← Nederland

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 (Overijssel)

In het kort

Dit besluit regelt de toekenning van subsidies door Gedeputeerde Staten van Overijssel en is op 1 januari 2017 in werking getreden, ter vervanging van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011. Het beschrijft algemene bepalingen en definities die van toepassing zijn op de subsidieverlening.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben besloten: het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011 per 1 januari 2017 in te trekken; het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssl 2017 vast te stellen en inwerking te laten treden op 1 januari

  1. Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 luidt als volgt: Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2017 Hoofdstuk1Algemeen Paragraaf1.1Algemene bepalingen Artikel1.1.1.Begripsomschrijvingen Toelichting: In dit artikel wordt de betekenis van een aantal begrippen omschreven, die vaker in dit Uitvoeringsbesluit subsidies worden gehanteerd. Begrippen die in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) al worden omschreven, zijn niet in dit Uitvoeringsbesluit subsidies herhaald. In dit Uitvoeringsbesluit 2017 wordt verstaan onder: AGVV: de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (EG) nr. 651/2014, Pb L187/1 van de Europese Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard; Asv: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005; Toelichting: Subsidies die niet op basis van een subsidieparagraaf worden verstrekt maar op basis van de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 (Asv), worden ook wel Asv-subsidies genoemd. De Asv en het Ubs zijn een wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23 Awb). Awb: de Algemene wet bestuursrecht; de-minimisverordening: de Verordening (EU) 1407/2013 van de Europese Commissie van 24 december 2013, betreffende de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op de-minimissteun; Toelichting: Subsidie kan geoorloofde staatssteun zijn als het valt onder een Europese vrijstellingsverordening. Welke vrijstelling precies van toepassing is, wordt in de betreffende subsidieparagraaf of in de verleningsbeschikking vermeld. de-minimisverordening landbouw: de Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector; de-minimisverordening visserij: de Verordening (EU) Nr. 717/2014 de Europese Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Overijssel; LVV: de Landbouw vrijstellingsverordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014, Pb L193/1, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard mede-overheden: de gemeenten, waterschappen, andere provincies en de rijksoverheid; Toelichting: Hier wordt een verschil gemaakt tussen gemeenten en waterschappen aan de ene kant en diverse vormen van (semi-)overheden aan de andere kant, zoals overheidsvennootschappen, geprivatiseerde overheidsonderdelen, zelfstandige bestuursorganen e.d. Ook een gemeenschappelijke regeling zoals bedoeld in de wet Gemeenschappelijke Regelingen, al of niet met private partners, valt niet onder het begrip mede-overheden. Mkb-onderneming : een micro-, kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in de Aanbeveling van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, PbL124/36; Toelichting: Een kleine onderneming is een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt. Een micro-onderneming is een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt. Tot de categorie middelgrote ondernemingen behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt. Omgevingsvisie: de op 1 juli 2009 door Provinciale Staten vastgestelde visie en het uitvoeringsprogramma voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel, inclusief de actualisatie zoals door Provinciale Staten vastgesteld op 3 juli
  2. Toelichting: De Omgevingsvisie is te vinden op www.overijssel.nl/thema's/ruimtelijke/omgevingsvisie/. onderneming: een natuurlijke of rechtspersoon die tegen betaling een product of dienst op de markt brengt, ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering; onderneming in moeilijkheden: een onderneming als bedoeld in artikel 2 lid 18 van de AGVV dan wel artikel 2 lid 14 van de LVV; Toelichting: Van een onderneming in moeilijkheden is sprake: in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een mkb die minder dan drie jaar bestaat) als meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal; in het geval van een onderneming als ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat) wanneer meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door de gecumuleerde verliezen is verdwenen; wanneer tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure loopt of de onderneming volgens het nationale recht aan de criteria voldoet om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen; wanneer de onderneming reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, dan wel herstructureringssteun heeft ontvangen en nog steeds in een herstructureringsplan zit; in het geval van een onderneming die geen kmo is als de afgelopen twee jaar: de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de onderneming, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg, en de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,
  3. subsidie: een subsidie als bedoeld in artikel 4:21 Awb, die voor een bepaalde termijn wordt verstrekt. Toelichting: De provincie verstrekt geen structurele subsidies. Afdeling 4.2.8 Awb ‘Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen’ is om die reden op provinciale subsidies niet van toepassing. De ‘bepaalde termijn’ wordt opgenomen in de subsidiebeschikking en is afhankelijk van de soort activiteit; dat kan om die reden variëren van een dag tot een aantal jaren voor grotere (infrastructurele) projecten. Als het gaat om jaarlijks min of meer doorlopende activiteiten is de gebruikelijke ‘bepaalde termijn’ maximaal vier jaar. Voor de periode van vier jaar is gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de zittingstermijn van Provinciale Staten (hoewel die termijnen uiteraard niet helemaal gelijk hoeven te lopen), alsmede de looptijd van beleidsnota’s én het een goede termijn is om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die nog steeds met de verstrekte subsidies worden gediend. Een subsidie kan ook in de vorm van een garantstelling of een niet-marktconforme lening worden verstrekt; in dat geval is in de subsidieparagraaf of in de verleningsbeschikking vermeld hoe die garantstelling of gunstiger leningvoorwaarden er uit zien.] subsidiabele kosten: de kosten die bij het verlenen en vaststellen van de subsidie in aanmerking komen voor de berekening van de hoogte van de subsidie; subsidieperiode: de periode vanaf de datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de verleningsbeschikking of vaststellingsbeschikking opgenomen datum waarop de subsidiabele activiteit is uitgevoerd; Ubs: Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel. Artikel1.1.2.Toepassingsbereik Toelichting: Omdat het vereiste van een wettelijke grondslag niet in alle gevallen kan worden gesteld, maakt het derde lid van artikel 4:23 Awb enkele belangrijke uitzonderingen, de zogenaamde buitenwettelijke subsidies. Om ervoor te zorgen dat naast de Awb ook de bepalingen van de Algemene subsidieverordening of dit Uitvoeringsbesluit subsidies gelden voor het verstrekken van deze subsidies is de reikwijdte hiervan uitdrukkelijk benoemd. In artikel 6 van de Algemene subsidieverordening zijn afwijkingsmogelijkheden van bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening opgenomen. Wanneer naast de provincie ook andere overheden of derden subsidiëren, kan een subsidieontvanger te maken krijgen met niet op elkaar afgestemde subsidiebepalingen. Elke subsidiënt heeft immers vaak zijn eigen specifieke bepalingen. In dat geval wordt bij de behandeling van Europese subsidies de Europese regelgeving gevolgd. Voor alle overige subsidies geldt dat Gedeputeerde Staten in de subsidiebeschikking door maatwerk één of meerdere bepalingen van de verordening of het uitvoeringsbesluit buiten toepassing kunnen laten om de toepassing van conflicterende bepalingen te voorkomen. De van de algemene reikwijdte uitgezonderde wettelijke grondslagen hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij door hun aard niet aansluiten bij de bepalingen in dit Uitvoeringsbesluit subsidies. Dit Uitvoeringsbesluit subsidies is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van subsidies op basis van de volgende wettelijke grondslagen: Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel; Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel; Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel; Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016; Subsidieregeling Rivierdijken; Subsidieverordening Bodemsanering Bedrijfsterreinen Overijssel; Subsidieverordening Innovatiefonds Overijssel II B.V.; Subsidieverordening Innovatiekrediet Overijssel; Wet personenvervoer
  4. Artikel1.1.3.Subsidieplafond Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieplafond vaststellen. Toelichting: Artikel 5 van de Algemene subsidieverordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. Gedeputeerde Staten zullen voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidieparagrafen een subsidieplafond vaststellen dat voor een heel kalenderjaar geldt. De Awb gaat er van uit dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóór dat de periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Artikel1.1.4Wijze van verlening Toelichting: Hoofdregel is dat subsidieaanvragen worden beoordeeld op volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag. In het aanvraagformulieren worden gegevens gevraagd die nodig zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. In het aanvraagformulier kan ook om mee te sturen bijlagen worden gevraagd. Als daaraan is voldaan, is een aanvraag volledig. Wanneer een aanvraag niet volledig is wordt om aanvulling gevraagd. Als ook na de gevraagde aanvulling sprake is van onvoldoende gegevens om de aanvraag te kunnen beoordelen, wordt de aanvraag op basis van artikel 4:5 Awb buiten behandeling gelaten. De datum waarop de gevraagde gegevens zijn ontvangen, is de datum waarop de aanvraag als volledig wordt beschouwd. Deze datum is van belang om te bepalen welke aanvraag als eerst inhoudelijk beoordeeld wordt en daarmee ook bepalend voor de volgorde waarin de subsidies verleend worden. Bij de inhoudelijk beoordeling kan blijken dat er nog een toelichting op de gegevens nodig is; de aanvrager wordt in dat geval daartoe in de gelegenheid gesteld. Komt die toelichting er niet of is er na ontvangst daarvan nog steeds onduidelijkheid, dan kan de aanvraag gemotiveerd worden afgewezen omdat onvoldoende duidelijk aan de regels uit dit Uitvoeringsbesluit subsidies is voldaan.Omdat de aanvraag al eerder als volledig is beschouwd heeft het vragen van een nadere toelichting geen invloed op de volgorde waarin de subsidies worden verstrekt. Gedeputeerde Staten kunnen in een bijzondere subsidieparagraaf afwijken van de hoofdwijze van verlening van de subsidie, door bijvoorbeeld te kiezen voor een verlening op basis van een vastgestelde kwaliteitsvolgorde, de zogenoemde tendersystematiek. Bij een tendersystematiek worden alle aanvragen die op de sluitingsdatum van de tender volledig waren met elkaar vergeleken en de hoogst scorenden in de ranking krijgen subsidie totdat het beschikbare subsidieplafond bereikt is. Bij de tendersystematiek kan een onvolledige aanvraag na sluitingsdatum om die reden alleen nog aangevuld worden voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Het gaat dan om bijvoorbeeld een ontbrekende handtekening onder de aanvraag, een bankrekeningbewijs of andere gegevens die geen invloed hebben op de inhoud van de activteiten of de financiering ervan. 1.Gedeputeerde Staten verlenen subsidie, voorzover het subsidieplafond dit toelaat, in volgorde van ontvangst van volledige aanvragen. 2.Een aanvraag wordt als volledig beschouwd als: het voorgeschreven aanvraagformulier is ingevuld; en de gegevens zoals genoemd in artikel 1.2.1 en eventuele aanvullende gegevens die gevraagd worden in de betreffende subsidieparagraaf zijn overgelegd. Artikel1.1.5.Subsidiabele kosten 1.Loonkosten van medewerkers in dienst van de aanvrager zijn subsidiabel als deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, doelmatig en aantoonbaar zijn én de berekening ervan gebaseerd is op één van de volgende systematieken: Toelichting: Loonkosten zijn subsidiabel, indien de urenadministratie en de toerekening van kosten een getrouw beeld geven. Dat wil zeggen dat aangetoond moet kunnen worden dat de verantwoorde uren ook voor de gesubsidieerde activiteiten zijn gewerkt. Voor de berekening van de loonkosten wordt waar het kan aangesloten bij de praktijk en administratie van de subsidieontvanger. Dat brengt met zich mee dat ook de gangbare invulling daarvan geldt: onder ‘directe loonkosten’ vallen dan het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen. De keuze is aan de subsidieaanvrager welk van de in het eerste lid onder sub a of b genoemde systematieken gehanteerd wordt. volgens de loonkosten plus opslag. Voor de berekening van de loonkosten op deze wijze wordt de volgende formule gehanteerd: directe loonkosten per jaar delen door 1.600 uren per fulltime medewerker, vermeerderd met maximaal 40% als vergoeding voor de indirecte kosten; Toelichting: Hierbij vormen de loonstaten per medewerker die deelneemt aan het project de basis voor de berekening van de subsidiabele loonkosten. Het aantal productieve uren en percentage indirecte kosten (overhead) opslag waarmee het uurtarief mag worden berekend is maximaal 40%. . het hanteren van een vast uurtarief van € 35 voor eigen werkzaamheden, directe loonkosten of voor arbeidskosten van personen waarvan het loon niet eenduidig bepaald kan worden. Toelichting: De subsidieaanvrager kan een vast uurtarief van € 35 hanteren voor loonkosten van personen waarvan het loon niet eenduidig bepaald kan worden.Dit uurtarief geldt ook voor bijvoorbeeld zzp-ers en andere vormen van inzet van arbeid die noch in loondienst zijn gemaakt noch als kosten derden zijn aan te merken.. 2.Kosten voor het gebruik van machines en apparatuur, zijn naar rato van het gebruik subsidiabel indien deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn. Dit geldt voor zowel machines en apparatuur die in bezit zijn als voor machines en apparatuur die nog worden aangeschaft ten behoeve van de te subsidiëren activiteit. Toelichting: Kosten die gemaakt worden voor gebruik van apparatuur ten behoeve van de subsidiabele activiteit zijn subsidiabel . Onder apparatuur vallen apparaten en machines, maar bijvoorbeeld ook bijkomende kosten zoals licenties voor software maar ook de eventuele onderhoudskosten van een machine of apparatuur. De kosten voor het gebruik van de apparatuur zijn naar rato van gebruik subsidiabel. Dit betekent dat de kosten niet volledig opgevoerd mogen worden indien de apparatuur breder ingezet wordt dan alleen voor de subsidiabele activiteit. Ook de eventuele afschrijvingskosten worden naar rato van gebruik opgenomen als kosten. 3.Kosten van derden zijn subsidiabel indien deze kosten op factuur aantoonbaar aan een onafhankelijke derde verschuldigd zijn, rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit zijn toe te rekenen zijn, doelmatig zijn en betrekking hebben op activiteiten die binnen de subsidieperiode uitgevoerd zijn. Het maximaal subsidiabele uurtarief van derden is € 130 exclusief Btw. Toelichting: Dit zijn de op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt en doelmatig zijn, bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit of in de vorm van kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde materialen, diensten en inhuur personeel. Doelmatig betekent onder andere dat het resultaat geleverd wordt tegen zo min mogelijke kosten. Daarnaast moeten de kosten worden gemaakt en de dienst of producten worden geleverd door een onafhankelijke derde. Er is bijvoorbeeld sprake van onafhankelijkheid als er: geen onderlinge band is tussen de aanvrager en de derde. De derde kan zelfstandige besluiten nemen zonder dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen de derde en de subsidieaanvrager; geen sprake is van een dochter-/zuster-/moederonderneming die als derde wordt betrokken. 4.Kosten voor de inzet van vrijwilligers zijn alleen subsidiabel als ze op factuur aantoonbaar zijn. Toelichting: Te denken valt bijvoorbeeld aan kosten als verzekeringspremie voor vrijwilligerinzet, lunches en andere kosten die door de aanvrager gemaakt worden om inzet van vrijwilligers te faciliteren. Het gaat hierbij niet om een vergoeding voor de inzet in uren van vrijwilligers, die is immers meestal niet op factuur aantoonbaar. 5.De subsidie voor het verkrijgen van een controleverklaring bedraagt 100% van de kosten indien deze door Gedeputeerde Staten verplicht wordt gesteld en de kosten ervan op factuur aantoonbaar aan een onafhankelijke accountant zijn verschuldigd. Toelichting: Een controleverklaring is een verklaring die afgegeven wordt door een accountant waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn uitgevoerd en de kosten zijn gemaakt. Wanneer Gedeputeerde Staten een controleverklaring verplicht stellen, wordt dit in de verleningsbeschikking opgenomen Artikel1.1.6Niet subsidiabele kosten Toelichting: Deze kosten worden niet meegenomen bij de berekening van de subsidie omdat ze niet aangemerkt zijn als kosten die direct aan de subsidiabele activiteiten toe te rekenen zijn. 1.De in de begroting bij de subsidiabele activiteiten opgenomen kostenpost Onvoorzien, kosten die niet rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, boetes, gerechtskosten, kosten voor financieringen, debetrente, leges, kosten voor het inhuren van een subsidieadviesbureau of andere subsidiebemiddelaar en vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers zijn niet subsidiabel; 2.Btw is niet subsidiabel, tenzij door de subsidieaanvrager bij de verlening kan worden aangetoond dat de Btw over de subsidiabele activiteiten niet met de fiscus of via het Btw-compensatiefonds kan worden verrekend; 3.Kosten van activiteiten die buiten de subsidieperiode zijn uitgevoerd, zijn niet subsidiabel, met uitzondering van de kosten als bedoeld in artikel 1.1.5 vijfde lid. Toelichting: Het begrip subsidieperiode is omschreven in artikel 1.1.
  5. Als bijvoorbeeld de activiteit is gestart voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen, dan kunnen alleen de kosten van het deel van de activiteit dat nog niet is uitgevoerd voor subsidie in aanmerking komen. In dat geval kan worden gevraagd om een specificatie van de kosten van de activiteiten die al zijn uitgevoerd. 4.Gangbare apparaatkosten van medeoverheden, tenzij de aanvrager kan aantonen dat deze kosten specifiek worden gemaakt ten behoeve van de subsidiabele activiteit en anders niet zouden zijn gemaakt zijn niet subsidiabel; Toelichting: In dit artikel is geregeld dat gangbare apparaatskosten van medeoverheden niet subsidiabel zijn. Conform artikel 1.1.1 worden onder medeoverheden gemeenten, waterschappen en provincies verstaan. Gangbare apparaatskosten zijn over het algemeen de overheadkosten. Ook inzet van ambtelijke capaciteit is hiermee beperkt subsidiabel. Indien sprake is van inzet van vast personeel wat gedekt is in de gemeentelijke begroting en tot de reguliere formatie behoort, is dit niet subsidiabel. Ook worden geen capaciteitstekorten bij de gemeenten gesubsidieerd, omdat de gemeenten hier zelf verantwoordelijk voor zijn. Dat betekent dus dat inzet van ambtelijke capaciteit alleen subsidiabel is als: er sprake is van inhuur voor het project (dan zijn de kosten subsidiabel conform artikel 1.1.5 derde lid, kosten derden die rechtstreeks op het project drukken); of er sprake is van inzet vaste formatie waarbij die vaste formatie aantoonbaar door tijdelijke inhuur of tijdelijke werktijduitbreiding gedurende de looptijd van het project wordt gerealiseerd; of er sprake is van vast personeel dat ongedekt in de (gemeentelijke) begroting staat en zichzelf als het ware moeten terugverdienen. Uit de aanvraag moet blijken dat van een of meer van deze uitzonderingen sprake is.] Artikel1.1.7Algemene weigeringsgronden Toelichting: Met dit artikel worden de weigeringsgronden uit artikel 4:35 Awb aangevuld. Dat wetsartikel maakt het bijvoorbeeld mogelijk een subsidie te weigeren als naar verwachting het gesubsidieerde project niet wordt uitgevoerd of als de aanvrager failliet is verklaard. In een subsidieparagraaf kunnen aanvullend of afwijkend bijzondere weigeringsgronden worden genoemd. 1.Gedeputeerde Staten kunnen besluiten de subsidie geheel of gedeeltelijk te weigeren indien de kosten van de subsidiabele activiteit naar haar oordeel als niet doelmatig kunnen worden aangemerkt of redelijkerwijs anders kunnen worden gedekt. Toelichting: Omdat subsidies met gemeenschapsgelden worden gefinancierd, is een doelmatige uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten van belang. Een activiteit doelmatig uitvoeren betekent dat naar mening van Gedeputeerde Staten de betreffende inspanningen en uitgaven voor de te subsidiëren activiteiten daadwerkelijk bijdragen aan de realisatie van het beoogde doel en de hiervoor ingezette middelen en kosten daarmee in verhouding staan.Uit het gebruik van het woord ’kunnen’ blijkt dat het een facultatieve weigeringsgrond is. Gedeputeerde Staten zullen hierbij een belangenafweging maken en kunnen de subsidie weigeren als de activiteit ook zonder de gevraagde subsidie gerealiseerd kan worden. 2.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als de te verstrekken subsidie lager is dan € 1.
  6. Toelichting: Om de provinciale uitvoeringskosten ook doelmatig te houden, wordt een ondergrens gehanteerd voor een te verstrekken subsidie. 3.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien sprake is van stapeling van subsidie. Er is sprake van stapeling van subsidie als voor dezelfde activiteit of dezelfde kosten al subsidie is verstrekt op grond van het Ubs of de Asv. Dit geldt niet indien sprake is van subsidie die verstrekt is uit Europese Fondsen of een subsidie in die verstrekt is in de vorm van een geldlening. Toelichting: Voor veel activiteiten geldt dat een combinatie van financiële bronnen bij elkaar wordt gebracht om realisering van die activiteiten mogelijk te maken. Een provinciale subsidie is daar vaak één van. Andere bronnen zijn onder andere subsidies van andere (semi-)overheden en/of Europese subsidies (vaak ook cofinanciering genoemd), private fondsen als het Oranjefonds of VSB-fonds, leningen van banken of revolverende overheidsfondsen, sponsoring, eigen middelen aanvrager of deelnemersbijdragen. Voor een provinciale subsidie geldt dat wanneer, zoals gebruikelijk, deze geen 100% van de subsidiabele kosten bedraagt, de aanvrager zelf het resterende deel gefinancierd moet krijgen uit andere bronnen dan provinciale subsidies. Gedeputeerde Staten vinden een dergelijke financiële betrokkenheid van de aanvrager van belang voor de realisatie van de activiteiten. Toelichting: Uitgangspunt is dat voor een activiteit één subsidieparagraaf is opgenomen in het Ubs. Toch kan het soms voorkomen dat meerder subsidieparagrafen of subsidiebronnen van de provincie ingezet kunnen worden. In dat geval kiest de aanvrager de meest passende of voor de aanvrager meest gunstige subsidieparagraaf of subsidiebron. Het is niet mogelijk om voor dezelfde activiteit of dezelfde kosten meerdere provinciale subsidies te ontvangen. 4.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als uit de begroting blijkt dat de kosten niet gefinancierd kunnen worden. 5.Gedeputeerde Staten weigeren een subsidie in de vorm van een geldlening als naar haar oordeel de lening naar verwachting niet terugbetaald kan worden. 6.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als sprake is van een aanvrager ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.. Artikel1.1.8Staatssteun Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie alleen verstrekken indien voldaan wordt aan een Europese verordening op basis waarvan de subsidie toelaatbaar is verklaard. Toelichting: Indien sprake kan zijn van staatssteun dan is in de betreffende subsidieparagraaf vermeld welke Europese verordening van toepassing is. Dit kan bijvoorbeeld de de-minimisverordening, de Algemene Vrijstellingsverordening( AGVV) of de Landbouwvrijstellingsverordening (LVV) zijn. Subsidie op basis van de AGVV en de LVV kunnen alleen verstrekt worden als voldaan wordt aan de algemene en procedurele bepalingen zoals opgenomen in hoofdstuk 1 van de AGVV dan wel LVV en de betreffende van toepassing zijnde artikelen. Dit betekent in iedere geval dat de subsidie een stimulerend effect moet hebben. Ingeval van de AGVV betekent dit dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd nog niet zijn gestart. Ingeval van de LVV zijn de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd nog niet gestart en starten pas nadat de subsidie is verleend. De subsidieontvanger mag niet in moeilijkheden verkeren en er mag geen terugvorderingsbesluit genomen zijn ten aanzien van eerder verleende staatssteun (de zogenoemde Deggendarfclausule). Ook kan de subsidie lager worden verleend of vastgesteld indien de subsidie leidt tot overschrijding van de steunpercentages en steundrempels zoals opgenomen in hoofdstuk 1 dan wel het betreffende artikel van de AGVV of LVV. Alle financiële bijdragen van overheden, voor de betreffende activiteit, worden bij elkaar opgeteld om het totale subsidiebedrag te bepalen (cumulatie). Paragraaf1.2De aanvraag Artikel1.2.1.Bij aanvraag in te dienen gegevens 1.De aanvraag om een subsidie wordt schriftelijk bij Gedeputeerde Staten ingediend door gebruik te maken van het beschikbaar gestelde digitale aanvraagformulier. Toelichting: Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door het invullen van een door of namens Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde digitaal aanvraagformulier op www.overijssel.nl/subsidie. Er zijn digitale formulieren voor subsidies op basis van subsidieparagrafen in dit Uitvoeringsbesluit, maar ook voor zogeheten ASV-subsidies die niet binnen het bereik van een subsidieparagraaf vallen. Doel van het aanvraagformulier is om aan de aanvrager te verduidelijken welke informatie hij bij de aanvraag moet geven zodat de behandeling van de aanvraag vlotter kan plaatsvinden. De volgende gegevens worden in ieder geval gevraagd in het aanvraagformulier: een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen; 2.Een aanvraag om subsidie bevat in ieder geval de volgende gegevens: Toelichting: Volgens artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in Afdeling 4.1.
  7. van de Awb. In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij zijn aanvraag voor subsidie. In dit artikellid is geregeld welke stukken en gegevens ingediend moeten worden bij een aanvraag voor subsidie. Het kan voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende gegevens worden gevraagd. Dan zal dan blijken uit de betreffende subsidieparagraaf. een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; de doelen en resltaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de prestaties daaraan bijdragen; een begroting waaruit de kosten van te subsidiëren activiteiten en de dekking daarvan blijkt, onder vermelding van de van toepassing zijnde subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 1.1.
  8. 3.Indien sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU overlegt de aanvrager, aanvullend op het eerste en tweede lid: Toelichting: De Europese Commissie beoordeelt staatssteun op basis van 4 criteria: De steun wordt door de overheid verleend of met overheidsmiddelen bekostigd; Het verschaft een economisch voordeel aan een onderneming dat zij niet langs de normale commerciële weg gehad zou hebben; Het voordeel is selectief, dat wil zeggen het komt ten goede aan bepaalde ondernemingen; Het voordeel heeft een (potentiële) invloed op de handel tussen lidstaten. –een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de te subsidiëren activiteiten; een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening; toelichting: Het voorgeschreven model van deze de-minimisverklaring is onderdeel van het betreffende aanvraagformulier.
  9. Wanneer de AGVV of de LVV van toepassing is overlegt de aanvrager tevens: een Mkb-verklaring; een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in moeilijkheden verkeert. toelichting: Aanvrager kan een modelverklaring die de provincie beschikbaar heeft gesteld gebruiken. Deze verklaring is te vinden op www.overijssel.nl/subsidies Artikel1.2.2.Indieningstermijn aanvraag Een aanvraag voor subsidie kan het hele kalenderjaar worden ingediend. Artikel1.2.3.Beslistermijn Toelichting: De in dit artikel genoemde termijnen zijn maximale beslistermijnen. Indien mogelijk zullen Gedeputeerde Staten eerder beslissen. Indien in een subsidieparagraaf een uiterste indieningstermijn is bepaald, dan wordt een aanvraag die na die datum is ontvangen afgewezen.Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb). 1.Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om een subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen 13 weken na sluiting van een in de subsidieparagraaf opgenomen indieningstermijn. 2.De in het eerste lid bedoelde termijn van 13 weken bedraagt maximaal 22 weken indien: sprake is van cofinanciering van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma; ter beoordeling van de aanvragen een adviescommissie is ingesteld. Paragraaf1.3Verlening van de subsidie Toelichting: Het subsidiesysteem gaat uit van een drietal arrangementen: arrangement. 1: kleinere subsidies tot € 25.000, arrangement. 2: middelgrote subsidies van € 25.000 tot € 125.000, en arrangement. 3: grotere subsidies vanaf € 125.
  10. Bij deze arrangementen hangt de zwaarte van de verantwoordingseisen voornamelijk af van het subsidiebedrag. Gedeputeerde Staten bepalen op basis van de geldende arrangement subsidieverlening hoe de verantwoording plaatsvindt. Uitgangspunt is het subsidiebedrag. Hogere regelgeving of aanvullende verplichtingen kunnen tot een zwaardere verantwoording leiden. Doordat bij de verlening wordt aangegeven welk verantwoordingsregime van toepassing is, weet de subsidieontvanger tijdig wat van hem wordt verwacht. Artikel1.3.1.Verlening subsidie 1.Gedeputeerde Staten geven een beschikking tot subsidieverlening, tenzij een subsidie direct wordt vastgesteld. 2.Bij het besluit tot verlenen van subsidie geven Gedeputeerde Staten de datum aan waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaatsvindt. 3.Een subsidie in de vorm van een geldlening wordt verleend onder de voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst wordt of is gesloten. Artikel1.3.2.Betaling en bevoorschotting 1.Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 1.5.
  11. wordt gegeven, vindt de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats. Toelichting: Als subsidie wordt verstrekt zonder dat daar een subsidieverlening aan vooraf is gegaan, dan vindt na vaststelling van de subsidie betaling van de subsidie in één bedrag plaats. Hierdoor is bevoorschotting niet aan de orde. Indien in de subsidiebeschikking het voorbehoud is gemaakt dat eerst een benodigde vergunning moet worden gekregen, kan betaling na ontvangst daarvan plaatsvinden omdat eerst aan het voorbehoud moet worden voldaan. 2.Als een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 1.5.
  12. of artikel 1.5.
  13. wordt gegeven, kunnen Gedeputeerde Staten aan de subsidieontvanger voorschotten tot maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag verstrekken. Toelichting: Gebruikelijk is dat Gedeputeerde Staten niet meer dan 90% bevoorschotten en de voorschotten in één of meer termijnen beschikbaar stellen, waarbij het aantal termijnen vaak zal afhangen van de looptijd en/of het te verwachten bestedingsritme van de gesubsidieerde activiteiten. In de verleningsbeschikking wordt de omvang en wijze van bevoorschotting opgenomen. Het woord ‘maximaal’ geeft aan dat het ook voor kan komen dat er geen voorschot wordt verstrekt. Dat kan het geval zijn als bijvoorbeeld de te subsidiëren activiteit nog afhankelijk is van een nog te krijgen vergunning. Voor het moment waarop de vergunning is ontvangen kan immers nog niet worden begonnen met de realisering van de activiteiten. Paragraaf1.4Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel1.4.1.Meldingsplicht Toelichting: De meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen in de vorm van onder andere het niet standaard verantwoording afleggen bij subsidies tot € 25.000,– het vragen van minder tussenrapportages en automatische bevoorschotting. De subsidieontvanger is verplicht tijdig te melden als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze informatieplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval passend worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan dit Ubs. De subsidieontvanger doet binnen vier weken via een digitaal formulier melding aan Gedeputeerde Staten, zodra: naar verwachting de voorwaarden of verplichtingen die aan de subsidieverlening zijn opgelegd niet, niet geheel kunnen worden nagekomen; of naar verwachting de activiteiten niet binnen de in de beschikking vermelde datum zullen worden nagekomen. Artikel1.4.2.Bestuursverklaring Indien de subsidie minder dan € 125.000,– bedraagt én de kosten en baten van de te verrichten prestaties in verband met de aard van die activiteiten zodanig ongewis zijn dat een realistische begroting niet vereist kan worden of indien sprake is van staatssteun, kan de verplichting worden opgelegd dat de subsidieontvanger op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en baten mag aantonen dat de activiteiten zijn verricht. De subsidieontvanger maakt hierbij gebruik van het beschikbaar gestelde format. Artikel1.4.3.Tussenrapportage Indien het verleende subsidiebedrag € 25.000 of meer bedraagt en de verlening betrekking heeft op activiteiten met een looptijd langer dan een jaar, kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. Een dergelijke tussentijdse verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar gevraagd. Artikel1.4.4.Instandhouding activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen de verplichting opleggen dat de resultaten van de activiteiten in stand worden gehouden voor een periode van maximaal vijf jaar. Toelichting: Bij veel subsidies gaat het effect ervan zich pas voordoen als de gesubsidieerde activiteiten zijn gerealiseerd. Het kan daarom van belang zijn expliciet in de verleningsbeschikking of bij de directe vaststellingsbeschikking vast te leggen dat voor een bepaalde periode de de resultaten van de activiteiten in stand moet worden gehouden. Dat kan bijvoorbeeld het actief houden van een gesubsidieerde website zijn of het gebruiken van een met provinciale subsidie aangeschaft apparaat of voertuig. Omdat de variëteit aan te subsidiëren activiteiten groot is, is één uniforme termijn niet goed uitvoerbaar. Daarom wordt in de betreffende subsidieparagraaf dan wel, bij ASV-subsidies, in het betreffende besluit bepaald of er sprake is van zo’n termijn en zo ja, voor hoe lang. Daarbij geldt vijf jaar instandhouding als maximale termijn. Als de aard van de activiteiten zich daartegen verzet, wordt een dergelijke instandhoudingsverplichting niet opgenomen. Artikel1.4.5Subsidieperiode 1.Gedeputeerde Staten kunnen de verplichting opleggen om de activiteiten voor een in de verleningsbeschikking genoemde datum te starten dan wel binnen een in de verleningsbeschikking genoemde subsidieperiode af te ronden. 2.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger de subsidieperiode aanpassen of verlengen indien sprake is van feiten en omstandigheden waarvan de subsidieaanvrager op het moment van de aanvraag niet op de hoogte kon zijn. 3.Gedeputeerde Staten verlenen geen uitstel indien de verlenging in strijd is met het beoogde beleidsdoel van de provincie of de activiteiten naar verwachting niet meer gerealiseerd gaan worden.. Toelichting: De subsidieperiode is de periode vanaf datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de verleningsbeschikking of vaststellingsbeschikking opgenomen datum waarop de subsidiabele prestatie moet zijn afgerond. Omdat de subsidiabele kosten op die periode betrekking hebben (met uitzondering van de accountantsverklaring) is het van belang die termijn die voor het realiseren van de activiteiten nodig is, realistisch te schatten Artikel1.4.6.Deugdelijke administratie Toelichting: De subsidieontvanger voert een deugdelijke administratie, zodat bij vaststelling of een eventuele controle van de subsidie kan worden aangetoond dat de activiteit is uitgevoerd en wat aantoonbaar de daarmee samenhangende kosten en (eventuele) baten zijn. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit een urenadministratie of andere gangbare manieren van inzichtelijk maken. 1.De subsidieontvanger is verplicht voor de verstrekte en vastgestelde subsidies een administratie te voeren waaruit blijkt wat de voortgang is van de gesubsidieerde activiteiten en de financiering daarvan. 2.Indien sprake is van kosten van derden dan dienen de facturen en betaalbewijzen te worden bewaard gedurende vijf jaar na subsidievaststelling. Paragraaf1.5Vaststelling van de subsidie Artikel1.5.1.Subsidies tot € 25.000 Indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 25.000 wordt de subsidie door Gedeputeerde Staten direct vastgesteld. Artikel1.5.2.Subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000 1.Indien de subsidieverlening € 25.000,– of meer bedraagt, maar minder dan € 125.000,–, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het realiseren van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten. 2.De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt: dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn gerealiseerd; dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. indien sprake is van staatssteun overlegt de aanvrager tevens een bestuursverklaring als bedoeld in artikel 1.4.
  14. 3.Indien de activiteiten zijn gerealiseerd, wordt de subsidie vastgesteld op het verleende bedrag, tenzij bij de verlening is bepaald dat een verklaring als bedoeld in artikel 1.4.2 moet worden overlegd. In dat geval wordt de subsidie vastgesteld op basis van de werkelijke subsidiabele kosten, met als maximum het verleende bedrag. Toelichting: Uit het derde lid volgt dat wanneer de activiteiten niet of niet geheel of niet volgens de voorschriften zijn gerealiseerd, de subsidie naar redelijkheid lager of op nihil wordt vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden. Redelijk kan ook zijn het naar rato lager vaststellen van de subsidie overeenkomstig de verhouding tussen de niet of niet helemaal gerealiseerde activiteiten en het daarmee samenhangende begrote bedrag. Het kan ook zijn dat staatssteunbepalingen ertoe leiden dat de subsidie lager dan de maximale verlening wordt vastgesteld, bijvoorbeeld omdat onder een maximaal staatssteunpercentage moet worden gebleven om binnen een vrijstelling te kunnen blijven vallen. Artikel1.5.3.Subsidies vanaf € 125.000 1.Indien de subsidieverlening € 125.000,- of meer bedraagt, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten. 2.De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, een kostenverantwoording en, indien in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking als zodanig verplicht, een accountantsverklaring conform het controleprotocol. Toelichting: Het controleprotocol is volgens een door Gedeputeerde Staten voorgeschreven model en te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. Niet in alle gevallen wordt een accountantsverklaring gevraagd: in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking wordt expliciet opgenomen wanneer het wel aan de orde is. 3.Uit het inhoudelijk verslag als bedoeld in het tweede lid blijkt in welke mate de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn gerealiseerd. Toelichting:Het inhoudelijk verslag is vormvrij en mag daarmee een al voor andere doeleinden opgesteld verslag zijn, zolang het maar voldoende informatie geeft om vast te kunnen stellen in welke mate de activiteiten zijn gerealiseerd. Wanneer de activiteiten niet of niet geheel of niet volgens de voorschriften zijn gerealiseerd, wordt de subsidie naar redelijkheid lager of op nihil vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden. 4.Uit de kostenverantwoording als bedoeld in het tweede lid blijkt wat het totale bedrag is van de gerealiseerde subsidiabele kosten van de activiteiten en de dekking daarvan is, gespecificeerd naar: loonkosten per medewerker in loondienst, met het bijbehorend uurtarief; de afschrijvingskosten per machine of apparaat naar rato gebruik; en de kosten van derden per factuur. 5.Indien de activiteiten zijn gerealiseerd, wordt de subsidie vastgesteld op basis van de werkelijke subsidiabele kosten. Daarbij wordt uitgegaan van het in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking genoemde subsidiepercentage, met als maximum het verleende bedrag. Toelichting: Indien de subsidiabele kosten lager uitvallen, dan zal de subsidie lager worden vastgesteld. De subsidie is een maximale bijdrage waarbij de provincie optreedt als (mede)financier. Meer subsidie ontvangen dan nodig is, is om die reden niet aan de orde. Is in de verleningsbeschikking bijvoorbeeld opgenomen dat de subsidie 40% van de begrote kosten bedraagt, dan geldt dat percentage ook bij de vaststelling van de subsidie. Vanuit financiële beheersbaarheid is de subsidie uiteindelijk nooit meer dan het maximaal verleende bedrag. Artikel1.5.4.Beslistermijn vaststelling subsidie Gedeputeerde Staten stellen binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. Hoofdstuk2Ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer Paragraaf2.1Effectuering Ruimtelijk beleid Artikel2.1.1Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor onderzoek, visie- en planontwikkeling van ruimtelijke projecten die van provinciaal belang zijn op het gebied van ruimtelijke ordening en wonen. Artikel2.1.2Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.1 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente, een Overijssels gemeentelijk samenwerkingsverband of een Overijssels rechtspersoon die zich inzet voor ruimtelijke activiteiten in Overijssel; toelichting: Dit betekent dat particulieren geen aanvraag kunnen indienen. het ruimtelijke project past binnen de centrale beleidsambities en onderwerpen van provinciaal belang zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel; het ruimtelijke project heeft een regionale schaal, uitstraling of werking of vervult een voorbeeldwerking. toelichting: Regionaal betekent dat de resultaten van het ruimtelijke project neerslaan in ten minste twee Overijsselse gemeenten. indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening. Artikel2.1.3Grondslag subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten. Artikel2.1.4Subsidiabele kosten 1.Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. 2.In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn kosten die voortvloeien uit financiele verplichtingen, aangegaan voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel. Toelichting: De start van het project kan eerder hebben plaatsgevonden dan de indiening van de subsidieaanvraag. Dit betekent dat de kosten die voortvloeien uit financiele verplichtingen, aangegaan voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel zijn. Artikel2.1.5Niet subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel: kosten voor bouw- en sloop; kosten voor investeringen; exploitatiekosten; overheadkosten. Artikel2.1.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.1.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Effectuering ruimtelijk beleid. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een projectplan. Paragraaf2.2Leefbare kleine kernen Artikel2.2.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: fysieke maatregelen: maatregelen die zichtbaar en tastbaar zijn; kleine kern: een aaneengesloten bebouwd gebied met maximaal 15.000 inwoners; ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is; sociale kwaliteit: sociale kwaliteit in Overijssel gaat over noaberschap, onder andere te zien aan de inzet van vrijwilligers, lokale initiatieven voor de eigen leefomgeving en coöperaties op het gebied van leefbaarheid waarbij het zelf organiseren van allerlei activiteiten door inwoners een impuls krijgt, en het bestaat uit de onderdelen delen en leren, zelfstandig leven, gezond bewegen en Overijssels noaberschap; uitvoeringsplan: een beschrijving van de werkwijze en de maatregelen om tot uitvoering van een opgave te komen. Artikel2.2.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor fysieke maatregelen die de ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit, identiteit en leefbaarheid van de kleine kernen versterken. Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor fysieke maatregelen die zichtbaar en tastbaar zijn in kleine kernen. Dit betekent dat de kosten die gemaakt worden ten behoeve van deze fysieke maatregel subsidiabel zijn. Planvormingsactiviteiten en onderzoek worden niet gezien als fysieke maatregel en komen daarom niet in aanmerking voor subsidie. Artikel2.2.3Criteria De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente of Overijssels waterschap; de uitvoering van de maatregel geschiedt op basis van het uitvoeringsplan, waar de locatie onderdeel van uitmaakt; de aanvraag is vooraf afgestemd met de provinciale beleidsmedewerkers ruimtelijke ontwikkeling of sociale kwaliteit; er is ten minste één andere partij die gezamenlijk met de gemeente of het waterschap financieel bijdraagt voor ten minste 50% van de subsidiabele kosten. Artikel2.2.4Grondslag subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.000,– per aanvraag. Artikel2.2.5Subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.1.6 eerste lid zijn de vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers wel subsidiabel tegen een maximum uurtarief van € 15,- per uur. Artikel2.2.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.2.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Leefbare kleine kernen. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een uitvoeringsplan. Het uitvoeringsplan bevat onder andere de volgende onderdelen: een beschrijving van de opgave: de aanleiding en probleemstelling; een beknopte beschrijving van de locatie en de situatie; een beschrijving van de bijdrage van de fysieke maatregelen aan de ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit en leefbaarheid; een beschrijving van alle voorgestelde maatregelen, ook die waarvoor geen subsidie wordt aangevraagd; een beschrijving van het resultaat; een beschrijving van het draagvlak en participatie door derden; een begroting van de kosten en financiering van de afzonderlijke maatregelen met daarbij het dekkingsvoorstel per maatregel; de verwachte planning van de uitvoering. Artikel2.2.8Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de te verlenen subsidie lager is dan € 25.000,–; als vier keer subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf, voor activiteiten die vallen binnen de gemeentegrenzen van die gemeente; Toelichting: Een gemeente en waterschap kunnen samen vier keer een subsidie ontvangen op basis van deze subsidieparagraaf. Voorbeeld: Als een waterschap voor activiteiten die vallen binnen de betreffende gemeentegrens al een keer subsidie heeft ontvangen, dan kan een gemeente of een andere waterschap nog maar drie keer een subsidie ontvangen. voor de betreffende kleine kern al een subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf. Artikel2.2.9Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht binnen twaalf maanden na datum van de subsidieverlening te starten met de uitvoering van de activiteit en deze binnen drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben uitgevoerd. Artikel2.2.10Bevoorschotting In afwijking van artikel 1.3.2 verstrekken Gedeputeerde Staten geen voorschot. Het eerste voorschot wordt verstrekt na de start van de subsidiabele activiteit. Paragraaf2.3Verbeteren van de haveninfrastructuur en -faciliteiten Artikel2.3.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: bedrijf: een privaatrechtelijke rechtspersoon, een vennootschap, een maatschap of een eenmanszaak; kade: een verharde oever waarlangs schepen kunnen afmeren en aanleggen voor het laden en lossen van goederen. Artikel2.3.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: het oplossen van knelpunten op het gebied van ondiepten bij bruggen en sluizen; het aanleggen, uitbreiden of verbeteren van een kade; toelichting: Voor het afwikkelen van vervoersstromen via water is het op orde hebben van voldoende kades van groot belang. Gedeputeerde Staten stellen daarom subsidie beschikbaar voor het aanleggen, uitbreiden of verbeteren van een kade. het verbeteren van de wacht- of ligplaatsfaciliteit ten behoeve van de binnenvaart. Artikel2.3.3Criteria 1.Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is: een Overijsselse gemeente; of een bedrijf met kadefaciliteiten bestemd voor goederenvervoer indien de subsidieaanvraag wordt ingediend voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub b en sub c; de activiteit vindt plaats in Overijssel; de activiteit past binnen de beleidsdoelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie. 2.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub a aan het criterium dat de activiteit is gericht op het verbeteren van de haveninfrastructuur ter bevordering van het gebruik van een rivier of een kanaal voor goederenvervoer, met uitsluiting van de opwaardering van het Twentekanaal of de zijtak daarvan. Toelichting: Opwaardering van het Twentekanaal of de zijtak daarvan is uitgesloten omdat hiervoor reeds subsidie is verstrekt door het Rijk. 3.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.2 sub b aan het criterium dat de activiteit uitsluitend is bedoeld voor openbare voorzieningen. 4.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.2 sub c aan de volgende criteria: de activiteit is uitsluitend bedoeld voor openbare voorzieningen; de activiteit betreft een maatregel die gerealiseerd wordt in of nabij een binnenhaven ten behoeve van wachtende of tijdelijk afgemeerde binnenvaartschepen. 5.Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening. Artikel2.3.4Grondslag subsidie 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 250.000,– per aanvraag. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub b bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 150.000,– per aanvraag. 3.De subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub c bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,– per aanvraag. Artikel2.3.5Subsidiabele kosten Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. Artikel2.3.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.3.7Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de te verstrekken subsidie lager is dan € 25.000,–. Artikel2.3.8Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Verbeteren van de haveninfrastructuur en -faciliteiten. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een offerte waaruit de subsidiabele kosten blijken. Artikel2.3.9Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, artikel 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteit uiterlijk op 31 december 2018 te hebben uitgevoerd. Paragraaf2.4Investeringsimpuls verduurzaming goederenvervoer over water Artikel2.4.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: afmeerlocatie: een kade waarlangs binnenvaartschepen voor langere duur kunnen afmeren; LNG: vloeibaar aardgas, bestemd als brandstof voor binnenvaartschepen; LNG vulpunt: een installatie op een bunkerstation of kade waarmee LNG wordt afgeleverd in de brandstoftanks van vaartuigen; walstroomfaciliteit: een stroomaansluiting aan de wal die binnenvaartschepen voorziet van stroom aan boord en die stroomlevering door generatoren of aggregaten van het schip vervangt zolang het schip afgemeerd ligt. Artikel2.4.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: de aanschaf en aanleg van een walstroomfaciliteit; de aanschaf en aanleg van een LNG vulpunt. Artikel2.4.3Criteria 1.Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is: een Overijsselse gemeente; of een bedrijf met een afmeerlocatie bestemd voor goederenvervoer. de activiteit past binnen de beleidsdoelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie; de activiteit is bestemd voor de scheepvaart in Overijssel; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening. 2.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub a aan de volgende criteria: de walstroomfaciliteit voldoet aan de richtlijn Walstroom Binnenvaart 2009; toelichting: De Richtlijn walstroom binnenvaart 2009 is te vinden op www.walstroom.nl. de walstroomfaciliteit wordt gerealiseerd op een afmeerlocatie; er worden maximaal drie walstroomfaciliteiten per gemeente gesubsidieerd. 3.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub b aan de volgende criteria: het LNG vulpunt wordt gerealiseerd op een kade of in de nabijheid van een kade; het LNG vulpunt is openbaar toegankelijk voor binnenvaartschepen; het LNG vulpunt stoot geen onverbrand methaan uit; er wordt maximaal één LNG vulpunt in de provincie Overijssel gesubsidieerd. Artikel2.4.4Grondslag subsidie 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000,–. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub b bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 450.000,–. Artikel2.4.5Subsidiabele kosten Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. Artikel2.4.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.4.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Investeringsimpuls verduurzaming goederenvervoer over water. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een offerte waaruit de subsidiabele kosten blijken. Artikel2.4.8Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien voor de activiteit al subsidie is verstrekt op basis van paragraaf 8.1 van het Uitvoeringsbesluit subsidies 2011 dan wel paragraaf 3.1 van dit Uitvoeringsbesluit. Artikel2.4.9Verplichtingen subsidieontvanger 1.In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteit uiterlijk op 31 december 2018 te hebben uitgevoerd. 2.Overeenkomstig artikel 1.4.4 is de subsidieontvanger verplicht de walstroomfaciliteit of het LNG vulpunt in stand te houden op de bij de aanvraag vermelde locatie, voor een periode van vijf jaar. 3.In aanvulling op artikel 1.4.4 is de subsidieontvanger verplicht de walstroomfaciliteit of het LNG vulpunt gedurende vijf jaar na realisatie in eigendom te behouden. Paragraaf2.5Waterveiligheid en klimaatbestendigheid IJssel-Vechtdelta Artikel2.5.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: klimaatbestendigheid: het zodanig inrichten van een gebied dat de effecten van klimaatverandering opgevangen kunnen worden; waterveiligheid: het beperken van de kansen op en effecten van overstromingen; IJssel-Vechtdelta: het gebied welke ligt binnen de gemeentegrenzen van de gemeenten Zwolle, Zwartewaterland en Kampen. Artikel2.5.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan waterveiligheid dan wel klimaatbestendigheid van de IJssel-Vechtdelta. Toelichting: Uit de definitie van klimaatbestendigheid en waterveiligheid en de criteria onder artikel 2.5.3 sub c en sub d valt af te leiden dat niet alle activiteiten die bijdragen aan klimaatbestendigheid en waterveiligheid in aanmerking komen voor de subsidie. Bij klimaatbestendigheid gaat het uitsluitend om maatregelen ter voorkoming van wateroverlast, droogte of hittestress. Energiemaatregelen vallen hier dus niet onder. Bij waterveiligheid moet het gaan om het treffen van maatregelen die zich richten op preventie, waterrobuuste inrichting of crisisbeheersing. Artikel2.5.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.2 voldoet aan de volgende criteria: er is sprake van samenwerking met ten minste één andere partij; toelichting: een aanvraag voor subsidie kan door iedereen worden ingediend. Wel moet de aanvrager aantonen dat sprake is van samenwerking. Er is sprake van samenwerking als ten minste één andere partij betrokken is bij de activiteit. Bij samenwerking valt te denken aan samenwerking met burgers, (overheids-)organisaties, ondernemingen en onderwijs etc. De vorm is vrij. Het kan een samenwerking zijn waarbij partijen afspraken met elkaar maken over de uitvoering van de activiteiten. Ook is sprake van samenwerking als er meerdere partijen financieel bijdragen aan de kosten. De aanvrager van de subsidie hoeft niet een samenwerkingsverband te zijn. Eén van de partijen kan als aanvrager de subsidie aanvragen. de activiteit is innovatief in de IJssel-Vechtdelta; toelichting: De aanvrager moet aantonen waarom de activiteit innovatief is. Bij innovatie is vaak sprake van een nieuw(e) product, techniek of proces welke toegepast wordt. Ook een reeds eerder uitgevoerde activiteit welke wel nieuw is in de IJssel-Vechtdelta wordt aangemerkt als innovatief. activiteiten die bijdragen aan waterveiligheid zijn gebaseerd op het principe van meerlaagsveiligheid, dit betekent dat de activiteiten zich richten op preventie, waterrobuuste inrichting of crisisbeheersing; toelichting: In het rapport ‘Leven met water’ staat dat waterveiligheid gebaseerd is op het principe van meerlaagsveiligheid: Preventie; het betreft de preventie van primaire en regionale keringen. De veiligheid wordt bepaald door overstromingskansen gebaseerd op de risicobenadering. Ook het concept van overstroombare dijken past binnen deze laag. Duurzame ruimtelijke inrichting; dit is een ruimtelijke inrichting door bij voorbeeld compartimentering waarbij bestaande hoogten in het landschap worden opgehoogd of verbonden door nieuwe dijken/wallen aan te leggen. Ook het bouwen op terpen of aanleg van waterrobuuste bouwwerken/infrastructuur valt onder deze laag. Ook bij deze tweede laag voor de waterveiligheid wordt de inrichting gebaseerd op overstromingsrisico’s. Crisisbeheersing; crisisbeheersing bestaat uit een flexibele evacuatiestrategie; effectieve risico- en crisiscommunicatie en het voorkomen van grootschalige keteneffecten bij uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur. activiteiten die bijdragen aan klimaatbestendigheid betreffen uitsluitend maatregelen ter voorkoming of beperking van wateroverlast, droogte of hittestress; de activiteiten dragen bij aan de ambities en kaders zoals verwoord in het rapport ‘Leven met water, Strategie waterveiligheid en klimaatbestendigheid in de IJssel-Vechtdelta’; toelichting: In het rapport ‘Leven met water’ staat wat nodig is om een robuuste, waterveilige en klimaatbestendige IJssel-Vechtdelta te krijgen. Dit is verwoord aan de hand van een panorama, een realisatiestrategie en een uitvoeringsprogramma. Bij de realisatie van de opgave en hoofdambitie dienen de acht leidende principes als handvatten. Het gaat om de volgende principes: waterveiligheid en klimaatbestendigheid als basis waardevolle omgeving toekomstvast investeringsperspectief innovatie als motor en uithangbord leefbaar en betrokken vanuit het gebied bestuurlijk robuust volhoudbaarheid door veerkracht gebiedsontwikkeling als instrument de aanvraag is vooraf afgestemd met een provinciale beleidsmedewerker of de programmaleider van het programma IJssel-Vechtdelta; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de de-minimisverordening of de de-minimisverordening landbouw. Artikel2.5.4Grondslag subsidie 1.De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten. 2.De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten indien de activiteit nieuw is in Nederland. Artikel2.5.5Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.5.6Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Waterveiligheid en Klimaatbestendigheid IJssel-Vechtdelta. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een plan van aanpak waarin in ieder geval is opgenomen: een beschrijving van hoe de activiteiten bijdragen aan de ambities en kaders zoals verwoord in het rapport ‘Leven met water, Strategie waterveiligheid en klimaatbestendigheid in de IJssel-Vechtdelta’, uitgewerkt aan de hand van de acht leidende principes als genoemd in dit rapport; een planning, een risicoparagraaf, een resultaatsbeschrijving, een begroting en een financieel plan. Artikel2.5.7Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de te verstrekken subsidie lager is dan € 25.000; de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die wettelijk verplicht zijn; de aanvraag betrekking heeft op waterveiligheid of klimaatbestendigheid welke tot de reguliere taak van de aanvrager of van de deelnemende partijen behoort; de aanvraag betrekking heeft op reguliere taken van bijvoorbeeld een waterschap of een gemeente. Paragraaf2.6Ruimtelijke kwaliteit groene omgeving Algemene toelichting De provincie zet in op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied. Ruimtelijke ontwikkelingen zoals nieuwe functies en voorzieningen moeten daar aan bijdragen. Om dit samen met gemeenten te stimuleren is de werkwijze Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving ontwikkeld. Deze is inmiddels breed in gebruik. Belangrijke drager is deelname vanuit de samenleving. Gedeputeerde Staten willen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de investeringen in ruimtelijke kwaliteit versterken met inbreng van ideeën van omwonenden en daarmee belangen bij elkaar brengen. Daarnaast willen Gedeputeerde Staten bij nieuwe functies en voorzieningen gebiedsgerichte ontwikkelingen met ruimtelijke kwaliteit stimuleren die een voorbeeld kunnen zijn voor andere gebieden. Met deze subsidieregeling worden beide aspecten gestimuleerd. Met als resultaat voor een groter gebied een groter effect op de ruimtelijke kwaliteit, die beter aansluit bij wensen uit de samenleving. Artikel2.6.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: fysieke maatregelen: maatregelen die zichtbaar en tastbaar zijn in de groene omgeving; landelijk gebied: het grondgebied buiten het bestaande bebouwde gebied van steden en dorpen; ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. uitvoeringsplan: een beschrijving van de werkwijze en de maatregelen om tot uitvoering van een opgave te komen. Artikel2.6.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: participatie van een georganiseerde groep Overijsselse inwoners of omwonenden aan ruimtelijke ontwikkelingen met als doel verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied; stimuleren van gebiedsgerichte ontwikkelingen met als doel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied van Overijssel die een voorbeeld kunnen zijn voor andere gebieden; realisatie van de fysieke maatregelen, die voortvloeien uit het onder sub a of b genoemde proces of aanpak. Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor zowel planvormingsactiviteiten (lid a en b) als voor fysieke maatregelen (lid c) die zichtbaar en tastbaar zijn in de groene omgeving. Dit betekent dat de kosten die gemaakt worden ten behoeve van deze fysieke maatregel subsidiabel zijn. Artikel2.6.3Criteria 1.Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub a voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon in de vorm van een stichting, vereniging of coöperatie van inwoners of omwonenden in Overijssel; toelichting: particulieren kunnen geen aanvraag indienen. de participatie is gericht op versterking van draagvlak en betrokkenheid bij concrete ruimtelijke initiatieven of concrete lokale ruimtelijke ontwikkelingen. 2.Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub b voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente; de aanvraag heeft betrekking op een concreet ruimtelijk plan, een procesaanpak of manier van werken die leidt tot verbinden van belangen; het ruimtelijk plan, de procesaanpak of de manier van werken, als bedoeld onder sub b, levert aantoonbare meerwaarde op voor de ruimtelijke kwaliteit in het projectgebied zelf en is een voorbeeld voor andere landelijke gebieden in Overijssel.
  15. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon in de vorm van een stichting, vereniging of coöperatie van inwoners of omwonenden in Overijssel; of een Overijsselse gemeente; de uitvoering van de maatregel geschiedt op basis van het uitvoeringsplan, waar de locatie onderdeel van uitmaakt; de activiteiten dragen bij aan de versterking van ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied van Overijssel; de activiteit draagt bij aan provinciale belangen van ruimtelijke kwaliteit zoals opgenomen in de catalogus gebiedskenmerken/omgevingsvisie. Toelichting: catalogus is te vinden op www.overijssel.tercera-ro.nl via link https://overijssel.tercera-ro.nl/SiteData/9923/Publiek/BV00019/b_NL.IMRO.9923.VerordeningOv01-va01_12208.pdf 4.De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 is vooraf afgestemd met de provinciale beleidsmedewerker ruimtelijke ontwikkeling. Artikel2.6.4Grondslag subsidie 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,– per aanvrager. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub b bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,– per aanvrager.
  16. De subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.000,- per aanvrager. Artikel2.6.5Subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.1.6 eerste lid zijn de vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers wel subsidiabel tegen een maximum uurtarief van € 15,- per uur. Artikel2.6.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.6.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  17. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Ruimtelijke kwaliteit groene omgeving.
  18. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c een uitvoeringsplan. Het uitvoeringsplan bevat in ieder geval de volgende onderdelen: een beschrijving van de opgave: de aanleiding en probleemstelling; een beknopte beschrijving van de locatie en de situatie; een beschrijving van de bijdrage van de fysieke maatregelen aan de ruimtelijke kwaliteit van de groene omgeving; een beschrijving van alle voorgestelde maatregelen, ook die waarvoor geen subsidie wordt aangevraagd; een beschrijving van het resultaat; een beschrijving van het draagvlak en participatie door derden; een begroting van de kosten en financiering van de afzonderlijke maatregelen met daarbij het dekkingsvoorstel per maatregel; de verwachte planning van de uitvoering. Artikel2.6.8Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de aanvraag betrekking heeft op reguliere activiteiten of de bedrijfsvoering van de aanvrager; de aanvraag betrekking heeft op ruimtelijke projecten van overheden; toelichting: een aanvraag wordt geweigerd indien de aanvraag betrekking heeft op bijvoorbeeld aanpassing van wegen of uitbreiding van bedrijventerreinen; de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub a lager is dan € 2.500,–; de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub b lager is dan € 5.000,–; de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c lager is dan € 25.000,-; aan de aanvrager al drie subsidies zijn verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf; de gemeente uitsluitend een aanvraag indient voor de subsidie als bedoeld 2.6.2 sub c. Artikel2.6.9Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht binnen twaalf maanden na datum van de subsidieverlening te starten met de uitvoering van de activiteit en deze binnen drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben uitgevoerd. Artikel2.6.10Bevoorschotting Indien sprake is van een subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub c verstrekken Gedeputeerde Staten, in afwijking van artikel 1.3.2 geen voorschot. Het eerste voorschot wordt verstrekt na de start van de uitvoering van de fysieke maatregelen. Paragraaf2.7Huisvesting statushouders Algemene toelichting De huisvestingstaakstelling legt een grote druk op de sociale huurwoningmarkt. Mede vanwege de schommelingen in de huisvestingstaakstelling en de toekomstige regionale woningbehoefte is het voor gemeenten lastig om hier steeds opnieuw op in te spelen. Gedeputeerde Staten willen gemeenten ondersteunen met het realiseren van tijdelijke en flexibele woonvormen voor statushouders. Dit met als doel om bij te dragen aan passende woonvormen voor statushouders. Artikel2.7.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: huurprijs: huurprijs als bedoeld in artikel 237, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; nieuwbouw: vervallen; onzelfstandige woonvoorziening: vervallen; statushouder: vreemdeling van 18 jaar of ouder die in Nederland een ‘verblijfsvergunning asiel’ voor bepaalde tijd heeft aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onder a, b, c of d, van de Vreemdelingenwet 2000; transformatie: vervallen; tijdelijke woonvoorziening: vervallen; verbouw: bestaand vastgoed met de functie wonen dat wordt verbouwd om minimaal 2 nieuwe zelfstandige woningen te creëren; zelfstandige woonvoorziening: vervallen. Artikel 2.7.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het beschikbaar stellen van tijdelijke woningen voor statushouders voor een periode van minimaal één jaar. Toelichting: De subsidie wordt verleend voor het beschikbaar stellen van tijdelijke woningen voor statushouders. De subsidie wordt conform artikel 2.7.4 berekend per slaapkamer die beschikbaar gesteld wordt. De gemeente moet verantwoorden dat gedurende een periode van minimaal één jaar woningen beschikbaar gesteld zijn voor statushouders. Het is niet noodzakelijk dat de gesubsidieerde woningen alleen maar voor statushouders zijn. Het is mogelijk dat de gemeente woningen realiseert die de doorstroming op de woningmarkt stimuleren waardoor aantoonbaar elders locaties vrijkomen voor statushouders. Artikel2.7.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente; de aanvrager heeft concrete afspraken gemaakt met de uitvoerende partij over het beschikbaar stellen van woningen voor statushouders over een periode van minimaal 1 jaar, vastgelegd in een intentieverklaring; de activiteiten zijn gestart na 1 mei 2016; de aanvraag past binnen de kaders van het Statenvoorstel (PS/2016/1008) en de huisvestingstaakstelling van de aanvrager; de aan de statushouder gevraagde maximale huurprijs per woning bedraagt niet meer dan de actuele aftoppingsgrens. De maximale huurprijs geldt niet voor huishoudens of gezinnen die bestaan uit zes of meer personen; Toelichting: De aftoppingsgrens is een begrip uit de huurtoeslag. Als je huurprijs hoger is dan deze grens wordt de huurtoeslag verlaagd. de aanvraag is, voordat deze wordt ingediend, afgestemd met de provinciale beleidsmedewerker van Ruimte en bereikbaarheid. Artikel2.7.4Grondslag subsidie De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld tarief van € 5.000,- per slaapkamer. De totale subsidie per aanvraag bedraagt maximaal € 250.000,- per aanvraag. Toelichting : Een slaapkamer is een kamer waarin men hoofdzakelijk slaapt. De subsidie wordt berekend op basis van het aantal slaapkamers. De subsidie van € 5.000,- is bedoeld voor het realiseren van woonvoorzieningen voor statushouders. In dit bedrag is inbegrepen de kosten voor basisvoorzieningen zoals een keuken of sanitair en andere kosten die nodig zijn voor het realiseren van een op basis waarvan de subsidie wordt berekend. Artikel2.7.5Subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.1.5 betreft de subsidie een forfaitair bedrag. Artikel2.7.6Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Huisvesting statushouders. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een intentieverklaring als bedoeld in artikel 2.7.3 sub b. 3.In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid, onder c en d, hoeft de aanvrager geen begroting of dekkingsplan in te dienen. Artikel2.7.7Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.7.8Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht: de activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.2 uiterlijk 12 maanden na de datum van verlening van subsidie te hebben uitgevoerd; de statushouders ten minste een jaar te huisvesten. Artikel2.7.9Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien aan de aanvrager driemaal subsidie is verstrekt op grond van deze subsidieparagraaf. Paragraaf 2.8 Vitaliteit van binnensteden (stadsarrangementen) Algemene toelichting Gemeenten en de provincie selecteren gezamenlijk projecten die bijdragen aan het vitaler maken van de binnensteden. Een overzicht van die projecten wordt een stadsarrangement genoemd. Het kan gaan om projecten op het gebied van visievorming, uitwerking van concepten, maar ook om fysieke maatregelen om de binnenstad te veranderen. Artikel 2.8.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: stadsarrangement: een door de provincie en gemeente opgesteld overzicht van activiteiten die bijdragen aan de vitaliteit, leefbaarheid en kwaliteit van de binnenstad van de betreffende gemeente. In het stadsarrangement is opgenomen wat de maximale provinciale bijdrage is, wie de subsidieaanvrager is en waar het project uitgevoerd wordt. Artikel 2.8.2 Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie verlenen voor activiteiten die de vitaliteit, leefbaarheid en kwaliteit van de binnenstad vergroten. Artikel 2.8.3 Criteria Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente of een andere organisatie die genoemd is in het stadsarrangement als de subsidieaanvrager; de activiteit is opgenomen in het stadsarrangement van de betreffende gemeente; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107, lid 1 van het VWEU, dan moet voldaan worden aan de de-minimisverordening; een aanvraag wordt voordat deze wordt ingediend afgestemd met een provinciale beleidsmedewerker Stadsbeweging. Artikel2.8.4Grondslag subsidie De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld tarief zoals opgenomen in het stadsarrangement van de betreffende gemeente. Artikel2.8.4aSubsidiabele kosten Artikel 1.1.5 en artikel 1.1.6 zijn niet van toepassing. Toelichting: De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld tarief welke bij het opstellen van het betreffende stadsarrangement is vastgesteld (lumpsum bedrag). Artikel 2.8.5 Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast. Artikel2.8.6 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  19. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Vitaliteit van binnensteden (stadsarrangementen).
  20. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager het door de provincie en gemeente opgestelde stadsarrangement.
  21. In afwijking van artikel 1.2.1 tweede sub c hoeft de aanvrager geen begroting en dekkingsplan te overleggen bij de aanvraag voor subsidie. Artikel 2.8.7 Verplichtingen subsidieontvanger De subsidieontvanger is, in aanvulling op artikel 1.4.1 en artikel 1.4.2 verplicht: de activiteiten binnen drie jaar na subsidieverlening te hebben uitgevoerd; de ervaringen en kennis die opgedaan is te delen met partijen die er om vragen. Artikel 2.8.8 Weigeringsgrond In aanvulling op artikel 1.3.1 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de aanvraag betrekking heeft op reguliere activiteiten of de bedrijfsvoering van de gemeente. Hoofdstuk3Milieu en Energie Paragraaf3.1Hernieuwbare energie en energiebesparing ToelichtingHet doel van deze subsidieregeling is het ondersteunen en versnellen van investeringen in technische voorzieningen gericht op energiebesparing, en de opwekking van hernieuwbare energie. Ondernemers, overheden en andere organisaties kunnen in aanmerking komen voor de subsidie. Woningen komen niet in aanmerking voor de subsidie. De subsidieregeling is een tenderregeling. Dit betekent dat de provincie het beschikbare subsidiebudget verdeelt op basis van een behaalde score en voor zover het subsidieplafond het toelaat. Het totale vermeden primaire energieverbruik is het belangrijkste beoordelingscriterium op basis waarvan de score wordt bepaald. De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 200.000,– per aanvraag, met uitzondering van zonne-energie. Voor zonne-energie geldt dat de subsidie maximaal 15% van de subsidiabele kosten bedraagt, met een maximum van € 100.000,- voor zonne-energie en een maximum van € 200.000,- voor de gehele aanvraag. Artikel3.1.1Begripsbepalingen biobrandstof: verzamelnaam voor brandstoffen die zijn gemaakt uit biomassa. Er zijn verschillende soorten. Bijvoorbeeld biodiesel, bio-ethanol, biogas of bio-butanol. biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval, conform Richtlijn2009/28/EG. De biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria voor biomassa ten behoeve van energiedoeleinden, zoals bedoeld in NTA 8080-1: 2015.nl en NTA 8080-2: 2015.nl. bodemenergie: technische voorziening waarmee, zonder per saldo grondwater te onttrekken, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van een bijbehorende warmtepomp, circulatiepomp en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig. energiebesparing: reductie van het energieverbruik in een nieuwe situatie vergeleken met de situatie waarin een referentietechnologie wordt toegepast; energielijst: energie- en milieulijst van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met bedrijfsmiddelen die voor de fiscale EnergieInvesteringsaftrek regeling (EIA) in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar geactualiseerd. De energielijst is te vinden op de website http://www.rvo.nl/. EPC: De Regeling Bouwbesluit 2012 stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat die hierin wordt gebruikt voor energiezuinigheid is de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De bepaling van de EPC ligt vast in de norm NEN 7120 Energieprestatie van Gebouwen (EPG). (Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 december 2011, nr. 2011-2000589667, tot vaststelling van nadere voorschriften voor bouwwerken). hernieuwbare energie: energie uit zonne-energie, windenergie, waterenergie, bodemenergie en energie uit biomassa. primaire energie: de fossiele energie zoals gas, olie of kolen die nodig is aan de bron om het uiteindelijke energiegebruik te dekken. De omrekenfactor voor primair energiegebruik van elektriciteit is gebaseerd op het meest recente cijfer uit CBS publicatie

(2015)conform referentieparkmethode Toelichting: Dit betekent dat bijvoorbeeld voor een gebruik van 1 kWh elektriciteit aan de bron in een conventionele elektriciteitscentrale 2,42 kWh energie nodig is. Er gaat immers energie verloren tijdens de omzetting naar elektriciteit, tijdens transport, etc. Regeling Bouwbesluit 2012: Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 december 2011, nr. 2011-2000589667, tot vaststelling van nadere voorschriften voor bouwwerken; technische voorziening: bedrijfsmiddelen zoals genoemd in de energielijst of bedrijfsmiddelen ten behoeve van hernieuwbare energie; totale vermeden primaire energieverbruik: het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar door energiebesparing + het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar door hernieuwbare energie– het eigen primaire energieverbruik van de aanvullende technische voorzieningen over een periode van 15 jaar; waterenergie: technische voorziening waarbij de kracht van stromend en vallend water benut wordt voor het opwekken van elektriciteit. De as van de turbine is verbonden met een generator waarmee energie wordt opgewekt. windenergie: technische voorziening waarmee elektriciteit wordt opgewekt uit de stroming van lucht met behulp van een windturbine. zonne-energie: technische voorziening waarmee elektriciteit- of warmteopwekking plaatsvindt door middel van photo-voltaïsche (PV) panelen, zonneboilers en PV-panelen met een zonnecollector (PVT) met inbegrip van omvormers. Artikel3.1.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor investeringen in: technische voorzieningen voor energiebesparing in of bij gebouwen, zoals opgenomen in de energielijst onder categorie A; technische voorzieningen voor energiebesparing in bestaande of nieuwe bedrijfsprocessen zoals opgenomen in de energielijst onder categorie B; hernieuwbare energie. Artikel3.1.3Criteria
  1. Een aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap; er is sprake van energiebesparing of hernieuwbare energie in Overijssel; alleen investeringen in technische voorzieningen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of meer komen in aanmerking voor de subsidie; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet: de subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a en b aan artikel 38 van de AGVV; de subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub c aan artikel 41 van de AGVV.
  2. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a aan de volgende criteria: met de technische voorzieningen bij nieuwbouw van utiliteitsgebouwen waarbij een EPC-eis geldt, wordt tenminste een 25% lagere EPC bereikt dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag of wordt er, indien er geen EPC-eis geldt, een reductie van tenminste 25% gehaald ten opzichte van wat gangbaar is; Toelichting: De EPC-eisen zijn te vinden op de website http://www.rvo.nl/. met de technische voorzieningen bij bestaande utiliteitsgebouwen wordt tenminste een energieprestatie van label A++ bereikt of wordt een energielabel bereikt dat minimaal 4 stappen beter is dan dat het was of wordt minimaal de energieprestatie-eis uit de Regeling Bouwbesluit 2012 voor nieuwbouw bereikt.
  3. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub c aan de volgende criteria: windenergie komt alleen in aanmerking voor de subsidie als sprake is van installaties die bedoeld zijn voor kleinschalige opwekking, met een maximale hoogte van 25 meter en een maximaal vermogen van 50 kilowattpiek; zonne-energie komt alleen in aanmerking voor de subsidie als het wordt gecombineerd met investeringen zoals bedoeld in artikel 3.1.2 sub a, sub b of bodemenergie, windenergie, waterenergie of energie uit biomassa; energie uit biomassa komt alleen in aanmerking voor subsidie als er geen sprake is van biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt; indien sprake is van waterenergie dan voldoet die aan Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement. Artikel3.1.4Grondslag subsidie De subsidie bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 200.000,– per aanvraag, met uitzondering van zonne-energie. Voor zonne-energie geldt dat de subsidie maximaal 15% van de subsidiabele kosten bedraagt, met een maximum van € 100.000,- voor zonne-energie en een maximum van € 200.000,- voor de gehele aanvraag. Toelichting Indien de te verlenen subsidie staatssteun oplevert dan mag de totale overheidssteun voor dezelfde activiteit niet meer bedragen dan 30% van de subsidiabele kosten. Wanneer voor dezelfde activiteit al steun is verleend dan kan dit betekenen dat onder toepassing van artikel 8 van de AGVV afgeweken wordt van de in dit artikel genoemde maximum percentage. Artikel3.1.5Subsidiabele kosten Uitsluitend de volgende kosten zijn subsidiabel: aanschafkosten van de technische voorzieningen overeenkomstig artikel 1.1.5 derde lid; loonkosten ten behoeve van de installatie van de technische voorziening overeenkomstig artikel 1.1.5 derde lid of eerste lid sub b; Toelichting: Indien sprake is van eigen loonkosten van de aanvrager ten behoeve van de installatie van de technische voorziening dan zijn deze overeenkomstig artikel 1.1.5 eerste lid sub b, subsidiabel voor een vast tarief van € 35,- per uur. Voor loonkosten van derden geldt artikel 1.1.5 derde lid. Artikel3.1.6Niet subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel: advieskosten; andere voorbereidingskosten dan kosten voor de installatiewerkzaamheden; kosten projectmanagement- of projectbegeleiding; kosten voor gronden; onderhoudskosten; exploitatiekosten. Artikel3.1.7Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: sprake is van woningen; sprake is van wettelijk vereiste technische voorzieningen, waaronder technische voorzieningen die op grond van de Regeling Bouwbesluit 2012 voor nieuwbouw verplicht zijn; sprake is van aanschaf van voertuigen voor het vervoer over de weg, vaartuigen voor de binnenvaart of railgebonden voertuigen; voor zonne-energie al subsidie is aangevraagd of verstrekt door een ander bestuursorgaan; Toelichting: Dit betekent dat de aanschafkosten en loonkosten ten behoeve van de installatie voor zonne-energie niet subsidiabel zijn. Voorbeeld is de SDE+. subsidie wordt aangevraagd voor LED-verlichting of een HR-ketel. Artikel3.1.8Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening
  4. In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie kan worden ingediend: vanaf 15 februari en ontvangen uiterlijk op 1 april vóór 17.00 uur; vanaf 1 augustus en ontvangen uiterlijk op 15 september vóór 17.00 uur.
  5. Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Toelichting: Doordat het een tenderregeling is, is het voor de gelijktijdige beoordeling nodig dat alle stukken voor de sluiting van de aanvraagtermijn ingediend zijn. Na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden die niet inhoudelijk van aard zijn, zoals een handtekening of een bankrekeningnummer. Artikel3.1.9Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening
  6. De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier ‘Hernieuwbare energie en energiebesparing’
  7. In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie een projectplan waarin is beschreven: een omschrijving van de investering; indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a of b een onderbouwing van de energiebesparing van de investering over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of m3; indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.2 sub c een onderbouwing van de hernieuwbare energie van de investering opgewekt over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of m3; onderbouwing van het eigen energieverbruik van de investering over een periode van 15 jaar in GigaJoule, kWh of Nm3, of aangeven dat geen sprake is van eigen energieverbruik van de investering; onderbouwde terugverdientijd van de investering; vervallen vervallen een ingevulde door de provincie beschikbaar gestelde rekentool “Berekening vermeden primaire energie”, waaruit het vermeden primaire energieverbruik over een periode van 15 jaar in Gigajoule, Kwh of Nm3 blijkt; Toelichting: De rekentool is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. een ingevuld door de provincie beschikbaar gestelde format begroting en dekkingsplan Hernieuwbare energie en energiebesparing, waaruit duidelijk blijkt: de aanschafbedragen van de technische voorzieningen inclusief de kosten van de installatie van de technische voorziening; indien van toepassing, de loonkosten aanvrager ten behoeve van de installatie van de technische voorziening; offerte of offertes waaruit de aanschaf- en installatiekosten blijken, of een door een onafhankelijke derde opgestelde kostenraming; indien aanwezig een kopie van de noodzakelijke vergunningen; indien sprake is van technische voorzieningen als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a: bij nieuwbouw: EPC-waarde zoals wettelijk vereist volgens Regeling Bouwbesluit 2012 en een EPC berekening inclusief aanvullende technische voorzieningen die inzichtelijk maakt hoe de aanvullende technische voorzieningen bijdragen aan de verbetering van de EPC of, indien geen EPC-eis geldt, een energiebalans berekening uitgedrukt in MJ/m2; bij bestaande bouw: energielabel van de oude situatie en de nieuwe situatie die inzichtelijk maakt hoe de aanvullende technische voorzieningen bijdragen aan de verbetering van het energielabel of een berekening waaruit blijkt dat in de nieuwe situatie wordt voldaan aan de energieprestatie-eis uit de Regeling Bouwbesluit
  8. Artikel3.1.10Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel3.1.11Volgorde van behandeling
  9. In afwijking van artikel 1.1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 3.1.3 gestelde criteria, in een volgorde op basis van behaalde score. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van behaalde score, voor zover het subsidieplafond dit toelaat. De score wordt bepaald op basis van de in Scoretabel 1 genoemde wegingscriteria.
  10. Bij een gelijke score bepaalt het totale vermeden primaire energieverbruik de volgorde. Scoretabel 1 WEGINGSCRITERIA TE BEHALEN PUNTEN WEGINGS-FACTOR SCORE a. totale vermeden primaire energieverbruik (in GigaJoule) 100.000 of hoger=10 40.000 tot 100.000= 8 20.000 tot 40.000= 6 10.000 tot 20.000=4 1.000 tot 10.000= 2 0 tot 1.000= 0 30% Punten x 0,3= score a b. totale vermeden primaire energieverbruik gedeeld door het aangevraagd subsidiebedrag (in GigaJoule/€) 1,6 of hoger = 10 0,8 tot 1,6= 8 0,4 tot 0,8= 6 0,2 tot 0,4= 4 0,1 tot 0,2= 2 0 tot 0,1= 0 30% Punten x 0,3= score b c. mate van slaagkans van de investering(afhankelijk van de kwaliteit van het projectplan, de technische, financiële en juridische haalbaarheid en de mate waarin de activiteiten startgereed en/of obstakelvrij zijn) goed = 10 voldoende = 6 matig= 1 20% Punten x 0,2= score c d. praktische navolging van de investering(afhankelijk van de mate waarin de kennis en expertise actief wordt gedeeld, voorbeeldwerking en herhaalpotentieel van de activiteit) goed = 10 voldoende = 6 matig= 1 10% Punten x 0,1= score d e. Mate van combinatie van de verschillende subsidiabele activiteiten zoals genoemd in artikel 3.1.2 3 subsidiabele activiteiten = 10 2 subsidiabel activiteiten= 5 1 subsidiabele activiteit = 0 10% Punten x 0,1= score e Totaalscore =Score a+score b+score c+score d+ score e Artikel3.1.12Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de technische voorziening te hebben aangeschaft en geïnstalleerd en in gebruik te hebben genomen uiterlijk drie jaar na datum van subsidieverlening. Artikel 3.1.13 Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidievaststelling In aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling (dus na afloop) tevens een ingevuld factsheet Subsidieregeling Hernieuwbare energie en energiebesparing. Toelichting: Het factsheet is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. Paragraaf3.2Haalbaarheidsstudies nieuwe energie en energiescans Artikel3.2.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het protocol Monitoring energiebesparing 2001; toelichting: Het protocol Monitoring energiebesparing 2001 is de vinden op de website http://www.ecn.nl/ (publicatienummer: ECN-C-01-129). energieopwekking: duurzame energie opwekkingsvoorzieningen die het geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van energie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie; toelichting: Het protocol Monitoring Hernieuwbare Energie 2010 is te vinden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, www.rvo.nl. energiescan: een energieonderzoek dat inzicht geeft in het energieverbruik van een onderneming; toelichting: Informatie over de energiescan is te vinden op http://www.energiescanoverijssel.nl/.] haalbaarheidsstudie: een studie naar de toepassing van innovatieve technieken gericht op één of meerdere energiebesparende maatregelen of duurzame energie opwekkingsvoorzieningen waarvan het onduidelijk is, of deze toepassing technisch inpasbaar of economisch rendabel is. De studie richt zich zowel op bouwkundige, technische, logistieke en organisatorische aspecten als het industriële verbruik; brancheorganisatie: een vereniging of stichting van ondernemers met eenzelfde soort bedrijf, die zich verenigd hebben om collectieve belangen of deelbelangen van groepen leden of individuele belangen van leden te behartigen. Artikel3.2.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: een haalbaarheidsstudie energieopwekking of energiebesparing; een stimuleringsproject energiescans. Artikel3.2.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 onder sub a voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap of een eenmanszaak, niet zijnde een holding of een moedermaatschappij van een concern; een haalbaarheidsstudie heeft betrekking op één van de volgende investeringen: energieopwekking uit hernieuwbare energiebronnen te weten bio-energie, geothermie, zonne-energie of waterenergie; energiebesparing door de distributie van restwarmte rechtstreeks naar de eindgebruiker. energiebesparing door bouwkundige, technische, logistieke of organisatorische aspecten. de haalbaarheidsstudie is ten behoeve van inwoners of ondernemingen die gevestigd zijn in Overijssel; uit het dekkingplan blijkt dat ten minste 10% van de subsidiabel kosten gedekt is met eigen geld of bijdrage van de aanvrager zelf, niet zijnde subsidie van het Rijk, gemeente of waterschap; de aanvrager heeft een aantoonbaar belang bij de uitkomsten van de haalbaarheidsstudie. Dat belang kan zijn dat: de aanvrager op basis van de haalbaarheidsstudie de investeringsbeslissing neemt; of dat de aanvrager eigenaar of mede-eigenaar is van het innovatieve concept dat wordt uitgewerkt; een haalbaarheidsstudie naar energiebesparende maatregelen bij bedrijven is aantoonbaar uitgebreider dan het standaard energieonderzoek dat voor MKB-bedrijven beschikbaar is; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening. Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 onder sub b voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente of een brancheorganisatie; het project is gericht op het stimuleren van MKB-ondernemingen in Overijssel om energiebesparende maatregelen te realiseren; Artikel3.2.4.Grondslag subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000,– per aanvraag. Artikel3.2.5.Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Haalbaarheidsstudies energie en energiescans. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie de potentiële hoeveelheid energie die wordt opgewekt of bespaard in joules. Artikel3.2.6.Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel3.2.7.Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien subsidie wordt gevraagd voor: wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen; een haalbaarheidsstudie die betrekking heeft op bewezen en rendabele technieken; toelichting: Voorbeelden van bewezen en rendabele technieken zijn warmte- en koude-opslag, warmteterugwinning, houtpelletkachels, lagetemperatuurverwarming, warmtepompen en zonnepanelen. een haalbaarheidsstudie naar energiebesparende maatregelen in de woningbouw die leiden tot verbetering van minder dan 50 woningen; een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen voor nieuwbouw van utiliteitsgebouwen en van woningen met minder dan een 25% lagere EPC dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag; een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen in nieuwbouw van kantoren, woningen en scholen met een energiewaarde lager dan 8 in de GPR-score; een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen voor bestaande gebouwen die daarmee een energieprestatie bereiken lager dan label A of label B en minder dan 3 labelstappen vooruitgaan; een haalbaarheidsstudie naar energiebesparing of -projecten in huishoudens; In aanvulling op het eerste lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de aanvrager een ingenieurs- of adviesbureau betreft, tenzij het bureau de haalbaarheidsstudie uitvoert ter voorbereiding op een eigen investering in energiebesparing of energieopwekking; aan de aanvrager op basis van deze subsidieparagraaf voor de activiteit in het betreffende kalenderjaar in totaal al twee keer of meer een subsidie is verstrekt. Artikel3.2.8Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht: de subsidiabele activiteit binnen een 1 jaar na subsidieverlening te hebben uitgevoerd; de haalbaarheidsstudie beschikbaar te stellen aan iedereen die er belangstelling voor heeft. toelichting: Indien de haalbaarheidsstudie bedrijfsgevoelige informatie bevat, wordt deze ook beschikbaar gesteld, waarbij de bedrijfsgevoelige informatie geanonimiseerd mag worden. Paragraaf3.3Energiebesparende maatregelen (geld terug actie) Toelichting: Het programma Nieuwe Energie is gericht op duurzame energie en energiebesparing met als doel het fossiele energiegebruik te verminderen. Met deze subsidieregeling wordt uitvoering gegeven aan het deelprogramma ‘Energiebesparing bij bedrijven en -terreinen'. Ondernemingen die een energieonderzoek hebben laten uitvoeren, kunnen een subsidieaanvraag indienen voor het uitvoeren van de maatregelen die voorgesteld worden in het energieonderzoek. Artikel3.3.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: energiebesparende maatregelen: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals deze naar voren komen in het energieonderzoek en gedefinieerd is in het protocol Monitoring energiebesparing. De energiebesparende maatregelen zijn gebaseerd op de erkende maatregelen voor energiebesparing en de aanvullingen daarop van Infomil; toelichting: Zonnepanelen worden aangemerkt als energieopwekking en komen daarom niet in aanmerking voor subsidie. energieonderzoek: een onderzoek naar energiebesparingsmogelijkheden in gebouwen en industriële processen. Het onderzoek richt zich zowel op bouwkundige, technische en organisatorische aspecten, cultuurhistorische waarden als het industriële gebruik; toelichting: Een eenvoudige energiescan, zoals de digitale NZOscan, geeft niet alle mogelijke maatregelen weer. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar een energieonderzoek door een energieadviseur. EPA-U: een Energie Prestatie Advies voor bestaande utiliteitsgebouwen MKB-Nederland: brancheorganisatie voor het midden- en kleinbedrijf. Artikel3.3.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: energiemaatregelen die genoemd zijn in het energieonderzoek; een energieonderzoek. Artikel3.3.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap; het energieonderzoek dient te zijn uitgevoerd na 1 januari 2013; het energieonderzoek is uitgevoerd: door een gecertificeerd energie-adviseur met aantoonbare ervaring in het Mkb; Toelichting: De ervaring van de energie-adviseur kan aangetoond worden door verwijzing naar referentieprojecten. Voorbeelden van certificatie zijn EPA, EPA-U of ander certificaat. Voorbeeld van een certificerende instantie is FeDec. door een branchespecialist; of in opdracht van of met subsidie van de provincie Overijssel of een Overijsselse gemeente. de energiebesparende maatregelen hebben betrekking op het pand en de installaties daarbinnen waarvoor het energieonderzoek is uitgevoerd; [vervallen.] [vervallen.] het vestigingsadres van het pand waarvoor de energiebesparende maatregelen worden toegepast is in Overijssel; de energiebesparende maatregelen zijn gerealiseerd in de periode van maximaal zes maanden voorafgaand aan de subsidieaanvraag; de minimale investering in een gerealiseerde energiebesparende maatregel per aanvraag bedraagt € 4.
  11. Bij een gezamenlijke aanvraag kan één van de Mkb-ondernemingen of een onafhankelijke energieadviseur, als aanvrager aangewezen worden. Deze aanvrager is de subsidieontvanger en draagt zorg voor de verdeling van de subsidie. toelichting: Gedeputeerde Staten willen het mogelijk maken dat partijen een gezamenlijke aanvraag kunnen indienen. De totale investering per aanvraag moet dan € 4.000 of meer bedragen. indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening. Artikel3.3.4Grondslag subsidie De subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 sub a bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500 per aanvraag, waarbij de subsidie voor advieskosten maximaal 5% van het totale investeringsbedrag bedraagt. Toelichting: Overeenkomstig artikel 3.3.8 lid 1 sub c kan een aanvrager maximaal 1 keer subsidie per vestigingsadres ontvangen. De subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 sub b bedraagt € 200,– indien de energiekosten minder dan € 10.000,- per jaar bedragen; € 400,– indien de energiekosten tussen de € 10.000,- en de € 30.000,- per jaar bedragen. Artikel3.3.5Subsidiabele kosten Uitsluitend kosten van derden als bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn de kosten van activiteiten die uitgevoerd zijn voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen, wel subsidiabel mits deze activiteiten uitgevoerd zijn tot maximaal zes maanden voorafgaand aan de subsidieaanvraag. Artikel3.3.6Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Energiebesparende maatregelen. In afwijking van artikel 1.2.
  12. tweede lid sub c overlegt de aanvrager bij de aanvraag de volgende stukken: het energieonderzoek waarin minimaal is beschreven: het huidige energiegebruik; de energiebalans waarin minimaal 90% van het energiegebruik is toebedeeld aan de energiegebruikers; omschrijving van de energiemaatregelen, inclusief de verwachte investering en de verwachte energiereductie; en een plan van aanpak voor de uitvoering; de quick wins; kopieën van alle facturen en betaalbewijzen van de gemaakte en betaalde kosten. Artikel3.3.7Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel3.3.8Weigeringsgrond
  13. In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: subsidie wordt aangevraagd voor uitsluitend een energieonderzoek; het energieonderzoek is uitgevoerd na realisatie van de energiebesparende maatregelen; aan de aanvrager voor het vestigingsadres al subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf; de aanvrager een vereniging van eigenaars (VvE) betreft.
  14. In aanvulling op de eerste lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie voor een energieonderzoek als bedoeld in artikel 3.3.2 sub b indien: het onderzoek voor 3 juli 2014 is uitgevoerd; het energieonderzoek een energieonderzoek ten behoeve van een sportvereniging is; energiekosten van de aanvrager meer dan € 30.000 per jaar bedragen. Paragraaf3.4Logistieke biomassaprojecten Artikel3.4.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval (conform Richtlijn2009/28/EG); logistiek biomassaproject: een project voor het realiseren van een nieuwe biomassaketen met de activiteiten organiseren, plannen, besturen en uitvoeren van de goederenstroom biomassa. Onderdelen van een logistiek project zijn stappen als inzameling van biomassa, voorbewerking, tussenopslag, transport, bewerking van biomassa (transitie) en distributie van warmte, elektriciteit of biobrandstoffen naar de eindafnemer. Doel van deze projecten is om tegen optimale kosten en kapitaalgebruik de biomassawaardeketen te sluiten en nieuwe energie uit biomassa te produceren; toelichting: Van oudsher zijn er twee omvangrijke afzetmarkten voor biomassa: de voedselmarkt en de bestaande markt voor onder meer hout, olie, vezels, veevoer en compost. Hier komt een groeiende waardeketen bij, namelijk voor het gebruik van biomassa als groene materialen, als groene grondstof voor specifieke toepassingen in de chemie, als transportbrandstof en voor opwekking van duurzame energie. Biomassa inzetten voor duurzame energie is economisch gezien de meest laagwaardige toepassing, maar vanuit het oogpunt van benutting van de energie-inhoud is energieopwekking thans de meest toegepaste verwerking van biomassa. Voor energieopwekking zijn de meeste productiehoeveelheden biomassa beschikbaar.De biomassaketen is een productketen en bestaat uit een aantal schakels die optimaal op elkaar afgestemd moeten worden. Biomassa kan tot waarde worden gebracht door het opzetten van een biomassaketen. Daarom spreek je ook van een biomassawaardeketen.De economische waarde binnen de keten neemt met elke schakel toe. Bijvoorbeeld gestapelde en gedroogde biomassa, en op maat verkleinde biomassa, heeft toenemend meer waarde voor de handel of de verwerker, dan verspreid liggende biomassa die nog ingezameld en voorbewerkt moet worden. Projecten worden opgezet met het doel om samenwerking in de biomassaketen te bevorderen. Er is nu nog weinig of geen samenwerking in de waardeketen en biomassa wordt daarom niet geoogst, verhandeld en ingezet. Er is dringend behoefte aan het verbindingen maken tussen de schakels van de biomassaketen, opdat er een volwaardige markt voor biomassa tot stand komt. Het sluiten van ketens vergt een nauwe samenwerking tussen partijen, een sterke logistieke organisatie, en een rendabele manier van (her)gebruik van reststromen. deelnemer: een partij die aantoonbaar belang heeft bij het project, niet zijnde een natuurlijk persoon. Artikel3.4.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor logistieke biomassaprojecten. toelichting: Deze regeling is bedoeld om ketenprocessen bij nieuwe biomassaprojecten te sluiten en te optimaliseren. Onderdelen van een biomassaproject zijn stappen als inzameling, voorbewerking, tussenopslag, transport en bewerking van biomassa (transitie) en distributie van warmte, elektriciteit of brandstoffen naar een eindafnemer. Daar hoort ook bij het oogsten, eventueel voorbewerken (om kwaliteit te leveren) en tussenopslag (massa, continuïteit). Artikel3.4.3Criteria De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4.2 voldoet aan de volgende criteria: de activiteit vindt in hoofdzaak, meer dan 80% van de subsidie, binnen de grenzen van de provincie Overijssel plaats; de activiteit heeft een terugverdientijd van meer dan vijf jaar na subsidieverlening; de biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria voor biomassa ten behoeve van energiedoeleinden, zoals bedoeld in NEN NTA 8080-1: 2015.nl en NTA 8080-2: 2015.nl. de activiteit heeft als doel om tegen optimale kosten en kapitaalgebruik een nieuwe biomassawaardeketen te sluiten en hernieuwbare energie uit biomassa te produceren. er zijn minimaal twee deelnemers aan het logistieke biomassaproject, niet zijnde een ingenieurs- of adviesbureau; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening. Artikel3.4.4Grondslag subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,– per aanvraag. Artikel3.4.5Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel3.4.6Weigeringsgrond In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien deze wordt aangevraagd voor: wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen; energiebesparende voorzieningen in huishoudens; een puur plantaardige olie als energiebron in de sector mobiliteit en transport. Artikel3.4.7Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht de activiteit uiterlijk drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben afgerond. Paragraaf3.5Energielening Overijssel Artikel3.5.1.Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: energielening: stimuleringslening van Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn) ten behoeve van een energiemaatregel. energielijst: lijst met de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, als bedoeld in de actuele energielijst, van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), met uitzondering van windturbines en ongeacht of de betreffende energiemaatregel met of zonder SDE is. toelichting: De geldende Energielijst is te vinden op rvo.nl. De energielijst is een overzicht van RVO van energie-investeringen die voor de fiscale Energie Investeringsaftrek regeling (EIA)in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar opnieuw opgesteld. Het overzicht van de energie-investeringen is opgedeeld in 5 categorieën. Deze subsidieparagraaf richt zich op categorie A bedrijfsgebouwen, B processen en D duurzame energie. Dit betekent dat een onderneming een energielening kan aanvragen bij de provincie voor investeringen die genoemd worden onder categorie A, B en D van de energielijst, met uitzondering van windturbines. energiemaatregel: een maatregel uit de categorie A, B of D van de Energielijst, met uitzondering van windturbines; toelichting: Een overzicht van investeringen die onder categorie A, B en D vallen is te vinden in de energielijst. Artikel3.5.2Subsidiabele activiteit Gedeputeerde Staten kunnen subsidie in de vorm van rentekorting verstrekken voor een bij het SVn afgesloten, energielening ten behoeve van energiemaatregelen uit de energielijst. Artikel3.5.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap; de aanvraag wordt gedaan voor een energiemaatregel ten behoeve van een vestiging in de provincie Overijssel, niet zijnde een vestigingsadres met bestemming wonen; de energiemaatregel betreft: een technische voorziening ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie A; of een technische voorziening ten behoeve van energiebesparing bij processen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie B; een technische voorziening ten behoeve van Duurzame energie opwekking in of bij bedrijfsgebouwen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie D, met uitzondering van windturbines. de lening wordt aangevraagd bij het SvN en heeft een looptijd van 10 jaar indien de aanvrager een stichting, vereniging of een kerkgenootschap betreft en een looptijd van 5 jaar in alle andere gevallen; de op de energielening te betalen rente bedraagt minimaal 1,5%; de hoofdsom van de energielening bedraagt minimaal € 10.000,– en maximaal € 100.000,- en bestaat uit 100% van de afsluitkosten en maximaal 75% van de overige subsidiabele kosten; indien de energiemaatregel Photo-voltaïsche panelen betreft, bevat het dak waar de Photo-voltaïsche panelen worden geplaatst geen asbest; de aanvrager staat ten minste drie jaar ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en kan ten minste dr

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.