Algemene plaatselijke verordening Wageningen 2023Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Wageningen omtrent de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu. De raad van de gemeente Wageningen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, d.d. ; gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d Alcoholwet, artikel 5.13 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid Wet op de kansspelen, artikel 3 Winkeltijdenwet en artikel 2a Wvw 1994; besluit vast te stellen de: Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Wageningen omtrent de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu. Ter inzagelegging: Dit besluit wordt met deze publicatie bekendgemaakt en ter inzage gelegd. Referendum aanvragen: Een referendabel besluit houdt op basis van de Referendumverordening in dat als u het niet eens bent met dit besluit van de gemeenteraad u als kiesgerechtigde inwoner van Wageningen binnen drie weken na deze bekendmaking met een geldig legitimatiebewijs een verzoek kunt indienen om hierover een referendum te houden. Het kan zijn dat naar aanleiding van het resultaat van het referendum de raad het besluit uiteindelijk intrekt. Verdere informatie over de referendumprocedure kunt u op de vinden op https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR9181?&show-wti=falsehttps://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR9181?&show-wti=falsehttps://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR9181?&show-wti=false. Bezwaar referendabiliteit: Indien u van mening bent dat de gemeenteraad onterecht heeft besloten over de referendabiliteit van het bovengenoemde raadsbesluit kunt u hiertegen binnen zes weken na deze bekendmaking een bezwaarschrift indienen bij de gemeenteraad, Postbus 1, 6700 AA Wageningen of via https://www.wageningen.nl/Bestuur/Beleid_en_regelgeving/Bezwaarschrift_indienen. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1:1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a Wegenverkeerswet 1994; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid, Verordening fysieke leefomgeving Wageningen; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e Wvw 1994; centrumgebied: het gebied binnen de volgende begrenzingen, met de klok mee: Lawickse Allee, Bevrijdingsstraat, 5 Mei Plein, Veerstraat, Rustenburg, Spijk, Grebbedijk, Havenafweg, Costerweg, Stadsgracht tot Duivendaal, Duivendaal. college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b Wvw 1994. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen de wettelijke termijn van acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing wanneer beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2.10, vijfde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2.11, tweede lid. Artikel1:3 (vervallen) Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of indien de houder dit verzoekt. Artikel1:7Termijnen 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1:8Weigeringsgronden 1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk2.Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, te vechten, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, zoals bedoeld in het derde lid. 5.Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:2 (vervallen) Artikel2:3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel2.3aKennisgeving van het voltrekken van een huwelijk waarbij een huwelijksstoet zich door de stad zal verplaatsen 1.Degenen die een huwelijk willen laten voltrekken en als gevolg waarvan een huwelijksstoet zich door de stad zich zal verplaatsen zijn verplicht ten minste 48 uren voordat het huwelijk voltrokken wordt daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester te geven. 2.Onder een huwelijksstoet wordt verstaan een stoet of karavaan van voertuigen op of aan de weg met het oog op de viering van een (voorgenomen) verbintenis tussen twee personen met een duurzaam karakter. Artikel2.4Neerzetten van fietsen, scooters of bromfietsen Het is verboden op of aan de weg een fiets, scooter of een bromfiets te plaatsen of te laten staan: 1.wanneer dit schade toebrengt aan de weg of openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig ervan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 2.tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek, of daardoor die doorgang gehinderd of die ingang versperd wordt. (Artikel 2.5 vervallen in Wageningen) Artikel2.5a Verwijderen van fietsen, scooters of bromfietsen 1.Bij overtreding van de artikelen 2.4 die langer dan drie weken duurt kunnen de fietsen, scooters en bromfietsen door de gemeente na daartoe een waarschuwing gegeven te hebben, verwijderd worden. 2.Genoemde vervoersmiddelen kunnen in het gemeentelijk depot opgehaald worden tegen betaling van de kosten van verwijdering en bewaring ervan. Deze kosten bedragen € 25 per fiets, scooter of bromfiets. 3.In depot genomen fietsen, scooters en bromfietsen worden tot drie maanden bewaard. Wanneer deze door de rechtmatig eigenaar niet opgehaald zijn worden deze aan een opkoper verkocht of vernietigd. Artikel2:6Verspreiden van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen en het gratis aanbieden van producten 1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen en gratis producten onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2.Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken, afbeeldingen en gratis producten. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:7 (vervallen) Artikel2:8 (vervallen) Artikel2:9Vertoningen op openbare plaatsen 1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2.De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen en aanzien van de weg Artikel2:10Voorwerpen op of aan de weg 1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, wanneer dat gebruik: schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een belemmeringsvrije doorgang wordt gelaten op voetpaden en op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3.Het is verboden een terras te exploiteren zonder daarvan een melding te doen bij de burgemeester. Bij de melding dient te worden vermeld: de naam en het adres van het horecabedrijf; de afmeting van het terras; de indeling en de uitvoering van het terras. 4.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 6.De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het college als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 7.Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 en overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 8.Het verbod is verder niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterwet, artikel 5 Wvw 1994, of de Gelderse wegenverordening. 9.Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het vijfde lid is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:11(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan, instemmingsbesluit of een voorafgaande melding een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.De vergunning of instemming wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, wanneer de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of door het college in de overige gevallen. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voorzover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Gelderse wegenverordening, de Keur van Waterschap Vallei & Eem, de Verordening werkzaamheden kabels en leidingen Wageningen 2018, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 5.Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2.12Maken of veranderen van een uitweg 1.Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg wanneer: daarvan tevoren niet van te voren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2.Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 3.Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg wanneer: daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4.Aan het maken van een uitweg zijn de volgende voorwaarden verbonden: de aanleg van de uitweg wordt, op kosten van de melder, door een erkend aannemers-en/of stratenmakersbedrijf uitgevoerd; kosten voor het eventueel verplaatsen van een trottoirkolk, een lichtmast e.d. of het kappen van een gemeentelijke boom, wordt bij de melder in rekening gebracht; indien de te maken uitweg zich boven een kabel- of leidingtracé bevindt, is het niet toegestaan gesloten verharding als beton of asfalt, of een puinverharding of puinfundering aan te brengen; de melder dient te gedogen dat werkzaamheden aan kabels en leidingen van nutsbedrijven plaatsvinden, voor zover deze zijn gelegen in gemeente-eigendommen. 5.Het college kan voorwaarden stellen aan de aanleg van een uitweg. 6.De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen zes weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 7.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterwet, de Keur van Waterschap Vallei & Eem of de Gelderse wegenverordening. Artikel2:13 (vervallen) Artikel2:15 (vervallen in Wageningen) Artikel2:16 (vervallen in Wageningen) Artikel2:17 (vervallen in Wageningen) Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden in bossen, op heide of in de uiterwaarden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: te roken gedurende een door het college aangewezen periode; voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3 WvSr. 3.Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel2:19 (Vervallen) Artikel2:20 (Vervallen) Artikel2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel2:22 (vervallen) Artikel2:23 (vervallen) Afdeling3. Evenementen Artikel2:24Definities 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoop- en theatervoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, Gemeentewet en artikel 5:22; kansspelen zoals bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:4 en 2:39 van deze verordening. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. sociaal-culturele activiteiten, die plaatsvinden in gebouwen welke volgens het geldende bestemmingsplan waar volgens het geldende bestemmingsplan maatschappelijke voorzieningen zijn toegestaan. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een straatfeest, snuffelmarkt of buurtbarbecue op één dag (klein evenement); een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3.In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; de activiteiten plaatsvinden tussen 7.00 en 23.00 uur; geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 7.00 uur of na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau zoals in het Evenementenbeleid Wageningen 2022 genoemd staat; de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 vierkante meter per object. Artikel2:25Evenementenvergunning 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren of handelingen te verrichten. 2.In afwijking van artikel 1: lid 2 van deze verordening wordt voor het aanvragen van een vergunning voor een evenement een termijn van 8 weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft gehanteerd. 3.Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1 lid 1 Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 4.Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, wanneer de organisator ten minste 15 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5.De burgemeester kan binnen 10 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6.Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 in samenhang met 148 Wvw 1994. 7.Het vierde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 8.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 9.Wanneer de toepassing van het tweede lid van dit artikel tot onvermijdelijke problemen leidt kan de burgemeester van die bepaling afwijken. 10.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:26Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel2:27Begripsbepalingen 1.In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, afhaalcentrum, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies of dranken worden verstrekt of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt of rookwaren worden verstrekt; 2.Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Artikel2:28Exploitatie openbare inrichting 1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.De burgemeester weigert de vergunning wanneer: de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; de inrichting en/of de houder/beheerder niet voldoet aan de aan de vergunning(aanvraag) verbonden voorschriften; de burgemeester kan de vergunning weigeren wanneer de inrichting niet voldoet aan de volgende inrichtingseisen: van ieder punt van een lokaliteit uit moet bij voortduring een deel van de lokaliteit met een oppervlakte van ten minste 15 m² kunnen worden overzien; de lokaliteit moet een zodanige kunstlichtvoorziening hebben dat de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte, gemeten op 1 meter boven de vloer, over de gehele oppervlakte ten minste 50 lux bedraagt; de inrichting moet zijn voorzien van ramen met een zodanige oppervlakte dat voldoende daglichttoetreding is gewaarborgd, met dien verstande dat het raamoppervlak tenminste gelijk moet zijn aan die oppervlakte die in het Bouwbesluit ten aanzien van verblijfsgebieden in woningen wordt gesteld; de ramen van de inrichting moeten zijn bezet met blank doorzichtig glas, waarvan ten hoogste 20% mag zijn bedekt met materiaal dat daglichttoetreding verhindert. 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als: naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Daarbij houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; de aard van de openbare inrichting; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied; de wijze van bedrijfsvoering van de houder/beheerder van de inrichting in deze of in andere inrichtingen; de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden, voor zover de ondernemer onveranderd is gebleven; 4.Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: winkel als bedoeld in artikel 1 Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit en niet meer dan 25% van de totale winkeloppervlakte inneemt met een maximum van 12 m²; zorginstelling; museum; of bedrijfskantine of -restaurant. 5.De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 Alcoholwet, als: zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 6.De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a. 7.In een exploitatievergunning worden de volgende bepalingen opgenomen: de sluitingstijden van de openbare inrichting en het terras; de grootte van het terras; de beheerder; maatregelen die nodig zijn om, gelet op het sluitingsuur, de overlast voor de directe woonomgeving te voorkomen. 8.De vergunning wordt uitsluitend verleend¬ aan en op naam gezet van de houder van de inrichting; de vergunning is niet overdraagbaar. 9.Naast de houder dient er minimaal een beheerder op de vergunning vermeld te worden. 10.Bij de aanvraag dient een niet meer dan 3 maanden tevoren ten behoeve van de houder(s)/beheerder(
- s)afgegeven verklaring omtrent het gedrag overgelegd te worden. 11.Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:28aIntrekkingsgronden De burgemeester kan de vergunning intrekken: wanneer aannemelijk is dat de houder/beheerder van de inrichting betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; indien de houder/beheerder van de inrichting toestaat, dan wel gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd; indien de houder/beheerder van de inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht, seksuele geaardheid, godsdienst of levensovertuiging ; indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; indien de houder/beheerder in strijd handelt met het bij of krachtens artikel 2.29 bepaalde; indien de houder/beheerder in strijd handelt met de aan de vergunning verbonden voorschriften; indien de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd, dan wel de exploitatie van de inrichting op zodanige wijze plaatsvindt dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; de exploitatie voor een periode van langer dan drie maanden is of wordt onderbroken; de houder, en/of beheerder(
- s)deze hoedanigheid heeft of hebben verloren. Artikel2:29Sluitingstijden centrumgebied 1.Openbare commerciële inrichtingen zijn gesloten op zondag tot en met woensdag tussen 2:00 uur en 6:00 uur, en op donderdag tot en met zondag tussen 4:00 uur en 6:00 uur. Op donderdag tot en met zondag mogen er na 2:00 uur geen nieuwe bezoekers in de openbare inrichting worden toegelaten; 2.Openbare paracommerciële inrichtingen zijn gesloten op zondag tot en met woensdag tussen 24:00 uur en 6:00 uur en op donderdag tot en met zaterdag van 1:00 uur tot 6:00 uur; 3.Op donderdag tot en met zaterdag, alsmede op 5 mei zijn terrassen behorende bij openbare inrichtingen gesloten tussen 1:00 uur en 7:00 uur. Exploitatie van het terras is in verband met 5 mei vanaf 12.00 uur op 6 mei weer mogelijk. Op zondag tot en met woensdag mogen terrassen, behorende bij openbare inrichtingen van 7.00 uur tot 24.00 uur open zijn. 4.Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 5.De burgemeester kan door middel van een besluit andere dan de in lid 1 genoemde sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting onder de volgende voorwaarden: dat een eventuele nadelige invloed op het woon- en leefklimaat wordt meegewogen; de exploitant aantoont op welke wijze overlast voor de directe omgeving wordt tegengegaan; de exploitant toestemming heeft van de Stichting Nationaal Comité Herdenkingen Capitulaties 1945 Wageningen voor de exploitatie van een terras op 5 mei. 6.Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 7.Het eerste, tweede en vierde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 8.Op de aanvraag om een besluit in de zin van lid 5 is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2.29aSluitingstijden buiten centrumgebied 1.Aan ondernemers van openbare commerciële inrichtingen buiten het centrumgebied kan een vergunning verleend worden om op donderdag tot en met zaterdag tot 2.00 uur ’s nachts geopend te hebben. Voor zondag tot en met woensdag is dat tot 1.00 uur ’s nachts. 2.Het college kan beleidsregels voor afwijkende sluitingstijden in de gebieden buiten het centrum vaststellen. 3.De burgemeester kan door middel van een besluit andere dan de in lid 1 genoemde sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting onder de volgende voorwaarden: dat een eventuele nadelige invloed op het woon- en leefklimaat wordt meegewogen; de exploitant aantoont op welke wijze overlast voor de directe omgeving wordt tegengegaan; de exploitant toestemming heeft van de Stichting Nationaal Comité Herdenkingen Capitulaties 1945 Wageningen voor de exploitatie van een terras op 5 mei. Artikel2:30Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b Opiumwet voorziet. Artikel2:31Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: de orde te verstoren; zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van de plaatsen die aanwezig zijn op het terras; artikel2.32 (vervallen in Wageningen) Artikel2:33Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:31 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel2:34 (vervallen) Afdeling5. Toezicht paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Artikel2:34aDefinities In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank; horecabedrijf; horecalokaliteit; inrichting; paracommerciële rechtspersoon; sterke drank; slijtersbedrijf; zwak-alcoholhoudende drank; vergunning; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Verder: bijeenkomst van persoonlijke aard: bijeenkomst met een veelal feestelijk karakter, die geen verband houdt met de doelstelling van paracommerciële rechtspersonen zoals een bruiloft, feest, receptie of verjaardag. buurthuis of wijkcentrum: een buurthuis of wijkcentrum: een openbaar, mede met publiekelijke middelen gerealiseerd, gebouwd in een wijk, stadsdeel of buurtschap dat zich op het bijdragen aan de integrale kwaliteit van de buurt of wijk richt. Artikel2:34bRegels voor paracommerciële horecabedrijven 1.Een paracommerciële rechtspersoon geeft bij de aanvraag voor het verkrijgen van een vergunning tot uitoefening van het horecabedrijf nadere inlichtingen over de doelstelling van de paracommerciële rechtspersoon en de doelgroep waarop de rechtspersoon zich richt. De paracommerciële rechtspersoon verstrekt een afschrift van de statuten en het bestuursreglement als bedoeld in artikel 9, eerste lid Alcoholwet. 2.Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op : zondag tot en met woensdag vanaf 12.00 uur tot 1:00 uur; donderdag tot en met zaterdag vanaf 12:00 uur tot 2:00 uur; alle dagen van 10.00 tot 24.00 uur betreffende verzorgings- en verpleeghuizen; alle dagen van 12.00 tot 5.00 uur betreffende studentenverenigingen. 3.Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank verstrekken tijdens per jaar ten hoogste: drie bijeenkomsten van persoonlijke aard en die in totaal maximaal drie dagen per kalenderjaar in beslag nemen; drie bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn en die in totaal maximaal drie dagen per kalenderjaar in beslag nemen. 4.Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk 2 weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan melding aan de burgemeester. 5.de burgemeester kan ontheffing verlenen op het in het eerste lid gestelde verbod. Een dergelijke ontheffing kan gewijzigd of ingetrokken worden wanneer niet aan de gegeven voorwaarden of voorschriften is voldaan of wanneer sprake is van gewijzigde omstandigheden. 6.Paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de aanvraag om ontheffingen als bedoeld in dit artikel. Artikel2.34bbRegels voor commerciële inrichtingen in onderwijsgebouwen voor jongeren, waar jeugd- jongeren- en of sportorganisaties zijn gehuisvest of dienstdoen als buurthuis of wijkcentrum 1.Het is uitsluitend toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken in de periode van 12.00 uur tot 1.00 uur in een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, niet zijnde een paracommerciële inrichting, dat: deel uitmaakt van een gebouw dat in hoofdzaak gebruikt wordt om onderwijs te geven aan leerlingen die merendeels de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, of; deel uitmaakt van een gebouw dat in hoofdzaak in gebruik is bij één of meer jeugd- of jongerenorganisaties, of; deel uitmaakt van een gebouw dat in hoofdzaak in gebruik als buurthuis of als wijkcentrum is; deel uitmaakt van een gebouw dat in hoofdzaak in gebruik bij één of meer sportorganisaties of -instellingen is. 2.De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen op het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2:34cBeperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank. Artikel2:34d (vervallen in Wageningen) Artikel2:34e (Vervallen in Wageningen) Artikel2:34fVerbod ‘happy hours’ Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Artikel2.34gProeverijen in slijtlokaliteiten 1.Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2.De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld. Afdeling6 (vervallen in Wageningen) Afdeling7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel2.38a (vervallen in Wageningen) Artikel2:39Speelgelegenheden 1.In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning wanneer: naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:40Kansspelautomaten 1.In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan. 2.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel2:41Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel2:42Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voorzover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5.Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6.Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Artikel2:43 (vervallen in Wageningen) Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing wanneer de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel2:45 (vervallen in Wageningen) Artikel2:46 (vervallen in Wageningen) Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden op een openbare plaats zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 WvSr of artikel 5 Wvw 1994. Artikel2:48Verboden drankgebruik 1.De burgemeester kan gebieden/plaatsen aanwijzen, waarbinnen de houder van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27, verplicht is zodanige maatregelen te treffen dat de bezoekers geen glaswerk vanuit zijn openbare inrichting mee de openbare weg opnemen. 2.Bij evenementen met een massaal en/of buitenkarakter kan de burgemeester openbare inrichtingen gelegen aan of in de nabijheid van de evenementenlocatie verplichten tot het gebruik van spoelbare bekers van duurzame kunststof, en een statiegeldregeling. 3.Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, tijdens een door het college aangewezen periode, al dan niet aangebroken flessen, glazen, blikjes en dergelijke bij zich te hebben. Artikel2:49 (vervallen in Wageningen) Artikel2:50 (vervallen in Wageningen) Artikel2:51 (vervallen in Wageningen) Artikel2:52Overlast van fiets, scooter of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of een bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel2:53Bespieden van personen 1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden. 2.Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden. Artikel2:54 (vervallen) Artikel2:55 (vervallen) Artikel2:56 (vervallen) Artikel2:57Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; of buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen (de zogenaamde losloopplaatsen). 3.Het eerste lid aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond, die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden, of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel2:58Verontreiniging door honden 1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond, die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden, of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel2:59Gevaarlijke honden 1.Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.De eigenaar of de houder van de hond aan wie een aanlijn- en een muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel2:59aGevaarlijke honden op eigen terrein 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet wanneer: op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel2.59bOpsporen van munitie, wapens, munten of andere metalen met een metaaldetector 1.Het is verboden om met een metaaldetector in de bodem munitie, wapens, munten of andere metalen op te sporen. 2.Het verbod uit het eerste lid geldt niet als werkzaamheden worden verricht door of in opdracht van een publiekrechtelijke rechtspersoon of één van hun bestuursorganen. Het verbod geldt evenmin voor het met certificaat opsporen, doen van onderzoek, zoals in artikel 5.1 Erfgoedwet bedoeld. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel2.59cMagneetvissen 1.Het is verboden om in openbare wateren met een magneet te vissen dan wel anderszins met een magneet de waterbodem naar voorwerpen af te zoeken. 2.Het verbod uit het eerste lid geldt niet als de werkzaamheden worden verricht door of in opdracht van een publiekrechtelijke rechtspersoon of één van hun bestuursorganen. Het verbod geldt evenmin voor het met certificaat opsporen, doen van onderzoek, zoals in artikel 5.1 Erfgoedwet bedoeld. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel2:60 (vervallen in Wageningen) Artikel2:61 (vervallen) Artikel2:62 (vervallen in Wageningen) Artikel2:63 (vervallen in Wageningen) Artikel2:64Bijen 1.Het is verboden bijen te houden: binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2.Het verbod is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid. 4.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Gelderse wegenverordening. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 6.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:65Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats om geld of andere zaken te bedelen. Afdeling9. Bestrijding van heling van goederen Artikel2:66Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid WvSr. Artikel2:67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing, daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2.De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen 3.Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:68Voorschriften als bedoeld in artikel 437 Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel2:69 (vervallen) Artikel2:70 (vervallen) Afdeling10. Consumentenvuurwerk Artikel2:71Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. Artikel2:72 (vervallen in Wageningen) Artikel2:73Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 Wetboek van Strafrecht. Artikel2.73aCarbidschieten Het is verboden met carbid te schieten dan wel tot ontploffing te brengen. Artikel2.73bVerbod oplaten ballonnen 1.Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen; 2.Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, wensballon, papierballon, geluksballon, enzovoort. Afdeling11. (vervallen in Wageningen) Afdeling12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel2:75 (vervallen in Wageningen) Artikel2:76 (vervallen in Wageningen) Artikel2:77Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c Gemeentewet te besluiten tot plaatsing en gebruik van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De bepaalde duur betreft jaarlijks 4 en 5 mei. Artikel2:78Verblijfsontzegging 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4.De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel2:79Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- en geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Artikel2:80Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen 1.De burgemeester kan, wanneer dat naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw – niet zijnde een seksinrichting – of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2.De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht. 3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 4.Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw, erf, perceel of perceelsgedeelte of de ruimte waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. 5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw, erf, perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. 6.Op aanvraag van een belanghebbende kan: een sluiting voor onbepaalde duur door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden; een sluiting door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. Artikel2:81Tegengaan malafide ondernemersklimaat 1.In dit artikel wordt verstaan onder: exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2.De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(
- op)het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3.Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, eerste lid, kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. 5.De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; handelsregister bij de Kamer van Koophandel; indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 6.Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen als: door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan. 8.Als een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of als één van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en i. van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10.De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 11.De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 12.Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 13.De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 14.In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15.Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Hoofdstuk3.Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie en dergelijke Afdeling1. Algemene bepalingen Artikel3:1 (vervallen in Wageningen) Artikel3:2Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; n.v.t.; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is; bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 Gemeentewet, de burgemeester. Artikel3:2aNadere regels Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk. Afdeling2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel3:3Vergunning 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; het aantal werkzame prostituees; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksrichting door middel van een situatietekening met een schaal van ten minste 1:1000; de plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van ten minste 1:100; bewijs van inschrijving in het handelsregister; bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor een seksinrichting of escortbedrijf. 3.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3:4 (vervallen in Wageningen) Artikel3:5Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van de artikel 37 WvSr in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a WvSr ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a WvSr, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 273f,300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 WvSr; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 Wvw 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b Wet op de Kansspelen; de artikelen 2 en 3 Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a WvSr of artikel 76, derde lid onder a Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel3:6Sluitingstijden 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 0:00 en 6:00 uur. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn. 4.Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel3:7Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1.Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingstijden vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel3:8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat exploitant of de beheerder bedoeld in artikel 3:4, tweede lid onder a of b in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3:9Straatprostitutie 1.Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel uit te lokken. 2.Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Artikel3:10 (vervallen in Wageningen) Artikel3:11Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: Wanneer het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2.Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, Grondwet. Afdeling3. Beslistermijn, weigeringsgronden Artikel3:12Beslistermijn 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3:13Weigeringsgronden 1.De vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; of er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f WvSr of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2.Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; of de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Afdeling4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel3:14Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig artikel 3:4 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel3:15Wijziging beheer 1.Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. 3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Hoofdstuk4.Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel4:1Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 Activiteitenbesluit milieubeheer; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 Activiteitenbesluit milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel4:2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de gebieden zoals genoemd in de festiviteitenregeling. 4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.In het geval een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan het in de Uitvoeringsregels Evenementen aangegeven aantal dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) vanwege muziekcorrectie. Er wordt geen bedrijfsduurcorrectie toegepast op het geluidsniveau als bedoeld in het zesde lid. 8.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening- uiterlijk om 1.00 uur te worden beëindigd. Artikel4:2aMelding collectieve festiviteit: carnaval Het is een inrichting in de zin van de Alcoholwet toegestaan om gedurende drie dagen carnaval als collectiviteit te houden mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding bij het college heeft gedaan. Artikel4:3Melding incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan op maximaal vier dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding bij het college heeft gedaan. 2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vier dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een melding. 4.De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan het in de Uitvoeringsregels Evenementen aangegeven aantal dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening - uiterlijk om 1:00 uur beëindigd. 9.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel4:4 (vevallen) Artikel4:5Onversterkte muziek 1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d Besluit geluidhinder; bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2.Tabel 7.00-19.00 u. 19.00-23.00 u. 23.00-7.00 u. LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) 3.Voor de duur van 10 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4.Wanneer versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer toepassing. 5.Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3. Artikelen4:5a t/m e (vervallen in Wageningen) Artikel4:6Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening Gelderland. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4:6a (vervallen) Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel4:7Ondergrondse containers legen Het is verboden een voertuig ter hoogte van ondergrondse vuilniscontainers te parkeren als gevolg waarvan de afvalinzamelaar belemmerd wordt deze te legen. Artikel4:8Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel4:9Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling3 (vervallen in Wageningen) Afdeling4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel4:13Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale Milieuverordening Gelderland. Artikel4:14 (vervallen) Artikel4:15Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Artikel4:16 (Vervallen) Afdeling5. Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel4:17Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel4:18Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap; of een stadsgezicht. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4:19 (vervallen in Wageningen) Hoofdstuk5.Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling1. Parkeerexcessen en stopverbod Artikel5:1 (vervallen) Artikel5:2Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen of het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden of voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:3Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:4Defecte voertuigen en voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel5:5 (vervallen in Wageningen) Artikel5:6Kampeermiddelen en aanverwant 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, om langer op de weg binnen een door het college aangewezen gebied te staan 3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Gelderse wegenverordening. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:7Reclamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:8Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 4.Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 8.00 tot 18.00 uur. 5.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. 6.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:9Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1.Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2.Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. Artikel5:10 (vervallen) Artikel5:11Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2.Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling2. Collecteren Artikel5:13Inzameling van geld of goederen of leden- dan wel donateurwerving 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2.Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, wanneer daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: in besloten kring; door een instelling die is ingedeeld in het door het college voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt of door een andere, door het college aangewezen instelling. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling3. Venten Artikel5:14Definitie 1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2.Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, aanhef en eerste lid, onder g Gemeentewet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17. Artikel5:15Ventverbod 1.Het is verboden te venten op door het college aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 4.Het verbod is niet van toepassing op: situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 Wvw 1994; het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard. Afdeling4. Standplaatsen Artikel5:17Definitie 1.In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2.Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24. Artikel5:18Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd wanneer: de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, of een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:19 (vervallen in Wageningen) Artikel5:20 (vervallen in Wageningen) Artikel5:21 (vervallen) Afdeling5 (vervallen in Wageningen) Afdeling6. Openbaar water en waterstaatswerken Artikel5:24Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4.Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de Omgevingsverordening Gelderland of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel5:25Ligplaats vaartuigen 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de Wet milieubeheer, de Waterwet, de Omgevingsverordening Gelderland. 4.Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel5:26 (vervallen) Artikel5:27 (vervallen) Artikel5:28 (vervallen) Artikel5:29 (vervallen) Artikel5:30Veiligheid op het water 1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Rijnvaartpolitiereglement 1995, de Waterwet en de Omgevingsverordening Gelderland. Artikel5:31Overlast aan vaartuigen 1.Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Afdeling7 (vervallen in Wageningen) Afdeling8. Vuurverbod Artikel5:34Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voorzover geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden. 3.Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening Gelderland. 6.Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling9 (vervallen in Wageningen) Hoofdstuk6.Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel6:1Strafbepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2.In afwijking van lid 1 wordt overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen, gestraft met een geldboete van de eerste categorie: artikelen 2:21, 2:47, 2:48, 2:57, 2:58, 2:64, 4:6, 4:15, 5:11 en 5:13. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 en 2:11 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit en artikel 4:11 tweede lid. 4.In geval van overtreding van de krachtens artikel 3 lid 3 Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64 lid 1 Wet veiligheidsregio’s. Artikel6:2Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aangewezen personen. Artikel6:3Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel6:4Intrekking oude verordeningen en beleidsregels De volgende verordeningen worden met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken: de Algemene plaatselijke verordening 2014, wijziging 2020; de Drank en horecaverordening Wageningen en de Beleidsregels sluitingstijden voor horecabedrijven in de gemeente Wageningen 2006 tenzij er een inleidend verzoek tot het houden van een referendum is ingediend. Artikel6:5Overgangsbepaling in verband met de voorgaande verordening Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel6:6Overgangsbepaling in verband met de invoering van de Omgevingswet Deze verordening is vastgesteld op grond van de wetten en regels zoals deze luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Vanwege het overgangsrecht in verband met de invoering van Omgevingswet houdt deze verordening zijn werking. De overgangsbepalingen zullen tot en met 2029 van kracht zijn. Artikel6.7Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023. Artikel6:8Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Wageningen 2023. Alsdus vastgesteld in de vergadering van 30 januari 2023 van de raad van de gemeente Wageningen,de griffier,de voorzitter,Toelichting In deze toelichting op de APV-artikelen wordt per hoofdstuk een algemene toelichting gegeven. In de artikelsgewijze toelichting worden enkel die delen die (inhoudelijke) toelichting behoeven nader toegelicht. 1. Algemene toelichting Deze Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Wageningen 2023 vormt een geactualiseerde en bestendige voortzetting van de bepalingen uit de voorgaande APV. Deze APV is op de model-APV van de VNG gebaseerd. De bepalingen in de model-APV zijn grotendeels overgenomen. Daarmee ook de artikelnummering. In de model-APV zijn soms artikelen vervallen. Die staan in deze verordening ook als vervallen opgenomen. In geval van het niet opnemen van een artikel uit de model-APV in deze APV staat dat artikel als ‘vervallen in Wageningen’ vermeld. De APV kent een aantal wettelijke grondslagen. Die staan hieronder opgesomd. Wettelijke grondslag Model-APV artikel 149 Gemeentewet algemene verordenende bevoegdheid artikel 149a Gemeentewet (binnentreden woningen) artikel 6:3 artikel 151a Gemeentewet (prostitutie) hoofdstuk 3 artikel 151b Gemeentewet (veiligheidsrisicogebied) artikel 2:76 artikel 151c Gemeentewet (cameratoezicht) artikel 2:77 artikel 151d Gemeentewet (woonoverlast) artikel 2:79 artikel 154 Gemeentewet (strafbepaling) artikel 6:1 artikel 154a Gemeentewet (bestuurlijke ophouding) artikel 2:75 artikelen 3 en 4 Wom (kennisgeving samenkomst/betoging) artikel 2:3 artikel 4 Alcoholwet artikel 2:34b artikelen 25a, 25b, 25c en 25d Alcoholwet artikelen 2:34c tot en met 2:34f artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, Activiteitenbesluit milieubeheer hoofdstuk 4, afdeling 1 artikel 30c, tweede lid, Wok (aantal kansspelautomaten) artikel 2:40 artikel 3 Wtw (vrijstelling/ontheffing winkeltijden) artikel 5:15 artikel 2a WVW 1994 (verordenende bevoegdheid) hoofdstuk 5, afdeling 1 artikel 64, tweede lid, Wet veiligheidsregio’s (facultatief) artikel 6:1, vierde lid Provinciale wegenverordening of provinciaal wegenreglement In een aantal artikelen in de APV wordt de grens afgebakend tussen de APV en andere regelingen. Soms is die andere regeling een provinciale verordening of een provinciaal reglement voor de provinciale wegen. Vergunning, ontheffing of melding; schaarste In de APV komen drie toestemmingsstelsels voor: een ontheffingsstelsel; een vergunningstelsel; een meldingsstelsel. Bij een ontheffingsstelsel geldt een verbod om een bepaalde activiteit uit te voeren. In uitzonderlijke gevallen is daarop een ontheffing mogelijk. Er kan sprake zijn van schaarste (meer aanvragen dan het aantal ontheffingen dat wordt verleend). Bij een vergunningstelsel geldt in beginsel een verbod, maar bestaat er in het algemeen geen bezwaar tegen de activiteit. De gemeente wil de regie op de activiteiten houden. Zij kan ook het aantal beschikbare vergunningen beperken. In dat geval kan er sprake zijn van schaarste. Als sprake is van schaarse ontheffingen of vergunningen gelden bepaalde verdelings- en procedurevoorschriften. Zie hiervoor de VNG Handreiking voor gemeenten ‘Schaarse vergunningen’, november 2018, en de toelichting hieronder. Bij een meldingsstelsel bestaat er al dan niet een verbod, maar bestaat er geen bezwaar tegen de activiteit als zodanig. Om grip en regie te houden, stelt de gemeente een melding verplicht. Er kan dan geen sprake zijn van schaarste, want elke melding die aan de voorschriften voldoet, wordt geaccepteerd. Juridisch karakter van een melding In januari 2015 heeft de Afdeling rechtspraak van de Raad van State haar rechtspraak rond meldingsstelsels aangepast. Beknopt samengevat komt de wijziging er op neer dat alleen een meldingsstelsel beheerst door algemene regels en waarbij niet is voorzien in enige reactie van het bestuursorgaan niet leidt tot een appellabel besluit. In andere gevallen leidt de weigering of acceptatie, dan wel het uitblijven of niet-tijdig reageren door het bestuursorgaan tot een appellabel besluit. Zie ABRvS 14-1-2015, ECLI:NL:RVS:2015:14 (Leeuwarden-Lekkum) en ABRvS 14-1-2015, ECLI:NL:RVS:2015:36 (Stein-Elsloo). De Afdeling volgt hiermee de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven over meldingsstelsels (ABRvS 12-11-2014, ECLI:NL:RVS:2014:4116). Zie over meldingenstelsels verder ook (onder meer) ABRvS 17-6-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1884, ABRvS 24-6-2015, ECLI:NL:RVS:2015:1965, ABRvS 18-5-2016, ECLI:NL:RVS:2016:1309 en ABRvS 25-1-2017, ECLI:NL:RVS:2017:164. Lex silencio positivo In artikel 4:20a, eerste lid Awb is bepaald dat paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) bij wettelijk voorschrift van toepassing verklaard kan worden. In dat geval geldt dat als het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking beslist, de gevraagde beschikking van rechtswege is gegeven. Het doel hiervan is vermindering van regeldruk en verbetering van de dienstverlening aan bedrijven en burgers. Afdeling 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is: van toepassing op aanvragen om vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 2:6, 2:9, 2:10, 2:11, 2:63, 2:64, 2:67, 4:11, 5:6, 5:7, 5:8, 5:13, 5:23 en 5:36. niet van toepassing op aanvragen om vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 2:1, 2:22, 2:25, 2:26, 2:28, 2:29, 2:39, 2:45, 2:60, 2:72, 4:6, 4:18, 5:2, 5:3, 5:11, 5:15, 5:18, 5:33 en 5:34. De toepasselijkheid van de lex silencio positivo kan ook volgen uit een wet in formele zin. Zo volgt toepasselijkheid van de lex silencio positivo op aanvragen om omgevingsvergunningen bijvoorbeeld uit artikel 3.9, derde lid Wabo en geldt op grond van artikel 28, eerste lid Dienstenwet dat de lex silencio positivo van toepassing is op aanvragen om vergunningen die onder de reikwijdte van de Dienstenwet vallen. Daar waar toepasselijkheid van de lex silencio positivo reeds uit de wet voortvloeit, wordt dit in de APV (de artikelen 2:10, 2:11, 4:11 en 5:23) niet herhaald. Wel wordt dan in de artikelsgewijze toelichting opgemerkt dat de lex silencio positivo van toepassing is. Daarnaast zijn er ook enkele bepalingen (de artikelen 2:25, 2:29, 2:39, 2:72, 5:2, 5:3, 5:15 en 5:18) waarin de toepasselijkheid van de lex silencio positivo uitdrukkelijk wordt uitgezonderd. Dit geldt voor gevallen waarin de lex silencio positivo op grond van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet van toepassing zou zijn, maar er dwingende redenen van algemeen belang zijn om daar een uitzondering op te maken. De dwingende redenen van algemeen belang die een uitzondering op de toepasselijkheid van de lex silencio positivo rechtvaardigen, worden in de artikelsgewijze toelichting bij die bepalingen gegeven. Voor zover de toepasselijkheid van de lex silencio positivo niet reeds uit de wet voortvloeit, maar het toch wenselijk is te voorzien in een positieve beschikking van rechtswege bij het niet tijdig beslissen op een aanvraag tot het geven van een beschikking, is de lex silencio positivo op verschillende plaatsen in de APV van toepassing verklaard. Dit geldt voor de artikelen 2:6 en 2:9 tot en met 2:11 voor zover het gaat om activiteiten die niet onder de Wabo vallen (voor activiteiten die wel onder de Wabo vallen verklaart die wet de lex silencio positivo immers al van toepassing), en de artikelen 2:63, 2:64, 2:67, 5:6 tot en met 5:8, 5:13 en 5:36. De redenen voor het van toepassing verklaren van de lex silencio positivo worden in de artikelsgewijze toelichting bij die bepalingen gegeven. In gevallen waarin de lex silencio positivo niet reeds op grond van de wet van toepassing is en er evenmin redenen zijn om deze van toepassing te verklaren in de APV, is niets bepaald. Dit geldt voor de artikelen 2:1, 2:22, 2:45, 2:60, 4:6, 4:18, 5:11, 5:33 en 5:34. Ingevolge artikel 4:20a, eerste lid, Awb, geldt de lex silencio positivo immers alleen als dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Met de invoering van de Omgevingswet vervalt deze bepaling. 2. Artikelsgewijze toelichting In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die slechts op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de definities kan het volgende worden opgemerkt. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom. Voor het begrip ‘bebouwde kom’ kan aangesloten worden bij de aanwijzing van Gedeputeerde Staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Ook is het mogelijk om de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus mee gepubliceerd worden. Een ander, praktisch alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a WVW 1994. Bevoegd gezag Met het begrip ‘bevoegd gezag’ wordt aangehaakt bij de Wabo. Die is van toepassing op de omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (artikel 2:11) en de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder d Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid, onder g Wabo. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k Wabo. Zie verder de toelichting bij artikel 2:10. De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college, maar bij Gedeputeerde Staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10, 2:11 en 4:11. Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term ‘bevoegd bestuursorgaan’ voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering. Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel 1.1, eerste lid Bouwverordening Wageningen 1993, herziening 2018: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op