← Nederland

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 (Overijssel)

Kort samengevat

Dit besluit regelt de uitvoering van subsidies die de provincie Overijssel verstrekt, door algemene bepalingen en begripsomschrijvingen vast te stellen. Het treedt in werking op 1 januari 2017 en vervangt het eerdere uitvoeringsbesluit uit 2011.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben besloten: het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011 per 1 januari 2017 in te trekken; het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssl 2017 vast te stellen en inwerking te laten treden op 1 januari

  1. Het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2017 luidt als volgt: Uitvoeringsbesluit Subsidies Overijssel 2017 Hoofdstuk1Algemeen Paragraaf1.1Algemene bepalingen Artikel1.1.1.Begripsomschrijvingen Toelichting: In dit artikel wordt de betekenis van een aantal begrippen omschreven, die vaker in dit Uitvoeringsbesluit subsidies worden gehanteerd. Begrippen die in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) al worden omschreven, zijn niet in dit Uitvoeringsbesluit subsidies herhaald. In dit Uitvoeringsbesluit 2017 wordt verstaan onder: AGVV: de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (EG) nr. 651/2014, Pb L187/1 van de Europese Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard; Asv: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005; Toelichting: Subsidies die niet op basis van een subsidieparagraaf worden verstrekt maar op basis van de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 (Asv), worden ook wel Asv-subsidies genoemd. De Asv en het Ubs zijn een wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23 Awb). Awb: de Algemene wet bestuursrecht; de-minimisverordening: de Verordening (EU) 1407/2013 van de Europese Commissie van 24 december 2013, betreffende de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op de-minimissteun; Toelichting: Subsidie kan geoorloofde staatssteun zijn als het valt onder een Europese vrijstellingsverordening. Welke vrijstelling precies van toepassing is, wordt in de betreffende subsidieparagraaf of in de verleningsbeschikking vermeld. de-minimisverordening landbouw: de Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector; de-minimisverordening visserij: de Verordening (EU) Nr. 717/2014 de Europese Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Overijssel; LVV: de Landbouw vrijstellingsverordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014, Pb L193/1, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard mede-overheden: de gemeenten, waterschappen, andere provincies en de rijksoverheid; Toelichting: Hier wordt een verschil gemaakt tussen gemeenten en waterschappen aan de ene kant en diverse vormen van (semi-)overheden aan de andere kant, zoals overheidsvennootschappen, geprivatiseerde overheidsonderdelen, zelfstandige bestuursorganen e.d. Ook een gemeenschappelijke regeling zoals bedoeld in de wet Gemeenschappelijke Regelingen, al of niet met private partners, valt niet onder het begrip mede-overheden. Mkb-onderneming : een micro-, kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in de Aanbeveling van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, PbL124/36; Toelichting: tot de categorie MKB-ondernemingen vallen volgens de definitie van de Europese Commissie ondernemingen met minder dan 250 personeelsleden of een jaaromzet van minder dan 50 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van niet meer dan 43 miljoen euro Omgevingsvisie: de op 1 juli 2009 door Provinciale Staten vastgestelde visie en het uitvoeringsprogramma voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel, inclusief de actualisatie zoals door Provinciale Staten vastgesteld op 3 juli
  2. Toelichting: De Omgevingsvisie is te vinden op www.overijssel.nl/thema's/ruimtelijke/omgevingsvisie/. onderneming: een natuurlijke of rechtspersoon die tegen betaling een product of dienst op de markt brengt, ongeacht de rechtsvorm of de wijze van financiering; onderneming in moeilijkheden: een onderneming als bedoeld in artikel 2 lid 18 van de AGVV dan wel artikel 2 lid 14 van de LVV; Toelichting: Daarvan is sprake als zich ten minste één van de volgende omstandigheden voordoet: in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een MKB-onderneming die minder: dan drie jaar bestaat, of wanneer het erom gaat in aanmerking te komen voor risicofinancieringssteun, een MKB-onderneming binnen zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop die in aanmerking komt voor risicofinancieringsinvesteringen na een boekenonderzoek door de geselecteerde financiële intermediair) wanneer meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal. Voor de toepassing van deze bepaling worden met ”vennootschap met beperkte aansprakelijkheid" met name de in bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU

(1)bedoelde rechtsvormen van ondernemingen bedoeld en omvat het „aandelenkapitaal" ook het eventuele agio; in het geval van een onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming (niet zijnde: een MKB-onderneming die minder dan drie jaar bestaat of, wanneer het erom gaat in aanmerking te komen voor risicofinancieringssteun, een MKB-onderneming binnen zeven jaar na haar eerste commerciële verkoop die in aanmerking komt voor risicofinancieringsinvesteringen na een boekenonderzoek door de geselecteerde financiële intermediair) wanneer meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door de gecumuleerde verliezen is verdwenen. Voor de toepassing van deze bepaling worden met „een onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming" met name de in bijlage II bij Richtlijn 2013/34/EU bedoelde rechtsvormen van ondernemingen bedoeld; wanneer tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure loopt of de onderneming volgens het nationale recht aan de criteria voldoet om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen; wanneer de onderneming reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, dan wel herstructureringssteun heeft ontvangen en nog steeds in een herstructureringsplan zit. Toelichting: Van een onderneming in moeilijkheden is sprake: in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een mkb die minder dan drie jaar bestaat) als meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatieve uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal; in het geval van een onderneming als ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat) wanneer meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door de gecumuleerde verliezen is verdwenen; wanneer tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure loopt of de onderneming volgens het nationale recht aan de criteria voldoet om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen; . wanneer de onderneming reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, dan wel herstructureringssteun heeft ontvangen en nog steeds in een herstructureringsplan zit; e. in het geval van een onderneming die geen kmo is als de afgelopen twee jaar: 1. de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de onderneming, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg, en 2. de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,0. subsidie: een subsidie als bedoeld in artikel 4:21 Awb, die voor een bepaalde termijn wordt verstrekt. Toelichting: De provincie verstrekt geen structurele subsidies. Afdeling 4.2.8 Awb ‘Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen’ is om die reden op provinciale subsidies niet van toepassing. De ‘bepaalde termijn’ wordt opgenomen in de subsidiebeschikking en is afhankelijk van de soort activiteit; dat kan om die reden variëren van een dag tot een aantal jaren voor grotere (infrastructurele) projecten. Als het gaat om jaarlijks min of meer doorlopende activiteiten is de gebruikelijke ‘bepaalde termijn’ maximaal vier jaar. Voor de periode van vier jaar is gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de zittingstermijn van Provinciale Staten (hoewel die termijnen uiteraard niet helemaal gelijk hoeven te lopen), alsmede de looptijd van beleidsnota’s én het een goede termijn is om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die nog steeds met de verstrekte subsidies worden gediend. Een subsidie kan ook in de vorm van een garantstelling of een niet-marktconforme lening worden verstrekt; in dat geval is in de subsidieparagraaf of in de verleningsbeschikking vermeld hoe die garantstelling of gunstiger leningvoorwaarden er uit zien.] subsidiabele kosten: de kosten die bij het verlenen en vaststellen van de subsidie in aanmerking komen voor de berekening van de hoogte van de subsidie; subsidieperiode: de periode vanaf de datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de verleningsbeschikking of vaststellingsbeschikking opgenomen datum waarop de subsidiabele activiteit is uitgevoerd; Ubs: Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel. Artikel1.1.2.Toepassingsbereik Toelichting: Omdat het vereiste van een wettelijke grondslag niet in alle gevallen kan worden gesteld, maakt het derde lid van artikel 4:23 Awb enkele belangrijke uitzonderingen, de zogenaamde buitenwettelijke subsidies. Om ervoor te zorgen dat naast de Awb ook de bepalingen van de Algemene subsidieverordening of dit Uitvoeringsbesluit subsidies gelden voor het verstrekken van deze subsidies is de reikwijdte hiervan uitdrukkelijk benoemd. In artikel 6 van de Algemene subsidieverordening zijn afwijkingsmogelijkheden van bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening opgenomen. Wanneer naast de provincie ook andere overheden of derden subsidiëren, kan een subsidieontvanger te maken krijgen met niet op elkaar afgestemde subsidiebepalingen. Elke subsidiënt heeft immers vaak zijn eigen specifieke bepalingen. In dat geval wordt bij de behandeling van Europese subsidies de Europese regelgeving gevolgd. Voor alle overige subsidies geldt dat Gedeputeerde Staten in de subsidiebeschikking door maatwerk één of meerdere bepalingen van de verordening of het uitvoeringsbesluit buiten toepassing kunnen laten om de toepassing van conflicterende bepalingen te voorkomen. De van de algemene reikwijdte uitgezonderde wettelijke grondslagen hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij door hun aard niet aansluiten bij de bepalingen in dit Uitvoeringsbesluit subsidies. Dit Uitvoeringsbesluit subsidies is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van subsidies op basis van de volgende wettelijke grondslagen: Regeling POP 3 subsidies provincie Overijssel; Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel; Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Overijssel; Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer 2016; Subsidieregeling Rivierdijken; Subsidieverordening Bodemsanering Bedrijfsterreinen Overijssel; Subsidieverordening Innovatiefonds Overijssel II B.V.; Subsidieverordening Innovatiekrediet Overijssel; Wet personenvervoer 2000. Artikel1.1.3.Subsidieplafond Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieplafond vaststellen. Toelichting: Artikel 5 van de Algemene subsidieverordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. Gedeputeerde Staten zullen voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidieparagrafen een subsidieplafond vaststellen dat voor een heel kalenderjaar geldt. De Awb gaat er van uit dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóór dat de periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers weten hoeveel geld er beschikbaar is. Artikel1.1.4Wijze van verlening Toelichting: Hoofdregel is dat subsidieaanvragen worden beoordeeld op volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag. In het aanvraagformulieren worden gegevens gevraagd die nodig zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. In het aanvraagformulier kan ook om mee te sturen bijlagen worden gevraagd. Als daaraan is voldaan, is een aanvraag volledig. Wanneer een aanvraag niet volledig is wordt om aanvulling gevraagd. Als ook na de gevraagde aanvulling sprake is van onvoldoende gegevens om de aanvraag te kunnen beoordelen, wordt de aanvraag op basis van artikel 4:5 Awb buiten behandeling gelaten. De datum waarop de gevraagde gegevens zijn ontvangen, is de datum waarop de aanvraag als volledig wordt beschouwd. Deze datum is van belang om te bepalen welke aanvraag als eerst inhoudelijk beoordeeld wordt en daarmee ook bepalend voor de volgorde waarin de subsidies verleend worden. Bij de inhoudelijk beoordeling kan blijken dat er nog een toelichting op de gegevens nodig is; de aanvrager wordt in dat geval daartoe in de gelegenheid gesteld. Komt die toelichting er niet of is er na ontvangst daarvan nog steeds onduidelijkheid, dan kan de aanvraag gemotiveerd worden afgewezen omdat onvoldoende duidelijk aan de regels uit dit Uitvoeringsbesluit subsidies is voldaan.Omdat de aanvraag al eerder als volledig is beschouwd heeft het vragen van een nadere toelichting geen invloed op de volgorde waarin de subsidies worden verstrekt. Gedeputeerde Staten kunnen in een bijzondere subsidieparagraaf afwijken van de hoofdwijze van verlening van de subsidie, door bijvoorbeeld te kiezen voor een verlening op basis van een vastgestelde kwaliteitsvolgorde, de zogenoemde tendersystematiek. Bij een tendersystematiek worden alle aanvragen die op de sluitingsdatum van de tender volledig waren met elkaar vergeleken en de hoogst scorenden in de ranking krijgen subsidie totdat het beschikbare subsidieplafond bereikt is. Bij de tendersystematiek kan een onvolledige aanvraag na sluitingsdatum om die reden alleen nog aangevuld worden voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Het gaat dan om bijvoorbeeld een ontbrekende handtekening onder de aanvraag, een bankrekeningbewijs of andere gegevens die geen invloed hebben op de inhoud van de activteiten of de financiering ervan. 1.Gedeputeerde Staten verlenen subsidie, voorzover het subsidieplafond dit toelaat, in volgorde van ontvangst van volledige aanvragen. 2.Een aanvraag wordt als volledig beschouwd als: het voorgeschreven aanvraagformulier is ingevuld; en de gegevens zoals genoemd in artikel 1.2.1 en eventuele aanvullende gegevens die gevraagd worden in de betreffende subsidieparagraaf zijn overgelegd. Artikel1.1.5.Subsidiabele kosten 1.Loonkosten van medewerkers in dienst van de aanvrager zijn subsidiabel als deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, doelmatig en aantoonbaar zijn én de berekening ervan gebaseerd is op één van de volgende systematieken: Toelichting: Loonkosten zijn subsidiabel, indien de urenadministratie en de toerekening van kosten een getrouw beeld geven. Dat wil zeggen dat aangetoond moet kunnen worden dat de verantwoorde uren ook voor de gesubsidieerde activiteiten zijn gewerkt. Voor de berekening van de loonkosten wordt waar het kan aangesloten bij de praktijk en administratie van de subsidieontvanger. Dat brengt met zich mee dat ook de gangbare invulling daarvan geldt: onder ‘directe loonkosten’ vallen dan het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen. De keuze is aan de subsidieaanvrager welk van de in het eerste lid onder sub a of b genoemde systematieken gehanteerd wordt. volgens de loonkosten plus opslag. Voor de berekening van de loonkosten op deze wijze wordt de volgende formule gehanteerd: directe loonkosten per jaar delen door 1.600 uren per fulltime medewerker, vermeerderd met maximaal 40% als vergoeding voor de indirecte kosten; Toelichting: Hierbij vormen de loonstaten per medewerker die deelneemt aan het project de basis voor de berekening van de subsidiabele loonkosten. Het aantal productieve uren en percentage indirecte kosten (overhead) opslag waarmee het uurtarief mag worden berekend is maximaal 40%. . het hanteren van een vast uurtarief van € 35 voor eigen werkzaamheden, directe loonkosten of voor arbeidskosten van personen waarvan het loon niet eenduidig bepaald kan worden. Toelichting: De subsidieaanvrager kan een vast uurtarief van € 35 hanteren voor loonkosten van personen waarvan het loon niet eenduidig bepaald kan worden.Dit uurtarief geldt ook voor bijvoorbeeld zzp-ers en andere vormen van inzet van arbeid die noch in loondienst zijn gemaakt noch als kosten derden zijn aan te merken.. 2.Kosten voor het gebruik van machines en apparatuur, zijn naar rato van het gebruik subsidiabel indien deze rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn. Dit geldt voor zowel machines en apparatuur die in bezit zijn als voor machines en apparatuur die nog worden aangeschaft ten behoeve van de te subsidiëren activiteit. Toelichting: Kosten die gemaakt worden voor gebruik van apparatuur ten behoeve van de subsidiabele activiteit zijn subsidiabel . Onder apparatuur vallen apparaten en machines, maar bijvoorbeeld ook bijkomende kosten zoals licenties voor software maar ook de eventuele onderhoudskosten van een machine of apparatuur. De kosten voor het gebruik van de apparatuur zijn naar rato van gebruik subsidiabel. Dit betekent dat de kosten niet volledig opgevoerd mogen worden indien de apparatuur breder ingezet wordt dan alleen voor de subsidiabele activiteit. Ook de eventuele afschrijvingskosten worden naar rato van gebruik opgenomen als kosten. 3.Kosten van derden zijn subsidiabel indien deze kosten op factuur aantoonbaar aan een onafhankelijke derde verschuldigd zijn, rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit zijn toe te rekenen zijn, doelmatig zijn en betrekking hebben op activiteiten die binnen de subsidieperiode uitgevoerd zijn. Het maximaal subsidiabele uurtarief van derden is € 130 exclusief Btw. Toelichting: Dit zijn de op factuur aantoonbare aan derden verschuldigde kosten die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt en doelmatig zijn, bijvoorbeeld door uitbesteding van een deel van de subsidiabele activiteit of in de vorm van kosten van voor de subsidiabele activiteit geleverde materialen, diensten en inhuur personeel. Doelmatig betekent onder andere dat het resultaat geleverd wordt tegen zo min mogelijke kosten. Daarnaast moeten de kosten worden gemaakt en de dienst of producten worden geleverd door een onafhankelijke derde. Er is bijvoorbeeld sprake van onafhankelijkheid als er: geen onderlinge band is tussen de aanvrager en de derde. De derde kan zelfstandige besluiten nemen zonder dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen de derde en de subsidieaanvrager; geen sprake is van een dochter-/zuster-/moederonderneming die als derde wordt betrokken. 4.Kosten voor de inzet van vrijwilligers zijn alleen subsidiabel als ze op factuur aantoonbaar zijn. Toelichting: Te denken valt bijvoorbeeld aan kosten als verzekeringspremie voor vrijwilligerinzet, lunches en andere kosten die door de aanvrager gemaakt worden om inzet van vrijwilligers te faciliteren. Het gaat hierbij niet om een vergoeding voor de inzet in uren van vrijwilligers, die is immers meestal niet op factuur aantoonbaar. 5.De subsidie voor het verkrijgen van een controleverklaring bedraagt 100% van de kosten indien deze door Gedeputeerde Staten verplicht wordt gesteld en de kosten ervan op factuur aantoonbaar aan een onafhankelijke accountant zijn verschuldigd. Toelichting: Een controleverklaring is een verklaring die afgegeven wordt door een accountant waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt zijn uitgevoerd en de kosten zijn gemaakt. Wanneer Gedeputeerde Staten een controleverklaring verplicht stellen, wordt dit in de verleningsbeschikking opgenomen Artikel1.1.6Niet subsidiabele kosten Toelichting: Deze kosten worden niet meegenomen bij de berekening van de subsidie omdat ze niet aangemerkt zijn als kosten die direct aan de subsidiabele activiteiten toe te rekenen zijn. 1.De in de begroting bij de subsidiabele activiteiten opgenomen kostenpost Onvoorzien, kosten die niet rechtstreeks aan de subsidiabele activiteit toe te rekenen zijn, boetes, gerechtskosten, kosten voor financieringen, debetrente, leges, kosten voor het inhuren van een subsidieadviesbureau of andere subsidiebemiddelaar en vergoedingen voor de inzet in uren van vrijwilligers zijn niet subsidiabel; 2.Btw is niet subsidiabel, tenzij door de subsidieaanvrager bij de verlening kan worden aangetoond dat de Btw over de subsidiabele activiteiten niet met de fiscus of via het Btw-compensatiefonds kan worden verrekend; 3.Kosten van activiteiten die buiten de subsidieperiode zijn uitgevoerd, zijn niet subsidiabel. Toelichting: Het begrip subsidieperiode is omschreven in artikel 1.1.1. Als bijvoorbeeld de activiteit is gestart voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen, dan kunnen alleen de kosten van het deel van de activiteit dat nog niet is uitgevoerd voor subsidie in aanmerking komen. In dat geval kan worden gevraagd om een specificatie van de kosten van de activiteiten die al zijn uitgevoerd. 4.Gangbare apparaatkosten van medeoverheden, tenzij de aanvrager kan aantonen dat deze kosten specifiek worden gemaakt ten behoeve van de subsidiabele activiteit en anders niet zouden zijn gemaakt zijn niet subsidiabel; Toelichting: In dit artikel is geregeld dat gangbare apparaatskosten van medeoverheden niet subsidiabel zijn. Conform artikel 1.1.1 worden onder medeoverheden gemeenten, waterschappen en provincies verstaan. Gangbare apparaatskosten zijn over het algemeen de overheadkosten. Ook inzet van ambtelijke capaciteit is hiermee beperkt subsidiabel. Indien sprake is van inzet van vast personeel wat gedekt is in de gemeentelijke begroting en tot de reguliere formatie behoort, is dit niet subsidiabel. Ook worden geen capaciteitstekorten bij de gemeenten gesubsidieerd, omdat de gemeenten hier zelf verantwoordelijk voor zijn. Dat betekent dus dat inzet van ambtelijke capaciteit alleen subsidiabel is als: er sprake is van inhuur voor het project (dan zijn de kosten subsidiabel conform artikel 1.1.5 derde lid, kosten derden die rechtstreeks op het project drukken); of er sprake is van inzet vaste formatie waarbij die vaste formatie aantoonbaar door tijdelijke inhuur of tijdelijke werktijduitbreiding gedurende de looptijd van het project wordt gerealiseerd; of er sprake is van vast personeel dat ongedekt in de (gemeentelijke) begroting staat en zichzelf als het ware moeten terugverdienen. Uit de aanvraag moet blijken dat van een of meer van deze uitzonderingen sprake is.] Artikel1.1.7Algemene weigeringsgronden Toelichting: Met dit artikel worden de weigeringsgronden uit artikel 4:35 Awb aangevuld. Dat wetsartikel maakt het bijvoorbeeld mogelijk een subsidie te weigeren als naar verwachting het gesubsidieerde project niet wordt uitgevoerd of als de aanvrager failliet is verklaard. In een subsidieparagraaf kunnen aanvullend of afwijkend bijzondere weigeringsgronden worden genoemd. 1.Gedeputeerde Staten kunnen besluiten de subsidie geheel of gedeeltelijk te weigeren indien de kosten van de subsidiabele activiteit naar haar oordeel als niet doelmatig kunnen worden aangemerkt of redelijkerwijs anders kunnen worden gedekt. Toelichting: Omdat subsidies met gemeenschapsgelden worden gefinancierd, is een doelmatige uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten van belang. Een activiteit doelmatig uitvoeren betekent dat naar mening van Gedeputeerde Staten de betreffende inspanningen en uitgaven voor de te subsidiëren activiteiten daadwerkelijk bijdragen aan de realisatie van het beoogde doel en de hiervoor ingezette middelen en kosten daarmee in verhouding staan.Uit het gebruik van het woord ’kunnen’ blijkt dat het een facultatieve weigeringsgrond is. Gedeputeerde Staten zullen hierbij een belangenafweging maken en kunnen de subsidie weigeren als de activiteit ook zonder de gevraagde subsidie gerealiseerd kan worden. 2.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als de te verstrekken subsidie lager is dan € 1.000. Toelichting: Om de provinciale uitvoeringskosten ook doelmatig te houden, wordt een ondergrens gehanteerd voor een te verstrekken subsidie. 3.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien sprake is van stapeling van subsidie. Er is sprake van stapeling van subsidie als voor dezelfde activiteit of dezelfde kosten al subsidie is verstrekt op grond van het Ubs of de Asv. Dit geldt niet indien sprake is van subsidie die verstrekt is uit Europese Fondsen of een subsidie in die verstrekt is in de vorm van een geldlening. Toelichting: Voor veel activiteiten geldt dat een combinatie van financiële bronnen bij elkaar wordt gebracht om realisering van die activiteiten mogelijk te maken. Een provinciale subsidie is daar vaak één van. Andere bronnen zijn onder andere subsidies van andere (semi-)overheden en/of Europese subsidies (vaak ook cofinanciering genoemd), private fondsen als het Oranjefonds of VSB-fonds, leningen van banken of revolverende overheidsfondsen, sponsoring, eigen middelen aanvrager of deelnemersbijdragen. Voor een provinciale subsidie geldt dat wanneer, zoals gebruikelijk, deze geen 100% van de subsidiabele kosten bedraagt, de aanvrager zelf het resterende deel gefinancierd moet krijgen uit andere bronnen dan provinciale subsidies. Gedeputeerde Staten vinden een dergelijke financiële betrokkenheid van de aanvrager van belang voor de realisatie van de activiteiten. Toelichting: Uitgangspunt is dat voor een activiteit één subsidieparagraaf is opgenomen in het Ubs. Toch kan het soms voorkomen dat meerder subsidieparagrafen of subsidiebronnen van de provincie ingezet kunnen worden. In dat geval kiest de aanvrager de meest passende of voor de aanvrager meest gunstige subsidieparagraaf of subsidiebron. Het is niet mogelijk om voor dezelfde activiteit of dezelfde kosten meerdere provinciale subsidies te ontvangen. 4.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als uit de begroting blijkt dat de kosten niet gefinancierd kunnen worden. 5.Gedeputeerde Staten weigeren een subsidie in de vorm van een geldlening als naar haar oordeel de lening naar verwachting niet terugbetaald kan worden. 6.Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als sprake is van een aanvrager ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.. Artikel1.1.8Staatssteun Subsidie op grond van de AGVV en de LVV wordt alleen verleend als de subsidie een stimulerend effect heeft. Dit betekent dat: ingeval van de AGVV de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd nog niet zijn gestart; ingeval van de LVV de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd nog niet zijn gestart en pas starten nadat de subsidie is verleend. Paragraaf1.2De aanvraag Artikel1.2.1.Bij aanvraag in te dienen gegevens 1.De aanvraag om een subsidie wordt schriftelijk bij Gedeputeerde Staten ingediend door gebruik te maken van het beschikbaar gestelde digitale aanvraagformulier. Toelichting: Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door het invullen van een door of namens Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde digitaal aanvraagformulier op www.overijssel.nl/subsidie. Er zijn digitale formulieren voor subsidies op basis van subsidieparagrafen in dit Uitvoeringsbesluit, maar ook voor zogeheten ASV-subsidies die niet binnen het bereik van een subsidieparagraaf vallen. Doel van het aanvraagformulier is om aan de aanvrager te verduidelijken welke informatie hij bij de aanvraag moet geven zodat de behandeling van de aanvraag vlotter kan plaatsvinden. De volgende gegevens worden in ieder geval gevraagd in het aanvraagformulier: een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen; 2.Een aanvraag om subsidie bevat in ieder geval de volgende gegevens: Toelichting: Volgens artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in Afdeling 4.1.1. van de Awb. In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te overleggen bij zijn aanvraag voor subsidie. In dit artikellid is geregeld welke stukken en gegevens ingediend moeten worden bij een aanvraag voor subsidie. Het kan voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende gegevens worden gevraagd. Dan zal dan blijken uit de betreffende subsidieparagraaf. een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; de doelen en resltaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de prestaties daaraan bijdragen; een begroting waaruit de kosten van te subsidiëren activiteiten en de dekking daarvan blijkt, onder vermelding van de van toepassing zijnde subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 1.1.5. 3.Indien sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU overlegt de aanvrager, aanvullend op het eerste en tweede lid: Toelichting: De Europese Commissie beoordeelt staatssteun op basis van 4 criteria: De steun wordt door de overheid verleend of met overheidsmiddelen bekostigd; Het verschaft een economisch voordeel aan een onderneming dat zij niet langs de normale commerciële weg gehad zou hebben; Het voordeel is selectief, dat wil zeggen het komt ten goede aan bepaalde ondernemingen; Het voordeel heeft een (potentiële) invloed op de handel tussen lidstaten. –een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de te subsidiëren activiteiten; een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening; toelichting: Het voorgeschreven model van deze de-minimisverklaring is onderdeel van het betreffende aanvraagformulier. 4. Wanneer de AGVV of de LVV van toepassing is overlegt de aanvrager tevens: een Mkb-verklaring; een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming niet in financiële moeilijkheden verkeert. toelichting: Aanvrager kan een modelverklaring die de provincie beschikbaar heeft gesteld gebruiken. Deze verklaring is te vinden op www.overijssel.nl/subsidies Artikel1.2.2.Indieningstermijn aanvraag Een aanvraag voor subsidie kan het hele kalenderjaar worden ingediend. Artikel1.2.3.Beslistermijn Toelichting: De in dit artikel genoemde termijnen zijn maximale beslistermijnen. Indien mogelijk zullen Gedeputeerde Staten eerder beslissen. Indien in een subsidieparagraaf een uiterste indieningstermijn is bepaald, dan wordt een aanvraag die na die datum is ontvangen afgewezen.Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb). 1.Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag om een subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen 13 weken na sluiting van een in de subsidieparagraaf opgenomen indieningstermijn. 2.De in het eerste lid bedoelde termijn van 13 weken bedraagt maximaal 22 weken indien: sprake is van cofinanciering van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma; ter beoordeling van de aanvragen een adviescommissie is ingesteld. Paragraaf1.3Verlening van de subsidie Toelichting: Het subsidiesysteem gaat uit van een drietal arrangementen: arrangement. 1: kleinere subsidies tot € 25.000, arrangement. 2: middelgrote subsidies van € 25.000 tot € 125.000, en arrangement. 3: grotere subsidies vanaf € 125.000. Bij deze arrangementen hangt de zwaarte van de verantwoordingseisen voornamelijk af van het subsidiebedrag. Gedeputeerde Staten bepalen op basis van de geldende arrangement subsidieverlening hoe de verantwoording plaatsvindt. Uitgangspunt is het subsidiebedrag. Hogere regelgeving of aanvullende verplichtingen kunnen tot een zwaardere verantwoording leiden. Doordat bij de verlening wordt aangegeven welk verantwoordingsregime van toepassing is, weet de subsidieontvanger tijdig wat van hem wordt verwacht. Artikel1.3.1.Verlening subsidie 1.Gedeputeerde Staten geven een beschikking tot subsidieverlening, tenzij een subsidie direct wordt vastgesteld. 2.Bij het besluit tot verlenen van subsidie geven Gedeputeerde Staten de datum aan waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaatsvindt. 3.Een subsidie in de vorm van een geldlening wordt verleend onder de voorwaarde dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst wordt of is gesloten. Artikel1.3.2.Betaling en bevoorschotting 1.Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 1.5.1. wordt gegeven, vindt de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats. Toelichting: Als subsidie wordt verstrekt zonder dat daar een subsidieverlening aan vooraf is gegaan, dan vindt na vaststelling van de subsidie betaling van de subsidie in één bedrag plaats. Hierdoor is bevoorschotting niet aan de orde. Indien in de subsidiebeschikking het voorbehoud is gemaakt dat eerst een benodigde vergunning moet worden gekregen, kan betaling na ontvangst daarvan plaatsvinden omdat eerst aan het voorbehoud moet worden voldaan. 2.Als een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 1.5.2. of artikel 1.5.3. wordt gegeven, kunnen Gedeputeerde Staten aan de subsidieontvanger voorschotten tot maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag verstrekken. Toelichting: Gebruikelijk is dat Gedeputeerde Staten niet meer dan 90% bevoorschotten en de voorschotten in één of meer termijnen beschikbaar stellen, waarbij het aantal termijnen vaak zal afhangen van de looptijd en/of het te verwachten bestedingsritme van de gesubsidieerde activiteiten. In de verleningsbeschikking wordt de omvang en wijze van bevoorschotting opgenomen. Het woord ‘maximaal’ geeft aan dat het ook voor kan komen dat er geen voorschot wordt verstrekt. Dat kan het geval zijn als bijvoorbeeld de te subsidiëren activiteit nog afhankelijk is van een nog te krijgen vergunning. Voor het moment waarop de vergunning is ontvangen kan immers nog niet worden begonnen met de realisering van de activiteiten. Paragraaf1.4Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel1.4.1.Meldingsplicht Toelichting: De meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen in de vorm van onder andere het niet standaard verantwoording afleggen bij subsidies tot € 25.000,– het vragen van minder tussenrapportages en automatische bevoorschotting. De subsidieontvanger is verplicht tijdig te melden als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze informatieplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval passend worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan dit Ubs. De subsidieontvanger doet binnen vier weken via een digitaal formulier melding aan Gedeputeerde Staten, zodra: naar verwachting de voorwaarden of verplichtingen die aan de subsidieverlening zijn opgelegd niet, niet geheel kunnen worden uitgevoerd; of naar verwachting de activiteiten niet binnen de in de beschikking vermelde datum zullen worden uitgevoerd. Artikel1.4.2.Bestuursverklaring Indien de subsidie minder dan € 125.000,– bedraagt én de kosten en baten van de te verrichten prestaties in verband met de aard van die activiteiten zodanig ongewis zijn dat een realistische begroting niet vereist kan worden of indien sprake is van staatssteun, kan de verplichting worden opgelegd dat de subsidieontvanger op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en baten mag aantonen dat de activiteiten zijn verricht. De subsidieontvanger maakt hierbij gebruik van het beschikbaar gestelde format. Artikel1.4.3.Tussenrapportage Indien het verleende subsidiebedrag € 25.000 of meer bedraagt en de verlening betrekking heeft op activiteiten met een looptijd langer dan een jaar, kunnen Gedeputeerde Staten de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. Een dergelijke tussentijdse verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar gevraagd. Artikel1.4.4.Instandhouding activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen de verplichting opleggen dat de resultaten van de activiteiten in stand worden gehouden voor een periode van maximaal vijf jaar. Toelichting: Bij veel subsidies gaat het effect ervan zich pas voordoen als de gesubsidieerde activiteiten zijn gerealiseerd. Het kan daarom van belang zijn expliciet in de verleningsbeschikking of bij de directe vaststellingsbeschikking vast te leggen dat voor een bepaalde periode de de resultaten van de activiteiten in stand moet worden gehouden. Dat kan bijvoorbeeld het actief houden van een gesubsidieerde website zijn of het gebruiken van een met provinciale subsidie aangeschaft apparaat of voertuig. Omdat de variëteit aan te subsidiëren activiteiten groot is, is één uniforme termijn niet goed uitvoerbaar. Daarom wordt in de betreffende subsidieparagraaf dan wel, bij ASV-subsidies, in het betreffende besluit bepaald of er sprake is van zo’n termijn en zo ja, voor hoe lang. Daarbij geldt vijf jaar instandhouding als maximale termijn. Als de aard van de activiteiten zich daartegen verzet, wordt een dergelijke instandhoudingsverplichting niet opgenomen. Artikel1.4.5Subsidieperiode 1.Gedeputeerde Staten kunnen de verplichting opleggen om de activiteiten voor een in de verleningsbeschikking genoemde datum te starten dan wel binnen een in de verleningsbeschikking genoemde subsidieperiode af te ronden. 2.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger de subsidieperiode aanpassen of verlengen indien sprake is van feiten en omstandigheden waarvan de subsidieaanvrager op het moment van de aanvraag niet op de hoogte kon zijn. 3.Gedeputeerde Staten verlenen geen uitstel indien de verlenging in strijd is met het beoogde beleidsdoel van de provincie of de activiteiten naar verwachting niet meer gerealiseerd gaan worden.. Toelichting: De subsidieperiode is de periode vanaf datum van de ontvangst van de aanvraag tot en met de in de verleningsbeschikking of vaststellingsbeschikking opgenomen datum waarop de subsidiabele prestatie moet zijn afgerond. Omdat de subsidiabele kosten op die periode betrekking hebben (met uitzondering van de accountantsverklaring) is het van belang die termijn die voor het realiseren van de activiteiten nodig is, realistisch te schatten Artikel1.4.6.Deugdelijke administratie Toelichting: De subsidieontvanger voert een deugdelijke administratie, zodat bij vaststelling of een eventuele controle van de subsidie kan worden aangetoond dat de activiteit is uitgevoerd en wat aantoonbaar de daarmee samenhangende kosten en (eventuele) baten zijn. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit een urenadministratie of andere gangbare manieren van inzichtelijk maken. 1.De subsidieontvanger is verplicht voor de verstrekte en vastgestelde subsidies een administratie te voeren waaruit blijkt wat de voortgang is van de gesubsidieerde activiteiten en de financiering daarvan. 2.Indien sprake is van kosten van derden dan dienen de facturen en betaalbewijzen te worden bewaard gedurende vijf jaar na subsidievaststelling. Paragraaf1.5Vaststelling van de subsidie Artikel1.5.1.Subsidies tot € 25.000 Indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 25.000,– wordt de subsidie door Gedeputeerde Staten direct vastgesteld, tenzij de subsidie wordt verstrekt op grond van de AGVV, LVV of de de-minimisverordening, dan wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijk gemaakte kosten overeenkomstig artikel 1.5.2. Artikel1.5.2.Subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000 1.Indien de subsidieverlening € 25.000,– of meer bedraagt, maar minder dan € 125.000,–, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het realiseren van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten. 2.De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt: dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn gerealiseerd; dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. indien sprake is van staatssteun overlegt de aanvrager tevens een bestuursverklaring als bedoeld in artikel 1.4.2. 3.Indien de activiteiten zijn gerealiseerd, wordt de subsidie vastgesteld op het verleende bedrag, tenzij bij de verlening is bepaald dat een verklaring als bedoeld in artikel 1.4.2 moet worden overlegd. In dat geval wordt de subsidie vastgesteld op basis van de werkelijke subsidiabele kosten, met als maximum het verleende bedrag. Toelichting: Uit het derde lid volgt dat wanneer de activiteiten niet of niet geheel of niet volgens de voorschriften zijn gerealiseerd, de subsidie naar redelijkheid lager of op nihil wordt vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden. Redelijk kan ook zijn het naar rato lager vaststellen van de subsidie overeenkomstig de verhouding tussen de niet of niet helemaal gerealiseerde activiteiten en het daarmee samenhangende begrote bedrag.Het begrip subsidieperiode is omschreven in artikel 1.1.1. Als bijvoorbeeld de activiteit is gestart voordat de aanvraag voor subsidie is ontvangen, dan kunnen alleen de kosten van het deel van de activiteit dat nog niet is uitgevoerd voor subsidie in aanmerking komen. In dat geval kan worden gevraagd om een specificatie van de kosten van de activiteiten die al zijn uitgevoerd. Artikel1.5.3.Subsidies vanaf € 125.000 1.Indien de subsidieverlening € 125.000,- of meer bedraagt, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, of binnen een in de regeling of verleningsbeschikking op te nemen afwijkende termijn, een aanvraag tot vaststelling in bij Gedeputeerde Staten. 2.De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, een kostenverantwoording en, indien in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking als zodanig verplicht, een accountantsverklaring conform het controleprotocol. Toelichting: Het controleprotocol is volgens een door Gedeputeerde Staten voorgeschreven model en te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. Niet in alle gevallen wordt een accountantsverklaring gevraagd: in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking wordt expliciet opgenomen wanneer het wel aan de orde is. 3.Uit het inhoudelijk verslag als bedoeld in het tweede lid blijkt in welke mate de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn gerealiseerd. Toelichting:Het inhoudelijk verslag is vormvrij en mag daarmee een al voor andere doeleinden opgesteld verslag zijn, zolang het maar voldoende informatie geeft om vast te kunnen stellen in welke mate de activiteiten zijn gerealiseerd. Wanneer de activiteiten niet of niet geheel of niet volgens de voorschriften zijn gerealiseerd, wordt de subsidie naar redelijkheid lager of op nihil vastgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden. 4.Uit de kostenverantwoording als bedoeld in het tweede lid blijkt wat het totale bedrag is van de gerealiseerde subsidiabele kosten van de activiteiten en de dekking daarvan is, gespecificeerd naar: loonkosten per medewerker in loondienst, met het bijbehorend uurtarief; de afschrijvingskosten per machine of apparaat naar rato gebruik; en de kosten van derden per factuur. 5.Indien de activiteiten zijn gerealiseerd, wordt de subsidie vastgesteld op basis van de werkelijke subsidiabele kosten. Daarbij wordt uitgegaan van het in de subsidieparagraaf of de verleningsbeschikking genoemde subsidiepercentage, met als maximum het verleende bedrag. Toelichting: Indien de subsidiabele kosten lager uitvallen, dan zal de subsidie lager worden vastgesteld. De subsidie is een maximale bijdrage waarbij de provincie optreedt als (mede)financier. Meer subsidie ontvangen dan nodig is, is om die reden niet aan de orde. Is in de verleningsbeschikking bijvoorbeeld opgenomen dat de subsidie 40% van de begrote kosten bedraagt, dan geldt dat percentage ook bij de vaststelling van de subsidie. Vanuit financiële beheersbaarheid is de subsidie uiteindelijk nooit meer dan het maximaal verleende bedrag. Artikel1.5.4.Beslistermijn vaststelling subsidie Gedeputeerde Staten stellen binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. Hoofdstuk2Ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer Paragraaf2.1Effectuering Ruimtelijk beleid Artikel2.1.1Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor onderzoek, visie- en planontwikkeling van ruimtelijke projecten die van provinciaal belang zijn op het gebied van ruimtelijke ordening en wonen. Artikel2.1.2Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.1 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente, een Overijssels gemeentelijk samenwerkingsverband of een Overijssels rechtspersoon die zich inzet voor ruimtelijke activiteiten in Overijssel; toelichting: Dit betekent dat particulieren geen aanvraag kunnen indienen. het ruimtelijke project past binnen de centrale beleidsambities en onderwerpen van provinciaal belang zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel; het ruimtelijke project heeft een regionale schaal, uitstraling of werking of vervult een voorbeeldwerking. toelichting: Regionaal betekent dat de resultaten van het ruimtelijke project neerslaan in ten minste twee Overijsselse gemeenten. indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening. Artikel2.1.3Grondslag subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten. Artikel2.1.4Subsidiabele kosten 1.Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. 2.In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn kosten die voortvloeien uit financiele verplichtingen, aangegaan voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel. Toelichting: De start van het project kan eerder hebben plaatsgevonden dan de indiening van de subsidieaanvraag. Dit betekent dat de kosten kosten die voortvloeien uit financiele verplichtingen, aangegaan voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel zijn. Artikel2.1.5Niet subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.1.6 zijn de volgende kosten niet subsidiabel: kosten voor bouw- en sloop; kosten voor investeringen; exploitatiekosten; overheadkosten. Artikel2.1.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.1.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Effectuering ruimtelijk beleid. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een projectplan. Paragraaf2.2Leefbare kleine kernen Artikel2.2.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: fysieke maatregelen: maatregelen die zichtbaar en tastbaar zijn; kleine kern: een aaneengesloten bebouwd gebied met maximaal 15.000 inwoners; ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is; sociale kwaliteit: sociale kwaliteit in Overijssel gaat over noaberschap, onder andere te zien aan de inzet van vrijwilligers, lokale initiatieven voor de eigen leefomgeving en coöperaties op het gebied van leefbaarheid waarbij het zelf organiseren van allerlei activiteiten door inwoners een impuls krijgt, en het bestaat uit de onderdelen delen en leren, zelfstandig leven, gezond bewegen en Overijssels noaberschap; uitvoeringsplan: een beschrijving van de werkwijze en de maatregelen om tot uitvoering van een opgave te komen. Artikel2.2.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor fysieke maatregelen die de ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit, identiteit en leefbaarheid van de kleine kernen versterken. Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor fysieke maatregelen die zichtbaar en tastbaar zijn in kleine kernen. Dit betekent dat de kosten die gemaakt worden ten behoeve van deze fysieke maatregel subsidiabel zijn. Planvormingsactiviteiten en onderzoek worden niet gezien als fysieke maatregel en komen daarom niet in aanmerking voor subsidie. Artikel2.2.3Criteria De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente of Overijssels waterschap; de uitvoering van de maatregel geschiedt op basis van het uitvoeringsplan, waar de locatie onderdeel van uitmaakt; de aanvraag is vooraf afgestemd met de provinciale beleidsmedewerkers ruimtelijke ontwikkeling of sociale kwaliteit; er is ten minste één andere partij die gezamenlijk met de gemeente of het waterschap financieel bijdraagt voor ten minste 50% van de subsidiabele kosten. Artikel2.2.4Grondslag subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.000,– per aanvraag. Artikel2.2.5Subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.1.5 vierde lid zijn kosten van vrijwilligers subsidiabel tot een maximumtarief van € 15,– per uur. Artikel2.2.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.2.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Leefbare kleine kernen. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een uitvoeringsplan. Het uitvoeringsplan bevat onder andere de volgende onderdelen: een beschrijving van de opgave: de aanleiding en probleemstelling; een beknopte beschrijving van de locatie en de situatie; een beschrijving van de bijdrage van de fysieke maatregelen aan de ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit en leefbaarheid; een beschrijving van alle voorgestelde maatregelen, ook die waarvoor geen subsidie wordt aangevraagd; een beschrijving van het resultaat; een beschrijving van het draagvlak en participatie door derden; een begroting van de kosten en financiering van de afzonderlijke maatregelen met daarbij het dekkingsvoorstel per maatregel; de verwachte planning van de uitvoering. Artikel2.2.8Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de te verlenen subsidie lager is dan € 25.000,–; aan de aanvrager al drie subsidies zijn verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf . Artikel2.2.9Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht binnen twaalf maanden na datum van de subsidieverlening te starten met de uitvoering van de activiteit en deze binnen drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben uitgevoerd. Artikel2.2.10Bevoorschotting In afwijking van artikel 1.3.2 verstrekken Gedeputeerde Staten geen voorschot. Het eerste voorschot wordt verstrekt na de start van de subsidiabele activiteit. Paragraaf2.3Verbeteren van de haveninfrastructuur en -faciliteiten Artikel2.3.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: bedrijf: een privaatrechtelijke rechtspersoon, een vennootschap, een maatschap of een eenmanszaak; kade: een verharde oever waarlangs schepen kunnen afmeren en aanleggen voor het laden en lossen van goederen. Artikel2.3.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: het oplossen van knelpunten op het gebied van ondiepten bij bruggen en sluizen; het aanleggen, uitbreiden of verbeteren van een kade; toelichting: Voor het afwikkelen van vervoersstromen via water is het op orde hebben van voldoende kades van groot belang. Gedeputeerde Staten stellen daarom subsidie beschikbaar voor het aanleggen, uitbreiden of verbeteren van een kade. het verbeteren van de wacht- of ligplaatsfaciliteit ten behoeve van de binnenvaart. Artikel2.3.3Criteria 1.Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is: een Overijsselse gemeente; of een bedrijf met kadefaciliteiten bestemd voor goederenvervoer indien de subsidieaanvraag wordt ingediend voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub b en sub c; de activiteit vindt plaats in Overijssel; de activiteit past binnen de beleidsdoelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie. 2.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub a aan het criterium dat de activiteit is gericht op het verbeteren van de haveninfrastructuur ter bevordering van het gebruik van een rivier of een kanaal voor goederenvervoer, met uitsluiting van de opwaardering van het Twentekanaal of de zijtak daarvan. Toelichting: Opwaardering van het Twentekanaal of de zijtak daarvan is uitgesloten omdat hiervoor reeds subsidie is verstrekt door het Rijk. 3.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.2 sub b aan het criterium dat de activiteit uitsluitend is bedoeld voor openbare voorzieningen. 4.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.2 sub c aan de volgende criteria: de activiteit is uitsluitend bedoeld voor openbare voorzieningen; de activiteit betreft een maatregel die gerealiseerd wordt in of nabij een binnenhaven ten behoeve van wachtende of tijdelijk afgemeerde binnenvaartschepen. 5.Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening. Artikel2.3.4Grondslag subsidie 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 250.000,– per aanvraag. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub b bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 150.000,– per aanvraag. 3.De subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 sub c bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,– per aanvraag. Artikel2.3.5Subsidiabele kosten Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. Artikel2.3.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.3.7Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien de te verstrekken subsidie lager is dan € 25.000,–. Artikel2.3.8Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Goederenvervoer over water, Verbeteren van de haveninfrastructuur en -faciliteiten. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een offerte waaruit de subsidiabele kosten blijken. Artikel2.3.9Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, artikel 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteit uiterlijk op 31 december 2018 te hebben uitgevoerd. Paragraaf2.4Investeringsimpuls verduurzaming goederenvervoer over water Artikel2.4.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: afmeerlocatie: een kade waarlangs binnenvaartschepen voor langere duur kunnen afmeren; LNG: vloeibaar aardgas, bestemd als brandstof voor binnenvaartschepen; LNG vulpunt: een installatie op een bunkerstation of kade waarmee LNG wordt afgeleverd in de brandstoftanks van vaartuigen; walstroomfaciliteit: een stroomaansluiting aan de wal die binnenvaartschepen voorziet van stroom aan boord en die stroomlevering door generatoren of aggregaten van het schip vervangt zolang het schip afgemeerd ligt. Artikel2.4.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: de aanschaf en aanleg van een walstroomfaciliteit; de aanschaf en aanleg van een LNG vulpunt. Artikel2.4.3Criteria 1.Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is: een Overijsselse gemeente; of een bedrijf met een afmeerlocatie bestemd voor goederenvervoer. de activiteit past binnen de beleidsdoelstellingen zoals omschreven in de Omgevingsvisie; de activiteit is bestemd voor de scheepvaart in Overijssel; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening. 2.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub a aan de volgende criteria: de walstroomfaciliteit voldoet aan de richtlijn Walstroom Binnenvaart 2009; toelichting: De Richtlijn walstroom binnenvaart 2009 is te vinden op www.walstroom.nl. de walstroomfaciliteit wordt gerealiseerd op een afmeerlocatie; er worden maximaal drie walstroomfaciliteiten per gemeente gesubsidieerd. 3.In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub b aan de volgende criteria: het LNG vulpunt wordt gerealiseerd op een kade of in de nabijheid van een kade; het LNG vulpunt is openbaar toegankelijk voor binnenvaartschepen; het LNG vulpunt stoot geen onverbrand methaan uit; er wordt maximaal één LNG vulpunt in de provincie Overijssel gesubsidieerd. Artikel2.4.4Grondslag subsidie 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000,–. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.2 sub b bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 450.000,–. Artikel2.4.5Subsidiabele kosten Uitsluitend kosten van derden zoals bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. Artikel2.4.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.4.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Investeringsimpuls verduurzaming goederenvervoer over water. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een offerte waaruit de subsidiabele kosten blijken. Artikel2.4.8Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien voor de activiteit al subsidie is verstrekt op basis van paragraaf 8.1 van het Uitvoeringsbesluit subsidies 2011 dan wel paragraaf 3.1 van dit Uitvoeringsbesluit. Artikel2.4.9Verplichtingen subsidieontvanger 1.In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteit uiterlijk op 31 december 2018 te hebben uitgevoerd. 2.Overeenkomstig artikel 1.4.4 is de subsidieontvanger verplicht de walstroomfaciliteit of het LNG vulpunt in stand te houden op de bij de aanvraag vermelde locatie, voor een periode van vijf jaar. 3.In aanvulling op artikel 1.4.4 is de subsidieontvanger verplicht de walstroomfaciliteit of het LNG vulpunt gedurende vijf jaar na realisatie in eigendom te behouden. Paragraaf2.5Waterveiligheid en klimaatbestendigheid IJssel-Vechtdelta Artikel2.5.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: klimaatbestendigheid: het zodanig inrichten van een gebied dat de effecten van klimaatverandering opgevangen kunnen worden; waterveiligheid: het beperken van de kansen op en effecten van overstromingen; IJssel-Vechtdelta: het gebied welke ligt binnen de gemeentegrenzen van de gemeenten Zwolle, Zwartewaterland en Kampen. Artikel2.5.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan waterveiligheid dan wel klimaatbestendigheid van de IJssel-Vechtdelta. Toelichting: Uit de definitie van klimaatbestendigheid en waterveiligheid en de criteria onder artikel 2.5.3 sub c en sub d valt af te leiden dat niet alle activiteiten die bijdragen aan klimaatbestendigheid en waterveiligheid in aanmerking komen voor de subsidie. Bij klimaatbestendigheid gaat het uitsluitend om maatregelen ter voorkoming van wateroverlast, droogte of hittestress. Energiemaatregelen vallen hier dus niet onder. Bij waterveiligheid moet het gaan om het treffen van maatregelen die zich richten op preventie, waterrobuuste inrichting of crisisbeheersing. Artikel2.5.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.2 voldoet aan de volgende criteria: er is sprake van samenwerking met ten minste één andere partij; toelichting: een aanvraag voor subsidie kan door iedereen worden ingediend. Wel moet de aanvrager aantonen dat sprake is van samenwerking. Er is sprake van samenwerking als ten minste één andere partij betrokken is bij de activiteit. Bij samenwerking valt te denken aan samenwerking met burgers, (overheids-)organisaties, ondernemingen en onderwijs etc. De vorm is vrij. Het kan een samenwerking zijn waarbij partijen afspraken met elkaar maken over de uitvoering van de activiteiten. Ook is sprake van samenwerking als er meerdere partijen financieel bijdragen aan de kosten. De aanvrager van de subsidie hoeft niet een samenwerkingsverband te zijn. Eén van de partijen kan als aanvrager de subsidie aanvragen. de activiteit is innovatief in de IJssel-Vechtdelta; toelichting: De aanvrager moet aantonen waarom de activiteit innovatief is. Bij innovatie is vaak sprake van een nieuw(
  1. e)product, techniek of proces welke toegepast wordt. Ook een reeds eerder uitgevoerde activiteit welke wel nieuw is in de IJssel-Vechtdelta wordt aangemerkt als innovatief. activiteiten die bijdragen aan waterveiligheid zijn gebaseerd op het principe van meerlaagsveiligheid, dit betekent dat de activiteiten zich richten op preventie, waterrobuuste inrichting of crisisbeheersing; toelichting: In het rapport ‘Leven met water’ staat dat waterveiligheid gebaseerd is op het principe van meerlaagsveiligheid: Preventie; het betreft de preventie van primaire en regionale keringen. De veiligheid wordt bepaald door overstromingskansen gebaseerd op de risicobenadering. Ook het concept van overstroombare dijken past binnen deze laag. Duurzame ruimtelijke inrichting; dit is een ruimtelijke inrichting door bij voorbeeld compartimentering waarbij bestaande hoogten in het landschap worden opgehoogd of verbonden door nieuwe dijken/wallen aan te leggen. Ook het bouwen op terpen of aanleg van waterrobuuste bouwwerken/infrastructuur valt onder deze laag. Ook bij deze tweede laag voor de waterveiligheid wordt de inrichting gebaseerd op overstromingsrisico’s. Crisisbeheersing; crisisbeheersing bestaat uit een flexibele evacuatiestrategie; effectieve risico- en crisiscommunicatie en het voorkomen van grootschalige keteneffecten bij uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur. activiteiten die bijdragen aan klimaatbestendigheid betreffen uitsluitend maatregelen ter voorkoming of beperking van wateroverlast, droogte of hittestress; de activiteiten dragen bij aan de ambities en kaders zoals verwoord in het rapport ‘Leven met water, Strategie waterveiligheid en klimaatbestendigheid in de IJssel-Vechtdelta’; toelichting: In het rapport ‘Leven met water’ staat wat nodig is om een robuuste, waterveilige en klimaatbestendige IJssel-Vechtdelta te krijgen. Dit is verwoord aan de hand van een panorama, een realisatiestrategie en een uitvoeringsprogramma. Bij de realisatie van de opgave en hoofdambitie dienen de acht leidende principes als handvatten. Het gaat om de volgende principes: waterveiligheid en klimaatbestendigheid als basis waardevolle omgeving toekomstvast investeringsperspectief innovatie als motor en uithangbord leefbaar en betrokken vanuit het gebied bestuurlijk robuust volhoudbaarheid door veerkracht gebiedsontwikkeling als instrument de aanvraag is vooraf afgestemd met een provinciale beleidsmedewerker of de programmaleider van het programma IJssel-Vechtdelta; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan voldoet de subsidie aan de de-minimisverordening of de de-minimisverordening landbouw. Artikel2.5.4Grondslag subsidie 1.De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten. 2.De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten indien de activiteit nieuw is in Nederland. Artikel2.5.5Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.5.6Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvraag maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Waterveiligheid en Klimaatbestendigheid IJssel-Vechtdelta. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een plan van aanpak waarin in ieder geval is opgenomen: een beschrijving van hoe de activiteiten bijdragen aan de ambities en kaders zoals verwoord in het rapport ‘Leven met water, Strategie waterveiligheid en klimaatbestendigheid in de IJssel-Vechtdelta’, uitgewerkt aan de hand van de acht leidende principes als genoemd in dit rapport; een planning, een risicoparagraaf, een resultaatsbeschrijving, een begroting en een financieel plan. Artikel2.5.7Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de te verstrekken subsidie lager is dan € 25.000; de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die wettelijk verplicht zijn; de aanvraag betrekking heeft op waterveiligheid of klimaatbestendigheid welke tot de reguliere taak van de aanvrager of van de deelnemende partijen behoort; de aanvraag betrekking heeft op reguliere taken van bijvoorbeeld een waterschap of een gemeente. Paragraaf2.6Ruimtelijke kwaliteit groene omgeving Algemene toelichting De provincie zet in op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied. Ruimtelijke ontwikkelingen zoals nieuwe functies en voorzieningen moeten daar aan bijdragen. Om dit samen met gemeenten te stimuleren is de werkwijze Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving ontwikkeld. Deze is inmiddels breed in gebruik. Belangrijke drager is deelname vanuit de samenleving. Gedeputeerde Staten willen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de investeringen in ruimtelijke kwaliteit versterken met inbreng van ideeën van omwonenden en daarmee belangen bij elkaar brengen. Daarnaast streven Gedeputeerde Staten ernaar om afzonderlijke investeringen in ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe functies en voorzieningen te bundelen. Met deze subsidieregeling worden beide aspecten gestimuleerd. Met als resultaat voor een groter gebied een groter effect op de ruimtelijke kwaliteit, die beter aansluit bij wensen uit de samenleving. Artikel2.6.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: landelijk gebied: het grondgebied buiten het bestaande bebouwde gebied van steden en dorpen; ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Artikel2.6.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: participatie van een georganiseerde groep Overijsselse inwoners of omwonenden aan ruimtelijke ontwikkelingen met als doel verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied; gebiedsgerichte bundeling van investeringen met als doel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied van Overijssel. Artikel2.6.3Criteria 1.Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub a voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon in de vorm van een stichting, vereniging of coöperatie van inwoners of omwonenden in Overijssel; toelichting: particulieren kunnen geen aanvraag indienen. de participatie is gericht op versterking van draagvlak en betrokkenheid bij concrete ruimtelijke initiatieven of concrete lokale ruimtelijke ontwikkelingen. 2.Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub b voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente; de aanvraag heeft betrekking op een concreet ruimtelijk plan, een procesaanpak of manier van werken die leidt tot verbinden van belangen; de bundeling van investeringen in de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit levert aantoonbare meerwaarde op voor ruimtelijke kwaliteit ten opzichte van de individuele initiatieven of plannen. 3.De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 is vooraf afgestemd met de provinciale beleidsmedewerker ruimtelijke ontwikkeling. Artikel2.6.4Grondslag subsidie 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub a bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,– per aanvrager. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub b bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,– per aanvrager. Artikel2.6.5Subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.1.5 vierde lid zijn kosten van vrijwilligers subsidiabel tot een maximum tarief van € 15,– per uur. Artikel2.6.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.6.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Ruimtelijke kwaliteit groene omgeving. Artikel2.6.8Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de aanvraag betrekking heeft op reguliere activiteiten of de bedrijfsvoering van de aanvrager; de aanvraag betrekking heeft op ruimtelijke projecten van overheden; toelichting: een aanvraag wordt geweigerd indien de aanvraag betrekking heeft op bijvoorbeeld aanpassing van wegen of uitbreiding van bedrijventerreinen; de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub a lager is dan € 2.500,–; de te verstrekken subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 sub b lager is dan € 5.000,–. Paragraaf2.7Huisvesting statushouders Algemene toelichting De huisvestingstaakstelling legt een grote druk op de sociale huurwoningmarkt. Mede vanwege de schommelingen in de huisvestingstaakstelling en de toekomstige regionale woningbehoefte is het voor gemeenten lastig om hier steeds opnieuw op in te spelen. Gedeputeerde Staten willen gemeenten ondersteunen met het realiseren van tijdelijke en flexibele woonvormen voor statushouders. Dit met als doel om bij te dragen aan passende woonvormen voor statushouders. Artikel2.7.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: huurprijs: huurprijs als bedoeld in artikel 237, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; nieuwbouw: het bouwen van een nieuwe woonvoorziening; onzelfstandige woonvoorziening: een woning waar de voordeur, keuken, badkamer of het toilet gedeeld wordt met andere bewoners. toelichting: voorbeelden zijn kamers in studentenhuizen en hospitakamers (kamer in huis van hoofdbewoner). statushouder: vreemdeling van 18 jaar of ouder die in Nederland een ‘verblijfsvergunning asiel’ voor bepaalde tijd heeft aangevraagd en als gevolg daarvan een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onder a, b, c of d, van de Vreemdelingenwet 2000; transformatie: functieverandering van bestaand vastgoed naar de functie wonen, waarbij de functieverandering niet langer wordt toegepast dan 10 jaar; tijdelijke woonvoorziening: gebouw dat maximaal 10 jaar geschikt is voor huisvesting; verbouw: bestaand vastgoed met de functie wonen dat wordt verbouwd om minimaal 2 nieuwe zelfstandige woningen te creëren; zelfstandige woonvoorziening: een woning met eigen toegang, eigen keuken, eigen badkamer en toilet; toelichting: voorbeelden zijn eengezinswoningen (vrijstaande woningen, hoekwoningen, tussenwoningen), appartementen, portiekwoningen, maisonnettes, galerijflats, containerwoningen en onvrije woningen. Bij een onvrije woning komen de huurwoningen uit op een gemeenschappelijke hal, maar is er wel sprake van de eigen voorzieningen zoals eerder genoemd. Artikel 2.7.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor huisvesting van statushouders. toelichting: De gemeente ontvangt de subsidie voor het realiseren van huisvesting van statushouders. Conform artikel 2.7.4 wordt de subsidie berekend per gerealiseerde woonvoorziening. Als de gemeente bijvoorbeeld op locatie A 10 woonvoorzieningen realiseert, is het niet noodzakelijk dat hierin alleen maar statushouders worden gehuisvest. Om huisvesting van statushouders in de gemeente te spreiden, kan een deel van de woonvoorziening voor andere doelgroepen beschikbaar gesteld worden, mits de gemeente in dit gevalin totaal 10 statushouders huisvest. Artikel2.7.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente; de aanvrager heeft concrete afspraken gemaakt met de uitvoerende partij over huisvesting statushouders over een periode van minimaal 1 jaar, vastgelegd in een intentieverklaring; de aanvraag heeft betrekking op uitbreiding van tijdelijke woningvoorraad, die gerealiseerd is na 1 mei 2016; toelichting: subsidieaanvragen die kunnen leiden tot uitbreiding van de permanente woningvoorraad komen niet voor subsidie in aanmerking. de aanvraag past binnen de kaders van het Statenvoorstel (PS/2016/1008) en de huisvestingstaakstelling van de aanvrager; er is sprake van het realiseren van een tijdelijke woonvoorziening, via nieuwbouw, transformatie of verbouw, voor statushouders met een maximale huurprijs van € 586,86 per maand. De maximum huurprijs geldt niet voor gezinnen die bestaan uit zes of meer personen. toelichting: De woning is gerealiseerd indien deze gebruiksklaar is om in te wonen en de sleuteloverdracht heeft plaatsgevonden. de aanvraag is, voordat deze wordt ingediend, afgestemd met de provinciale beleidsmedewerker van Ruimte en bereikbaarheid. Artikel2.7.4Grondslag subsidie De subsidie bedraagt een forfaitair vastgesteld tarief per gerealiseerde woonvoorziening met een maximum van € 250.000,– per aanvraag. De tarieven zijn als volgt onderverdeeld: transformatie: € 10.000,– per gerealiseerde zelfstandige woonvoorziening of € 5.000,– per gerealiseerde onzelfstandige woonvoorziening; nieuwbouw: € 10.000,– per gerealiseerde zelfstandige woonvoorziening of € 2.500,– per gerealiseerde onzelfstandige woonvoorziening; verbouw: € 2.500,– per gerealiseerde zelfstandige woonvoorziening. Toelichting: de subsidie wordt als volgt berekend: aantal gerealiseerde woningen x prijs. In de woonvoorziening mogen ook andere doelgroepen worden gehuisvest, zodat er een mix van bewoners ontstaat. De aanvrager ontvangt alleen subsidie voor de gerealiseerde woonvoorzieningen voor statushouders. Artikel2.7.5Subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.1.5 betreft de subsidie een forfaitair bedrag. Artikel2.7.6Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Huisvesting statushouders. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een intentieverklaring als bedoeld in artikel 2.7.3 sub b. 3.In afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid, onder c en d, hoeft de aanvrager geen begroting of dekkingsplan in te dienen. Artikel2.7.7Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel2.7.8Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht: de activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.2 uiterlijk 12 maanden na de datum van verlening van subsidie te hebben uitgevoerd; de statushouders ten minste een jaar te huisvesten. Artikel2.7.9Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien aan de aanvrager tweemaal subsidie is verstrekt op grond van deze subsidieparagraaf. Hoofdstuk3Milieu en Energie Paragraaf3.1Duurzame energieopwekking en energiebesparing Toelichting: De ambitie van het programma Nieuwe Energie Overijssel is het aandeel nieuwe energie te vergroten naar 20% in 2023 Artikel3.1.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval, conform Richtlijn2009/28/EG; bodemenergie: energieopwekking door benutting van warmte die in de bodem is opgeslagen. Tot een diepte van 500 meter wordt gesproken over warmte- en koudeopslag; op grotere dieptes, vanaf 500 meter, is sprake van geothermie; energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het protocol Monitoring energiebesparing 2001; toelichting: Het protocol Monitoring energiebesparing 2001 is de vinden op de website http://www.ecn.nl/ (publicatienummer: ECN-C-01-129). engineerings-en voorbereidingskosten: de kosten voor het installeren van het kapitaalgoed en de kosten die gemaakt worden voor een detailontwerp of voor het testen; toelichting: Veelal zijn dit loonkosten. energieopwekking: duurzame energie opwekkingsvoorzieningen die het geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van energie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie; toelichting: Het protocol monitoring Hernieuwbare Energie 2010 is te vinden op de website http://www.agentschapnl.nl/ (publicatienummer: 2DENB1013). energielijst: lijst met de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, als bedoeld in de brochure Energie en bedrijven, energielijst, van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO); toelichting: De energielijst is een overzicht van RVO van energie-investeringen die voor de fiscale EnergieInvesteringsaftrek regeling (EIA) in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar opnieuw opgesteld. De energielijst is te vinden op de website http://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/aftrekbare-investeringen-eia. energieneutrale woning: een woning met een EPC-waarde van 0,0, met benutting van 1.500 kWh duurzame energie die is opgewekt binnen een straal van 500 meter van het perceel; EPC: Energieprestatiecoëfficiënt, coëfficiënt die de energieprestatie van een nieuwbouwwoning of utiliteitsgebouw aangeeft. Deze coëfficiënt wordt berekend op basis van de gebouweigenschappen, de gebouwgebonden installaties en een gestandaardiseerd bewoners/gebruikersgedrag; gebouwgebonden energiebesparing: maatregelen in of van de schil van een gebouw die leiden tot vermindering van energieverlies in dat gebouw; investering: de aanschaf van duurzaam kapitaalgoed, zijnde een machine, installatie of een gebouw, die op de balans worden opgevoerd als vaste activa. Investeringen in gronden of voertuigen op de openbare weg vallen niet onder deze definitie. Een kenmerk van een investering is dat het nut zich over meerdere jaren voor doet; netto-investering: de kosten van een investering en overige subsidiabele kosten minus de opbrengsten; toelichting: In art 3.1.5. staat wat onder subsidiabele kosten verstaan wordt. opbrengsten: het vermeden primaire energiegebruik en de vergoeding voor de opgewekte energie over een periode van vijf jaar uitgedrukt in euro's. De berekening van de opbrengsten is gebaseerd op het protocol Monitoring energiebesparing 2001 en het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie; particuliere woningeigenaar: een particulier die voor 100% het eigendomsrecht heeft van het vastgoed met de bestemming wonen; utiliteitsgebouw: een gebouw niet zijnde een woning, zoals kantoren, scholen, fabrieken, ziekenhuizen, sportgebouwen, wijkcentra etc. vermeden primaire energie: de theoretische energie-inhoud bepaald op basis van een referentietechnologie, als bedoeld in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie; toelichting: De hoeveelheid vermeden primaire energie is de theoretische energie-inhoud van de conventionele energiedrager die men nu niet heeft hoeven gebruiken. De theoretische energie-inhoud wordt bepaald op basis van een referentietechnologie. De referentietechnologie is de conventionele methode waarmee dat energieproduct anders zou zijn opgewekt. Voor iedere referentietechnologie is het rendement bekend waarmee de primaire energiedrager wordt omgezet in een secondaire energiedrager, oftewel de energieproducten elektriciteit, warmte en (verschillende soorten) brandstof. De referentietechnologieën en rendementen staan beschreven in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie. zonne-energie: elektriciteit- of warmteopwekking door middel van Photo-voltaïsche panelen, PVT-panelen, zonneboilers of zonnecollectoren. Artikel3.1.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: investeringen gericht op gebouwgebonden energiebesparing; investeringen gericht op energieopwekking uit hernieuwbare energiebronnen, te weten bio-energie, bodemenergie of waterenergie; investeringen gericht op energiebesparing door de distributie van restwarmte naar de eindgebruiker; investeringen gericht op de optimalisatie van bedrijfsprocessen waarbij energiebesparing optreedt; investeringen in zonne-energie in combinatie met ten minste één van de investeringen genoemd onder het eerste, tweede, derde of vierde lid. Artikel3.1.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 voldoet aan de volgende criteria: de investering en de energie-effecten dienen in hoofdzaak, voor meer dan 50% van de subsidie, binnen de grenzen van de provincie Overijssel plaats te vinden; de netto-investering voor de eerste periode van vijf jaar na subsidieverlening moet groter zijn dan nul; voor de investering is geen lening of garantstelling verstrekt vanuit het Energiefonds Overijssel; als er sprake is van een investering in biomassa, dan moet de biomassa voldoen aan de duurzaamheidscriteria voor biomassa ten behoeve van energiedoeleinden, zoals bedoeld in NTA 8080-1: 2015.nl en NTA 8080-2: 2015.nl; Indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 38 dan wel artikel 41 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, de de-minimisverordening of de de-minimisverordening landbouw. de investering heeft betrekking op één adres, tenzij er sprake is van investeringen op meerdere adressen die technisch met elkaar samenhangen. toelichting: Voorbeelden van een subsidiabele aanvraag voor meerdere adressen zijn projecten waarin energie wordt gedistribueerd of waarin meerdere energieneutrale woningen worden gerealiseerd als beschreven onder lid 2 sub a. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a aan de volgende criteria: de energiebesparende voorzieningen in de woningbouw moeten leiden tot ten minste tien energieneutrale woningen die zijn gerealiseerd door renovatie of door nieuwbouw ter vervanging van bestaande bebouwing; de energiebesparende voorzieningen voor nieuwbouw van utiliteitsgebouwen bereiken tenminste een 25% lagere EPC dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag; de energiebesparende voorzieningen voor bestaande utiliteitsgebouwen bereiken tenminste een energieprestatie van label A++ of voldoen aan minimaal 4 labelstappen of voldoen aan minimaal de eisen uit het bouwbesluit zoals die gelden voor nieuwbouw. toelichting: Indien een utiliteitsgebouw een andere bestemming krijgt, dat wil zeggen omgevormd wordt voor een andere gebruiksfunctie, dan moet de aanvraag voldoen aan de criteria voor de uiteindelijke bestemming. Een voorbeeld: als een leegstaand kantoor wordt omgevormd tot woningen, dan moet worden voldaan aan de eisen voor nieuwbouw van woningen zoals opgenomen in deze regeling, bijvoorbeeld het feit dat deze energieneutraal moeten zijn. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub d aan het criterium dat de investering een technische voorziening betreft ten behoeve van energiebesparing bij processen als bedoeld in de Energielijst onder categorie B. In aanvulling op het eerste lid voldoet een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub e aan de volgende criteria: voor de investering in zonne-energie is geen subsidie verstrekt door een ander bestuursorgaan; het dak waarop de zonne-energie wordt opgewekt bevat geen asbest. Artikel3.1.4Grondslag subsidie Toelichting: Bij de berekening van de subsidie worden de Europese verordeningen als genoemd onder artikel 3.1.3 eerste lid onder sub e in acht genomen. Dit kan onder andere betekenen dat de maximale subsidie minder bedraagt dan de genoemde 50%. De subsidie als bedoeld in artikel 3.1.2 sub a, sub b, sub c en sub d, bedraagt maximaal 50% van de netto-investering met een maximum van € 200.000,– per aanvraag. De subsidie voor een project dat uit een combinatie van subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.2. bedraagt maximaal 50% van de netto-investering, met een maximale subsidie van € 200.000,– per aanvraag. In aanvulling op het eerste en tweede lid bedraagt de subsidie voor zonne-energie maximaal € 100.000,– per aanvraag, waarbij voor de berekening de volgende forfaitair vasgesteld tarieven gehanteerd worden: voor het onderdeel elektriciteitopwekking maximaal € 0,20 per Wattpiek geïnstalleerd vermogen; voor het onderdeel warmteopwekking een forfaitair vastgesteld bedrag van maximaal € 150,– per GJ; de maximale subsidie voor zonne-energie als bedoel onder a en b bedraagt gezamenlijk 30% van de investering voor zonne-energie met een maximum van € 100.000 per aanvraag. De subsidie voor advies- en loonkosten voor het installeren en de engineerings- en voorbereidingskosten bedraagt maximaal 10% van de subsidiabele kosten van de aanschaf van een duurzaam kapitaalgoed. De subsidie voor onderhoudskosten in de eerste 5 jaar van een duurzaam kapitaalgoed bedraagt maximaal 10% van de subsidiabele kosten van de aanschaf van een duurzaam kapitaalgoed. Indien de opbrengsten van de investering niet door de aanvrager zijn onderbouwd, hanteren Gedeputeerde Staten de volgende opbrengsten: aardgas € 0.60 per m3; elektriciteit € 0.23 per kWh; houtchips € 40,–per ton; biomassa gedroogd € 80,- per ton; houtpellets 170,– per ton; groen gas (geen SDE+): € 0.30 per m3 groen gas (SDE+): € 0.62 per m3. Artikel3.1.5Subsidiabele kosten Uitsluitend de volgende kosten van derden, conform artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel: de kosten van de aanschaf van een duurzaam kapitaalgoed als bedoeld in artikel 3.1.1 sub j; de kosten voor het installeren van het duurzaam kapitaalgoed en eventuele engineerings- en voorbereidingskosten; de onderhoudskosten van het duurzaam kapitaalgoed in de eerste 5 jaar; de kosten van het eigen energieverbruik van een duurzaam kapitaalgoed in de eerste 5 jaar; de kosten van de feedstock biomassa voor een duurzaam kapitaalgoed in de eerste 5 jaar. Artikel3.1.6Indieningstermijn aanvraag tot subsidieverlening Toelichting: Het in de beoordeling van de aanvraag meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat. Uit de aard van het tendersysteem vloeit derhalve voort dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overlegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie dat neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag. Bij onvolledigheid van de aanvraag na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden zoals een handtekening, een bankrekeningnummer, kamer van koophandel gegevens e.d., het moet gaan om informatie die niet inhoudelijk betrekking heeft op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in deze subsidieparagraaf. De volledigheid/juistheid van de aanvraag is de verantwoordelijkheid van de aanvrager. In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag om subsidie kan worden ingediend: vanaf 6 februari en ontvangen uiterlijk op 7 april 2017 voor 19.00 uur; vanaf 17 juli en ontvangen uiterlijk op 15 september 2017 voor 19.00 uur. Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. Artikel3.1.7Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening 1.De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Duurzame Energieopwekking en energiebesparing. 2.In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie: een beschrijving van de investering gericht op energiebesparing en energieopwekking; een samenvatting van kosten en opbrengsten en welke partijen in welke mate bijdragen aan de financiering; onderbouwing van de investeringskosten opgesteld door een onafhankelijke derde waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen investeringen en loonkosten. de berekening van hetvermeden primaire energiegebruik uitgedrukt in Gigajoule waarbij onderscheid gemaakt wordt in de verschillende energiedragers (elektriciteit, gas en warmte); berekening van het vermeden primaire energiegebruik in GigaJoule per euro aangevraagde subsidie; een beschrijving van de praktische navolging en slaagkans van de investering zoals bedoel in artikel 3.1.9 eerste lid; indien aanwezig een kopie van de noodzakelijke vergunningen; indien sprake is van biomassa, een bewijsstuk waaruit de inkoop van biomassa blijkt, inclusief inkoopprijs per ton; indien aanvrager een onderneming is een MKB-verklaring; indien sprake is van onderhoudskosten, een onderbouwing van de onderhoudskosten opgesteld door een onafhankelijke derde voor de eerste 5 jaar van het duurzame kapitaalgoed; indien in de berekening van het eigen energieverbruikt wordt meegenomen, een berekening, inclusief onderbouwing, van het eigen energieverbruik in kWh, Nm3 en/of Gigajoule van het duurzame kapitaalgoed in de eerste 5 jaar; indien sprake is van opbrengsten een onderbouwing van de opbrengsten van de investering; in geval van nieuwbouw of renovatie energieneutrale woningen: een onderbouwing van een EPC van 0,0 én benutting van 1.500 kWh duurzame energie die is opgewekt binnen een straal van 500 meter van het perceel. in geval van nieuwbouw utiliteitsgebouw: een onderbouwing van de te bereiken EPC/GPR score. in geval van bestaand utiliteitsgebouw: een onderbouwing van het huidige en nieuwe label, indien uw project gericht is op het voldoen aan het bouwbesluit voor nieuwbouw, kunt u ook volstaan met een onderbouwing van de oude en de nieuwe EPC-berekening. Artikel3.1.8Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel3.1.9Volgorde van behandeling Toelichting: De regeling is gebaseerd op een ‘tendersysteem’. Dat houdt in dat alle aanvragen vóór een bepaald tijdstip moeten worden ingediend en gelijktijdig worden beoordeeld in welke mate ze voldoen aan de criteria van de regeling. De hoogst gerangschikte aanvragen worden vervolgens toegewezen voor zover het subsidieplafond dat toelaat. Gedeputeerde Staten zullen bij de beoordeling onder meer gebruik maken van externe advisering. De subsidieaanvragen worden gerangschikt onder meer op basis van de verwachte hoeveelheid vermeden primaire energie in Gigajoule per te subsidiëren euro. De bijdrage aan de doelen wordt beoordeeld op de bijdrage aan de vermindering van GJ fossiele brandstoffen ten opzichte van een opgave over de in het voorgaande jaar opgewekte en/of verbruikte energie op basis van fossiele brandstoffen, herhaalpotentieel voor het project en de kans dat dit wordt benut. Bij economisch risico kan worden gedacht aan de robuustheid van het perspectief van een technologie ten opzichte van de te verwachten kostprijsontwikkeling; de mate waarin het project leidt tot kostenbesparing ten opzichte van referentie technologie en de mate waarin marktverwachtingen realistisch zijn.] In afwijking van artikel 1.1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 3.1.3 gestelde criteria, in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat. De prioriteitsvolgorde wordt bepaald op basis van de score die de investering haalt voor de volgende onderdelen: hoeveelheid vermeden primaire energiegebruik in GigaJoule. De score wordt bepaald aan de hand van de Score tabel investeringen. Bij de berekening van de hoeveelheid vermeden primaire energie wordt uitgegaan van een technische levensduur van 15 jaar. De berekening is als volgt: toegekende rapportcijfer vermeden primaire energie*15 (30%) + toegekende rapportcijfer kosteneffectiviteit*15 (30%) + toegekende rapportcijfer de mate van slaagkans*10 (20%) + toegekende rapportcijfer praktische navolging *5 (10%) + toegekende cijfer de mate van combinatie subsidiabele activiteiten*5 (10%). De totale som wordt gedeeld door 50, zodat een cijfer tussen de 0 en 10 wordt verkregen. [Toelichting: Scoretabel investeringen Vermeden primaire energie GJ GJ Rapportcijfer van tot 10 100.000 >400.000 8 40.000 100.000 6 20.000 40.000 4 10.000 20.000 2 1.000 10.000 0 0 1.000 Kosteneffectiviteit scores investeringen Rapportcijfer Kosteneffectiviteit GJ/€ van GJ/€ tot 10 1,6 >4 8 0,8 1,6 6 0,4 0,8 4 0,2 0,4 2 0,1 0,2 0 0 0,1 Mate van slaagkans Rapportcijfer slaagkans Omschrijving 10 Aanvraag scoort goed op slaagkans 6 Aanvraag scoort voldoende op slaagkans 1 Aanvraag scoort matig op slaagkans Praktische navolging Rapportcijfer praktische navolging Omschrijving 10 Aanvraag scoort goed op praktische navolging 6 Aanvraag scoort voldoende op praktische navolging 1 Aanvraag scoort matig op praktische navolging Combinatie subsidiabele activiteiten Rapportcijfer Aantal activiteiten 10 5 8 4 6 3 4 2 0 1 hoeveelheid vermeden primaire energie in GigaJoule per te subsidiëren euro. De score wordt bepaald aan de hand van de Score tabel investeringen; toelichting: Hier geldt ook de toelichting die bij sub a staat. de mate van slaagkans van het project, afhankelijk van de kwaliteit, kennis en expertise in de organisatie alsmede de technische, financiële en juridische haalbaarheid van de activiteit; toelichting: Bij slaagkans valt te denken aan de helderheid van de doelstellingen en de gekozen aanpak van het projectvoorstel, aan de kwaliteit van de aanvrager(
  2. s)en aan de kwaliteit van de organisatie, die zich uit in beschikbare kennis, middelen en expertise. De score op de mate van slaagkans kan mede op grond van expertise en ervaring worden gegeven. praktische navolging van het project, afhankelijk van de openbaarheid van de toegepaste technologie, voorbeeldwerking en herhaalpotentieel van de activiteit; toelichting: Bij praktische navolging gaat het om de mate waarin de organisatie inzicht geeft in de manieren waarop het aan ontwikkeling van de technologie na afronding van het project werkt en aan anderen kan worden overgedragen waarbij ook niet-technologische aspecten een belangrijke rol spelen. Voorbeelden van praktische navolging zijn de mogelijkheden voor vergelijkbare organisaties om vergelijkbare projecten uit te voeren en het doorontwikkelen van techniek. combinatie van subsidiabele activiteiten waarbij elk lid van artikel 3.1.2 geldt als afzonderlijke activiteit. De score wordt bepaald aan de hand van de Score tabel investeringen. toelichting: Hier geldt ook de toelichting die bij sub a staat. Bij een gelijke score bepaalt de hoeveelheid vermeden primaire energiegebruik in GigaJoule de prioriteitsvolgorde. Artikel3.1.10Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: het wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen betreft; het energiebesparende- en energieopwekkingsvoorzieningen in huurwoningen van woningcorporaties betreft; het een puur plantaardige olie als energiebron in de sector mobiliteit en transport betreft. Artikel3.1.11Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht de investeringen uiterlijk drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben gerealiseerd. Artikel3.1.12Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidievaststelling In aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling tevens: een ingevuld factsheet Subsidieregeling Duurzame energieopwekking en energiebesparing. toelichting: Het factsheet is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. een bestuursverklaring als bedoeld in artikel 1.4.2 indien sprake is van staatssteun en de verleende subsidie minder dan € 125.000 bedraagt. Paragraaf3.2Haalbaarheidsstudies nieuwe energie en energiescans Artikel3.2.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het protocol Monitoring energiebesparing 2001; toelichting: Het protocol Monitoring energiebesparing 2001 is de vinden op de website http://www.ecn.nl/ (publicatienummer: ECN-C-01-129). energieopwekking: duurzame energie opwekkingsvoorzieningen die het geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van energie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie; toelichting: Het protocol Monitoring Hernieuwbare Energie 2010 is te vinden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, www.rvo.nl. energiescan: een energieonderzoek dat inzicht geeft in het energieverbruik van een onderneming; toelichting: Informatie over de energiescan is te vinden op http://www.energiescanoverijssel.nl/.] haalbaarheidsstudie: een studie naar de toepassing van innovatieve technieken gericht op één of meerdere energiebesparende maatregelen of duurzame energie opwekkingsvoorzieningen waarvan het onduidelijk is, of deze toepassing technisch inpasbaar of economisch rendabel is. De studie richt zich zowel op bouwkundige, technische, logistieke en organisatorische aspecten als het industriële verbruik; brancheorganisatie: een vereniging of stichting van ondernemers met eenzelfde soort bedrijf, die zich verenigd hebben om collectieve belangen of deelbelangen van groepen leden of individuele belangen van leden te behartigen. Artikel3.2.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: een haalbaarheidsstudie energieopwekking of energiebesparing; een stimuleringsproject energiescans. Artikel3.2.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 onder sub a voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap of een eenmanszaak, niet zijnde een holding of een moedermaatschappij van een concern; een haalbaarheidsstudie heeft betrekking op één van de volgende investeringen: energieopwekking uit hernieuwbare energiebronnen te weten bio-energie, geothermie, zonne-energie of waterenergie; energiebesparing door de distributie van restwarmte rechtstreeks naar de eindgebruiker. energiebesparing door bouwkundige, technische, logistieke of organisatorische aspecten. de haalbaarheidsstudie is ten behoeve van inwoners of ondernemingen die gevestigd zijn in Overijssel; uit het dekkingplan blijkt dat ten minste 10% van de subsidiabel kosten gedekt is met eigen geld of bijdrage van de aanvrager zelf, niet zijnde subsidie van het Rijk, gemeente of waterschap; de aanvrager heeft een aantoonbaar belang bij de uitkomsten van de haalbaarheidsstudie. Dat belang kan zijn dat: de aanvrager op basis van de haalbaarheidsstudie de investeringsbeslissing neemt; of dat de aanvrager eigenaar of mede-eigenaar is van het innovatieve concept dat wordt uitgewerkt; een haalbaarheidsstudie naar energiebesparende maatregelen bij bedrijven is aantoonbaar uitgebreider dan het standaard energieonderzoek dat voor MKB-bedrijven beschikbaar is; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening. Een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.2.2 onder sub b voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente of een brancheorganisatie; het project is gericht op het stimuleren van MKB-ondernemingen in Overijssel om energiebesparende maatregelen te realiseren; Artikel3.2.4.Grondslag subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000,– per aanvraag. Artikel3.2.5.Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Haalbaarheidsstudies energie en energiescans. In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie de potentiële hoeveelheid energie die wordt opgewekt of bespaard in joules. Artikel3.2.6.Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel3.2.7.Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien subsidie wordt gevraagd voor: wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen; een haalbaarheidsstudie die betrekking heeft op bewezen en rendabele technieken; toelichting: Voorbeelden van bewezen en rendabele technieken zijn warmte- en koude-opslag, warmteterugwinning, houtpelletkachels, lagetemperatuurverwarming, warmtepompen en zonnepanelen. een haalbaarheidsstudie naar energiebesparende maatregelen in de woningbouw die leiden tot verbetering van minder dan 50 woningen; een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen voor nieuwbouw van utiliteitsgebouwen en van woningen met minder dan een 25% lagere EPC dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag; een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen in nieuwbouw van kantoren, woningen en scholen met een energiewaarde lager dan 8 in de GPR-score; een haalbaarheidsstudie die uitgaat van maatregelen voor bestaande gebouwen die daarmee een energieprestatie bereiken lager dan label A of label B en minder dan 3 labelstappen vooruitgaan; een haalbaarheidsstudie naar energiebesparing of -projecten in huishoudens; In aanvulling op het eerste lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: de aanvrager een ingenieurs- of adviesbureau betreft, tenzij het bureau de haalbaarheidsstudie uitvoert ter voorbereiding op een eigen investering in energiebesparing of energieopwekking; aan de aanvrager op basis van deze subsidieparagraaf voor de activiteit in het betreffende kalenderjaar in totaal al twee keer of meer een subsidie is verstrekt. Artikel3.2.8Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht: de subsidiabele activiteit binnen een 1 jaar na subsidieverlening te hebben uitgevoerd; de haalbaarheidsstudie beschikbaar te stellen aan iedereen die er belangstelling voor heeft. toelichting: Indien de haalbaarheidsstudie bedrijfsgevoelige informatie bevat, wordt deze ook beschikbaar gesteld, waarbij de bedrijfsgevoelige informatie geanonimiseerd mag worden. Paragraaf3.3Energiebesparende maatregelen (geld terug actie) Toelichting: Het programma Nieuwe Energie is gericht op duurzame energie en energiebesparing met als doel het fossiele energiegebruik te verminderen. Met deze subsidieregeling wordt uitvoering gegeven aan het deelprogramma ‘Energiebesparing bij bedrijven en -terreinen'. Ondernemingen die een energieonderzoek hebben laten uitvoeren, kunnen een subsidieaanvraag indienen voor het uitvoeren van de maatregelen die voorgesteld worden in het energieonderzoek. Artikel3.3.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: energiebesparende maatregelen: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals deze naar voren komen in het energieonderzoek en gedefinieerd is in het protocol Monitoring energiebesparing. De energiebesparende maatregelen zijn gebaseerd op de erkende maatregelen voor energiebesparing en de aanvullingen daarop van Infomil; toelichting: Zonnepanelen worden aangemerkt als energieopwekking en komen daarom niet in aanmerking voor subsidie. energieonderzoek: een onderzoek naar energiebesparingsmogelijkheden in gebouwen en industriële processen. Het onderzoek richt zich zowel op bouwkundige, technische en organisatorische aspecten als het industriële gebruik. toelichting: Een eenvoudige energiescan, zoals de digitale NZOscan, geeft niet alle mogelijke maatregelen weer. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar een energieonderzoek door een energieadviseur. EPA-U: een Energie Prestatie Advies voor bestaande utiliteitsgebouwen MKB-Nederland: brancheorganisatie voor het midden- en kleinbedrijf. Artikel3.3.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: energiemaatregelen die genoemd zijn in het energieonderzoek; een energieonderzoek. Artikel3.3.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap of een eenmanszaak; het energieonderzoek dient te zijn uitgevoerd na 1 januari 2013; het energieonderzoek is uitgevoerd: door een gecertificeerd energie-adviseur of instantie (bijvoorbeeld met EPA, EPA-U of ander certificaat); Toelichting: Voorbeeld van een certificerende instantie is FeDec. door een branchespecialist; of in opdracht van of met subsidie van de provincie Overijssel of een Overijsselse gemeente. de energiebesparende maatregelen hebben betrekking op het pand en de installaties daarbinnen waarvoor het energieonderzoek is uitgevoerd; [vervallen.] [vervallen.] het vestigingsadres van het pand waarvoor de energiebesparende maatregelen worden toegepast is in Overijssel; de energiebesparende maatregelen zijn gerealiseerd in de periode van maximaal zes maanden voorafgaand aan de subsidieaanvraag; de minimale investering in een gerealiseerde energiebesparende maatregel per aanvraag bedraagt € 4.000. Bij een gezamenlijke aanvraag kan één van de MKB ondernemingen of een onafhankelijke energieadviseur, als aanvrager aangewezen worden. Deze aanvrager is de subsidieontvanger en draagt zorg voor de verdeling van de subsidie. toelichting: Gedeputeerde Staten willen het mogelijk maken dat partijen een gezamenlijke aanvraag kunnen indienen. De totale investering per aanvraag moet dan € 4.000 of meer bedragen. indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan de de-minimisverordening. Artikel3.3.4Grondslag subsidie De subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 sub a bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500 per aanvrager, waarbij de subsidie voor advieskosten maximaal 5% van het totale investeringsbedrag bedraagt. De subsidie als bedoeld in artikel 3.3.2 sub b bedraagt € 200,– indien de energiekosten minder dan € 10.000,- per jaar bedragen; € 400,– indien de energiekosten tussen de € 10.000,- en de € 30.000,- per jaar bedragen. Artikel3.3.5Subsidiabele kosten Uitsluitend kosten van derden als bedoeld in artikel 1.1.5 derde lid zijn subsidiabel. In afwijking van artikel 1.1.6 derde lid zijn kosten van activiteiten die uitgevoerd zijn voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel, mits de betaling van de kosten plaats heeft gevonden maximaal zes maanden voorafgaand aan de subsidieaanvraag. Artikel3.3.6Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening De aanvrager maakt bij de aanvraag gebruik van het aanvraagformulier Energiebesparende maatregelen. In afwijking van artikel 1.2.1. tweede lid overlegt de aanvrager bij de aanvraag de volgende stukken: het energieonderzoek waarin minimaal is beschreven: het huidige energiegebruik; de energiebalans waarin minimaal 90% van het energiegebruik is toebedeeld aan de energiegebruikers; omschrijving van de energiemaatregelen, inclusief de verwachte investering en de verwachte energiereductie; en een plan van aanpak voor de uitvoering; de quick wins; kopieën van alle facturen en betaalbewijzen van de gemaakte en betaalde kosten. Artikel3.3.7Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel3.3.8Weigeringsgrond In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien: subsidie wordt aangevraagd voor uitsluitend een energieonderzoek; het energieonderzoek is uitgevoerd na realisatie van de energiebesparende maatregelen; voor het vestigingsadres al subsidie is verstrekt op basis van deze subsidieparagraaf. In aanvulling op de eerste lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie voor een energieonderzoek als bedoeld in artikel 3.3.2 sub b indien: het onderzoek voor 3 juli 2014 is uitgevoerd; het energieonderzoek een energieonderzoek ten behoeve van een sportvereniging is; energiekosten van de aanvrager meer dan € 30.000 per jaar bedragen. Paragraaf3.4Logistieke biomassaprojecten Artikel3.4.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval (conform Richtlijn2009/28/EG); logistiek biomassaproject: een project voor het realiseren van een nieuwe biomassaketen met de activiteiten organiseren, plannen, besturen en uitvoeren van de goederenstroom biomassa. Onderdelen van een logistiek project zijn stappen als inzameling van biomassa, voorbewerking, tussenopslag, transport, bewerking van biomassa (transitie) en distributie van warmte, elektriciteit of biobrandstoffen naar de eindafnemer. Doel van deze projecten is om tegen optimale kosten en kapitaalgebruik de biomassawaardeketen te sluiten en nieuwe energie uit biomassa te produceren; toelichting: Van oudsher zijn er twee omvangrijke afzetmarkten voor biomassa: de voedselmarkt en de bestaande markt voor onder meer hout, olie, vezels, veevoer en compost. Hier komt een groeiende waardeketen bij, namelijk voor het gebruik van biomassa als groene materialen, als groene grondstof voor specifieke toepassingen in de chemie, als transportbrandstof en voor opwekking van duurzame energie. Biomassa inzetten voor duurzame energie is economisch gezien de meest laagwaardige toepassing, maar vanuit het oogpunt van benutting van de energie-inhoud is energieopwekking thans de meest toegepaste verwerking van biomassa. Voor energieopwekking zijn de meeste productiehoeveelheden biomassa beschikbaar.De biomassaketen is een productketen en bestaat uit een aantal schakels die optimaal op elkaar afgestemd moeten worden. Biomassa kan tot waarde worden gebracht door het opzetten van een biomassaketen. Daarom spreek je ook van een biomassawaardeketen.De economische waarde binnen de keten neemt met elke schakel toe. Bijvoorbeeld gestapelde en gedroogde biomassa, en op maat verkleinde biomassa, heeft toenemend meer waarde voor de handel of de verwerker, dan verspreid liggende biomassa die nog ingezameld en voorbewerkt moet worden. Projecten worden opgezet met het doel om samenwerking in de biomassaketen te bevorderen. Er is nu nog weinig of geen samenwerking in de waardeketen en biomassa wordt daarom niet geoogst, verhandeld en ingezet. Er is dringend behoefte aan het verbindingen maken tussen de schakels van de biomassaketen, opdat er een volwaardige markt voor biomassa tot stand komt. Het sluiten van ketens vergt een nauwe samenwerking tussen partijen, een sterke logistieke organisatie, en een rendabele manier van (her)gebruik van reststromen. deelnemer: een partij die aantoonbaar belang heeft bij het project, niet zijnde een natuurlijk persoon. Artikel3.4.2Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor logistieke biomassaprojecten. toelichting: Deze regeling is bedoeld om ketenprocessen bij nieuwe biomassaprojecten te sluiten en te optimaliseren. Onderdelen van een biomassaproject zijn stappen als inzameling, voorbewerking, tussenopslag, transport en bewerking van biomassa (transitie) en distributie van warmte, elektriciteit of brandstoffen naar een eindafnemer. Daar hoort ook bij het oogsten, eventueel voorbewerken (om kwaliteit te leveren) en tussenopslag (massa, continuïteit). Artikel3.4.3Criteria De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4.2 voldoet aan de volgende criteria: de activiteit vindt in hoofdzaak, meer dan 80% van de subsidie, binnen de grenzen van de provincie Overijssel plaats; de activiteit heeft een terugverdientijd van meer dan vijf jaar na subsidieverlening; de biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria voor biomassa ten behoeve van energiedoeleinden, zoals bedoeld in NEN NTA 8080-1: 2015.nl en NTA 8080-2: 2015.nl. de activiteit heeft als doel om tegen optimale kosten en kapitaalgebruik een nieuwe biomassawaardeketen te sluiten en hernieuwbare energie uit biomassa te produceren. er zijn minimaal twee deelnemers aan het logistieke biomassaproject, niet zijnde een ingenieurs- of adviesbureau; indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 eerste lid van het VWEU, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening. Artikel3.4.4Grondslag subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 20.000,– per aanvraag. Artikel3.4.5Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel3.4.6Weigeringsgrond In aanvulling op artikel 1.1.7 weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie indien deze wordt aangevraagd voor: wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen; energiebesparende voorzieningen in huishoudens; een puur plantaardige olie als energiebron in de sector mobiliteit en transport. Artikel3.4.7Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de artikelen 1.4.1, 1.4.5 en 1.4.6 is de subsdieontvanger verplicht de activiteit uiterlijk drie jaar na datum van subsidieverlening te hebben afgerond. Paragraaf3.5Energielening Overijssel Artikel3.5.1.Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: energielening: stimuleringslening van Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn) ten behoeve van een energiemaatregel. energielijst: lijst met de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, als bedoeld in de actuele energielijst, van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), met uitzondering van windturbines en ongeacht of de betreffende energiemaatregel met of zonder SDE is. toelichting: De geldende Energielijst is te vinden op rvo.nl. De energielijst is een overzicht van RVO van energie-investeringen die voor de fiscale Energie Investeringsaftrek regeling (EIA)in aanmerking komen. Deze lijst wordt elk jaar opnieuw opgesteld. Het overzicht van de energie-investeringen is opgedeeld in 5 categorieën. Deze subsidieparagraaf richt zich op categorie A bedrijfsgebouwen, B processen en D duurzame energie. Dit betekent dat een onderneming een energielening kan aanvragen bij de provincie voor investeringen die genoemd worden onder categorie A, B en D van de energielijst, met uitzondering van windturbines. energiemaatregel: een maatregel uit de categorie A, B of D van de Energielijst, met uitzondering van windturbines; toelichting: Een overzicht van investeringen die onder categorie A, B en D vallen is te vinden in de energielijst. Artikel3.5.2Subsidiabele activiteit Gedeputeerde Staten kunnen subsidie in de vorm van rentekorting verstrekken voor een bij het SVn afgesloten, energielening ten behoeve van energiemaatregelen uit de energielijst. Artikel3.5.3Criteria Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2 voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een privaatrechtelijke rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een eenmanszaak of een kerkgenootschap; de aanvraag wordt gedaan voor een energiemaatregel ten behoeve van een vestiging in de provincie Overijssel, niet zijnde een vestigingsadres met bestemming wonen; de energiemaatregel betreft: een technische voorziening ten behoeve van energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie A; of een technische voorziening ten behoeve van energiebesparing bij processen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie B; een technische voorziening ten behoeve van Duurzame energie opwekking in of bij bedrijfsgebouwen, als bedoeld in de Energielijst onder categorie D, met uitzondering van windturbines. de lening wordt aangevraagd bij het SvN en heeft een looptijd van 10 jaar indien de aanvrager een stichting, vereniging of een kerkgenootschap betreft en een looptijd van 5 jaar in alle andere gevallen; de op de energielening te betalen rente bedraagt minimaal 1,5%; de hoofdsom van de energielening, bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000,– en een maximum van € 100.000,–; indien de energiemaatregel Photo-voltaïsche panelen betreft, bevat het dak waar de Photo-voltaïsche panelen worden geplaatst geen asbest; de aanvrager staat ten minste drie jaar ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en kan ten minste drie jaarverslagen van de meest recente boekjaren overleggen. toelichting: Voor de kredietbeoordeling van SVn dienen de laatste 3 jaarverslagen te worden overlegd. indien de te verstrekken subsidie staatssteun oplevert in de zin van artikel 107 e

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.