CAR/UWO SoestHoofdstuk1Algemene bepalingen. Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen Lid 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder: a ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; b betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten; c pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; d pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; e arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periodegedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; f arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; g formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; h feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; i seniorenarbeidsduur: de voor een ambtenaar, die in aanmerking komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5 geldende arbeidsduur per week, die gelijk is aan de arbeidsduur volgens de aanstelling; j arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; k volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt; l overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; m werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; n werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; o uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per maand; p Zvw: de Zorgverzekeringswet q CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; r UWO: Uitwerkingsovereenkomst; s functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; t waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking; u LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; v WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; w arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; x WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; y WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; z IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; aa IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; bb WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; cc WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; dd WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; ee WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; ff Waz: Wet arbeid en zorg; gg SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; hh uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; ii pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; jj WPA: de Wet privatisering ABP; kk FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 6 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en in artikel 1:5 van het pensioenreglement; ll FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel. mm deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt. nn ZW: de Ziektewet oo ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW pp UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI Lid 2 Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. Artikel 1:2 Geen ambtenaar Lid 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: hij die anders dan bij wijze van beroep werkzaam is bij de gemeentelijke brandweer; het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid. hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening. Lid 2 Voor toepassing van onderdeel g of h van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad. Artikel 1:2:1 Lid 1 Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24, 7:25, 7:25a, 7:25b, 7:29, 7:29:1 en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. Lid 2 Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10a, 11a en 17 niet van toepassing Lid 3 Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10a en 17 niet van toepassing. Lid 4 Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10a en 11a niet van toepassing. Artikel 1:2:1:1 Algemene bepaling Voor de toepassing van deze regeling wordt eveneens niet als ambtenaar beschouwd: hij die is aangewezen voor het uitvoeren van handelingen overeenkomstig de Paspoortwet en de daaruit voortvloeiende besluiten Artikel 1:3 Toepassing Lid 1 De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. Lid 2 Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. Lid 3 Het college kan bijlage IV van toepassing verklaren op de ambtenaar behorend tot het onderwijzend personeel in de Kunstzinnige vorming, als bedoeld in artikel 1 onder punt d van deze bijlage. Over de invoering van bijlage IV dient overeenstemming te bestaan in de commissie voor georganiseerd overleg. Artikel 1:3a Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. Artikel 1:3:1 Toepassing Het college kan bijlage V van toepassing verklaren op de ambtenaar behorend tot het onderwijzend personeel in de Kunstzinnige vorming, als bedoeld in artikel 1 onder punt d van bijlage IV van de CAR. Over de invoering van bijlage V dient overeenstemming te bestaan in de commissie voor georganiseerd overleg. Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: • bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; • instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO Lid 1 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. Lid 2 Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken: • de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; • de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; • de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; • ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. (LOGA CvA/2004001009 15 maart 2004) Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO Lid 1 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen. Lid 2 Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen. Artikel 1:5 Omvang van de betrekking Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd. Artikel 1:6 Vrijstelling Lid 1 In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4 , alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10a. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is. Lid 2 De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. Hoofdstuk2Aanstelling en arbeidsovereenkomst Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid Lid 1 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. Lid 2 Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. Lid 3 Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. Lid 4 De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek Lid 1 Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. Lid 2 De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. Artikel 2:4 Duur van de aanstelling Lid 1 De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk. Lid 2 Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling. Lid 3 Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter. Lid 4 In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen. Lid 5 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, overschrijden. Lid 6 Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling. Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling Lid 1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: • de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); • de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar; • de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: • in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; • voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef; • voor een project met een eenmalig en uniek karakter; • hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; • als vakantiekracht; • v oor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen. Lid 2 Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld. Lid 3 De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. Artikel 2:4:2 Vacatures Lid 1 De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet. Lid 2 Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a genieten ten laste van de gemeente. Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst Lid 1 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. Lid 2 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. Lid 3 Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: • de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; • de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; • een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; • de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; • een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; • indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13 . Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht Lid 1 De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 . Lid 2 De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur. Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. Artikel 2:6 Overgangsrecht Lid 1 Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden. Lid 2 Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkoms de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli
- Lid 3 Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:1 . Lid 4 Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 . Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur Lid 1 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. Lid 2 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht op de formele arbeidsduur per week te uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. Lid 3 Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur Lid 1 Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. Lid 2 Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: • de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; • het salaris evenredig wordt verhoogd; • de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; • de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; • de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd; • de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste lid, evenredig wordt verhoogd; • instemming van de ambtenaar is vereist; • artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is. Lid 3 Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. Lid 4 Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. Hoofdstuk3Salaris en vergoedingsregelingen Artikel 3:1 Bezoldiging Lid 1 Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend. Lid 2 In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt: • schaal: de in het kader van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop; • salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag; • bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage. Lid 3 Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage II en IIa van de CAR. • Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem van toepassing is. • Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op: • de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en • de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken. Lid 4 Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II . Lid 5 Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken: • dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa ; • en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa . Lid 6 Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand. Lid 7 Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. Lid
- Na de toepassing van artikel 7:16, tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. Artikel 3:1:1 Bezoldiging Lid 1 De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1 , eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn. Lid 2 Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1 , eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde. Lid 3 Voor zover in de in artikel 3:1 , eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen. Lid 4 Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd. Bezoldigingsregeling Artikel 3:1:1:1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder • Ambtenaar : • de ambtenaar in de zin van de CAR/UWO gemeente Soest; • de werknemer in de zin van de Arbeidsovereenkomstenverordening, voor zoveel artikel 3:1:1:6 , derde lid van laatstgenoemde verordening van toepassing is; • Salaris : het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag. • Salaris per uur : het 1/156 deel van het salaris bij een gemiddeld 36-urige werkweek. • Salarisschaal : een in bijlage I, bij deze regeling vermelde reeks van genummerde salarissen. • Salarisnummer : een aanduiding, bestaande uit een getal of uit een letter èn een getal, dat in een salarisschaal voor een salaris is vermeld. • Maximum salaris : het hoogste bedrag van een salarisschaal, waarbij de diensttijduitloop buiten beschouwing blijft. • Bezoldiging : het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen genoemd in deze verordening, alsmede het bedrag van de vergoeding als bedoeld in het artikel 3:1:2 van de CAR-UWO. Buiten beschouwing van deze regeling blijven de toelagen als vermeld in de artikelen 3:1:1:12 t/m 3:1:1:15 . • Functie : het geheel van werkzaamheden dat blijkens een geaccordeerde functiebeschrijving door de ambtenaar wordt verricht. • Functiewaarderingsonderzoek : het op systematische wijze in rangorde plaatsen van functies, met als criterium de relatieve zwaarte van het werk. • Conversie : de vertaling van de gevonden rangorde naar salarisschalen. • Volledige werktijd : een werktijd welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat. Artikel 3:1:1:2 Aanvang, einde recht op bezoldiging Lid 1 Het recht op bezoldiging vangt aan met de dag waarop de aanstelling van de ambtenaar ingaat. Indien in het aanstellingsbesluit geen datum van ingang is vermeld, vangt het recht op bezoldiging aan met de dag waarop de ambtenaar feitelijk in dienst is getreden. Lid 2 Het recht op bezoldiging eindigt, in geval van ontslag, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat. Lid 3 Een verhoging van het salaris gaat in op de eerste dag van de maand, waarin overeenkomstig de overige bepalingen van deze verordening de aanspraak ontstaat. Lid 4 Voor zover niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling der bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt kunnen burgemeester en wethouders nadere regels stellen. Artikel 3:1:1:3 Gebroken tijdvakken Lid 1 Wanneer het salaris, een emolument of een toelage moet worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die maand. Lid 2 Wanneer het salaris van die maand, een emolument of een toelage moet worden berekend per uur wordt het bedrag per uur vastgesteld door het bedrag per maand te delen door
- Artikel 3:1:1:4 Vaststellen salaris(-schaal) Lid 1 Burgemeester en wethouders bepalen met inachtneming van de resultaten van een functiewaarderingsonderzoek en aan de hand van de vastgestelde conversie de voor de functie geldende salarisschaal. Lid 2 Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van een functiewaarderingsonderzoek en de daarbij te hanteren methode. Lid 3 Voor de vaststelling van het salaris is bovendien de beoordeling van de wijze van functioneren bepalend. Lid 4 Anders dan bij wijze van disciplinaire straf, als bedoeld in de CAR-UWO, kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal. Lid 5 De ambtenaar die een functie vervult waarbij geen sprake is van een volledige werktijd, zonder dat met toepassing van lid 1 juncto de artikelen 3:1:1:3 en 3:1:1:10 zijn salaris is vast te stellen wordt bezoldigd met het bedrag dat in bijlage II achter zijn functie is vermeld. De artikelen 3:1:1:2 t/m 3:1:1:19 zijn alsdan niet van toepassing. Artikel 3:1:1:5 Vervallen. Artikel 3:1:1:6 Verhoging van het salaris Lid 1 Het salaris van de ambtenaar wordt bij voldoende bekwaamheid, geschiktheid en dienstijver binnen de voor hem geldende salarisschaal periodiek verhoogd tot het naast hogere bedrag. Lid 2 De periodieke verhogingen worden toegekend: • wanneer de ambtenaar het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, voor de eerste maal met ingang van de eerste dag van de maand waarin zijn aanstelling één jaar is verstreken en nadien telkens na één jaar. Lid 3 Het tijdstip waarop ingevolge het vorige lid aan de onder a bedoelde ambtenaar voor de eerste maal een periodieke verhoging wordt toegekend, kan worden vervroegd indien daartoe naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanleiding bestaat. Lid 4 De tijd gedurende welke de ambtenaar ingevolge wettelijke verplichting, als bedoeld in hoofdstuk 3 van de CAR-UWO wordt geacht in zijn betrekking met verlof te zijn, wordt voor de toekenning van het salaris als diensttijd in aanmerking genomen. Artikel 3:1:1:7 Vervallen. ( zie artikel 3:7:8:1) Artikel 3:1:1:8 Onvoldoende bekwaamheid Lid 1 Bij onvoldoende bekwaamheid, geschiktheid of ijver van de ambtenaar kan de directie bepalen dat ten aanzien van hem jaarlijkse salarisverhogingen, als bedoeld in artikel 3:1:1:6 , achterwege worden gelaten. Lid 2 Zolang ten aanzien van de ambtenaar het vorige lid toepassing vindt wordt jaarlijks opnieuw bezien in hoeverre er aanleiding bestaat deze toepassing te bestendigen. Lid 3 De directie kan nadien bepalen dat de salarisverhogingen, welke met toepassing van het eerste lid achterwege zijn gelaten, al dan niet met terugwerkende kracht, alsnog worden toegekend. Lid 4 Van een beslissing tot toepassing van het eerste lid en een besluit tot bestendiging daarvan wordt de ambtenaar zo spoedig mogelijk, doch in elk geval voor de datum waarop anders de salarisverhoging zou ingaan, schriftelijk mededeling gedaan, onder vermelding van de redenen welke tot de beslissing hebben geleid. Artikel 3:1:1:9 Salaris bij overgang naar een hogere schaal Lid 1 Wanneer voor een ambtenaar een salarisschaal gaat gelden met een hoger maximumsalaris, wordt uitgegaan van minimaal een percentage van 75% van de laatste periodiek in de oude schaal die op dat moment van toepassing is. Lid 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 6 wordt het salaris in de nieuwe salarisschaal verhoogd tot een bedrag in die schaal, zodra en voor zoveel zulks nodig is om te bereiken dat het nieuwe salaris blijft uitgaan boven het salaris dat de ambtenaar in de oude situatie zou hebben genoten. Artikel 3:1:1:10 Onvolledige werktijd Het salaris van de ambtenaar met een niet-volledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou gelden bij een volledige werktijd. Artikel 3:1:1:11 Salaris ambtenaar burgerlijke stand De ambtenaar burgerlijke stand ontvangt een vaste bezoldiging gebaseerd op 40 huwelijken per kalenderjaar waarbij uitgegaan wordt van het maximum van salarisschaal
- Daarnaast ontvangt de ambtenaar burgerlijke stand voor alle huwelijken boven de 40 of huwelijken die worden gesloten op locatie een bezoldiging gebaseerd op de presentiegeld vergoeding. Artikel 3:1:1:12 Vervallen. Artikel 3:1:1:13 Inconveniëntentoelage Aan de daarvoor in aanmerking komende functies kan een inconveniëntentoelage worden toegekend overeenkomstig een door burgemeester en wethouders vastgestelde regeling. Artikel 3:1:1:13a Algemene bepaling In deze regeling wordt verstaan onder: • ambtenaar : degene op wie de CAR-UWO van toepassing is; • de functie : het geheel van werkzaamheden dat blijkens een geaccordeerde functie-beschrijving door de ambtenaar wordt verricht; • inconveniënt : een omstandigheid, voortvloeiend uit het werk, de werkmethode en/of werkomgeving, die - afhankelijk van algemeen maatschappelijke factoren als bezwarend wordt ervaren, die in redelijkheid niet vermijdbaar is en als zodanig een extra beroep doet op de bereidheid onder een dergelijke omstandigheid te werken. Artikel 3:1:1:13b Criteria voor vaststelling aard en omvang inconveniënt Op grond van onderstaande criteria wordt de aard en omvang van het inconveniënt vastgesteld. • Fysieke belasting • houdingsbelasting; • bewegingsbelasting; • verontreiniging; • afkeer; • weer, temperatuur; • geluidsoverlast; • trillingen; • hinderlijke beschermingsmiddelen; • persoonlijk risico. • Psychische belasting • bedreiging; • afbreukrisico. Artikel 3:1:1:13c Gradering en waardering Om de relatieve zwaarte van het inconveniënt tot uitdrukking te brengen worden van de in artikel 3:1:1:13b genoemde criteria middels een graderingstabel de omvang (gering, matig, aanmerkelijk en groot) en tijdsduur (incidenteel, nu en dan, regelmatig en voortdurend) van de gradaties vastgesteld. Aangezien de gehanteerde criteria ten opzichte van elkaar in zwaarte verschillen worden met behulp van afweegfactoren deze verschillen tot uitdrukking gebracht. Daartoe wordt de score zoals vermeld in de graderingstabellen vermenigvuldigd met de betreffende afweegfactor. De aldus verkregen totaalscore vormt de maatstaf voor de zwaarte, die aan de in de functie voorkomende inconveniënten wordt toegekend. Artikel 3:1:1:13d Conversie Nadat de totaalscore van het inconveniënt is vastgesteld en er aldus een rangorde naar zwaarte van de functies is ontstaan, dient een compensatie voor deze inconveniënten te worden vastgesteld. Daartoe wordt middels een conversietabel (zie bijlage 3) het niveau van de inconveniënten per functie vastgesteld. Artikel 3:1:1:13e Vergoeding De vergoeding voor inconveniënten wordt afgeleid van het maximum-salaris in schaal
- Voor de functies welke via de conversietabel in niveau 4 zijn ingedeeld bedraagt de brutovergoeding 5½% per maand van voornoemd salaris, terwijl voor de niveaus 3, 2 en 1 de percentages zijn vastgesteld op resp.4, 2½ en
- Artikel 3:1:1:13f Vergoeding De vergoeding wordt maandelijks met de salarisbetaling uitgekeerd. Artikel 3:1:1:13g Vergoeding Indien zich een functiewijziging voordoet wordt de genoten vergoeding aangepast danwel ingetrokken. Ingeval van ziekte vindt doorbetaling plaats. Artikel 3:1:1:13h Vervallen. Artikel 3:1:1:14 Presentiegeld Aan een ambtenaar die een avondvergadering moet bijwonen kan presentiegeld worden toegekend conform de richtlijnen van het ministerie van binnenlandse zaken. Het presentiegeld wordt uitbetaald conform artikel 3:7:9:1 van de CAR-UWO. Artikel 3:1:1:15 Toelage schadevrij rijden Aan de daarvoor in aanmerking komende ambtenaren wordt een toelage schadevrij rijden worden toegekend overeenkomstig een door burgemeester en wethouders vastgestelde regeling. Artikel 3:1:1:15a Begripsomschrijvingen ambtenaar: degene op wie de CAR/UWO van toepassing is; • gemeentelijk motorvoertuig: een door de gemeente - al dan niet in eigendom - beheerd motorvoertuig ingericht voor het vervoer van personen of materialen, dat kan worden ingezet op de openbare weg; • chauffeursfunctie: een functie van een ambtenaar waarbij het besturen van een gemeentelijk motorvoertuig een wezenlijk onderdeel uitmaakt om op een juiste wijze inhoud te kunnen geven aan de voor zijn/haar werkzaamheden vereiste taken. Artikel 3:1:1:15b Uitwerking Een ambtenaar, die een chauffeursfunctie vervult en in een tijdvak van een kalenderjaarhet aan zijn/haar zorgen toevertrouwde gemeentelijke motorvoertuig zodanig heeft beheerd, dat aan dat motorvoertuig en aan derden geen aan zijn/haar schuld of nalatigheid te wijten schade is berokkend, wordt na afloop van deze periode een toelage van € 75,-- bruto toegekend. In geval van ziekte van meer dan 30 aaneengesloten dagen wordt de toelage schadevrij rijden naar evenredigheid uitbetaald. Artikel 3:1:1:15c Uitbetaling De toelage schadevrij rijden wordt tegelijk met het salaris uitbetaald conform artikel 3:7:9:1 van de CAR-UWO. Artikel 3:1:1:16 Vervallen ( zie artikel 3:3:1:1) Artikel 3:1:1:17 Afbouw toelage onregelmatige dienst Lid 1 Aan de ambtenaar wiens bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 3:1:1:16 een blijvende verlaging ondergaat, wordt door burgemeester en wethouders een afbouwende percentage van 75% eerste jaar, 50% tweede jaar, 25% derde jaar en daarna 0 % toegekend, indien: • die blijvende verlaging tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelagen bedoeld in artikel 3:1:1:7 lid 3 en 4 • de ambtenaar de toelage, als bedoeld in artikel 3:1:1:16 , direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste 2 jaren zonder wezenlijke onderbreking met uitzonderling van zwangerschaps/bevallingsverlof en ouderschapsverlof heeft genoten. Lid 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 55 jaar of ouder, wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, als bedoeld in artikel 3:1:1:16 , een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend indien: de ambtenaar de toelage als bedoeld in artikel 3:1:1:16 direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. Lid 3 De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar bereikt en hij, onmiddellijk voor de aanvang van die toelage, gedurende tenminste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in artikel 3:1:1:16 heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid. Lid 4 Voor de toepassing van de voorafgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden. Lid 5 De afbouw toelage onregelmatige dienst wordt in overleg met betrokkene afgerekend en in een brief opgenomen. Artikel 3:1:1:18 Vervallen. Artikel 3:1:1:19 Algemene salarismaatregelen Indien als gevolg van LOGA onderhandelingen wijziging wordt voorgesteld in de salarissen, wordt door burgemeester en wethouders met ingang van de datum waarop die wijziging is aangegeven, een overeenkomstige wijziging aangebracht in de salarissen van de ambtenaar. Artikel 3:1:1:20 Slotbepalingen Voor gevallen waarin deze verordening niet of niet naar billijkheid voorziet, treffen burgemeester en wethouders de nodige voorzieningen. Artikel 3:1:2 Waarnemingstoelage Lid 1 De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid. Lid 2 De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald. Lid 3 De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1 . Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan een betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van waarneming. Lid 4 Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt. Lid 5 Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen. (LOGA CvA/2004001009 15 maart 2004) Artikel 3:2 Overwerkvergoeding De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste volzin. Artikel 3:2:1 Overwerkvergoeding Lid 1 De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2 , bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde. Lid 2 Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. Lid 3 Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2 , tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. Lid 4 Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met
- Lid 5 • Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt: • 100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur; • 75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur; • 75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur; • 50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur; • 50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur; • 25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur. • Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald. • Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag. De directie is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%. Lid 6 De directie bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk. Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten. Lid 7 De directie is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen. Lid 8 Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk. Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst Lid 1 De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op: • maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur; • zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur; • zondag tussen 00.00 en 24.00 uur. Lid 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld. Lid 3 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld. Lid 4 In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid. Artikel 3:3:1 Toelage onregelmatige dienst Vervallen. Artikel 3:3:1:1 Toelage onregelmatige dienst Lid 1 Aan de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11 en voor wie werktijden zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 3.3, wordt door de directie een toelage toegekend. Lid 2 De in het vorige lid bedoelde toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur. Dit percentage bedraagt: • 20 voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 8 en 18 en 22 uur; • 40 voor de uren op zaterdag tussen 6 en 22 uur; • 40 voor de uren op maandag tot en met zaterdag tussen 0 en 6 uur en tussen 22 en 24 uur; • 65 voor de uren op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1 lid 3 van de CAR/UWO; met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij salarisnummer 7 van salarisschaal 6 van bijlage I. Lid 3 Voor de in het vorige lid onder 2 genoemde morgen- en avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen voor 7 uur, respectievelijk is beëindigd na 19 uur. Lid 4 In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders een regeling treffen, welke het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt. Lid 5 De toelage wordt maandelijks tegelijk met het salaris uitbetaald. Regeling tot toekenning van vergoedingen wegens verrichte wachtdiensten. Artikel 3.3.2.1 Begripsomschrijvingen Deze regeling verstaat onder: ambtenaar: de ambtenaar in de zin van de CAR-UWO gemeente Soest, met uitzondering van degene die bij wijze van beroep bij de brandweer werkzaam is; salaris: het salaris als bedoeld in artikel 3.1.1.1 van de Bezoldigingsregeling; wachtdienst: het zich buiten de voor zijn betrekking vastgestelde werktijden volgens rooster ter beschikking houden; strenge gebondenheid: vorm van wachtdienst waarbij de ambtenaar direct bereikbaar en beschikbaar moet zijn; beperkte gebondenheid: vorm van wachtdienst, waarbij de ambtenaar direct bereikbaar en binnen een half uur na oproep beschikbaar moet zijn. Artikel 3.3.2.2 De ambtenaar die wachtdienst verricht heeft aanspraak op een vergoeding. De berekening van deze vergoeding geschiedt naar het aantal wachtdiensturen welke de ambtenaar geacht wordt in zijn vrijetijdsbesteding te zijn beperkt. Per werkdag worden maximaal acht en per zaterdag en per zondag maxi maal zestien wachtdiensturen vergoed. Voor een wachtdienst verricht op een collectieve roostervrije dag wordt een vergoeding genoten overeenkomstig de regeling die geldt voor zaterdag en zondag. Artikel 3.3.2.3 Vergoeding bestaande uit verlof De vergoeding bestaat uit verlof, dat door de direct leidinggevende na overleg met de ambtenaar, zo spoedig mogelijk, wordt verleend. Wanneer naar het oordeel van de direct leidinggevende het dienstbelang zich tegen het verlenen van verlof verzet, wordt de vergoeding in geld genoten overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.3.2.
- Het verlof bedraagt bij strenge gebondenheid 25% en bij beperkte gebondenheid 16% van het aantal wachtdiensturen, als bedoeld in artikel 3.3.2.
- Artikel 3.3.2.4 Vergoeding in geld Bij strenge gebondenheid bedraagt de uurvergoeding voor wachtdienst 25% en bij beperkte gebondenheid 16% van het 1/156 gedeelte van het maandsalaris van de ambtenaar. Artikel 3.3.2.5 Indien de ambtenaar tijdens wachtdienst krachtens opdracht werkzaamheden verricht waarvoor hij zich ter beschikking moest houden, ontvangt hij daarvoor, onverminderd het bepaalde in de artikelen 3.3.2.3 en 3.3.2.4, een vergoeding op grond van artikel 3.2.
- van de CAR-UWO gemeente Soest. Artikel 3.3.2.6 Indien in een wachtdienstperiode een feestdag of een daarmee gelijk te stellen dag valt als bedoeld in artikel 4.1.1: lid 4 van de CAR-UWO gemeente Soest, wordt het vakantieverlof van de ambtenaren voor elk van deze dagen met een dag vermeerderd, tenzij die feestdag of andere dag op een zaterdag of zondag valt. Voor zover de ambtenaar regelmatig en in belangrijke mate aan de wachtdienst deelneemt, worden hem op grond van artikel 6.2.1 lid 4 van de CAR-UWO gemeente Soest twee extra verlofdagen toegekend. Artikel 3.3.2.7 Wanneer de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt, eindigt de verplichting tot het deelnemen aan de wachtdienst met ingang van de eerste van de maand volgende op die waarin deze leeftijd wordt bereikt. 2 De ambtenaar, die gedurende tenminste tien jaren regelmatig en in belangrijke mate wachtdienst heeft verricht ontvangt vanaf het in lid 1 bedoelde tijdstip een garantievergoeding gelijk aan de door hem laatstelijk genoten vergoeding. Wanneer genoemde termijn minder dan tien jaren, doch tenminste 5 jaren bedraagt, ontvangt de ambtenaar 50% van voormelde vergoeding. Indien hij minder dan 5 jaren wachtdienst heeft verricht bedraagt de vergoeding 25% van eerstbedoelde vergoeding. Onder laatstelijk genoten vergoeding wordt verstaan het bedrag, dat in een periode van twaalf maanden onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de verplichting tot het deelnemen van de wachtdienst eindigt, gemiddeld per maand voor het verrichten van wachtdienst is of zou zijn uitbetaald op grond van artikel 3.3.2.
- De uitbetaling van de garantievergoeding geschiedt maandelijks en eindigt op de datum van ontslag. Artikel 3.3.2.8 Indien de ambtenaar, die de leeftijd van 60 jaren nog niet heeft bereikt en die gedurende tenminste tien jaren regelmatig en in belangrijke mate wachtdienst heeft verricht, wegens reorganisatie of op medische gronden van de verplichting tot het verrichten van wachtdienst wordt ontheven, heeft hij met ingang van de eerste van de maand, volgende op die waarin één van de genoemde omstandigheden zich voordoet, aanspraak op een garantievergoeding, welke gedurende het eerste jaar 75%, gedurende het tweede jaar 50% en gedurende het derde jaar 25% van de door hem laatstelijk genoten vergoeding voor wachtdienst bedraagt. Wanneer de in lid 1 bedoelde ambtenaar minder dan tien jaren regelmatig en in belangrijke mate wachtdienst c.q. piket heeft verricht, bedraagt de garantievergoeding gedurende het eerste jaar 50% en gedurende het tweede jaar 25% , met dien verstande dat de uitkeringsduur nooit langer is dan de periode gedurende welke regelmatig en in belangrijke mate wachtdienst is verricht. Onder laatstelijk genoten vergoeding wordt verstaan het bedrag, dat in een periode van twaalf maanden, onmiddellijk voorafgaande aan de dag, waarop één van de in lid 1 genoemde omstandigheden zich heeft voorgedaan, gemiddeld per maand voor het verrichten van wachtdienst is of zou zijn uitbetaald op grond van artikel 3.3.2.
- Indien een uitkeringsgenietende als bedoeld in dit artikel de leeftijd van 60 jaar bereikt, blijft hij in het genot van de garantievergoeding waarop hij laatstelijk recht had. Het bepaalde in artikel 3.3.2.7, lid 4 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.3.2.9 Vermindering van wachtdienst Bij vermindering van wachtdienst wegens reorganisatie of op medische gronden, wordt de wachtdienstvergoeding van de ambtenaren met ingang van de eerste dag van de maand, volgende op die waarin één van genoemde omstandigheden zich voordoet, verminderd. De vermindering blijft beperkt tot: 25% van het bedrag van de vermindering, gedurende het eerste jaar; 50% hiervan gedurende het tweede jaar; 75% hiervan gedurende het derde jaar. Het tijdvak gedurende welke deze vermindering wordt toegepast is nooit langer dan de periode gedurende welke regelmatig en in belangrijke mate wachtdienst/piket is verricht.
- Indien de ambtenaar de leeftijd van 60 jaren bereikt, behoudt hij tot de datum van zijn ontslag de verminderde vergoeding waarop hij laatstelijk recht had. Artikel 3.3.2.10 Overgangsbepaling Bij de bepaling van de periode als bedoeld in artikel 3.3.2.8, lid 1 en 2 wordt de tijd welke de ambtenaar tot dusver in dienst van de gemeente Soest wachtdienst heeft verricht, mede in aanmerking genomen. Artikel 3.3.2.11 De directie beslist in de gevallen waarin deze regeling niet voorziet. Artikel 3.3.2.11 De directie beslist in de gevallen waarin deze regeling niet voorziet. Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding. Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding Lid 1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde: • feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven; • werktijd, deze werktijd wordt verschoven. Lid 2 Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd. Lid 3 De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon. Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald: • in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef; • op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend. Artikel 3:5:1 Ambtsjubileumgratificatie Lid 1 Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met de helft van de bezoldiging de vakantietoelage en eindejaarsuitkering waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt. Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: • op grond van artikel 8:4 ; • op grond van artikel 8:5 bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; • op grond van artikel 8:10 of 8:11 indien en voorzover het een volledig ontslag betreft; en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend. Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. Lid 2 Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend. Artikel 3:5:1:1 Begripsomschrijving • Ambtsjubileumgratificatie : Een gratificatie gebaseerd op de tijd doorgebracht in een (fulltime- en/of parttime)betrekking bij de overheid. • Functioneel leeftijdsontslag : Ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling. • Herplaatsbaar verklaarde ambtenaar: Een ambtenaar die op grond van hoofdstuk K van de Algemeen Burgerlijke Pensioenwet in een functie is herplaatst, danwel herplaatst had moeten worden. • Invaliditeitspensioen : Een door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds toegekend pensioen nadat uit een geneeskundig onderzoek is gebleken dat de ambtenaar tengevolge van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen en dientengevolge op grond van artikel 8:5 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling ontslag wordt verleend. • Volledig werkzaam : Het aantal uren waarop de ambtenaar laatstelijk was aangesteld alvorens op grond van hoofdstuk K van de Algemeen Burgerlijke Pensioenwet een herplaatsingtoelage c.q. herplaatsingwachtgeld is gaan ontvangen. • FPU-ontslag : Een op vrijwillige basis beëindigen van het dienstverband gebaseerd op het gestelde in artikel 8:10 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR). Artikel 3:5:1:2 Uitwerking Een gewezen ambtenaar die voor zijn 65ste nog in aanmerking zou zijn gekomen voor een ambtsjubileumgratificatie ontvangt bij ontslag een gratificatie naar evenredigheid van het aantal gewerkte dienstjaren. Deze gratificatie wordt alleen verleend als het een functioneel leeftijdsontslag, ontslag i.v.m. invaliditeitspensioen of fpu-ontslag betreft. Artikel 3:5:1:3 Uitwerking Indien er sprake is van een herplaatsbare ambtenaar die als gevolg van zijn herplaatsing minder is gaan werken wordt bij de evenredigheid als genoemd in artikel 2 rekening gehouden met het aantal jaren dat hij volledig werkzaam is geweest. Artikel 3:5:1:4 Berekening Indien artikel 3:5:1:3 moet worden toegepast luidt de berekening als volgt: • aantal jaren volledig werkzaam : aantal ambtsjubileumjaren (25, 40 of 50) x huidige gemeentelijke salaris en herplaatsingtoelage danwel een naar 100% herleid herplaatsingwachtgeld; • aantal op grond van hoofdstuk K van de ABP-wet werkzame jaren: aantal ambtsjubileumjaren (25, 40 of 50) x huidige gemeentelijke salaris danwel herplaatsingwachtgeld. Artikel 3:5:2:1 Algemene gratificatie. De directie ( directeur en adjunct directeur) kunnen op grond van extra prestatie een algemene (incidentele) gratificatie toekennen aan een medewerker. De datum van uitbetaling wordt vermeld in de brief aan betrokkene waarin de argumentatie staat waarom een gratificatie wordt toegekend. Een kopie van deze brief wordt bewaard in het personeelsdossier. Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering Lid 1 De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 3,5% ( per 1 juni 2007) respectievelijk 5% ( per 1 juni 2008) van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 836,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. Lid 2 De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. Lid 3 Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest. Artikel 3:7:1 Militaire dienst Lid 1 De ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is, wordt geacht in zijn betrekking met verlof te zijn. Lid 2 Hij behoudt over de tijd van deze dienst het genot van de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging, slechts voorzover hem bij of krachtens de artikelen 3:7:2 , 3:7:3 , 3:7:4 en 3:7:5 daarop aanspraak is verleend. Voor zover die werkelijke dienst wordt vervuld tijdens aan de ambtenaar verleende vakantie, behoudt hij in ieder geval het genot van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging. Artikel 3:7:2 Militaire dienst De ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, behoudt - onverminderd het bepaalde in artikel 8:15:2 - de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging tot een bedrag dat gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenpremie. Artikel 3:7:3 Militaire dienst Lid 1 De ambtenaar die voor een herhalingsoefening als militair in werkelijke dienst is, geniet de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging slechts voor zoveel deze meer bedraagt dan zijn militaire beloning. Lid 2 Zo nodig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid behoudt de ambtenaar de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging tot een bedrag dat gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenpremie. Lid 3 Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire beloning verminderd met een eventuele aftrek wegens genot van voeding en huisvesting. Lid 4 Onder militaire beloning wordt verstaan de bij verblijf in Nederland geldende bezoldiging, bedoeld in de voor de betrokkene van kracht zijnde militaire bezoldigingsregeling, vermeerderd met de bij verblijf in Nederland op grond van bedoelde bezoldigingsregeling toegekende vlieg- of brevettoelage. Lid 5 Als herhalingsoefening wordt beschouwd de militaire dienst, die door de minister van defensie als zodanig wordt aangemerkt. Lid 6 Onverminderd het bepaalde in artikel 8:15:2 worden, voor de toepassing of voortgezette toepassing van het eerste lid, met inachtneming van hetgeen daaromtrent is bepaald in de Kaderwet dienstplicht of in de Wet voor het reservepersoneel der krijgsmacht 1985, met herhalingsoefeningen gelijkgesteld: • het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven voor een onderzoek, omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp, waarvan de militair verdacht of beklaagd wordt; • het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven ten einde rekening en verantwoording af te leggen van gevoerd beheer; • het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst blijven wegens: • ziekte; • het niet tijdig bereiken van de vereiste graad van geoefendheid als gevolg van ziekte; • het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke ziekte; • het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij de Kroon of bij de minister van defensie ingediend bezwaarschrift. Artikel 3:7:4 Militaire dienst Indien de ambtenaar, in werkelijke dienst zijnde, overlijdt, wordt de uitkering, bedoeld in artikel 8:16:2 verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering welke uit hoofde van militaire dienst ter zake van dit overlijden wordt gedaan. Artikel 3:7:5 Militaire dienst Het bepaalde in de artikelen 3:7:1 , 3:7:2 , 3:7:3 en 3:7:4 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van: • de ambtenaar die te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst; • de ambtenaar die in werkelijke dienst is op grond van een verbintenis bij het Korps nationale reserve. Artikel 3:7:6 Militaire dienst Op de ambtenaar die tijdelijk is aangesteld zijn de bepalingen, vervat in de artikelen 3:7:1 , 3:7:2 , 3:7:3 , 3:7:4 en 3:7:5 , slechts van toepassing tot en met de dag waarop de aanstelling zou zijn geëindigd, indien hij daaraan niet door de militaire dienst zou zijn onttrokken. Artikel 3:7:7 Vrijwillig politie ambtenaar Lid 1 De ambtenaar die op grond van een verbintenis als vrijwillig ambtenaar van politie in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel d van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie in werkelijke dienst is, wordt geacht in zijn betrekking met verlof te zijn. Lid 2 Gedurende dit verlof blijft de ambtenaar, onverminderd het bepaalde in artikel 8:15:2 , in het genot van de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging, met dien verstande dat deze bezoldiging, indien het verlof langer dan veertien dagen duurt, voor de verdere duur van het verlof wordt verminderd met de beloning waarop de ambtenaar als vrijwilliger aanspraak heeft. Lid 3 De in het tweede lid bedoelde vermindering wordt slechts toegepast tot een zodanig bedrag dat de ambtenaar in het genot blijft van een bedrag gelijk aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenpremie. Lid 4 Voor zover de werkelijke dienst wordt vervuld in aan hem verleende vakantie behoudt de ambtenaar in ieder geval het genot van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging. Lid 5 Het bepaalde in artikel 3:7:6 is voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Artikel 3:7:8 Persoonlijke toelage Lid 1 Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt, kan door de directie een toelage worden toegekend, wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat. Lid 2 De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven. (LOGA CvA/2004001009 15 maart 2004) Artikel 3:7:8:1 Extra verhoging van het salaris en persoonlijke toelage Lid 1 De directie kunnen aan de ambtenaar, die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, een extra periodiek tot een in de salarisschaal genoemd bedrag, niet uitgaande boven het maximumsalaris, toekennen op grond van: buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; andere door burgemeester en wethouders van ruim voldoende belang geachte overwegingen. Lid 2 Bij de toepassing van het vorige lid blijft het tijdstip waarop ingevolge artikel 3:1:1:6 een salarisverhoging wordt toegekend onverlet, tenzij burgemeester en wethouders anders bepalen. Lid 3 Aan de ambtenaar die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt kan door burgemeester en wethouders, wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat, een persoonlijke toelage worden toegekend.Tenzij uitdrukkelijk anders geregeld is deze persoonlijke toelage tijdelijk. De persoonlijke toelage wordt jaarlijks per januari opnieuw vastgesteld. Lid 4 De in het voorgaande lid bedoelde toelage bedraagt maximaal 10 procent van het salaris van de betrokken ambtenaar, met dien verstande dat het maximum van de naast hogere schaal niet mag worden overschreden. Voor de toepassing van dit lid wordt onder maximumsalaris verstaan het hoogste bedrag van de desbetreffende salarisschaal, met inbegrip van de diensttijduitloop. Lid 5 De persoonlijke toelage wordt vastgesteld in stappen van € 25,-- ( op fulltime basis). Artikel 3:7:9:1 Uitbetalingsregeling diverse vergoedingen als vermeld in dit hoofdstuk ( hoofdstuk 3). De uitbetaling van de vergoeding conform hoofdstuk 3, 17, 18 en 19 wordt behoudens hetgeen al in de artikelen is vermeld uitbetaald op de volgende tijdstippen: Uitbetaling één maand volgend op het indienen van de kwartaaldeclaratie: overwerk presentiegeld piketdienst kilometervergoeding incidentele dienstreizen studiekosten reis- en verblijfkosten telefoonvergoeding verhuiskosten/herinrichtingskosten Uitbetaling in de maand april: gladheidbestrijding schadevrij rijden Uitbetaling in de maand augustus gereedschapsgeld Uitbetaling in de maand oktober EHBO-toelage Uitbetalen in de maand november -vergoeding vrijwillige brandweer. Artikel 3:7:10:1 Modules behorende bij het generieke functieboek. In het generieke functieboek zijn modules opgenomen die bij meerdere generieke beschrijvingen in de gehele ambtelijke organisatie voor kunnen komen. De modules kunnen op een specifieke plek binnen de organisatie als extra functiebestanddeel worden toegevoegd aan een generieke beschrijving. Aan de medewerker die de module waarnemend afdelingshoofd of coördinator toegevoegd krijgt aan zijn/haar generieke functiebeschrijving, wordt een extra bezoldiging in de vorm van een persoonlijke toelage toegekend als hieronder opgenomen. Module waarnemend afdelingshoofd: een persoonlijke toelage van 4% van het salaris gedurende de periode waarin de rol van waarnemend afdelingshoofd wordt toegekend en in aansluiting op artikel 3:1:
- Module coördinator: een persoonlijke toelage van 6% van het salaris gedurende de periode waarin de rol van coördinator wordt toegekend. Module projectleiding: een persoonlijke toelage van 6% van het salaris gedurende de periode waarin de rol van projectleiding voor gemiddeld 25% of meer van de werktijd wordt vervuld. Als aan een medewerker meerdere modules worden toegekend (waarnemend afdelingshoofd en coördinator of projectleider) mag de vergoeding tezamen met de bezoldiging niet meer bedragen dan de medewerker zou hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal. Artikel 3:7:11:1 Hardheidsclausule Lid 1 In voorkomende gevallen waarin toepassing van deze regeling zou leiden tot een onbillijke situatie voor een ambtenaar , kan het college van burgemeester en wethouders afwijken in een voor de ambtenaar gunstige zin. Lid 2 In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college van burgemeester en wethouders. Hoofdstuk4Arbeidsduur en werktijden Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden Lid 1 Het college kan de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week waarbij de afwijking maximaal het onderstaande aantal uren mag bedragen: • 2 uur bij een formele arbeidsduur per week van 0 tot 12 uur; • 4 uur bij een formele arbeidsduur per week van 12 tot 24 uur; • 6 uur bij een formele arbeidsduur per week van 24 tot en met 36 uur. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag alleen worden overschreden bij de toepassing van artikel 4:3 of artikel 6:2 , tweede lid. Lid 2 Indien het college de feitelijke arbeidsduur per week op een andere omvang vaststelt dan de formele arbeidsduur per week, wordt dit ten minste één maand voor aanvang van de betreffende week aan de ambtenaar meegedeeld. Lid 3 De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft een arbeidsduur, die naar rato van de arbeidsduur per jaar over het aantal te werken maanden wordt berekend . Lid 4 De arbeidsduur per dag bedraagt ten hoogste negen uur. Indien de bedrijfsvoering dit vereist kan de arbeidsduur één maal per week op tien uur gesteld worden. Lid 5 Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het vierde lid afwijkende afspraken worden overeengekomen, met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing blijft. Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden Lid 1 In een nader door het college vast te stellen regeling worden algemene regels omtrent de werktijden vastgesteld. Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor een rooster opgesteld. Lid 2 Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen: • dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is; • dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar bekend worden gemaakt; • dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken; • dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3 , derde lid te ontwijken. Lid 3 Bij de brandweer, en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen. Artikel 4:2:1 Arbeidsduur en werktijden Lid 1 Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. Lid 2 Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2 , tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. Lid 3 Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd. Lid 4 Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten. Lid 5 Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend. Artikel 4:2:1:
- In aanvulling op het bepaalde in artikel 4:2:1 Wordt binnen de gemeente Soest verlof met behoud van bezoldiging verleend op Goede Vrijdag en de dag dat de nationale bevrijdigingsdag wordt gevierd. Artikel 4:2:2 Arbeidsduur en werktijden Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3 , arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend. Reglement variabele werktijden Artikel 4:2:2:1 Doel Flexibele werktijden hebben tot doel de daarvoor in aanmerking komende medewerk(st)ers binnen zekere grenzen in de gelegenheid te stellen om dagelijks op afwijkende tijdstippen de werkzaamheden te beginnen en te beëindigen. Gevolg is dat men voor privé zaken de werktijden niet behoeft te belasten, omdat deze voor of na de bloktijd zoveel mogelijk in eigen tijd kunnen worden afgehandeld. Artikel 4:2:2:2 Begripsbepalingen • Medewerk(st)ers : alle ambtenaren die zijn gehuisvest in het gemeentehuis. • Bloktijd : de periode waarin iedereen aanwezig moet zijn. De bloktijd is dagelijks van 09.00 tot 12.00 uur en van 14.00 tot 16.00 uur. Voor de vrijdagmiddag is het einde van de bloktijd vastgesteld op 15.30 uur. • Glijtijd : de tijd van maandag t/m vrijdag tussen 7.30 en 9.00 uur, 12.00 tot 14.00 uur en tussen 16.00 en 18.00 uur. • Lunchpauze : een (wettelijke) periode van minimaal 30 minuten tussen 12.00 en 14.00 uur. De lunchpauze moet uiterlijk 5 uur na het begin van de werkzaamheden aanvangen. • Normtijd : de werktijd per dag zijnde 8 uur. • Fictieve tijden : de werktijden van 08.00 tot 12.00 uur en van 13.00 tot 17.00 uur. • Regeling : de regeling van de variabele werktijden, zoals beschreven in dit reglement Artikel 4:2:2:3 Algemene bepalingen Alle afdelingen moeten op werkdagen van 08.00 tot 12.00 uur en van 13.00 tot 17.00 uur minimaal bezet zijn. Het afdelingshoofd kan, wanneer het dienstbelang dit vereist de medewerk(st)er verplichten de werktijden aan het dienstbelang aan te passen. Wanneer de medewerk(st)er handelt in strijd met of zich onttrekt aan de bepalingen van dit reglement, dan is het sectorhoofd bevoegd de medewerk(st)er van deelneming uit te sluiten. De uitgesloten medewerk(st)er is dan verplicht de fictieve tijden aan te houden met de verplichting te blijven registreren door middel van de tijdregistratieapparatuur. Artikel 4:2:2:4 Registratie van gewerkte tijden Voor het registreren van de werktijden ontvangt iedere medewerk(st)er een badge. Deze badge wordt tevens gebruikt om toegang te verkrijgen tot het gebouw. Registratie moet, behoudens nadere regeling, plaatsvinden bij: • de aanvang van de werktijd; • het begin van de lunchpauze ongeacht of men al dan niet het gebouw verlaat; • het einde van de lunchpauze; • het einde van de werktijd. Artikel 4:2:2:5 Dagelijkse arbeidsduur De werktijd bedraagt dagelijks ten minste 5 uur en ten hoogste 9 uur. De normale werktijd mag per week met ten hoogste 5 uur worden overschreden. Artikel 4:2:2:6 Rekening-courant van de meer en minder dan de normtijd gewerkte uren De tijd die een medewerk(st)er meer of minder dan in de normtijd werkt, wordt als een tegoed respectievelijk een tekort ten opzicht van de normtijd geboekt. De buiten de glijtijd geregistreerde tijd (dus voor 7.30 uur en na 18.00 uur) komt hierbij niet in aanmerking voor het bepalen van het saldo tegoed of tekort. Het positief werktijdensaldo mag niet boven de 50 uur uitkomen. Een negatief saldo is toegestaan tot maximaal 10 uur. Bij een negatief saldo van meer dan 10 uur wordt het meerdere als ongeoorloofde afwezigheid beschouwd. Bij een hoger positief saldo dan 50 vervalt het meerdere. Een positief urensaldo kan niet worden uitbetaald. Een negatief werktijdensaldo kan niet worden verrekend met verlof. Wanneer een medewerk(st)er uit dienst treedt, moet deze ervoor zorg dragen dat op de vertrekdatum het saldo van de gewerkte uren ten opzichte van de normtijd niet negatief is. Artikel 4:2:2:7 Bepaling over afwezigheid Alle gegevens inzake afwezigheid moeten aan het afdelingshoofd worden doorgegeven. • Huisarts-, tandarts-, specialistenbezoek etc . dient zoveel mogelijk in eigen tijd (dus buiten de bloktijden) plaats te vinden. Wanneer als gevolg van deze bezoeken de aanvangstijd ligt in de bloktijd dan geldt de fictieve tijd als aanvangstijd. • Afwezigheid in verband met werkzaamheden buiten het gemeentehuis (dienstreis, studieverlof) wordt geregistreerd tot maximaal de normtijd (8 uur). Overigens worden zonodig de fictieve begin- en eindtijden aangehouden. De overige tijden voor dienstreizen blijven buiten beschouwing. Artikel 4:2:2:8 Ziekteverzuim Afwezigheid door ziekte moet voor 10.00 uur worden gemeld bij de afdeling personeelszaken. Een volle dag afwezigheid wordt gecorrigeerd tot 8 uur en een halve dag tot 4 uur. Bij beëindiging van de werkzaamheden door ziekte in de loop van de dag, of bij het beginnen van de werkzaamheden na 09.00 uur in de loop van de dag na ziekte, zal voor die dag een tijdscorrectie worden toegepast ter grootte van het verschil tussen de normtijd en de gewerkte tijd. Artikel 4:2:2:9 Verlof Bij het opnemen van vakantie- en/of studieverlof is de verlofduur gelijk aan de fictieve werktijden. Artikel 4:2:2:10 Spaarverlof Ten laste van het werktijdensaldo kan - indien het dienstbelang dit toestaat - in de bloktijd verlof worden opgenomen, mits het in artikel 6 genoemde fictieve of negatieve saldo niet wordt overschreden. Artikel 4:2:2:11 Overwerk Van overwerk kan slechts sprake zijn wanneer daartoe van tevoren, overeenkomstig artikel 3:2 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling, opdracht is verstrekt. Deze opdracht kan niet aan de medewerk(st)er worden verstrekt gedurende de periode van 7.30 tot 18.00 uur, tenzij in die periode 8 uur is gewerkt. Overuren mogen niet in mindering gebracht worden op een negatief, noch worden toegevoegd aan een positief werktijdensaldo. Artikel 4:2:2:12 Uitzonderingen Voor medewerk(st)ers met een deeltijdfunctie en medewerk(st)ers die regelmatig werkzaam zijn buiten de zogenaamde glijtijden kunnen ten aanzien van bloktijden, normtijden, dagelijkse arbeidsduur etc., individueel afwijkende afspraken worden gemaakt. Artikel 4:2:2:13 Overige bepalingen Voor de aan een medewerk(st)er in gebruik gegeven badge is men persoonlijk verantwoordelijk. Verlies van de badge moet terstond doorgegeven worden aan de bodes. Totdat verlies of diefstal door de medewerk(st)er, op wiens/wier naam de badge is afgegeven, is gemeld blijft die medewerk(st)er verantwoordelijk voor het gebruik van de badge. Bij regelmatig verlies, of onbruikbaar raken van de badge komen de kosten van vervanging voor rekening van de medewerk(st)er en zal het verschuldigde bedrag op het salaris worden ingehouden. In alle gevallen waarin de toepassing van deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, beslist het sectorhoofd. Artikel 4:3 Spaarmogelijkheid Lid 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: • spaaruren: • de overeengekomen uren gedurende welke de ambtenaar werkzaamheden verricht die de voor hem vastgestelde feitelijke arbeidsduur per week te boven gaan en die over een langere periode dan één jaar worden gespaard; • vakantie-uren, met dien verstande dat voor een ambtenaar met een volledige betrekking het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van dit artikel en op grond van artikel 4a:1 , eerste lid– minimaal 144 uren bedraagt.Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruik maakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum. • extra vakantie-uren verkregen door toepassing van artikel 4a:2 . • spaarperiode: een periode waarin de spaaruren worden gespaard; • roostervrije tijd: de periode waarin de spaaruren aaneengesloten worden opgenomen. Lid 2 Op zijn verzoek dan wel op verzoek van het college, kan de ambtenaar, gedurende een afgesproken spaarperiode, ten hoogste gemiddeld 1/9 deel van de voor die spaarperiode geldende formele arbeidsduur per week aan spaaruren opbouwen met inachtneming van het bepaalde in het derde lid. Het verzoek van de ambtenaar kan slechts worden geweigerd indien naar het oordeel van het college sprake is van een organisatorisch belang. De ambtenaar heeft te allen tijde het recht op grond van hem moverende redenen het verzoek van het college te weigeren. Lid 3 Een ambtenaar kan ten hoogste het aantal spaaruren opbouwen dat resulteert in een periode van roostervrije tijd overeenkomend met de arbeidsduur per jaar verminderd met de voor hem voor dat jaar geldende vakantie-uren. Lid 4 Voor het bepaalde in het tweede lid geldt dat de feitelijke arbeidsduur en de spaaruren tezamen niet meer mogen bedragen dan 42 uur per week. Lid 5 In afwijking van het gestelde in het tweede lid kan de ambtenaar ten aanzien van wie op grond van artikel 5:1 of 5:3 de seniorenarbeidsduur is verminderd, ten hoogste gemiddeld 1/9 deel van de teruggebrachte seniorenarbeidsduur aan spaaruren opbouwen. Lid 6 Het college legt de in het kader van dit artikel gemaakte afspraken schriftelijk vast. De ambtenaar ontvangt hiervan een afschrift. Lid 7 Het college kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen. Artikel 4:3:1 Vervallen. Artikel 4:3:2 Vervallen. Artikel 4:3:3 Vervallen. Hoofdstuk4aUitwisselen van arbeidsvoorwaarden Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld Lid 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid. Lid 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid en op grond van artikel 4:3 , eerste lid, onderdeel a, tweede aandachtsstreepje– minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum. Lid 3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. Lid 4 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Lid 5 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren Lid 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid. Lid 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. Lid 3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Lid 4 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel 4a:3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering,vakantietoelage of urenvergoeding Lid 1 Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden. Lid 2 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld. Cafetariaregeling gemeente Soest. Artikel 4a:3:1:1 Deze regeling verstaat onder: 1.werkgever: de gemeente Soest 2.medewerker/werknemer: 2.
- de ambtenaar in de zin van de CAR-UWO Gemeente Soest alsmede de vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer, voor zover deze een vaste aanstelling heeft dan wel tijdelijk is aangesteld voor de duur van ten minste één jaar. 2.
- De werknemer met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan op grond van artikel 2:5, CAR-UWO Gemeente Soest voor tenminste één jaar. UITGANGSPUNTEN Artikel 4a:3:1:2
- Iedere medewerker kan in beginsel aanspraak maken op de keuzemogelijkheden zoals die in het kader van deze regeling worden aangeboden.
- Deelname van de medewerker aan de keuzemogelijkheden zoals die in het kader van deze regeling worden aangeboden, geschiedt op basis van vrijwilligheid.
- Een medewerker bepaalt zelfstandig, onder eigen verantwoordelijkheid en binnen de kaders van deze regeling zijn individuele voorkeur, indien hij wil deelnemen aan de keuzemogelijkheden zoals die in deze regeling worden aangeboden.
- Aanvragen moeten uiterlijk 1 april en/of 1 november van het betreffende kalenderjaar zijn ingediend bij de afdeling SBO door middel van het daarvoor vastgestelde formulier. DOELEN EN BRONNEN Artikel 3 Doelen De medewerker geeft op het aanvraagformulier "cafetariamodel" aan welke doelen hij kiest. De medewerker heeft daarbij de keuze uit de volgende doelen: Niet fiscaal gefaciliteerde doelen: a. Vakantie-uren kopen of verkopen op grond en overeenkomstig de bepalingen van artikel 4a.1 en 4a.2 van de CAR-UWO Gemeente Soest. Fiscaal gefaciliteerde doelen: b. Een belastingvrije vergoeding voor een fiets ten behoeve van het woon-werkverkeer Een belastingvrije vergoeding voor de voor eigen rekening blijvende kosten van woonwerkverkeer; d. Verhoging van de bijdrage van de werkgever in de kosten kinderopvang; Dit doel is per 1 januari 2007 komen te vervallen. e. Een belastingvrije vergoeding van vakliteratuur en /of een opleiding of studie voor een beroep f. alsmede contributie aan een vakbond; Artikel 4 Bronnen
- De medewerker geeft op het aanvraagformulier "cafetariamodel" aan welke bronnen hij wil inzetten ten behoeve van het realiseren van de door hem gekozen doelen. De medewerker heeft daarbij de keuze uit de volgende bronnen: afzien van de vergoeding voor verkochte uren overeenkomstig artikel 4a.1 van de CAR-UWO Gemeente Soest afzien van (een deel van) de uitkering als bedoeld in 3.6 van de CAR-UWO Gemeente Soest (eindejaarsuitkering) afzien van (een deel van) de vakantie-uitkering als bedoeld in 6:3 van de CAR-UWO Gemeente Soest met uitzondering van het vakantiegeld op basis van het wettelijke minimum loon(naar rato van de weektaak).
- Tenzij anders is geregeld, wordt bij het afzien van loon of uitkering uitgegaan van de waarde van het recht dat wordt uitgeruild . Eventuele latere aanpassingen van deze waarde van de bronnen met terugwerkende kracht (bijvoorbeeld een bevordering met terugwerkende kracht) naar een datum voor verrekening leiden in geen geval tot herberekening van de componenten waarvan is afgezien. VERREKENING EN RESTANT BEDRAG Artikel 5 De door de medewerker gemaakte keuze voor in artikel 3 en 4 bedoelde doelen en bronnen, worden binnen het desbetreffende kalenderjaar uitgevoerd. De medewerker stemt het bedrag dat uit de bronnen resulteert zoveel mogelijk af op het bedrag voor het gewenste doel. De vergoeding van het betreffende doel wordt betaalbaar gesteld op het moment waarop normaal ook de aangegeven bron zou zijn uitbetaald. De verwerking van de aanvragen vindt 2 maal per jaar plaats. De aanvragen moeten daarvoor uiterlijk 1 april of 1 november van het betreffende jaar zijn ingediend bij de afdeling P&O. Indien de bronnen ontoereikend zijn danwel in bijzondere gevallen, kan door de directie op verzoek van de medewerker, de gemaakte keuze geheel of gedeeltelijk in het volgende kalenderjaar worden uitgevoerd Bij beëindiging van de arbeidsverhouding zal voor het deel waarop nog niet aan de in artikel 4 vermelde bronnen is voldaan de waarde van het restant deel van de bron netto door de werknemer worden voldaan. BESLUITVORMING Artikel 6 De directie is bevoegd beslissingen te nemen op aanvragen van de medewerkers uit de organisatie. Indien de directie (na overleg met het betreffende afdelingshoofd) voornemens is een aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen, vindt hierover overleg plaats met de medewerker. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een aanvraag wordt schriftelijk gemotiveerd. SLOTBEPALINGEN Artikel 7 Indien bij controle door de inspecteur der belastingen blijkt dat het gebruik van de voorzieningen en vergoedingen uit het cafetariamodel niet voldoen aan de zakelijke bepalingen en voorwaarden zoals die zijn geformuleerd in de fiscale wetgeving, en dientengevolge naheffing bij de werkgever plaatsvindt, dan komt deze naheffing (inclusief eventuele rente en boete) voor rekening van de werknemer. Voorts aanvaardt de werkgever geen enkele verantwoordelijkheid voor de mogelijk in andere (wettelijke) regelingen opkomende gevolgen van de verlaging van de bronnen bij het gebruikmaken van de regeling fiscale faciliëring. FISCALE VOORWAARDEN Artikel 8 De wijze waarop en de voorwaarden waaronder een medewerker de in artikel 4 genoemde bronnen kan inzetten voor (één van de ) fiscaal gefaciliteerde doelen als bedoeld in artikel 3 onder b tot en met f worden beschreven in de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 9 De regeling kan worden aangehaald als "Regeling Cafetariamodel Soest 2006". HARDHEIDSCLAUSULE Artikel 10 In gevallen waarin toepassing van deze regeling zou leiden tot een onbillijke situatie voor een ambtenaar, kan het college van burgemeester en wethouders afwijken in een voor de ambtenaar gunstige zin. Artikel 11 In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college van burgemeester en wethouders Hoofdstuk5Seniorenregelingen Artikel 5:1 56-jarigenregeling Lid 1 De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 56 jaar en ouder, die • een ononderbroken diensttijd heeft van ten minste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt; en • geen betrekking vervult waarvan voor de vervulling een leeftijdsgrens is bepaald wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, op zijn verzoek met een vijfde deel teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur onder doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Er dient minimaal een arbeidsduur van 7,2 uur per week te resteren. Lid 2 Onder diensttijd als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 2, tweede lid, onder de punten a tot en met c, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering. Lid 3 Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week en de toepassing van artikel 4:3 wordt uitgegaan van de met een vijfde teruggebrachte seniorenarbeidsduur. Artikel 5:2 Pré-vut Lid 1 De werknemer in de zin van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering heeft recht op een uitkering krachtens het bepaalde in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van dat reglement, met ingang van de dag waarop hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De uitkering wordt betaald met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop het recht op de uitkering ontstaat. De pré-vut-uitkering wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de werknemer de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt. Voor de duur van de periode van de pré-vut blijven de bepalingen van het reglement vrijwillig vervroegde uittreding van kracht zoals die regeling laatstelijk luidde voor 1 april
- Lid 2 De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 75% van het inkomen zoals omschreven in artikel 1, onderdeel v, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, met dien verstande dat het uitkeringspercentage voor de ambtenaar, die wordt bezoldigd volgens de salarisschalen 1 en 2, 80% van evenbedoeld inkomen bedraagt. Lid 3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de ambtenaar wiens verzoek, bedoeld in artikel 5:1 , eerste lid, is ingewilligd. Artikel 5:3 60-jarigenregeling Lid 1 Met inachtneming van het gestelde in het tweede lid, wordt de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 60 jaar en ouder, die: • een aanstelling heeft van tenminste 14,4 uur per week, en; • een ononderbroken diensttijd heeft van tenminste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt; op verzoek van de ambtenaar dan wel op verzoek van het college, met de helft teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur en onder doorbetaling van 95% van de bezoldiging. De bezoldiging wordt voor 95% doorbetaald tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt; van de ambtenaar die bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar geen gebruikmaakt van de FPU-regeling om uit te treden, wordt, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, de bezoldiging voor 50% doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden tot een maximum van 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, blijft de omvang van de verminderde seniorenarbeidsduur gehandhaafd op 50%. De bezoldiging wordt voor 50% van de bezoldiging zoals die voor hem gold voordat hij gebruik ging maken van de FPU, doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden voor meer dan 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, worden de formele arbeidsduur, de seniorenarbeidsduur en de bezoldiging zoals die voor hem golden voordat hij gebruik ging maken van de FPU, met eenzelfde percentage aangepast. Het verzoek van de ambtenaar kan slechts worden geweigerd indien naar het oordeel van het college sprake is van een organisatorisch belang. De ambtenaar heeft te allen tijde het recht op grond van hem moverende redenen het verzoek van het college te weigeren. Lid 2 • Ten aanzien van de ambtenaar waarvan de seniorenarbeidsduur reeds met een vijfde is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1 , eerste lid, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%. De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar, die reeds met een vijfde deel is teruggebracht op grond van het bepaalde in artikel 5:1 , eerste lid, wordt tot de helft teruggebracht, uitgaande van de omvang van de aanstelling, zoals die gold op de dag voorafgaand aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ingevolge artikel 5:1 ; • Ten aanzien van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur voor 1 april 1996 is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1 , eerste lid, geldt dat deze ambtenaar tot 1 mei 1996 kan verzoeken om in aanmerking te komen voor de 60-jarigenregeling. Indien het verzoek tot vermindering van de seniorenarbeidsduur is ingewilligd, wordt de doorbetaling van de bezoldiging met ingang van 1 mei 1996 teruggebracht tot 90%. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%. Lid 3 Onder diensttijd als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 5:1 , tweede lid. Lid 4 Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week en de toepassing van artikel 4:3 wordt uitgegaan van de met de helft teruggebrachte seniorenarbeidsduur per week. Lid 5 Wanneer de betrokkene inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur met de helft is teruggebracht dan wel schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, worden die inkomsten in mindering gebracht op de door te betalen bezoldiging over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben met dien verstande dat het percentage van de door te betalen bezoldiging na vermindering nooit minder bedraagt dan
- Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt niet begrepen een uitkering op grond van de FPU-regeling. Lid 6 Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurend vakantie, verlof of non-activiteit onmiddellijk voor afgaande aan de vermindering van de seniorenarbeidsduur. Lid 7 Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het vijfde lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen voor evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het vijfde lid van overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de vermindering van de werktijd. Lid 8 De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur is verminderd of schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, terstond mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig op voor het verschijnen van de eerstvolgende bezoldigingstermijn. Lid 9 Indien de in het vijfde tot en met zevende lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij voor het verschijnen van elke bezoldigingstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn. Lid 10 Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave als bedoeld in het achtste lid worden afgeweken. Lid 11 Het in het zevende en achtste lid bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in het vijfde en zesde lid. Lid 12 Door het aanvaarden van de vermindering van de seniorenarbeidsduur wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijke inlichtingen geven. Lid 13 Indien de betrokkene één of meerdere verplichtingen als bedoeld in het zevende en achtste lid niet nakomt, kan het college de doorbetaling van de bezoldiging tijdelijk of definitief op een lager percentage stellen, met dien verstande dat het aldus vastgestelde percentage nooit minder dan 50 kan bedragen. Lid 14 Het verzoek voor het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur moet minimaal drie maanden voor aanvang van de vermindering worden ingediend. Artikel 5:4 Ingangsdatum seniorenmaatregelen Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid de seniorenarbeidsduur te verminderen ingevolge het bepaalde in artikel 5:1 , eerste lid, of 5:3 , eerste of tweede lid, heeft de ambtenaar vanaf de dag dat de leeftijd is bereikt, zoals vermeld in de voorgaande artikelen, aanspraak op vermindering van de seniorenarbeidsduur. Op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop tenminste de vereiste leeftijd wordt bereikt, wordt de seniorenarbeidsduur teruggebracht en wordt de bezoldiging gedeeltelijk uitbetaald, op grond van het bepaalde in artikel 5:1 en 5:3 . Artikel 5:5 Overgangsbepaling De ambtenaar waarvan het verzoek als bedoeld in artikel 5:1 is gehonoreerd en waarvan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ligt voor 1 april 1996, behoudt voor de duur van de periode van deze vermindering van seniorenarbeidsduur, de volledig voor hem geldende bezoldiging, behoudens ingeval artikel 5:3 , tweede lid, onderdeel b, van toepassing is. Artikel 5:6 Slotbepalingen Lid 1 Een ambtenaar die gebruik maakt of heeft gemaakt van de regeling zoals opgenomen in hoofdstuk 5a, kan niet deelnemen aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. Lid 2 Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. Hoofdstuk5aFPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen. Artikel 5a:1 Recht op uitkering De ambtenaar die: ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld, heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever. Artikel 5a:2 Berekeningsgrondslag Lid 1 In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a.2 van het pensioenreglement, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat. Lid 2 Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1, lid j van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever. Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling werkgever Lid 1 De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt: Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005 Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd 56 6,9 57 8,0 58 9,4 59 11,3 60 14 61 of ouder 16 Lid 2 De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd. Lid 3 De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. b.Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt. Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruik maken van de FPU Gemeenten Lid 1 Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruik maken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. Lid 2 Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruik maken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Lid 3 De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947 : 60 jaar b.na 1 april 1947: 61 jaar. Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten Lid 1 Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van: de FPU-uitkering; de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11; de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11; de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking. Lid 2 De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag. Lid 3 De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:
- Lid 4 Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement. Lid 5 Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering. Artikel 5a:5 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling. Artikel 5a:6 Pensioenopbouw De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11 . Artikel 5a:7 Lokaal beleid Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet. Artikel 5a:8 Vervallen. Artikel 5a:9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1 , zevende lid, bij dezelfde of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling. Hoofdstuk 6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof Artikel 6:1 Recht op vakantie In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van bezoldiging. Artikel 6:1:1 Vakantieverlening Lid 1 De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1 , wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4 , eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6 . Lid 2 De vakantie wordt verleend door het college. Artikel 6:1:1:1 Arbeidsduur Voor wat betreft de arbeidsduur is de norm een achturige werkdag en een veertig urige werkweek. Voor zover medewerkers gebruik maken van de regeling variabele werktijden kan binnen de grenzen van deze regeling korter of langer worden gewerkt. De werkelijke arbeidsduur bedraagt gemiddeld 36 uur per week. Dit gemiddelde moet worden gezien binnen de periode van een kwartaal. In afwijking van de landelijk overeengekomen bandbreedte is de maximale arbeidsduur per week 40 uur. Indien de roostervrije tijd aaneengesloten wordt opgenomen kan in afwijking van de landelijke afspraak een arbeidsduur van minder dan 30 uur per week van toepassing zijn. Op jaarbasis is de arbeidsduur 1824 uur voor een fulltime medewerker op basis van de in de GUWO gehanteerde rekenformule. Dit aantal moet worden gezien als een langjarig gemiddelde, waarbij per jaar afwijkingen naar boven en beneden kunnen voorkomen. Artikel 6:1:1:2 Uitwerking De roostervrije tijd is per jaar 203 uur voor een fulltime medewerker. Voor de kantoorafdelingen: De roostervrije tijd dient gespreid over het jaar te worden opgenomen en wel als volgt: • in het eerste kwartaal 48 roostervrije uren • in het tweede kwartaal 52 roostervrije uren • in het derde kwartaal 52 roostervrije uren • in het vierde kwartaal 51 roostervrije uren • De binnen het kwartaal beschikbare roostervrije tijd dient te worden opgenomen in hele (8 uur) of halve (vier uur) dagen. Een restant van minder dan een halve dag kan worden toegevoegd aan het saldo van het volgend jaar. De binnen het kwartaal beschikbare roostervrije tijd deint binnen dit kwartaal te worden genoten en kan gespreid of aaneengesloten worden opgenomen. Voor het begin van het kwartaal maakt de medewerker aan het afdelingshoofd kenbaar op welke wijze hij de beschikbare roostervrije tijd wil invullen. Het afdelingshoofd maakt een totaalrooster van de afdeling rekeninghoudend met bereikbaarheid/bezettingsgraad van de afdeling enerzijds en wensen van de medewerker anderzijds. Bij verschil van mening beslist het afdelingshoofd en wijst de roostervrije tijd toe. Het afdelingsrooster wordt voor iedereen zichtbaar op de afdeling opgehangen. Een kopie is bestemd voor de sectordirecteur. De omvang van langere vakantieperiodes door samenvoeging van verlof en roostervrije tijd zal eveneens door het afdelingshoofd worden getoetst aan de bereikbaarheid/bezettingsgraad van de afdeling. Ingeval van ziekte op een geplande roostervrije dag kan deze dag op een ander moment binnen hetzelfde kwartaal worden opgenomen. Niet opgenomen roostervrije dagen kunnen niet worden meegenomen naar een volgend kwartaal. Indien het dienstbelang vereist, dat iemand werkt op een geplande roostervrij dag, wordt dit vooraf besproken met de directeur. Deze besluit over de noodzaak daarvan en over de wijze van compensatie van de roostervrije tijd. Voor de buitendienstafdelingen waar vaste inroostering plaatsvindt: Ingeval een strakke bedrijfsmatige planning van de werkzaamheden noodzakelijk is wordt oor of namens het afdelingshoofd een jaarrooster opgesteld voor de medewerkers van de afdeling (of een deel daarvan). In dat jaarrooster wordt de beschikbare roostervrije tijd ingepland rekening houdend met een bezetting afgestemd op de hoeveelheid werk. Medewerkers kunnen vooraf hun wensen ke