Deze wet regelt de openbare orde, veiligheid en leefbaarheid in de gemeente Almere door middel van algemene bepalingen en specifieke regels voor diverse activiteiten en situaties. Het stelt kaders voor vergunningen en ontheffingen en verbiedt gedragingen die de openbare orde verstoren of overlast veroorzaken.
:2 Beslistermijn Artikel 1:3 Indiening aanvraag Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Artikel 1:7 Termijnen Artikel 1:8 Weigeringsgronden Hoofdstuk2Openbare orde Afdeling1Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde Afdeling2Betoging Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Afdeling3Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2:4 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Afdeling4Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2:5 Muziek en vermakelijkheden (waaronder straatmuzikant) Afdeling5Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:6 Het plaatsen van voorwerpen of stoffen op of aan een openbare plaats Artikel 2:7 Hinderlijke beplanting Artikel 2:8 Gladheidbestrijding en andere overlast op de weg Afdeling6Evenementen Artikel 2:9 Begripsbepaling evenement Artikel 2:10 Evenementenvergunning en –melding Artikel 2:11 Ordeverstoring Afdeling7Betaald Voetbal Artikel 2:12 Meldingsplicht Artikel 2:13 Verboden voetbalwedstrijd Artikel 2:14 Verwijdering supporters Artikel 2:15 Omgevingsverbod Afdeling8Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:16 Begripsbepalingen Artikel 2:17 Terrasvergunning Artikel 2:18 Sluitingstijden openbare inrichtingen Artikel 2:19 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Artikel 2:20 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting Artikel 2:21 Ordeverstoring Artikel 2:22 Het college als bevoegd bestuursorgaan Afdeling9Grow-, Head-, Smartshops Artikel 2:23 Begripsbepalingen Artikel 2:24 Bevoegd bestuursorgaan Artikel 2:25 Nadere regels Artikel 2:26 Vergunningplicht Artikel 2:27 Eisen exploitant en leidinggevende Artikel 2:28 Vergunningaanvraag Artikel 2:29 Sluitingstijden Artikel 2:30 Sluiting van de inrichting Artikel 2:31 Beslistermijn Artikel 2:32 Weigeringsgronden Artikel 2:33 Vergunning Artikel 2:34 Aanwezigheid leidinggevende Artikel 2:35 Intrekkingsgronden Artikel 2:36 Vervallen vergunning Artikel 2:37 Overgangsbepaling Afdeling10Nachtverblijf, kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 2:38 Begripsbepaling Artikel 2:39 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Artikel 2:40 Aanwijzing kampeerplaatsen Artikel 2:41 Verschaffing gegevens nachtregister Artikel 2:42 Slapen op of aan de weg Afdeling11Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:43 Betreden gesloten woning of lokaal Artikel 2:44 Plakken en kladden Artikel 2:45 Vervoer plakgereedschap e.d Artikel 2:46 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Artikel 2:51 Mosquito Artikel 2:52 Neerzetten van fietsen e.d. Artikel 2:53 Bespieden van personen Artikel 2:54 Loslopende honden Artikel 2:55 Verontreiniging door honden Artikel 2:56 Gevaarlijke honden Artikel 2:57 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Afdeling12Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:58 Begripsbepaling Artikel 2:59 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Artikel 2:60 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van strafrecht Afdeling13Drugsoverlast Artikel 2:61 Drugshandel op straat Artikel 2:62 Hinderlijk gebruik softdrugs Afdeling14Vuurwerk Artikel 2:63 Begripsbepalingen Artikel 2:64 Bezigen van vuurwerk Afdeling15Veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:65 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2:66 Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:67 Verblijfsontzegging Afdeling16Messen en schietwapens Artikel 2:68 Schietwapens Artikel 2:69 Messen en andere voorwerpen als steekwapen Hoofdstuk3Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling1Begripsbepalingen Artikel 3:
:2 Bevoegd bestuursorgaan Artikel 3:3 Nadere regels Afdeling2Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel 3:4 Seksinrichtingen Artikel 3:5 Eisen exploitant en leidinggevende Artikel 3:6 Sluitingstijden Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende Artikel 3:9 Straatprostitutie Artikel 3:10 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Afdeling3Beslissingstermijn; weigeringsgronden, etc. Artikel 3:11 Beslissingstermijn Artikel 3:12 Weigeringsgronden Artikel 3:13 Intrekkingsgronden Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie Artikel 3:15 Wijziging beheer Artikel 3:16 Zoeken van contact, verrichten van handelingen van seksuele aard Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling1Geluidhinder en verlichting Artikel 4:
:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten Artikel 4:4 Onversterkte muziek Artikel 4:5 Overige geluidhinder Afdeling2Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:6 Straatvegen Artikel 4:7 Natuurlijke behoefte doen Afdeling4Maatregelen tegen ontsiering Artikel 4:8 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling1Parkeerexcessen Artikel 5:
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 5:4 Voertuigwrakken Artikel 5:5 Parkeren van aanhangwagens, caravans en dergelijke Artikel 5:6 Parkeren van grote voertuigen Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen Artikel 5:8 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Afdeling2Collecteren Artikel 5:9 Inzameling van geld of goederen Afdeling3Venten Artikel 5:10 Begripsbepalingen Artikel 5:11 Ventverbod Artikel 5:12 Vrijheid van meningsuiting Afdeling4Standplaatsen Artikel 5:13 Begripsbepalingen Artikel 5:14 Standplaats Artikel 5:15 Afbakeningsbepaling Afdeling5Snuffelmarkten Artikel 5:16 Begripsbepalingen Artikel 5:17 Organiseren van een snuffelmarkt Afdeling6Openbaar water Artikel 5:18 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Artikel 5:19 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen Artikel 5:20 Aanwijzingen ligplaats Artikel 5:21 Verbod innemen ligplaats Artikel 5:22 Reddingsmiddelen Artikel 5:23 Veiligheid op het water Artikel 5:24 Kite-surfen Afdeling7Terreinrijden Artikel 5:25 Crossterreinen Afdeling8Verbod vuur te stoken Artikel 5:26 Verbod vuur te stoken Hoofdstuk6Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling Artikel 6:2 Toezichthouders Artikel 6:3 Binnentreden woningen Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening Artikel 6:5 Overgangsbepaling Artikel 6:6 Citeertitel Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel1:1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere; openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats en/of gebouw, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder c; weg: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op een andere wijze toegankelijk zijn; bebouwde kom: het gebied waarvan de grenzen zijn vastgesteld ingevolge artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening 2007. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste zes weken verlengen. 3.De termijn genoemd in het eerste en het tweede lid geldt niet indien bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 4.De vergunning of ontheffing wordt, met inachtneming van het in het eerste en tweede lid bepaalde, geacht van rechtswege te zijn verleend indien dit bij of krachtens deze verordening is bepaald Artikel1:3Indiening aanvraag 1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan acht weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2.Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden afgeweken. 3.Voor het indienen van een aanvraag voor een vergunning, ontheffing of melding kan door het bevoegde bestuursorgaan een aanvraagformulier worden vastgesteld. Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder dit verzoekt. Artikel1:7Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1:8Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde bestuursorgaan dan wel het bevoegd gezag worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. Hoofdstuk 2. Openbare orde Afdeling1.Bestrijding van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.Een ieder die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel2:2Verstoring van de openbare orde 1.Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 of 426 bis van het Wetboek van Strafrecht. 3.Het is verboden op of aan de weg een voorwerp of stof, kennelijk meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben. Afdeling2.Betoging Artikel2:3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. AFDELING3.VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN Artikel2:4Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder publiek te verspreiden en/of te laten verspreiden dan wel openlijk aan te bieden door het college aangewezen openbare plaatsen. 2.Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Afdeling4.Vertoningen e.d. op de weg Artikel2:5Muziek en vermakelijkheden (waaronder straatmuzikant) 1.Het is verboden, zonder vergunning van de burgemeester op openbare plaatsen muziek te maken of een vertoning of een vermakelijkheid te geven of te houden. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet openbare manifestaties, het Wetboek van Strafrecht of indien artikel 2:10 van deze verordening van toepassing is. 3.Het bepaalde in het eerste lid geldt voorts niet, indien geen geluidsversterkende apparatuur wordt gebruikt, slechts op passieve wijze geld wordt ingezameld en men zich niet langer dan een half uur op dezelfde plaats of in de directe omgeving daarvan ophoudt. Afdeling5.Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel2:6Het plaatsen van voorwerpen of stoffen op of aan een openbare plaats 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare plaatsanders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid of het tweede lid kan worden geweigerd indien: het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4.Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2:9; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:14; terrassen als bedoeld in artikel 2:17. 5.Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement; De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. De weigeringsgrond van het derde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken. De weigeringsgrond van het derde lid, onder c, geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 6.Het college kan categorieën voorwerpen en/of openbare plaatsen aanwijzen waarvoor het verbod van het eerste lid van dit artikel niet geldt. Artikel2:7Hinderlijke beplanting Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel2:8Gladheidbestrijding en andere overlast op de weg Het is verboden een toegang tot een woning, een vaartuig, een gebouw of een gedeelte daarvan, alsmede het voetpad of trottoir dat direct grenst aan een woning, een vaartuig, een gebouw of een gedeelte daarvan, voorwerpen of stoffen te plaatsen te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, waardoor overlast of gevaar wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt die de toegankelijkheid kan belemmeren. Afdeling6.Evenementen Artikel2:9Begripsbepaling evenement 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2:5 en 5:18 van deze verordening; reguliere voorstellingen in theateraccommodaties; reguliere sportactiviteiten in en op sportaccommodaties; betaald voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2:12. 2.Onder een evenement wordt in ieder geval verstaan voor het publiek toegankelijke verrichtingen van vermaak op het gebied van kunst, ontwikkeling, ontspanning, sport of vermaak alsmede herdenkingsplechtigheden, tentoonstellingen, optochten, kermissen, circussen, filmopnamen, feesten, braderieën, etc.. Artikel2:10Evenementenvergunning en -melding 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement teorganiseren. 2.Geen vergunning is vereist voor eendaagse evenementen, indien: het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; het evenement tussen 07.00 uur en 22.00 uur plaats vindt; het evenement niet plaatsvindt op een rijbaan van een doorgaande weg of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer of de hulpverleningsdiensten; de organisator tenminste 2 weken voorafgaande aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester op een daartoe vastgesteld meldingsformulier ; slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25m2 per object, voor zover het plaatsen van deze objecten zich niet verzetten tegen de in artikel 1:8 genoemde belangen; geen sprake is van een commercieel evenement. 3.De burgemeester kan besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in hettweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 4.De burgemeester kan ten aanzien van de in het eerste en tweede lid bedoelde evenementen nadere regels stellen ter bescherming van de in artikel 1:8 genoemde belangen. 5.Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994 . Artikel 2:11 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling7.betaald voetbal Artikel2:12Meldingsplicht 1.De organisator van een voetbalwedstrijd in het kader van het betaald voetbal is verplicht, tenminste vier weken voor de vastgestelde speeldatum van de wedstrijd, daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. 2.Indien een kennisgeving, gelet op het tijdstip waarop de speeldatum wordt vastgesteld, niet vier weken tevoren kan worden gedaan, dient de organisator van de na de vaststelling van de speeldatum hiervan onmiddellijk de burgemeester schriftelijk in kennis te stellen, maar in ieder geval één week voor de speeldatum. 3.De burgemeester stelt een formulier vast voor het doen van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving. 4.De kennisgeving bedoeld in het eerste lid kan meerdere wedstrijden betreffen. 5.De burgemeester kan met betrekking tot een voetbalwedstrijd aan de organisator voorschriften opleggen in het belang van de openbare orde en veiligheid. 6.De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd verbieden: Uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde; Indien de krachtens het vijfde lid opgelegde voorschriften niet worden nageleefd; Indien geen of niet tijdig schriftelijke kennisgeving is gedaan als bedoeld in het eerste lid. Artikel2:13Verboden voetbalwedstrijd Het is de organisator van een voetbalwedstrijd ingevolge artikel 2:12, eerste lid, verboden, deze te doen plaatsvinden, indien: de kennisgeving aan de burgemeester minder dan vier weken tevoren is gedaan, danwel minder dan één week als bedoeld in het tweede lid van artikel 2:12; in strijd wordt gehandeld met de ingevolge artikel 2:12, vijfde lid, gegeven voorschriften; wordt afgeweken van de bij de kennisgeving verstrekte gegevens wat betreft het tijdstip, de plaats en de voorgestelde maatregelen ter voorkoming van wanordelijkheden; de burgemeester de wedstrijd heeft verboden. Artikel2:14Verwijdering supporters 1.Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporter en inhet bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn verplicht om, indien sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, hun weg naar het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken. 2.Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedraging of anderszins kenbaar maken zijn verplicht om, indien sprake is van verstoring van de openbare orde of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan daarvan, direct na afloop van de wedstrijd te vertrekken uit de gemeente of zich te begeven in een door de politie aan te geven route en richting. 3.Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporter en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de wedstrijd en op een of andere wijze de openbare orde verstoren of ernstig dreigen te verstoren dan wel racistisch gedrag vertonen of racistische uitlatingen doen, zijn verplicht zich op eerste aanzegging van de politie buiten de gemeentegrenzen te begeven of in een door de politie aan te geven route en richting. Artikel2:15Omgevingsverbod De burgemeester kan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf 2 uur voor het vastgestelde begin tot 2 uur na afloop van de voetbalwedstrijden van de organisator. De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het vorige lid bedoelde verbod nadat vast is komen te staan dat de persoon de openbare orde in de omgeving van het stadion in ernstige mate heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de organisator werd gespeeld. Afdeling8.Toezicht op OPENBARE INRICHTINGEN Artikel2:16Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder een openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel hiervan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. houder: degene die een openbare inrichting exploiteert of daarin feitelijk leiding heeft. Artikel2:17Terrasvergunning 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een terras bij een openbare inrichting in te richten en in gebruik te nemen en te houden. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, kan de vergunning worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 3.In afwijking van artikel 1:5 is de terrasvergunning objectgebonden. 4.De burgemeester kan openbare plaatsen aanwijzen waarvoor het verbod van het eerste lid van dit artikel niet geldt. Artikel2:18Sluitingstijden openbare inrichtingen 1.Openbare inrichtingen zijn gesloten van maandag tot en met zondag tussen 00.00 en 06.00 uur. 2.Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4.De burgemeester kan andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras. 5.De burgemeester kan bij openbaar bekend te maken besluit bepalen dat het verbod in het eerste lid niet geldt voor één of meer in dat besluit aangewezen gedeelten van de gemeente. Artikel2:19Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen en/of een daartoe behorend terras tijdelijk andere dan krachtens 2:18, eerste lid geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b Opiumwet. Artikel2:20Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf bij of krachtens het bepaalde in artikel 2:18 of ingevolge een op grond van artikel 2:19 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden. Artikel2:21Ordeverstoring Het is verboden in een openbare inrichting de orde te verstoren. Artikel2:22Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:16 tot en met 2:20. AFDELING9.GROW-, HEAD-, SMARTSHOPS Artikel2:23Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een grow- head- of smartshop; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een inrichting exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; leidinggevende: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; bezoeker: een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: de exploitant; de leidinggevende; het personeel dat werkzaam is in de inrichting; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2; andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel2:24Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel2:25Nadere regels Met het oog op de in artikel 1:8 en artikel 2:32 derde en vierde lid genoemde belangen, kan het bevoegde bestuursorgaan over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Artikel2:26Vergunningplicht Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een inrichting te exploiteren zoals bedoeld in artikel 2:23, onder a. Artikel2:27Eisen exploitant en leidinggevende 1.Een exploitant en de leidinggevende: staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; heeft de leeftijd van 21 jaar bereikt. 2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de leidinggevende niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. Artikel2:28Vergunningaanvraag 1.Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij het bevoegde bestuursorgaan worden ingediend aan de hand van een door het bevoegde bestuursorgaan vast te stellen formulier. 2.Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste: opgaaf gedaan van de personalia dan wel zetel en het adres van de exploitant voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; opgaaf gedaan van de personalia en het adres van iedere leidinggevende; overgelegd een recente pasfoto van de exploitant en leidinggevende(n); opgaaf gedaan van het adres en de aard van de inrichting; overgelegd een niet meer dan 3 maanden tevoren ten behoeve van de exploitant en leidinggevende(
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massage- salon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; leidinggevende: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geexploiteerd; de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de leidinggevende; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel3:2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel3:3Nadere regels Met het oog op de in artikel 3:12 genoemde belangen, kan het bevoegde bestuursorgaan over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Afdeling2.Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel3:4Seksinrichtingen 1.Het is verboden een seksinrichting, escortbedrijf of sekswinkel te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. 2.In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval overlegd: a.de persoonsgegevens van de exploitant zoals bepaald onder artikel 3:1, sub f; b.de persoonsgegevens van de leidinggevende zoals bepaald onder artikel 3;1, sub g; c.de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; d.de plaatselijke en kadastrale ligging door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:100; e.een plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van tenminste 1:100; f.een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting. Artikel3:5Eisen exploitant en leidinggevende 1.De exploitant en de leidinggevende: a.staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b.is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c.heeft de leeftijd van 21 jaar bereikt. 2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de leidinggevende niet: a.met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b.binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c.binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: ·bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; ·de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; ·de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; ·de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; ·de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; ·de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a.vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; b.een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a.bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b.bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.De exploitant of de leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of leidinggevende geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor tenminste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel3:6Sluitingstijden 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 uur en 06.00 uur. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn. 4.Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel3:7Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1.Met het oog op de in artikel 3:12, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegde bestuursorgaan: a.tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; b.van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel3:8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende 1.Het is verboden een seksinrichting of sekswinkel voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of leidinggevende in de seksinrichting of sekswinkel aanwezig is. 2.De exploitant en de leidinggevende zien er voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting: a.geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en b.geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3:9Straatprostitutie
In deze afdeling wordt verstaan onder: Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; geluidgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT): gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in de loop van een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de “Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai”, uitgave
In deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregelsen verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregelsen verkeerstekens ( RVV 1990). Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 50 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel 5:4 Voertuigwrakken Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en/of tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg of op een parkeergelegenheid te plaatsen of te parkeren. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5:5 Parkeren van aanhangwagens, caravans en dergelijke Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt zoals een caravan, een kampeerwagen, een aanhangwagen, een keetwagen of ander dergelijk voertuig langer dan op drie achtereenvolgende dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking te plaatsen of te hebben op de weg binnen de bebouwde kom; verdeling van beschikbare parkeerruimte. Het college kan plaatsen of tijden aanwijzen waar, respectievelijk gedurende welke tijd het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing is. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. De in het derde lid bedoelde ontheffing kan worden geweigerd met het oog op de Artikel 5:6 Parkeren van grote voertuigen Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van 6 meter of een hoogte van 2,4 meter te boven gaat langer dan twee achtereenvolgende uren te parkeren op de weg. Het in het eerste lid omschreven verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Het college kan wegen of weggedeelten aanwijzen waar het bepaalde in het eerste lid niet geldt. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:8 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. AFDELING
:2 Beslistermijn Artikel 1:3 Indiening aanvraag Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Artikel 1:7 Termijnen Artikel 1:8 Weigeringsgronden Hoofdstuk 2 Openbare orde Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde Afdeling 2 Betoging Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2:4 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of Afbeeldingen Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2:5 Muziek en vermakelijkheden (waaronder straatmuzikant) Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:6 Het plaatsen van voorwerpen of stoffen op of aan een openbare plaats Artikel 2:7 Hinderlijke beplanting Artikel 2:8 Gladheidbestrijding en andere overlast op de weg Afdeling 6 Evenementen Artikel 2:9 Begripsbepaling evenement Artikel 2:10 Evenementenvergunning en –melding Artikel 2:11 Ordeverstoring Afdeling 7 Betaald Voetbal Artikel 2:12 Meldingsplicht Artikel 2:13 Verboden voetbalwedstrijd Artikel 2:14 Verwijdering supporters Artikel 2:15 Omgevingsverbod Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:16 Begripsbepalingen Artikel 2:17 Terrasvergunning Artikel 2:18 Sluitingstijden openbare inrichtingen Artikel 2:19 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Artikel 2:20 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting Artikel 2:21 Ordeverstoring Artikel 2:22 Het college als bevoegd bestuursorgaan Afdeling 9 Grow-, Head-, Smartshops Artikel 2:23 Begripsbepalingen Artikel 2:24 Bevoegd bestuursorgaan Artikel 2:25 Nadere regels Artikel 2:26 Vergunningplicht Artikel 2:27 Eisen exploitant en leidinggevende Artikel 2:28 Vergunningaanvraag Artikel 2:29 Sluitingstijden Artikel 2:30 Sluiting van de inrichting Artikel 2:31 Beslistermijn Artikel 2:32 Weigeringsgronden Artikel 2:33 Vergunning Artikel 2:34 Aanwezigheid leidinggevende Artikel 2:35 Intrekkingsgronden Artikel 2:36 Vervallen vergunning Artikel 2:37 Overgangsbepaling Afdeling 10 Nachtverblijf, kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 2:38 Begripsbepaling Artikel 2:39 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Artikel 2:40 Aanwijzing kampeerplaatsen Artikel 2:41 Verschaffing gegevens nachtregister Artikel 2:42 Slapen op of aan de weg Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:43 Betreden gesloten woning of lokaal Artikel 2:44 Plakken en kladden Artikel 2:45 Vervoer plakgereedschap e.d. Artikel 2:46 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Artikel 2:51 Mosquito Artikel 2:52 Neerzetten van fietsen e.d. Artikel 2:53 Bespieden van personen Artikel 2:54 Loslopende honden Artikel 2:55 Verontreiniging door honden Artikel 2:56 Gevaarlijke honden Artikel 2:57 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:58 Begripsbepaling Artikel 2:59 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Artikel 2:60 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht Afdeling 13 Drugsoverlast Artikel 2:61 Drugshandel op straat Artikel 2:62 Hinderlijk gebruik softdrugs Afdeling 14 Vuurwerk Artikel 2:63 Begripsbepalingen Artikel 2:64 Bezigen van vuurwerk Afdeling 15 Veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:65 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2:66 Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:67 Verblijfsontzegging Afdeling 16 Messen en schietwapens Artikel 2:68 Schietwapens Artikel 2:69 Messen en andere voorwerpen als steekwapen Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling
:
:2 Bevoegd bestuursorgaan Artikel 3:3 Nadere regels Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel 3:4 Seksinrichtingen Artikel 3:5 Eisen exploitant en leidinggevende Artikel 3:6 Sluitingstijden Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende Artikel 3:9 Straatprostitutie Artikel 3:10 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Afdeling 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden, etc. Artikel 3:11 Beslissingstermijn Artikel 3:12 Weigeringsgronden Artikel 3:13 Intrekkingsgronden Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie Artikel 3:15 Wijziging beheer Artikel 3:16 Zoeken van contact, verrichten van handelingen van seksuele aard Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting Artikel 4:
:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten Artikel 4:4 Onversterkte muziek Artikel 4:5 Overige geluidhinder Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:6 Straatvegen Artikel 4:7 Natuurlijke behoefte doen Afdeling 3 Maatregelen tegen ontsiering Artikel 4:8 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 5:
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 5:4 Voertuigwrakken Artikel 5:5 Parkeren van aanhangwagens, caravans en dergelijke Artikel 5:6 Parkeren van grote voertuigen Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen Artikel 5:8 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Afdeling 2 Collecteren Artikel 5:9 Inzameling van geld of goederen Afdeling 3 Venten Artikel 5:10 Begripsbepalingen Artikel 5:11 Ventverbod Artikel 5:12 Vrijheid van meningsuiting Afdeling 4 Standplaatsen Artikel 5:13 Begripsbepalingen Artikel 5:14 Standplaats Artikel 5:15 Afbakeningsbepaling Afdeling 5 Snuffelmarkten Artikel 5:16 Begripsbepalingen Artikel 5:17 Organiseren van een snuffelmarkt Afdeling 6 Openbaar water Artikel 5:18 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Artikel 5:19 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen Artikel 5:20 Aanwijzingen ligplaats Artikel 5:21 Verbod innemen ligplaats Artikel 5:22 Reddingsmiddelen Artikel 5:23 Veiligheid op het water Artikel 5:24 Kite-surfen Afdeling 7 Terreinrijden Artikel 5:25 Crossterreinen Afdeling 8 Verbod vuur te stoken Artikel 5:26 Verbod vuur te stoken Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling Artikel 6:2 Toezichthouders Artikel 6:3 Binnentreden woningen Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening Artikel 6:5 Overgangsbepaling Artikel 6:6 Citeertitel Toelichting APV 2011 Gemeente Almere HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:
In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de in artikel 1:1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt. b. Een openbare plaats Zoals hiervoor aangegeven is de definitie van weg in de APV aanzienlijk beperkt. Dat brengt met zich mee dat de werking van artikelen in dit model waar sprake is van de weg een (veel) beperktere werking hebben dan daarvoor. De bevoegdheid van de gemeente gaat verder dan dat. In artikelen waar het de bedoeling is om zaken te regelen op plaatsen die niet tot de weg kunnen worden gerekend, is gekozen voor de term “een openbare plaats”. Daarmee is beoogd om die plaatsen aan te duiden die voor deze wijziging onder het al te brede begrip weg vielen: al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Voor het begrip openbare plaats in de zin van de Wet Openbare Manifestaties (WOM) zie de toelichting bij artikel 2:3 Betogingen. c. Weg Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. In artikel 1:1 is de “weg” omschreven conform de definitie in de Wegenverkeerswet 1994 . Dat verschilt aanzienlijk van de oude omschrijving van de Apv, waar praktisch iedere publiek toegankelijke ruimte onder het begrip “weg” viel. Daarop is kritiek gekomen, met name omdat het begrip “weg” op die manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale spraakgebruik daaronder verstaat. In de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving is juist aangegeven dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk moet worden gevolgd.. Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is dat er zaken worden geregeld die zich niet alleen op of aan de weg afspelen, is gekozen voor de omschrijving “openbare plaats”. Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen op of aan de weg. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. d. Openbaar water Een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk. e. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het begrip bebouwde kom is aangesloten bij artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. f. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. g. Bouwwerk Verwezen wordt naar de bouwverordening waarin het bouwwerk als volgt is gedefinieerd: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”. h. Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijke met wanden omsloten ruimte vormt”. i. Bevoegd gezag In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:6). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantel gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het college van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Daarnaast komt in de Apv op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering. j. Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens jurisprudentie verzet tegen een vergunningstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken etc.. Aan een vergunningstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zins des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclamevoor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningstelsel Artikel 1:2 Beslistermijn Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. Wij hebben de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Deze termijn hebben we in Almere gelijkgesteld met de verlengingstermijn van de WABO (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Reden daarvan is dat APV vergunningen deel uit kunnen maken van de WABO of zijn “aangehaakt” aan de WABO. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:6). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1.3 Mor, dat luidt als volgt: Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag. In de aanvraag vermeldt de aanvrager: de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formul
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.