← Nederland

Omgevingsverordening Zuid-Holland (Zuid-Holland)

In het kort

Deze verordening stelt samenhangende, overzichtelijke en gebruiksvriendelijke regels vast voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland, met het oog op duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid en milieubescherming. Het reguleert activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor deze leefomgeving.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Omgevingsverordening Zuid-HollandProvinciale staten van Zuid-Holland, Gelezen het voorstel van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 22 januari 2019, PZH-nummer (PZH-2019-677696264); Gelet op de Al

Artikel3

.12Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over krachtens deze verordening nieuwe of uit te breiden bestemmingen. Artikel3.13Oogmerk Deze afdeling is gericht op een goede ruimtelijke ordening en het voorkomen dat het betrokken plangebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van een krachtens hoofdstuk 6 te verwezenlijken doel, zolang geen bestemmingsplan in werking is getreden overeenkomstig dat hoofdstuk. §3.2.2Geitenhouderij Artikel3.14Verbod geitenhouderij 1.Het is verboden om: een geitenhouderij te vestigen als hoofdtak of als neventak; nieuwe bebouwing op te richten of bestaande bebouwing in gebruik te nemen ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt. 2.Het verbod geldt voor een gebied totdat voor dat gebied een onherroepelijk bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 6.18 eerste lid, onder k. § 3.2.3 Afwijkingsmogelijkheid Artikel 3.14a Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk In relatief beperkte mate kan worden afgeweken van de regels in deze afdeling, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende regels. Afdeling 3.3 Activiteiten op provinciale infrastructuur §3.3.

Artikel3

.15Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het gebruik van provinciale infrastructuur, anders dan overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer, en anders dan door of in opdracht van gedeputeerde staten. Artikel3.16Oogmerk Deze afdeling is gericht op: het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale infrastructuur overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer; en het beschermen van de provinciale infrastructuur, met inbegrip van het belang van het onderhoud of de wijziging daarvan. Artikel3.17Bevoegd gezag 1.Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag: waaraan een melding wordt gedaan; dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; dat beslist op een aanvraag om een vergunning; of dat beslist op een aanvraag om een gelijkwaardige maatregel. 2.Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. §3.3.2Activiteiten provinciale infrastructuur Artikel3.18Zorgplicht voor infrastructuur 1.Degene die gebruik maakt van provinciale infrastructuur, anders dan overeenkomstig de functie daarvan, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de infrastructuur verontreinigt, verandert of beschadigt, of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.16, is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2.Deze plicht houdt in ieder geval in dat: het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale infrastructuur wordt verzekerd; alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen; houtgewas, bomen of takken van bomen worden zodanig geplaatst of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken. Artikel3.19Veranderen van het werk of werken maken of behouden 1.Het is verboden zonder vergunning gebruik te maken van provinciale infrastructuur, door: de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de weg of de vaarweg te veranderen, of werken te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen. 2.Gedeputeerde staten kunnen over de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, regels stellen. Deze regels kunnen mede strekken tot: vrijstelling van het verbod; het opleggen van de verplichting om met inachtneming van daarbij te stellen regels melding te doen van de activiteit; het opleggen van de verplichting om opgave te doen van gegevens en bescheiden; of het voldoen aan maatwerkvoorschriften voor de activiteit. 3.Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot kabels en leidingen is afdeling 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet. Artikel3.20Vaste stoffen of voorwerpen plaatsen en houtgewas 1.Het is verboden zonder vergunning gebruik te maken van provinciale infrastructuur door daarop, daarin, daarover of daaronder, vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. 2.Het is verboden zonder vergunning op wegen houtgewas te beplanten, te behouden of te vellen. 3.Gedeputeerde staten kunnen over de activiteiten, bedoeld in het eerste lid en tweede lid, regels stellen. Deze regels kunnen mede strekken tot: vrijstelling van het verbod; het opleggen van de verplichting om met inachtneming van daarbij te stellen regels melding te doen van de activiteit; het opleggen van de verplichting om opgave te doen van gegevens en bescheiden; of het voldoen aan maatwerkvoorschriften voor de activiteit. Artikel3.21Stremmen of belemmeren van de scheepvaart Het is verboden zonder vergunning het verkeer op een vaarweg geheel of gedeeltelijk te stremmen of te belemmeren. Artikel3.22Schepen met afwijkende afmetingen Het is verboden zich zonder vergunning op een provinciale vaarweg te bevinden met een schip dat niet voldoet aan de krachtens artikel 4.3, tweede lid, gestelde regels. Artikel3.23Ligplaats innemen 1.Het is verboden zonder vergunning met een schip of een drijvend bouwsel, anders dan op een krachtens verkeersbesluit daarvoor blijkens een aanduiding ter plaatse bestemde locatie, ligplaats in te nemen, te meren of te ankeren in een vaarweg. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op kort verblijf aan een particuliere oever in een vaarstrook of een veiligheidsstrook. 3.Gedeputeerde staten kunnen over de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, regels stellen met het oog op de functies, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid. Deze regels kunnen mede strekken tot: vrijstelling van het verbod; het opleggen van de verplichting om met inachtneming van daarbij te stellen regels melding te doen van de activiteit; het opleggen van de verplichting om opgave te doen van gegevens en bescheiden; of het voldoen aan maatwerkvoorschriften voor de activiteit. Artikel3.24Standplaats innemen Het is verboden zonder vergunning met daarvoor bestemde middelen standplaats in te nemen op, onder, over, boven of langs een weg ten behoeve van handel of bedrijf. Afdeling 3.4 Activiteiten in milieubeschermingsgebieden §3.4.

Artikel3

.25Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over activiteiten in milieubeschermingsgebieden zijnde de stiltegebieden, bedoeld in artikel 2.4 en de milieubeschermingsgebieden voor grondwater, bedoeld in artikel 2.

  1. Artikel3.26Oogmerk Deze afdeling is gericht op de in artikel 1.2 , tweede lid, van de Wet milieubeheer bedoelde: bescherming van de kwaliteit van grondwater met het oog op de waterwinning in de gebieden die zijn aangewezen krachtens artikel 2.3,en op het voorkomen of beperken van geluidhinder in de gebieden die zijn aangewezen krachtens artikel 2.
  2. Artikel3.27Bevoegd gezag Bevoegd voor ontheffingen van bepalingen van deze afdeling zijn gedeputeerde staten. §3.4.2Milieubeschermingsgebieden voor grondwater [Gereserveerd] §3.4.3Stiltegebieden Artikel3.28Zorgplicht voor stiltegebieden Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een stiltegebied de rust op significante wijze kan worden verstoord, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten, behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die verstoring te voorkomen of te beperken. Artikel3.29Verbod toestellen 1.Het is verboden zonder ontheffing een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord. 2.Tot een toestel als bedoeld in het eerste lid behoren in ieder geval: een airgun en andere knalapparatuur; een toestel om geluid elektrisch versterkt voort te brengen, waaronder een muziekinstrument en een omroepinstallatie; een modelvliegtuig, modelboot en een modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; en een schietwapen. Artikel3.30Verbod rijden motorrijtuig Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied met een motorrijtuig te rijden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. Artikel3.31Verbod toertocht motorrijtuigen 1.Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied een toertocht voor motorrijtuigen te houden. 2.Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied deel te nemen aan een toertocht voor motorrijtuigen. Artikel3.32Verbod waterscooter en snelle motorboot 1.Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied met een waterscooter te varen. 2.Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied met een snelle motorboot sneller te varen dan 9 km/h. Artikel3.33Uitzonderingen 1.Het in artikel 3.29, eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor het gebruik van: een toestel op een plaats in een ingevolge artikel 6, onderdeel c, van het Besluit geluid milieubeheer aangewezen stil gebied; een toestel in een woning, de tuin daarvan of een ander bij die woning behorend gebouw, onder de voorwaarde dat het toestel niet hoorbaar is op een afstand van 50 m van dat toestel; een schietwapen indien dat wordt gebruikt: ingeval het een noodseinmiddel betreft: ingeval van nood; met inachtneming van de Wet natuurbescherming.
  3. De in de artikelen 3.29, eerste lid, en 3.30 gestelde verboden gelden niet voor zover het gebruik van een toestel of het rijden met een motorrijtuig rechtstreeks verband houdt met: de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; de openbare drinkwater- of energievoorziening; de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken dan wel werken van telecommunicatie; het bouwen of het onderhoud van gebouwen; de bescherming, het onderhoud of het beheer van een gebied.
  4. De in de artikelen 3.29, eerste lid, 3.30 en 3.32, eerste lid, gestelde verboden gelden niet voor zover het gebruik van een toestel, het rijden met een motorrijtuig of het varen met een waterscooter of een snelle motorboot: rechtstreeks verband houdt met de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; wordt verricht door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie.
  5. Het in artikel 3.30 gestelde verbod geldt niet voor het rijden in een gehandicaptenvoertuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, dat wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte.
  6. De in de artikelen 3.31, eerste lid, en 3.32, eerste lid, gestelde verboden gelden niet voor motorrijtuigen, waterscooters of snelle motorboten die elektrisch worden aangedreven. Afdeling 3.5 Ontgrondingen op land en in regionale wateren §3.5.

Artikel3

.34Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over ontgrondingen op land en in regionale wateren, met uitzondering van ontgrondingen die hoofdzakelijk plaatsvinden ter verkrijging van oppervlaktedelfstoffen. Artikel3.35Oogmerk Deze afdeling is gericht op de doelen van artikel 1.3. §3.5.2Ontgrondingen Artikel3.36Vrijstellingen ontgrondingen Het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet geldt niet voor de volgende categorieën van ontgrondingen die worden verricht voor: het aanbrengen, vervangen, wijzigen, onderhouden of opruimen van buizen, palen of kabels met toebehoren; het egaliseren van percelen met hoogteverschillen van niet meer dan 0,25 m; de normale uitoefening van het land-, tuin- en bosbouwbedrijf; het geschikter maken van gronden voor de bollenteelt waarbij de hoogte van het maaiveld ongewijzigd blijft en sprake is van een gesloten grondbalans; het doen van archeologische opgravingen door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed of een andere instelling die voor het doen van de opgraving in het bezit is van een vergunning krachtens de Monumentenwet 1988 of een certificaat krachtens de Erfgoedwet; de uitvoering van een bodemsanering in eigen beheer, indien die sanering wordt begeleid door het bevoegd gezag; het realiseren van natuurbouwprojecten waarbij niet meer dan 10.000 m³ bodemmateriaal vrijkomt; het maken, wijzigen, verwijderen en onderhouden van bouwwerken, kunstwerken en hun funderingen; het afgraven van depots van bodemmateriaal, tenzij deze langer dan tien jaar geleden geheel of gedeeltelijk zijn gebruikt voor het deponeren of verkrijgen van bodemmateriaal; het aanleggen, onderhouden, verhogen, verzwaren van waterstaatswerken, waarbij de diepte van de ontgronding niet meer dan 3 m beneden het maaiveld bedraagt; het aanleggen, onderhouden, verruimen en verdiepen van havens en daarin gelegen kunstwerken binnen de Maasvlakte waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 9 in bijlage II. Gedeputeerde staten zijn bevoegd het gebied Maasvlakte, te wijzigen, voor zover dit in overeenstemming is met een onherroepelijk bestemmingsplan voor het gebied Maasvlakte 2; het oprichten en veranderen van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer, bestemd tot het op of in de bodem brengen van afvalstoffen, inclusief de inrichtingen die vallen onder categorie 28 zoals genoemd in Bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht voor zover het terrein niet meer dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld wordt afgegraven; de uitvoering van een bestemmingsplan voor zover de bedoelde werken passen in het vigerende bestemmingsplan en het terrein niet meer dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld wordt afgegraven; of de activiteit op grond van een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het terrein niet meer dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld wordt afgegraven. Afdeling 3.6 Bodemsanering §3.6.

Artikel3

.37Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming. Artikel3.38Oogmerk Deze afdeling is gericht op de bescherming van het milieu, in het bijzonder van de bodem. Artikel3.39Nadere regels gegevens en bescheiden Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen voor de verstrekking van gegevens in verband met: een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming; de resultaten van een onderzoek met betrekking tot de kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onder a, van de Wet bodembescherming; de resultaten van een nader onderzoek; een beoordeling van de reinigbaarheid of immobiliseerbaarheid van de verontreinigde grond als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onder f, van de Wet bodembescherming; een saneringsonderzoek; een saneringsplan en een wijziging daarvan; een evaluatieverslag; of een nazorgplan. §3.6.2Bodemsanering Artikel3.40Meldingsplichten 1.Degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering bij gedeputeerde staten de aanvangsdatum van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering. 2.Indien de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering niet zal worden gestart op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, meldt degene, bedoeld in het eerste lid, dit onverwijld aan gedeputeerde staten, onder opgave van de gewijzigde aanvangsdatum. Indien de gewijzigde aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon deze aanvangsdatum minimaal twee weken voor deze datum aan gedeputeerde staten. 3.Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de in het eerste lid bedoelde persoon uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het hele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan gedeputeerde staten van dat tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte. 4.De in het eerste lid bedoelde persoon meldt de beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering binnen een week na beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering aan gedeputeerde staten. 5.Indien sprake is van een grondsanering, respectievelijk grondwatersanering waarbij door gedeputeerde staten is ingestemd met een gefaseerde aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging binnen een week aan gedeputeerde staten gemeld. 6.Indien de in het eerste lid bedoelde persoon niet degene is die het saneringsplan heeft ingediend, geldt een in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van dit artikel bedoelde verplichting tot melding niet indien degene die het saneringsplan heeft ingediend, die melding overeenkomstig het betreffende lid heeft gedaan. Artikel3.41Evaluatieverslag Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan. Afdeling 3.7 Activiteiten bij gesloten stortplaatsen §3.7.

Artikel3

.42Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over activiteiten in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd. Artikel3.43Oogmerk Deze afdeling is gericht op: de bescherming van het milieu tegen nadelige gevolgen veroorzaakt door gesloten stortplaatsen; de goede uitvoering van de zorg voor gesloten stortplaatsen, waaronder: de bereikbaarheid van de voorzieningen ter bescherming van de bodem te garanderen; te voorkomen dat de werking van de voorzieningen nadelig wordt beïnvloed; en te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd. Artikel3.44Bevoegd gezag Bevoegd voor ontheffingen van bepalingen van deze afdeling zijn gedeputeerde staten. §3.7.2Activiteiten bij gesloten stortplaatsen Artikel3.45Verboden activiteiten 1.Het is verboden zonder ontheffing in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd: een werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit te maken of te behouden; stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; andere dan de onder a of b bedoelde activiteiten te verrichten indien die activiteiten schadelijk zijn voor de voorzieningen of de werking daarvan. 2.De verboden, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing op: de totstandkoming en de werking van voorzieningen; activiteiten die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan. Afdeling 3.8 Ontgassen van binnenschepen §3.8.

Artikel3

.46Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het ontgassen van binnenschepen tijdens de vaart. Artikel3.47Oogmerk Deze afdeling is gericht op de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bescherming van de volksgezondheid. Artikel3.48Bevoegd gezag Bevoegd voor ontheffingen van bepalingen van deze afdeling zijn gedeputeerde staten. Artikel3.49Nadere regels Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen. Deze kunnen mede inhouden een vrijstelling van de verboden in deze afdeling. §3.8.2Ontgassen van binnenschepen Artikel3.50Verbod benzeen Het is de vervoerder en de schipper verboden zonder ontheffing tijdens de vaart een ladingtank met restladingdampen van benzeen (UN-nummer 1114) vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen. Artikel3.51Verbod benzeenhoudende koolwaterstoffen Het is de vervoerder en de schipper verboden zonder ontheffing tijdens de vaart een ladingtank met restladingdampen van: ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN 1267); aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268); brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863); brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993); of koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295) vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen. Artikel3.52Verbod aangewezen stoffen 1.Het is de vervoerder en de schipper vanaf een door gedeputeerde staten te bepalen tijdstip verboden zonder ontheffing tijdens de vaart een ladingtank met restladingdampen van door gedeputeerde staten aangewezen stoffen vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen. 2.Zodra gedeputeerde staten toepassing geven aan het eerste lid, doen gedeputeerde staten hiervan mededeling door overlegging van het besluit aan provinciale staten. Artikel 3.53 Uitzonderingen De verboden, bedoeld in de artikelen 3.50 tot en met 3.52 zijn niet van toepassing, indien kan worden aangetoond dat: de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als bedoeld in de artikelen 3.50 tot en met 3.52, of; de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in de artikelen 3.50 tot en met 3.52. Afdeling 3.9 Flora- en fauna activiteiten en Natura 2000-activiteiten §3.9.

Artikel3

.55Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over flora- en fauna activiteiten en Natura 2000-activiteiten. Artikel3.56Oogmerk Deze afdeling is gericht op het zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, gelet op de intrinsieke waarde, dierenwelzijn, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid. Artikel3.57 Gereserveerd Artikel3.58Bevoegd gezag Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag: dat beslist op de aanvraag om een ontheffing; waaraan een melding wordt gedaan. §3.9.2Nestbehandeling vogels Artikel3.59Vrijstelling nestbehandeling vogels 1.Op grond van de mogelijkheid van artikel 3.3, tweede lid, in samenhang met artikel 3.15, van de Wet natuurbescherming, is het de grondgebruiker op de door hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen toegestaan om van de in de bijlage III aangewezen vogels en kruisingen daarvan opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, in het belang van: de volksgezondheid en openbare veiligheid als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 1° van de Wet natuurbescherming; de veiligheid van het luchtverkeer als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 2° van de Wet natuurbescherming; of de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 3° van de Wet natuurbescherming. 2.De handelingen als bedoeld in het eerste lid worden uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften in bijlage IV en het faunabeheerplan. Artikel3.60Melding en rapportage uitvoering vrijstellingen nestbehandelling De grondgebruiker, dan wel degene die handelt op basis van een toestemming als bedoeld in artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming, maakt melding van en rapporteert over de in artikel 3.59 genoemde activiteiten op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze. §3.9.3Directe schadebestrijding Artikel3.61Vrijstelling directe schadebestrijding 1.Op grond van de mogelijkheid van artikel 3.3, tweede lid, in samenhang met artikel 3.15, van de Wet natuurbescherming, is het de grondgebruiker toegestaan om de in de bijlage III aangewezen vogels en kruisingen daarvan opzettelijk te doden en te vangen in het belang van: de volksgezondheid en openbare veiligheid als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 1° van de Wet natuurbescherming; de veiligheid van het luchtverkeer als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 2° van de Wet natuurbescherming; de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 3° van de Wet natuurbescherming; of de bescherming van flora of fauna als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 4° van de Wet natuurbescherming. 2.Op grond van artikel 3.8, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, is het de grondgebruiker toegestaan om de in de bijlage III aangewezen Habitatrichtlijnsoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren in het belang van: de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, en onder 1° van de Wet natuurbescherming; de voorkoming van ernstige schade aan gewassen en veehouderijen als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, en onder 2° van de Wet natuurbescherming; of de volksgezondheid of de openbare veiligheid als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, en onder 3° van de Wet natuurbescherming. 3.Op grond van artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, is het de grondgebruiker toegestaan om de in de bijlage III aangewezen andere beschermde soorten opzettelijk te doden of te vangen in het belang van: de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, en onder 1° van de Wet natuurbescherming; de voorkoming van ernstige schade aan gewassen en veehouderijen als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, en onder 2° van de Wet natuurbescherming; de volksgezondheid of de openbare veiligheid als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, en onder 3° van de Wet natuurbescherming; of de voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade op sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen. 4.Uitvoering van de handelingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de voorschriften in bijlage IV en het faunabeheerplan. 5.Bij het doden en vangen van dieren als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan uitsluitend gebruik worden gemaakt van de middelen: geweren, haviken, slechtvalken, woestijnbuizerds, honden, niet zijnde lange honden of slag-, snij- of steekwapens. 6.Slag-, snij- of steekwapens als genoemd in het vijfde lid mogen uitsluitend gebruikt worden voor het doden van gewonde dieren. 7.Krachtens artikel 3.25, vierde lid, onderdeel b in samenhang met artikel 3.24, vierde lid, van de Wet natuurbescherming en in afwijking van artikel 3.16, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit natuurbescherming en onverminderd het vierde lid, is het toegestaan om, voor de in de bijlage III aangewezen soorten, de handelingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid uitsluitend uit te voeren gedurende de periode vanaf een half uur voor zonsopgang tot een half uur na zonsondergang. 8.De handelingen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden uitsluitend uitgevoerd op de door de grondgebruiker gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied. 9.Tenzij sprake is van het duurzaam beheer van populaties als bedoeld in artikel 6.4, mag het vangen of doden van dieren als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, slechts plaatsvinden nadat de in het faunabeheerplan opgenomen passende en doeltreffende preventieve maatregelen zijn ingezet overeenkomstig de beschrijving in het faunabeheerplan. 10.De ingewanden van de op grond van dit artikel bemachtigde dieren mogen in het veld worden achtergelaten. Voor het overige dienen de bemachtigde dieren, alsmede delen daarvan, te worden verwijderd uit het veld. Artikel3.62Melding en rapportage uitvoering vrijstellingen schadebestrijding De grondgebruiker, dan wel degene die handelt op basis van een toestemming als bedoeld in artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming, maakt melding van en rapporteert over de in artikel 3.50 genoemde activiteiten op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze. §3.9.4Vrijstelling overige beschermde soorten Artikel3.63Vrijstelling voor beheer, onderhoud, inrichting of ontwikkeling van gebieden 1.De verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, gelden niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; bestendig beheer of onderhoud in de land- of bosbouw; bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. 2.De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de in bijlage III genoemde andere beschermde soorten. §3.9.5Houtopstanden en herbeplanting Artikel3.64Melding bij vellen houtopstand 1.De velling van een houtopstand wordt ten minste één maand en ten hoogste veertien maanden voor de velling gemeld. 2.De melding wordt via een daartoe vastgesteld digitaal formulier ingediend.

  1. De melding gaat vergezeld van een compensatieplan indien herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming op dezelfde locatie niet mogelijk is.
  2. De datum waarop de daadwerkelijke velling aanvangt wordt minimaal 24 uur daaraan voorafgaand doorgegeven aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Artikel3.65Vrijstellingen meldingsplicht De volgende activiteiten zijn vrijgesteld van de verplichting tot melden, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming: het kappen van verjongingsgaten, indien: deze per verjongingsgat niet groter zijn dan drie maal de boomhoogte met een maximum van 0,25 ha; deze nieuwe verjongingsgaten gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van de houtopstand; dit maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt; en in de oude verjongingsgaten is voldaan aan de plicht tot herbeplanting zoals benoemd in artikel 4.3 van de Wet Natuurbescherming. het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurherstel, indien de te verwijderen houtopstand ontstaan is als gevolg van achterstallig onderhoud. Artikel3.66Eisen aan herbeplanting
  3. Van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming is sprake indien: de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte; de herbeplanting kwalitatief en kwantitatief minimaal in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of anderszins tenietgegane houtopstand; en de te herplanten houtopstand, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand met minimaal een vergelijkbare bosstructuur als de gekapte opstand.
  4. De herbeplanting is ook mogelijk via spontane natuurlijke verjonging indien daarmee aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden wordt voldaan en de bodemopbouw zoveel mogelijk intact wordt gelaten. Artikel3.67Vrijstellingen herbeplantingsplicht De volgende activiteiten zijn vrijgesteld van de verplichting tot herbeplanten, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming: het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurmaatregelen; mits de houtopstanden ontstaan zijn als gevolg van achterstallig onderhoud en niet zijn ontwikkeld in het kader van een plicht tot herbeplanting; het op natuurlijke wijze tenietgaan van houtopstanden indien dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen. Artikel3.68Ontheffing van herbeplantingsplicht op dezelfde grond
  5. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot herbeplanting van dezelfde grond als bedoeld in artikel 4.3, eerste en tweede lid, van de Wet natuurbescherming, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de andere grond: onbeplant is en vrij is van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming; vrij is van (natuur)compensatieverplichtingen; geen wettelijke of provinciale doelstelling kent die aan de herbeplanting in de weg staat; en buiten de bebouwde kom houtopstanden is gelegen.
  6. Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing als bedoeld in het eerste lid voor herbeplanting binnen het Natuurnetwerk Nederland, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, indien de tenietgegane houtopstand buiten het Natuurnetwerk Nederland is gelegen.
  7. Indien de tenietgegane houtopstand is gelegen buiten recreatiegebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, verlenen Gedeputeerde Staten slechts ontheffing als bedoeld in het eerste lid voor herbeplanting binnen recreatiegebied indien de oppervlakte van de herbeplanting ten minste twee keer zo groot is als de tenietgegane houtopstand.
  8. Indien de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, groen erfgoed of bosreservaat,waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 23 in bijlage II, kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing als bedoeld in het eerste lid slechts verlenen indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: er zijn geen alternatieve oplossingen; en de velling is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.
  9. Indien de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, groen erfgoed of bosreservaat, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 23 in bijlage II en voor wat groen erfgoed betreft beschreven in de toelichting van deze verordening, en de herbeplanting plaatsvindt op andere grond, kunnen Gedeputeerde Staten het vellen van de houtopstand verbieden tot het moment waarop de omgevingsvergunning voor de ontwikkeling ter plaatse van de te vellen houtopstand onherroepelijk is geworden. Artikel3.68aAfwijken in het belang van evenwichtige besluitvorming Gedeputeerde staten kunnen de bepalingen van § 3.9.5 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, naar hun oordeel tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden. §3.9.6Activiteiten met gevolgen voor Natura 2000-gebieden Artikel3.69Vrijstelling Natura-2000-gebieden [vervallen] HOOFDSTUK4LEEFOMGEVINGSKWALITEIT §4.1Omgevingswaarden Artikel4.1Veiligheidsnorm regionale waterkeringen 1.Dit artikel gaat over regionale waterkeringen in beheer van de waterschappen zoals aangewezen in artikel 2.
  10. 2.Op kaart 3 in bijlage II is voor de betreffende regionale waterkering of voor elk deel daarvan een veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar. 3.Gedeputeerde staten stellen een technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor het waterschap. 4.Gedeputeerde staten stellen voorschriften vast voor de door het waterschapsbestuur te verrichten beoordeling van het waterkerend vermogen van de regionale waterkeringen en stellen ten behoeve van die beoordeling de maatgevende hoogwaterstanden vast. 5.Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het waterschapsbestuur, het tijdstip vast waarop de verschillende regionale waterkeringen moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het tweede lid. Artikel4.2Normen bergings- en afvoercapaciteit regionale wateren 1.Dit artikel gaat over regionale wateren in beheer van de waterschappen. 2.Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom als norm een gemiddelde kans op overstroming van: 1/100 per jaar voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, met uitzondering van glastuinbouw; 1/50 per jaar voor glastuinbouw; 1/10 per jaar voor het overige gebied. 3.Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom als norm een gemiddelde kans op overstroming van: 1/100 per jaar voor hoofdinfrastructuur en spoorwegen; 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; 1/25 per jaar voor akkerbouw; 1/10 per jaar voor grasland, gedurende de periode van 1 maart tot 1 oktober. 4.Voor bebouwing gelegen buiten de bebouwde kom geldt de norm van het omringend landgebruik genoemd in het derde lid, aanhef, onder b, c of d. In afwijking van de eerste volzin geldt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht voor bebouwing de norm van het derde lid, aanhef en onder a. 5.In afwijking van het derde en vierde lid geldt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, dat met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom, als norm een gemiddelde kans op overstroming van: 1/50 per jaar voor het gebied met glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; 1/10 per jaar voor het overige gebied gedurende de periode van 1 maart tot 1 november. 6.Voor de toepassing van het derde en vijfde lid is wat betreft het landgebruik de situatie zoals vastgelegd in een ruimtelijk plan bepalend. Indien een ruimtelijk plan onvoldoende duidelijkheid verschaft omtrent het type landgebruik dan kan het landgebruik ook worden bepaald met behulp van het Landelijk Grondgebruikersbestand Nederland van Wageningen University & Research. 7.Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen aangaande de toepassing van het tweede, derde en vijfde lid. 8.Indien het nemen van maatregelen om aan de norm te voldoen niet doelmatig is, kunnen gedeputeerde staten op basis van een gemotiveerd verzoek van het waterschapsbestuur bepalen dat kan worden afgeweken van de in het derde en vijfde lid gestelde normen. 9.Bij de beoordeling of een gebied voldoet aan de norm kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied overeenkomstig de percentages genoemd in bijlage VI (maaiveldcriteria) behorende bij deze verordening, buiten beschouwing worden gelaten. 10.In afwijking van het tweede, derde en negende lid gelden voor de gebieden met afwijkende maaiveldcriteria waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 4 in bijlage II, de maaiveldcriteria zoals aangegeven. 11.Uiterlijk 31 december 2027 voldoet de inrichting van de regionale wateren binnen de beheersgebieden van het hoogheemraadschap van Delfland, het hoogheemraadschap van Rijnland, het waterschap Hollandse Delta en het hoogheemraadschap voor Schieland en de Krimpenerwaard aan de in het tweede, derde en krachtens het zevende lid opgenomen normen. 12.Gedeputeerde staten stellen voor het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en het waterschap Rivierenland na overleg met het waterschapsbestuur het tijdstip vast waarop de inrichting van de regionale wateren voldoet aan de in het tweede en derde lid opgenomen normen, waarbij rekening wordt gehouden met een eventuele toepassing van het tiende lid. §4.2Normen voor de fysieke leefomgeving Artikel4.3Vaarwegprofielen en toelaatbare afmetingen van schepen 1.Gedeputeerde staten kunnen de gewenste noodzakelijke minimale breedte, diepte en vrije doortvaarthoogte vaststellen van de dwarsdoorsnede van het deel van de vaarwegen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, dat vrij beschikbaar is voor de afwikkeling van scheepvaartverkeer. 2.Gedeputeerde staten kunnen regels stellen over de soort, het type, de afmetingen of de manouvreerbaarheid van schepen die worden toegelaten op de vaarwegen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid. HOOFDSTUK5TOEDELING VAN TAKEN Afdeling 5.1 Infrastructuur Artikel5.1Provinciale infrastructuur De vaarwegen die in beheer zijn bij de provincie zijn weergegeven op lijst A1 in bijlage IX, die behoort bij kaart 2 van bijlage II. Artikel5.2Toedeling vaarwegbeheer aan anderen 1.De vaarwegen en sluizen die in beheer zijn bij een waterschap of een gemeente zijn weergegeven op de lijst A2 en de lijst B, beide opgenomen in bijlage IX,die behoren bij kaart 2 van bijlage II. 2.Over de toepassing van de artikelen 4.3, eerste lid, en 5.4, voeren gedeputeerde staten vooraf overleg met de vaarwegbeheerders, bedoeld in het eerste lid. Artikel5.3Nautisch beheer 1.Het openbaar lichaam dat ingevolge artikel 5.1 of 5.2 belast is met het beheer van een vaarweg, draagt ook zorg voor het nautisch beheer van deze vaarweg. 2.Gedeputeerde staten kunnen regels stellen over het uit te voeren nautisch beheer. Artikel5.4Bedieningstijden van bruggen en sluizen Gedeputeerde staten kunnen de bedieningstijden vaststellen van de beweegbare bruggen en sluizen in of over vaarwegen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, met uitzondering van spoorbruggen als bedoeld in de Spoorwegwet. Artikel5.5Samenwerking met andere wegbeheerders 1.De aansluiting van een openbare weg in beheer bij een gemeente of een waterschap op een weg in beheer bij de provincie, vereist de voorafgaande toestemming van gedeputeerde staten. 2.De toestemming kan worden onthouden wegens strijd met de in artikel 1.3 bedoelde belangen. 3.De toestemming kan afhankelijk worden gesteld van medewerking aan de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wegenwet. 4.Artikel 10:30 en artikel 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn op de toestemming van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 4.1.3.3 van die wet is niet van toepassing. Artikel 5.5a Adviesrecht bij omgevingsvergunning
  11. Het bevoegd gezag wint op grond van artikel 2.26, lid 3, van de Wabo tijdig advies in bij gedeputeerde staten, alvorens kan worden overgegaan tot besluitvorming bij de volgende activiteiten als bedoeld in artikel 2.
  12. eerste lid van de Wabo: een weg aan te sluiten op provinciale infrastructuur; een uitweg op provinciale infrastructuur te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen; houtopstand te beplanten, behouden of te verwijderen langs provinciale infrastructuur; handelsreclame of licht -of geluidgevende voorzieningen op of aan een onroerende zaak, in welke vorm dan ook, aan te brengen, houden of wijzigen, indien en voor zover deze voor het publiek zichtbaar zal zijn vanaf provinciale infrastructuur.
  13. Indien het advies als bedoeld in lid 1 niet of gedeeltelijk wordt overgenomen, wordt dit door het bevoegd gezag aan gedeputeerde staten medegedeeld.
  14. Gedeputeerde staten kunnen voorschriften onderdeel laten uitmaken van het advies. Afdeling 5.2 Water Artikel5.6Toedeling watersysteembeheer Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem waarvan de zorg op grond van artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet bij reglement is opgedragen aan het waterschap. Artikel5.7Ontheffing zorg stedelijk afvalwater 1.Op een ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer is afdeling 3.1 van overeenkomstige toepassing. 2.De ontheffing, bedoeld in artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer geldt slechts voor burgemeester en wethouders van de gemeente aan wie zij is verleend. Afdeling 5.3 Natuur §5.3.1Faunabeheer Artikel5.8Faunabeheereenheid Zuid-Holland 1.In de provincie Zuid-Holland is er één faunabeheereenheid, genaamd: Faunabeheereenheid Zuid-Holland. 2.Het werkgebied van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland omvat de gehele provincie Zuid-Holland. 3.De faunabeheereenheid bevordert de uitvoering van passende en doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade als bedoeld in artikel 3.12, vierde lid van de Wet natuurbescherming. 4.De faunabeheereenheid is verantwoordelijk voor de coördinatie van de uitvoering van de door haar vastgestelde faunabeheerplannen. 5.De faunabeheereenheid bevordert het naar behoren uitoefenen van de aan haar toegestane handelingen als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Wet natuurbescherming. Artikel5.9Bestuurssamenstelling 1.In het bestuur van de faunabeheereenheid zit ten minste een vertegenwoordiger van hierna genoemde entiteiten, zijnde jachthouders of jachtaktehouders, werkzaam binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid: agrariërs; particuliere grondeigenaren; terreinbeherende organisaties; vereniging van jachtaktehouders. 2.In aanvulling op artikel 3.12, tweede en negende lid, van de Wet natuurbescherming, en naast de vertegenwoordigers, bedoeld in het eerste lid, zit in het bestuur van de faunabeheereenheid een vertegenwoordiger van een of meer maatschappelijke organisaties die het doel nastreeft van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in Zuid-Holland, waarbij de vertegenwoordiger spreekt namens een gezamenlijke achterban van ten minste 2.500 leden of donateurs woonachtig in de provincie Zuid-Holland. 3.De voorzitter van de faunabeheereenheid is niet als bestuurslid of werknemer verbonden aan de in het eerste of tweede lid genoemde organisaties. Artikel5.10Verlening toestemming door faunabeheereenheid 1.Aan een toestemming als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Wet natuurbescherming, worden door de faunabeheereenheid dezelfde voorwaarden verbonden als aan de ontheffing waarop die toestemming ziet. 2.De faunabeheereenheid kan in aanvulling op de voorwaarden als bedoeld in het eerste lid voorwaarden stellen ten behoeve van monitoring, rapportage en coördinatie. 3.Een toestemming als bedoeld in het eerste lid heeft geen langere looptijd dan de ontheffing. 4.De faunabeheereenheid trekt de toestemming, bedoeld in het eerste lid in, indien: de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid niet worden nageleefd; of hiertoe is verzocht door gedeputeerde staten.
  15. De faunabeheereenheid houdt een registratie bij van alle verleende toestemmingen als bedoeld in het eerste lid. Deze registratie is te allen tijde ten behoeve van toezicht of handhaving op verzoek inzichtelijk voor gedeputeerde staten. §5.3.2Wildbeheer Artikel5.11Statuten en verplichtingen wildbeheereenheden 1.In aanvulling op artikel 3.14 van de Wet natuurbescherming bevordert het bestuur van een wildbeheereenheid dat haar leden handelen overeenkomstig de Wet natuurbescherming, deze verordening, de verleende ontheffingen op grond van de Wet natuurbescherming, de weidelijkheid en het faunabeheerplan. 2.De statuten van een wildbeheereenheid bevatten in ieder geval de bepaling dat het lidmaatschap van de wildbeheereenheid kan worden opgezegd wanneer het lid bij de uitoefening van de jacht, schadebestrijding of populatiebeheer niet handelt conform de faunabeheerplannen of ontheffingen, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord de faunabeheereenheid. 3.De wildbeheereenheid stelt een geschillenregeling in met betrekking tot geschillen die voortvloeien uit opzegging van een lidmaatschap als bedoeld in het tweede lid. 4.Het bestuur van een wildbeheereenheid informeert de leden van de wildbeheereenheid op adequate wijze over het faunabeheer en de schadebestrijding door de wildbeheereenheid. 5.Het bestuur van een wildbeheereenheid bevordert voor haar leden een gecoördineerde uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Artikel5.12Omvang en begrenzing werkgebied 1.De begrenzing van een wildbeheereenheid wordt door de desbetreffende wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een kaart. 2.Het werkgebied van een wildbeheereenheid heeft een oppervlakte van ten minste 5.000 hectare binnen de provincie Zuid-Holland. 3.Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot een gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt. 4.Een wildbeheereenheid kan, in afstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzing van haar werkgebied wijzigen. 5.De betrokken wildbeheereenheden informeren gedeputeerde staten schriftelijk indien de begrenzing, bedoeld in het vierde lid wordt gewijzigd. Artikel5.13Verplicht lidmaatschap wildbeheereenheid 1.Ingevolge artikel 3.14, tweede lid, sub b, van de Wet natuurbescherming, worden geen uitzonderingen gemaakt op de wettelijke verplichting voor jachthouders met een jachtakte om zich te organiseren in een wildbeheereenheid. 2.Alleen aan de volgende personen is het toegestaan om binnen het werkgebied van de wildbeheereenheid uitvoering te geven aan het faunabeheerplan: de jachthouder in zijn jachtveld; personen met schriftelijke toestemming van de jachthouder, mits de jachthouder lid is van de wildbeheereenheid; leden van de wildbeheereenheid; personen in het gezelschap van de onder a, b of c bedoelde personen. 3.Het tweede lid geldt niet ten aanzien van het bewerken van eieren en nesten door grondgebruikers. Afdeling 5.4 Bijzondere bepalingen rechthebbenden Artikel5.14Onderhoudsplicht werken en voorwerpen Degene die een werk of een vaste stof of voorwerp brengt op of aan provinciale infrastructuur, overeenkomstig afdeling 3.3, is gehouden dat werk, die vaste stof of dat voorwerp te onderhouden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel5.15Onderhoudsplicht oevers 1.Onverminderd artikel 5.3 van de Waterwet is de onderhoudsplichtige van de oever langs een vaarweg verplicht deze stevig en passend in de omgeving te houden, zodat deze in goede staat is. 2.Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen over de omvang en inhoud van de onderhoudsplicht en over de inspectie van oevers. Artikel5.16Verhalen van schepen 1.Een stilliggend schip, samenstel van schepen of drijvende voorwerpen wordt op aanwijzing van gedeputeerde staten over korte afstand langs een oever of kade naar een andere ligplaats verplaatst, indien naar hun oordeel het onderhoud van een provinciale vaarweg aldaar werkzaamheden nodig maakt. 2.Spoedeisende gevallen uitgezonderd, stelt gedeputeerde staten de rechthebbenden of gebruikers van het schip, het samenstel van schepen of de drijvende voorwerpen tijdig van tevoren in kennis van de voorgenomen werkzaamheden. HOOFDSTUK6INSTRUCTIEREGELS Afdeling 6.1 Programma’s en plannen §6.1.1Beheerplan van waterschappen Artikel6.1Beheerplan 1.Dit artikel gaat over het beheerplan van waterschappen. 2.Het beheerplan bevat, in aanvulling op artikel 4.6 van de Waterwet, tenminste: een beschrijving van de bestaande toestand van de watersystemen waarover het beheer zich uitstrekt; een beschrijving van het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen; een beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, die nodig zijn om de gestelde doelen te realiseren, dan wel de geconstateerde knelpunten op te lossen; een raming van de kosten van de gedurende de planperiode te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de planperiode. een beschrijving van de wijze waarop het watersysteem is getoetst aan de normen, zoals bedoeld in artikel 4.
  16. Het beheerplan is voorzien van een toelichting, waarin tenminste is opgenomen: de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en de uitkomsten van eventueel uitgevoerde onderzoeken; een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterplan, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de in het tweede lid, onder c, van dit artikel genoemde maatregelen; een beschrijving van de wijze waarop het watersysteem is getoetst aan de normen, zoals bedoeld in artikel 4.
  17. §6.1.2Faunabeheerplan Artikel6.2Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het faunabeheerplan van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland. Artikel6.3Algemene eisen 1.Een faunabeheerplan bevat een kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven.
  18. Een faunabeheerplan bevat de voorwaarden waaronder het mogelijk is gebruik te maken van de aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing.
  19. Een faunabeheerplan beschrijft de voorwaarden voor het verlenen of intrekken van de toestemming, bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Wet natuurbescherming.
  20. Een faunabeheerplan beschrijft aan welke voorwaarden moet worden voldaan voordat de handelingen ter voorkoming of bestrijding van schade kunnen worden uitgevoerd waarvoor een grondgebruiker krachtens artikel 3.15, tweede of vierde lid, van de Wet natuurbescherming toestemming heeft gekregen.
  21. Een faunabeheerplan geeft inzicht in het verband tussen de jacht, het beheer van populaties en het bestrijden van schadeveroorzakende soorten.
  22. Een faunabeheerplan beschrijft op welke wijze rekening wordt gehouden met de Natura 2000-gebieden en de door gedeputeerde staten aan te wijzen rustgebieden voor de trekganzen.
  23. Bij het opstellen van een faunabeheerplan wordt een vertegenwoordiger vanuit de wetenschap betrokken.
  24. Een faunabeheerplan bevat op basis van gevalideerde gegevens en de daaruit voortvloeiende inzichten, een onderbouwing waaruit blijkt dat de gunstige staat van instandhouding niet significant negatief wordt beïnvloed door de uitvoering van het faunabeheerplan.
  25. Een faunabeheerplan beschrijft op welke wijze invulling is gegeven aan de escalatieladder, bedoeld in artikel 3.
  26. Artikel6.4Duurzaam beheer van populaties In aanvulling op artikel 6.3 bevat een faunabeheerplan met betrekking tot duurzaam beheerde populaties in ieder geval per diersoort: een beschrijving van het planmatige, gecoördineerde en duurzame beheer dat zal worden uitgevoerd; kwantitatieve gegevens over de aanwezigheid van de populatie in het betrokken gebied gedurende het jaar; een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer, waaronder een onderbouwing van de schade aan de belangen, bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming in de periode voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan; de gewenste stand, inclusief de onderbouwing daarvan; per gebied een beschrijving van de handelingen die in de periode voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht om schade aan de onder c bedoelde belangen te voorkomen, en voor zover die kwantitatieve gegevens redelijkerwijs kunnen worden verkregen, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; een beschrijving van de locatie, periode, aard, omvang en noodzaak van de activiteiten die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld onder d, te bereiken; met betrekking tot damherten of reeën: een beschrijving van het natuurlijke voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie, en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen. Artikel6.5Schadebestrijding In aanvulling op artikel 6.3 bevat het faunabeheerplan met betrekking tot bestrijding van schadeveroorzakende dieren in ieder geval per diersoort: een beschrijving van de wijze van planmatige en gecoördineerde bestrijding, inclusief een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van deze bestrijding, voor zover daarover gegevens beschikbaar zijn; kwantitatieve gegevens over de aanwezigheid van de populatie binnen de provincie Zuid-Holland gedurende het jaar; een beschrijving van de schade, bedoeld in artikel 3.15, zesde lid, dan wel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, in de periode voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan; per gebied een beschrijving van de handelingen die in de periode voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om schade als bedoeld onder c te voorkomen, en voor zover die kwantitatieve gegevens redelijkerwijs kunnen worden verkregen, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; een beschrijving van de locatie, periode, aard, omvang en noodzaak van de bestrijding van schadeveroorzakende dieren; een omschrijving van passende en doeltreffende preventieve maatregelen en de mate waarin deze maatregelen moeten worden ingezet alvorens mag worden overgegaan tot schadebestrijding; en voorzover daarover gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de bestrijding als bedoeld onder a. Artikel6.6Uitoefening jacht In aanvulling op artikel 6.3 bevat het faunabeheerplan, met betrekking tot de uitoefening van de jacht: een beschrijving van de vormen van jacht die in Zuid-Holland worden beoefend; kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarop wordt gejaagd, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden; een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden; een overzicht van de gerealiseerde schade per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan, onderverdeel per werkgebied van de te onderscheiden wildbeheereenheden. Artikel6.7Geldigheidsduur Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes jaren. Artikel6.7aAfwijkingsbevoegdheid Gedeputeerde staten kunnen de bepalingen van § 6.1.2 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, naar hun oordeel tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden. Afdeling 6.2 Bestemmingsplannen §6.2.

Artikel6

.8Bestaand en nieuw 1.Voor deze afdeling geldt als bestaande bebouwing of als bestaand gebruik van grond of bebouwing, bebouwing of gebruik van grond of bebouwing: die ingevolge het op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening geldende bestemmingsplan rechtmatig aanwezig is; waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig een omgevingsvergunning is verleend of waarvoor op dat tijdstip een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend die op grond van het geldende bestemmingsplan moet of kan worden verleend; die in overeenstemming is met een bestemmingsplan dat overeenkomstig afdeling 6.2 tot stand is gekomen of waarvoor ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a Wet ruimtelijke ordening van deze verordening is verleend; of die in overeenstemming is met een bestemmingsplan waarover het gemeentebestuur een onherroepelijk herstelbesluit heeft genomen als direct gevolg van een uitspraak van een bestuursrechter. 2.Voor deze paragraaf geldt als nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing bebouwing of gebruik van grond of bebouwing die niet voldoet aan het eerste lid. §6.2.2Ruimtelijke kwaliteit Artikel6.9Ruimtelijke kwaliteit 1.Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

  1. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap.
  2. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid.
  3. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid.
  4. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
  5. Specifieke regels voor de gebiedstypen als bedoeld in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d. 6.9e, 6.9f en 6.9g, worden in acht genomen tenzij een zwaarwegend openbaar belang hieraan in de weg staat.
  6. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; wegnemen van verharding; toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast.
  7. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a.
  8. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9b, 6.9c of 6.9d.
  9. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, zijnde Kroonjuweel cultureel erfgoed, Natuur Netwerk Nederland of Beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9e, 6.9f of 6.9g.
  10. Transformatie is mogelijk in de beschermingscategorieën bedoeld in het negende en tiende lid voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur- en recreatiegebieden of van grote buitenstedelijke bouwlocaties bedoeld in artikel 6.
  11. De voorwaarden als bedoeld in het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
  12. Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten betreffende de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied
  13. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied.
  14. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Artikel6.9b Beschermingscategorie 2 Recreatiegebied Een bestemmingsplan voor een locatie binnen recreatiegebied waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover: de ontwikkeling geen beperking oplevert voor de openbare toegankelijkheid van het gebied, rekening houdend met het huidige gebruik van het gebied; de ontwikkeling gericht is op de vergroting van de diversiteit en de kwaliteit van het recreatiegebied en ook de recreatieve waarde van het gebied zal versterken; de ontwikkeling past bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied; de ontwikkeling bijdraagt aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke groen- en waterstructuren; de ontwikkeling zo mogelijk gekoppeld wordt aan recreatie knooppunten en cultuurhistorisch erfgoed. Artikel6.9c Beschermingscategorie 2 Belangrijk weidevogelgebied
  15. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen belangrijk weidevogelgebied waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen als bedoeld artikel 6.9, zevende lid, geen significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied.
  16. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: de hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor; de factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding met relatief hoge grondwaterstanden, de landschapsstructuur en de rust van het gebied. Artikel 6.9d Beschermingscategorie 2 Groene buffers
  17. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen groene buffers waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.
  18. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. Artikel 6.9e Beschermingscategorie 1 Natuurnetwerk Nederland
  19. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.
  20. De begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, bedoeld in het eerste lid, kan door provinciale staten worden gewijzigd in overeenstemming met artikel 2.10.5 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
  21. De begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, bedoeld in het eerste lid, kan worden vastgesteld door Gedeputeerde Staten met inachtneming van de volgende voorwaarden: deze bevoegdheid geldt alleen voor de nog te realiseren gebieden en ecologische verbindingen van het Natuurnetwerk Nederland; het oppervlak van het Natuurnetwerk Nederland blijft per saldo ten minste even groot; de functionaliteit van het Natuurnetwerk Nederland blijft onaangetast.
  22. Bij compensatie, bedoeld in artikel 6.31, onder b, worden in ieder geval de volgende voorwaarden in acht genomen: de compensatie leidt niet tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; de compensatie vindt plaats: aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat; door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied als fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het gebied niet mogelijk is; of op financiële wijze als zowel fysieke compensatie als compensatie door kwalitatief gelijkwaardige waarden op korte termijn redelijkerwijs niet mogelijk is.
  23. De toelichting bij het bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt waarvoor ontheffing als bedoeld in artikel 6.31 nodig is, bevat een verantwoording over de aard van de effect beperkende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied, en de wijze waarop die compensatie duurzaam is verzekerd.
  24. Een bestemmingsplan voor het Buijtenland van Rhoon, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, maakt hoogwaardige akkernatuur en (openlucht)recreatie mogelijk met ruimte voor extensieve agrarische bedrijvigheid, voor zover deze bijdraagt aan hoogwaardige akkernatuur en (openlucht}recreatie en met behoud van landschappelijke elementen en cultureel erfgoed, alsmede leidingen voor telecommunicatie of het transport. van gassen, vloeistoffen of elektriciteit. Artikel 6.9f Beschermingscategorie 1 Graslanden Bollenstreek
  25. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen graslanden Bollenstreek waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits die ontwikkeling een aantoonbare meerwaarde heeft voor de ruimtelijke kwaliteit van de graslanden.
  26. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: het open en structurerende karakter van de graslanden; het ecologische belang en de kwetsbaarheid van de graslanden; het belang van de graslanden voor weidevogels; de historische context van de graslanden als strandvlakten. Artikel 6.9g Beschermingscategorie 1 Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed
  27. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft en de ontwikkeling het behoud en de versterking van het betreffende cultureel erfgoed ondersteunt en overwegend meerwaarde heeft voor kwaliteiten en de gebruikswaarde ervan.
  28. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: de herkenbaarheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; de historische context van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; de uniciteit van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; de kwetsbaarheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; de gaafheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; de samenhang van de kwaliteiten van het Cultureel Erfgoed; de richtpunten die zijn opgesteld voor het specifieke kroonjuweel (zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap). §6.2.3Stedelijke ontwikkelingen Artikel6.10Stedelijke ontwikkelingen 1.Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X.
  29. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie.
  30. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.
  31. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Artikel 6.10a Dichtheid en verscheidenheid woningbouw
  32. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt buiten bestaand stads- en dorpsgebied houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving.
  33. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw. Artikel 6.10b Parkeernorm sociale huur
  34. Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning.
  35. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. Artikel 6.10c Parkeernorm stationsomgevingen
  36. Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe woningen in een stationsomgeving, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd op kaart 22 in bijlage II, hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning.
  37. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. Artikel 6.10d Bereikbaarheid Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Artikel 6.10e Permanente bewoning recreatiewoningen Een bestemmingsplan voor een verblijfsrecreatiepark met een omvang van 12 of meer recreatiewoningen, sluit permanente bewoning of functiewijziging naar wonen uit, met uitzondering van de verblijfsrecreatieparken die zijn opgenomen in bijlage XI. Artikel6.11Kantoren 1.Een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe kantoren op gronden: binnen de grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II; binnen de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op de desbetreffende locatie; binnen de bijzondere locaties, waarbij de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits passend in het profiel van deze locaties. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: kantoren die in overeenstemming zijn met een actuele regionale visie die is aanvaard door gedeputeerde staten; kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m² per vestiging; kantoren met een lokaal verzorgingsgebied; bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf; en functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling. Artikel6.12Bedrijven 1.Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 20 in bijlage II, maakt vestiging mogelijk van bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel voorziet in overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen op een grote buitenstedelijke bouwlocatie als bedoeld in artikel 6.10 of die mogelijk zijn op grond van een vigerend bestemmingsplan.
  38. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 20 in bijlage II, laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe.
  39. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in nieuwe woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid.
  40. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein als bedoeld in het eerste of tweede lid en dat gehele of gedeeltelijke transformatie naar een andere bestemming dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de toelichting op welke wijze binnen de regio planologische compensatie van bedrijventerrein zal plaatsvinden of reeds heeft plaatsgevonden. Planologische compensatie is nodig bij: een bedrijventerrein met milieucategorie 3, dan wel overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur; een bedrijventerrein met milieucategorie 4 of hoger, dan wel overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur; een geluidgezoneerd bedrijventerrein; een watergebonden bedrijventerrein.
  41. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing bij verlaging van de milieucategorie of milieuzone.
  42. Compensatie als bedoeld in het vierde lid, kan achterwege blijven als is aangetoond dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven afgezet tegen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte.
  43. Compensatie van feitelijk gebruik en m2 voor m2 is mogelijk mits wordt voldaan aan een evenwichtige balans in vraag en aanbod, vastgelegd in de door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale bedrijventerreinenvisie. Artikel 6:12a Grote ruimtevragers
  44. Een bestemmingsplan laat grote ruimtevragers alleen toe op clusters voor grote ruimtevragers, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 21 in bijlage II.
  45. Een bestemmingsplan dat grote ruimtevragers toelaat houdt rekening met ruimtelijke kwaliteit, bereikbaarheidseffecten, duurzaamheid en de economische en maatschappelijke toegevoegde waarde van de ontwikkeling, Artikel6.13Detailhandel 1.Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden: binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken; binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk; binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie. 2.De nieuwe detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen: de ontwikkeling is in overeenstemming met het in het Programma ruimte en de Omgevingsvisie beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te versterken centra, te optimaliseren centra en de overige centra; aangetoond is dat als gevolg van de ontwikkeling het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat; voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 4.000 m2 bruto vloeroppervlak in de binnensteden van Rotterdam en Den Haag of 2.000 m2 bruto vloeroppervlak in de andere centra, is mede met het oog op de eisen onder a en b, advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in de volgende nieuwe detailhandel: detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet goed inpasbaar is in de centra: detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; detailhandel in volumineuze goederen; meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, alsmede detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV) waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II; tuincentra; bouwmarkten; kleinschalige detailhandel: in de vorm van een gemakswinkel; bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, alsmede andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties; ondergeschikte detailhandel: in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf; bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, met een assortiment dat aansluit bij de hoofdbestemming; bij een agrarisch bedrijf met een assortiment van producten uit eigen teelt; afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen op goed bereikbare locaties; kringloopwinkels; supermarkten net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen, als is aangetoond dat hiervoor onvoldoende ruimte is in een bestaande winkelconcentratie. 4.Het bestemmingsplan voorziet uitsluitend in de nieuwe detailhandel, bedoeld in het derde lid onder a en f, als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Mede met het oog hierop is advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland, voor zover het gaat om de nieuwe detailhandel, bedoeld in het derde lid onder a, onderdelen 3, 4 of 5, of bedoeld in het derde lid, onder f, en voor zover die nieuwe detailhandel een omvang heeft van meer dan 1.000 m2 bruto vloer oppervlak. 5.Een bestemmingsplan dat voorziet in detailhandel als bedoeld in het derde lid, onder a stelt de volgende voorwaarden aan de nevenassortimenten: ten hoogste 20% van het netto verkoopvloeroppervlak wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt; en het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment. Artikel6.1420 Ke-contour Schiphol 1.Voor de gronden binnen de 20 Ke-contour, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 13 in bijlage II, kan een bestemmingsplan voorzien in nieuwe woningen, uitsluitend binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. 2.In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan in onderstaande gevallen voorzien in nieuwe woningen buiten bestaand stads- en dorpsgebied als het betreft: woningbouw binnen de voormalige bebouwingscontour van de streekplannen uit 2003, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 13 in bijlage II; de toevoeging van ten hoogste enkele woningen in reeds aanwezige lintbebouwing; de toevoeging van ten hoogste enkele greenportwoningen, als bedoeld in de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek; de toevoeging van ten hoogste enkele woningen volgens het principe ruimte voor ruimte, waarbij de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd door de sloop van overtollige bebouwing en kassen; het omzetten van bedrijfswoningen naar burgerwoningen; of bedrijfswoningen, voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. 3.Voor zover een bestemmingsplan nieuwe woningen toestaat op de gronden binnen de 20 Ke-contour, wordt in de toelichting van dat plan rekenschap gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en worden de redenen vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen. §6.2.4Greenports en agrarische bedrijven Artikel6.15Glastuinbouwgebied 1.Een bestemmingsplan voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, laat alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen voor energieopwekking. 2.Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een bedrijf toelaten dat behoort tot de keten glastuinbouw en dat een bijdrage levert aan de ontwikkeling van het glastuinbouwgebied als internationaal centrum voor teelt, kennis en handel van glastuinbouwproducten, voor zover: de gronden zijn gelegen binnen het glastuinbouwgebied Westland-Oostland, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II; en aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied. 3.Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken indien sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is. 4.In het bestemmingsplan kan de begrenzing van het glastuinbouwgebied, bedoeld in het eerste lid, in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden en bestaande bedrijven en functies, anders dan glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied. 5.In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaten die niet behoren tot de keten glastuinbouw voor zover: het gronden betreft binnen de glastuinbouwgebieden Glasparel en Knibbelweg Oost, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II; en de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt met toepassing van efficiënt en meervoudig grondgebruik door een combinatie met glastuinbouw. 6.In afwijking van het eerste lid, kan een bestemmingsplan voor het glastuinbouwgebied Tinte, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, bestemmingen bevatten die voortzetting van het huidige gemengde agrarische grondgebruik mogelijk maken in een deel van het gebied. 7.In afwijking van het eerste lid, kan een bestemmingsplan voor het maatwerkgebied glastuinbouw, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, bestemmingen bevatten die transformatie naar andere functies mogelijk maken zoals aangegeven in het Programma ruimte. 8.Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe glastuinbouw of in uitbreiding van bestaande glastuinbouw met een oppervlakte van ten minste vijf hectare aan aaneengesloten percelen, bevat in de toelichting een verantwoording waarin de behoefte aan het gebruik van nieuwe gronden voor glastuinbouw als gevolg van de vervangings- en uitbreidingsvraag wordt onderbouwd. Ook wordt onderbouwd waarom in deze behoefte niet kan worden voorzien door herstructurering of intensivering van elders in de betrokken regio gelegen bestaande glastuinbouwgebieden. 9.Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan indien de behoefte aan het gebruik van nieuwe gronden voor glastuinbouw nog niet is aangetoond, zoals bedoeld in het achtste lid, voortzetting van het huidige grondgebruik mogelijk maken totdat er alsnog behoefte ontstaat aan ontwikkeling voor glastuinbouw. De mogelijkheden voor ontwikkeling voor glastuinbouw mogen daarbij niet significant worden beperkt, tenzij het een ontwikkeling betreft die past binnen het huidige agrarische grondgebruik. Artikel6.16Boom- en sierteeltgebied 1.Een bestemmingsplan voor gronden binnen: het boom- en sierteeltgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II; of het boom- en sierteeltgebied pot- en containerteeltterrein (PCT), waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II; laat alleen bedrijven toe die zich bezighouden met boom- en sierteelt en de daarbij behorende voorzieningen. 2.Een bestemmingsplan voor gronden binnen het boom- en sierteeltgebied, bedoeld in het eerste lid, onder a, kan voorzien in kassen bij volwaardige boom- en sierteeltbedrijven tot een derde deel van het bedrijfsoppervlak. 3.Een bestemmingsplan voor gronden binnen het boom en sierteeltgebied PCT-terrein, bedoeld in het eerste lid, onder b, kan voorzien in kassen bij volwaardige boom- en sierteeltbedrijven, tot 70 procent van de beteelbare oppervlakte per bedrijf. 4.Een bestemmingsplan voor gronden binnen het boom- en sierteeltgebied PCT-terrein, bedoeld in het eerste lid, onder b, kan naast de vestiging van boom- en sierteeltbedrijven in beperkte mate voorzien in de vestiging van bedrijven en andere functies die een directe binding hebben met de boom- en sierteelt en noodzakelijk zijn voor het functioneren van de boom- en sierteelt. 5.Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken indien sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is. 6.In afwijking van het eerste lid, kan het bestemmingsplan bestaande bebouwing of functies toelaten, anders dan bedrijven als bedoeld in het eerste lid, alsmede beperkte uitbreiding daarvan of wijziging naar een andere functie, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het boom- en sierteeltgebied.
  46. In het bestemmingsplan kan de begrenzing van het boom- en sierteeltgebied, bedoeld in het eerste lid, in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het boom- en sierteeltgebied.
  47. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaten die niet behoren tot de boom- en sierteelt voor zover het gronden betreft met de aanduiding Boom- en sierteeltgebied - maatwerk, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II. Artikel6.17Bollenteeltgebied 1.Een bestemmingsplan voor gronden binnen het bollenteeltgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II , laat primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen. 2.Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan voorzien in kassen: bij een volwaardig bollenteeltbedrijf tot ten hoogste 3.000 m2 per bedrijf; bij een bestaand volwaardig gemengd bollenteelt- en glastuinbouwbedrijf tot ten hoogste 6.000 m2 per bedrijf; bij een bestaand volwaardig stekbedrijf tot ten hoogste 6.000 m2 per bedrijf. 3.In afwijking van het tweede lid, onder a, kan het bestemmingsplan voorzien in kassen tot meer dan 3.000 m2 bij een volwaardig bollenteeltbedrijf, mits: tegenover de uitbreiding van de bestaande kassen in gelijke mate de duurzame sanering staat van kassen elders binnen het bollenteeltgebied; de ruimtelijke kwaliteit binnen het bollenteeltgebied per saldo wordt verbeterd; en de te saneren kassen zijn opgericht voor 1 januari
  48. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in greenportwoningen en ‘ruimte voor ruimte’ woningen als bedoeld in de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek.
  49. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in uitbreiding van bestaande handels- en exportbedrijven op locaties binnen het bollenteeltgebied, mits; dit noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering; verplaatsing naar een bedrijventerrein geen reële mogelijkheid is; en de ruimtelijke kwaliteit niet significant wordt aangetast.
  50. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken indien sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is. 7.In afwijking van het eerste lid, kan het bestemmingsplan bestaande bebouwing of functies toelaten, anders dan bedrijven als bedoeld in het eerste lid, alsmede beperkte uitbreiding daarvan of wijziging naar een andere functie, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied. 8.Een bestemmingsplan voor het bollenteeltgebied als bedoeld in het eerste lid, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling anders dan bollenteelt toestaat op gronden die in het voorgaande bestemmingsplan zijn bestemd voor bollenteelt, voorziet in compensatie van bollenteeltgebied door middel van een overeenkomst hierover met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek. 9.Voor zover ten behoeve van de compensatie van bollenteeltgebied als bedoeld in het vorige lid graslanden worden gebruikt, dan worden daarvoor de graslanden gebruikt waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II. Artikel6.18Agrarische bedrijven 1.Een bestemmingsplan voor agrarische gronden voldoet aan de volgende voorwaarden: nieuwe agrarische bebouwing, uitgezonderd kassen en schuilgelegenheden voor vee, wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel van maximaal 2 hectare; in afwijking van onderdeel a, kan bij samenvoeging van twee akkerbouwbedrijven de omvang van het agrarisch bouwperceel worden vergroot tot de op het moment van samenvoeging bestaande maximaal mogelijke planologische omvang van beide bouwpercelen gezamenlijk, mits het achter te laten bouwperceel wordt gesaneerd; nieuwe agrarische bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven; bij een volwaardig agrarisch bedrijf wordt ten hoogste één agrarische bedrijfswoning toegelaten; nieuwe kassen, anders dan bedoeld in de artikelen 6.15, 6.16 en 6.17, worden alleen toegelaten bij bestaande volwaardige glastuinbouwbedrijven tot een oppervlak van 2 hectare per bedrijf en bij bestaande volwaardige boom- en sierteeltbedrijven tot een oppervlak van 300 m2 per bedrijf; nieuwe boom- en sierteelt, anders dan bedoeld in artikel 6.16, wordt uitgesloten; nieuwe intensieve veehouderij als hoofdtak of als neventak wordt uitgesloten; verplaatsing van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande intensieve veehouderij, kan worden toegelaten; uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande hoofdtak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare; uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande neventak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare, voor zover de neventak meer dan 20% bedraagt van de economische bedrijfsomvang; nieuwe geitenhouderij wordt uitgesloten als hoofdtak en als neventak, evenals uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt. 2.In afwijking van het eerste lid, onder e, kan een bestemmingsplan voorzien in een oppervlak van meer dan 2 hectare kassen bij een bestaand volwaardig glastuinbouwbedrijf en meer dan 300 m2 kassen bij een volwaardig boom- en sierteeltbedrijf, mits: tegenover de uitbreiding van de bestaande oppervlakte van de kassen staat: in gelijke mate duurzame sanering van bestaande kassen elders buiten het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II; of een combinatie van ten minste 50% duurzame sanering van bestaande kassen en ruimtelijke maatregelen als bedoeld in artikel 6.9, derde lid; de ruimtelijke kwaliteit in beide gebieden per saldo wordt verbeterd; de uitbreidingslocatie niet is gelegen binnen een gebied met beschermingscategorie 1 of 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II; de kassen op de saneringslocatie zijn opgericht voor 1 januari 2014; gebleken is dat verplaatsing van het uit te breiden bedrijf naar een glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, geen reële mogelijkheid is; en de belangen van andere functies in de omgeving van de uitbreidingslocatie niet in onevenredige mate worden geschaad.
  51. Een bestemmingsplan voor agrarische gronden kan onder de volgende voorwaarden voorzien in verbredingsactiviteiten bij agrarische bedrijven, waaronder zorg, recreatie, energieopwekking en de verkoop van producten uit eigen teelt: het oprichten van bebouwing of het aanbrengen van verharding voor de verbredingsactiviteit is in beperkte mate mogelijk binnen het agrarisch bouwperceel, dat hiervoor in afwijking van het eerste lid, onder a en b, zo nodig vergroot kan worden met ten hoogste 0,5 hectare; de agrarische functie blijft de hoofdfunctie van het bedrijf; en de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven wordt niet belemmerd. §6.2.5Infrastructuur Artikel6.19Vrijwaringszone provinciale vaarwegen 1.Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden waarop een vrijwaringszone van een vaarweg in beheer bij de provincie is gelegen, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en is verbeeld op kaart 2 in bijlage II, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mits rekening wordt gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor: de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; de toegankelijkheid van de provinciale vaarweg voor hulpdiensten vanaf de wal; en het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de provinciale vaarweg.
  52. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het eerste lid wordt advies gevraagd aan de vaarwegbeheerder.
  53. De breedte van de vrijwaringszone, bedoeld in het eerste lid, gemeten vanuit de oever van de vaarwegen in beheer bij de provincie, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 2 in bijlage II, bedraagt: 10 m aan weerszijden van een recht vaarwegvak; 15 m aan een buitenbocht; 25 m aan een binnenbocht. Artikel6.20Bescherming recreatietoervaartnet Een bestemmingsplan voor gronden waarbinnen een recreatieve vaarverbinding ligt, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 12 in bijlage II, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover: de ontwikkeling geen beperking oplevert van de recreatieve bevaarbaarheid van de vaarweg rekening houdend met het huidig gebruik; of de ontwikkeling is gericht op verbetering en versterking van de bevaarbaarheid of de recreatieve waarden van de vaarweg. §6.2.6Veiligheid Artikel6.21Veiligheidszonering oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas Een bestemmingsplan voor gronden binnen de veiligheidszone langs de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas van raainummer 1034 bij Hoek van Holland tot raainummer 995 bij de splitsing van de Nieuwe Maas en de Hollandsche IJssel, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 13 in bijlage II, voldoet aan de volgende voorwaarden: in het gebied tot 25 m vanaf de kade wordt geen nieuwe bebouwing of functiewijziging van bestaande bebouwing toegelaten; in het gebied tussen de 25 en 40 m vanaf de kade wordt nieuwe bebouwing of functiewijziging van bestaande bebouwing slechts toegelaten als sprake is van een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang, de veiligheid voldoende wordt gegarandeerd en met het oog hierop advies is uitgebracht door de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond; in afwijking van de onderdelen a en b zijn incidenteel nieuwe kleinschalige voorzieningen toelaatbaar ter ondersteuning van het dagrecreatieve karakter van de oever, waaronder restaurants, cafés en kiosken, alsmede voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de vaarweg of de haven, zoals radarposten en kranen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: de bereikbaarheid van de oever voor hulpverleningsdiensten en de mogelijkheden voor optreden van deze diensten worden niet belemmerd; er zijn voldoende vluchtmogelijkheden; het scheepvaartverkeer wordt niet belemmerd; en advies is gevraagd van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond en de beheerder van de vaarweg of haven; in afwijking van de onderdelen a en b is op het havenindustrieel complex, tussen raainummer 1005 tot 1034 aan de linkeroever, nieuwe bebouwing of functiewijziging van bestaande bebouwing toelaatbaar voor bedrijven die vallen onder artikel 2 lid 1 van het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen, mits wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden. Artikel6.22Regionale waterkeringen 1.Een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als bedoeld in artikel 2.2, bestemt die waterkering als zodanig. 2.Een bestemmingsplan voor gronden die deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering, bestemt die beschermingszone als zodanig of duidt die als zodanig aan. 3.Voor het bepalen van de omvang van de gronden, bedoeld in het eerste lid en in het tweede lid, wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger. 4.Met betrekking tot de gronden waarop een regionale waterkering of een beschermingszone ligt, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. 5.Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering. Artikel6.23Buitendijks bouwen [vervallen] §6.2.7Natuur [vervallen] §6.2.8Cultureel erfgoed Artikel6.25Bescherming molenbiotoop 1.Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en voldoet aan de volgende voorwaarden: binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek; voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek.
  54. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, is het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van: een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop, waarvan de plaats geometrisch is begrensd en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast. Artikel6.26Bescherming landgoed- en kasteelbiotoop 1.Een bestemmingsplan voor gronden binnen de landgoed- en de kasteelbiotopen, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voor zover: geen aantasting plaatsvindt van de waarden van de landgoed- en kasteelbiotoop, of de ontwikkeling is gericht op verbetering en versterking van de waarden van de landgoed- en kasteelbiotoop. 2.Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de landgoed- of kasteelbiotoop wordt beschreven. Naast de analyse van de cultuurhistorische kwaliteiten en waarden van het landgoed of het kasteel gaat deze paragraaf in op de wijze waarop de kenmerken en waarden van de landgoed- of kasteelbiotoop beschermd of versterkt worden. Het gaat in ieder geval om de volgende kenmerken en waarden: de buitenplaats, bestaande uit het hoofdhuis met bijgebouwen en het bijbehorende park of tuin, of het kasteel of kasteelterrein in de vorm van ruïne, muurrestanten, één of meer bijgebouwen, omgracht terrein, alsmede de functionele en visuele relaties tussen de verschillende onderdelen; de basisstructuur waaraan het landgoed of de kasteellocatie bewust direct is gekoppeld: een weg, een waterloop, of beide of in geval van een buitenplaats ook indirect door middel van zichtlijnen; het blikveld: de vrije ruimte die nodig is om de historische buitenplaats of het kasteel in het landschap te herkennen; 3.Naast deze kenmerken en waarden kunnen er voor zowel de landgoed- als de kasteelbiotoop afzonderlijke kenmerken en waarden aan de orde zijn. 4.Afwijking van het eerste lid is slechts mogelijk indien sprake is van het noodzakelijk herbestemmen van bouw- en gebruiksrechten uit het voorgaande bestemmingsplan of indien sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is. De toelichting van het bestemmingsplan bevat hierover een verantwoording. Artikel6.27Archeologie en Romeinse Limes 1.Een bestemmingsplan voor gronden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat bestemmingen en de daarbij behorende regels die de bekende archeologische waarden beschermen. 2.De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in elk geval in een verbod op werken of werkzaamheden waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, of het werken of werkzaamheden betreffen die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten. 3.In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag bij uitzondering besluiten tot behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’, als andere belangen prevaleren. 4.Een bestemmingsplan voor gronden binnen de Romeinse Limes met een hoge of zeer hoge archeologische verwachtingswaarde, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat bestemmingen en daarbij behorende regels die de verwachte archeologische waarden beschermen. 5.De regels, bedoeld in het vierde lid voorzien in elk geval in de voorwaarde van archeologisch onderzoek bij werken of werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m2 waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd en de voorwaarde, dat gehandeld wordt in overeenstemming met de uitkomsten van dat onderzoek. §6.2.9Energie Artikel6.28Windenergie 1.Een bestemmingsplan laat nieuwe windturbines alleen toe op gronden binnen de locaties voor windenergie, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 16 in bijlage II. 2.In het bestemmingsplan kan de begrenzing van de in het eerste lid bedoelde locaties in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden. 3.In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voor gronden buiten het bestaand stads-en dorpsgebied kleine windturbines met een ashoogte tot 15 m toelaten en kan een bestemmingsplan voor gronden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied of voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, kleine en middelgrote windturbines met een ashoogte tot 45 m toelaten, voor zover dat passend is bij de lokale situatie. 4.Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden buiten de locaties voor windenergie, bedoeld in het eerste lid, kan vervanging van bestaande grote windturbines door nieuwe windturbines mogelijk maken. §6.2.10Ontheffen en afwijken instructieregels bestemmingsplan Artikel6.29Ontheffing
  55. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd ontheffing, als bedoeld in artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening, te verlenen van de bepalingen in Afdeling 6.2 van deze verordening.
  56. Een verzoek om een ontheffing wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde e-formulier en gaat vergezeld van de daarin aangegeven bescheiden en bevat een motivering dat het verzoek is gedaan in overeenstemming met de raad. Artikel6.30Toelichting bestemmingsplan De toelichting van een bestemmingsplan dat mede wordt gebaseerd op een verleende ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a Wet ruimtelijke ordening, bevat een afschrift van de beschikking van die ontheffing alsmede de in het 6.29 bedoelde bescheiden. Artikel6.31Beoordelingsregels ontheffing natuur Voor zover de ontheffing betrekking heeft op een ontwikkeling in een gebied binnen het Natuurnetwerk Nederland of de strategische reservering natuur, bedoeld in artikel 6.24, gelden aanvullend de volgende voorwaarden: er zijn geen reële alternatieven; de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten worden gelijkwaardig gecompenseerd overeenkomstig

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.