← Nederland

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022 (Overijssel)

In het kort

Dit besluit regelt de voorwaarden voor subsidies die de provincie Overijssel verstrekt. Het beschrijft algemene regels en specifieke subsidieregelingen voor diverse activiteiten.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022Gedeputeerde Staten van Overijssel delen het volgende mee: Artikel I Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 wordt met ingang van 11 juli 2022 ingetrokken met uitzondering van hoofdstuk 1 in combinatie met de paragrafen 6.3 en 7.

  1. Paragraaf 7.10 wordt met ingang van 16 augustus 2022 ingetrokken; Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 inclusief Hoofdstuk 1 en paragraaf 6.3 worden met ingang van 14 september 2022 ingetrokken. Artikel II De subsidieregelingen van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 zijn, voor zover ze doorlopen, ondergebracht in het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel
  2. Artikel III Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022 is vastgesteld, dat als volgt luidt: Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022 Hoofdstuk1Algemeen 1.1Inhoud, geldigheid en begrippen Artikel1.1.1Wat in het Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2022 geregeld is 1.Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2022, hierna het Uitvoeringsbesluit genoemd, bevat de voorwaarden die voor subsidies gelden. 2.Het Uitvoeringsbesluit bestaat uit: Hoofdstuk 1: algemene voorwaarden die gelden voor subsidies; Hoofdstuk 2 tot en met 8: de subsidieregelingen. In de subsidieregeling zijn de subsidiabele activiteiten en de aanvullende of afwijkende voorwaarden van Hoofdstuk 1 opgenomen. De aanvraag wordt getoetst aan de voorwaarden van Hoofdstuk 1 en aan alle artikelen en onderdelen van de subsidieregeling. Artikel1.1.2Geldigheid van de regels in het Uitvoeringsbesluit 1.Het Uitvoeringsbesluit geldt niet voor subsidies die worden verleend volgens één van de volgende regelingen: Regeling aanpak schades panden langs Kanaal Almelo-De Haandrik; Regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Overijssel Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel; Subsidieregeling Energiefonds Overijssel 2024 Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel 2024; Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer 2024; Subsidieregeling rivierdijken; Subsidieverordening Bodemsanering Bedrijfsterreinen Overijssel; 2.Voor alle overige provinciale subsidies gelden de voorwaarden uit Hoofdstuk 1 en de aanvullende of afwijkende voorwaarden die in de betreffende subsidieregeling zijn genoemd. Daarnaast gelden ook de voorwaarden uit de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005 en Europese regels op het gebied van staatssteun. 3.Een aanvraag wordt behandeld op basis van het Uitvoeringsbesluit subsidies dat geldig is op de ontvangstdatum van de subsidieaanvraag. 4.Voor subsidies die verleend zijn volgens het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007, 2011 en 2017 blijft de versie gelden op de datum van de subsidieaanvraag. Voor de MIT-R&D-samenwerkingsprojecten 2022 en de Productieregeling cultuur Overijssel blijft het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 (Ubs 2017) in combinatie met hoofdstuk 1 van dat Ubs 2017 tijdens de indieningstermijn 2022 nog gelden. Artikel1.1.3Betekenis van begrippen In dit artikel zijn veel voorkomende begrippen in dit Uitvoeringsbesluit uitgelegd. Als een begrip niet is uitgelegd, geldt de algemeen gangbare uitleg van het begrip. Algemene begrippen Asv-aanvraag: een aanvraag voor een subsidie op grond van de Algemene subsidieverordening 2005 (Asv). Asv-subsidie: een eenmalige subsidie die verleend wordt voor activiteiten waar geen subsidieregeling in dit Uitvoeringsbesluit voor is. Derde: iemand anders dan de aanvrager. Zuster-, dochter-, moeder- en vergelijkbare ondernemingen zijn geen derden als sprake is van onderlinge economische of juridische afhankelijkheid. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Overijssel. Medeoverheden: gemeenten, waterschappen, andere provincies en de Rijksoverheid. Subsidieperiode: de periode waarbinnen de gesubsidieerde activiteiten uitgevoerd worden. De startdatum van de subsidieperiode is de ontvangstdatum van de aanvraag. Als de aanvrager een latere startdatum invult op het aanvraagformulier dan is dat de geldige startdatum. De einddatum staat in het subsidiebesluit: op deze dag moeten alle gesubsidieerde activiteiten uitgevoerd zijn. Subsidievaststelling: een besluit waarin is opgenomen op welk bedrag de aanvrager definitief recht heeft. Subsidieverlening: een besluit waarin is opgenomen op welk bedrag de aanvrager voorlopig recht heeft. Wet- en regelgeving Algemene Groepsvrijstellingsverordening, hierna AGVV: de verordening van de Europese Commissie waarmee het mogelijk wordt om subsidie als toegestane staatssteun te verlenen. Het is de Verordening (EG) van 17 juni 2014 met nummer 651/2014 en publicatienummer L187/1, en alle daaropvolgende wijzigingen. Algemene subsidieverordening Overijssel 2005, hierna Asv: de verordening op basis waarvan Gedeputeerde Staten subsidies kunnen verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan provinciale doelen of die passen binnen de programmabegroting. De Asv is de wettelijke basis van alle door of namens Gedeputeerde Staten verleende subsidies. Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb: deze wet geeft algemene regels voor het verkeer tussen bestuursorganen en burgers. Subsidieregels staan in Titel 4.2 van de Awb. Algemene De-minimisverordening: de verordening van de Europese Commissie, waarmee het mogelijk wordt om subsidie te verlenen, zonder dat het staatssteun oplevert. Het is de Verordening (EU) van 13 december 2023, met nummer 2023/2831 en publicatienummer L 352/1, en alle daaropvolgende wijzigingen. De-minimisverordening DAEB: de verordening van de Europese Commissie, waarmee het mogelijk wordt om subsidie te verlenen aan diensten van algemeen economisch belang (DAEB) verrichtende ondernemingen, zonder dat het staatssteun oplevert. Het is de Verordening (EU) van 13 december 2023, met nummer 2023/2832 en publicatienummer L 2832, en alle daaropvolgende wijzigingen EUR-Lex - 02023R2832-20231215 - EN - EUR-Lex. De-minimisverordening Landbouw: de verordening van de Europese Commissie, waarmee het mogelijk wordt om subsidie te verlenen aan landbouwondernemingen, zonder dat het staatssteun oplevert. Het is de Verordening (EU) van 18 december 2013, met nummer 1408/2013 en publicatienummer L 352/9 en alle daaropvolgende wijzigingen. De-minimisverordening Visserij: de verordening van de Europese Commissie, waarmee het mogelijk wordt om subsidie te verlenen aan ondernemingen in de Visserij, zonder dat het staatssteun oplevert. Het is de Verordening (EU) van 27 juni 2014 met nummer nr. 717/2014 en publicatienummer L 190/45 en alle daaropvolgende wijzigingen. Landbouwvrijstellingsverordening, hierna LVV: de verordening van de Europese Commissie waarmee het mogelijk wordt om subsidie als toegestane staatssteun te verlenen aan landbouwondernemingen. Het is de Verordening (EU) van 14 december 2022 met nummer 2022/2472 en publicatienummer Pb L 327/1, en alle daaropvolgende wijzigingen. De aanvrager Aanvrager: een persoon, bedrijf of organisatie die de subsidie aanvraagt en ontvangt. De aanvrager is verantwoordelijk voor de uitvoering van de subsidiabele activiteiten. Gemachtigde: een persoon of organisatie die namens de aanvrager subsidie aanvraagt en de aanvrager vertegenwoordigt. Penvoerder: een persoon of een organisatie die subsidie aanvraagt en verantwoordt namens een samenwerkingsverband. Betaling aan de penvoerder geldt als betaling aan alle medeaanvragers van het samenwerkingsverband. Samenwerkingsovereenkomst: een schriftelijke afspraak van de deelnemers van een samenwerkingsverband. In de overeenkomst staan in ieder geval de taken, verantwoordelijkheden, financiële bijdragen van iedere deelnemer en wie van de deelnemers in het samenwerkingsverband penvoerder is. Samenwerkingsverband: een groep zonder rechtspersoonlijkheid waarin meerdere aanvragers samenwerken bij de uitvoering van subsidiabele activiteiten. Een samenwerkingsverband bestaat uit minimaal 2 aanvragers die juridisch en financieel onafhankelijk zijn van elkaar. Bij een samenwerkingsverband zijn alle deelnemers aanvrager. Alle deelnemers zijn voor het eigen deel verantwoordelijk voor de subsidie. Ondernemingen Grote onderneming: een onderneming die 250 of meer werknemers heeft en de jaarlijkse omzet is hoger dan € 50 miljoen en/of het jaarlijks balanstotaal is hoger dan € 43 miljoen. Als niet met zekerheid kan worden bepaald of een onderneming een grote onderneming is, wordt gebruik gemaakt van de definitie die in bijlage 1 van de AGVV of de LVV staat. Landbouwonderneming: een onderneming die actief is in de primaire productie van landbouwproducten. Mkb-onderneming: tot de mkb-ondernemingen behoren de micro-, kleine of middelgrote ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet maximaal 50 miljoen euro is en/of het jaarlijkse balanstotaal maximaal 43 miljoen EUR is. Binnen de categorie mkb is een ‘kleine onderneming’ een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet en/of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen euro niet overschrijdt. Binnen de categorie mkb is een ‘micro-onderneming’ een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet en/of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen euro niet overschrijdt. Onderneming: een particulier, een bedrijf of een organisatie die een product of dienst op een markt brengt. Een onderneming staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Onderneming in moeilijkheden: een onderneming die financiële problemen heeft. Bij een Mkb-onderneming is dat het geval als de onderneming te maken heeft met één van de volgende situaties: als de onderneming in betalingsmoeilijkheden verkeert, zoals surseance van betaling of faillissement; als de verliezen in mindering worden gebracht op de reserves en dit een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft het aandelenkapitaal; als meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming, zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door verliezen is verdwenen; als de onderneming financiële hulp in de vorm van reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, of in een herstructureringsplan zit. Als niet met zekerheid kan worden bepaald of een onderneming in moeilijkheden verkeert, wordt gekeken naar de definitie zoals opgenomen in artikel 2 lid 18 van de AGVV of in artikel 2 lid 56 van de LVV. Startende onderneming: een onderneming die op het moment van de subsidieaanvraag maximaal 5 jaar geregistreerd staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Onderzoek en innovatie Experiment: het verzamelen, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke kennis en vaardigheden, om nieuwe of flink verbeterde producten, processen of diensten te ontwikkelen. Een experiment wordt ook wel een pilot of proefproject genoemd. Een gebruikelijke, beperktere wijziging van bestaande producten, productieprocessen of diensten is geen experiment. Haalbaarheidsonderzoek: een onderzoek om te kijken of en hoe een activiteit uitvoerbaar is. Het doel is om een betrouwbaar beeld te krijgen van de risico's in wat er nodig is om de activiteit inhoudelijk, juridisch, organisatorisch en financieel te laten slagen. Innovatie: een nieuw of verbeterd product, proces of dienst. 1.2De algemene voorwaarden Artikel1.2.1Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen 1.In de subsidieregeling staat welke activiteiten voor subsidie in aanmerking komen en welke voorwaarden daarbij gelden. 2.Voor subsidies op basis van de Asv staat in de subsidieverlening welke activiteiten voor subsidie in aanmerking komen en welke voorwaarden daarbij gelden. 3.De subsidiabele activiteiten passen binnen het provinciale beleid. 4.De activiteiten waarvoor subsidie wordt ontvangen vinden plaats in Overijssel. Als dat niet het geval is, zijn de effecten van de activiteit helemaal of voor het grootste deel merkbaar in Overijssel. 5.Activiteiten die wettelijk verplicht zijn, komen niet in aanmerking voor de subsidie. Artikel1.2.2Incidentele activiteitensubsidie De subsidie heeft de vorm van een incidentele activiteitensubsidie. Een incidentele activiteitensubsidie is een subsidie om activiteiten van eenmalige, incidentele aard uit te voeren. Artikel1.2.3Subsidie heeft een stimulerend effect
  3. De subsidie heeft een stimulerend effect op het gaan uitvoeren van de subsidiabele activiteiten. Dit betekent dat de activiteiten op het moment van de ontvangst van de subsidieaanvraag nog niet zijn gestart.
  4. Lid 1 is niet van toepassing als sprake is van een subsidie waarbij Gedeputeerde Staten de subsidie verlenen uit financiële middelen die afkomstig zijn van de Rijksoverheid én op basis van de Rijksbeschikking de activiteit al gestart mag zijn vanaf een datum genoemd in de Rijksbeschikking. Deze uitzondering geldt niet als sprake is van subsidieverlening onder de AGVV of LVV, dan geldt artikel 1.2.3 lid 1 wel. Artikel1.2.4Stapeling van provinciale subsidies is niet toegestaan Voor dezelfde activiteiten of kosten wordt niet meer dan één keer subsidie verleend. Dit geldt niet bij: subsidies uit Europese Fondsen of op grond van andere Europese regelgeving; subsidies waarbij Gedeputeerde Staten de subsidie verlenen uit financiële middelen die afkomstig zijn van de Rijksoverheid én voor dezelfde activiteiten ook de subsidie verlenen uit eigen, provinciale middelen; een geldlening door of namens Gedeputeerde Staten. Subsidiabele kosten, begroting en dekking Artikel1.2.5Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen 1.Kosten zijn subsidiabel en worden meegenomen bij het berekenen van de hoogte van de subsidie als deze: toerekenbaar zijn: de kosten houden direct verband met de subsidiabele activiteit; aantoonbaar zijn: de aanvrager kan de kosten uitleggen en bewijzen met bijvoorbeeld offertes, facturen of betaalbewijzen; acceptabel zijn: de verhouding tussen de activiteiten en de kosten daarvan is redelijk. 2.Personeelskosten zijn subsidiabel als deze daarnaast ook voldoen aan artikel 1.2.
  5. 3.Kosten van derden zijn subsidiabel als deze daarnaast ook voldoen aan artikel 1.2.
  6. Artikel1.2.6Personeelskosten 1.Personeelskosten van de aanvrager en samenwerkingsverband worden berekend door het aantal uren die besteed worden aan de activiteit te vermenigvuldigen met één van de volgende uurtarieven: een vast uurtarief van € 40,-. Een onderbouwing van het uurtarief is dan niet nodig. Een vast uurtarief kan worden gebruikt voor: ureninzet van personen die in loondienst zijn; ureninzet van personen die niet op de loonlijst staan zoals bij een zelfstandig ondernemer, eenmanszaak, vennootschap onder firma (v.o.f.), maatschap of een directeur-grootaandeelhouder; ureninzet van samenwerkingspartners die geen medeaanvrager zijn; een uurtarief tot maximaal € 130,- dat als volgt is berekend: bruto jaarloon, gedeeld door 1650 uur, vermeerderd met een opslag van 50% voor indirecte kosten. Dit is een uurtarief dat wordt gebruikt voor ureninzet van personen die in loondienst zijn. Indirecte kosten zijn de overheadskosten inclusief huisvestingskosten. Bij een parttime dienstverband worden de personeelskosten naar verhouding berekend; het Integraal Kostprijstarief (IKT). Dit is een uurtarief dat wordt gebruikt voor ureninzet personen die in loondienst zijn. Het IKT-tarief voldoet aan de volgende voorwaarden: er is bij de aanvrager sprake van een stelselmatig en volgens een vast patroon gehanteerde berekening van het uurtarief; het uurtarief is gebaseerd op bedrijfseconomische toegestane berekening, waarin directe personeelskosten en algemeen indirecte kosten inclusief huisvesting opgenomen kunnen worden; het uurtarief is op een transparante en begrijpelijke wijze vooraf berekend; het uurtarief bevat geen debetrente, boetes, provisies, financiële sancties, winstopslagen, gerechtskosten, voorzieningen voor mogelijke toekomstige verliezen of lasten, wisselverliezen, terugvorderbare indirecte belastingen, schulden en onvoorziene kosten; [vervallen] 2.Personeelskosten van medeoverheden zijn alleen subsidiabel als sprake is van minimaal één van de volgende situaties: er is sprake van ureninzet van personeel in vaste dienst dat tijdens de subsidieperiode aantoonbaar werktijduitbreiding krijgt of wordt vervangen door tijdelijke inhuur; er is sprake van ureninzet van personeel in vaste dienst dat niet gedekt op de begroting van de medeoverheid staat en ureninzet van de eigen uren moet terugverdienen. 3.Als de personeelskosten van medeoverheden subsidiabel zijn, dan geldt naar keuze het uurtarief zoals opgenomen onder lid 1 onderdeel a, b of c. 4.Het uurtarief dat bij subsidieverlening geldt, wordt ook gebruikt bij de subsidievaststelling. Het uurtarief kan bij de subsidievaststelling niet hoger worden dan bij de subsidieverlening. Artikel1.2.7Kosten van derden 1.Kosten van derden zijn de kosten van: de geleverde diensten; de geleverde materialen; de aankoopkosten van machines en apparatuur. Daaronder vallen ook bijkomende kosten zoals licenties voor software en de onderhoudskosten van een machine of apparatuur; de bestedingen van een medeoverheid door middel van subsidieverlening aan derden; de verzekeringspremies, lunches en andere vergelijkbare kosten die door de aanvrager gemaakt worden om inzet van vrijwilligers te faciliteren. 2.De aanvrager kan de gemaakte kosten van derden bewijzen met facturen, betaalbewijzen of een subsidiebesluit. 3.Kosten van arbeid van derden zijn subsidiabel tot een maximum van € 130,- per uur exclusief Btw. 4.Btw is alleen subsidiabel als de aanvrager de Btw over de te subsidiëren activiteiten niet met de Belastingdienst kan verrekenen of bij het Btw-compensatiefonds kan compenseren. Artikel1.2.8Kosten die niet voor de subsidie in aanmerking komen De volgende kosten zijn niet subsidiabel, behalve als dat in de subsidieregeling anders is geregeld: de kosten die gemaakt zijn vóór het indienen van de subsidieaanvraag. Dit geldt niet als sprake is van een subsidie uit financiële middelen die afkomstig zijn van de Rijksoverheid én op basis van de Rijksbeschikking de activiteit al gestart mag zijn vanaf een datum genoemd in de Rijksbeschikking. Deze uitzondering geldt niet als sprake is van subsidieverlening onder de AGVV of LVV; de kosten van de voorbereiding en het indienen van de subsidieaanvraag; boetes, kosten van juridische bijstand voor rechtszaken, bankdiensten, financieringen, debetrente en leges; vergoedingen die vrijwilligers, stagiaires en meewerkende studenten ontvangen voor de hun ureninzet; kosten van het aankopen, gebruiken of waardevermindering van grond; kosten voor het inhuren van een subsidieadviesbureau of andere subsidiebemiddelaars; in de begroting opgenomen onvoorziene kosten. Voor deze kosten zijn op het moment van de aanvraag namelijk geen duidelijk aanwijsbare activiteiten bekend en is onzeker of deze kosten gemaakt gaan worden. Artikel1.2.9Begroting en dekking De subsidie wordt verleend als de kosten van de subsidiabele activiteiten naar verwachting betaald en financieel gedekt kunnen worden. Staatssteunregels Artikel1.2.10Staatssteun 1.Staatssteun is overheidssteun, zoals subsidie, die mogelijk voor verstoring van de concurrentie op de Europese markt kan zorgen. Om te bepalen of sprake is van staatssteun, wordt een aanvraag getoetst aan de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) met publicatienummer PbEU 2010, C 83/
  7. 2.Als sprake is van staatssteun wordt de subsidie alleen verleend als de aanvraag voldoet aan de AGVV, LVV, of een ander Europees steunkader. 3.Als sprake is van staatssteun kan subsidie worden verleend als: er geen sprake is van een onderneming in moeilijkheden; een aanvrager niet op grond van een besluit van de Europese Commissie staatssteun moet terugbetalen; steunpercentages en steundrempels uit de AGVV, LVV of een ander Europees steunkader niet worden overschreden; is voldaan aan andere geldende voorwaarden uit de AGVV, LVV of een ander steunkader. 4.Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening, De-minimisverordening Landbouw, De-minimisverordening DAEB of De-minimisverordening Visserij. De aanvrager en zijn moeder-, zuster- en dochterondernemingen mag dan samen over een periode van drie jaar maximaal de volgende financiële bijdrage van medeoverheden ontvangen: € 50.000,- voor een landbouwonderneming; € 300.000,- voor een andere onderneming; € 750.000,- voor een onderneming die belast is met een DAEB; € 30.000,- voor een onderneming in de sector Visserij. 5.Als sprake is van subsidieverlening op basis van de AGVV of LVV dan maakt de provincie binnen 6 maanden na subsidieverlening de volgende gegevens bekend: de naam van de subsidieontvanger, de verleende subsidie, de vorm en het bedrag per eindbegunstigde, de datum waarop de subsidie is verleend, of het gaat om een Mkb-onderneming of grote onderneming, de regio waarin de subsidieontvanger is gevestigd en de voornaamste economische sector waarin de subsidieontvanger actief is.
  8. De in lid 5 genoemde gegevens worden bekend gemaakt voor: de AGVV subsidies van € 60.000,- of meer, als de subsidieontvanger een landbouwonderneming is; de AGVV subsidies van € 30.000,- of meer, als de subsidieontvanger een onderneming uit de visserij is; de AGVV en LVV subsidies van € 100.000,- of meer voor overige subsidieontvangers; de LVV subsidies van € 10.000,- of meer als de subsidieontvanger een landbouwonderneming is; De aanvraag Artikel1.2.11Indieningstermijn aanvraag voor subsidie 1.Een subsidieaanvraag kan het hele jaar worden ingediend. 2.In de subsidieregeling kan een afwijkende indieningstermijn geregeld zijn. Aanvragen die na het einde van de indieningstermijn zijn ontvangen worden afgewezen. Artikel1.2.12Verplicht gebruik van het aanvraagformulier De aanvrager maakt gebruik van het beschikbaar gestelde digitale aanvraagformulier dat bij de Asv-aanvraag of de betreffende subsidieregeling hoort. Artikel1.2.13Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens 1.Een subsidieaanvraag bevat in ieder geval de volgende informatie: een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd; een omschrijving van het doel en het resultaat van de activiteiten. Het doel en resultaat wordt zo veel mogelijk specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdsgebonden omschreven; een omschrijving van de bijdrage aan het provinciale beleid; de start- en einddatum van de activiteiten; een omschrijving van de financiële en juridische haalbaarheid van de activiteiten; een omschrijving van de betrokkenheid van andere organisaties, overheden of onderwijs; een omschrijving van de eventuele financiële onzekerheden en risico’s; de planning van de uitgaven, als sprake is van subsidiabele activiteiten die in twee of meer jaren plaatsvinden; overige informatie die in het aanvraagformulier wordt gevraagd die nodig is om te toetsen of de aanvraag voldoet aan de subsidieregeling. 2.De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken. 3.In de begroting en het dekkingsplan staan de kosten van de subsidiabele activiteiten en hoe deze betaald of financieel gedekt worden. 4.In het dekkingsplan wordt opgenomen: de eigen inbreng van de aanvrager en de bijdrage van derden. Als sprake is van een bijdrage van medeoverheden, wordt dat vermeld. 5.Als sprake is van een Asv-aanvraag of subsidieregeling waarvoor de AGVV of LVV als staatssteunoplossing geldt, bevat de subsidieaanvraag aanvullend de volgende informatie: hoeveel medewerkers de aanvrager in dienst heeft en wat de jaarlijkse omzet bedraagt. Deze informatie is bedoeld om te beoordelen of sprake is van een Mkb-onderneming; of de aanvrager voor deze activiteit en kosten al een financiële bijdrage van een medeoverheid heeft of zal ontvangen; een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming of aanvrager niet in moeilijkheden verkeert. 6.Als sprake is van een subsidieregeling waarvoor de De-minimisverordening geldt, bevat de aanvraag aanvullend de volgende informatie: het totaal aan ontvangen De-minimissteun in de afgelopen 2 jaar en het jaar van indiening van de aanvraag. In de betreffende subsidieverlening of regeling van de verlenende medeoverheid is opgenomen of sprake is van De-minimissteun. 7.Als sprake is van een samenwerkingsverband levert de aanvrager aanvullend: een samenwerkingsovereenkomst, en een staatssteunverklaring van alle partners in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde format Staatssteunverklaring partners te gebruiken. Artikel1.2.14Compleetheid van een subsidieaanvraag 1.Een subsidieaanvraag is compleet als: het digitale aanvraagformulier volledig ingevuld is; de informatie en stukken zoals genoemd in artikel 1.2.13 zijn ontvangen, en de aanvullende stukken die gevraagd zijn in de subsidieregeling zijn ontvangen. 2.Als het nodig is voor de inhoudelijke beoordeling van de subsidieaanvraag, kan om een toelichting op de ingediende informatie gevraagd worden. Dit heeft geen gevolgen voor de datum van compleetheid van de subsidieaanvraag. Hoogte subsidiebudget en wijze van verdeling Artikel1.2.15Beschikbaar budget voor een Asv-aanvraag Een Asv-subsidie kan worden verleend als in een vastgestelde provinciale begroting geld beschikbaar is voor de subsidiabele activiteiten van de aanvrager. Artikel1.2.16Beschikbaar budget voor de subsidieregeling 1.Voor elke subsidieregeling wordt een subsidieplafond vastgesteld. Dit is het beschikbare geld voor de subsidieregeling. In de subsidieregeling is opgenomen voor welke jaren het subsidieplafond geldt. 2.Het subsidieplafond wordt verdeeld in volgorde van ontvangst van de complete aanvraag. De compleetheid wordt bepaald op datum en tijdstip van de ontvangst ervan. 3.Als bij het bereiken van het subsidieplafond de volgorde van ontvangst niet met zekerheid kan worden vastgesteld, wordt er geloot. De loting wordt uitgevoerd onder de aanvragen die compleet zijn op de dag dat het subsidieplafond bereikt is. De loting wordt uitgevoerd door een notaris. Hoogte van de subsidie en betaling Artikel1.2.17Berekening subsidiebedrag 1.De subsidie is een percentage van de begrote subsidiabele kosten of een vast bedrag als dat in de subsidieregeling of de Asv-subsidieverlening staat. 2.De subsidie wordt niet verleend als de berekende subsidie minder dan € 1.000,-. De maximale subsidie staat in de subsidieregeling of in de Asv-subsidieverlening. 3.Als de subsidie een percentage van de begrote subsidiabele kosten is, dan geldt hetzelfde percentage ook bij de subsidievaststelling. Artikel1.2.18Betaling en bevoorschotting 1.Het voorschot is maximaal 100% van het verleende bedrag. 2.Het voorschot wordt in één keer of in termijnen uitbetaald. Het aantal termijnen hangt af van de looptijd van de activiteiten en de verwachte uitgaven per jaar. In de subsidieverlening is de hoogte en manier van bevoorschotting opgenomen. 3.Bij een subsidievaststelling zonder voorafgaande subsidieverlening wordt de subsidie in één keer uitbetaald. Dit geldt niet als het een voorwaarde is dat eerst de benodigde vergunningen zijn ontvangen. In dat geval wordt de subsidie uitbetaald nadat de subsidieontvanger gemeld heeft dat de benodigde vergunningen is ontvangen. Subsidieverlening en subsidievaststelling Artikel1.2.19Subsidie tot € 25.000,- 1.Een subsidie van minder dan € 25.000,- wordt direct vastgesteld. Dat wil zeggen dat de subsidie gelijk wordt vastgesteld zonder voorafgaande subsidieverlening Dit geldt ook als de subsidiabele activiteiten nog moeten plaatsvinden. 2.De subsidievaststelling zonder voorafgaande subsidieverlening geldt niet voor: subsidies waarop de AGVV of LVV van toepassing is; subsidies waarvoor SiSa-verantwoording van toepassing is; De subsidie wordt in die gevallen op dezelfde manier verleend en vastgesteld als subsidies vanaf € 125.000,-. Artikel 1.2.21 is dan van toepassing. Artikel1.2.20Subsidie vanaf € 25.000,- tot € 125.000,- 1.Een subsidie vanaf € 25.000,- tot € 125.000,- wordt eerst verleend en achteraf, nadat de subsidiabele activiteiten uitgevoerd zijn, vastgesteld. 2.De subsidieontvanger levert uiterlijk 13 weken na het einde van de subsidieperiode een aanvraag tot subsidievaststelling in. Als bij de subsidieverlening een andere termijn is genoemd dan 13 weken, dan geldt die andere termijn. 3.Voor de aanvraag tot subsidievaststelling wordt het formulier beschikbaar gestelde digitale formulier ‘Aanvraag tot subsidievaststelling’ gebruikt. 4.Bij de aanvraag tot subsidievaststelling zit een inhoudelijk verslag waaruit blijkt dat: de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd; aan de voorwaarden die bij de subsidie horen is voldaan; als sprake is van subsidieverlening waarop de AGVV of LVV van toepassing is, een opgave van welke kosten werkelijk gemaakt zijn voor de gesubsidieerde activiteiten en wat de werkelijk ontvangen bijdragen van medeoverheden zijn. 5.De subsidie wordt vastgesteld op het verleende bedrag als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan alle voorwaarden is voldaan. 6.Als sprake is van subsidieverlening waarop de AGVV, LVV of SiSa-verantwoording van toepassing is, wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijke kosten. De artikelen 1.1.21 en 1.1.22 zijn van toepassing. 7.Een subsidie wordt nooit hoger vastgesteld dan het verleende bedrag. 8.Op basis van een risicoanalyse kunnen Gedeputeerde Staten een Asv-subsidie vanaf € 25.000,- tot € 125.000,- vaststellen zonder voorafgaande subsidieverlening. Artikel 1.2.19 is dan van toepassing. Artikel1.2.21Subsidies vanaf € 125.000,- 1.Een subsidie van € 125.000,- of meer wordt eerst verleend en achteraf, nadat de subsidiabele activiteiten uitgevoerd moeten zijn, vastgesteld. 2.De subsidieontvanger levert uiterlijk 13 weken na het einde van de subsidieperiode een aanvraag tot subsidievaststelling in. Als bij de subsidieverlening een andere termijn is genoemd dan 13 weken, dan geldt die andere termijn. 3.Voor de aanvraag tot subsidievaststelling wordt het beschikbaar gestelde digitale formulier Aanvraag tot subsidievaststelling ingediend. Hierin is staan: de werkelijk gemaakte kosten voor de gesubsidieerde activiteiten; hoe deze kosten zijn betaald en financieel zijn gedekt; wat de werkelijk ontvangen bijdragen van medeoverheden zijn. 4.Om de werkelijk gemaakte kosten te bewijzen kan aanvullend om een accountantsverklaring of factuur, betaalbewijs en een urenverantwoording gevraagd worden. In welk geval een accountantsverklaring wordt gevraagd staat in artikel 1.2.
  9. 5.Als sprake is van een subsidies waarvan de middelen beschikbaar gesteld zijn door de Rijksoverheid via een Specifieke uitkering, hierna SPUK, dan geldt de SiSa-verantwoording. Artikel 1.2.22 is dan van toepassing. 6.Bij de aanvraag tot subsidievaststelling zit aanvullend een inhoudelijk verslag waaruit blijkt dat: de gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd; aan de voorwaarden en verplichtingen die bij de subsidie horen is voldaan. 7.De subsidie wordt vastgesteld op de werkelijke kosten als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan alle verplichtingen is voldaan. Als de subsidie een percentage van de begrote subsidiabele kosten is, dan wordt de subsidie vastgesteld op hetzelfde percentage van de werkelijke subsidiabel kosten ook voor de subsidievaststelling. De subsidie wordt nooit hoger vastgesteld dan het verleende bedrag. 8.Op basis van een risicoanalyse kunnen Gedeputeerde Staten een Asv-subsidie vanaf € 125.000,- vaststellen zonder voorafgaande subsidieverlening. Artikel 1.2.19 is dan van toepassing. Artikel1.2.22SiSa-verantwoording 1.SiSa staat voor Single information, Single audit. Het is een manier van subsidie verantwoorden die geldt voor subsidies waarvan de middelen beschikbaar gesteld zijn door de Rijksoverheid via een SPUK, Specifieke uitkering. 2.Als een gemeente of een provincie subsidie ontvangt die afkomstig is van een SPUK, dan verloopt de financiële verantwoording van de subsidie via de SiSa-verantwoording. Artikel 17a van de Financiële verhoudingswet is van toepasing. Bij sommige SPUK’s geldt de SiSa-verantwoording ook voor een waterschap. 3.De medeoverheid dient ieder jaar vóór 15 juli de SiSa-verantwoording in bij de Rijksoverheid. 4.De provincie ontvangt de betreffende SiSa-verantwoording van de Rijksoverheid en gebruikt deze bij vaststelling van de subsidie. Deze verantwoording kan ook gebruikt worden bij het bepalen of een aanvullend voorschot verleend wordt. 5.Als sprake is van een provinciebijdrage die als cofinanciering geldt voor de SPUK-bijdrage van de Rijksoverheid, dan wordt de provinciebijdrage ook verantwoord via de SiSa-verantwoording. De provinciebijdrage wordt in de SiSa-verantwoording verantwoord onder: cofinanciering. 6.Als de subsidieperiode langer is dan een jaar, dan wordt de aanvraag tot subsidievaststelling bij de provincie ingediend uiterlijk op 15 juli van het jaar waarin de laatste SiSa-verantwoording is ingediend bij het Rijk. Artikel1.2.23Beslistermijn op een aanvraag De beslistermijn op een subsidieaanvraag, wijziging van een subsidieverlening of een aanvraag voor subsidievaststelling is 13 weken vanaf de ontvangst van de aanvraag. Artikel1.2.24Accountantsverklaring 1.Gedeputeerde Staten kunnen als controlemaatregel een accountantsverklaring over de financiële verantwoording van de subsidie vragen. In de subsidieverlening staat dan dat een accountantsverklaring ingediend wordt bij de aanvraag tot subsidievaststelling. 2.In de accountantsverklaring staat een overzicht van de kosten en baten van de gesubsidieerde activiteiten en een oordeel van een accountant daarover. Artikel1.2.25Beoordeling integriteit van de subsidieontvanger 1.Met de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) kunnen Gedeputeerde Staten onderzoeken of de aanvrager aan wie zij een subsidie wil verlenen betrouwbaar en integer is. De door Gedeputeerde Staten vastgestelde Beleidsregel voor de toepassing van de Wet Bibob 2024 is van toepassing. 2.Gedeputeerde Staten kunnen bij een aanvraag om een subsidie of bij wijziging van de subsidieontvanger een volledig in te vullen Bibob-formulier subsidies verplicht stellen. In dat geval worden geen voorschotten verleend totdat de beoordeling van het ingezonden Bibob-formulier subsidies is afgerond. 3.Als het Bibob-formulier subsidies niet dan wel niet compleet wordt ingediend, wordt de subsidie afgewezen of ingetrokken. Voordat de subsidie wordt afgewezen of ingetrokken, krijgt de aanvrager de gelegenheid om zijn Bibob-formulier subsidies alsnog in te dienen dan wel aan te vullen. 1.3Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel1.3.1Goed controleerbare administratie 1.De subsidieontvanger zorgt voor een goede administratie. Bij een eventuele controle van de subsidieadministratie kan worden aangetoond: dat de gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd; wat de begrote en werkelijke kosten van de gesubsidieerde activiteiten zijn en hoe deze gefinancierd zijn. 2.De subsidieadministratie bestaat tenminste uit facturen, betaalbewijzen, subsidiebesluiten en financiële bijdragen van derden en, voor zover van toepassing, een overzicht van de gewerkte uren. 3.De subsidieontvanger bewaart de subsidieadministratie 12 maanden na de subsidievaststelling. Als de subsidie direct is vastgesteld, zonder voorafgaande subsidieverlening dan is de bewaarperiode 12 maanden na het einde van de subsidieperiode. Artikel1.3.2Op tijd uitvoeren van de activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichten om vóór een bepaalde datum met de activiteiten te beginnen. Die datum ligt na de start, maar voor het einde van de subsidieperiode. Artikel1.3.3Melding van wijzigingen in de uitvoering 1.De subsidieontvanger is verplicht de volgende wijzigingen te melden: een gesubsidieerde activiteit die niet, niet helemaal of op een andere manier uitgevoerd gaat worden; een gesubsidieerde activiteit die niet op tijd wordt uitgevoerd; als er niet meer aan de aan subsidie verbonden voorwaarden en verplichtingen kan worden voldaan, of als de wens bestaat om de subsidie over te mogen dragen aan een ander. 2.Voor het melden van wijzigingen wordt het formulier ‘Indienen wijzigingsverzoek’ gebruikt. De subsidieontvanger meldt de wijziging binnen 4 weken nadat deze bekend is of had kunnen zijn. 3.Bij een verleende meerjarige subsidie van € 1,5 miljoen of meer doet de subsidieontvanger uiterlijk 1 december van ieder jaar een melding als de jaarlijkse uitgaven van de subsidiabele activiteiten 10% of meer afwijken van de planning voor de uitgaven dat bij de subsidieaanvraag was opgenomen. 4.Als gevolg van een melding kan de verleende of direct vastgestelde subsidie verlaagd worden, kunnen aanvullende afspraken over de gesubsidieerde activiteiten gemaakt worden of kunnen de verplichtingen die bij de subsidie horen, gewijzigd worden. 5.Als de gesubsidieerde activiteit niet op tijd wordt uitgevoerd en de aanvrager heeft daar op tijd een melding van gemaakt, dan kunnen Gedeputeerde Staten besluiten om uitstel te verlenen. Artikel1.3.4Indienen tussenrapportage 1.De subsidieontvanger levert een tussenrapportage in bij meerjarige subsidies die hoger zijn dan € 25.000,-. Bij een subsidieperiode van een jaar of langer wordt maximaal één keer per jaar een tussenrapportage gevraagd. 2.In de tussenrapportage staat minimaal: hoever de uitvoering van de activiteiten is; hoeveel kosten er al zijn gemaakt; de eventuele ontvangen bijdragen van derden; wijzigingen in de uitvoering van de activiteiten of de ingediende begroting. Artikel1.3.5Meewerken aan evaluatieonderzoek De subsidieontvanger werkt mee aan een eventueel evaluatieonderzoek. Het onderzoek meet of de subsidie bijdraagt aan de maatschappelijke doelen waarvoor de subsidie bedoeld is. 1.4Overige bepalingen Artikel1.4.1Beheersmaatregelen misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidie Om misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies tegen te gaan kunnen Gedeputeerde Staten aanvullende voorwaarden of verplichtingen opleggen dan wel andere maatregelen nemen. Deze aanvullende voorwaarden, verplichtingen of andere maatregelen worden beheersmaatregelen genoemd. Artikel1.4.2Adviescommissie Bij sommige subsidieregelingen is er een adviescommissie. De adviescommissie geeft advies over de beoordeling van aanvragen. Artikel1.4.3Afronding bedragen Subsidiebedragen worden naar boven afgerond op hele Euro’s. Artikel1.4.4Verwachtingen vervolgsubsidie Aan verleende subsidies kunnen geen rechten worden ontleend voor subsidies in de toekomst. Hoofdstuk2Ruimtelijke ordening en waterbeheer 2.1Gereserveerd 2.2Leefbaar Platteland 3.0 [Vervallen] 2.3Klimaatadaptatie [Vervallen] 2.4Flexpools versnellen woningbouw Artikel2.4.1Doel van de subsidieregeling Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het toekomstbestendig maken van de woningvoorraad. Dit door de voorbereiding van woningbouwprojecten te helpen versnellen. Artikel2.4.2Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen 1.De subsidie wordt verleend voor inhuur van extra tijdelijk personeel of inhuur van deskundigen: om woningbouwprojecten van gemeenten in Overijssel te ondersteunen en te versnellen; voor het opstellen van een lokale of regionale integrale woonzorgvisie. 2.Het woningbouwproject voldoet aan de volgende voorwaarde: het is een woningbouwproject dat in de Regionale woondeals West-Overijssel en Twente is opgenomen als een sleutelproject of een woningbouwproject binnen Overijssel waarbij de provinciale subsidie nodig is, aangetoond met een acceptabele onderbouwing. De Regionale Woonagenda’s en Woondeals zijn te raadplegen via www.overijsselsewoonaanpak.nl. Sleutelprojecten zijn projecten met een betekenisvol effect op de betreffende stad of kern. Een sleutelproject draagt bij aan de doelen uit de woonagenda’s en aan de versnelling van de woningbouw. 3.Het in te huren tijdelijke personeel of de in te huren deskundige wordt ingezet voor één of meerdere van de volgende activiteiten: de vergunningverlening van een woningbouwproject; het voorbereiden van een woningbouwproject of herstructureringsproject. Hierbij kan ook rekening gehouden worden met onder andere de geldende regels voor de stikstofuitstoot; het sluiten van een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en marktpartijen. In de anterieure overeenkomst staan afspraken over de grond, de kosten voor het wijzigen van een bestemmingsplan en de kosten die gemaakt worden om het bouwproject in de bestaande situatie in te passen. In de overeenkomst staat ook wie de kosten betaalt; het opstellen van een bestemmingsplan en het doorlopen van de procedures die erbij horen; het ondersteunen van de gemeente om lokale of regionale integrale woonzorgvisies te realiseren. De woonzorgvisies gaan over betaalbare woningen met passende zorg en ondersteuning voor aandachtgroepen. De aandachtgroepen zijn statushouders, arbeidsmigranten, dak- en thuislozen, mensen met sociale of medische urgentie, mensen die uitstromen uit een intramurale zorginstelling, uitwonende studenten, woonwagenbewoners en ouderen. Artikel2.4.3Aanvrager De aanvrager is een Overijsselse gemeente. Artikel2.4.4Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing. Artikel2.4.5Hoogte van de subsidie 1.De subsidie is maximaal 75% van de subsidiabele kosten. 2.De subsidie is maximaal € 65.000,- per aanvraag. 3.De gemeente mag in de periode 2 januari 2025 tot 1 oktober 2026 maximaal 2 keer subsidie ontvangen op basis van deze subsidieregeling. Artikel2.4.6Eigen bijdrage Minimaal 25% van de subsidiabele kosten wordt betaald met een geldbijdrage van de aanvrager of derden. Artikel2.4.7Aanvraag 1.Een subsidieaanvraag kan het hele jaar worden ingediend. 2.De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Flexpools versnellen woningbouw. 3.De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken. Artikel2.4.8Beschikbaar budget voor de subsidieregeling Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2023 tot en met
  10. Artikel2.4.9Bevoorschotting Het voorschot is maximaal 90% van de verleende subsidie. Dit is een afwijking op 1.2.18 lid
  11. Artikel2.4.10Sisa-verantwoording 1.De financiële verantwoording loopt volgens de Sisa-verantwoording. Artikel 1.2.22 is van toepassing. De verantwoording wordt ingediend onder Sisa-code C
  12. 2.Bij de aanvraag tot subsidievaststelling zit een opgave van het aantal woningen dat met het woningbouwproject gerealiseerd wordt. Artikel2.4.11Geen staatssteun De subsidie van de provincie aan een gemeente levert geen staatssteun op. Artikel2.4.12Looptijd Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2026 om 17:00 uur. 2.5Deltaprogramma zoetwater regio Oost 2022-2027 Artikel2.5.1Betekenis van begrippen In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd. Bestuursovereenkomst: de bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Oost-Nederland, tussen partijen die betrokken zijn bij het programma Zoetwatervoorziening Oost-Nederland 2e fase. De bestuursovereenkomst is te vinden op: www.zoetwatervoorzieningoostnederland.nl. Rijksbijdrage: specifieke uitkering op grond van de rijksregeling Tijdelijke regeling stimuleren maatregelen tweede fase Deltaprogramma zoetwater. Werkprogramma: het door de partijen opgestelde Werkprogramma Zoetwatervoorziening Oost-Nederland 2022-2027 met als titel ‘Wel goed water vasthouden; werken aan een nieuwe balans’. Het werkprogramma is bestuurlijk vastgesteld op 18 juni 2021 en herzien op 1 oktober
  13. In het werkprogramma zijn het regionale bod en het bijbehorende maatregelenpakket uitgewerkt. Het werkprogramma vormt de basis voor de Bestuursovereenkomst. Het werkprogramma is te vinden op: Werkprogramma-ZON-oktober-2021.pdf (zoetwatervoorzieningoostnederland.nl). Artikel2.5.2 Doel van de subsidieregeling Met deze subsidieregeling willen provincies, waterschappen, gemeenten, drinkwaterbedrijven, terreinbeheerders en de land- en tuinbouworganisatie bijdragen aan het vergroten van grondwatervoorraden, het optimaliseren van watersystemen en zorgen voor een efficiënt gebruik van water. Artikel2.5.3 ctiviteiten die voor de subsidie in aanmerking komen
  14. De subsidie wordt verstrekt voor de volgende in het Werkprogramma genoemde en uitgelegde maatregelen: Robuust watersysteem: Flexibel peilbeheer in hoofdwatersysteem regionale waterbeheerders; Beekherstel en herprofilering leggerwaterlopen; Regelbare drainage en onderwaterdrainage; Verminderen lokale waterafvoer en ontwatering; Afkoppelen verhard oppervlak naar bergings- of infiltratievoorziening; Efficiënt watergebruik: Verbeteren bodemstructuur; Gerichte watergeef-systemen; Bedrijfsgerichte stimuleringsplannen; Ruimtelijke adaptatie: Grondgebruik aanpassen: functie veranderen in ruimte voor water; Naaldbos omzetten in heide of loofbos.
  15. De uitvoering van de maatregelen mag gestart zijn na 1 januari
  16. Artikel 1.2.3 is niet van toepassing.
  17. Lid 2 is niet van toepassing op de uitvoering van maatregelen door landbouwondernemingen. De uitvoering van deze maatregelen mag pas starten nadat de subsidieaanvraag is ingediend door LTO Noord.
  18. De volgende activiteiten komen niet in aanmerking voor de subsidie: Regulier beheer of onderhoud. Artikel 2.5.4 Aanvrager
  19. De aanvrager is één van de partijen die genoemd zijn in bijlage 2 van de Bestuursovereenkomst.
  20. LTO Noord kan ook een gezamenlijke aanvraag indienen voor maatregelen van landbouwondernemers. Artikel 2.5.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen
  21. De subsidiabele kosten zijn: toerekenbaar. Dit betekent dat de kosten direct verband houden met de subsidiabele activiteit; aantoonbaar. Dit betekent dat de aanvrager de kosten kan uitleggen en bewijzen met facturen en offertes; acceptabel. Dit betekent dat de kosten redelijk zijn.
  22. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.8 zijn niet van toepassing.
  23. De kosten van de activiteiten die uitgevoerd zijn voordat de aanvraag is ingediend zijn wel subsidiabel, maar alleen als de activiteit uitgevoerd is na 1 januari
  24. Dit geldt niet voor maatregelen of een gezamenlijke aanvraag van LTO Noord.
  25. De volgende kosten zijn niet subsidiabel: kosten waarvoor een bijdrage is verleend uit het Deltafonds; personeelskosten van de eigen organisatie; compensabele en verrekenbare Btw; boetes, gerechtskosten, kosten voor financieringen, debetrente, kosten voor het inhuren van een subsidieadviesbureau of andere subsidiebemiddelaar; vergoedingen voor de inzet van uren van vrijwilligers. Artikel 2.5.6 Hoogte van de subsidie
  26. De subsidie is maximaal 25% van de subsidiabele kosten.
  27. De subsidie is maximaal het bedrag zoals opgenomen in de kolom ‘Aan te vragen netto bijdrage na aftrek Btw-compensatie’ als vermeld in bijlage 2, pagina 26 en 27 van de Bestuursovereenkomst. Artikel 2.5.7 Eigen bijdrage
  28. De aanvrager is verplicht minimaal 75% van de subsidiabele kosten te dekken met: een eigen bijdrage of bijdrage van derden, niet zijnde een bijdrage in de vorm van eigen arbeid; gewaardeerde goederen of gronden, als de waarde is bepaald door een onafhankelijke deskundige of instantie, zoals een taxateur.
  29. De eigen bijdrage of de bijdrage van derden mag niet afkomstig zijn van Deltafondsmiddelen van het Rijk. Artikel 2.5.8 Aanvraag
  30. De aanvraag moet uiterlijk 31 december 2023 vóór 17.00 uur zijn ontvangen.
  31. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Deltaprogramma zoetwater regio Oost 2022-
  32. De aanvrager levert een overzicht in van de uit te voeren maatregelen en de begrote kosten. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde format te gebruiken. Dit is een afwijking van artikel 1.2.1 lid 2 onderdeel c.
  33. De aanvrager hoeft geen begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing.
  34. De aanvrager mag voor de jaren 2022 tot en met 2027 maximaal 1 keer een aanvraag indienen. Artikel2.5.9 Beschikbaar budget voor de regeling Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2022 tot en met
  35. Artikel 2.5.10 Voorwaarde
  36. De subsidie wordt verstrekt onder het voorbehoud dat het Rijk de volledige rijksbijdrage beschikbaar stelt.
  37. Als het Rijk de rijksbijdrage niet beschikbaar stelt, of verlaagt, dan kan dit gevolgen hebben voor de verleende subsidie. Artikel 2.5.11 Bevoorschotting
  38. Bij een subsidie van € 1,5 miljoen of minder, bedraagt het voorschot 80% van de verleende subsidie.
  39. Bij een subsidie van meer dan € 1,5 miljoen, bedraagt het voorschot maximaal 80% en is de bevoorschotting als volgt: voor 2022 10% van de verleende subsidie; voor 2023 15% van de verleende subsidie; voor 2024 15% van de verleende subsidie; voor 2025 20% van de verleende subsidie; voor 2026 20% van de verleende subsidie.
  40. Als uit de jaarlijkse voortgangsrapportage blijkt dat de besteding van het verleende voorschot 10% of meer afwijkt, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de bevoorschotting aan te passen. Artikel 2.5.12 Voortgangsrapportage
  41. De subsidieontvanger dient jaarlijks voor 1 februari een voortgangsrapportage in bij het programmabureau. Het programmabureau is ondergebracht bij de provincie Overijssel en wordt aangestuurd door Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-Oost. Het programmabureau heeft de leiding over de uitvoering van het Werkprogramma.
  42. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde format Voortgangsrapportage te gebruiken. In de voorgangsrapportage staan minimaal: de uitgevoerde maatregelen en het aantallen hectares waarop de maatregelen gerealiseerd zijn. Het is verplicht om een kaart mee te sturen waarop de locatie van de maatregelen duidelijk is aangegeven; de gemaakte kosten en gerealiseerde eigen bijdrage en bijdrage van derden; de geplande maatregelen; de geplande kosten; de eventuele risico’s. Met uitzondering van de voortgang over het jaar
  43. Over 2022 zal een beperkte voortgang worden gevraagd door het programmabureau. Artikel 2.5.13 Aanvullende verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht de maatregelen uiterlijk 31 december 2027 uitgevoerd te hebben. Artikel2.5.14 Sisa-verantwoording De financiële verantwoording van gemeenten en provincies loopt via de Sisa-verantwoording. Artikel 1.2.22 is van toepassing. De verantwoording wordt ingediend onder Sisa-code E87-B. Artikel2.5.15 Staatssteun gemeenten, provincies, waterschappen en drinkwaterbedrijven
  44. Bij besteding van de subsidie zijn gemeenten, provincies en waterschappen verplicht zich te houden aan de Europese regels op het gebied van aanbesteding en staatssteun.
  45. De subsidie levert geen staatssteun op, als deze voor de uitvoering van deze maatregelen is verleend aan drinkwaterbedrijven die als een overheidsbedrijf zijn aangemerkt. Artikel 2.5.16 Staatssteun landbouwondernemingen
  46. De subsidie aan LTO Noord voldoet aan artikel 14 van de LVV, voor de volgende investeringen bij landbouwondernemingen: regelbare drainage en onderwaterdrainage; verminderen lokale waterafvoer en ontwatering; verbeteren bodemstructuur; gerichte watergeef-systemen; bedrijfsgerichte stimuleringsplannen.
  47. De totale overheidsbijdrage voor de dekking van de subsidiabele kosten is: van de productieve investering per landbouwbedrijf niet meer dan 80% van de subsidiabele kosten; van de niet productieve investeringen per landbouwbedrijf niet meer dan 100% van de subsidiabele kosten.
  48. De subsidie voor productieve investering per landbouwonderneming is maximaal € 600.000,- per onderneming.
  49. De kosten van grond komen alleen in aanmerking voor subsidie als de kosten niet hoger zijn dan 10% van de totale investeringskosten van de maatregel. Artikel2.5.17 Looptijd Deze subsidieregeling vervalt op 31 december 2027 om 17.00 uur. 2.6Gereserveerd 2.7Flexibele huisvesting [Vervallen] 2.8Vitaliteit van dorpen en steden (stads- en dorpsarrangementen) Artikel2.8.1Doel van de subsidieregeling Met deze subsidieregeling wil de provincie Overijssel bijdragen aan de leefbaarheid en vitaliteit van kleine steden en dorpen. Dit door bij te dragen aan ruimtelijke ontwikkelingen die het centrum van een drop of stad levendig houden. Artikel2.8.2Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen 1.De subsidie wordt verleend voor activiteiten die bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit, leefbaarheid en vitaliteit van stad of dorp. 2.De activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, zijn de activiteiten die opgenomen zijn in het stads- of dorpsarrangement. Een stads-of dorpsarrangement (A) is een overzicht van de activiteiten en afspraken die in overleg met de gemeente, de provincie en andere organisaties in het centrum is opgesteld. 3.Het stads- of dorpsarrangement (A) voldoet aan de volgende voorwaarden: het stads- of dorpsarrangement (A) is opgesteld voor centrum van een kern met tussen de 10.000 en 50.000 inwoners; in het stads- of dorpsarrangement staat: welke activiteiten of aanpassingen worden uitgevoerd; de kostenverdeling per activiteit; de maximale provinciale bijdrage; wie de subsidieaanvrager is; waar het project uitgevoerd wordt.
  50. De activiteiten die niet in aanmerking komen voor de subsidie zijn de activiteiten die bij de taak of de bedrijfsvoering van de gemeente horen. Artikel2.8.3Aanvrager De aanvrager is een Overijsselse gemeente of een andere organisatie in het centrum die genoemd is in het stads- of dorpsarrangement. Artikel2.8.4Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen De subsidie is een vast bedrag per aanvrager. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.8 zijn niet van toepassing. Artikel2.8.5Hoogte van de subsidie De subsidie is het bedrag dat opgenomen in het stads- of dorpsarrangement van de betreffende gemeente. Artikel2.8.6Subsidieaanvraag 1.De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend. 2.De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Vitaliteit van dorpen en steden (stads- en dorpsarrangementen). 3.De aanvrager levert opgestelde stads- en dorpsarrangementen (A) in. 4.Het is niet nodig om een begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing. Artikel2.8.7Beschikbaar budget voor de subsidieregeling Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2024 en
  51. Artikel2.8.8Aanvullende verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: de opgedane kennis en ervaring te delen met geïnteresseerden; de activiteiten die opgenomen zijn in het stads- of dorpsarrangement binnen 3 jaar na subsidieverlening uitgevoerd te hebben. Artikel2.8.9Geen staatssteun Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening. Artikel2.8.10Looptijd Deze subsidieregeling vervalt 30 november
  52. 2.9Deltaplan Agrarisch Waterbeheer Overijssel 2024-2027 Artikel 2.9.1 Betekenis van begrippen In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd. Landbouworganisatie: organisatie in de agrarische sector, die zowel de economische als de sociale belangen van de ondernemers in de agrarische sector behartigt. Maatregelen: activiteiten en investeringen van landbouwondernemers zoals opgenomen in bijlage
  53. Productieve investering: investering die leidt tot een stijging van de waarde, winst of omzet van de onderneming. Artikel 2.9.2 Doel van de subsidieregeling Met deze subsidieregeling wil de provincie samen met de Overijsselse waterschappen bijdragen aan de verbetering van de bodem- en de waterkwaliteit en de waterkwantiteit. Daarnaast wordt uitvoering gegeven aan de cofinancieringsafspraken die voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid gelden. (Bestuursovereenkomst cofinanciering NSP-GLB 2023-2027 provincie Overijssel, Overijsselse waterschappen en LTO Noord). Artikel 2.9.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen
  54. De subsidie wordt verstrekt voor: de uitvoering van maatregelen die in bijlage 1 zijn opgenomen. Ook maatregelen die niet in bijlage 1 zijn opgenomen, maar wel een vergelijkbaar resultaat hebben komen voor de subsidie in aanmerking maar alleen als sprake is van doorontwikkeling van bestaande technieken of nieuwe technieken (innovatie). samenwerkingsproject waarbij een landbouworganisatie samenwerkt met deelnemende landbouwondernemingen, eigenaren van gronden met bestemming landbouw of loonwerkbedrijven voor de uitvoering van minimaal 25 maatregelen.
  55. De maatregelen voldoen aan de volgende voorwaarden: de maatregelen hebben een directe link met de landbouw en worden uitgevoerd op landbouwgrond binnen de grenzen van de provincie Overijssel; de maatregelen dragen bij aan de realisatie van minimaal een van de volgende doelen: de doelen van de Kaderrichtlijn water; zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel en de daaronder vallende factsheets van de waterlichamen; zoals vastgesteld per drinkwaterwinning in de gebiedsdossiers voor de drinkwaterwinningen in Overijssel; de vermindering van nitraat in grond- en oppervlaktewater conform de EU-Nitraatrichtlijn op basis van de KRW-factsheets voor grond- en oppervlaktewaterlichamen, en de daarin opgenomen toestandsbeoordeling die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel. de realisatie van de doelen van het programma Zoetwatervoorziening Oost-Nederland 2022-2027, zoals opgenomen in het werkprogramma 'Wel goed water vasthouden!'; doelen van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer, zoals opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Waterschap Drents Overijsselse Delta of Waterschap Vechtstromen. Deze zijn te vinden op Deltaplan Agrarisch Waterbeheer - Samen werken aan schoon en voldoende water en een gezonde bodem.
  56. Maatregelen die wettelijk verplicht zijn komen niet in aanmerking voor de subsidie. Artikel 1.2.1 lid 5 is van toepassing. Artikel 2.9.4 Aanvrager
  57. De subsidie voor de uitvoering van de maatregelen kan aangevraagd worden door: een landbouwonderneming; eigenaren van gronden met bestemming landbouw; loonwerkbedrijven.
  58. De subsidie voor een samenwerkingsproject zoals genoemd onder artikel 2.9.3 lid 1 sub b kan aangevraagd worden door een landbouworganisatie die aantoonbare kennis en ervaring heeft op het gebied van advies aan en ondersteuning van landbouwondernemers op het gebied van natuur-, milieu- of klimaatdoelen. Artikel 2.9.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen
  59. Voor de uitvoering van de maatregelen geldt dat de volgende kosten van derden die de aanvragers en deelnemers maken subsidiabel zijn: de kosten voor aanleg, inrichting en installatie; de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa. Alleen investeringen in machines en apparatuur die voldoen aan bovenwettelijke doelstellingen zijn subsidiabel. Voor investeringen in combinatie met gangbare machines en apparatuur geldt dat alleen de additionele kosten ten opzichte van de basismachines om aan de bovenwettelijke doelstellingen te voldoen subsidiabel zijn; de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware; de kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;
  60. Arbeidskosten van de landbouwonderneming zijn niet subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.
  61. Voor de subsidie voor een samenwerkingsproject geldt dat: de kosten genoemd in artikel 2.9.5 lid 1 subsidiabel zijn; de advieskosten subsidiabel zijn; de organisatiekosten subsidiabel zijn. De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.8 zijn van toepassing. Onder organisatiekosten vallen de kosten die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van het samenwerkingsproject (voorbereidingskosten), inclusief de afstemming met de deelnemers en de penvoerderskosten. Artikel2.9.6 Hoogte van de subsidie
  62. De subsidie voor de uitvoering van maatregelen is maximaal het percentage dat genoemd is in bijlage
  63. De subsidie is maximaal € 12.500,- per maatregel.
  64. De subsidie voor een samenwerkingsproject zoals genoemd in artikel 2.9.3 lid 1 sub b is minimaal € 250.000,-.
  65. De subsidie voor de organisatiekosten bij een samenwerkingsproject is maximaal 15% van de totale subsidie. De subsidie voor de penvoerderskosten is maximaal 5% van de totale subsidie.
  66. Een aanvrager en een deelnemer mag maximaal 1 keer subsidie ontvangen op basis van deze subsidieregeling. Dit geldt niet voor een landbouworganisatie die subsidie aanvraagt voor een samenwerkingsproject. Artikel2.9.7 Eigen bijdrage Voor de uitvoering van de maatregelen zoals opgenomen onder artikel 2.9.3 lid 1 sub a, geldt dat de eigen bijdrage bestaat uit een geldbijdrage van de landbouwonderneming. De geldbijdrage mag van een andere overheid afkomstig zijn, als de percentages zoals genoemd onder artikel 2.9.13 niet worden overschreden. Artikel2.9.8 Subsidieaanvraag
  67. De aanvraag kan ingediend worden vanaf 2 december 2024 om 9.00 uur.
  68. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Deltaplan Agrarisch Waterbeheer Overijssel 2024-
  69. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. In de begroting is onderscheid gemaakt naar de verschillende subsidiabele kosten zoals genoemd in artikel 2.9.
  70. Als sprake is van een aanvraag voor een samenwerkingsproject dan levert de aanvrager aanvullend een plan in waarin is opgenomen: hoeveel ondernemers deelnemen of naar verwachting deel zullen nemen; welke maatregelen uitgevoerd zullen worden in welk waterschapsgebied; de wijze waarop het advies aan de deelnemers wordt gegeven; de wijze van selectie van en de samenwerking met de deelnemers. Artikel2.9.9 Beoordeling Gedeputeerde Staten beoordelen samen met de betreffende waterschappen of voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 2.9.
  71. Artikel2.9.10 Beschikbaar budget voor de regeling Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2024 tot en met
  72. Er geldt een deelplafond per waterschap gebied: Waterschap Drents Overijsselse Delta; Waterschap Vechtstromen. Artikel 2.9.11 Voorwaarde
  73. De subsidie wordt verstrekt onder het voorbehoud dat Waterschap Drents Overijsselse Delta en Waterschap Vechtstromen de in het Bestuursovereenkomst cofinanciering NSP-GLB 2023-2027 provincie Overijssel, Overijsselse waterschappen & LTO, het toegezegde bedrag beschikbaar stellen aan de provincie. Artikel2.9.12 Aanvullende verplichtingen
  74. De subsidieontvanger is verplicht de activiteiten voor 31 december 2027 uitgevoerd te hebben.
  75. Als de subsidieontvanger een landbouworganisatie is, is de subsidieontvanger verplicht de subsidie voor de uitvoering van de maatregelen door te betalen aan de deelnemende landbouwonderneming(en). Artikel2.9.13 Staatssteun
  76. De subsidie voor de uitvoering van de maatregelen voldoet aan artikel 14 lid 3 punten e, f of g van de LVV.
  77. De totale overheidsbijdrage is bij productieve investeringen maximaal 80% van de subsidiabele kosten.
  78. De subsidie voor het opstellen van een bedrijfswaterplan is geen staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de De-minimisverordening Landbouw. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing.
  79. Bij een samenwerkingsproject voldoet het advies verstrekt aan de deelnemers aan artikel 21 van de LVV.
  80. Bij een samenwerkingsproject leveren de subsidie voor de voorbereidingswerkzaamheden geen staatssteun op. De overige activiteiten van de penvoerder leveren geen staatssteun op als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening. Artikel2.9.14 Looptijd Deze subsidieregeling vervalt op 31 december 2027 om 17.00 uur. Bijlage 1: Maatregelen DAW 2024-2027 BOOT-lijst: maatregelentabel opgesteld door het Bestuurlijk Overleg Openteelten en Veehouderij. Maatregel (volgens nummering BOOT-lijst) Heeft relatie met BOOT-lijst versie 2022, maatregel nr: Productief? Maximale subsidie a. Opstellen (gebiedsgericht) bedrijfswaterplan of bedrijfs(afval)waterscan: erfafspoeling, waterkwantiteit (droog, nat) en/of waterkwaliteit mogelijk in combinatie met milieupuntensysteem, inclusief (gebiedsgerichte) bedrijfsstimuleringsplannen voor klimaatadaptatie, en bodembedrijfswaterplannen. BOOTlijst maatregel 6 ja 80% en maximaal 2.000,- per deelnemende landbouwonderneming c. Gebruik beslissingsondersteunende systemen voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen. BOOT-lijst maatregel 8 ja 40% f. Meteo en grondwater gestuurd bemesten (managementsysteem). BOOT-lijst maatregel 8 ja 40% e. Gebruik van beslissingsondersteunende systemen op basis van bodemonderzoek aangevuld met beschikbare meetresultaten. BOOT-lijst maatregel 8 ja 40% j. Gerichte bemesting via druppelsystemen en dergelijke. BOOT-lijst maatregel 64 ja 40% g. (Gebiedsgericht) zuivering van drainagewater (stikstof/fosfor, in sloot/slootkant/bodem). BOOT-lijst maatregel 69/84 ja 40% h. Aanleg en beheer infiltratiegreppel (afspoeling tegengaan). BOOT-lijst maatregel 75 ja 40% m. Koppeling drainage met zuivering (bijvoorbeeld ijzerzand voorziening). BOOT-lijst maatregel 69 ja 40% n. Mechanische onkruidbestrijding. BOOT-lijst maatregel 33 ja 40% q. Spuittechnieken die drift boven de wettelijke norm vergaand reduceren zoals bijvoorbeeld wingsprayer en luchtondersteuning. BOOT-lijst maatregel 36 ja 40% t. Toepassen precisiebemesting (GPS, taakkaarten, rijenbemesting en dergelijke). BOOT-lijst maatregel 66 ja 40% u. Toepassen rijenbemesting dierlijke mest bij gewassen die in rijen worden geteeld. BOOT-lijst maatregel 66 ja 40% w. Gebruik van sensor gestuurde of andere voorzieningen voor selectieve en/of gerichte spuitapparatuur. BOOT-lijst maatregel 36 ja 40% ggg. Het toepassen van groenbemesters na aardappelteelten in grondwaterbeschermingsgebieden zonder gebruik van chemische middelen. BOOT-lijst maatregel 32 ja 40% l. Herinrichting erf en aanleg opvangvoorziening voor tegengaan erfafspoeling. BOOT-lijst maatregel 4 ja 40% v. Zuiveringssystemen voor afvalwater voor verwijdering van nutriënten en/of gewasbeschermingsmiddelen (bijvoorbeeld voor reiniging spuitapparatuur). BOOT-lijst maatregel 27 ja 40% y. Aanleg en beheer droge bufferstroken (breder dan wettelijk voorgeschreven/mest- en spuitvrij) langs water. BOOT-lijst maatregel 81/38 ja 40% z. Aanleg en beheer helofytenfilters in nabijheid watergang. BOOT-lijst maatregel 83 ja 40% i. Afvoer nitraatrijke en/of fosforrijke groenresten direct na oogst en stimulering compostering daarvan (gericht op compostering of milieuverliezen). BOOT-lijst maatregel 26 ja 40% o. Nuttig toepassen op bedrijf van sloot- en bermmaaisel. BOOT-lijst maatregel 26/50 ja 40% p. Organische stofgehalte verhogen door toepassen stikstofarme en/of fosforarme gewasresten niet zijnde mest (onder andere compost, bokashi of andere OS verhogende bronnen); Bokashi kan alleen op eigen gronden worden toegepast en dient afkomstig te zijn van eigen organische reststromen. BOOT-lijst maatregel 26 ja 40% pp. Toepassen niet-kerende bodembewerking. BOOT-lijst maatregel 18 ja 40% qq. Opheffen van storende/verdichte bodemlagen, echter beperkt tot kunstmatig verdichte lagen, Het opheffen van keileemlagen en natuurlijke profielen is niet toegestaan. Dit dient vooraf getoetst te worden aan de Provinciale Omgevingsverordening. BOOT-lijst maatregel 26 ja 40% ss. Vaste rijpaden op perceel. BOOT-lijst maatregel 15 ja 40% vv. Verbeteren bodemstructuur. BOOT-lijst maatregel 26 ja 40% fff. Robotisering teneinde bodemverdichting te voorkomen zoals geautomatiseerde mechanische onkruidverwijdering. BOOT-lijst maatregel ja 40% b. Gebruik beslissingsondersteunende systemen beregening. BOOT-lijst maatregel 8 ja 40% aa. Aanleg en beheer natuurvriendelijke oevers en/of waterbergingsoever. BOOT-lijst maatregel 82 ja 40% bb. Aanleg natte bufferstroken. BOOT-lijst maatregel 81 ja 40% cc. Aanleg regelbare/peil gestuurde drainage eventueel in combinatie met klimaat adaptieve regelbare drainage. BOOT-lijst maatregel 71 ja 40% dd. Beschikbaar stellen van landbouwgrond voor bovenwettelijke waterberging op perceel. BOOT-lijst maatregel 77 ja 40% ee. Egaliseren lokale en geïsoleerde laagtes in percelen (natte delen opheffen). Dit dient vooraf getoetst te worden aan de Provinciale Omgevingsverordening in verband met landschappelijke, aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden. BOOT-lijst maatregel 23 ja 40% ff. Gerichte watergeefsystemen bijvoorbeeld druppelirrigatie, ondergrondse druppelirrigatie. BOOT-lijst maatregel 72 ja 40% gg. Inrichtingskosten voor het gebruik van (rest)water van derden dat anders via het oppervlaktewatersysteem wordt afgevoerd. BOOT-lijst maatregel 78 ja 40% hh. Investeringen in voorzieningen zodat drainagewater niet wegstroomt maar opnieuw benut wordt binnen eigen bedrijf of door omliggende bedrijven. BOOT-lijst maatregel 69 ja 40% ii. Investeringen met betrekking tot infiltratie via onderwaterdrainage of subirrigatie (bijvoorbeeld veenweidegebied). BOOT-lijst maatregel 71 ja 40% jj. Investeringen ten behoeve van opslag van hemelwater in een bassin, vijver en/of plas dat op eigen terrein ligt of in samenspraak met de betreffende grondeigenaar. BOOT-lijst maatregel 70 ja 40% kk. Kunstmatige infiltratie of vasthouden van gebiedseigen wateroverschotten ter aanvulling van het grondwater. BOOT-lijst maatregel 76 ja 40% ll. Maatregelen met als doel minder waterafvoer ten behoeve van erosiepreventie. BOOT-lijst maatregel 20 ja 40% mm. Ondiepe drainage op bijvoorbeeld 0,8 m onder maaiveld. BOOT-lijst maatregel 74 ja 40% nn. Peil opzetten. BOOT-lijst maatregel 68 ja 40% oo. Plaatsen stuwtjes en andere maatregelen om water langer vast te houden in detailwaterlopen (door het plaatsen van (LOP-)stuwen of het verhogen of verkleinen van bestaande duikers of deze volledig te dempen, sloten dempen sloten verondiepen of afdammen, greppels afsluitbaar maken). BOOT-lijst maatregel 68 ja 40% rr. Uitplaatsen van beregeningsputten uit bufferzones rondom natuurgebieden. ja 40% t. Beperken of sturen oppervlakkige afstroming. BOOT-lijst maatregel 16 ja 40% uu. Aanbrengen verholen goten regenwater. ja 40% ww. Water (lokaal) opvangen en opslaan als voorraad voor droge perioden en opvangen van piekafvoeren (bijvoorbeeld bassins). BOOT-lijst maatregel 70 ja 40% xx. Besparen drinkwater. ja 40% yy. Hergebruik water. BOOT-lijst maatregel 69 ja 40% zz. Hergebruik regenwater. BOOT-lijst maatregel 69 ja 40% aaa. Hergebruik proceswater. BOOT-lijst maatregel 78 ja 40% bbb. Hergebruik RWZI-effluent. BOOT-lijst maatregel 78 ja 40% ccc. Grondgebruik aanpassen: functie veranderen in ruimte voor water. BOOT-lijst maatregel 77 ja 40% ddd. Grondgebruik permanent aanpassen gericht op vergroten waterbeschikbaarheid: naaldbos omzetten in heide of loofbos. ja 40% fff. Robotisering teneinde bodemverdichting te voorkomen zoals geautomatiseerde mechanische onkruidverwijdering. BOOT-lijst maatregel 19 ja 40% 2.10Klimaatadaptatiemaatregelen werkregio RIVUS Artikel2.10.1 Betekenis van de begrippen In dit artikel worden veel voorkomende begrippen uitgelegd. Programma Klimaatadaptatie 2019-2023: programma van de provincie Overijssel waarmee invulling wordt gegeven aan de opgaven die opgenomen zijn in het coalitieakkoord ‘Samen bouwen aan Overijssel

(2019)’ voorhitte, droogte en wateroverlast. Projectenlijst: een overzicht van projecten en maatregelen waarvoor het Rijk bij besluit van 15 maart 2022 een rijksbijdrage heeft verleend voor projecten van de werkregio RIVUS voor de periode 2021-
  1. Provincie Overijssel is de kassier voor deze rijksbijdrage. Een overzicht van de projecten is te vinden op www.regelen.overijssel.nl. Rijksbijdrage: bijdrage van het Rijk op basis van de Rijksregeling. Rijksregeling: de Tijdelijke Impulsregeling klimaatadaptatie 2021-2027 van 16 oktober 2020 van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Deze regeling heeft als doel om maatregelen voorklimaatadaptatie 2021-2027 te versnellen. De Tijdelijke Impulsregeling klimaatadaptatie 2021–2027 is te vinden op www.overheid.nl. werkregio RIVUS: samenwerkingsverband voor de afvalwaterketen en voor klimaatadaptatie in West Overijssel. Het samenwerkingsverband bestaat uit de volgende partners: de gemeenten Dalfsen, Deventer, Kampen, Olst-Wijhe, Raalte, Staphorst, Zwartewaterland, Zwolle, provincie Overijssel en Waterschap Drents Overijsselse Delta. Bij de afvalwaterketen gaat het om alle activiteiten tussen drinkwaterwinning en rioolwaterzuivering. Artikel 2.10.2 Doel van de subsidieregeling Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het voorbereiden van Overijssel op de gevolgen van het veranderende klimaat door een klimaatadaptieve inrichting van de provincie in
  2. Dit door via deze regeling de rijksbijdrage in te zetten om plannen van gemeenten en waterschappen te ondersteunen voor de opgaven van het werkgebied RIVUS. Artikel 2.10.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen
  3. De subsidie wordt verleend voor projecten die opgenomen zijn in de projectenlijst.
  4. Een project komt niet in aanmerking voor de subsidie als in de projectenlijst geen rijksbijdrage is opgenomen voor het betreffende project.
  5. Het project mag gestart zijn na 1 januari
  6. Dit is een afwijking van artikel 1.2.
  7. Artikel 2.10.4 Aanvrager
  8. De aanvrager is één van de volgende partners van de werkregio RIVUS: Gemeente Staphorst; Gemeente Olst-Wijhe; Gemeente Zwolle; Gemeente Zwartewaterland; Gemeente Kampen; Gemeente Raalte; Gemeente Deventer; Gemeente Dalfsen; Waterschap Drents Overijsselse Delta.
  9. De aanvrager is de verantwoordelijke voor het betreffende project zoals dat is opgenomen in de projectenlijst. Artikel 2.10.5 Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen
  10. Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing.
  11. De kosten van de activiteiten die zijn uitgevoerd voordat de subsidieaanvraag is ontvangen, zijn wel subsidiabel, maar alleen als de activiteiten zijn uitgevoerd na 1 januari
  12. Dit is een afwijking van artikel 1.2.8 onderdeel a.
  13. De volgende kosten zijn niet subsidiabel: gebruikelijk en achterstallig onderhoud; maatregelen en voorzieningen ter bestrijding van hittestress; subsidies aan burgers en bedrijven; grondverwerving; een analyse van de kansen op en de gevolgen van wateroverlast, droogte en overstromingen binnen de werkregio; het opstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 4, lid 2 en lid 3 van de rijksregeling. Artikel2.10.6 Hoogte van de subsidie
  14. De subsidie is maximaal 33% van de subsidiabele kosten.
  15. De subsidie is maximaal het bedrag dat voor het betreffende project is opgenomen in de projectenlijst in de kolom ‘Rijksbijdrage netto’. Artikel2.10.7 Eigen bijdrage
  16. De aanvrager is verplicht minimaal 67% van de subsidiabele kosten te dekken met een eigen bijdrage of bijdrage van derden
  17. De eigen bijdrage is geen bijdrage in de vorm van eigen arbeid.
  18. De eigen bijdrage of de bijdrage van derden mag niet direct of indirect afkomstig zijn van het Rijk. Artikel 2.10.8 Subsidieaanvraag
  19. De subsidieaanvraag kan het hele jaar worden ingediend.
  20. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Klimaatadaptatiemaatregelen werkregio RIVUS.
  21. De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in.
  22. De aanvrager levert aanvullend ook een projectplan in. Dit mag dezelfde plan zijn zoals die ook is ingeleverd voor de Rijksbijdrage. Artikel2.10.9 Beschikbaar budget voor de subsidieregeling Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2023 tot en met
  23. Artikel2.10.10 Aanvullende verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht de activiteiten vóór 31 december 2027 uitgevoerd te hebben. Artikel2.10.11 Sisa-verantwoording De financiële verantwoording van de gemeente loopt volgens de Sisa-verantwoording. Artikel 1.2.22 is van toepassing. De verantwoording wordt ingediend onder Sisa-code E44B. Artikel2.10.12 Staatssteun De subsidie van de provincie aan een gemeente of waterschap levert geen staatssteun op. Artikel2.10.13 Looptijd Deze subsidieregeling vervalt op 31 december 2027 om 17.00 uur. 2.11Klimaatadaptatiemaatregelen 2021-2027 Artikel2.11.1 Betekenis van de begrippen In dit artikel worden veel voorkomende begrippen uitgelegd. Programma Klimaatadaptatie 2019-2023: programma van de provincie waarmee invulling wordt gegeven aan de opgaven die opgenomen zijn in het coalitieakkoord ‘Samen bouwen aan Overijssel
(2019)’ voor hitte, droogte en wateroverlast. Projectenlijst: een overzicht van projecten waarvoor het Rijk bij besluit van 15 maart 2022 een rijksbijdrage heeft verleend voor projecten van de werkregio RIVUS voor de periode 2021-2027. Provincie Overijssel is penvoerder voor deze rijksbijdrage. Een overzicht van de projecten is te vinden op www.regelen.overijssel.nl. Rijksbijdrage: de bijdrage op basis van de Rijksregeling. De Rijksbijdrage is aan te vragen bij de werkregio’s. Voor de werkregio RIVUS kan de Rijksbijdrage aangevraagd worden bij de provincie Overijssel op basis van paragraaf 2.10 van dit Ubs. Rijksregeling: de Tijdelijke Impulsregeling Klimaatadaptatie 2021-2027 van 16 oktober 2020 van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Deze regeling heeft als doel om maatregelen voor klimaatadaptatie 2021-2027 te versnellen. De Tijdelijke impulsregeling klimaatadaptatie 2021–2027 is te vinden op overheid.nl. Werkregio’s: samenwerkingsverband van gemeenten en waterschappen, op basis van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie onderverdeeld in de regio’s Twents Waternet, Noordelijke Vechtstromen, RIVUS en FLUVIUS. Artikel2.11.2 Doel van de subsidieregeling Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het voorbereiden van Overijssel op de gevolgen van het veranderende klimaat door een klimaatadaptieve inrichting van de provincie in 2050. Dit door subsidie te verlenen aan projecten van gemeenten en waterschappen, waarvoor ook een Rijksbijdrage is verleend. Het gaat om de provinciebijdrage die is opgenomen in de aanvraag voor de Rijksbijdrage. Artikel2.11.3 Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen 1. De subsidie wordt verleend voor projecten die zijn opgenomen in de projectenlijst. 2. Een project komt niet in aanmerking voor de subsidie als in de projectenlijst geen provinciebijdrage is opgenomen voor het betreffende project. 3. Het project mag gestart zijn na 1 januari 2021. Dit is een afwijking van artikel 1.2.3. Artikel2.11.4 Aanvrager 1. De aanvrager is één van de Overijsselse partners van de werkregio’s FLUVIUS, RIVUS, Twents Waternet of Noordelijke Vechtstromen. 2.De aanvrager is de verantwoordelijke voor het betreffende project zoals dat is opgenomen in de projectenlijst. Artikel2.11.5Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen 1. Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing. 2. De kosten van de activiteiten die zijn uitgevoerd voordat de subsidieaanvraag is ontvangen, zijn wel subsidiabel, maar alleen als de activiteiten zijn uitgevoerd na 1 januari 2021. Dit is een afwijking van artikel 1.2.8 onderdeel a. 3. De volgende kosten zijn niet subsidiabel: regulier en achterstallig onderhoud; maatregelen en voorzieningen ter bestrijding van hittestress; subsidies aan burgers en bedrijven; grond verwerving; een analyse van de kansen op en de gevolgen van wateroverlast, droogte en overstromingen binnen de werkregio; het opstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 4, lid 2 en lid 3 van de rijksregeling. Artikel2.11.6Hoogte van de subsidie 1.De subsidie is 20% van de subsidiabele kosten. 2.De subsidie is maximaal het bedrag dat voor het betreffende project is opgenomen in de projectenlijst in de kolom ‘Bijdrage provincie Overijssel’. Artikel2.11.7Eigen bijdrage 1. De aanvrager is verplicht minimaal 66% van de subsidiabele kosten te dekken met een eigen bijdrage, een bijdrage van de provincie Overijssel of bijdrage van derden. 2. De eigen bijdrage is geen bijdrage in de vorm van eigen arbeid. 3. De eigen bijdrage of de bijdrage van derden mag niet direct of indirect afkomstig zijn van het Rijk. Artikel2.11.8Subsidieaanvraag 1. De subsidieaanvraag kan het hele jaar worden ingediend. 2. De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Klimaatadaptatiemaatregelen 2021-2027. 3.De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. 4. De aanvrager levert aanvullend ook een projectplan in. Dit mag hetzelfde plan zijn zoals die ook is ingeleverd voor de Rijksbijdrage. Artikel2.11.9Beschikbaar budget voor de subsidieregeling 1. Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2023 tot en met 2027. 2. Er geldt een deelplafond voor de volgende werkregio’s: werkregio Twents Waternet; werkregio Noordelijke Vechtstromen; werkregio FLUVIUS; werkregio RIVUS. Artikel2.11.10Aanvullende verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht de activiteiten vóór 31 december 2027 uitgevoerd te hebben. Artikel2.11.11Staatssteun De subsidie van de provincie aan een gemeente of waterschap levert geen staatssteun op. Artikel 2.11.12Looptijd Deze subsidieregeling vervalt op 31 december 2027 om 17.00 uur. 2.12Advies bij Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) [Vervallen] 2.13 Langer zelfstandig wonen Artikel 2.13.1 Betekenis van de begrippen In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd. Betaalbare koopwoning: koopwoningen met een vrij op naam prijs van ten hoogste de landelijk geldende betaalbaarheidsgrens (prijspeil 2025 is € 405.000. Bron: Beslisnota bij Kamerbrief Aanpassingen Nationale Hypotheek Garantie (NHG) per 2025.pdf); DAEB: dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; DAEB-de-minimisverordening: Verordening (EU) 2023/2832 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (C/2023/9701), PB L, 2023/2832, 15.12.2023; DAEB-vrijstellingsbesluit: Besluit van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (2012/21/EU), PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3–10; Geclusterde woonvorm: woningen in het segment sociale huur, midden huur en betaalbare koop in een geclusterde woonvorm. Het gaat om tenminste twaalf zelfstandige woningen die aan elkaar geschakeld zijn met een inpandige of nabijgelegen en gedeelde ontmoetingsruimte. De geclusterde woonvorm wordt bewoond overwegend door ouderen, maar is ook geschikt voor andere doelgroepen. Bron: Handreiking-Geclusterde-woonvormen-voor-senioren.pdf; Gemengde woonvorm: een woonvorm waarbij verschillende doelgroepen zoals bijvoorbeeld senioren, jongeren, statushouders of kwetsbare groepen met elkaar in één gebouw wonen; Meergeneratiewoning: woning waar mensen van verschillende leeftijden bij elkaar wonen; Middenhuurwoning: huurwoning met een gereguleerde huurprijs in het middensegment als bedoeld in de Wet betaalbare huur. Het puntensysteem bepaalt de waarde van een woning. Ontmoetingsruimte: ruimte die tot doel heeft als ontmoetingsplek te dienen voor bewoners van een geclusterde woonvorm en bewoners uit de omgeving van de geclusterde woonvorm; Pilot: een kleinschalige implementatie van een nieuw product, concept of idee om de levensvatbaarheid aan te tonen. Het doel is om te beoordelen of het geteste succesvol zou kunnen zijn bij een grootschalige implementatie of productlancering. Ook wordt het idee getest of de geboden oplossing(
  1. en)daadwerkelijk als een verbetering wordt gezien. Mogelijke tekortkomingen worden tijdens de pilot geïdentificeerd en vervolgens kan daar actie op worden ondernomen. Van de pilot wordt een evaluatieverslag gemaakt; Woonzorgvisies: in 2026 moeten alle gemeenten en provincies in Nederland een woonzorgvisie hebben. Een regionale woonzorgvisie vormt voor gemeenten de basis om regionale en lokale afspraken te maken met woningcorporaties, verhuurders, zorgaanbieders en zorgkantoren over de huisvesting, zorg en ondersteuning voor aandachtsgroepen en ouderen. In het wetsvoorstel Wet Versterking regie op de volkshuisvesting is opgenomen dat deze verplichting wettelijk wordt vastgelegd, en dat de woonzorgvisie samen met de woonvisie zal opgaan in het volkshuisvestingsprogramma; Sociale huurwoning: woning waarvan de kale huurprijs op de ingangsdatum van het huurcontract niet hoger was dan de toenmalige liberalisatiegrens conform het woningwaarderingsstelsel (WWS). De liberalisatiegrens is het bedrag dat bij het ingaan van de huur de grens aangeeft tussen een sociale huurwoning en middenhuurwoning of een vrijesectorwoning; Vernieuwend woonconcept: een woonvorm waar gemengde doelgroepen, waaronder ouderen, kunnen wonen en waarbij het uitgangspunt is dat gemeenschapszin onder de bewoners gestimuleerd wordt. Denk bijvoorbeeld aan meergeneratiewoningen, een thuisplusflat of friendswoningen; Zorggeschikte woning: zelfstandige nultredenwoning waarin Wlz-zorg geleverd kan worden voor bewoner(
  2. s)en die onderdeel is van een geclusterde woonvorm. Om alle vormen van zorg te kunnen leveren, dienen deze wooneenheden en de woonvorm rolstoelgeschikt te zijn, met voldoende ruimte om verpleegzorg te verlenen. De zorggeschikte woningen zijn bedoeld voor mensen met een zorgindicatie vanuit de Wet langdurige zorg. Zorggeschikte woningen zijn geschikt voor mensen met een zorgprofiel VV4 t/m VV10. Artikel2.13.2Doel van de subsidieregeling Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het versnellen van de realisatie van zelfstandige, betaalbare zorggeschikte woningen, door te bouwen of te transformeren. Daarnaast heeft de subsidieregeling tot doel een bijdrage te leveren aan langer zelfstandig wonen voor ouderen door ontmoetingsruimtes bij de de geclusterde woonvormen en vernieuwende woonconcepten te stimuleren. Gemeenten, woningcorporaties, zorgaanbieders en marktpartijen kunnen een bijdrage aanvragen zodat het financieel tekort op het woningbouwproject kleiner wordt en het project gerealiseerd kan worden. De realisatie van een zorggeschikte woningen en ontmoetingsruimtes bij de geclusterde woonvorm worden gezien als een activiteit in het kader van een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB). Artikel2.13.3Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen 1.De subsidie wordt verleend voor één van de volgende activiteiten: het realiseren van een zorggeschikte woning in een geclusterde woonvorm; het realiseren van een ontmoetingsruimte bij een geclusterde woonvorm; het uitvoeren van een pilot voor een vernieuwend woonconcept. 2.De activiteiten voldoen aan de volgende voorwaarden: de activiteiten worden uitgevoerd in Overijssel; de activiteiten voldoen aan het geldende Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl); de activiteiten zijn afgestemd met de gemeente waarin het project gerealiseerd wordt en passen binnen het gemeentelijk beleid; als de aanvrager een projectontwikkelaar of een zorgaanbieder of een woningcorporatie is, is de Wet Bibob van toepassing. Artikel 1.2.25 is van toepassing. Wij kunnen vragen om een Bibobformulier in te vullen; het project maakt onderdeel uit van de vastgestelde opgaven uit het afsprakenkader ouderenhuisvesting en bijbehorende Regionale Woonzorgvisie. De Regionale Woonvisies en afsprakenkaders ouderenhuisvesting zijn te raadplegen via https://overijsselsewoonaanpak.nl; aannemelijk is gemaakt dat binnen 3 jaar na het indienen van de subsidieaanvraag gestart kan worden met de bouw. Daar geldt dat het omgevingsplan definitief is en u de omgevingsvergunning gaat aanvragen of heeft aangevraagd. 3.De activiteit realiseren van een zorggeschikte woning in een geclusterde woonvorm voldoet aan de volgende aanvullende voorwaarden: de te realiseren woningen betreffen een woning in het segment sociale huur, middenhuur of betaalbare koop; er mag een subsidie zijn ontvangen voor de woning op grond van de Rijksregelingen met een vergelijkbare doelstelling. 4.De activiteit realiseren van een ontmoetingsruimte voldoet aan de volgende voorwaarden: de ontmoetingsruimte is op een open, transparante en niet-discriminerende basis te gebruiken door de bewoners en buurtbewoners; in geval een ontmoetingsruimte niet fysiek is verbonden aan een geclusterde woonvorm, dan bevindt deze zich in de directe nabijheid van de geclusterde woonvorm. 5.Het uitvoeren van een pilot voor een vernieuwend woonconcept voldoet aan de volgende voorwaarden: er heeft voorafgaand aan het indienen van de aanvraag afstemming plaatsgevonden met de provinciale medewerker wonen; de pilot betreft realisatie van een vernieuwende woonvorm in het segement sociale huur, middenhuur of betaalbare koop of een combinatie hiervan; het woonconcept is nog niet eerder in dezelfde vorm toegepast in de betreffende gemeente. 6.Activiteiten in het kader van intramurale zorg komen niet in aanmerking voor de subsidie. Artikel2.13.4Aanvrager De aanvrager is een gemeente, een woningcorporatie, een projectontwikkelaar of een zorgaanbieder. Artikel2.13.5Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen 1.Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing. 2.Voor de realisatie van een ontmoetingsruimte geldt aanvullend dat alleen de kosten voor realisatie van het gebouw, afbouw en aard- en nagelvaste inventaris subsidiabel zijn. 3.Voor een pilot voor een vernieuwend woonconcept geldt aanvullend dat maximaal 20% van de begrote kosten mag bestaan uit kosten voor het proces om binnen 3 jaar tot realisatie te komen zoals juridisch of financieel advies gericht op samenwerkingsafspraken. Artikel2.13.6Hoogte van de subsidie 1.De subsidie voor de realisatie van een zorggeschikte woning in een geclusterde woonvorm is een vast bedrag van € 5.000,- per zorggeschikte woning. Met een maximum van € 500.000,-. 2.De subsidie voor de realisatie van een ontmoetingsruimte is maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,-. 3.De subsidie voor een pilot voor een vernieuwend woonconcept is maximaal 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,-. 4.De aanvrager of het project mag maximaal 2 keer subsidie ontvangen op basis van deze subsidieregeling. Artikel2.13.7Eigen bijdrage De eigen bijdrage voor realisatie van een ontmoetingsruimte bedraagt minimaal 75% van de subsidiabele kosten en bestaat voor minimaal 50% uit een geldbijdrage van de aanvrager of derden. Als de eigen bijdrage deels bestaat uit inzet van vrijwilligersuren dan mogen deze op de dekkingskant van de begroting opgenomen worden voor een bedrag van € 15,- per uur. Artikel2.13.8Subsidieaanvraag 1.De aanvraag kan worden ingediend vanaf 2 januari 2025 om 9.00 uur. 2.De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Langer zelfstandig wonen. 3.De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken. Artikel 1.2.13 is van toepassing. 4.De aanvrager levert aanvullend ook de volgende stukken in: een plattegrond van het perceel of de percelen waar de activiteiten plaats gaan vinden. Dit mag ook een digitaal bestand zijn in de vorm van een shapefile (.shp) of ESRI-file geodatabase (.gdb); de conceptaanvraag omgevingsvergunning inclusief tenminste: een bestek/bouwtekening een offerte voor de bouwkosten en eventueel voor inventaris. 5.In geval van realisatie van een zorggeschikte woning in een geclusterde woonvorm en als de aanvrager een woningcorporatie of een projectontwikkelaar is: een verklaring waaruit blijkt of de subsidieaanvrager andere subsidies voor dezelfde subsidiabele kosten heeft ontvangen, bijvoorbeeld een subsidie op basis van de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) van het Rijk; een verklaring over de vergoedingen die hij in de afgelopen drie jaren op basis van de DAEB-De- minimisverordening en de reguliere De-minimisverordening samen heeft ontvangen; [vervallen] 6.In geval van een aanvraag voor realisatie van een ontmoetingsruimte levert de aanvrager aanvullend ook de volgende stukken in: een projectplan. In het projectplan staat minimaal uitgewerkt: door wie de ontmoetingsruimte wordt geëxploiteerd en hoe deze verbonden is met de geclusterde woonvorm; hoe de exploitatie van de ontmoetingsruimte is geregeld voor een periode van minimaal 5 jaar na realisatie, in de vorm van een exploitatiebegroting. Daarbij geldt dat iemand anders de ruimte ook mag gebruiken. als de aanvrager een woningcorporatie of een projectontwikkelaar is: een verklaring waaruit blijkt of de subsidieaanvrager andere subsidies voor dezelfde subsidiabele kosten heeft ontvangen, bijvoorbeeld een subsidie op basis van de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) van het Rijk. een verklaring over de vergoedingen die hij in de afgelopen drie jaren op basis van een de- minimisverordening heeft ontvangen. [vervallen] 7.De aanvrager voor een pilot voor een vernieuwend woonconcept levert aanvullend een beschrijving van het concept in, waarin wordt ingegaan op de doelgroepen en waarin een toelichting wordt gegeven op het vernieuwende aspect van het concept. Artikel2.13.9Beschikbaar budget voor de regeling 1.Het subsidieplafond geldt voor de jaren 2025 en 2026; 2.Er geldt een deelplafond voor: het realiseren van een zorggeschikte woning in een geclusterde woonvorm; het realiseren van een ontmoetingsruimte bij een geclusterde woonvorm; het uitvoeren van een pilot voor een vernieuwend woonconcept. Artikel2.13.10Aanvullende verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: binnen 36 maanden na de datum waarop de subsidie is verleend te starten met de bouw van de woningen, de ontmoetingsruimte of het vernieuwende woonconcept; in geval van een subsidie voor realisatie van een ontmoetingsruimte: de ontmoetingsruimte minimaal de eerste 5 jaar na oplevering te gebruiken hoofdzakelijk voor ontmoeting en niet voor een ander doel. Artikel2.13.11Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) 1.De realisatie van zorggeschikte woningen in geclusterde woonvormen onder de voorwaarden van deze regeling wordt aangewezen als DAEB. 2.De realisatie van ontmoetingsruimten bij geclusterde woonvormen onder de voorwaarden van deze regeling wordt aangewezen als DAEB. 3.De subsidieontvanger, voor zover het gaat om een woningcorporatie of een marktpartij volgens de definitie van artikel 2.13.4 van deze regeling, wordt in de beschikking tot subsidieverlening door Gedeputeerde Staten belast met het verrichten van de DAEB, bedoeld in het eerste lid en/of tweede lid. Artikel2.13.12Staatssteun 1.De subsidie voor de realisatie van zorggeschikte woningen in een geclusterde woonvorm moet voldoen aan de voorwaarden van de DAEB-de-minimisverordening. 2.De subsidie voor de realisatie van ontmoetingsruimten bij geclusterde woonvormen moet voldoen aan de voorwaarden van de DAEB-de-minimisverordening. 3.Als de aanvrager al een subsidie op basis van de Stimuleringsregeling zorggeschikte woningen (Stcrt. 2023, 25360) heeft ontvangen, dan moet de subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de voorwaarden van het DAEB-vrijstellingsbesluit. 4.Als de aanvrager meer dan € 750.000,- subsidie aanvraagt voor realisatie van zorggeschikte woningen of een ontmoetingsruimte, dan moet de subsidieverlening voldoen aan de voorwaarden van het DAEB-vrijstellingsbesluit. 5.Dit betekent dat bij de aanvraag een begroting van de kosten en inkomsten van de activiteiten moet worden meegestuurd. Het subsidiebedrag, zijnde het compensatiebedrag voor het uitvoeren van de DAEB, is niet hoger dan hetgeen noodzakelijk is om de netto-kosten van het uitvoeren van de DAEB te dekken. Artikel2.13.13Looptijd De subsidieregeling vervalt op 30 november 2026 om 17.00 uur. Hoofdstuk3Milieu en energie 3.1Energiebesparing Overijssel 2.0 [Vervallen] 3.2Haalbaarheidsonderzoek Energie-Innovatie [Vervallen] 3.3Energiebesparende maatregelen (geld terug actie) Artikel3.3.1Betekenis van de begrippen In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd. Energiebesparende maatregelen: technische aanpassingen in gebouwen en industriële processen die leiden tot minder verbruik van energie. Energieonderzoek: een uitgevoerd onderzoek naar energiebesparingsmogelijkheden in gebouwen en industriële processen. Het onderzoek richt zich zowel op bouwkundige, technische en organisatorische aspecten, cultuurhistorische waarden als het industriële gebruik. Artikel3.3.2Doel van de subsidieregeling Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het stimuleren van energiebesparende maatregelen. Artikel3.3.3Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen 1.De subsidie wordt verleend voor de volgende activiteiten: uitgevoerde energiemaatregelen; uitgevoerd energieonderzoek. 2.De uitgevoerde energiebesparende maatregelen voldoen aan de volgende voorwaarden: de energiebesparende maatregelen zijn genoemd in het energieonderzoek; de energiebesparende maatregelen zijn toegepast aan het gebouw, bouwwerk of de installaties die met het gebouw te maken hebben, zoals de deuren of ramen. Als het gaat om sportverenigingen dan mogen de energiebesparende maatregelen ook uitgevoerd worden op het veld, zoals veldverlichting. de energiebesparende maatregelen zijn toegepast op een gebouw dat fysiek in Overijssel is gevestigd; de energiebesparende maatregelen zijn op het moment van de aanvraag maximaal 8 maanden geleden uitgevoerd. Dit is een afwijking van artikel 1.2.3.; de uitgevoerde energiebesparende maatregelen hebben per aanvraag in totaal minimaal € 4.000,- gekost. Om aan de minimale kosten van € 4.000,- te kunnen voldoen, is het mogelijk om de energiebesparende maatregelen van meerdere vestigingen of aanvragers samen in één aanvraag op te nemen. Een van de aanvragers vraagt de subsidie aan en zorgt voor de onderlinge verdeling van de subsidie. 3.De volgende energiebesparende maatregelen komen niet in aanmerking voor de subsidie: energiebesparende maatregelen voor nieuwbouw; energiebesparende maatregelen voor woningen, appartementen of andere voor bewoning bedoelde gebouwen; energiebesparende maatregelen die verplicht zijn onder de Wet Mileubeheer. Hierin staat dat er bij een jaarverbruik van meer dan 50.000kWh elektriciteit of 25.000m3 aardgas maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder wettelijk verplicht zijn. Hieronder vallen in ieder geval de erkende maatregelen. Hierbij gelden de volgende uitzonderingen: Een erkende maatregel kan alsnog voor subsidie in aanmerking komen indien: a. De aanvrager een lager energieverbruik heeft en om die reden voor elektriciteit en/of aardgas niet onder de Wet Milieubeheer valt óf b. In de rapportage is onderbouwd dat de erkende maatregel bij de aanvrager een hogere terugverdientijd dan 5 jaar kent. 4.Het energieonderzoek voldoet aan volgende voorwaarden: het onderzoek is op het moment van de aanvraag niet ouder dan 3 jaar; het onderzoek is uitgevoerd: door een gecertificeerd energie-adviseur met aantoonbare ervaring in het Mkb. De ervaring van de energie-adviseur kan aangetoond worden door verwijzing naar referentieprojecten. Voorbeelden van certificatie zijn EPA of EPA-U. EPA-U staat voor Energie Prestatie Advies voor bestaande utiliteitsgebouwen. Voorbeeld van een certificerende instantie is FeDec; door een branchespecialist; of in opdracht van of met subsidie van de provincie Overijssel. het onderzoek is uitgevoerd voordat energiebesparende maatregelen zijn uitgevoerd. Dit is een afwijking van artikel 1.2.3; het onderzoek is niet gesubsidieerd vanuit een andere regeling; In het onderzoek staat: Het aardgas- en elektriciteitsverbruik van de aanvrager en of deze voor elektriciteit- en/of aardgas onder de Wet- milieubeheer valt. Een zo volledig mogelijk beeld met mogelijke energiebesparingsmaatregelen waarbij gebruik kan worden gemaakt van de erkende maatregelen en de energiebesparende maatregelen die staan op de energie- en milieulijst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met bedrijfsmiddelen die voor de fiscale Energie Investering Aftrekregeling (EIA) in aanmerking komen. Beide lijsten zijn te vinden op de website van de RVO. Erkende maatregelen in beginsel een terugverdientijd hebben van minder dan 5 jaar en dat deze voor aanvragers die onder de Wet- milieubeer vallen verplicht zijn, mits er in de rapportage onderbouwd is waarom bij de aanvrager de terugverdientijd hoger is dan 5 jaar. Maatregelen die op de energielijst staan te allen tijde een terugverdientijd van 5 jaar of hoger hebben. Artikel3.3.4Aanvrager 1.De aanvrager is een stichting, een vereniging, een BV, een NV, en maatschap, een vennootschap onder firma, Coöperatie, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap. 2.De energiekosten van de aanvrager waren in 2020, 2021 of 2022 minder dan € 30.000,- per jaar. Dit geldt niet voor aanvragers uit de cultuursector met SBI-code 90 en 91, omdat deze instellingen hoge energiekosten per jaar hebben. Voor alle aanvragers die in 2022 zijn opgericht geldt dat de energiekosten voor 2022 naar verwachting niet meer dan € 60.000,- zijn. Artikel3.3.5Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen 1.Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing. 2.De kosten van de activiteiten die zijn uitgevoerd voordat de aanvraag is ontvangen zijn wel subsidiabel, maar alleen als de activiteit is uitgevoerd maximaal 8 maanden voordat de aanvraag is ontvangen. Artikel 1.2.8 onderdeel a is niet van toepassing. Artikel3.3.6Hoogte van de subsidie 1.De subsidie voor energiebesparende maatregelen is maximaal 25% van de subsidiabele kosten. 2.De subsidie voor energiebesparende maatregelen is: maximaal € 5.000,- per aanvraag voor Mkb-ondernemingen in de horeca, detailhandel en dienstverlening die direct geheel of gedeeltelijk zijn getroffen door de verplichte lockdowns; en maximaal € 2.500 per aanvraag voor overige aanvragers. 3.De subsidie per uitgevoerd energieonderzoek is een vast bedrag van € 400,- per aanvraag. 4.De aanvrager mag per vestigingsadres maximaal 1 keer per 3 jaar subsidie ontvangen op basis van deze subsidieregeling. Hierbij gaat het om de afgelopen 2 boekjaren en het jaar van de aanvraag. Artikel3.3.7Eigen bijdrage Minimaal 75% van de subsidiabele kosten van de uitgevoerde energiebesparende maatregelen worden betaald met een geldbijdrage van de aanvrager of derden. Artikel3.3.8Aanvraag 1.De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend. 2.De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Energiebesparende maatregelen. 3.De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in: Een energieonderzoek. In het energieonderzoek staat minimaal: het energieverbruik over 2021, 2022, 2023 of 2024; de energiebalans waarin minimaal 90% van het energiegebruik is toebedeeld aan de energiegebruikers; omschrijving van de energiebesparende maatregelen, inclusief de verwachte investering en de verwachte energiereductie en de terugverdientijd van de investering; een plan van aanpak voor de uitvoering; de quick wins; kopieën van alle facturen en betaalbewijzen van de betaalde subsidiabele kosten. 4.De aanvrager hoeft geen begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing. 5.Er mag geen aanvraag voor subsidie ingediend worden voor alleen het energieonderzoek. Artikel3.3.9Beschikbaar budget voor de subsidieregeling Er geldt een subsidieplafond voor: de jaren 2022 en 2023; de jaren 2024 en 2025. Artikel3.3.10Geen staatssteun Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening of de De-minimisverordening Landbouw. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing. Artikel3.3.11Looptijd Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2025 om 17.00 uur. 3.4Asbest eraf, zon erop Vervallen op 1 december 2024 3.5Opruiming drugsafval Overijssel 2025 Artikel3.5.1Betekenis van de begrippen In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd. Bodem: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen en ook de bodem en oevers van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in bijlage A van de Omgevingswet. Drugsafval: afval dat ontstaat bij de productie van synthetische drugs. Dumping van drugsafval: het in strijd met wet- en regelgeving achterlaten van drugsafval in of op de bodem, dan wel het lozen of storten van drugsafval in oppervlaktewater. Oppervlaktewater: vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen. Sanering van de bodem: het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden vereist om verontreiniging van de bodem en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken als bedoeld in afdelingen 1.3, 19.1, en 19.2a van de Omgevingswet. Synthetische drugs: uit chemische grondstoffen geproduceerde verdovende middelen. Verwijdering: verwijdering als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Artikel3.5.2Doel van de subsidieregeling Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het beschermen van de biodiversiteit door vervuilde bodem en vervuild oppervlaktewater in geval van dumping van drugsafval te saneren. Artikel3.5.3Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen 1.De subsidie wordt verleend voor: verwijdering en afvoer van gedumpt drugsafval; verwijdering en afvoer van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; of sanering van de bodem die is verontreinigd als rechtstreeks gevolg van de aanwezigheid van gedumpt drugsafval. 2.Het gedumpte drugsafval voldoet aan de volgende voorwaarden: het drugsafval is gedumpt in de provincie Overijssel; het drugsafval is gedumpt op een locatie: die binnen de grenzen van de gemeenten, waterschappen en omgevingsdiensten valt; of waar de aanvrager eigenaar van is of erfpacht voor betaalt. het drugsafval is niet aangetroffen binnen een ruimte waar de productie van de synthetische drugs plaatsvond; het drugsafval is niet gedumpt via het rioolstelsel; van het gedumpte drugafval is: een melding of aangifte bij de politie gedaan. Het meldingsnummer of proces-verbaalnummer is aanwezig; een beschrijving en foto’s van het gedumpte drugsafval en ook een kaart met de locatie waar het drugsafval is aangetroffen aanwezig; en een bewijs van de gemaakte kosten voor de afvoer en verwijdering van het drugsafval of het oppervlaktewater dan wel de sanering van de bodem aanwezig. 3.De verwijdering en afvoer van het drugsafval voldoet aan de voorwaarde dat deze heeft plaatsgevonden in de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2025. 4.De sanering van de bodem voldoet aan de volgende voorwaarden: de sanering is uitgevoerd volgens de daarvoor geldende wet- en regelgeving; van de sanering is een saneringsverslag aanwezig. Artikel3.5.4Aanvrager 1.De aanvrager is: een gemeente, een omgevingsdienst of een waterschap die de territoriale bevoegdheid heeft van de locatie waar drugsafval is gedumpt; een natuurlijke persoon of een stichting, een vereniging, een BV, een NV of Staatsbosbeheer die eigenaar of erfpachter is van een locatie waar drugsafval is gedumpt; 2.De aanvrager is niet verantwoordelijk of medeverantwoordelijk voor de productie of dumping van het drugsafval. Artikel3.5.5Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen 1.Alle daadwerkelijk gemaakte kosten zijn subsidiabel als deze betrekking hebben op: het afvoeren en verwijderen van gedumpt drugsafval; het afvoeren en verwijderen van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; het saneren van de door de dumping verontreinigde bodem. 2.De artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.8 zijn niet van toepassing. Artikel3.5.6Hoogte van de subsidie 1.De subsidie aan een gemeente, omgevingsdienst of waterschap is: maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999,-; maximaal 100% van de subsidiabele kosten, als de kosten meer bedragen dan € 50.000,-. In dit geval is de subsidie nooit meer dan € 200.000,- 2.De subsidie is maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000,- voor overige aanvragers. 3.De minimum subsidie van € 1.000,- die in artikel 1.2.17 lid 2 staat is niet van toepassing. 4.De aanvrager mag voor dezelfde dumping maximaal 1 keer subsidie ontvangen op basis van deze subsidieregeling. Artikel3.5.7Aanvraag 1.De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend. 2.De aanvraag wordt ingediend bij BIJ12, die namens de provincie de subsidieregeling uitvoert. 3.De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Opruiming drugsafval 2025. Het formulier is te vinden op https://www.bij12.nl/onderwerpen/subsidieregeling-opruiming-drugsafval/aanvragen-subsidie. 4.De aanvrager levert aanvullend de volgende stukken in: een bewijs van melding of aangifte bij de politie van de dumping van het drugsafval in de vorm van een meldingsnummer of proces-verbaalnummer; een beschrijving en foto’s van het gedumpte drugsafval en ook een kaart met de locatie waar het drugsafval is aangetroffen; en de afvoerbon of het saneringsverslag als bewijs van de gemaakte kosten voor de afvoer en verwijdering van het drugsafval of het oppervlaktewater of van de sanering van de bodem. 5.De aanvrager hoeft geen begroting en dekkingsplan in te leveren. Artikel 1.2.13 lid 2 is niet van toepassing. Artikel3.5.8Beschikbaar budget voor de subsidieregeling 1.Het subsidieplafond wordt jaarlijks vastgesteld. 2.Als de te verlenen subsidie hoger is dan het resterende budget van het subsidieplafond, dan wordt het overgebleven budget verdeeld door middel van loting. Artikel 1.2.16 lid 2 is niet van toepassing. De loting wordt uitgevoerd onder de op die dag ingediende complete aanvragen. De aanvragen worden van hoog naar laag geplaats in de volgorde van de trekking. De loting wordt uitgevoerd in aanwezigheid van een notaris en minimaal twee onafhankelijke waarnemers. Artikel3.5.9Geen staatssteun De subsidie levert geen staatssteun op. Artikel3.5.10Looptijd Deze subsidieregeling vervalt op 31 december 2025 om 17.00 uur. 3.6Lokale energie-initiatieven 4.0 Artikel3.6.1Betekenis van de begrippen In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd. Energiebesparende maatregelen: maatregelen die leiden tot minder gebruik van energie bij huishoudens. Het gaat om kleine maatregelen die door het huishouden, de energiecoach of de energiefixer binnen uiterlijk 4 weken, na het gesprek met de betreffende energiebespaarcoach of energiefixer, uitgevoerd kunnen worden. Energiebespaarcoach: een vrijwilliger die huishoudens informeert over energiebesparing door gedragsaanpassing en die een algemeen beeld geeft welke energiebespaar- en energieopwekmogelijkheden er in de woning zijn door isolatie, gebruik van bestaande installaties en apparaten, en opwekking van energie. Energiefixer: een energiefixer biedt huishoudens informatie over gedragsaanpassing en eenvoudige energiebesparingsmaatregelen en voert de maatregelen meteen uit. Energieopwekproject: een project waarbij energie wordt gemaakt uit bronnen zoals wind, zon en waterkracht. Lokaal energie-initiatief (LEI): een collectief van inwoners en eventueel lokale organisaties of lokale bedrijven met als doel een energieopwekproject of een energiebesparingsproject uit te voeren. Nominaal vermogen: maximale vermogen van een productie-installatie voor hernieuwbare energie dat onder normale omstandigheden of voorwaarden benut kan worden voor de productie van hernieuwbare energie en dat door de leverancier wordt gegarandeerd bij continu gebruik. Artikel3.6.2Doel van de subsidieregeling Met deze subsidieregeling wil de provincie bijdragen aan het stimuleren van energiebesparende maatregelen en de opwekking van hernieuwbare energie. Dit door Lokale energie-initiatieven te ondersteunen. Artikel3.6.3Activiteiten die voor de subsidie in aanmerking komen 1.De subsidie wordt verleend voor een of meerdere van de volgende activiteiten: het inrichten en oprichten van een LEI; door een LEI: uit te voeren energiebesparende maatregelen bij huishoudens in Overijssel. Dit door met minimaal 100 huishoudens actief contact te zoeken en ze te bewegen om energiebesparende maatregelen te treffen. Als hierbij vrijwilligers worden ingezet dan moeten die deskundig zijn en kennis hebben over het realiseren van eenvoudige energiebesparende maatregelen bij huishoudens; op te leiden vrijwilligers tot energiefixer of energiebespaarcoach; een door een LEI voor te bereiden energieopwekproject om tot een realiseerbaar energieopwekproject in Overijssel te komen. Na uitvoering van de activiteiten is duidelijk of het opwekproject kan worden gerealiseerd. een door een LEI voor te bereiden grootschalig energieopwekproject om tot een ontwikkelbaar project te komen. Na uitvoering van de activiteiten is duidelijk of succesvolle ontwikkeling van het grootschalige opwekproject mogelijk is. 2.Een LEI voldoet aan de volgende voorwaarden: de LEI heeft binding met de lokale omgeving; de LEI heeft een bestuur van minimaal twee personen; iedereen die wil, kan deelnemen aan de LEI; de LEI laat de lokale omgeving waar het project wordt uitgevoerd, meebeslissen over de ontwikkeling van het project de opbrengsten die door realisatie van het project worden gehaald komen ten goede aan leden, klanten of maatschappelijke bestemmingen in de lokale omgeving van het project. 3.Het energieopwekproject voldoet aan één van de volgende voorwaarden: er wordt een productie-installatie voor zonne-energie gerealiseerd met een nominaal vermogen van minimaal 15 Wp en maximaal 1.000 kWp. Het gaat om realisatie van zonne-energie: daken in bebouwd gebied; op te bebouwen gebieden of bruikbare restruimte: ongebruikte gronden, bedrijventerreinen, boven parkeerterreinen en geluidswallen; als kleine, goed ingepaste velden op agrarische erven (tot ca. 2
  3. ha)en kleine, goed ingepaste zonnevelden van lokale initiatieven in stads- en dorpsranden (tot ca. 2 ha).; langs hoofdinfrastructuur; boven bestaande verhardingen (parkeerterreinen); op water; er wordt een productie-installatie voor windenergie met één of meer windturbines met een nominaal vermogen van minimaal 15 kW en maximaal 1.000 kW gerealiseerd; er wordt een productie-installatie voor elektriciteitsproductie door waterkracht met een nominaal vermogen van minimaal 15 kW gerealiseerd. 4. Het grootschalig energieopwekproject voldoet aan één van de volgende voorwaarden: er wordt een productie-installatie voor zonne-energie met een nominaal vermogen van minimaal 1.000 kWp gerealiseerd. Het gaat om realisatie van zonne-energie: op daken in bebouwd gebied; 2. op te bebouwen gebieden of bruikbare restruimte: ongebruikte gronden, bedrijventerreinen, boven parkeerterreinen en geluidswallen; 3. langs hoofdinfrastructuur; 4. boven bestaande verhardingen (parkeerterreinen); 5. op water. er wordt een productie-installatie voor windenergie met één of meer windturbines met een nominaal vermogen van minimaal 1.000 kW gerealiseerd. 5.Er mag voor de voorbereiding van een grootschalig energieopwekkingsproject geen financiering door het Energiefonds Overijssel zijn toegekend. In dat geval is namelijk al duidelijk dat succesvolle ontwikkeling van het project mogelijk is. 6.De activiteiten die niet voor de subsidie in aanmerking komen zijn de aanschaf- en installatie van technische voorzieningen voor energieopwekking. 7. Een LEI mag al opgericht zijn voordat de aanvraag is ontvangen. Dit is een afwijking van artikel 1.2.3. Artikel3.6.4Aanvrager 1.De aanvrager is een LEI die de volgende juridische vorm heeft of krijgt: een coöperatie, een stichting, een vereniging of een BV. 2.Als de coöperatie, stichting, vereniging of BV nog opgericht moet worden, dan wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat de aanvrager de beoogde rechtsvorm verkrijgt. Artikel3.6.5Kosten die voor de subsidie in aanmerking komen 1.Alleen de kosten van derden zijn subsidiabel. Artikel 1.2.6 is niet van toepassing. 2. Lid 1 geldt niet voor het oprichten van een LEI, het opleiden van vrijwilligers tot energiebespaarcoach of energiefixer. Voor deze activiteiten zijn de artikelen 1.2.5 tot en met 1.2.8 niet van toepassing. Voor het opleiden van vrijwilligers tot energiebespaarcoach of energiefixer geldt een vast bedrag per vrijwilliger. Voor het oprichten van een LEI geldt een vast bedrag per LEI. 3.De kosten voor leges zijn wel subsidiabel. Dit is een afwijking van artikel 1.2.8 onderdeel c. Artikel3.6.6Hoogte van de subsidie 1.De subsidie voor het oprichten van een LEI is een vast bedrag van € 2.500,- per LEI. 2.De subsidie voor: het uitvoeren van een energiebesparende maatregelen bij huishoudens is 100% van de subsidiabele kosten en maximaal € 10.000,- per aanvraag. Hiervan mag maximaal € 2.000,- worden gebruikt voor organisatiekosten. Het overige deel wordt besteed aan de energiebesparende maatregelen bij huishoudens. Hierbij kan uitgegaan worden van een vast bedrag van € 100,- per huishouden. Bij geringe aantal deelnemende huishoudens, kan een LEI hiervan afwijken; het opleiden van vrijwilligers tot energiefixer of energiebespaarcoach is een vast bedrag van € 500,- per vrijwilliger die opgeleid wordt tot energiebesparingscoach of energiefixer met een maximum van € 2.500,- per aanvraag. 3.De subsidie voor het voorbereiden van een energieopwekproject is maximaal 80% van de subsidiabele kosten en maximaal € 5.000,- per aanvraag. 4.De subsidie voor het voorbereiden van een grootschalig energieopwekproject is maximaal 80% van de subsidiabele kosten en is maximaal € 10.000,- per aanvraag. Artikel3.6.7Eigen bijdrage Minimaal 20% van de subsidiabele kosten van een energieopwekproject wordt betaald met een geldbijdrage van de aanvrager of derden. Dit geldt niet voor het oprichten en inrichten van de LEI. Artikel3.6.8Aanvraag 1.De aanvraag kan het hele jaar worden ingediend. 2.De aanvrager maakt gebruik van het digitale aanvraagformulier Lokale energie-initiatieven. 3.De aanvrager levert een begroting en een dekkingsplan in. Het is verplicht om het beschikbaar gestelde begrotingsformat te gebruiken. 4.De aanvrager levert aanvullend de door een LEI-coach ondertekende LEI-verklaring in. Een LEI-coach is een persoon die in opdracht van de provincie Overijssel een lokaal energie-initiatief ondersteund. Artikel3.6.9Beschikbaar budget voor de subsidieregeling Er geldt een subsidieplafond voor: de jaren 2022 en 2023; de jaren 2024 en 2025. Artikel3.6.10Aanvullende verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: de activiteiten binnen 18 maanden na subsidieverlening uitgevoerd te hebben; de inwoners binnen een specifiek gebied in Overijssel actief uit te nodigen om lid of klant van de LEI te worden; de opgebouwde kennis en ervaring vrij beschikbaar te stellen aan anderen die daarom vragen. Artikel3.6.11Geen staatssteun Er is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening. Artikel 1.2.10 lid 4 is van toepassing. Artikel3.6.12Looptijd Deze subsidieregeling vervalt op 30 november 2025 om 17.00 uur. 3.7Energiezuinige voedselbanken [Vervallen] 3.8Geschakelde asbestleidaken [Vervallen] 3.9Stimuleringslening verduurzaming maatschappelijk vastgoed Artikel3.9.1 Betekenis van de begrippen In dit artikel worden vaker voorkomende begrippen uitgelegd. Maatschappelijk vastgoed: gebouwde onroerende zaak met een publieksfunctie in eigendom van een rechtspersoon. Het gaat om uitsluitend een buurthuis, dorpshuis, wijkcentrum, gemeenschapscentrum of een culturele instelling met een ANBI-status. Stimuleringslening: een lening voor de financiering van de werkelijke kosten van verduurzamingsmaatregelen. SVn: Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten, statutair gevestigd te Hoevelaken en kantoorhoudende te Amersfoort, financiële dienstverlener, geregistreerd onder

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.