HoofdstukV Artikel 26 § 1 Algemeen 119 1 Inleiding 2 n.v.t. 120 3 Ontslag van betalingsverplichting 4 n.v.t. 121 5 Kwijtschelding van reeds betaalde belastingaanslagen 6 Welke middelen worden niet kwijtgescholden 7 n.v.t. 8 Het indienen van een verzoek om kwijtschelding 9 Verzoek niet ingediend op het daarvoor bestemde formulier 10 n.v.t. 122 11 Houding van de invorderingsambtenaar tijdens de behandeling van het verzoek 12 De behandeling van het verzoek om kwijtschelding 13 Saneringsverzoeken 14 Inhoud van de beslissing 15 Mondeling meedelen beschikking 123 16 Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend 17 Vermindering van de belastingaanslag na kwijtschelding 125 18 n.v.t. 19 Geen verjaring § 2 Kwijtschelding van belastingen in de privé-sfeer 1 Inleiding 2 Wanneer wordt kwijtschelding verleend 126 3 Het begrip vermogen 4 De inboedel als vermogensbestanddeel 127 4a Uitvaartvoorziening 5 Bejaarden en vermogen 6 De auto als vermogensbestanddeel 7 Bank- en/of girosaldi en vermogen 128 8 De eigen woning als vermogensbestanddeel 129 9 Vermogen van kinderen 129 10 Nalatenschappen en vermogen 11 Spaarsaldi als vermogensbestanddeel 130 11a Beroepsvermogen wikker 12 Betalingscapaciteit 13 Netto-besteedbaar inkomen 131 14 Netto-besteedbaar inkomen en inkomsten van inwonenden 132 15 Netto-besteedbaar inkomen en vakantiegeld 16 Netto-besteedbaar inkomen en studiefinanciering 17 Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage 133 17a Persoonsgebonden budget 17b Vergoedingen ter stimulering van arbeid 18 Overige inkomsten 18a Netto-besteedbaar inkomen wikkers 134 19 Netto-besteedbaar inkomen en de aftrekbare uitgaven 20 Betalingen op belastingschulden 21 Uitgaven voor huur/hypotheekrente en erfpachtcanons 135 21a Huurtoeslagnormen en ouderenhuishoudens 136 22 Uitgaven voor premies ziektekostenverzekering 23 Uitgaven in verband met onderhoudsverplichting 24 Uitgaven in verband met aflossingen op leningen 24a Uitgaven onderverhuur dan wel kamerverhuur en het houden van kostgangers 25 Betalingen aan andere schuldeisers 137 26 Normbedragen voor bestaanskosten 138 26a Verblijf in inrichting 139 27 Buitenlandse belastingschuldigen 140 28 Onderhoud gezinsleden in het buitenland 29 Betalingscapaciteit niet volledig opgeëist § 2a Wettelijke schuldsaneringsregeling en (buiten)gerechtelijk akkoord 1 Begripsbepalingen 140 2 Algemeen 141 3 Gevolgen wettelijke schuldsanering 4 Schuldsaneringsregelingen van de invorderingsambtenaar 142 5 Buitengerechtelijk akkoord alleen in die gevallen waarin redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard. 6 Situaties artikel 19a van de regeling 144 7 Situaties artikel 22a van de regeling 8 Begrip belastingschuld 9 Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord 145 10 Ten minste gelijk percentage van hetgeen aan concurrenten wordt uitgekeerd 146 11 Het te ontvangen bedrag moet ten minste dezelfde omvang hebben als kan worden verkregen indien de rechter een saneringsplan vaststelt 12 Lopende verplichtingen bijhouden 13 Invorderingsambtenaar mag niet worden achtergesteld bij gelijk bevoorrechte schuldeisers 14 Buiten toepassing laten van enkele artikelen van de regeling 147 15 Bestuurlijke boeten, rente en kosten 16 Gevolgen buitengerechtelijk akkoord 16a Gevolgen schuldregeling 148 17 Gevolgen dwangakkoord § 3 Schuldenregeling voor particulieren en ex-ondernemers 1 Voorwaarden tot deelname aan een regeling 2 Begrip belastingschuld 149 3 n.v.t. 4 Opbrengst ten minste gelijk aan datgene wat bij invorderingsmaatregelen kan worden verkregen en aan de betalingscapaciteit 5 De invorderingsambtenaar niet achterstellen bij concurrente schuldeisers 6 Na schuldenregeling nieuwe fiscale verplichtingen nakomen 7 Belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen 150 8 Bestuurlijke boeten 9 Rente en kosten § 4 Kwijtschelding van belastingen in de zakelijke sfeer (n.v.t.) 151 § 5 Kwijtschelding na staking bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening 1 Ex-ondernemers § 6 Administratief beroep 1 Administratief beroep tegen de beschikking van de invorderingsambtenaar 2 Herhaald verzoek om kwijtschelding (n.v.t.) 151 3 Beroepsfase en Awb 4 Welke gegevens en normen 152 5 Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek 6 Niet tijdig nemen van een besluit § 7 Voorzetting van de invordering 153 1 Voortzetting van de invordering na afwijzing § 8 Niet verder bemoeilijken 1 Inleiding 2 n.v.t. 154 2a n.v.t. 3 n.v.t. 4 Administratief beroep § 8a n.v.t. § 9 n.v.t. Artikel 27 § 1 Verjaring 155 1 Algemeen 2 Aansprakelijkgestelden 3 Stuiting 4 Uitstel van betaling 4a Wettelijke schuldsaneringsregeling 156 5 n.v.t. 6 n.v.t. 7 Rechtsgeding 8 Afstand van verjaring 9 Beroep op verjaring 10 Rente en kosten 157 Hoofdstuk VI Betalingskortingen en rente Artikel 27a § 1 n.v.t Artikel 28 § 1 Algemeen 158 1 Kader van de invorderingsrente 2 n.v.t. 3 n.v.t. 4 Dag van betaling 5 n.v.t. 159 § 2 Vermindering, redres en vergoeding 1 Onverschuldigdheid 2 Niet-verwijtbaarheid 3 Verzuim van de gemeente 4 Te late uitbetaling 5 Kwijtschelding niet mogelijk 160 6 n.v.t. 7 Beslistermijnen verzoeken § 3 n.v.t. Artikel 29 § 1 Rentepercentage 1 Vaststelling rentevoet Artikel 30 161 § 1 Vaststelling van de betalingskorting en rente bij voor bezwaar vatbare beschikking 1 Voor bezwaar vatbare beschikking 2 Bezwaar tegen de in rekening gebrachte of vergoede invorderingsrente 3 n.v.t. 162 4 Uitstel van betaling Artikel 31 § 1 Nadere regelgeving 1 Renteregeling Invorderingswet 162 Artikel 31a n.v.t. Hoofdstuk VI Aansprakelijkheid 163 Artikel 32 Afdeling 1 Aansprakelijkheid § 1 Fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen 1 Aansprakelijkheid fiscale en civiele bevoegdheden § 2 Civielrechtelijke aansprakelijkheid krachtens huwelijksgoederenrecht 1 Algemeen 2 Civielrechtelijke aansprakelijkheid 3 Gemeenschapsschulden; privé-schulden/belastingschulden 164 4 Verhaal privé-schuld 5 Verhaal gemeenschapsschuld 6 Aansprakelijkheid na ontbinding van de goederengemeenschap § 3 Aansprakelijkheid en invorderingsrente 165 1 Algemeen 2 n.v.t. § 4 n.v.t. § 5 Aansprakelijkheid en kosten 166 1 Aansprakelijkheid voor kosten 2 Eigen kosten van de aansprakelijkgestelde § 6 n.v.t. Artikel 33 § 1 Inleidende opmerkingen 167 1 Algemeen § 2 Ruime uitleg vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger 1 Ruime uitleg 2 Feitelijke vestiging § 3 Ontbinding en vereffening 1 Lichaam dat is ontbonden 2 Vereffenaar 168 § 4 Bestuurder 1 Bestuurder 2 Gewezen bestuurder 3 Lichaam als bestuurder § 5 Disculpatiemogelijkheid 1 Niet-verwijtbaarheid 169 Artikelen 34 tot en met 47 n.v.t. Artikel 48 § 1 Aansprakelijkheid van erfgenamen 1 Formele bepalingen niet van toepassing 2 Benificiare aanvaarding 3 Navorderings- en naheffingsaanslagen 4 Aansprakelijkheidsschulden 170 5 De waarde in het economische verkeer 6 n.v.t. 7 n.v.t. § 2 Invordering ten laste van een erfgenaam 1 n.v.t. 2 Dwangbevel Afdeling 2 Formele bepalingen Artikel 49 § 1 Inleidende opmerkingen 171 1 Algemeen 2 Uitzondering voor erfgenamen en andere rechtsopvolgers onder algemene titel 3 Aansprakelijkstelling vennoten 172 3a n.v.t. 4 Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete AWR en AWB van toepassing Aansprakelijkheid voor invorderingsrente 173 § 2 De aansprakelijkstelling 1 In gebreke zijn 2 Uitstel van betaling en niet verder bemoeilijken 3 In gebreke zijn en uitstel van betaling 4 De bekendmaking van de beschikking 5 n.v.t. 174 6 Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden 7 Vervallen 8 Aansprakelijkstelling als gegevens kunnen worden verstrekt § 3 Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling 1 Beschikking aansprakelijkstelling voor bezwaar vatbare beschikking 2 Awb van toepassing 175 3 Termijn voor het indienen bezwaarschrift 4 Overleg met de heffingsambtenaar 5 Bezwaar en uitstel van betaling 6 Beslissing op het bezwaarschrift 7 Vermindering aansprakelijkstelling na bezwaar 176 8 Procedure bij de fiscale rechter na afwijzing bezwaarschrift 9 Uitstel van betaling na (hoger) beroep of beroep in cassatie 10 Cassatievoorstel na uitspraak in hoger beroep § 4 Overgangsrecht procedure aansprakelijkstelling 1 Algemeen 2 Betwisting maar nog geen dagvaarding vóór 1 december 2002 177 3 Betwisting en bezwaar tegen de belastingaanslag vóór 1 december 2002 4 Geen betwisting maar wel bezwaar tegen de belastingaanslag vóór 1 december 2002 5 Afdoeningstermijn van betwistingen waarvoor geldt dat de 2-maandstermijn verstrijkt op of na 1 december 2002 6 Afdoeningstermijn van betwistingen waarvoor geldt dat de 2-maandstermijn vóór 1 december 2002 verstrijkt 178 7 Betrokkenheid gemeentelijke advocaat bij aansprakelijkheidszaken 8 Nadere betwisting na dagvaarding 9 Wijziging grond in civiele procedure 10 Wijziging bedrag aansprakelijkstelling in civiele procedures 11 Invordering en verrekening 179 12 Wijziging eis § 5 Invordering 1 Eerst uitwinning belastingschuldige 2 Volgorde van aansprakelijkstellen Artikel 50 n.v.t. Artikel 51 § 1 Conservatoir beslag 180 1 Algemeen 2 Verval/opheffen conservatoir beslag 3 Verval/opheffen conservatoir derdenbeslag 4 Executoriale titel 5 Verklaring bij derdenbeslag 181 Artikel 52 § 1 Invordering 1 Invordering na aansprakelijkstelling 2 Aanmaning en eigen dwangbevel 182 3 Vervallen per 1 juli 2003 4 Verzoek ambtshalve vermindering § 2 Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel 1 Algemeen 2 Beperking verzetsgronden 3 Verzet tegen executie condemnatoir vonnis 183 § 3 Vordering 1 Vordering § 4 Lijfsdwang 1 Aansprakelijkgestelde Artikel 53 § 1 Verhaalsrechten n.v.t. 184 § 2 Verrekening 1 Verrekening aansprakelijkheidsschuld § 2a Uitstel van betaling (vervallen ) § 3 Ontslag van betalingsverplichting 1 Algemeen § 4 Verjaring 1 Geen eigen verjaringsregels 2 Geen verlenging verjaringstermijn Artikel 54 § 1 Mededeling aan de belastingschuldige 185 1 Algemeen 2 Invorderingsrente en kosten 3 Betaling aanhouden Afdeling 3 Bijzondere verhaalsregelingen voor de aansprakelijk gestelde 186 Artikel 55 n.v.t. Artikel 56 n.v.t. Artikel 57 n.v.t. Hoofdstuk VII Verplichtingen ten behoeve van de invordering § 1 Algemene onderwerpen 1 Algemeen 2 Bevoegde ambtenaar 3 Gegevens en inlichtingen 187 4 Gegevensdragers 5 Plaats van raadpleging gegevensdragers 6 n.v.t. 7 Van belang voor de invordering Artikel 58 § 1 Verplichtingen ten aanzien van de belastingschuldige of aansprakelijk gestelde zelf 188 1 Verplichting tot het verstrekken van gegevens en tot voor raadpleging ter beschikking stellen van gegevensdragers voor 'eigen' schulden 2 Invorderingsonderzoek 3 Sfeerovergang 4 Aansprakelijk gestelden 188 Artikel 59 § 1 Raadpleging gegevensdragers van de belastingschuldige of van de aansprakelijkgestelde die zich bij een derde bevinden 1 Informatieplicht van derden 189 Artikel 60 § 1 Raadpleging van stukken: aard, inhoud en wijze 1 Algemeen 2 Redelijke termijn 3 Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen 190 4 Kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels 5 Strafsancties Artikel 61 §1 Geheimhoudingsplicht 191 1 Reikwijdte 2 Niet van de administratie gescheiden beroepsvertrouwelijke gegevens Artikel 62 n.v.t. Artikel 63 192 § 1 Geheimhoudingsplicht beroepsbeoefenaren 1 Algemeen Artikel 63a § 1 Bevoegdheid belastingambtenaren 1 Algemeen Hoofdstuk VIII Strafrechtelijke bepalingen § 1 Inleiding 1 Algemeen 193 2 Betrokkenheid meer personen Artikel 64 § 1 Overtredingen; geen straf of afwezigheid van alle schuld 1 Algemeen Artikel 65 194 § 1 Misdrijf 1 Algemeen 2 Reikwijdte opzetcriterium 3 Het alsnog verstrekken van gegevens en inlichtingen kan strafvervolging voorkomen 195 Artikel 65a § 1 Overtreding/gevolgen daarvan 1 Algemeen Artikel 66 1 Algemeen 196 Hoofdstuk IX Aanvullende regelingen Artikel 67 § 1 Geheimhoudingsplicht 1 Geheimhoudingsplicht 2 Informatieverstrekking van aansprakelijkgestelden 3 Informatieverstrekking en de Wet Openbaarheid van Bestuur Artikel 68 n.v.t. 197Artikel 69 n.v.t. Artikel 70 n.v.t. Hoofdstuk X Slotbepalingen Artikel 71 § 1 Inwerkingtreding 1 Invoeringswet 2 Overgangsbepalingen Artikel 72 § 1 Citeertitel 1 Algemeen Hoofdstuk XI Wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement § 1 Aanvragen van faillissement 1 Beleidsmatige toepassing § 2 Aanmeldingen belastingschulden in de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement 198 1 Wettelijke schuldsaneringsregeling 2 Faillissementen § 3 Tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement 1 Toezicht van de invorderingsambtenaar 2 Mededeling beslag 3 Verhaal tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement 4 Boedelschulden 199 5 Verificatievergadering 6 Oneigenlijke opheffing in faillissement (???) 7 Proceskosten 200 8 Spaarfaillissementen 9 Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator 201 § 4 Na de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement 1 Na de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling 2 Na het faillissement § 5 Akkoord in faillissement getoetst aan artikel 22a van de regeling 1 Algemeen Hoofdstuk XII Vervolgingskosten 202 § 1 Algemeen 1 Vervolgingskosten 2 Gevorderde som 3 Aan derden toekomende bedragen § 2 Rechtsmiddelen 1 Bezwaar- en beroepsmogelijkheid 2 Bezwaarfase en Awb 203 3 Administratief beroep bij de invorderingsambtenaar 4 n.v.t. 5 Uitstel van betaling § 3 Vermindering en redres 1 Karakter van het ingediende verzoek om geen vervolgingskosten in rekening te brengen 2 Niet in rekening brengen 3 Onverschuldigdheid 204 4 Niet-verwijtbaarheid 205 5 Versnelde invordering 6 Aansprakelijkgestelden 206 7 Kwijtschelding niet mogelijk § 4 Limitering berekeningskosten dwangbeleid 1 Algemeen Hoofdstuk XIII Oninbaarlijden van belastingschuld § 1 Algemeen 207 1 Algemeen 2 Geen invorderingsmogelijkheden 3 Belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen 4 Kwijtschelding 5 Verjaringstermijn 6 n.v.t. 208 HoofdstukXIVn.v.t. Hoofdstuk XV Paspoortsignalering § 1 Algemeen 1 Verstrekking reisdocument 2 Omschrijving paspoortsignalering 3 Bevoegdheid tot signalering 4 Paspoort, toeristenkaart 5 Bevoegdheid tot afgifte van een reisdocument 209 § 2 Wanneer paspoortsignalering 1 Criteria 2 Geen andere invorderingsmogelijkheden 210 3 Kans op succes § 3 Voor welke schulden signalering 1 Soort schulden § 4 Voor welk bedrag signalering 1 Minimum bedrag § 5 Gevolgen van de signalering 211 1 Opname in het register paspoortsignalering 2 Opname in het opsporingsregister 3 De aanvraag van een nieuw reisdocument na signalering 4 Belastingschuldige staat ingeschreven in een gemeente in Nederland 212 5 Belastingschuldige staat niet ingeschreven in een gemeente in Nederland 213 6 Belastingschuldige verblijft in het buitenland 7 Verstrekking van een reisdocument 8 Vervallenverklaring of weigering tot afgifte van een reisdocument § 6 Verzet tegen de signalering 1 Rechtsmiddelen § 7 Vervallen van de signalering 214 1 Intrekking HoofdstukXVIn.v.t. HoofdstukXVIIn.v.t. Citeertitel en inwerkingtreding215 Bijlage Ia Beslagvrije voet per 1 januari 2002 216 Bijlage Ib Overzicht normen studiefinanciering 218 Bijlage Ic Overzicht normen huurtoeslag Bijlage A bij bijlage Ic 219 Bijlage Id Percentage invorderingsrente 221 Bijlage Ie Tekst gedragscode Schuldregeling NVVK 222 Bijlage If Modelbrief bij betalingen aan andere schuldeisers (artikel 26, § 2, lid 25) 233 4 Eigen beleid gemeente Leeuwarden 234
- Wijziging in de Rijksleidraad invordering236 a Wijziging leidraad invordering volgens beleid gemeente Leeuwarden b Wijziging leidraad invordering volgens rijksleidraad 2 Inleiding § 1 Inleidende opmerkingen Algemeen 1 In deze leidraad wordt verstaan onder: belastingdeurwaarder: de daartoe door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaar; de wet: de wet van 1 juni 1990 op de invordering van rijksbelastingen andere dan invoerrechten en accijnzen (Invorderingswet 1990); de regeling: de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; loonbeslag: de loonbelasting alsmede de sociale verzekeringspremies; sociale verzekeringspremies: de premie volksverzekeringen alsmede de ingevolge de Zorgverzekeringswet geheven inkomstenbelasting; belastingen: belastingen die door de gemeente worden geheven; negatieve definitieve aanslag: de aanslag als bedoeld in artikel 15 van de AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief bedrag; gegevensdrager: boeken, bescheiden en andere gegevensdragers; invorderingsambtenaar: de gemeenteambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie terzake mandaat is verleend door de invorderingsambtenaar; het vragen van gegevensdragers: de vordering om boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, zulks ter keuze van de invorderingsambtenaar, voor raadpleging ter beschikking te stellen; de heffingsambtenaar: de gemeenteambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie terzake mandaat is verleend door de heffingsambtenaar; wettelijke schuldsaneringsregeling: de schuldsaneringsregeling op grond van de Wet tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen, ook wel de WSNP genoemd. Onder de overige in deze leidraad gebezigde begrippen wordt hetzelfde verstaan als hetgeen daaromtrent in de wet wordt verstaan. Voor de toepassing van deze leidraad worden de op andere wijze geheven belastingen aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen. 2 n.v.t. Op basis van artikel 249 van de Gemeentewet zijn de artikelen 5, 20, 21, 59, 62 en 69 van de Invorderingswet 1990 niet van toepassing voor de invordering van gemeentelijke belastingen. Bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 7, derde lid, en 8, eerste lid van de wet buiten toepassing. 3 n.v.t. Aansprakelijkgestelden 4 De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als ten aanzien van belastingschuldigen. Ook hier is terwille van de leesbaarheid op de daarvoor geëigende plaatsen vermeden tevens de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften op de invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden te beperken. Karakter van de Leidraad invordering gemeentelijke belastingen 5 De wet bevat voorschriften ter verwezenlijking van de aanspraken die de gemeente op de belastingschuldigen heeft. Deze voorschriften beogen de invordering op eenvoudige, weinig kostbare en doeltreffende wijze te doen plaatshebben. De bepalingen van deze leidraad strekken er toe het invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren. De leidraad beoogt niet een uiteenzetting te geven van de bestaande jurisprudentie. Algemene wet bestuursrecht 6 Hoewel artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 van de Awb niet van toepassing zijn op de wet, wordt, zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met de Awb gehandeld. De invorderingsambtenaar dient bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriaal verkoop, en dergelijke). Zie in dit verband het tiende lid van deze paragraaf. Het voorgaande betekent onder meer dat de invorderingsambtenaar handelt overeenkomstig deze leidraad, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de leidraad te dienen doelen (vgl. art. 4:84 Awb). Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er dient dus sprake te zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden, op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren in verhouding tot de door de invorderingsambtenaar te dienen belangen. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in art. 3:4 Awb. Algemene uitgangspunten van het invorderingsbeleid 7 Als de invordering op verschillende wijzen kan geschieden, geldt als uitgangspunt dat de voor de gemeente eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze de voorkeur verdient. Soms is verhaal mogelijk door middel van een vordering op grond van artikel 19 van de wet. Het verdient de voorkeur om reeds voordat tot de tenuitvoerlegging van het dwangbevel wordt besloten, te bezien of van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt, nu het daarbij gaat om een specifiek in de wet voorziene invorderingsmaatregel waarbij doelmatigheid en doeltreffendheid voorop staan. Strak en efficiënt beleid 8 Hoewel de invorderingsambtenaar een open oog dient te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de belastingschuldige, is zijn taak er in de eerste plaats op gericht te bewerkstelligen dat wordt voldaan aan de betalingsverplichtingen en wel als regel binnen de termijn of termijnen die de wet, dan wel de verordening daartoe stelt. De invorderingsambtenaar dient zich er steeds van bewust te zijn dat het verlengen van betalingstermijnen of het oplopen van een belastingschuld kan leiden tot de situatie, waarin de schuld niet meer invorderbaar blijkt, dan wel, voorzover nog wel invorderbaar al dan niet in geval van faillissement, de belangen van andere schuldeisers kan schaden. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven 9 Als de invorderingsambtenaar het nodig acht in het kader van de invordering maatregelen te treffen, waardoor naar redelijkerwijs moet worden aangenomen, het voortbestaan wordt bedreigd van een bedrijf of een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden, vraagt hij daartoe toestemming van het college van burgemeester en wethouders. De enkele maatregel van beslaglegging behoeft niet steeds het vorenbedoelde effect te hebben. Zo zijn er zeer wel gevallen denkbaar, waarin op een zodanige wijze kan worden gehandeld, dat derden geheel onkundig blijven van de beslaglegging. Daarentegen is in het algemeen van een daadwerkelijke bedreiging van het voortbestaan bijvoorbeeld wel sprake en dient dus toestemming te worden gevraagd als: met beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijf wordt beoogd; door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd; derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het geval is bij derdenbeslag; de beslaglegging andere crediteuren zal bewegen tot het nemen van bijzondere stappen, waaronder mede wordt verstaan het opzeggen van het bankkrediet; de invorderingsambtenaar van een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door de schuldeiser. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur 10 Het optreden van de invorderingsambtenaar dient in alle gevallen zorgvuldig te zijn. Daarbij dienen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als uitgangspunt. Tot de voornaamste algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden gerekend de beginselen van gelijkheid, motivering, rechtszekerheid en zorgvuldigheid. Een aantal van die beginselen is opgenomen in de Awb, maar niet allemaal. Zo ontbreekt in de Awb thans nog ondermeer het gelijkheidsbeginsel. De genoemde beginselen komen tot uitdrukking bij de afweging van de belangen van de gemeente, de belastingschuldigen en eventueel betrokken derden. Een van de consequenties hiervan is dat, hoezeer ook de gemeente gebruikmaakt van automatisering en massale administratieve processen, aan de redelijke belangen van de belastingschuldigen of derden niet voorbij mag worden gegaan. In dit verband wordt er tevens op gewezen, dat de invorderingsambtenaar niet alleen verantwoordelijk is voor de inning op juiste wijze van vorderingen waarvan de invordering aan hem is opgedragen, maar ook voor de beslissing (ook in afwijzende zin) op verzoeken van belastingschuldigen om enigerlei tegemoetkoming. Het optreden van de invorderingsambtenaar dient steeds blijk te geven van tact en gevoel voor objectiviteit. Het beginsel van gelijke behandeling komt tot uitdrukking in de gelijke behandeling van (in hoge mate) gelijke gevallen. Het motiveringsbeginsel betekent voor de invorderingsambtenaar dat hij zijn handelingen en besluiten deugdelijk motiveert zodat de belastingschuldige of de derde van zijn beweegredenen kennis kan nemen en zich eventueel tegen de (voorgenomen) handelingen of besluiten kan verweren. Voorts brengen de beginselen van behoorlijk bestuur met zich mee dat opgewekt vertrouwen wordt gehonoreerd en dat de aan de invorderingsambtenaar gegeven bevoegdheden slechts worden gebruikt overeenkomstig hun bedoeling. Voor de invordering minder geschikte dagen 11 Op dagen die daarvoor uit beleidsmatig oogpunt minder geschikt worden geacht, worden ten aanzien van particulieren in het algemeen geen invorderingsmaatregelen genomen, die zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven. In het bijzonder kan hierbij worden gedacht aan landelijke of regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen. Het vorenstaande geldt ook voor degenen die een onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen, één en ander voorzover het invorderingsmaatregelen betreft die betrekking hebben op bezittingen die tot de privé-sfeer van deze belastingschuldigen kunnen worden gerekend. Datum van binnenkomst bescheiden; bevoegde gemeenteambtenaar 12 Als aan de indiening van bepaalde bescheiden (bijvoorbeeld een beroepschrift ex artikel 22 of een bezwaarschrift ex artikel 30 van de wet, een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, etc.) rechtsgevolgen zijn verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend, wordt de datum van binnenkomst bij een niet bevoegde instantie beschouwd als datum van binnenkomst bij de bevoegde invorderingsambtenaar. Het vorenstaande is overeenkomstig van toepassing indien genoemde bescheiden worden ingediend bij een andere autoriteit waarvan de indiener meende en redelijkerwijs kon menen dat deze autoriteit de tot ontvangst bevoegde instantie was. Als echter de invorderingsambtenaar tussen de twee genoemde data heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, blijven deze gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg en het aansprakelijk stellen van derden. Als op grond van de wet of het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de indiening van bepaalde bescheiden, het maken van bezwaar, het indienen van een beroepschrift, het doen van verzet, enz. dient te geschieden bij de belastingdeurwaarder respectievelijk bij de invorderingsambtenaar maar dit feitelijk bij een andere gemeenteambtenaar heeft plaatsgevonden, wordt deze indiening enz. geacht bij de belastingdeurwaarder respectievelijk bij de invorderingsambtenaar te hebben plaatsgevonden. De belastingdeurwaarder: gedragsregels 13 Belastingdeurwaarder is de door of namens het college van burgemeester en wethouders als zodanig aangewezen ambtenaar van de gemeente. De rechten en plichten uit hoofde van de Ambtenarenwet zijn op hem van toepassing. In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de invorderingsambtenaar). Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid, gebruikt hij zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend en waakt hij ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die handelingen te dienen doelen. Ter voorkoming van misverstanden meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en legitimeert hij zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van enige gemeentelijke belasting. De leiding van de invordering berust steeds in handen van de invorderingsambtenaar. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de door hem rechtstreeks aan de wet en aan Rv ontleende bevoegdheden slechts uitoefent na daartoe verkregen opdracht van de invorderingsambtenaar en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen. Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem of een ander heeft gedragen een klacht in te dienen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de invorderingsambtenaar in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is. Binnentreding 14 Als de belastingdeurwaarder in een woning wil binnentreden om beslag te kunnen leggen, handelt hij overeenkomstig het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden. Dit betekent dat hij zich steeds moet legitimeren en het doel van de binnentreding moet meedelen. Alvorens de belastingdeurwaarder overgaat tot het binnentreden van een woning, waarvan de bewoner niet aanwezig is dan wel waarvan de bewoner toestemming tot binnentreding weigert, raadpleegt de belastingdeurwaarder de gemeentelijke basisadministratie om zich te vergewissen van de meest recente adresgegevens van de betrokken belastingschuldige. Gelet op het belang van de bescherming van het huisrecht mag de belastingdeurwaarder van de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen alleen gebruikmaken voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Dit betekent dat niet willekeurig of lichtvaardig gebruik mag worden gemaakt van de uitoefening van de bevoegdheid tot binnentreden. Het belang waarmee het binnentreden is gediend moet opwegen tegen de inbreuk op het huisrecht. Het invorderingsbelang dat is gediend met binnentreding door de belastingdeurwaarder in de woning van de belastingschuldige, tegen diens wil, dient telkenmale te worden afgewogen tegen het belang van bescherming van het huisrecht. Het binnentreden zal in concreto en met het oog op het doel waartoe wordt binnengetreden redelijkerwijs nodig moeten zijn. Indien het doel ook op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bereikt, zoals bijvoorbeeld door het leggen van loonbeslag, moet worden afgezien van het binnentreden zonder toestemming van de bewoner. Ook van belang is op welke wijze zal worden binnengetreden. De inbreuk op het huisrecht dient niet groter te zijn dan in het concrete geval noodzakelijk is. Indien het binnentreden beperkt kan blijven tot enkele gedeelten van de woning, zou het in strijd zijn met de eis van de proportionaliteit indien zonder redenen alle ruimten van de woning betreden worden. De belastingdeurwaarder zal veelal met de binnentredingsproblematiek worden geconfronteerd in het kader van een beslagopdracht op roerende zaken. Indien bij uitvoering van die opdracht de bewoner niet aanwezig is dan wel de belastingdeurwaarder geen toestemming van de bewoner krijgt tot binnentreden in een woning, wordt niet binnengetreden dan na overleg met de invorderingsambtenaar die de beslagopdracht heeft gegeven, tenzij de belastingdeurwaarder door niet onmiddellijk binnen te treden van oordeel is dat de belangen van de gemeente zullen worden geschaad. Ten overvloede wordt opgemerkt dat ook niet wordt binnengetreden als wel toestemming door de bewoner wordt verleend, maar de belastingdeurwaarder tot het oordeel komt dat binnentreden op dat moment in redelijkheid niet wenselijk is, bijvoorbeeld in het geval een huisgenoot van belastingschuldige op sterven ligt. In het overleg met de belastingdeurwaarder over de vraag of zonder toestemming van de bewoner in een woning moet worden binnengetreden, zal de invorderingsambtenaar naast de voormelde criteria ook anderszins de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht dienen te nemen. Verwezen wordt in dit verband naar § 1, Inleidende opmerkingen, tiende lid, van deze leidraad. Met betrekking tot binnentredingssituaties zonder toestemming van de bewoner in andere gevallen dan in het kader van de opdracht tot beslaglegging op roerende zaken, zoals bijvoorbeeld voor een nadere inventarisatie, het wegvoeren van zaken, de voorbereiding van de verkoop, het gelegenheid geven tot bezichtiging en de verkoop zelf, dient de belastingdeurwaarder te allen tijde te overleggen met de invorderingsambtenaar die met de invordering is belast. Bij het binnentreden tegen de wil van de bewoner geldt in alle gevallen onverkort artikel 444, tweede lid, Rv. Dit betekent dat de belastingdeurwaarder zich in die gevallen dient te vervoegen bij de burgemeester van de gemeente, in wiens tegenwoordigheid de opening van de deuren of van het huisraad zal worden gedaan, of bij de hulpofficier van Justitie. De belastingdeurwaarder is er tegenover de belastingschuldige verantwoordelijk voor dat de functionaris die bij de binnentreding aanwezig is, ook daartoe is bevoegd in de zin van artikel 444 Rv. De burgemeester of de hulpofficier van Justitie tot wie de belastingdeurwaarder zich wendt heeft in het kader van het binnentreden zonder toestemming van de bewoner een eigen verantwoordelijkheid en zal voorafgaand aan het binnentreden ook een toetsing verrichten om te voorkomen dat een lichtvaardig gebruik wordt gemaakt van de bij de wet toegekende bevoegdheden tot binnentreden. Het is derhalve niet alleen de invorderingsambtenaar of de belastingdeurwaarder die een afweging maakt tussen het belang waarmee het binnentreden in een concreet geval is gediend en het belang van het beschermen van het huisrecht van de bewoner. Komt de burgemeester of de hulpofficier in een specifiek geval tot het oordeel dat de bescherming van het huisrecht dient te prevaleren boven het belang dat met het binnentreden is gediend, dan wordt niet binnengetreden. Voorts zal de burgemeester of de hulpofficier beoordelen of de wijze van uitoefening van de bevoegdheid tot binnentreden voldoet aan de eis van proportionaliteit. Bij binnentreding in bedrijfsruimten en andere ruimten die niet als woning zijn aan te merken, geldt niet de Algemene wet op het binnentreden, maar wel het bepaalde in artikel 444 Rv. Alvorens de belastingdeurwaarder zonder toestemming een bedrijfsruimte betreedt, zal hij daartoe eerst het handelsregister raadplegen, teneinde te kunnen beschikken over de meest actuele gegevens. In geval de belastingdeurwaarder twijfelt of een bepaalde ruimte als woning moet worden aangemerkt, dient hij zekerheidshalve te handelen als bij woningen. Bewaren invorderingsbescheiden 15 De invorderingsambtenaar bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende drie jaren na afdoening of zo veel langer als het recht tot dwanginvordering van de daaraan ten grondslag liggende belastingaanslag nog niet is verjaard. De op kwijtschelding betrekking hebbende bescheiden worden gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer indien redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meerdere bepaalde belastingaanslagen worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard of zo veel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bestuurlijke boeten 16 Beschikkingen en/of uitspraken inzake bestuurlijke boeten worden ingevorderd als belasting en volgen het regime van de belasting waarmee zij verband houden. Een op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de wet met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig en in verband met de vaststelling van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel m, van de wet is opgelegd, is invorderbaar in zoveel termijnen als geldt voor die belastingaanslag. Losse boetebeschikkingen, dat wil zeggen boetebeschikkingen die niet in verband staan tot een bepaalde belastingaanslag of boetebeschikkingen die wel in verband staan tot een bepaalde belastingaanslag, maar niet gelijktijdig met die belastingaanslag zijn vastgesteld, kennen een betalingstermijn van twee maanden. Tevens wordt opgemerkt dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 32 van de wet, ook derden aansprakelijk kunnen worden gesteld voor bestuurlijke boeten. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen 17 In de gevallen dat belastingschuldige of zijn gemachtigde, om andere redenen dan in verband met artikel 35 van de wet, verzoekt om een verklaring dat op dat moment ten name van hem noch belastingaanslagen openstaan noch andere vorderingen waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen en/of verzoekt om een verklaring waaruit blijkt dat zich in het verleden voor wat betreft de invordering geen moeilijkheden hebben voorgedaan komt de invorderingsambtenaar aan een zodanig verzoek tegemoet, tenzij uiteraard een dergelijke verklaring in strijd zou zijn met de werkelijkheid. In de verklaring kan de invorderingsambtenaar nadere bijzonderheden vermelden. De invorderingsambtenaar zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belastingschuldige blijft achterwege tenzij de invorderingsambtenaar zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is. 18 n.v.t. 19 n.v.t. Tekst van de Leidraad Hoofdstuk I Algemene bepalingenArtikel 1 Naar de inhoud Deze wet geldt bij de invordering van rijksbelastingen. Op deze wet zijn artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel231,eerste lid, Gemeentewet 1.Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen. § 1 Toepassingsgebied Algemeen 1 Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Allereerst is de wet van toepassing op belastingaanslagen die zijn vastgesteld op de voet van de AWR. Bovendien is de wet van toepassing op belastingaanslagen in de premieheffing volksverzekeringen en de inkomens afhankelijke bijdrage op grond op grond van de Zorgverzekeringswet. Een verdere uitbreiding van de reikwijdte van de wet is te vinden in artikel
- De bepalingen van deze leidraad zijn geheel respectievelijk ten dele van toepassing op alle heffingen waarop de wet geheel respectievelijk ten dele van toepassing is en waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen. In het tweede lid van artikel 1 van de wet is de relatie van de wet tot de Awb aangegeven. Verwezen wordt in dit verband naar §1, Inleidende opmerkingen, zesde lid, van deze leidraad. Artikel 2 Naar de inhoud De wet verstaat onder: rijksbelastingen: belastingen welke van rijkswege door de rijksbelastingdienst worden geheven, alsmede rechten bij invoer en rechten bij uitvoer als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, van de Douanewet; heffingsrente en revisierente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; Communautair douanewetboek: verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302); toepassingsverordening Communautair douanewetboek: verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van de verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 253); compenserende interesten: de compenserende interesten, bedoeld in de artikelen 589 en 709 van de toepassingsverordening Communautair douanewetboek; kosten van ambtelijke werkzaamheden: de kosten, bedoeld in hoofdstuk 4, paragraaf 2, van de Douanewet; bestuurlijke boeten: de verzuimboeten en de vergrijpboeten, bedoeld in hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dan wel in enige andere wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen; Onze Minister: Onze Minister van Financiën; directeur, heffingsambtenaar of invorderingsambtenaar: de directeur, de heffingsambtenaar of de invorderingsambtenaar, die inzake rijksbelastingen bevoegd is; belastingdeurwaarder: de door Onze Minister als zodanig aangewezen ambtenaar van de rijksbelastingdienst; belastingschuldige: degene te wiens naam de belastingaanslag is gesteld; werknemer, artiest, beroepssporter, dienstbetrekking en inhoudingsplichtige: de werknemer, de artiest, de beroepssporter, de dienstbetrekking en de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (Stb. 521); belastingaanslag: de voorlopige aanslag, de aanslag, de uitnodiging tot betaling, de navorderingsaanslag en de naheffingsaanslag, alsmede de voorlopige conserverende aanslag, de conserverende aanslag en de conserverende navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting; kind: eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de neergaande lijn. Deze wet verstaat mede onder: rijksbelastingen: de heffingsrente, de revisierente, de compenserende interesten, de kosten van ambtelijke werkzaamheden, alsmede de bestuurlijke boeten; wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen: de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Douanewet, voorzover deze betrekking hebben op de heffing van rijksbelastingen; belastingaanslag: een ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen of enige andere wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen vastgestelde beschikking of uitspraak strekkende tot - al dan niet nadere - vaststelling van een ingevolge die regelingen verschuldigd of terug te geven bedrag; aanslagbiljet: de kennisgeving van de beschikking of de uitspraak, bedoeld in onderdeel c; invorderen van rijksbelastingen: het betalen van een terug te geven bedrag aan rijksbelastingen. Voor de toepassing van deze wet geldt, in afwijking in zoverre van het eerste en het tweede lid en behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken ingevolge het elders in deze wet bepaalde, als belastingaanslag: de belastingaanslag na toepassing van de ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen of enige andere wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen voorziene verrekeningen; ingeval een aanslagbiljet naast een of meer belastingaanslagen als bedoeld in onderdeel a een of meer ingevolge het tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikkingen omvat: het gezamenlijke bedrag van de ingevolge de op het aanslagbiljet vermelde belastingaanslagen in te vorderen bedragen. Ingeval het derde lid, aanhef en onderdeel b, toepassing vindt, worden de op het aanslagbiljet vermelde bestanddelen - wat belasting betreft na de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde verrekening - tot een negatief bedrag geacht naar evenredigheid te zijn verrekend met de bestanddelen tot een positief bedrag en omgekeerd. Bepalingen van deze wet die rechtsgevolgen verbinden aan het aangaan, het bestaan, de beëindiging of het beëindigd zijn van een huwelijk zijn van overeenkomstige toepassing op het aangaan, het bestaan, de beëindiging onderscheidenlijk het beëindigd zijn van een geregistreerd partnerschap. Artikel231,tweede en derde lid, van de Gemeentewet 2.Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en de verplichtingen van de hierna vermelde in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen: Onze Minister van financiën, het bestuur van 's Rijksbelastingen en de directeur: het college van burgemeester en wethouders; de heffingsambtenaar: de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen; de invorderingsambtenaar of een inzake rijksbelastingen bevoegde invorderingsambtenaar: de gemeenteambtenaar belast met de invordering van gemeentelijke belastingen; de ambtenaren van de rijksbelastingdienst: de gemeenteambtenaren belast met de heffing of de invordering van gemeentelijke belastingen; de belastingdeurwaarder: de daartoe aangewezen gemeenteambtenaar. 3.Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde wordt met betrekking tot gemeentelijke belastingen in de Algemene wet en in de Invorderingswet 1990 voor 'algemene maatregel van bestuur' en voor 'ministeriële regeling' gelezen: besluit van het college van burgemeester en wethouders. Artikel249Gemeentewet Bij de invordering van gemeentelijke belastingen blijven van de Invorderingswet 1990 buiten toepassing de artikelen 5, 9, eerste tot en met negende lid, 20, 21, 59, 62 en
- Bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 7, derde lid, en 8, eerste lid, van die wet buiten toepassing. Vertaalbepaling Gemeentewet Vertaalbepaling Gemeentewet In artikel 231 van de Gemeentewet is de Invorderingswet 1990 van toepassing verklaard op de invordering van gemeentelijke belastingen. Tegelijkertijd zijn in artikel 249 van de Gemeentewet enkele artikelen van toepassing uitgezonderd. In deze Leidraad is bij de uitgezonderde artikelen steeds vermeld dat deze niet van toepassing zijn voor gemeenten. In artikel 231 van de Gemeentewet is tevens bepaald aan welke bestuursorganen van de gemeente de in de Invorderingswet genoemde bevoegdheden toekomen. Het gaat daarbij om een vertaling van de functionarissen die in artikel 2 van de wet worden genoemd naar bestuursorganen van de gemeente. Daar waar de Invorderingswet 1990 spreekt over Onze Minister is bij de gemeente het college van burgemeester en wethouders bevoegd. In deze leidraad is vastgelegd hoe de bevoegdheden ten aanzien van de invordering bij de gemeente zijn verdeeld tussen het college van burgemeester en wethouders, de invorderingsambtenaar en de functionarissen van de gemeente. § 1 Begrippen Woonplaats 1 Artikel 2 geeft een nadere omschrijving van in de wet gebruikte begrippen. Met opzet is er van afgezien in de wet een nadere omschrijving van het begrip woonplaats te geven. Omdat de wettelijke bepalingen in het kader van de invordering aansluiten bij de bepalingen inzake burgerlijke rechtsvordering, wordt onder woonplaats zo veel mogelijk verstaan het begrip woonplaats als bedoeld in artikel 1:10 tot en met 1:15 BW. Dit geldt in ieder geval met betrekking tot de op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in acht te nemen formaliteiten bij de invordering. Met nadruk wordt erop gewezen dat een in het kader van de heffing aan het college van burgemeester en wethouders opgegeven verblijfplaats niet zonder meer kan gelden als woonplaats. In het geval dat geen woonplaats in Nederland bekend is, verdient het bij twijfel over de werkelijke verblijfplaats de voorkeur te betekenen in persoon of overeenkomstig de overigens in artikel 54 Rv opgenomen wijze van betekenen. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van de eerste afdeling van hoofdstuk Vl van de wet kan voor de inhoud van de in die bepalingen gebruikte begrippen woon- plaats en plaats van vestiging veelal worden aangesloten bij de inhoud van die begrippen in de heffingswet op grond waarvan de belastingschuld, waarvoor de aansprakelijkheid wordt ingeroepen, is ontstaan. § 2 n.v.t. Artikel 3 Naar de inhoud De invorderingsambtenaar is belast met de invordering van de rijksbelastingen. Naast de bevoegdheden die de invorderingsambtenaar heeft ingevolge deze wet, beschikt hij ook over de bevoegdheden die een schuldeiser heeft op grond van enige andere wettelijke bepaling. In alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak treedt de invorderingsambtenaar als zodanig in rechte op. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling de gevallen aanwijzen waarin de invordering van landbouwheffingen geschiedt door een ander dan de invorderingsambtenaar. § 1 Algemeen Civiele invordering 1 Het bepaalde in de volgende artikelen is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. Fiscale en civiele mogelijkheden 2 De invorderingsambtenaar heeft al de bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Daarnaast beschikt hij op grond van de wet over specifieke bevoegdheden. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de invorderingsambtenaar zowel gebruik kan maken van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden als van specifieke fiscale bevoegdheden om hetzelfde doel te bereiken. Er bestaat, onverminderd hetgeen daaromtrent in het vijfde lid van de inleidende opmerkingen is gesteld, in dat geval geen algemene regel die bepaalt welke bevoegdheden voorgaan. In beginsel is de invorderingsambtenaar derhalve vrij in zijn keuze van invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Bij deze keuze worden desalniettemin de belangen van de gemeente zorgvuldig afgewogen tegen die van de belastingschuldige en eventuele derden. Het resultaat van deze belangenafweging moet de toets van behoorlijk bestuur kunnen doorstaan en bepaalt daarmee in belangrijke mate de grenzen van de keuzevrijheid van de invorderingsambtenaar. In de gevallen waarin de invorderingsambtenaar het wenselijk of noodzakelijk acht van gebruikmaking van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, geschiedt dit alleen indien het belang van de invordering bij een dergelijke wijziging opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. In dit verband moet worden bedacht dat enig nadeel bij een zodanige wijziging voor de belastingschuldige en de derde niet altijd te voorkomen zal zijn. 3 n.v.t. Aanspreken borg 4 Ingeval de belastingschuldige in gebreke is te betalen en er geen uitzicht is op spoedige betaling of verhaal dient direct de borg te worden aangesproken. Wel zal eerst de totale omvang van de verschuldigde belasting vastgesteld moeten worden. De schuld, waarvoor de borg wordt aangesproken, dient onherroepelijk vast te staan. Het aanspreken van de borg vindt zoveel mogelijk in één keer plaats. § 2 Conservatoir beslag Versnelde invordering 1 Om de rechten van de gemeente veilig te stellen voordat belastingaanslagen invorderbaar zijn, staan de invorderingsambtenaar veelal twee wegen open: gebruikmaking van versnelde invordering op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet of het leggen van conservatoir beslag. Het geheel der feiten en omstandigheden bepaalt de keuze van de invorderingsambtenaar. Met name de noodzaak tot slagvaardig optreden zal er veelal toe leiden dat de keuze ten gunste van de versnelde invordering uitvalt. Gegronde vrees voor verduistering 2 Indien de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, legt de invorderingsambtenaar niet alsnog om dezelfde grond executoriaal beslag ingevolge de artikelen 10 en
- Materiële schuld 3 In situaties waarin direct invorderingsmaatregelen nodig zijn om de inning van materieel verschuldigde belasting, waarvoor nog geen belastingaanslag is opgelegd, veilig te stellen, wordt zo veel mogelijk eerst de belastingschuld in een belastingaanslag geformaliseerd, waarna invorderingsmaatregelen worden genomen. Als het echter niet mogelijk is een belastingaanslag op te leggen, wordt alleen dan tot conservatoir beslag overgegaan als aan de materiële verschuldigdheid in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld. Het opleggen van de belastingaanslag kan worden beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv. De belastingaanslag wordt opgelegd binnen de termijn die de voorzieningenrechter daartoe stelt. Gebeurt dit niet dan vervalt het beslag, maar de mogelijkheid om de belastingaanslag op te leggen blijft bestaan. § 3 Faillissementsaanvraag Faillissementsaanvraag; algemeen 1 Een faillissement heeft voor een belastingschuldige doorgaans ingrijpende maatschappelijke gevolgen. Daarom weegt de invorderingsambtenaar bij de beslissing of tot aanvragen van faillissement moet worden overgegaan alle betrokken belangen zorgvuldig tegen elkaar af. Bij ondernemingen wordt daarbij met name aandacht besteed aan de mogelijke consequenties van het faillissement voor de voortzetting van de bedrijfsactiviteiten alsmede gevolgen van het faillissement voor de werkgelegenheid van de betrokken werknemers. Voorts zal de invorderingsambtenaar alleen dan tot faillissementsaanvraag overgaan als de belastingschuldige verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen (zie artikel I Fw). Onverminderd het vorenstaande blijft een faillissementsaanvraag achterwege als de belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht van korte duur is. De belastingaanslagen waarvoor het faillissement wordt aangevraagd, moeten onherroepelijk vaststaan ofwel in redelijkheid materieel verschuldigd kunnen worden geacht. Dit laatste zal moeten blijken uit een schriftelijke verklaring van de heffingsambtenaar. In dat geval is er geen reden een voorlopige aanslag buiten de faillissementsaanvraag te houden. Geen faillissement wordt aangevraagd gedurende de loop van een aan de belastingschuldige voor desbetreffende belastingaanslagen verleend uitstel van betaling. In dat geval wordt, voordat wordt overgegaan tot de aanvraag van het faillissement, het uitstel beëindigd. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag 1A Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, wordt, als aan ten minste twee van de in artikel 19a, eerste lid, BW vermelde omstandigheden is voldaan, in beginsel de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die ertoe moeten leiden dat die rechtspersoon wordt ontbonden, boven het aanvragen van het faillissement van die rechtspersoon. Voor de te treffen maatregelen die moeten leiden tot ontbinding van de rechtspersoon is toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist. 2 n.v.t. Particulieren 3 Voor particulieren heeft een faillissement doorgaans vergaande emotionele en sociale gevolgen. Om die reden blijft voor deze groep belastingschuldigen het aanvragen van faillissement op voorhand achterwege als kan worden verwacht dat de aanwezige vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement door de invorderingsambtenaar kunnen worden uitgewonnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan. Onder particulieren moet in dit verband worden verstaan natuurlijke personen die niet een onderneming drijven dan wel zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen. Natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening hebben gestaakt, worden in dit verband niet beschouwd als particulieren. Onbeheerde nalatenschap 4 De beleidsuitgangspunten die zijn verwoord in de hiervoor genoemde leden gelden niet ingeval sprake is van een onbeheerde nalatenschap. Saneringsaanbod 5 Als de belastingschuldige, voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen, een verzoek om kwijtschelding of een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling doet, dan wel een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt, een en ander in de zin van artikel 26, § 21, van de leidraad, zal de invorderingsambtenaar de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een nader oordeel te onderwerpen. Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het aanbod louter gedaan is om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren of als het aanbod onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid opgenomen saneringsbeleid en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de invorderingsambtenaar het verzoek dan wel het aanbod bij beschikking gemotiveerd af zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden. Verzoek uitstel van betaling 6 Als de belastingschuldige, voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen, een verzoek om uitstel van betaling doet, zal de invorderingsambtenaar de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek aan een nader onderzoek te onderwerpen. Hiervan wordt afgeweken indien op voorhand duidelijk is dat het verzoek louter gedaan is om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren of als het verzoek onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde uitstelbeleid en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de invorderingsambtenaar het verzoek bij beschikking gemotiveerd af zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden. Toestemming 7 Voor iedere faillissementsaanvraag door de invorderingsambtenaar is de schriftelijke toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist. Toestemming wordt in ieder geval niet verstrekt indien de door de invorderingsambtenaar voorgenomen faillissementsaanvraag niet past binnen het in deze paragraaf verwoorde beleid. 8 Vervallen 9 n.v.t. Verlenen steunvordering 10 Als een andere schuldeiser van de belastingschuldige het initiatief neemt om tot een faillissementsaanvraag over te gaan en hij daartoe de invorderingsambtenaar om gegevens over de belastingschuld verzoekt om deze te gebruiken als zogenaamde steunvordering bij de faillissementsaanvraag, verstrekt de invorderingsambtenaar deze gegevens alleen als dit in het belang van de invordering is. Voor het verstrekken van deze gegevens geldt niet hetgeen in het eerste tot en met het zevende lid van deze paragraaf is vermeld met betrekking tot faillissementsaanvraag door de invorderingsambtenaar. Wel is voor het verstrekken van deze gegevens toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist indien het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of een zelfstandig beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden (zie Inleidende opmerkingen, § 1, negende lid, van deze Leidraad). De gegevens worden uitsluitend schriftelijk verstrekt. Wanneer de invorderingsambtenaar zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van de belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de belastingschuld als steunvordering, geldt wel hetgeen hiervoor is vermeld in het eerste, derde, zevende en achtste lid van deze leidraad. In dat geval is dus ook toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist. Verzet 11 Als de invorderingsambtenaar gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot verzet als bedoeld in artikel 10 Fw. heeft hij hiervoor toestemming van het college van burgemeester en wethouders nodig. § 4 Procesvertegenwoordiging Juridische bijstand 1 Op grond van artikel 3, derde lid van de wet, treedt de invorderingsambtenaar in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak zelfstandig in rechte op. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van: beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR, hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR, beroepsprocedures en hoger beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen, kantonzaken, kortgedingprocedures, indien de invorderingsambtenaar gedaagde is. Toestemming 2 Alle door de invorderingsambtenaar te voeren gerechtelijke procedures waarin als eiser wordt opgetreden behoeven de toestemming van het college van burgemeester en wethouders. Het vorenstaande geldt niet voor, behoudens voorzover in het kader van hoger beroep te voeren: verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; kantonzaken; procedures tot het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv. Van deze procedures dient echter uiterlijk nadat het vonnis is uitgesproken mededeling aan het college van burgemeester en wethouders te worden gedaan; procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid, dan wel artikel 708, tweede lid, RV. 3 n.v.t. Artikel 4 Naar de inhoud Tot het verrichten van de bij of krachtens de wet aan een deurwaarder opgedragen werkzaamheden is, voorzover die werkzaamheden geschieden in opdracht van een invorderingsambtenaar en betreffen de vervolgingen voor de invordering van rijksbelastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder bevoegd. § 1 Bevoegdheid belastingdeurwaarder Reikwijdte 1 Op grond van artikel 4 van de wet, is de belastingdeurwaarder bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortspruitende bevoegdheden van de invorderingsambtenaar. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg waartoe de invorderingsambtenaar op grond van artikel 3, tweede lid, gerechtigd is én die werkzaamheden die verricht moeten worden wanneer de invorderingsambtenaar zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt. Bescherming van belastingdeurwaarder 2 Belastingdeurwaarders zijn, voorzover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Wanneer zij dus als zodanig in de rechtmatige uitoefening van hun bevoegdheden werkzaam zijn, genieten zij de strafrechtelijke bescherming die uit deze artikelen voortvloeit. Als sprake is van geweld of bedreiging met geweld jegens de belastingdeurwaarder, dan wel de verwachting bestaat dat deze situatie zich zal voordoen, kan de belastingdeurwaarder zich tot de politie wenden om zich te verzekeren van de nodige bescherming bij de door hem te verrichten handelingen. Artikel 5 Naar de inhoud Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke directeur, heffingsambtenaar of invorderingsambtenaar bevoegd is. Degene die de invorderingsambtenaar betrekt, dan wel door de invorderingsambtenaar wordt betrokken, in een rechtsgeding, kan zich niet beroepen op de wettelijke bepalingen betreffende de vraag welke invorderingsambtenaar bevoegd is. Gelet op het bepaalde in artikel 249 van de Gemeentewet is dit artikel niet van toepassing op gemeenten. Artikel 6 Naar de inhoud De bepalingen van deze wet strekken zich niet alleen uit tot de rijksbelastingen, maar ook tot de opcenten, de betalingskorting, de renten en de kosten. Onder opcenten worden verstaan niet alleen die welke ten behoeve van het Rijk, doch ook die welke ten behoeve van andere openbare lichamen worden geheven. § 1 Reikwijdte Invorderingswet Rente en kosten 1 Naast de gemeentelijke belastingen is de wet ook van toepassing op de daarmee samenhangende toeslagen, rente en kosten. Onder rente als bedoeld in dit artikel wordt alleen verstaan de invorderingsrente als bedoeld in artikel 28 e.v. Zij is derhalve voor de invordering zelfstandig te beschouwen als hoofdsom van belasting. Onder kosten wordt verstaan alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht in het kader van de invordering langs civielrechtelijke weg. De kosten van ambtelijke werkzaamheden worden op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel a van de wet, beschouwd als een gemeentelijke belasting. Artikel 7 Naar de inhoud De toerekening van de betalingen geschiedt achtereenvolgens aan: de kosten; de betalingskorting; de rente; de belastingaanslag. Toerekening van betalingen op een belastingaanslag geschiedt, behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken ingevolge het elders in deze wet bepaalde, naar evenredigheid aan de belasting, aan de heffingsrente, aan de revisierente, aan de compenserende interesten, aan de kosten van ambtelijke werkzaamheden, aan de bestuurlijke boeten, aan de toeslagen en aan de opcenten, met dien verstande dat indien artikel 9.1, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 of artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden, de toerekening in de eerste plaats geschiedt aan de belasting en vervolgens aan de premie volksverzekeringen. De invorderingsambtenaar is verplicht voor iedere contante betaling een kwitantie af te geven. § 1 Betaling en afboeking Toepassingsgebied Ingevolge artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 7, derde lid, niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven. Tijdstip betaling 1 Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de invorderingsambtenaar. Bij betaling door middel van storting van contant geld, pin of creditcardtransactie, alsmede transacties via telebankieren, geldt het uur en de dag van bijschrijving op de rekening van de invorderingsambtenaar (valutadatum) als tijdstip van betaling. Afboekingen betalingen 2 Zowel bij vrijwillige betalingen als bij betalingen die door invorderingsmaatregelen zijn afgedwongen kunnen zich vragen voordoen over de afboeking van de ontvangen bedragen, wanneer de belastingschuldige meer dan één belastingaanslag heeft openstaan. In dat geval gelden de volgende richtlijnen. Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7, eerste lid, van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen (zie ook het vijfde lid van deze paragraaf). Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen, met dien verstande dat de aard van die belastingaanslagen aanleiding kan zijn hiervan af te wijken. Teveelbetaling 3 Wanneer de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald, terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld. Gecombineerde) belastingaanslagen van minder dan € 6,00 en aanslagen waarvan de kosten van de invordering hoger zijn dan het aanslagbedrag (bijvoorbeeld betalingen in andere valuta) worden niet opgelegd. Zo worden terugbetalingen van minder dan € 6,00 niet uitgevoerd. Ontvangen bedragen uit executie, wettelijke schuldsaneringsregeling of faillissement 4 Na voldoening van de executiekosten wordt het door de belastingdeurwaarder afgedragen bedrag toegerekend aan de belastingaanslagen waarvoor de executie heeft plaatsgevonden. De afboeking op gelijk bevoorrechte schulden vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in het tweede en derde lid van deze paragraaf. Opgemerkt wordt dat de eventuele meeropbrengst van een executie niet kan worden verrekend met belastingaanslagen die niet in het beslag zijn begrepen. De beoogde afboeking kan worden bereikt door voor deze belastingaanslagen een vordering onder de belastingdeurwaarder te doen. Van deze mogelijkheid wordt afgezien als het overblijvende bedrag voortvloeit uit de verkoop van zaken die eigendom zijn van derden, zoals bij toepassing van artikel 22 van de wet. In dat geval keert de belastingdeurwaarder het overblijvende bedrag uit aan de betreffende derde. Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement ontvangen bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de gegevens van de uitdelingslijst. Hierbij wordt opgemerkt dat als meer belastingaanslagen ter verificatie zijn ingediend, eerst wordt afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslag. Splitsing in kosten, rente en belastingaanslag 5 De toerekening van een betaling op een belastingaanslag geschiedt achtereenvolgens aan de kosten, de rente en de belastingaanslag. Onder kosten worden verstaan alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. De kosten van ambtelijke werkzaamheden vallen niet onder de werking van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag (beslagkosten, taxatiekosten en dergelijke) worden toegerekend aan één van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt. Onder rente wordt uitsluitend verstaan de invorderingsrente. De eerste € 25,00 aan invorderingsrente wordt niet in rekening gebracht. Als een door middel van executie ingevorderd bedrag onvoldoende is om daaruit alle kosten te bestrijden worden in de eerste plaats de aan de belastingschuldige in rekening gebrachte kosten die toekomen aan derden voor de door hen in het kader van de tenuitvoerlegging verrichte handelingen voldaan. Bestuurlijke boete 6 Behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken vanwege hetgeen voortvloeit uit de wet, bijvoorbeeld in het kader van de aansprakelijkheid, vindt op grond van artikel 7, tweede lid, van de wet toerekening van betalingen op een belastingaanslag plaats naar evenredigheid, te weten aan de belasting, de premies voor de werknemersverzekeringen, aan de kosten van ambtelijke werkzaamheden, aan de bestuurlijke boete. Als er sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag vastgestelde bestuurlijke boete vindt toerekening van betalingen niet plaats naar evenredigheid aan de belasting en aan de bestuurlijke boete, maar vindt toerekening uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift in hoger beroep. Wanneer echter, ondanks dit uitstel, zo veel wordt betaald dat er na afboeking op de belasting nog een bedrag overblijft dan wordt dit bedrag afgeboekt op de bestuurlijke boete. Wanneer op de bestuurlijke boete is afgeboekt en nadien wordt de bestuurlijke boete alsnog aangevochten dan blijven de afboekingen gehandhaafd. In de gevallen waarin op de bestuurlijke boete wordt afgeboekt, wordt ook op de eventueel daarop belopen invorderingsrente afgeboekt, ook wanneer de bestuurlijke boete nog niet onherroepelijk vaststaat. Aansprakelijkgestelden 7 Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde vindt toerekening plaats met inachtneming van de aansprakelijkstelling. Dit brengt met zich mee dat de aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening gebrachte vervolgingskosten eerst worden afgeboekt, aangezien deze kosten buiten het toepassingsgebied van artikel 7 van de wet vallen. Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag, waarbij artikel 7 wel van toepassing is, echter met dien verstande dat op de op die aanslag zelf betrekking hebbende invorderingsrente en kosten alleen worden afgeboekt indien en voorzover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. Het hierna van genoemd resterend bedrag overblijvende bedrag wordt op de belastingaanslag afgeboekt, met inachtneming van de toerekeningsbepaling van artikel 7, tweede lid, van de wet. Van deze toerekening naar evenredigheid wordt afgeweken indien de derde niet aansprakelijk is gesteld voor de bestuurlijke boete. Alsdan kan namelijk ook niet op de bestuurlijke boete worden afgeboekt. De invorderingsambtenaar licht zowel de belastingbeschuldige als de aansprakelijkgestelde schriftelijk in omtrent de afboeking van zijn betaling. Betalingen van kleine bedragen 8 Betalingen op belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de termijnen worden niet geweigerd. Mocht in zodanig geringe bedragen en met zodanige frequentie worden afbetaald dat van nodeloze overlast moet worden gesproken, dan treedt de invorderingsambtenaar in overleg met de betaler teneinde wijziging in diens betalingsgewoonte te brengen. Betaling bij vergissing 9 Met de terugbetaling van een bedrag, dat is voldaan ten gevolge van enigerlei vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht. Het is zeer wel mogelijk dat de betaling rechtsgeldig heeft plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en de invordering niet zondermeer opnieuw kan plaatshebben. In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald. tenzij ten behoeve van de invorderingsambtenaar wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te gelegenertijd op juiste wijze zal worden voldaan. Kwitantie 10 In alle gevallen waarin betaling plaatsheeft aan de belastingdeurwaarder wordt een kwitantie afgegeven. Ook wordt een kwitantie afgegeven in de gevallen waarin ten kantore van de invorderingsambtenaar wordt betaald. Indien en voorzover op de (kas)kwitantie een bedrag aan rente is verantwoord, is er sprake van een voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 30 van de Invorderingswet. Betaling door middel van een bank- of giro-overschrijving is geen contante betaling in de zin van artikel 7, derde lid van de wet. In die gevallen gelden bank- en giro-afschriften als overschrijvingsbewijs. Bij betaling door storting op het postkantoor of bank op rekening van de invorderingsambtenaar geldt het afgestempelde strookje van het stortings- of acceptgiroformulier als stortingsbewijs. Als dag van betaling wordt bij een girale betaling de dag van bijschrijving op een rekening van de invorderingsambtenaar beschouwd. Wanneer een verzoek om afgifte van een duplicaatkwitantie wordt gedaan, wordt hieraan tegemoet gekomen door de ontvangst van het desbetreffende bedrag per brief te bevestigen. Mededeling afboeking 11 De belastingschuldige wordt van iedere afboeking van een betaling schriftelijk op de hoogte gesteld, tenzij het betreft een slotbetaling op een belastingaanslag waarbij geen kosten en rente worden afgeboekt. Een kennisgeving blijft voorts achterwege indien betaling plaatsvindt op grond van een machtiging tot automatische afschrijving en daarbij geen vervolgingskosten worden afgeboekt. Vrijwillig betaalde belasting 12 Als bij de verwerking van een bedrag dat als vrijwillig betaalde belasting (het zogenaamde gewetensgeld) zou kunnen worden verantwoord blijkt, dat terzake nog een belastingaanslag (navorderings- of naheffingsaanslag) kan worden opgelegd, wordt die aanslag, nadat deze is opgelegd, zoveel mogelijk uit het gestorte bedrag voldaan. Hoofdstuk II Invordering in eerste aanleg Artikel 8 Naar de inhoud De invorderingsambtenaar maakt de belastingaanslag bekend door toezending of uitreiking van het door de heffingsambtenaar voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet, met dien verstande dat een uitnodiging tot betaling, door de heffingsambtenaar vastgesteld in de vorm van een elektronisch bericht, door de invorderingsambtenaar langs elektronische weg aan de belastingschuldige wordt toegezonden. Een belastingaanslag is door de belastingschuldige in zijn geheel verschuldigd. § 1 Invordering in eerste aanleg Toepassingsgebied Ingevolge artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 8, eerste lid niet van toepassing bij de invordering van de gemeentelijke belastingen die op andere wijze worden geheven. Begin invordering 1 Artikel 8 van de wet bevat de bepalingen die het begin van de invordering van een belastingaanslag regelen. De heffingsambtenaar stelt het bedrag van de belastingaanslag vast en maakt ter zake daarvan een aanslagbiljet op. Daarmede wordt de uit de wet voortvloeiende materiële schuld geformaliseerd. Vervolgens maakt de invorderingsambtenaar de belastingaanslag bekend door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet aan de belastingschuldige. Verzending/uitreiking aanslagbiljet 2 Artikel 8, eerste lid, van de wet verplicht de invorderingsambtenaar het door de heffingsambtenaar opgemaakte aanslagbiljet toe te zenden of aan de belastingschuldige uit te reiken. De toezending of uitreiking vormt de eerste daad van invordering. Aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde worden aan de curator gezonden. Ingeval van faillissement wordt het aanslagbiljet aan de curator gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt, dan wel een boedelschuld vormt. Wanneer de belastingschuldige minderjarig is, wordt het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al bezwaren heeft opgeleverd. Aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden. worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen. Uitnodigingen tot betaling, door de heffingsambtenaar vastgesteld in de vorm van een elektronisch bericht, worden door de invorderingsambtenaar langs elektronische weg aan de belastingschuldige toegezonden. Verzending via TPGPost 3 Voor de verzending van de aanslagbiljetten en andere bescheiden maakt de invorderingsambtenaar gebruik van de diensten van de TPGpost. Uitreiking 4 Als de invorderingsambtenaar dit wenselijk acht verzendt hij het aanslagbiljet niet, maar reikt hij het biljet aan de belastingschuldige dan wel aan diens wettelijke vertegenwoordiger uit. Meer belastingschuldigen 5 n.v.t. Betalingsplicht aangeslagene 6 De gehoudenheid van de belastingschuldige tot betalen wordt niet geheel of gedeeltelijk ongedaan gemaakt door de omstandigheid, dat de in de belastingaanslag formeel tot uitdrukking gebrachte schuld afwijkt van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd. In dit verband wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek om uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaarschrift (zie artikel 25, paragraaf 2 van deze leidraad). Vooraf inlichten erfgenamen e.d. 7 Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zo veel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijke termijn te voldoen. Voordat verhaal wordt gezocht op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken of op goederen, verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarbij zich een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, licht de invorderingsambtenaar de andere belanghebbende(n) dan de belastingschuldige zo veel mogelijk omtrent zijn voornemen in. Artikel 9 Naar de inhoud Een belasting aanslag is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. In afwijking van het eerste lid is een navorderingsaanslag, alsmede een conserverende navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting invorderbaar één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en een naheffingsaanslag invorderbaar veertien dagen na dagtekening van het aanslagbiljet. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig en in verband met de vaststelling van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel m, is opgelegd, is invorderbaar overeenkomstig de bepalingen die gelden voor die belastingaanslag. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake heffings- of revisierente is invorderbaar overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de belastingaanslag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel m, waarop de heffings- of revisierente betrekking heeft. Een uitnodiging tot betaling, alsmede een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake compenserende interesten, inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden of inzake een bestuurlijke boete als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet, is invorderbaar tien dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet. In afwijking van het eerste lid is een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting of in de vennootschapsbelasting en een voorlopige conserverende aanslag in de inkomstenbelasting, waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er na de maand, die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Indien de toepassing van de eerste volzin niet leidt tot meer dan twee maandelijkse termijnen, vindt het eerste lid toepassing. In afwijking van het eerste en het vijfde lid is een belastingaanslag als bedoeld in het vijfde lid die een uit te betalen bedrag behelst, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er met inbegrip van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, nog maanden van het jaar overblijven. De eerste termijn vervalt aan het eind van de maand van de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. In afwijking van het eerste lid is een voorlopige aanslag waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt voor het jaar waarover deze is vastgesteld, invorderbaar in zoveel gelijke termijnen als er maanden van het jaar zijn. De eerste termijn vervalt aan het eind van de eerste maand van het jaar waarover de voorlopige aanslag is vastgesteld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. In afwijking van het tweede lid is terstond invorderbaar een naheffingsaanslag ter zake van: de belasting van personenauto's en motorrijwielen die is opgelegd aan een ander dan een vergunninghouder als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, of de belasting zware motorrijtuigen, die is opgelegd aan de houder van een ander motorrijtuig dan bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van de Wet belasting zware motorrijtuigen. In afwijking van het vierde lid is een uitnodiging tot betaling die is vastgesteld overeenkomstig een aangifte als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van het Communautair douanewetboek invorderbaar vijftien dagen na de maand volgend op die waarover de aangifte is gedaan. In afwijking in zoverre van de eerste volzin is de uitnodiging tot betaling ter zake van de aangifte over de maand februari invorderbaar na zestien maart. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de indiening van een bezwaar- of beroepschrift inzake een belastingaanslag. Artikel250Gemeentewet De belastingverordening kan van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 afwijkende voorschriften inhouden. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is invorderbaar: indien het een boete betreft als bedoeld in artikel 67b, 67c of 67f van de Algemene wet: met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, onderdeel a; indien het een boete betreft als bedoeld in artikel 67a, 67d of 67e van de Algemene wet: met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, onderdeel b. De belastingverordening kan van het bepaalde in de voorgaande leden afwijkende regels inhouden. § 1 Betalingstermijnen Algemeen 1 De belastingverordening of artikel 9 bevat de regeling betreffende de betalingstermijnen waarbinnen belastingaanslagen moeten worden betaald. De toegestane betalingstermijnen moeten onverkort door de belastingschuldige kunnen worden benut, tenzij artikel 10 van de wet door de invorderingsambtenaar van toepassing wordt verklaard. 2 n.v.t. 2a n.v.t. Dagtekening 3 De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast. Begrip 'maand' 4 Het in artikel 9 gehanteerde begrip 'maand' heeft dezelfde inhoud als het begrip 'maand' dat in de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt gehanteerd. Termijnverlenging 5 Op de betalingstermijnen van artikel 9 van de wet is de Algemene termijnenwet niet van toepassing. Voor gemeentelijke belastingen waarvan afwijkende betalingstermijnen zijn opgenomen is, gelet op artikel 145 van de Gemeentewet, de Algemene termijnenwet wel van toepassing. Bezwaar- of beroepschrift schorst betalingsverplichting niet 6 De verplichting tot betaling wordt niet geschorst door de enkele omstandigheid dat een bezwaar- of beroepschrift tegen de belastingaanslag is ingediend. Op grond van artikel 25 van de wet kan de invorderingsambtenaar uitstel van betaling verlenen voor (een gedeelte van) de opgelegde belastingaanslag. In dit verband wordt verwezen naar het vermelde onder artikel 25 van deze leidraad. Artikel 10 Naar de inhoud In afwijking van artikel 9 is een belastingaanslag van de belastingschuldige terstond en tot het volle bedrag invorderbaar indien: de belastingschuldige in staat van faillissement is verklaard; de invorderingsambtenaar aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat goederen van de belastingschuldige zullen worden verduisterd; de belastingschuldige Nederland metterwoon wil verlaten dan wel zijn plaats van vestiging wil overbrengen naar een plaats buiten Nederland, tenzij hij aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald; de belastingschuldige buiten Nederland woont of gevestigd is dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft en de invorderingsambtenaar aannemelijk maakt dat gegronde vrees bestaat dat de belastingschuld niet kan worden verhaald; op goederen waarop een belastingschuld van de belastingschuldige kan worden verhaald beslag is gelegd voor zijn belastingschuld; goederen van de belastingschuldige worden verkocht ten gevolge van een beslaglegging namens derden; g ten laste van de belastingschuldige een vordering wordt gedaan als bedoeld in artikel 19, tenzij hij aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald; h met inachtneming van artikel 198 van het Communautair douanewetboek ten laste van de belastingschuldige aanvulling of vervanging van een gestelde zekerheid is geëist, doch die aanvulling of vervanging niet tijdig overeenkomstig artikel 56 van de Douanewet wordt verricht. Het eerste lid is in de gevallen bedoeld in de onderdelen a, e, f en g niet van toepassing op een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting of in de vennootschapsbelasting waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld. Het eerste lid is in het geval, bedoeld in onderdeel h, uitsluitend van toepassing op een uitnodiging tot betaling en op een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake compenserende interesten, inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden of inzake een bestuurlijke boete als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet. § 1 Versnelde invordering Algemeen 1 In artikel 10, eerste lid van de wet is een limitatieve opsomming gegeven van bijzondere situaties waarin de invorderingsambtenaar met doorbreking van de in artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan invorderen, teneinde te voorkomen dat de invordering illusoir zou worden. Vervaldagen op het aanslagbiljet 2 Ook als op grond van de wettelijke bepalingen de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is, worden, behoudens de gevallen bedoeld in de eerste volzin van het volgende lid van deze paragraaf, op het aanslagbiljet desalniettemin de vervaldagen vermeld. Reikwijdte versnelde invordering 3 Als de invorderingsambtenaar het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering als bedoeld in artikel 10 over te gaan, vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de invorderingsambtenaar op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden, maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is, deelt de invorderingsambtenaar belastingschuldige, onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat, schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het biljet vermelde termijnen niet meer gelden. Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 wordt overgegaan, als sprake is van direct contact met de belastingschuldige, deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen. Als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend, doch voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken, (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) vermeldt de invorderingsambtenaar op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke kennisgeving artikel 15, jo artikel 10, eerste lid van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel. Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de in dat kader geldende twee-dagen termijn nog niet is verstreken. Er behoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt, als sprake is van direct contact met laatstgenoemde, eerst in de gelegenheid gesteld onmiddellijk te betalen. Van feiten en omstandigheden op grond waarvan de invorderingsambtenaar tot zijn beslissing is gekomen, houdt hij aantekening in het invorderingsdossier. Voor het geval de belastingschuldige nadere gegevens wenst over de genomen maatregelen, kan hij zich altijd wenden tot de invorderingsambtenaar die het noodzakelijk heeft geacht om tot versnelde invordering over te gaan. De invorderingsambtenaar zal dan de gegevens, waaronder desgevraagd de concrete feiten en omstandigheden die de aanleiding vormden om tot versnelde invordering over te gaan, op zo kort mogelijke termijn schriftelijk aan de belastingschuldige meedelen. Een op grond van artikel 10, eerste lid, terecht geheel opeisbaar geworden belastingaanslag, blijft geheel opeisbaar, ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de invorderingsambtenaar in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(en) die normaal zou(den) gelden. 4 n.v.t. Faillissement en de wettelijke schuldsaneringsregeling (eerste lid, onderdeel a) 5 Zodra het de invorderingsambtenaar bekend is dat de belastingschuldige in staat van faillissement verkeert dan wel ten aanzien van hem de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is, zal hij onmiddellijk de openstaande belastingschuld ter verificatie melden bij de curator in het faillissement onderscheidenlijk bij de bewindvoerder van de schuldenaar ten aanzien van wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is. Belastingschulden van minder dan € 250 worden niet aangemeld. Als na de faillietverklaring of nadat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken nieuwe belastingaanslagen worden opgelegd kan de invorderingsambtenaar deze, eveneens onmiddellijk, bij de curator onderscheidenlijk de bewindvoerder melden. Vrees voor verduistering (eerste lid, onderdeel b) 6 Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake als de invorderingsambtenaar aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is, dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, doch ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden, zoals bijvoorbeeld door gedragingen van crediteuren, die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. Wordt verduistering gevreesd van goederen waarvan de invorderingsambtenaar vermoedt dat het zaken van belastingschuldige zijn terwijl het daarentegen later blijken uitsluitend goederen van een derde te zijn, dan is van het begin af aan geen rechtsgeldig beslag gelegd. Alsdan is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 10, eerste lid, onderdeel b, in die zin dat het moet gaan om goederen van de belastingschuldige, en derhalve kan er geen sprake zijn van een rechtsgeldig gelegd beslag. Het beslag behoeft in die gevallen derhalve niet formeel te worden opgeheven, maar de betrokkenen dienen wel op de hoogte te worden gesteld van het feit dat het beslag niet ligt. Wordt verduistering gevreesd van goederen die daadwerkelijk eigendom zijn van de belastingschuldige dan is de belastingaanslag 'terstond en tot het volle bedrag invorderbaar'. Metterwoon verlaten van Nederland (eerste lid, onderdeel c) 7 Naast het redelijke vermoeden van de invorderingsambtenaar dat de belastingschuldige voornemens is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de invorderingsambtenaar alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, sub c, dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren, er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op zich in Nederland bevindende zaken van de belastingschuldige. Het vorenstaande leidt uitzondering indien de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de schuld wel kan worden verhaald. Geen vaste woonplaats in Nederland (eerste lid, onderdeel d) 8 Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zichzelf geen reden voor de invorderingsambtenaar om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er dient een situatie te bestaan waarin de invorderingsambtenaar er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. In dit verband valt te denken aan een situatie waarin een in het buitenland wonende belastingschuldige al zijn goederen in Nederland gaat verkopen. In de gevallen waarin de belastingschuldige in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, is deze veelal moeilijk traceerbaar. Als in zo'n situatie ook geen duidelijk traceerbare verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn vormen deze omstandigheden in onderlinge samenhang voldoende reden om gegronde vrees voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslag aanwezig te achten. Er ligt al beslag (eerste lid, onderdeel e) 9 Als beslag is gelegd voor een belastingschuld van de belastingschuldige en tijdens de duur van dat beslag worden nieuwe belastingaanslagen opgelegd dan kan de invorderingsambtenaar die nieuwe belastingaanslagen, net als de reeds opgelegde belastingaanslagen waarvoor hij nog geen beslag heeft gelegd versneld invorderen. N.B. Dit geldt alleen als de invorderingsambtenaar al beslag heeft laten leggen. Verkoop namens derden (eerste lid, onderdeel f) 10 Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van de) executoriale verkoop, zodat de invorderingsambtenaar op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat de verkoop zal plaatshebben. Tot die maatregelen behoort bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het leggen van een cumulatief beslag. Vordering ex artikel 19 (eerste lid, onderdeel g) 11 De invorderingsambtenaar heeft krachtens artikel 19 van de wet de bevoegdheid zogenaamd vereenvoudigd derdenbeslag te leggen. Het gaat hier om bepaalde in genoemd artikel nader omschreven categorieën derden aan wie de invorderingsambtenaar een vordering kan doen om hetgeen die derden aan de belastingschuldige verschuldigd zijn of ten behoeve van hem onder zich hebben aan te wenden voor de betaling van belastingaanslagen van de belastingschuldige. De in artikel 10, eerste lid, onderdeel g, van de wet omschreven situatie is te vergelijken met die genoemd in artikel 10, eerste lid, onderdeel e, waarin de invorderingsambtenaar beslag heeft gelegd op de goederen van de belastingschuldige voor een belastingschuld van die belastingschuldige zelf, met dien verstande dat onderdeel g niet van toepassing is als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de belastingschuld kan worden verhaald. Als de invorderingsambtenaar met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien komen andere belastingaanslagen op, dan kunnen ook die belastingaanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe belastingaanslagen nog niet zijn verstreken. Met de strekking van artikel 10, eerste lid, onderdeel g, is overigens niet verenigbaar dat de invorderingsambtenaar een vordering als bedoeld in artikel 19 zou doen enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt. 12 n.v.t. Hoofdstuk III Dwanginvordering Artikel 11Naar de inhoud Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de invorderingsambtenaar hem schriftelijk aan om alsnog binnen tien dagen na de dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de belastingschuldige anders door de middelen bij de wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen. De aanmaning kan betrekking hebben op verschillende belastingaanslagen. § 1 Aanmaning Eerste vervolgingsmaatregel 1 Als een belastingaanslag niet binnen de daartoe gestelde termijnen wordt betaald, wordt overgegaan tot vervolging van de belastingschuldige. Als de aard of omvang van de belastingschuld dan wel het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de invorderingsambtenaar de belastingschuldige eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering toezenden. Als er geen betalingsherinnering wordt verzonden of als deze niet of niet tijdig tot algehele voldoening van de belastingschuld leidt, verzendt de invorderingsambtenaar een aanmaning of gaat hij over tot het uitbrengen van een dagvaarding. Zie voor de keuze tussen deze twee mogelijkheden hetgeen bij artikel 3 van deze leidraad is vermeld. Artikel 11 van de wet ziet op de verzending van een aanmaning. De aanmaning is geen beschikking in de zin van de Awb, maar slechts een sommatie tot betalen. Toezending van een aanmaning blijft in de volgende situaties achterwege: aan een vordering op grond van artikel 19 van de wet behoeft geen aanmaning te zijn voorafgegaan als deze vordering wordt gedaan jegens de curator in een faillissement; in het geval van versnelde executie (artikelen 10 en 15 van de wet) kan verzending van een aanmaning achterwege blijven; als een termijndwangbevel door beslaglegging wordt tenuitvoergelegd, kunnen bij datzelfde dwangbevel alle vervallen termijnen worden ingevorderd (artikel 16 van de wet), zonder dat voor de tussenliggende termijnen een aanmaning wordt verzonden; n.v.t. als het openstaande bedrag minder bedraagt dan € 6,
- Wanneer de vervolging geschiedt langs civielrechtelijke weg behoeft de dagvaarding niet eerst vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel wordt, behoudens wanneer tevoren reeds conservatoir beslag is gelegd, in deze gevallen eerst een aanmaning verzonden. Achterwege laten tussentijdse (termijn)vervolging 2 Vervolging niet zijnde eindvervolging, blijft in het algemeen achterwege indien het achterstallige bedrag kleiner is dan één tiende deel van de (verlaagde) belastingaanslag. Een tussentijdse vervolging die, beoordeeld naar vorenstaande, terecht is aangevangen, wordt na de verzending van de aanmaning voor zoveel nodig ook voortgezet. Aan wie wordt de aanmaning gezonden 3 De aanmaning wordt gezonden aan degene aan wie het aanslagbiljet is gezonden. Blijkt evenwel naderhand dat de belastingschuldige minderjarig is of onder curatele staat, dan wordt, als de vervolging moet worden voorgezet, alsnog een aanmaning gezonden aan het adres van de wettelijke vertegenwoordiger. Is de belastingschuldige overleden dan wordt de aanmaning gezonden aan de gezamenlijke erfgenamen tenzij de invorderingsambtenaar bekend is dat de nalatenschap al is verdeeld, in welk geval een aanmaning aan iedere erfgenaam afzonderlijk wordt gezonden. Adressering en verzending 4 De betekenis van de aanmaning brengt mee dat alle zorg dient te worden besteed aan de juiste verzending: de omstandigheid dat artikel 17 van de wet geen verzet toelaat op grond van de bewering dat geen aanmaning is ontvangen, doet niet af aan de verplichting van de invorderingsambtenaar ook hier zorgvuldigheid te betrachten. Ten onrechte aanmaning verzonden 5 Indien een belanghebbende zich tot de invorderingsambtenaar wendt met de mededeling dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, wordt de vervolging niet voortgezet voordat de zaak tot klaarheid is gebracht. Wanneer echter de invorderingsambtenaar concrete aanwijzingen heeft dat in dat geval moet worden gevreesd voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen of dat de mededeling is gedaan om de invordering te traineren kunnen zo nodig die maatregelen worden genomen die de rechten van de invorderingsambtenaar veilig stellen. Gedeeltelijke voldoening 6 Wordt na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag voldaan dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan. Bestuurlijke boete 7 Als sprake is van een boetebeschikking die in verband staat tot een bepaalde belastingaanslag en op het desbetreffende aanslagbiljet is vermeld en voor deze bestuurlijke boete geen uitstel van betaling is verleend als bedoeld in artikel 25, paragraaf 1, lid 14, van deze leidraad wordt de dwanginvordering aangevangen voor zowel de belasting als de bestuurlijke boete. Wanneer voor de bestuurlijke boete wel uitstel van betaling is verleend als bedoeld in artikel 25, §1, lid 14, van deze leidraad, dan is de bestuurlijke boete invorderbaar nadat op het bezwaar- dan wel beroepschrift is beslist. Gedurende het voormelde uitstel wordt de dwanginvordering alleen voor de belasting en de daarop betrekking hebbende rente en kosten ter hand genomen. De aanmaning heeft in dit geval dus niet mede op de bestuurlijke boete betrekking. Zo nodig wordt na afloop van het uitstel de dwanginvordering voor de bestuurlijke boete en de daarop betrekking hebbende rente en kosten apart opgestart. De dwanginvordering van zogenaamde losse boetebeschikkingen vangt aan twee maanden na dagtekening van die beschikking. Wanneer voor de losse boetebeschikking uitstel van betaling is verleend als bedoeld in artikel 25, §1, lid 14, van deze leidraad, vangt de dwanginvordering ook in dat geval pas aan nadat op het bezwaar- dan wel beroepschrift is beslist. Artikel 12 Naar de inhoud Indien de belastingschuldige na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering van de belastingaanslag geschieden bij een door de invorderingsambtenaar uit te vaardigen dwangbevel. Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende belastingaanslagen. § 1 Het dwangbevel Algemeen 1 De invorderingsambtenaar ziet er nauwlettend op toe dat de uitvaardiging van dwangbevelen op de juiste wijze geschiedt. Het dwangbevel is een beschikking in de zin van de Awb. Het karakter van het dwangbevel brengt mee dat alle zorg wordt besteed aan juiste opmaking. In het bijzonder wordt daaraan aandacht geschonken indien het dwangbevel wordt verleend tegen een ander dan de belastingschuldige; dan moet duidelijk blijken op welke gronden dit geschiedt. Voorts wordt het dwangbevel op duidelijk leesbare wijze ingevuld en blijft het stellen van aantekeningen ook op de achterzijde zoveel mogelijk beperkt tot datgene waarmee in de tekst rekening is gehouden. Onderwerp van het dwangbevel 2 Een dwangbevel wordt uitgevaardigd voor het per saldo verschuldigde bedrag van op een aanslagbiljet voorkomende belastingaanslagen en beschikkingen respectievelijk voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden, verminderd met de inmiddels gedane betalingen, verleende verminderingen en bedragen waarvoor kwijtschelding is verleend. Tegen wie een dwangbevel wordt verleend 3 Een dwangbevel wordt verleend tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolger. Tegen een borg, ook al heeft deze zich verbonden als hoofdelijk medeschuldenaar, wordt geen dwangbevel verleend; als executoriale titel dient dan de grosse van de authentieke akte of een rechterlijk vonnis. Dwangbevelen betreffende belastingaanslagen van minderjarigen en onder curatele staande personen worden verleend tegen de belastingschuldige zelf. Als de invorderingsambtenaar met de minderjarigheid of curatele bekend is wordt dit in het dwangbevel tot uitdrukking gebracht. De invorderingsambtenaar hoeft, als de minderjarigheid of curatele hem niet bekend is, terzake niet vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen. Als belastingschuld van een overledene moet worden verhaald op diens nog onverdeelde nalatenschap wordt één dwangbevel verleend tegen de gezamenlijke erfgenamen. In dat geval is het niet nodig dat de erfgenamen in het dwangbevel afzonderlijk worden vermeld. Dit is anders indien betekening op de voet van artikel 53, Rv niet mogelijk of niet wenselijk is en betekening plaats heeft aan alle erfgenamen afzonderlijk. In dat geval worden alle erfgenamen met naam en adres, alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel vermeld, zonder dat daarbij evenwel het deel van ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking wordt gebracht. Artikel 13 Naar de inhoud De betekening van het dwangbevel geschiedt overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten. Indien de betekening geschiedt overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, vermeldt de envelop, in afwijking van de tweede volzin van het tweede lid van dat artikel, in plaats van de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de deurwaarder, welke invorderingsambtenaar de opdracht tot betekening heeft verstrekt, alsmede diens kantooradres en telefoonnummer. De betekening van het dwangbevel met het bevel tot betaling kan ook geschieden door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de invorderingsambtenaar. Indien het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd als bedoeld in artikel 14, wordt het bevel tot betaling geacht te zijn betekend door de belastingdeurwaarder die belast is met de tenuitvoerlegging. Uit de ongeopende envelop waarin het afschrift ter post wordt bezorgd, blijkt naast de naam en het adres van de belastingschuldige, het kantooradres en telefoonnummer van de invorderingsambtenaar, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft. Betekening op de voet van het derde lid is niet mogelijk ingeval: de invorderingsambtenaar is gebleken dat de aanmaning de belastingschuldige niet heeft bereikt, of de invordering geschiedt met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a of onderdeel b. Voor de toepassing van de artikelen 14, 19 en 20 wordt het dwangbevel met bevel tot betaling dat op de voet van het derde lid is betekend, geacht te zijn betekend twee dagen na de datum van de terpostbezorging van het dwangbevel met bevel tot betaling. §
- Betekening van het dwangbevelAlgemeen 1 Het dwangbevel is een beschikking in de zin van de Awb. In afwijking in zoverre van artikel 3:41 Awb wordt het dwangbevel bekendgemaakt door middel van betekening. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd. Tenuitvoerlegging van het dwangbevel is eerst mogelijk na betekening aan de belastingschuldige. Ook voor het doen van een vordering op grond van artikel 19 van de wet dient de invorderingsambtenaar te beschikken over een aan de belastingschuldige betekend dwangbevel. Wijze van betekenen 2 De betekening van het dwangbevel kan plaatsvinden door de belastingdeurwaarder alsmede door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de invorderingsambtenaar. Betekening per post is echter niet mogelijk indien het de invorderingsambtenaar is gebleken dat de aanmaning de belastingschuldige niet heeft bereikt, hetgeen de invorderingsambtenaar over het algemeen slechts kan weten indien de aanmaning onbestelbaar retour is ontvangen. Betekening per post is evenmin mogelijk indien de invordering geschiedt met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef of onderdeel a of b, van de wet. Een dwangbevel per post blijft achterwege wanneer het openstaande bedrag € 6,00 of minder bedraagt. Een dwangbevel betekent door de belastingdeurwaarder blijft achterwege wanneer het openstaande bedrag € 25,00 of minder bedraagt. Betekening per post 3 De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de invorderingsambtenaar. Op grond van de wet dient onder ter post bezorging te worden verstaan: het door de invorderingsambtenaar ter verzending aanbieden van het afschrift aan TPGpost. Als betekeningsdatum geldt, behoudens voor de toepassing van de artikelen 14, 19 en 20 van de wet (zie hierna), de datum van ter post bezorging. Door de ter post bezorging is de betekeningshandeling voltooid. De verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift vindt plaats per gewone post. Uit de ongeopende envelop waarin het afschrift ter post wordt bezorgd, blijkt naast de naam en het adres van de belastingschuldige, het kantooradres en telefoonnummer van de invorderingsambtenaar, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft. Het bevel tot betaling van de invorderingsambtenaar luidt tot betaling binnen twee dagen na de datum van ter post bezorging. In het kader van de tenuitvoerlegging wordt dat bevel geacht mede te zijn betekend door de belastingdeurwaarder die belast is met de tenuitvoerlegging. Uitsluitend voor de toepassing van de artikelen14, 19 en 20 van de wet, wordt het per post betekende dwangbevel met het bevel tot betaling geacht te zijn betekend twee dagen na de datum van ter post bezorging. Dit betekent dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel alsmede de vordering op grond van artikel 19 van de wet in beginsel niet kunnen plaatsvinden binnen vier dagen na die datum. Op deze termijn is de Algemene termijnenwet van toepassing. De genoemde termijn van vier dagen geldt niet indien de invordering, na betekening van het dwangbevel per post, wordt voortgezet met toepassing van artikel 15 van de wet. De fictie dat het per post betekende dwangbevel eerst wordt geacht te zijn betekend twee dagen na de datum van ter post bezorging, geldt evenmin voor het tijdstip waarop de kosten van betekening verschuldigd zijn alsmede voor het tijdstip waarop stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden op grond van artikel 27, eerste lid, van de wet. Adressering van per post betekende dwangbevelen 4 Verzending van het voor de belastingschuldige bestemde afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling vindt plaats aan het volgens de administratie van de gemeente bekende adres van de belastingschuldige. Voor in Nederland woonachtige natuurlijke personen zal dit over het algemeen het in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geregistreerde adres van de belastingschuldige zijn. Indien de belastingschuldige de wens te kennen heeft gegeven voor hem bestemde poststukken te willen ontvangen op een ander adres dan het adres volgens de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (bijvoorbeeld een postbusadres) kan verzending ook plaatsvinden aan dat andere adres. Indien achteraf mocht blijken dat het afschrift van het dwangbevel aan een - ten tijde van de terpostbezorging - onjuist adres is verzonden en het de belastingschuldige niet heeft bereikt, wordt aan het dwangbevel geen rechtsgevolg verbonden. Anders is dit indien het afschrift van het dwangbevel aan het juiste adres van de belastingschuldige is verzonden, maar laatstgenoemde beweert het afschrift niet te hebben ontvangen. In het laatste geval geldt het dwangbevel als betekend, tenzij sprake is van door de belastingschuldige aannemelijk te maken bijzondere omstandigheden op grond waarvan dient te worden aangenomen dat het afschrift van het dwangbevel het bestemde adres niet heeft bereikt. Betekening door de belastingdeurwaarder 5 De betekening van het dwangbevel door de belastingdeurwaarder vindt plaats overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten, met dien verstande dat indien de betekening plaatsvindt overeenkomstig artikel 47 Rv, op de envelop, in afwijking van de tweede volzin van het tweede lid van dat artikel, melding wordt gemaakt van de invorderingsambtenaar die de opdracht tot betekening heeft verstrekt, alsmede van diens kantooradres en telefoonnummer. Wanneer er aanwijzingen bestaan dat de belastingschuldige bezwaar heeft tegen kennisneming van de inhoud van het dwangbevel door de huisgenoot aan wie de belastingdeurwaarder het afschrift dient achter te laten, wordt het dwangbevel betekend op de wijze als bepaald in artikel 47, eerste lid, Rv. Deze handelwijze wordt ook gevolgd wanneer de belastingdeurwaarder aan de persoon van de huisgenoot niet de verwachting kan ontlenen dat achterlating van het afschrift van het dwangbevel aan die huisgenoot er toe zal leiden dat het afschrift de belastingschuldige ook daadwerkelijk bereikt. Bij de betekening van het dwangbevel wordt domicilie gekozen op het adres van het kantoor van de gemeente waar de belastingdeurwaarder zijn standplaats heeft. Dit geldt ook voor de situaties waarin het dwangbevel is uitgevaardigd door de invorderingsambtenaar van een andere gemeente. Een ruimere domiciliekeuze vindt slechts plaats wanneer daartoe gelet op de, van de omstandigheden afhankelijke, bijzondere wettelijke voorschriften aanleiding bestaat. Bijzondere gevallen 6 Een dwangbevel dat - hetzij door terpostbezorging, hetzij door de belastingdeurwaarder - is betekend aan een minderjarige of onder curatele gestelde, dient alvorens tot tenuitvoerlegging daarvan kan worden overgegaan, mede te worden betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger. Zo nodig zal aan laatstbedoelde betekening het verzenden van een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger voorafgaan. De betekening van een dwangbevel inzake successierecht vindt plaats op het adres van de in de aangifte gekozen woonplaats, tenzij het dwangbevel is verleend tegen één verkrijger afzonderlijk. Ten aanzien van schippers zonder vaste woonplaats aan de wal, is betekening mogelijk op het adres van het verplicht gekozen domicilie. Artikel 14 Naar de inhoud Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd. Tenuitvoerlegging op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van een dwangbevel, dat op de voet van artikel 13, derde lid, is betekend, geschiedt niet dan na betekening van een hernieuwd bevel tot betaling. De betekening van het hernieuwd bevel tot betaling geschiedt overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten, met dien verstande dat indien de betekening geschiedt overeenkomstig artikel 47 van die wet het exploot van de belastingdeurwaarder een bevel inhoudt om binnen twee dagen te betalen; artikel 13, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Het tweede lid vindt geen toepassing ingeval het dwangbevel met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c, terstond ten uitvoer kan worden gelegd. § 1 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel Tenuitvoerlegging van een per post betekend dwangbevel 1 Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd. Tenuitvoerlegging van het dwangbevel is eerst mogelijk na betekening aan de belastingschuldige. Indien het dwangbevel is betekend door het ter post bezorgen van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling door de invorderingsambtenaar, vindt de tenuitvoerlegging van het dwangbevel op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet plaats dan na betekening van een hernieuwd bevel tot betaling door de belastingdeurwaarder. De betekening van het hernieuwd bevel tot betaling vindt plaats overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten. Voor het exploot worden op grond van artikel 3, tweede lid, Kostenwet invordering rijksbelastingen kosten in rekening gebracht. Indien bij de betekening gevolg wordt gegeven aan het hernieuwde betalingsbevel, geeft de belastingdeurwaarder kwitantie voor het aldus aan hem betaalde bedrag. Voor het geven van deze kwitantie zijn geen kosten verschuldigd. Indien bij de betekening geen gevolg wordt gegeven aan het hernieuwde betalingsbevel, kan de belastingdeurwaarder onmiddellijk tot tenuitvoerlegging van het dwangbevel overgaan. Indien de betekening echter geschiedt overeenkomstig artikel 47 Rv, luidt het hernieuwde betalingsbevel tot betaling binnen twee dagen na de datum van betekening van dat bevel. Op deze termijn is de Algemene termijnenwet van toepassing. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel vindt, tenzij artikel 15 van de wet van toepassing is,