsaanslag invorderbaar veertien dagen na dagtekening van het aanslagbiljet. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig en in verband met de vaststelling van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel m, is opgelegd, is invorderbaar overeenkomstig de bepalingen die gelden voor die belastingaanslag. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake heffings- of revisierente is invorderbaar overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de belastingaanslag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel m, waarop de heffings- of revisierente betrekking heeft. Een uitnodiging tot betaling, alsmede een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake compenserende interesten, inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden of inzake een bestuurlijke boete als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet, is invorderbaar tien dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet. In afwijking van het eerste lid is een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting of in de vennootschapsbelasting en een voorlopige conserverende aanslag in de inkomstenbelasting, waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand, die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Indien de toepassing van de eerste volzin niet leidt tot meer dan twee maandelijkse termijnen, vindt het eerste lid toepassing. In afwijking van het eerste en het vijfde lid is een belastingaanslag als bedoeld in het vijfde lid die een uit te betalen bedrag behelst, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er met inbegrip van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt aan het eind van de maand van de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. In afwijking van het eerste lid is een voorlopige aanslag waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt voor het jaar waarover deze is vastgesteld, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er maanden van het jaar zijn. De eerste termijn vervalt aan het eind van de eerste maand van het jaar waarover de voorlopige aanslag is vastgesteld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. In afwijking van het tweede lid is terstond invorderbaar een naheffingsaanslag ter zake van: de belasting van personenauto's en motorrijwielen die is opgelegd aan een ander dan een vergunninghouder als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, of de belasting zware motorrijtuigen, die is opgelegd aan de houder van een ander motorrijtuig dan bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van de Wet belasting zware motorrijtuigen. In afwijking van het vierde lid is een uitnodiging tot betaling die is vastgesteld overeenkomstig een aangifte als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van het Communautair douanewetboek invorderbaar vijftien dagen na de maand volgend op die waarover de aangifte is gedaan. In afwijking in zoverre van de eerste volzin is de uitnodiging tot betaling ter zake van de aangifte over de maand februari invorderbaar na zestien maart. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de indiening van een bezwaar- of beroepschrift inzake een belastingaanslag. Artikel 250 Gemeentewet De belastingverordening kan van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 afwijkende voorschriften inhouden. De belastingverordening kan bepalen dat het verschuldigde bedrag moet worden betaald gelijktijdig met en op dezelfde wijze als de voldoening van een andere vordering aan de schuldeiser van die andere vordering. § 1 Betalingstermijnen Algemeen 1 De belastingverordening of artikel 9 bevat de regeling betreffende de betalingstermijnen waarbinnen belastingaanslagen moeten worden betaald. De toegestane betalingstermijnen moeten onverkort door de belastingschuldige kunnen worden benut, tenzij artikel 10 van de wet door de ontvanger van toepassing wordt verklaard. 2 n.v.t. 2a n.v.t. Dagtekening 3 De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast. Begrip 'maand' 4 Het in artikel 9 gehanteerde begrip 'maand' heeft dezelfde inhoud als het begrip 'maand' dat in de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt gehanteerd. Termijnverlenging 5 Op de betalingstermijnen van artikel 9 van de wet is de Algemene termijnenwet niet van toepassing. Voor gemeentelijke belastingen waarvan afwijkende betalingstermijnen zijn opgenomen is, gelet op artikel 145 van de Gemeentewet, de Algemene termijnenwet wel van toepassing. Bezwaar- of beroepschrift schorst betalingsverplichting niet 6 De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de enkele omstandigheid dat een bezwaar- of beroepschrift tegen de belastingaanslag is ingediend. Op grond van artikel 25 van de wet kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen voor (een gedeelte van) de opgelegde belastingaanslag. In dit verband wordt verwezen naar het vermelde onder artikel 25 van deze leidraad. Artikel 10 In afwijking van artikel 9 is een belastingaanslag van de belastingschuldige die een te innen bedrag behelst terstond en tot het volle bedrag invorderbaar indien: de belastingschuldige in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard en die belastingaanslag onder de werking van de schuldsaneringsregeling valt; de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat goederen van de belastingschuldige zullen worden verduisterd; de belastingschuldige Nederland metterwoon wil verlaten dan wel zijn plaats van vestiging wil overbrengen naar een plaats buiten Nederland, tenzij hij aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald; de belastingschuldige buiten Nederland woont of gevestigd is dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft en de ontvanger aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat de belastingschuld niet kan worden verhaald; op goederen waarop een belastingschuld van de belastingschuldige kan worden verhaald beslag is gelegd voor zijn belastingschuld; goederen van de belastingschuldige worden verkocht ten gevolge van een beslaglegging namens derden; g ten laste van de belastingschuldige een vordering wordt gedaan als bedoeld in artikel 19, tenzij hij aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald; h met inachtneming van artikel 198 van het Communautair douanewetboek ten laste van de belastingschuldige aanvulling of vervanging van een gestelde zekerheid is geëist, doch die aanvulling of vervanging niet tijdig overeenkomstig artikel 56 van de Douanewet wordt verricht. Het eerste lid is in de gevallen bedoeld in de onderdelen a, e, f en g niet van toepassing op een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting of in de vennootschapsbelasting waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld. Het eerste lid is in het geval, bedoeld in onderdeel h, uitsluitend van toepassing op een uitnodiging tot betaling en op een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake compenserende rente, inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden of inzake een bestuurlijke boete als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet. § 1 Versnelde invordering Algemeen 1 In artikel 10, eerste lid van de wet is een limitatieve opsomming gegeven van bijzondere situaties waarin de ontvanger met doorbreking van de in artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan invorderen, teneinde te voorkomen dat de invordering illusoir zou worden. Vervaldagen op het aanslagbiljet 2 Ook als op grond van de wettelijke bepalingen de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is, wordt op het aanslagbiljet de vervaldag vermeld zoals die bij artikel 9 van de wet aan de belastingaanslag is toegekend. Reikwijdte versnelde invordering 3 Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering als bedoeld in artikel 10 over te gaan, vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden, maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is, deelt de ontvanger belastingschuldige, onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat, schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het biljet vermelde termijnen niet meer gelden. Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 wordt overgegaan, als sprake is van direct contact met de belastingschuldige, deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen. Als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend, doch voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken, (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) vermeldt de ontvanger op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke kennisgeving artikel 15, jo artikel 10, eerste lid van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel. Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de in dat kader geldende twee-dagen termijn nog niet is verstreken. Er behoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt, als sprake is van direct contact met laatstgenoemde, eerst in de gelegenheid gesteld onmiddellijk te betalen. Van feiten en omstandigheden op grond waarvan de ontvanger tot zijn beslissing is gekomen, houdt hij aantekening in het invorderingsdossier. Voor het geval de belastingschuldige nadere gegevens wenst over de genomen maatregelen, kan hij zich altijd wenden tot de ontvanger die het noodzakelijk heeft geacht om tot versnelde invordering over te gaan. De ontvanger zal dan de gegevens, waaronder desgevraagd de concrete feiten en omstandigheden die de aanleiding vormden om tot versnelde invordering over te gaan, op zo kort mogelijke termijn schriftelijk aan de belastingschuldige meedelen. Een op grond van artikel 10, eerste lid, terecht geheel opeisbaar geworden belastingaanslag, blijft geheel opeisbaar, ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(en) die normaal zou(den) gelden. 4 n.v.t. Faillissement en de wettelijke schuldsaneringsregeling (eerste lid, onderdeel a) 5 Zodra het de ontvanger bekend is dat de belastingschuldige in staat van faillissement verkeert dan wel ten aanzien van hem de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is, zal hij onmiddellijk de openstaande belastingschuld ter verificatie melden bij de curator in het faillissement onderscheidenlijk bij de bewindvoerder van de schuldenaar ten aanzien van wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is. Als na de faillietverklaring of nadat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken nieuwe belastingaanslagen worden opgelegd kan de ontvanger deze, eveneens onmiddellijk, bij de curator onderscheidenlijk de bewindvoerder melden. Vrees voor verduistering (eerste lid, onderdeel b) 6 Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake als de ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is, dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van belastingschuldige metterdaad onmogelijk