← Nederland

Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen

Kort samengevat

Deze regeling stelt subsidie-instrumenten vast voor het starten, groeien en overdragen van ondernemingen, met een focus op borgstellingen voor MKB-kredieten en groeifaciliteiten. Het doel is om ondernemers te ondersteunen bij financiering.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

BWBR0024902_2014-07-01_0 Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2008, nr. WJZ/8187684, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten op het terrein van starten, groeien en overdragen van ondernemingen (Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen) Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen De Minister van Economische Zaken, Gelet op de artikelen 4, 5, eerste, derde en vierde lid, 7, 9, 12, vierde lid, 13, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 14, 15, 17, 18, eerste en vijfde lid, 19, 23, onderdeel c, 25, 30, derde tot en met vijfde lid, 32, derde lid, 33, tweede lid, 34, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste en tweede lid, en 48, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies; Besluit: Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 In deze regeling wordt verstaan onder minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Artikel 1.2 1 Het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt opgesteld overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage 1.

  1. 2 Als rapport als bedoeld in artikel 12, vierde lid, wordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in het kader van verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (2007–2013) (PbEU L 391) en, indien de subsidie-ontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport. Artikel 1.3 De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt 50 procent van de loonkosten. Artikel 1.4 1 Het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt €
  2. 2 Het uurtarief, bedoeld in artikel 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt €
  3. Artikel 1.5 Deze regeling valt onder de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L214). Artikel 1.6 Indien door de minister op grond van deze regeling een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld. Hoofdstuk 2 Borgstelling MKB-kredieten Artikel 2.1 Vervallen Artikel 2.2 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als financier aangewezen een bank en een door de minister aangewezen kredietverstrekker. 2 Voor de toepassing van artikel 2.3, derde lid, wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES die op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen en een door de minister aangewezen, op Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde, kredietverstrekker. Artikel 2.3 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan: a. een bank voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die betrekking hebben op: 1°. bedrijfsborgstellingskredieten; 2°. bodemsaneringsborgstellingskredieten; b. een door de minister aangewezen kredietverstrekker, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten. 2 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een borgstelling voor de terugbetaling van een krediet dat de financier op grond van een kredietovereenkomst aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de kredietovereenkomst. 3 In aanvulling op het eerste lid kan de minister ook subsidie verstrekken aan: a. een kredietinstelling als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die gevestigd zijn in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die betrekking hebben op: 1°. bedrijfsborgstellingskredieten; 2°. bodemsaneringsborgstellingskredieten; b. een door de minister aangewezen kredietverstrekker als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die gevestigd zijn in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, die betrekking hebben op bedrijfsborgstellingskredieten. Artikel 2.5, eerste lid, onderdeel a, onder 1, is niet van toepassing op de in dit lid bedoelde MKB-ondernemers. Artikel 2.4 De subsidie, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, valt onder de de-minimis verordening. Artikel 2.5 1 Voor subsidie komt niet in aanmerking een financier die een kredietovereenkomst sluit met een MKB-ondernemer die: a. een onderneming in stand houdt waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de onderneming nog geen heel jaar is gedreven, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit: 1°. de beoefening van de land- of de tuinbouw, de vee- of visteelt, de visserij of de teelt van vee- of visvoer, 2°. de uitoefening van het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen of 3°. het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten; b. een aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg dan wel het beroep van dierenarts, notaris, advocaat of gerechtsdeurwaarder. 2 Vervallen. Artikel 2.6 1 Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt eenmalig: a. 3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van niet langer dan twee jaar, b. 3,3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan twee jaar, maar niet langer dan vier jaar, c. 3,3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan vier jaar, maar niet langer dan zes jaar, d. 4,5 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan zes jaar, maar niet langer dan negen jaar en e. 4,5 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bedrijfsborgstellingskrediet betreft met een looptijd van meer dan negen jaar, maar niet langer dan twaalf jaar. 2 Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt 3 procent indien de overeenkomst van borgtocht een bodemsaneringsborgstellingskrediet betreft. Artikel 2.6a 1 Er is een Adviescommissie Borgstelling MKB-kredieten die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een bedrijfsborgstellingsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies. 2 De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste zeven leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. Artikel 2.7 1 De minister verdeelt het subsidieplafond voor banken en kredietinstellingen in de zin van de Wet financiële markten BES door vaststelling van een maximumbedrag per bank respectievelijk kredietinstelling die zich bij de minister hebben aangemeld. 2 De minister stelt het maximumbedrag per financier, als bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 1 februari van elk kalenderjaar ambtshalve vast voor het voorgaande kalenderjaar. 3 De minister verdeelt het subsidieplafond voor door de minister aangewezen kredietverstrekkers, als bedoeld in artikel 2.2, eerste en tweede lid, op volgorde van binnenkomst van de meldingen, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van het model bedrijfsborgstellingsovereenkomst, zoals opgenomen in bijlage 2.
  4. Artikel 2.8 Er wordt borg gestaan voor 90 procent van het kredietbedrag. Artikel 2.9 1 Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst (één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES is opgenomen in bijlage 2.
  5. 2 Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst (meer dan één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES is opgenomen in bijlage 2.
  6. 3 Het model voor de bodemsaneringsborgstellingskredietovereenkomst (één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES is opgenomen in bijlage 2.
  7. 4 Het model voor de bodemsaneringsborgstellingskredietovereenkomst (meer dan één bank) voor een bank of voor een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES is opgenomen in bijlage 2.
  8. 5 Het model voor de bedrijfsborgstellingsovereenkomst met een door de minister aangewezen kredietverstrekker, als bedoeld in artikel 2.2, eerste en tweede lid, is opgenomen in bijlage 2.
  9. Artikel 2.10 1 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om borgstelling als bedoeld in artikel 2.3, eerste en derde lid, voor een bank respectievelijk een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES, is opgenomen in bijlage 2.
  10. 2 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om borgstelling als bedoeld in artikel 2.3, eerste en derde lid, voor een door de minister aangewezen kredietverstrekker, als bedoeld in artikel 2.2, eerste respectievelijk tweede lid, is opgenomen in bijlage 2.
  11. Artikel 2.11 Op aanvragen om subsidie die voor 1 januari 2015 zijn ingediend en op subsidies die voor die datum zijn verstrekt, blijven de bijlagen 2.1, 2.2 en 2.5, zoals die onmiddellijk voor die datum luidden, van toepassing. Hoofdstuk 3 Groeifaciliteit § 1 Algemene bepalingen Artikel 3.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – aandelenkapitaal: de aandelen in het kapitaal van een onderneming van een ondernemer, die de financier rechtstreeks van de ondernemer heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde lening; – a. een lening van geld door een financier aan een ondernemer met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten, 1°. welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een borgstelling die een aandeelhouder in de onderneming van de ondernemer op persoonlijke titel heeft gegeven, 2°. waarop de ondernemer krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding, een akkoord na verlening van surseance van betaling, een akkoord in faillissement of een akkoord na het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen met betrekking tot de ondernemer waaraan de achtergestelde lening is verstrekt, eerst verplicht is de niet vervallen aflossingen te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met uitzondering van schulden ingevolge vorderingen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling zijn verbonden en ingevolge geldleningen die zijn verstrekt door aandeelhouders in de onderneming van de ondernemer en 3°. ten aanzien waarvan de financier in de vorenbedoelde akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen of b. een lening van geld door een financier aan een ondernemer die een rechtspersoon is wiens activa slechts bestaan uit deelnemingen in of vorderingen op een dochtermaatschappij in de zin van artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met het oog op financiering door deze ondernemer van activiteiten van deze dochtermaatschappij, 1°. welke lening niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, met uitzondering van een persoonlijke borgstelling van een aandeelhouder in de onderneming van de ondernemer en van een pandrecht gevestigd op aandelen in de dochtermaatschappij en 2°. ten aanzien waarvan de financier in de akte van geldlening afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de niet vervallen aflossingen; – reserveringsquotum: het bedrag dat de minister op aanvraag van een financier vaststelt als maximum voor de som van de garanties voor verstrekkingen van risicokapitaal die: 1°. gedurende drie jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien het een eerste toekenning van een reserveringsquotum betreft; 2°. gedurende twee jaar vanaf de datum van de beschikking aan de financier kunnen worden verschaft indien reeds eerder een reservingsquotum is toegekend; – risicokapitaal: kapitaal in de vorm van aandelenkapitaal of een achtergestelde lening; – waarde van aandelenkapitaal: het bedrag in geld dat de financier bij de volstorting van de aandelen heeft betaald dan wel, in geval van omzetting van een achtergestelde lening, of een deel daarvan, in aandelenkapitaal, de waarde van de uitstaande lening voor zover die is omgezet in aandelen, vermeerderd onderscheidenlijk verminderd met het bedrag in geld dat wegens de omzetting is bijbetaald door, onderscheidenlijk terugbetaald aan de financier; – waarde van een achtergestelde lening: het nog niet afgeloste deel van de lening. § 2 Garantie gericht op financiering met risicokapitaal voor ondernemers Artikel 3.2 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier, niet zijnde een startersfonds als bedoeld in artikel 4.1, voor het verstrekken van risicokapitaal aan een ondernemer. 2 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantstelling voor de terugbetaling van risicokapitaal dat de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer heeft verstrekt voor de duur de overeenkomst met een maximum van twaalf jaar. 3 De garantstelling heeft slechts betrekking op risicokapitaal dat wordt verstrekt nadat de minister desgevraagd een reserveringsquotum heeft toegekend en voor zover het quotum toereikend en geldig is. 4 In aanvulling op het eerste lid kan de minister ook subsidie verstrekken aan een financier voor het verstrekken van risicokapitaal aan een ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba. 5 Voor de toepassing van het vierde lid wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES die op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, of een in Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde vennootschap in de vorm van een kapitaalvennootschap of een vennootschap met een afgescheiden vermogen die blijkens haar statuten of blijkens de overeenkomst waarbij zij is aangegaan tot doel heeft of mede tot doel heeft het verstrekken van risicokapitaal aan ondernemers teneinde winst te behalen. Artikel 3.3 1 De financier verstrekt geen risicokapitaal aan een ondernemer wier activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op: a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening; b. onroerend goed voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten; c. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft; d. de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg. 2 De financier verstrekt geen risicokapitaal aan een instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet. Artikel 3.4 1 Er wordt garant gestaan voor 50 procent van de waarde van het risicokapitaal. 2 Indien de financier bij het verkrijgen van risicokapitaal een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze regeling slechts van toepassing op het gedeelte van het verkregen risicokapitaal dat onder de garantstelling is gebracht, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. Artikel 3.5 1 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op risicokapitaal waarbij de waarde van het risicokapitaal dat aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep wordt verstrekt tezamen met de waarde van risicokapitaal dat door een andere financier met toepassing van dit hoofdstuk en van risicokapitaal dat met toepassing van hoofdstuk 4 van deze regeling aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt, niet meer bedraagt dan € 5.000.
  12. 2 In afwijking van het eerste lid heeft de garantstelling voor participatiemaatschappijen uitsluitend betrekking op risicokapitaal waarbij de waarde van het risicokapitaal dat aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep wordt verstrekt tezamen met de waarde van het risicokapitaal dat door een andere participatiemaatschappij met toepassing van dit hoofdstuk en van risicokapitaal dat met toepassing van hoofdstuk 4 van deze regeling aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt, niet meer bedraagt dan € 25.000.
  13. Artikel 3.6 1 Er is een Adviescommissie Groeifaciliteit die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om garantstelling, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies. 2 De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste zes leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. Artikel 3.7 1 In bijlage 3.1 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van achtergestelde leningen en aandelenkapitaal. 2 In bijlage 3.2 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van niet converteerbare achtergestelde leningen. Artikel 3.8 De minister verdeelt het subsidieplafond voor het toekennen van reserveringsquota op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 3.9 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om een reserveringsquotum indien: a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten of geen aanvraag voor het sluiten van een garantstellingsovereenkomst heeft ingediend; b. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst. Artikel 3.10 1 De financier is voor het verkrijgen van een reserveringsquotum een eenmalige provisie van 1 procent van dit quotum verschuldigd. 2 Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt voor de garantie op het verstrekte risicokapitaal vastgesteld op: a. 2,5 procent per jaar van de gegarandeerde waarde van dit risicokapitaal indien de kapitaalverstrekking bestaat uit een niet converteerbare achtergestelde lening zonder dat deze gepaard gaat met een kapitaalverstrekking aan dezelfde ondernemer door de financier of door een andere financier die deel uitmaakt van dezelfde groep in de vorm van een converteerbare achtergestelde lening of aandelenkapitaal; b. 3 procent van de gegarandeerde waarde van dit risicokapitaal, die per kwartaal wordt berekend, in andere gevallen. 3 De minister kan in plaats van het tarief van de provisie, genoemd in het tweede lid, een vergoeding vaststellen, indien het tarief van de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. Artikel 3.11 Op gemeenschappelijk verzoek van een financier die beschikt over een reserveringsquotum en van een andere financier die een garantstellingsovereenkomst met de staat heeft, kan dit quotum geheel of gedeeltelijk voor de resterende periode worden overdragen aan de laatstgenoemde financier. Artikel 3.12 Jaarlijks vindt een evaluatie van de toepassing van deze regeling plaats, onder meer ter beoordeling of de inkomsten en de uitgaven ingevolge garantstellingen op grond van deze regeling met elkaar in evenwicht zijn. § 3 Garantie ondernemingsfinanciering Artikel 3.12a 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: – lening: een al dan niet achtergestelde lening van geld door een financier aan een ondernemer, welke lening: a. al dan niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, b. niet converteerbaar is en c. is afgesloten met de afspraak dat een gedeelte van de rente vast is en een gedeelte van de rente flexibel is en gekoppeld is aan Euribor, met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten; – liquiditeitsopslag: een door een financier aan een ondernemer in rekening gebracht percentage van de lening, waarvan de hoogte gelijk is voor alle door de desbetreffende financier op dezelfde dag afgesloten of af te sluiten leningen met dezelfde looptijd. Indien een dergelijk percentage niet beschikbaar is, zal in overleg met de financier een ander redelijk, transparant en verifieerbaar percentage worden vastgesteld. 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als financier aangewezen een bank. 3 Voor de toepassing van artikel 3.12b, tweede lid, wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES die op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen. Artikel 3.12b 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie in de vorm van een garantstelling aan een financier voor de terugbetaling van een lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de overeenkomst met een maximum van acht jaar. 2 De minister kan ook subsidie in de vorm van een garantstelling verstrekken aan een financier voor de terugbetaling van een lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba heeft verstrekt. Artikel 3.12c 1 De financier verstrekt geen lening aan een ondernemer wiens activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op: a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening; b. onroerend goed voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten; c. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft; d. de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg. 2 De financier verstrekt geen lening aan een instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet. Artikel 3.12d 1 Er wordt garant gestaan voor 50 procent van het nog niet afgeloste deel van de lening. 2 Indien de financier bij het verkrijgen van een lening een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen van deze paragraaf slechts van toepassing op het gedeelte van de verkregen lening dat onder de garantstelling is gebracht. Artikel 3.12e 1 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer verstrekte lening niet minder bedraagt dan € 1.500.
  14. 2 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep verstrekte lening tezamen met a. het nog niet afgeloste deel van een of meer leningen of b. een of meer bankgarantiefaciliteiten als bedoeld in 3.12v die door een financier met toepassing van dit hoofdstuk aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is of zijn verstrekt of gelijktijdig wordt of worden verstrekt niet meer bedraagt dan € 150.000.
  15. Artikel 3.12f 1 Er is een Adviescommissie Kredietcommissie die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies. 2 De commissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om garantstelling, bedoeld in artikel 3.12i. 3 De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vier leden. 4 De voorzitter en de andere leden van de commissie worden benoemd voor een termijn van ten hoogste drie jaar. Artikel 3.12g In bijlage 3.6 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van leningen. Artikel 3.12h De minister verdeelt het subsidieplafond voor garantstellingen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 3.12i De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een garantstelling indien: a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten; b. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van het model garantstellingsovereenkomst zoals opgenomen in bijlage 3.
  16. c. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst. Artikel 3.12j 1 Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt voor de garantie op de verstrekte lening, berekend door alle door de financier over het gegarandeerde deel van de lening ontvangen inkomsten te verminderen met: a. een kwart procent per jaar voor beheerskosten, b. Euribor zoals opgenomen in de kredietofferte aan het te financieren bedrijf vermeerderd met een liquiditeitsopslag en c. de afsluitprovisie. 2 Indien de financier een hogere rating heeft dan A, wordt de liquiditeitsopslag vermeerderd met het verschil tussen het percentage uit de regeling voor staatsgaranties voor de uitgifte van schuldpapier van banken voor banken met een rating A en de werkelijke rating van de financier. 3 Indien de afsluitprovisie meer bedraagt dan 0,5 procent van de lening, wordt het meerdere toegevoegd aan de in het eerste lid, aanhef, genoemde inkomsten. 4 De minister kan een hoger tarief voor de provisie vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. § 3a Tijdelijke garantie ondernemingsfinanciering curatieve zorg Artikel 3.12k In deze paragraaf wordt verstaan onder: – curatieve zorg: zorg door een instelling die een toelating heeft op grond van de Wet toelating zorginstellingen voor het verlenen van medisch-specialistische zorg of een zorgcontract heeft met het Zorgverzekeringskantoor BES en die gevestigd is in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba; – lening: een niet achtergestelde lening van geld door een financier aan een ondernemer, welke lening: a. al dan niet door enige vorm van zekerheid is gedekt, b. niet converteerbaar is en c. is afgesloten met de afspraak dat een gedeelte van de rente vast is, een gedeelte van de rente flexibel is en gekoppeld is aan Euribor, met het oog op de financiering door deze onderneming van eigen activiteiten; – liquiditeitsopslag: een door een financier aan een ondernemer in rekening gebracht percentage van de lening, waarvan de hoogte gelijk is voor alle door de desbetreffende financier op dezelfde dag afgesloten of af te sluiten leningen met dezelfde looptijd. Indien een dergelijk percentage niet beschikbaar is, zal in overleg met de financier een ander redelijk, transparant en verifieerbaar percentage worden vastgesteld. Artikel 3.12l 1 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als financier aangewezen a. een bank; b. een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES die op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen. 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een academisch ziekenhuis aangemerkt als een ondernemer. Artikel 3.12m De minister verstrekt op aanvraag subsidie in de vorm van een garantstelling aan een financier voor de terugbetaling van een lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de overeenkomst met een maximum van acht jaar. Artikel 3.12n 1 Er wordt garant gestaan voor 50 procent van het nog niet afgeloste deel van de lening. 2 Indien de financier bij het verschaffen van een lening een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling ingevolge deze paragraaf brengt, zijn de bepalingen van deze paragraaf slechts van toepassing op het gedeelte van de verkregen lening dat onder de garantstelling is gebracht. Artikel 3.12o 1 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer verstrekte lening niet minder bedraagt dan € 1.500.
  17. 2 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een lening waarbij de aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep verstrekte lening tezamen met het nog niet afgeloste deel van de lening of leningen die door de financier met toepassing van deze paragraaf aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is verstrekt of gelijktijdig wordt verstrekt niet meer bedraagt dan € 50.000.
  18. Artikel 3.12p 1 De in artikel 3.6 bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies. 2 De in artikel 3.12f, tweede lid, bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om garantstelling, bedoeld in artikel 3.12s. Artikel 3.12q In bijlage 3.9 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van leningen. Artikel 3.12r De minister verdeelt het subsidieplafond voor garantstellingen op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 3.12s De minister beslist afwijzend op een aanvraag om een garantstelling: a. indien de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten; b. indien er niet wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van het model garantstellingsovereenkomst zoals opgenomen in bijlage 3.9; c. indien de financier eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst; d. voor zover voor een lening of deel daarvan reeds door de stichting Waarborgfonds voor de Zorgsector, gevestigd te Utrecht, een garantstelling is verstrekt; e. indien de activiteiten van de ondernemer niet in overwegende mate betrekking hebben op de curatieve zorg; f. indien de lening die de financier op grond van een overeenkomst aan een ondernemer heeft verstrekt geen betrekking heeft op de bouw of verbouw van een onroerende zaak. Artikel 3.12t 1 Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt voor de garantie op de verstrekte lening, berekend door alle door de financier over het gegarandeerde deel van de lening ontvangen inkomsten te verminderen met: a. een kwart procent per jaar voor beheerskosten; b. Euribor zoals opgenomen in de kredietofferte aan het te financieren bedrijf vermeerderd met een liquiditeitsopslag en c. de afsluitprovisie. 2 Indien de financier een hogere rating heeft dan A, wordt de liquiditeitsopslag vermeerderd met het verschil tussen het percentage uit de regeling voor staatsgaranties voor de uitgifte van schuldpapier van banken voor banken met een rating A en de werkelijke rating van de financier. 3 Indien de afsluitprovisie meer bedraagt dan 0,5 procent van de lening, wordt het meerdere toegevoegd aan de in het eerste lid, aanhef, genoemde inkomsten 4 De minister kan een hoger tarief voor de provisie vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. § 3b Garantstelling gericht op bankgaranties Artikel 3.12u 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder: − bankgarantie: de verplichting van een financier om aan een begunstigde, ten laste van een ondernemer, ten behoeve van eigen activiteiten van die ondernemer, een bedrag te betalen, indien de begunstigde daarop aanspraak maakt, uitgezonderd kredietgaranties; − bankgarantiefaciliteit: het bedrag waarvoor een financier aan een begunstigde ten laste van een ondernemer bankgaranties kan afgeven die onder de garantstelling van de staat kunnen vallen; − waarde van een bankgarantie: de hoogte van het bedrag waarop maximaal aanspraak kan worden gemaakt onder een afgegeven bankgarantie. 2 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als financier aangewezen: a. een bank; b. een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht. Artikel 3.12v 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het afgeven van een bankgarantie. 2 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantstelling aan een financier voor de terugbetaling van een vordering die een financier op een ondernemer krijgt uit hoofde van een betaling onder een bankgarantie die een financier op grond van een overeenkomst ten laste van een ondernemer heeft afgegeven voor de duur van minimaal zes maanden en maximaal 8 jaar. 3 In afwijking van het tweede lid kan, indien een bankgarantie geen vaste looptijd heeft en het inroepen daarvan afhankelijk is van het zich voordoen van een bepaalde gebeurtenis, een financier een bankgarantie onder de garantstelling brengen onder de voorwaarde dat de gebeurtenis bij het aangaan van de bankgarantie zich naar verwachting niet meer dan 7 jaar na het afsluiten van de bankgarantiefaciliteit voordoet en dat de begunstigde een provincie, gemeente, openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen of een dienst, instelling of bedrijf van de rijksoverheid is. 4 De garantstelling heeft slechts betrekking op bankgaranties die worden afgegeven nadat de minister desgevraagd een bankgarantiefaciliteit heeft goedgekeurd en voor zover deze faciliteit toereikend en geldig is. Artikel 3.12w 1 De financier verstrekt geen bankgarantiefaciliteit aan een ondernemer wiens activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op: a. landbouw, visserij en aquacultuur, met uitzondering van toelevering en dienstverlening; b. onroerend goed voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerend goed zonder dat er sprake is van significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten; c. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft; d. de gezondheidszorg, voor zover de onderneming een aanbieder is als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg. 2 De financier verstrekt geen bankgarantiefaciliteit aan een instelling als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet. Artikel 3.12x 1 Er wordt garant gestaan voor 50 procent van de waarde van een bankgarantie. 2 Indien de financier bij het afgeven van een bankgarantie een gedeelte daarvan niet onder de garantstelling van de Staat brengt, zijn de bepalingen van deze paragraaf slechts van toepassing op het gedeelte van de afgegeven bankgarantie dat onder de garantstelling is gebracht. Artikel 3.12y 1 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een bankgarantie waarbij de door een financier ten laste van een ondernemer afgegeven bankgarantie niet minder bedraagt dan € 250.
  19. 2 De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een bankgarantie waarbij de aan de ondernemer of, indien de ondernemer deel uitmaakt van een groep, aan de groep verstrekte bankgarantiefaciliteit tezamen met a. een of meer bankgarantiefaciliteiten of b. het nog niet afgeloste deel van een of meer leningen als bedoeld in 3.12b die door een financier met toepassing van dit hoofdstuk aan de ondernemer onderscheidenlijk de groep is of zijn verstrekt of gelijktijdig wordt of worden verstrekt niet meer bedraagt dan € 150.000.
  20. Artikel 3.12z De in artikel 3.12f, eerste lid, bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden voor aanvragen om het sluiten van een garantstellingsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies indien met de financier nog geen garantstellingsovereenkomst is gesloten als bedoeld in paragraaf 2 of 3 en de afwijzingsgronden voor aanvragen om een bankgarantiefaciliteit, bedoeld in artikel 3.12ac. Artikel 3.12aa In bijlage 3.13 is een model opgenomen voor een garantstellingsovereenkomst ten aanzien van bankgaranties. Artikel 3.12ab De minister verdeelt het subsidieplafond voor bankgarantiefaciliteiten op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 3.12ac De minister beslist afwijzend op een aanvraag om een bankgarantiefaciliteit indien: a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten; b. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3 van het model garantstellingsovereenkomst, met uitzondering van onderdelen f, h en i, zoals opgenomen in bijlage 3.13; c. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst; d. het bedrag van een bankgarantiefaciliteit minder bedraagt dan € 1.500.
  21. Artikel 3.12ad 1 De financier is voor het verstrekken van een bankgarantiefaciliteit een eenmalige provisie van 0,25 procent van 50 procent van de bankgarantiefaciliteit verschuldigd. 2 Voor zover de opbrengsten uit de provisie, bedoeld in het eerste lid, die de financier bij de onderneming in rekening brengt voor het verstrekken van de bankgarantiefaciliteit hoger zijn dan 0,5 procent van de bankgarantiefaciliteit, is de financier het meerdere voor 50 procent aan de Staat verschuldigd. 3 Voor zover de opbrengsten uit een eventuele bereidstellingsprovisie die een financier bij een onderneming in rekening brengt over het onbenutte deel van een bankgarantiefaciliteit hoger zijn dan 25 procent van een door een financier aan een onderneming in rekening gebrachte provisie op bankgaranties, is de financier het meerdere voor 50 procent aan de Staat verschuldigd. 4 Het tarief van de periodieke provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt voor de garantstelling op een afgegeven bankgarantie berekend over de waarde van de afgegeven bankgaranties op de eerste dag van het kwartaal en is gelijk aan de door een financier aan een onderneming in rekening gebrachte provisie over het door de staat gegarandeerde deel van de afgegeven bankgaranties met aftrek van 0,15 procent op jaarbasis als vergoeding voor de financier voor het beheer van de bankgarantiefaciliteit en met een minimum van 0,5 procent op jaarbasis. 5 In afwijking van het vierde lid kan een financier eenmalig en vooraf aangeven de provisie per kwartaal te willen verrekenen op basis van een controleerbare opgave van de provisieberekening op dagbasis. 6 De minister kan een hoger tarief voor de provisie, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, vaststellen, indien de provisie te laag is in relatie tot het risico dat de Staat loopt. § 4 Formulieren Artikel 3.13 Het formulier voor: a. het indienen van een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond van paragraaf 2, is opgenomen in bijlage 3.3; b. het indienen van een aanvraag voor een reserveringsquotum is opgenomen in bijlage 3.4; c. het indienen van een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond van paragraaf 3 is opgenomen in bijlage 3.5; d. het indienen van een aanvraag om een garantstelling op grond van paragraaf 3 is opgenomen in bijlage 3.7; e. het indienen van een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond van paragraaf 3A is opgenomen in bijlage 3.8; f. het indienen van een aanvraag om een garantstelling op grond van paragraaf 3A is opgenomen in bijlage 3.10; g. het indienen van een aanvraag om een garantstellingsovereenkomst op grond van paragraaf 3B is opgenomen in bijlage 3.12; h. het indienen van een aanvraag voor een bankgarantiefaciliteit is opgenomen in bijlage 3.
  22. Artikel 3.14 Op aanvragen om subsidie die voor 1 januari 2015 zijn ingediend en op subsidies die voor die datum zijn verstrekt, blijven de artikelen 3.12e en 3.12y en de bijlagen 3.6, 3.13 en 3.14, zoals die onmiddellijk voor die datum luidden, van toepassing. Hoofdstuk 4 Seed capital technostarters Artikel 4.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – achtergestelde vordering: een vordering van een startersfonds ten laste van een technostartersvennootschap, a. die het startersfonds heeft verkregen door aan de technostartersvennootschap geld ter leen te verstrekken, b. waarop de debiteur krachtens een daartoe strekkende bepaling in de akte van geldlening in geval van ontbinding, een akkoord na verlening van surseance van betaling of een akkoord in faillissement van de debiteur, eerst verplicht is rente en aflossing te betalen nadat alle andere op dat moment bestaande schulden van de debiteur zijn voldaan, met uitzondering van de schulden die voortvloeien uit leningen waaraan een bepaling van gelijke aard als voornoemde bepaling is verbonden, c. terwijl ingevolge de vorenbedoelde akte van geldlening de crediteur afstand heeft gedaan van alle rechten tot verrekening van de rente en aflossing; – beheerskosten: alle kosten die een startersfonds maakt voor het verkrijgen, behouden en beëindigen van participaties, met inbegrip van de kosten van begeleiding van technostartersvennootschappen, uitgezonderd de verkrijgingprijs van de participaties; – creatieve technostarter: een technostarter die actief is in de creatieve zakelijke dienstverlening, media, entertainment, of kunsten; – eerste commerciële verkoop: eerste verkoop door een onderneming op een product- of dienstenmarkt; – fondsplan: een plan van een startersfonds tot uitvoering van een met elkaar samenhangend geheel van activiteiten die bestaan uit het verkrijgen, beheren en beëindigen van participaties en het begeleiden van de desbetreffende technostartersvennootschappen; – informal investor: een particulier die voor eigen rekening en risico participeert en investeert in ondernemingen; – inkomsten: alle op geld waardeerbare voordelen die een startersfonds heeft verkregen uit een participatie, waaronder dividend, rente, aflossingen, opties, de prijs waartegen de participatie is vervreemd, de prijs waartegen de participatie door de technostartersvennootschap is ingekocht of terugbetaald en de liquidatie-uitkering; – investeringsbudget: de financiële middelen die een startersfonds beschikbaar heeft of zal hebben en die bestemd zijn om de verkrijgingprijs van participaties te voldoen; – investeringsperiode: de periode gedurende welke een startersfonds activiteiten verricht ter verkrijging van participaties; – participatie: risicodragend kapitaal in de vorm van: a. aandelen in het kapitaal van een technostartersvennootschap die het startersfonds rechtstreeks van de technostartersvennootschap heeft verkregen tegen volstorting van die aandelen in geld, of door omzetting van een achtergestelde vordering of – technostartersvennootschap: een technostarter die a. een onderneming drijft in de vorm van een kapitaalvennootschap, en Artikel 4.2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als financier aangewezen een startersfonds. Artikel 4.3 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan. 2 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan voor een creatieve technostarter. 3 De subsidie wordt verleend in de vorm van een geldlening. Artikel 4.3a De beschikking tot verlening van een subsidie kan worden verleend onder voorwaarden gericht op het wegnemen of beperken van risico’s die aan de subsidieverstrekking, bedoeld in artikel 4.3, verbonden kunnen zijn. Artikel 4.4 Vervallen Artikel 4.5 1 In de overeenkomst van geldlening wordt bepaald dat: a. de financier een deel van de inkomsten uit participaties overboekt aan de minister; b. de financier geen andere activiteiten verricht dan de uitvoering van het fondsplan. 2 In de overeenkomst van geldlening kunnen bepalingen worden opgenomen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Artikel 4.6 De geldlening die op grond van de overeenkomst van geldlening ten hoogste kan worden geleend, bedraagt 50 procent van het investeringsbudget. Artikel 4.7 1 Er wordt borg gestaan voor 100 procent van het bedrag. 2 Het maximum subsidiebedrag bedraagt € 6.000.000 per subsidie-ontvanger. 3 Indien een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen een financiële bijdrage aan het investeringsbudget van de financier heeft verstrekt, wordt op grond van deze regeling slechts een zodanige geldlening verstrekt, dat het totaal van de geldlening en de andere financiële bijdragen niet meer bedraagt dan het in het eerste lid bedoelde percentage. Artikel 4.8 1 Er is een Adviescommissie seed capital technostarters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 4.9, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 4.
  23. 2 De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste negen leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. Artikel 4.9 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. onvoldoende aannemelijk is dat de financier gedurende de investeringsperiode daadwerkelijk zal beschikken over de middelen die de financier aan het investeringsbudget bijdraagt; b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer van de financier op een wijze zoals bij participatiefondsen gebruikelijk is; c. een fondsplan niet is gebaseerd op de uitgangspunten dat: 1°. een financier participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt; 2°. de totale verkrijgingprijs van de participaties die gedurende de investeringsperiode in één technostartersvennootschap worden verkregen, ten minste € 100.000 en ten hoogste € 3.500.000 bedraagt; 3°. de gemiddelde totale verkrijgingprijs van de participaties die een financier gedurende de investeringsperiode per technostartersvennootschap verkrijgt, over alle technostartersvennootschappen genomen ten hoogste € 1.200.000 bedraagt; 4°. de middelen die door een financier over een periode van twaalf maanden aan een technostartersvennootschap worden verstrekt ten hoogste € 2.000.000 bedragen; 5°. de beheerskosten jaarlijks ten hoogste 5 procent bedragen van het investeringsbudget; 6°. de fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een beloning verkrijgt die afhankelijk is van zijn individuele prestatie; 7°. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat ten hoogste 50 procent van het totaal van de verkrijgingsprijzen van de participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen; 8°. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente; 9°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn; 10°. bij de beslissing van de financier inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartersvennootschap; 11°. de participaties verkregen worden in technostartersvennootschappen waarin niet eerder een participatie is verkregen door een investeringsfonds, niet zijnde een financier, behoudens indien de eerdere participatie is verkregen door een informal investor of door een investeringsfonds dat uitsluitend het verstrekken van risicodragend kapitaal aan technostartersvennootschappen tot doel heeft en dat naar het oordeel van de minister niet in staat is nieuwe participaties in de technostartersvennootschap te verkrijgen; d. het fondsplan onvoldoende is onderbouwd; e. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het fondsplan naar behoren wordt uitgevoerd; f. de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. 2 Artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing. Artikel 4.10 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate: a. de aanvrager meer kan steunen op relevante ervaring en deskundigheid; b. het fondsplan meer bijdraagt aan de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostartersvennootschappen; c. het fondsplan doelmatiger is ingericht. 2 Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar. Artikel 4.11 In afwijking van artikel 30, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt de termijn waarbinnen een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen twee weken. Artikel 4.12 1 De vergoeding, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, verschilt al naar gelang de inkomsten door de financier worden ontvangen in één van de volgende perioden: a. periode A: vanaf het tot stand komen van deze overeenkomst van geldlening tot het tijdstip waarop het totaal van de door de financier uit de participaties verkregen inkomsten na aftrek van het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan de eigen bijdrage voor de verkregen participaties; b. periode B: vanaf het onder a bedoelde tijdstip tot het tijdstip dat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de overeenkomst van lening opgenomen bedrag; c. periode C: vanaf het tijdstip dat het totaal van de aan de Staat overgeboekte bedragen gelijk is aan het totaal op grond van de overeenkomst van lening opgenomen bedrag. 2 De vergoeding, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt: a. in periode A: 20 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van de geldlening van de Staat; b. in periode B: 50 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van de geldlening van de Staat; c. in periode C: 20 procent van de inkomsten, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het maximale bedrag van de geldlening en de noemer uit het investeringsbudget met uitzondering van het krediet van de Staat. 3 De minister kan de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, per periode A, B en C afwijkend vaststellen, indien de financier in strijd heeft gehandeld met hetgeen in deze regeling of in de overeenkomst tot geldlening is bepaald. Artikel 4.13 1 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om geldlening is opgenomen in bijlage 4.
  24. 2 Het model voor een overeenkomst is opgenomen in bijlage 4.
  25. Hoofdstuk 5 Valorisatieprogramma Artikel 5.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – financiële bijdrage: een verstrekking van geld met of zonder terugbetalingsverplichting; – innovatieve starter: een innovatieve starter als bedoeld in paragraaf 5.4 van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323); – kennisinstelling: een onderwijsinstelling of een academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1.13, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; – lening: een lening aan een rechtspersoon die is verstrekt onder de voorwaarde dat een bij de rechtspersoon betrokken natuurlijke persoon garant staat voor de betaling van de rente en de terugbetaling van de hoofdsom, of een lening aan een natuurlijke persoon; – maatschappelijke organisatie: een rechtspersoon zonder winstoogmerk, uitgezonderd ondernemers die geen MKB-ondernemer zijn; – onderwijsinstelling: een bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; – starter: a. een MKB-ondernemer: 1°. die voor eigen rekening en risico producten, processen of diensten verkoopt en levert die zijn gebaseerd op een nieuwe vinding of een nieuwe toepassing en 2°. die ten hoogste vijf jaar geleden is ingeschreven in het handelsregister of b. een natuurlijke persoon die voorbereidingen treft voor de oprichting van een onderneming als bedoeld onder a; – technische haalbaarheidsstudie: een technische haalbaarheidsstudie in de zin van paragraaf 5.2 van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323); – valorisatieplan: een planmatig en met elkaar samenhangend geheel van activiteiten dat: a. strekt tot versterking van het valorisatieproces in Nederland door middel van faciliteiten zoals onder meer beschreven in bijlage 5.1.; d. een looptijd heeft van zes jaar; – valorisatieproces: het proces waarbij toegevoegde waarde wordt gecreëerd door kennis geschikt of beschikbaar te maken voor economische of maatschappelijke benutting en door deze kennis daadwerkelijk aan te wenden in producten, diensten en processen of anderszins met deze kennis nieuwe bedrijvigheid te creëren. Artikel 5.2 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor de uitvoering van een valorisatieplan aan: a. een organisatie met rechtspersoonlijkheid waarin ten minste één onderwijsinstelling en één in Nederland gevestigde onderneming die niet tot dezelfde groep behoren, zijn verbonden of b. een deelnemer in een samenwerkingsverband bestaande uit ten minste één onderwijsinstelling en één in Nederland gevestigde onderneming die niet tot dezelfde groep behoren. 2 De subsidie wordt verstrekt voor activiteiten gedurende de eerste vier jaar van de looptijd van het valorisatieplan die bestaan uit: a. onderwijsactiviteiten in het kader van door de overheid bekostigd onderwijs ter stimulering van een ondernemende houding en voor de ontwikkeling van ondernemerschapscompetenties, verricht door een onderwijsinstelling die deelneemt aan de uitvoering van het valorisatieplan, ten behoeve van studenten, docenten of andere betrokkenen in alle kennisdomeinen binnen de onderwijsinstelling; b. activiteiten van een kennisinstelling die aan de uitvoering van het valorisatieplan deelneemt ter bevordering van de aanwending van kennis waarover zij beschikt met betrekking tot: 1°. de beoordeling in hoeverre deze kennis geschikt is voor economische of maatschappelijke benutting; 2°. het zoeken naar en stimuleren van starters, maatschappelijke organisaties en ondernemingen om deze kennis toe te passen; voor zover die activiteiten niet bestaan uit advisering op individuele basis; c. de indiening van aanvragen door een kennisinstelling die aan de uitvoering van het valorisatieplan deelneemt, voor de verwerving van rechten van intellectuele eigendom voor zover: 1°. de aanvragen passen in een door de kennisinstelling ontwikkelde visie over optimale bescherming van kennis; 2°. de verkregen rechten van intellectuele eigendom binnen 30 maanden tegen marktconforme voorwaarden worden overgedragen met het oog op de toepassing daarvan; 3°. de uit de overdracht verkregen opbrengsten worden geïnvesteerd in de primaire activiteiten van de kennisinstelling; d. de bekostiging van aan starters te verstrekken leningen ten behoeve van de oprichting of de opbouw van hun onderneming; e. de bekostiging van financiële bijdragen aan starters, MKB-ondernemers en maatschappelijke organisaties, uitgezonderd kennisinstellingen, voor het verrichten van een technische haalbaarheidsstudie; f. het vormen en in stand houden van een netwerk met behulp waarvan de uitvoerder van het valorisatieplan contacten onderhoudt met relevante derden; g. andere activiteiten ter versterking van het valorisatieproces. Artikel 5.3 1 De subsidie voor de in artikel 5.2, tweede lid, onderdelen a en b, bedoelde activiteiten bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten. 2 De subsidie voor de in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel c, bedoelde activiteiten bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 12.500 per aanvraag betreffende een intellectueel eigendomsrecht. 3 De subsidie voor de in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel d, bedoelde activiteiten bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 50.000 per starter. 4 De subsidie voor de in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel e, bedoelde activiteiten bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 125.000 per haalbaarheidsonderzoek. 5 De subsidie voor de in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel f, bedoelde activiteiten bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste 5% van de totaal verstrekte subsidie. 6 De subsidie voor de in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel g, bedoelde activiteiten bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten en ten hoogste 5% van de totaal verstrekte subsidie. Artikel 5.4 Voor zover de subsidie voor de in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel d, bedoelde activiteiten wordt verstrekt aan starters die geen innovatieve starter zijn, is de de-minimis verordening van toepassing. Artikel 5.5 1 Het maximum bedrag voor het totaal van de op grond van een valorisatieplan te verstrekken subsidie bedraagt € 5.000.000 per subsidie-ontvanger. 2 Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde valorisatieplan en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 5.000.000 betreffen, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. Artikel 5.6 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 5.7 1 Er is een Adviescommissie valorisatieprogramma die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 5.
  26. 2 De commissie bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste elf leden. 3 De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van ten hoogste zes jaar. Artikel 5.8 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is zes jaar. Artikel 5.9 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. niet aannemelijk is dat uitvoering van het valorisatieplan leidt tot een aanzienlijke en duurzame versterking van het valorisatieproces in Nederland; b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de gerealiseerde versterking van het valorisatieproces aan het einde van de looptijd van het valorisatieplan structureel zal zijn verankerd bij de organisaties die deelnemen in de uitvoering van het valorisatieplan, en in de uitvoeringspraktijk. Artikel 5.10 1 De subsidie-ontvanger stelt voor elk jaar van de looptijd van het valorisatieplan een jaarplan op dat een nadere beschrijving bevat van de subsidiabele activiteiten die gedurende het desbetreffende jaar worden verricht ter uitvoering van het valorisatieplan, onder vermelding van de desbetreffende kosten. 2 Het jaarplan wordt uiterlijk twee maanden voor de aanvang van het desbetreffende jaar ingediend. Het jaarplan voor het eerste jaar wordt uiterlijk dertien weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening ingediend. Artikel 5.11 1 Ten aanzien van de projectresultaten en de kennis die door het project is verkregen, verleent de subsidie-ontvanger medewerking aan de verdere verspreiding door de minister of door een door de minister aangewezen derde. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. Artikel 5.12 De subsidie-ontvanger draagt er voor zorg dat de met de gesubsidieerde activiteiten gerealiseerde versterking van het valorisatieproces structureel wordt verankerd bij de uitvoerders van het valorisatieplan en in de uitvoeringspraktijk. Artikel 5.13 1 De subsidie-ontvanger draagt er voor zorg dat aflossingen en afbetalingen die worden ontvangen over leningen die zijn verstrekt voor de in artikel 5.2, tweede lid, onderdelen d en e, bedoelde activiteiten, worden besteed voor het verstrekken van nieuwe, soortgelijke leningen. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt tot vier jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. 3 Op verzoek van de subsidie-ontvanger kan de minister ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde verplichting. 4 Aan de ontheffing, bedoeld in het derde lid, wordt het voorschrift verbonden dat de subsidie-ontvanger 50% van het totaal van de aflossingen op onderscheidenlijk afbetalingen van de leningen aan de minister betaalt. 5 Aan de ontheffing, bedoeld in het derde lid, kunnen andere voorschriften dan bedoeld in het vierde lid, worden verbonden. 6 De subsidie-ontvanger is verplicht om na verloop van vier jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling 50% van het totaal van de aflossingen en afbetalingen die over verstrekte leningen zijn of zullen worden ontvangen, aan de minister te betalen volgens een in de beschikking tot subsidieverlening vastgelegd schema. Artikel 42 van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing. Artikel 5.14 1 De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister, niet: a. indien hij een organisatie met rechtspersoonlijkheid is, de rechtspersoon ontbinden of geheel of gedeeltelijk vervreemden; b. indien hij deelnemer is in een samenwerkingsverband, meewerken aan de ontbinding ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan. 2 Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 5.15 Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor: a. een subsidie is opgenomen in bijlage 5.2; b. een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 5.
  27. Hoofdstuk 6 Ondernemerschap en onderwijs Artikel 6.1 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder een onderwijsinstelling: a. een basisschool als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, bekostigd uit de openbare kas; b. een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, bekostigd uit de openbare kas; c. een school of instelling voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, bekostigd uit de openbare kas; d. een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs en een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.
  28. van de Wet educatie en beroepsonderwijs voor zover het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, bekostigd uit de openbare kas; e. een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs met uitzondering van een agrarisch opleidingscentrum voor zover het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs, de instituten, genoemd in artikel 12.3.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs of de hogescholen, genoemd in artikel 12.3.9 van de Wet educatie en beroepsonderwijsinstelling; f. een instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. 2 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – CE-project: een samenhangend geheel van activiteiten gericht op het opzetten en totstandkomen van een Centre of Entrepreneurship; – CE-samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband, ten minste bestaande uit twee hoger onderwijsinstellingen die blijkens schriftelijke stukken samenwerken in het kader van een CE-project; – Centre of Entrepreneurship: de coördinatie, organisatie of ondersteuning van multidisciplinair en instellingsbreed ondernemerschapsonderwijs met als doel binnen een of meerdere hoger onderwijsinstellingen ondernemerschap te stimuleren; – hoger onderwijsinstelling: een onderwijsinstelling bedoeld in het eerste lid, onderdeel f; – ondernemerschapsonderwijsproject: een samenhangend geheel van activiteiten gericht op de totstandkoming, verbetering of verspreiding van ondernemerschap in het onderwijs; – onderwijssamenwerkingsverband: een samenwerkingsverband, bestaande uit ten minste twee onderwijsinstellingen en of instellingsonderdelen die blijkens schriftelijke stukken in het kader van ondernemerschapsonderwijs samenwerken. Artikel 6.2 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een onderwijsinstelling of de deelnemers in een onderwijssamenwerkingsverband dat een ondernemerschapsonderwijsproject uitvoert. Artikel 6.3 In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie voor een ondernemerschapsonderwijsproject 50% van de subsidiabele kosten. Artikel 6.4 Indien voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan reeds door de Commissie van de Europese Gemeenschappen dan wel een bestuursorgaan van een provincie of gemeente subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan 75 procent van de subsidiabele kosten. Artikel 6.5 Voor subsidie komen de volgende rechtstreeks aan het ondernemerschapsonderwijsproject toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag gemaakte en betaalde kosten in aanmerking: a. loonkosten van het personeel van de bij het ondernemerschapsonderwijsproject betrokken onderwijsinstellingen, met dien verstande dat deze loonkosten worden bepaald op basis van een door de onderwijsinstelling voor dat personeel gehanteerd integraal uurtarief; b. aan derden verschuldigde kosten voor verrichte arbeid; c. materiaalkosten voor de aanschaf van middelen of materialen die een functionele relatie tot het ondernemerschapsonderwijsproject hebben met dien verstande dat deze kosten niet meer dan 25 procent van de totale subsidiabele kosten bedragen, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief; d. kosten voor overhead, met dien verstande dat deze kosten niet meer dan 50 procent van de loonkosten, bedoeld onder a, bedragen, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief; e. de kosten voor projectmanagement, met dien verstande dat deze kosten niet meer dan 5 procent van de loonkosten, bedoeld onder a, bedragen, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief. Artikel 6.6 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. Artikel 6.7 1 Er is een Adviescommissie ondernemerschap en onderwijs die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie en in dat kader omtrent de afwijzingsgronden voor een ondernemerschapsonderwijsproject, met uitzondering van de afwijzingsgrond, bedoeld in artikel 22 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 6.
  29. 2 De commissie bestaat uit ten minste vier en ten hoogste acht leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden voor een termijn van ten hoogste vier jaar benoemd. Artikel 6.8 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is vier jaar. Artikel 6.9 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. voor het ondernemerschapsonderwijsproject reeds door de rijksoverheid subsidie is verstrekt; b. het bedrijfsleven niet op enigerlei wijze betrokken is bij het ondernemerschapsonderwijsproject. c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de structurele voortzetting van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt; d. aannemelijk is dat de activiteiten geen verbetering, uitbreiding, wijziging of aanvulling inhouden van reeds bestaande activiteiten op het gebied van ondernemerschapsonderwijs van de betrokken onderwijsinstellingen. 2 De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen a, e en f, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing Artikel 6.10 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate: a. het meer bijdraagt aan ondernemerschap als onderdeel van de leeromgeving of het curriculum van leerlingen en studenten; b. de kwaliteit van het projectplan hoger is; c. het ondernemerschapsonderwijs een groter aantal onderwijsinstellingen bereikt; d. het ondernemerschapsonderwijs een groter aantal leerlingen of studenten van de bij het ondernemerschapsonderwijsproject betrokken onderwijsinstellingen bereikt; e. het meer bijdraagt aan de creativiteit en innovativiteit van het ondernemerschapsonderwijs. 2 Voor de rangschikking wegen de in het eerste lid vermelde criteria even zwaar. Artikel 6.11 1 Een onderwijsinstelling wordt aangewezen als een instelling als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van het Kaderbesluit. 2 In afwijking van de artikelen 45 tot en met 47 van het Kaderbesluit EZ-subsidies kunnen voorschotten slechts op aanvraag van de subsidie-ontvanger worden verstrekt. 3 Een aanvraag om een voorschot wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een tussenrapportage. 4 De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier. 5 Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In het totaal is het bedrag aan voorschotten niet groter dan 80 procent van het bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag. Hoofdstuk 7 Beroepsonderwijs in bedrijf Artikel 7.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – a. een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover het daarin verzorgde voorbereidend beroepsonderwijs wordt bekostigd uit de openbare kas; b. een instelling als bedoeld in artikel 1.1.
  30. onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; – praktijkleren: alle vormen van leren in de beroepspraktijk of met behulp van de beroepspraktijk die in combinatie met theorieonderwijs strekken tot het behalen van een diploma in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs of middelbaar beroepsonderwijs; – samenwerkingsverband beroepsonderwijs: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband van ten minste één MKB-ondernemer en een beroepsonderwijsinstelling dat blijkens schriftelijke stukken samenwerkt in het kader van praktijkleren; – vernieuwingstraject: een traject gericht op het gezamenlijk door ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen vernieuwen van de vorm, de inhoud en het proces van of de taakverdeling rondom het praktijkleren. Artikel 7.2 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan de deelnemers in een samenwerkingsverband beroepsonderwijs dat een project uitvoert dat bestaat uit een samenhangend geheel van activiteiten die zijn gericht op: a. het door ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen gezamenlijk ontwerpen en uitvoeren van een vernieuwingstraject of b. het duurzaam verankeren van het door ondernemers en beroepsonderwijsinstellingen gezamenlijk ontwikkelde vernieuwingstraject op basis van schriftelijke afspraken. Artikel 7.3 De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten. Artikel 7.4 1 Het maximum subsidiebedrag bedraagt € 500.000 per subsidie-ontvanger. 2 Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die samen een subsidiebedrag van meer dan € 500.000 betreffen, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie. Artikel 7.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 7.6 Bij de toepassing van artikel 6 van het Kaderbesluit EZ-subsidies blijven de aanvullende vergoedingen op grond van de Regeling innovatiebox beroepsonderwijs 2006-2009 en de Regeling stagebox beroepsonderwijs 2006 tot en met 2010 buiten beschouwing. Artikel 7.7 De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is drie jaar voor de in artikel 7.2 genoemde activiteiten. Artikel 7.8 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. de voor rekening van de deelnemers blijvende subsidiabele kosten voor meer dan 60 procent voor rekening komen van de deelnemende ondernemers tezamen, dan wel van de deelnemende beroepsonderwijsinstellingen tezamen; b. de personele inbreng in de uitvoering van het project niet evenredig is verdeeld over de deelnemende beroepsonderwijsinstellingen en de deelnemende ondernemers; c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de financiële haalbaarheid van het project; d. onvoldoende aannemelijk is dat de samenwerking leidt tot verbetering van het praktijkleren; e. de kosten van het project niet in verhouding zijn met de activiteiten en de te verwachten resultaten, met name voor de MKB-ondernemers; f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de structurele voortzetting van de activiteiten, bedoeld in artikel 7.2, onderdeel b, indien het project mede is gericht op duurzame verankering als daar bedoeld. 2 De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen a, b, d, e en f, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing. Artikel 7.9 In afwijking van artikel 46, vierde lid, en 47, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt het voorschot 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag. Artikel 7.10 De subsidieontvanger neemt deel aan de jaarlijkse bijeenkomst van projectleiders voor projecten die wordt georganiseerd door het Ministerie van Economische Zaken in het kader van deze regeling en brengt op deze bijeenkomst verslag uit omtrent de uitvoering van het project. Artikel 7.11 1 De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde project, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. 2 De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling. Artikel 7.12 De subsidie-ontvanger is verplicht binnen drie maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening te starten met de activiteiten, bedoeld in artikel 7.
  31. Artikel 7.13 Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor: a. een subsidie is opgenomen in bijlage 7.1; b. een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 5.
  32. Hoofdstuk 8 Garantie scheepsnieuwbouwfinanciering Artikel 8.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: − contractprijs: de tussen opdrachtgever en scheepswerf overeengekomen prijs voor de bouw van een schip, met inbegrip van stelposten voor zover daarvoor in het contract vaste of geschatte bedragen zijn opgenomen en met uitzondering van de eventueel verschuldigde omzetbelasting; − kredietbedrag: het bedrag dat op grond van de kredietovereenkomst als krediet wordt verstrekt ten behoeve van de bouw in Nederland van een nieuw schip; − kredietovereenkomst: schriftelijke overeenkomst tussen een scheepswerf en een financier waarbij de financier op verzoek van de scheepswerf krediet verstrekt aan de scheepswerf voor de bouw in Nederland van een nieuw schip; − opdrachtgever: natuurlijke of rechtspersoon die opdracht heeft gegeven tot de bouw van een schip; − scheepswerf: een ondernemer die schepen ontwerpt, ontwikkelt, bouwt en uitrust, hetzij zelfstandig, hetzij deel uitmakend van een groep; − schip: een zichzelf voortstuwend schip, met een minimaal vermogen van 365 kW of een minimaal tonnage van 500 bruto ton, niet zijnde een schip dat overeenkomstig zijn fundamentele en technisch vermogen is bedoeld om voor militaire doeleinden te worden gebruikt. Artikel 8.2 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als financier aangewezen een bank, niet zijnde een bank die uitsluitend beleggingsonderneming is. Artikel 8.3 1 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het verstrekken van een krediet aan een scheepswerf ten behoeve van de bouw in Nederland van een nieuw schip. 2 De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantstelling. Artikel 8.4 1 Er wordt garant gestaan voor maximaal 80 procent van de financiële verplichtingen die ingevolge artikel 2 van de overeenkomst tot garantstelling die is opgemaakt conform het model dat is opgenomen in bijlage 8.1, onder de garantstelling vallen. 2 Er wordt niet garant gestaan voor de kosten die de financier in rekening brengt aan de scheepswerf, met uitzondering van de kosten ten behoeve van de financiering van de bouw van het schip. Artikel 8.5 1 Er is een Adviescommissie Garantieregeling scheepsnieuwbouwfinanciering die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent: a. de afwijzingsgronden voor aanvragen om garantstelling, bedoeld in artikelen 22 en 24 van het Kaderbesluit EZ-subsidies en bedoeld in artikel 8.7; b. de bepaling van het tarief van de provisie bedoeld in artikel 8.10, tweede lid. 2 De commissie bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. 3 De voorzitter en de andere leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. Artikel 8.6 1 De financier dient de aanvraag om een garantstelling in binnen zeven werkdagen na het sluiten van de kredietovereenkomst. 2 De minister stuurt de financier binnen vijf werkdagen een bevestiging van ontvangst van de aanvraag. Artikel 8.7 De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien: a. ten laste van de Staat een garantstelling, borgstelling, verzekering of herverzekering voor een kredietovereenkomst voor de bouw van hetzelfde schip is afgegeven; b. de contractprijs minder dan € 3.000.000 of meer dan € 100.000.000 bedraagt; c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van de bouw van het schip; d. het kredietbedrag meer dan 80 procent van de contractprijs betreft; e. de kredietovereenkomst ten aanzien van het kredietbedrag een looptijd heeft van meer dan 36 maanden of de looptijd van de kredietovereenkomst langer is dan de termijn voor de bouw en technische-/financiële oplevering van het schip; f. de financier op het moment van het verstrekken van het kredietbedrag waarvoor de Staat garant staat een lopende financieringsfaciliteit verlaagt; g. de financier onvoldoende naar normaal bankgebruik te vestigen zekerheden heeft gevestigd of zal vestigen bij de verstrekking van het kredietbedrag aan de scheepswerf; h. door de verlening van de garantstelling het totaal van de op grond van dit hoofdstuk verleende garantstellingen ten behoeve van de scheepswerf of van de groep, waartoe deze scheepswerf behoort, meer zou bedragen dan 30 procent van het subsidieplafond; i. gegronde vrees bestaat dat de scheepswerf zich in financiële moeilijkheden bevindt; j. de rentabiliteits- en continuïteitsperpectieven van de scheepswerf onvoldoende bevredigend zijn; k. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de scheepswerf de capaciteiten heeft om de bouw van het schip naar behoren uit te voeren; l. uit het contract tussen de opdrachtgever en de scheepswerf die de opdracht zal uitvoeren niet blijkt dat de opdrachtgever, ter zake van de opdracht waarvoor de scheepswerf een kredietovereenkomst heeft afgesloten, voorafgaand aan een uitbetaling van het krediet op grond van de kredietovereenkomst, een of meer aanbetalingen doet ter hoogte van ten minste 5 procent van de contractprijs; m. uit het contract tussen de opdrachtgever en de scheepswerf die de opdracht zal uitvoeren niet blijkt dat de aanbetaling door de opdrachtgever, ter zake van de opdracht waarvoor de scheepswerf een kredietovereenkomst heeft afgesloten, oploopt tot ten minste 20 procent van de contractprijs tot aflevering van het schip; n. van de bouw van het schip onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn. Artikel 8.8 De minister verdeelt het subsidieplafond voor het stellen van garanties op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 8.9 Het model voor de overeenkomst tot garantstelling is opgenomen in bijlage 8.
  33. Artikel 8.10 1 Het tarief van de provisie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt jaarlijks tussen 0,39 procent en 4,19 procent van het bedrag dat op enig moment gedurende de bouw van een schip op basis van een kredietovereenkomst daadwerkelijk door een scheepswerf als krediet is opgenomen. 2 De minister bepaalt in de beschikking tot verlening van subsidie in de vorm van een garantstelling het tarief per individuele garantstelling. 3 Het tarief, bedoeld in het tweede lid, wordt zodanig vastgesteld dat: a. het marktconform is; b. de provisie zowel de met de garantstelling verbonden risico´s als de beheerskosten dekt; c. rekening wordt gehouden met een realistische risicoanalyse. Artikel 8.11 De minister beziet eenmaal per jaar of de in dit hoofdstuk gestelde vereisten moeten worden herzien. Artikel 8.12 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om garantstelling is opgenomen in bijlage 8.
  34. Hoofdstuk 9 Veiligheid kleine bedrijven § 1 Algemeen Artikel 9.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – veiligheidsadviseur: een onafhankelijke veiligheidsdeskundige: 1°. die een diploma, certificaat of andere titel heeft behaald in ten minste één van de in bijlage 9.1 opgenomen opleidingen of in een gelijkwaardige opleiding; 2°. die de cursus Adviseur Veiligheid Kleine Bedrijven van het Ministerie van Economische Zaken heeft gevolgd; 3°. die een recente verklaring omtrent gedrag, een recente verklaring van betrouwbaarheid of een door een bestuursorgaan afgegeven vergelijkbaar document met ten minste een gelijkwaardige betrouwbaarheid kan overleggen; 4°. die voldoet aan de in bijlage 9.2 opgenomen gedragscode; 5°. waarvan gebleken is dat de door hem gemaakte veiligheidsscans van voldoende kwaliteit zijn; 6°. die tenminste vijf jaren relevante ervaring als veiligheidsadviseur heeft. – veiligheidsmaatregelen: de in een veiligheidsscan genoemde maatregelen ten behoeve van de preventie van criminaliteit; – veiligheidsscan: een door een veiligheidsadviseur uitgevoerd onderzoek naar te nemen maatregelen ten behoeve van de preventie van criminaliteit in één of meer vestigingen van een MKB-ondernemer of in de voor de bedrijfsvoering van een MKB-ondernemer relevante bedrijfsmiddelen en waarin in ieder geval wordt ingegaan op de te nemen organisatorische, bouwkundige, elektronische en digitale maatregelen en hun onderlinge samenhang. Artikel 9.2 Een subsidie die op grond van dit hoofdstuk wordt verstrekt valt onder de de-minimis verordening. § 2 Subsidie voor een veiligheidsscan Artikel 9.3 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer die een veiligheidsscan heeft laten uitvoeren. Artikel 9.4 De subsidie voor de veiligheidsscan bedraagt €
  35. Artikel 9.5 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 9.6 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. aan de MKB-ondernemer voor dezelfde vestiging of hetzelfde bedrijfsmiddel reeds eerder subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk; b. de MKB-ondernemer geen Kamer van Koophandel-nummer heeft; c. de aanvrager een MKB-ondernemer zonder vestigingen is, die meer dan tien fulltime-equivalents werknemers in dienst heeft; d. de aanvrager een MKB-ondernemer met minder dan zes vestigingen is en bij één of meer van die vestigingen meer dan tien fulltime-equivalents werknemers in dienst zijn; e. de MKB-ondernemer meer dan vijf vestigingen heeft; f. de veiligheidsscan niet wordt uitgevoerd ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van de MKB-ondernemer in Nederland; g. de veiligheidsscan geen betrekking heeft op de bedrijfsuitoefening van de MKB-ondernemer; h. de aanvrager geen KvK-nummer heeft voor de vestiging waarvoor subsidie wordt aangevraagd; i. reeds eerder subsidie is verstrekt op grond van dit hoofdstuk voor een vestiging op hetzelfde adres van een tot de groep van de MKB-ondernemer behorende onderneming; j. de adresgegevens van de vestiging in het handelsregister niet overeenkomen met de adresgegevens van de vestiging in de aanvraag; k. de veiligheidsscan op het moment van de ontvangst van de aanvraag ouder is dan negen maanden; l. reeds subsidie is verstrekt door de Minister van Veiligheid en Justitie. 2 De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen b, c, d, e, f en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing. § 3 Subsidie voor veiligheidsmaatregelen Artikel 9.7 De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer voor het treffen van één of meer in een veiligheidsscan opgenomen veiligheidsmaatregelen. Artikel 9.8 De subsidie voor de veiligheidsmaatregelen bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, maar niet meer dan €
  36. Artikel 9.9 1 In afwijking van artikel 10 van het Kaderbesluit EZ-subsidies komen voor subsidie in aanmerking: a. de rechtstreeks aan de veiligheidsmaatregelen toe te rekenen gemaakte kosten van derden; b. de periodiek terugkerende kosten van de koop van zaken ter uitvoering van de veiligheidsmaatregelen; c. de overige periodiek terugkerende kosten met betrekking tot de veiligheidsmaatregelen voor het eerste jaar. 2 Onderhoudskosten komen niet voor subsidie in aanmerking. 3 In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies komen voor de aanvraag gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking. 4 Artikel 10, derde en vijfde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing. Artikel 9.10 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 9.11 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien: a. geen subsidie aan de MKB-ondernemer is verstrekt op grond van artikel 9.3; b. de aanvraag om subsidie niet is ontvangen binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening; c. aan de MKB-ondernemer reeds subsidie is verstrekt voor het treffen van één of meer veiligheidsmaatregelen die in dezelfde veiligheidsscan zijn opgenomen. 3 In afwijking van het eerste lid, onder a, wordt de aanvraag niet afgewezen, indien voor de uitgevoerde veiligheidsscan subsidie is verstrekt door de Minister van Veiligheid en Justitie. 3 De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor zover: a. een veiligheidsmaatregel wettelijk niet is toegestaan; b. de veiligheidsmaatregelen niet zijn getroffen ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van de MKB-ondernemer in Nederland; c. de veiligheidsmaatregelen geen betrekking hebben op de bedrijfsuitoefening van de MKB-ondernemer; d. de veiligheidsadviseur betrokken is bij de verwezenlijking van de in zijn veiligheidsscan opgenomen veiligheidsmaatregelen; e. een veiligheidsmaatregel bestaat uit het plaatsen van een camerabewakingsysteem zonder bijbehorend door de leverancier of installateur voor de vestiging opgesteld organisatorisch plan; f. de MKB-ondernemer voorafgaand aan de veiligheidsscan een verplichting is aangegaan met betrekking tot een veiligheidsmaatregel waarvoor subsidie wordt aangevraagd. § 4 Formulieren Artikel 9.12 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om: a. subsidie op grond van artikel 9.3 is opgenomen in bijlage 9.3; b. subsidie op grond van artikel 9.7 is opgenomen in bijlage 9.
  37. Hoofdstuk 9a Vroegefasefinanciering § 1 Algemene bepalingen Artikel 9a.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – academische innovatieve starter: innovatieve starter van wie de economische activiteiten rechtstreeks en onmiddellijk voortkomen uit onderzoek van een universiteit, een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van de Bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 4.1 van het Reglement NWO 2002, een onderzoeksinstituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, het Nederlands Kanker Instituut, het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek te Nijmegen, onderzoekers van de Dubble-bundellijn bij de European Synchrotron Radiation Facility te Grenoble, Frankrijk, het Naturalis Biodiverity Center, of het Advanced Research Centre for NanoLithography, hetgeen blijkt uit een overeenkomst gesloten tussen de innovatieve starter en de desbetreffende universiteit, het desbetreffende academisch ziekenhuis, de desbetreffende onderzoeksorganisatie of het desbetreffende onderzoeksinstituut; – experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in paragraaf 2.2, onder g, van het O&O&I-steunkader; – innovatieve starter: ondernemer als bedoeld in paragraaf 5.4 van het O&O&I-steunkader; – O&O&I-steunkader: Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU 2006, C 323); – toekomstige investeerder: persoon die in het kader van een vernieuwingsfasetraject of een vroegefasetraject van plan is na uitvoering van het vernieuwingsfaseplan of het vroegefaseplan aan de aanvrager van de subsidie financiering te verstrekken voor een bedrag dat ten minste gelijk is aan het bedrag van de maximale hoofdsom, bedoeld in de artikelen 9a.5, 9a.10 en 9a.15, voor de fase na de vernieuwingsfase of de vroegefase; – vroegefaseplan: document waarin: a. de aanvrager van de subsidie uiteenzet op welke wijze en op welke termijn een uitvinding, een resultaat van een onderzoek, een idee of een concept zo kan worden ontwikkeld dat de toekomstige investeerder in staat is te besluiten tot de voorgenomen financiering, of; b. indien het gaat om een uiteenzetting van een academische innovatieve starter, de vragen van toekomstige financiers omtrent de ontwikkeling worden beantwoord zodat de toekomstige financiers over financiering kunnen besluiten; – vroegefasetraject: samenhangend geheel van activiteiten beschreven in het vroegefaseplan; – vernieuwingsfaseplan: document waarin wordt uiteengezet op welke wijze en op welke termijn de MKB-ondernemer door experimentele ontwikkeling komt tot de ontwikkeling of de verdere ontwikkeling van een product, proces of dienst op basis waarvan de toekomstige investeerder definitief kan besluiten tot financiering van het vervolgtraject; – vernieuwingsfasetraject: samenhangend geheel van activiteiten beschreven in het vernieuwingsfaseplan. Artikel 9a.2 Een subsidie die op grond van dit hoofdstuk wordt verstrekt valt onder het O&O&I-steunkader. Artikel 9a.3 1 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om subsidie door een MKB-ondernemer is opgenomen in bijlage 9a.
  38. 2 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om subsidie door een innovatieve starter is opgenomen in bijlage 9a.
  39. 3 Het formulier voor het indienen van een aanvraag om subsidie door een academische innovatieve starter is opgenomen in bijlage 9a.
  40. 4 De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 9a.8 bestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen in bijlage 9a.4 en andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van dit hoofdstuk. 5 De uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in de artikelen 9a.13 en 9a.20 bestaat uit een samenstelling van de standaardbepalingen die zijn opgenomen in bijlage 9a.5 en andere bepalingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van dit hoofdstuk. § 2 MKB-ondernemer Artikel 9a.4 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een MKB-ondernemer ten behoeve van de financiering van een vernieuwingsfasetraject. 2 Bij zijn aanvraag legt de MKB-ondernemer een verklaring van een toekomstige investeerder over die is opgesteld overeenkomstig het model dat in bijlage 9a.6 is opgenomen. 3 De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt 24 maanden. 4 Geen subsidie wordt verstrekt: a. indien voor het vernieuwingsfasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt; b. indien met de uitvoering van het vernieuwingsfasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag. Artikel 9a.5 1 De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan: a. 35 procent van de door de MKB-ondernemer die een middelgrote onderneming in stand houdt voorziene kosten van het vernieuwingsfasetraject doch ten hoogste € 122.500; b. 45 procent van de door de MKB-ondernemer die een kleine onderneming in stand houdt voorziene kosten van het vernieuwingsfasetraject doch ten hoogste € 157.
  41. 2 De kosten gemaakt door de MKB-ondernemer als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vernieuwingstraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief. 3 Het vaste uurtarief bedoeld in het tweede lid is € 35 per uur. Artikel 9a.6 1 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien het vernieuwingsfasetraject geen experimentele ontwikkeling vormt; b. indien aannemelijk is dat de MKB-ondernemer de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen; c. indien onvoldoende aannemelijk is dat de toekomstige investeerder aan de hand van het vernieuwingsfaseplan het plan heeft opgevat de MKB-ondernemer te financieren of de toekomstige investeerder daar naar verwachting niet toe in staat zal zijn; d. voor zover de begrote kosten van het vernieuwingsfasetraject hoger zijn dan € 350.000 of 1°. lager zijn dan € 142.000 indien de MKB-ondernemer een middelgrote onderneming in stand houdt, of 2°. lager zijn dan € 110.000 indien de MKB-ondernemer een kleine onderneming in stand houdt; e. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de MKB-ondernemer een vernieuwingsfasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vernieuwingsfasetraject zal kunnen verkrijgen van de toekomstige investeerder; f. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de MKB-ondernemer de geldlening bedoeld in artikel 9a.4, eerste lid, kan terugbetalen. Artikel 9a.7 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 9a.8 1 De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen twee weken na die beschikking is ondertekend door de MKB-ondernemer. 2 De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. § 3 Innovatieve starter Artikel 9a.9 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een innovatieve starter ten behoeve van de financiering van een vroegefasetraject. 2 Bij zijn aanvraag legt de innovatieve starter een verklaring van een toekomstige investeerder over die is opgesteld overeenkomstig het model dat in bijlage 9a.6 is opgenomen. 3 De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt 24 maanden. 4 Geen subsidie wordt verstrekt: a. indien voor het vroegefasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt; b. indien met de uitvoering van het vroegefasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag. Artikel 9a.10 1 De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan het totaal van de door de innovatieve starter voorziene kosten voor het vroegefasetraject doch ten hoogste € 350.
  42. 2 De kosten gemaakt door de innovatieve starter als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vroegefasetraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief. 3 Het vaste uurtarief bedoeld in het tweede lid is € 35 per uur. Artikel 9a.11 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien aannemelijk is dat de innovatieve starter de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen; b. indien onvoldoende aannemelijk is dat de toekomstige investeerder aan de hand van het vroegefaseplan het plan heeft opgevat de innovatieve starter te financieren of de toekomstige investeerder daar naar verwachting niet toe in staat zal zijn; c. voor zover de voorziene kosten van het vroegefasetraject hoger zijn dan € 350.000 of lager zijn dan € 50.000; d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de innovatieve starter het vroegefasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vroegefasetraject zal kunnen verkrijgen van de toekomstige investeerder; e. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de innovatieve starter de geldlening bedoeld in artikel 9a.9, eerste lid, kan terugbetalen. Artikel 9a.12 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Artikel 9a.13 1 De subsidieverlening vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen twee weken na die beschikking is ondertekend door de innovatieve starter. 2 De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. § 4 Academische innovatieve starter Artikel 9a.14 1 De minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een academische innovatieve starter ten behoeve van de financiering van een vroegefasetraject. 2 Bij zijn aanvraag legt de academische innovatieve starter: a. een rapport van een haalbaarheidsstudie over; b. een overeenkomst over als bedoeld in de definitie van academische innovatieve starter in artikel 9a.
  43. 3 De termijn, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt 24 maanden. 4 Geen subsidie wordt verstrekt: a. indien voor het vroegefasetraject reeds door de minister subsidie is verstrekt; b. indien met de uitvoering van het vroegefasetraject is begonnen voor de datum van de aanvraag. Artikel 9a.15 1 De subsidie bestaat uit een geldlening voor een bedrag gelijk aan het totaal van de door de academische innovatieve starter voorziene kosten voor het vroegefasetraject doch ten hoogste € 250.
  44. 2 De kosten gemaakt door de academische innovatieve starter als natuurlijke persoon worden berekend door het aantal uren dat hij ten behoeve van het vroegefasetraject heeft gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief. 3 Het vaste uurtarief bedoeld in het tweede lid is € 35 per uur. Artikel 9a.16 De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien aannemelijk is dat de academische innovatieve starter de financiering waarvoor de aanvraag is ingediend niet zelf heeft of kan verkrijgen bij anderen; b. voor zover de voorziene kosten van het vroegefasetraject hoger zijn dan € 250.000 of lager dan zijn € 50.000; c. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de academische innovatieve starter het vroegefasetraject in uitvoeringstechnische zin zo zal kunnen voltooien dat hij financiering voor de fase na het vroegefasetraject zal kunnen verkrijgen; d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de academische innovatieve starter de geldlening, bedoeld in artikel 9a.14, eerste lid, kan terugbetalen. Artikel 9a.17 1 Er is een Adviescommissie vroegefasefinanciering academische innovatieve starters die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de beoordeling van de aanvragen op grond van de afwijzingsgronden voor aanvragen, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies en 9a.16, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 9a.
  45. 2 De commissie bestaat uit ten minste 3 en ten hoogste 20 leden. 3 De voorzitter en de andere leden van de commissies worden door de minister voor een termijn van ten hoogste 2 jaar benoemd. Artikel 9a.18 De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen. Artikel 9a.19 1 De minister rangschikt de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 9a.16 afwijzend is beslist, zodanig dat een vroegefasetraject hoger gerangschikt wordt naarmate: a. het commercieel perspectief van het vroegefasetraject groter is; b. de wetenschappelijke innovativiteit van het vroegefasetraject groter is; c. de kwaliteit van de academische innovatieve starter en het wetenschappelijk team dat betrokken is bij het vroegefasetraject hoger is; d. de kwaliteit van het vroegefasetraject hoger is. 2 Voor de rangschikking telt het criterium, genoemd in onderdeel a, voor 40 procent en de criteria, genoemd in de onderdelen b tot en met d, elk voor 20 procent. Artikel 9a.20 1 De subsidieverlening aan een academische innovatieve starter vindt plaats onder de opschortende voorwaarde dat de uitvoeringsovereenkomst die bij de beschikking tot verlening van de subsidie subsidiebeschikking is gevoegd en uit hoofde waarvan de geldlening wordt verstrekt binnen acht weken na die beschikking tot verlening van de subsidie is ondertekend door de academische innovatieve starter. 2 De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. § 4* Slotbepaling Artikel 9a.21 Dit hoofdstuk vervalt met ingang van 1 november 2018, met dien verstande dat dit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. Hoofdstuk 10 Slotbepalingen Artikel 10.0 1 Voor een startersfonds waaraan op grond van artikel 4.3 een subsidie is verstrekt voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de regeling van de Minister van Economische Zaken van 9 juli 2014, tot wijziging van de Subsidie-regeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen in verband met actualisatie van de subsidiemodule Seed capital technostarters (Stcrt. 2014, 19382) en waarvoor de overeenkomst van geldlening, bedoeld in artikel 4.5, nog geldig is, blijft deze regeling van toepassing, zoals deze gold voor dat tijdstip. 2 Op verzoek van een startersfonds als bedoeld in het eerste lid kan de overeenkomst van geldlening worden aangepast overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 4.2, indien de aanpassing heeft plaatsgevonden binnen vier maanden na het in het eerste lid bedoelde tijdstip. 3 Het tweede lid is niet van toepassing met betrekking tot het bepaalde in bijlage 4.2, artikel 5, eerste lid, onderdeel c. Artikel 10.1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari
  46. Artikel 10.2 Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 1.1, 2.5, 3.3, 3.4, 4.1, 5.2, 5.3, 7.1, 7.2 en 8.2, die ter inzage worden gelegd bij SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag. Den Haag 3 december 2008 De Minister van Economische Zaken, M.J.A. van derHoeven Bijlage 1.1 behorende bij artikel 1.2, eerste lid Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (ex Artikel A-130.7 VGC) van het NIVRA. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.
  47. Beschrijving integrale kostensystematiek Opzet systematiek 1.1 Welke kostendragers gebruikt de organisatie in de integrale kostensystematiek? 1.2 Hoe worden de indirecte kosten toegerekend aan de kostendragers? 1.3 Worden de jaarlijkse tarieven op basis van de integrale kostensystematiek voorcalculatorisch vastgesteld? Als de subsidie-ontvanger jaarlijks vooraf de tarieven vaststelt, is aan het begin van het jaar duidelijk wat de tarieven van dat jaar zijn. Deze tarieven worden gehanteerd bij begroting en ook bij de vaststelling van projecten. Als de subsidie-ontvanger niet met voorcalculatorische tarieven werkt dan toelichten. 1.4 Hoe worden de uitgangscijfers bepaald die voor de jaarlijkse berekening van de tarieven gebruikt worden? 1.5 Sinds wanneer wordt deze integrale kostensystematiek door de organisatie toegepast? 1.6 Is er een wijziging van de integrale kostensystematiek gepland en zo ja wanneer? Over personeelskosten 1.7 Is het personeel ingedeeld in tariefgroepen? Zo ja, welke? 1.8 Hoe wordt het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer berekend en wat is het aantal direct productieve uren per voltijd werknemer? Is dit aantal gelijk voor alle personen? Zo nee, licht toe. Over machines en apparatuur 1.9 Zijn de kosten voor machines en apparatuur onderdeel van de integrale kostensystematiek? Zo ja, geldt dat voor alle machines en apparatuur of zijn er ook machines en apparaten die in projecten als aparte post worden begroot?
  48. Basisvoorwaarden integrale kostensystematiek 2.1 De toerekeningssystematiek en -principes (verdeelsleutels en -mechanismen van indirecte kosten; normen voor percentages, etc.) worden in de hele organisatie stelselmatig toegepast. 2.2 Kosten worden op een bedrijfseconomische aanvaardbare en stelselmatige wijze aan kostendragers toegerekend. Deze toerekening is transparant en controleerbaar. 2.3 Specifieke indirecte kosten van bepaalde activiteiten worden niet toegerekend aan andere activiteiten. Bijvoorbeeld: specifieke indirecte kosten van onderwijsactiviteiten worden niet toegerekend aan onderzoeksactiviteiten en specifieke indirecte kosten van de marketingafdeling worden niet toegerekend aan R&D activiteiten. 2.4 Toerekenbare indirecte kosten worden evenredig omgeslagen over de activiteiten. 2.5 Directe kosten worden niet nogmaals meegenomen in de indirecte kosten. 2.6 In de systematiek zijn geen winstopslagen opgenomen1 2.7 In de systematiek zijn geen toeslagen voor risico’s opgenomen. 1 Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit EZ subsidies).
  49. Niet in de integrale kostensystematiek op te nemen kostencomponenten 3.1 Kosten van algemene research
  50. 3.2 Kosten die al door de overheid of derden zijn of worden gefinancierd. Bijvoorbeeld afschrijvingskosten van reeds gefinancierde gebouwen, installaties en apparatuur. 3.3 Kosten die het gevolg zijn van buitensporige of roekeloze uitgaven
  51. 3.4 Kosten die door crediteuren in rekening worden gebracht bij te laat betalen. 3.5 Kosten van incourante voorraden. 3.6 Kosten van vaste activa als gevolg van leegstand buiten de normale bezetting. 3.7 Kosten van externe subsidie-adviseurs voor zover deze specifiek betrokken zijn bij de aanvraag van individuele projecten. 3.8 Voorzieningen en reserveringen voor verliezen en schulden
  52. 3.9 Alle indirecte belastingen, waaronder BTW, voor zover die kunnen worden teruggevorderd of verrekend. 3.10 Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het afsluiten van leningen. 3.11 Bemiddelingskosten, transactiekosten en provisies bij het beleggen van geld. 3.12 Rentekosten, met uitzondering van rente voor gebouwen en technische installaties, mits toerekenbaar aan de subsidiabele activiteiten. 3.13 Rekenrente op met eigen vermogen gefinancierde activa4 3.14 Wisselkoersverliezen. 1 Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten. 2 Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. 3 Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva zijn dus niet uitgesloten. 4 Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden. Bijlage 2.1 Model overeenkomst als bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en artikel 2.9, eerste lid, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen (bedrijfsborgstellingskrediet; één bank) Model voor een bedrijfsborgstellingskredietovereenkomst met één bank Overeenkomst tussen:
  53. De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
  54. ......, hierna noemen: de Bank, Partijen zijn het volgende overeengekomen: Artikel 1 Definitiebepalingen
  55. De begrippen die in het Kaderbesluit EZ-subsidies en hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen zijn gedefinieerd hebben in deze overeenkomst de in deze regelingen gegeven betekenis.
  56. Voorts wordt in deze overeenkomst verstaan onder: a. bankfaciliteit: krediet of een deel van een krediet waarvoor de Staat niet borg of garant staat: 1°. op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies, het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, dan wel de Regeling LNV-subsidies; of 2°. vanwege de overname van de verplichtingen van Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw; b. bank-gelieerde: een rechtspersoon waaraan de Bank direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft of voor het handelen waarvan de Bank volledig aansprakelijk is, en die als Bank-gelieerde is vermeld in artikel 25 van deze overeenkomst; c. bedrijfsborgstellingskrediet: krediet of een deel van een krediet dat overeenkomstig artikel 6 is gemeld; d. de-minimissteun: steun van de overheid die voldoet aan de voorwaarden, vastgesteld in verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337) of verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector (PbEU L 193); e. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden: 1°. een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect: – meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan, – volledig aansprakelijk vennoot is van, of – overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en 2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen; f. innovatieve MKB-ondernemer: een MKB-ondernemer ten aanzien waarvan de Bank beschikt over een gewaarmerkte kopie van een verklaring als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en waarvan het origineel ten hoogste zestien maanden voor de datum waarop de kredietovereenkomst is gesloten is afgegeven, of een MKB-ondernemer ten aanzien waarvan de Bank beschikt over een advies van de minister waaruit blijkt dat de MKB-ondernemer is aan te merken als een innovatieve MKB-ondernemer; g. krediet: bedrag dat de Bank uit hoofde van een kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken; h. kredietovereenkomst: overeenkomst uit hoofde waarvan: 1°. de Bank aan een MKB-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of 2°. de MKB-ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op de Bank, of 3°. de Bank tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is of een Bank-gelieerde, onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de Bank van invloed is; i. minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; j. starter: 1°. een MKB-ondernemer, die een natuurlijk persoon is en die niet langer dan drie jaar een onderneming in stand houdt; 2°. een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal, tevens MKB-ondernemer, waarvan de bestuurder een natuurlijk persoon is die ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst direct of indirect de meerderheid van het geplaatst en gestort kapitaal houdt en deze meerderheid niet langer dan drie jaar houdt; k. starters-borgstellingskrediet: bedrijfsborgstellingskrediet dat uitsluitend wordt verstrekt aan een starter; l. uitwinning: 1°. uitwinning door de Bank, naar normaal bankgebruik, van de door de MKB-ondernemer aan de Bank verstrekte zekerheden; 2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Bank door de MKB-ondernemer van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, inning van vorderingen daaronder begrepen; en 3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer; 4°. indien het faillissement van de MKB-ondernemer is uitgesproken of aan hem surseance van betaling is verleend de onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder; m. liquiditeitsopslag: een door een financier aan een ondernemer in rekening gebracht percentage van de lening, waarvan de hoogte gelijk is voor alle door de desbetreffende financier op dezelfde dag afgesloten of af te sluiten leningen met dezelfde looptijd. Indien een dergelijk percentage niet beschikbaar is, zal in overleg met de financier een ander redelijk, transparant en verifieerbaar percentage worden vastgesteld. Artikel 2 Borgstelling De Staat stelt zich borg ten behoeve van de Bank voor de terugbetaling van bedrijfsborgstellingskredieten die met inachtneming van het Kaderbesluit EZ-subsidies en hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen en deze overeenkomst door de Bank worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen. Artikel 3 Voorwaarden bedrijfsborgstellingsovereenkomst
  57. De toepasselijkheid van deze borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen: a. indien het krediet is gemeld als bedoeld in artikel 6; b. indien binnen 35 dagen na het sluiten van de kredietovereenkomst de door de minister op grond van artikel 2.6 van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen vastgestelde provisie door de Bank aan de Staat is betaald; c. indien en voor zover door de melding, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de minister op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Subsidieregeling starten, groeien en overdragen van ondernemingen met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde meldingslimiet niet is overschreden; d. indien de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan de MKB-ondernemer, niet zijnde een natuurlijke persoon, zich borg heeft gesteld voor de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het bedrijfsborgstellingskrediet met een minimum van € 5.000; e. indien het bedrijfsborgstellingskrediet niet is bestemd en niet wordt gebruikt voor buitenlandse investeringen in distributiekanalen in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer; f. indien het bedrijfsborgstellingskrediet niet meer bedraagt dan het tekort aan zekerheden dat bij de Bank ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat; g. indien de kredietovereenkomst in schriftelijke vorm is aangegaan; h. indien de bank in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt een verplichting voor de MKB-ondernemer is opgenomen om alle medewerking te verlenen aan het uitoefenen door de Staat van de in artikel 20, eerste lid, genoemde bevoegdheden; i. indien de Bank in de door haar gesloten borgstellingsovereenkomst met betrekking tot de nakoming door de MKB-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de uit hoofde waarvan het bedrijfsborgstellingskrediet is verleend een beding ten behoeve van de Staat heeft opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de Staat en de Bank geen bedingen heeft opgenomen, ertoe leidende dat: 1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de Staat eerst zou moeten worden aangesproken, 2°. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van artikel 869, boek 7, Burgerlijk Wetboek; j. indien door de Bank gelijktijdig met het sluiten van de kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een bedrijfsborgstellingskrediet aan de MKB-ondernemer wordt verstrekt, met de MKB-ondernemer een kredietovereenkomst is gesloten uit hoofde waarvan de MKB-ondernemer over een bankfaciliteit beschikt, die niet bestemd is en niet gebruikt wordt voor de aflossing van bankfaciliteiten waarover de MKB-ondernemer beschikt bij de Bank of een Bank-gelieerde of aan een rechtspersoon waarmee de Bank in een groep verbonden is; k. indien de bankfaciliteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, ten minste 100 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet, of, 1°. ten minste 33,3 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet, indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking starter was; 2°. ten minste 50 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet indien het bedrijfsborgstellingskrediet wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer die ten tijde van de verstrekking innovatieve MKB-ondernemer was, of 3°. ten minste 33,3 procent bedraagt van het bedrijfsborgstellingskrediet, indien sprake is van een bedrijfsborgstellingskrediet, dat per kalenderjaar het bedrag van € 200.000 niet overschrijdt, indien de Bank bij de melding, bedoeld in artikel 6, heeft aangegeven hiervan gebruik te willen maken; l. indien de looptijd van de onder k bedoelde bankfaciliteit ten minste even lang is als de looptijd van het bedrijfsb

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.