← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening 2010 (Utrecht)

In het kort

Deze verordening regelt de openbare orde, veiligheid, leefbaarheid en het uiterlijk aanzien van de gemeente Utrecht, door regels te stellen voor gedrag en activiteiten in de openbare ruimte. Het doel is om overlast te voorkomen en de veiligheid en gezondheid van inwoners te waarborgen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Algemene Plaatselijke Verordening 2010Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripbepalingen Artikel 1:2 Beslistermijn Artikel 1:3 Indiening aanvraag Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Artikel 1:7 Termijnen Artikel 1:8 Weigeringsgronden Hoofdstuk2.Openbare Orde Afdeling2.1Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Bevel politie weg te vervolgen of zich te verwijderen Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde e.d. Artikel 2:3 Verblijfsontzegging Artikel 2:4 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2:5 Cameratoezicht op openbare plaatsen Afdeling2.2Openbare manifestaties Artikel 2:6 Kennisgeving openbare manifestaties op openbare plaatsen Afdeling2.3Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2:7 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen en monsters Afdeling2.4Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2:8 Straatartiest Afdeling2.5Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:9 Voorwerpen of stoffen aan, op, in, of boven de weg Artikel 2:9a Uitstallingen Artikel 2:10 Deponeren van goederen op de weg Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg Afdeling2.6Veiligheid op een openbare plaats Artikel 2:13 Openen van straatkolken e.d. Artikel 2:14 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en verlichting Artikel 2:15a Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting Afdeling2.7Orde in verband met voetbalwedstrijden Artikel 2:16 Begripsbepalingen Artikel 2:17 Vergunningplicht Artikel 2:18 Indienen aanvraag Artikel 2:19 Weigeringsgronden Artikel 2:20 Bevel politie Afdeling2.8Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:21 Speelgelegenheden Artikel 2:22 Speelautomaten Artikel 2:22a Spelen om geld Afdeling2.9Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:23 Betreden gesloten woning, lokaal en erf Artikel 2:24 Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 2:25 Bezit of vervoer van hulpmiddelen voor winkeldiefstal Artikel 2:26 Betreden van plantsoenen e.d. Artikel 2:27 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Artikel 2:28 Hinderlijk drankgebruik Artikel 2:29 Verboden gedrag bij of in gebouwen Artikel 2:30 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Artikel 2:31 Liggen of slapen op of aan een openbare plaats Artikel 2:32 Neerzetten van fietsen e.d. Artikel 2:33 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Artikel 2:34 Bespieden van personen Artikel 2:35 Loslopende honden Artikel 2:36 Verontreiniging door honden Artikel 2:37 Gevaarlijke honden Artikel 2:38 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Afdeling2.10Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:39 Begripsbepaling Artikel 2:40 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht Artikel 2:41 Verkoop van fietsen e.d. op een openbare plaats Afdeling2.11Vuurwerk Artikel 2:42 Begripsbepaling consumentenvuurwerk Artikel 2:43 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Artikel 2:44 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Afdeling2.12Drugsoverlast Artikel 2:45 Handel in verdovende middelen Afdeling2.13Voor publiek openstaande gebouwen Artikel 2:46 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen Hoofdstuk3Seksinrichtingen e.d. Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan Artikel 3:3 Nadere regels Artikel 3:4 Seksinrichtingen en escortbedrijven Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder Artikel 3:6 Maximumstelsel prostitutiebedrijven en werkruimten Artikel 3:7 Geldigheidsduur Artikel 3:8 Wijziging beheerder Artikel 3:9 Beslistermijn Artikel 3:10 Weigeringsgronden Artikel 3:11 Toezicht en verplichtingen Artikel 3:12 Verbod op dwingend bemoeien Artikel 3:13 Minimale verhuurperiode en gebruik werkruimte Artikel 3:14 Sluiting(stijden) Artikel 3:15 Intrekkkingsgronden Artikel 3:16 Registratieplicht raamprostituees Artikel 3:17 Straatprostitutie Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling4.1Overige geluidhinder Artikel 4:1 Overige geluidhinder Afdeling4.2Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:2 Natuurlijke behoefte doen Artikel 4:3 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Artikel 4:4 Plakken en kladden Artikel 4:5 Vervoer plakgereedschap e.d. Artikel 4:5a Winkelwagentjes Afdeling4.3Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:6 Begripsbepalingen Artikel 4:7 Omgevingsvergunning voor het kappen van een boom of vellen van een houtopstand Artikel 4:8 VERVALLEN Artikel 4:9 VERVALLEN Artikel 4:10 Vergunningvoorschriften en weigeringgronden Artikel 4:11 Bijzondere vergunningvoorschriften Artikel 4:12 Afstand van de grenslijn Artikel 4:13 Herplant-/instandhoudingplicht Artikel 4:14 Bestrijding van boomziekten Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling5.1Parkeerexcessen Artikel 5:1 Begripsbepaling parkeren Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 5:4 Defecte voertuigen Artikel 5:5 Voertuigwrakken Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d. Artikel 5:7 Parkeren van grote voertuigen Artikel 5:8 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Artikel 5:9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Afdeling5.2Collecteren Artikel 5:11 Inzameling van geld of goederen Afdeling5.3Straathandel Artikel 5:12 Begripsbepalingen Artikel 5:13 Straathandel: mobiele verkooppunten Artikel 5:14 Standplaats voor een ander doel dan straathandel Afdeling5.4Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:15 Crossterreinen Artikel 5:16 Beperking verkeer in natuurgebieden Afdeling5.5Verbod vuur te stoken Artikel 5:17 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Afdeling5.6Straatnaamborden, huisnummers e.d. Artikel 5:18 Gedoogplicht aanduidingen Artikel 5:19 Verwijdering e.d. aanduidingen Afdeling5.7ABinnenevenementen Artikel 5:20 Begripsbepaling binnenevenement Artikel 5:21 Verbodsbepaling Artikel 5:22 Nadere regels Artikel 5:23 Indienen aanvraag Artikel 5:24 Vereisten organisator Artikel 5:25 Maximum aantal personen Artikel 5:26 Evenementenkalender Artikel 5:27 Weigeringsgronden Artikel 5:28 Samenloop Artikel 5:29 Ordeverstoring Afdeling5.7BBuitenevenementen Artikel 5:30 Begripsbepaling buitenevenement Artikel 5:31 Verbodsbepaling Artikel 5:32 Kennisgeving straat- en buurtfeesten Artikel 5:33 Nadere regels Artikel 5:34 Indienen aanvraag Artikel 5:35 Vereisten organisator Artikel 5:36 Evenementenkalender Artikel 5:37 Weigeringsgronden Artikel 5:38 Schorsende werking andere vergunningen Artikel 5:39 Samenloop en ordeverstoring Afdeling5.8Overige bepalingen Artikel 5:40 Destructie Hoofdstuk6Straf-, overgang- en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling Artikel 6:2 Opsporingsambtenaren en toezichthouders Artikel 6:3 Binnentreden woningen Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening Artikel 6:5 Overgangsbepaling Artikel 6:6 Citeertitel Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1:1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht; openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b; weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994; openbaar water: alle wateren die al of niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk of bevaarbaar zijn; bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van 26 februari 2008; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; voertuigen: alle rij- en voertuigen, met uitzondering van: treinen en (snel)trams; kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen; vaartuig: elk drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebruikt, dan wel bestemd of geschikt is voor het vervoer te water van personen of goederen of voor het dragen van al dan niet met het drijvende lichaam één geheel uitmakende voorwerpen; woonschip: een vaartuig dat aan romp en opbouw herkenbaar is als schip en dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor of is bestemd tot woon- en nachtverblijf; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; straathandel: 1. het op of aan de weg, op openbare grond of aan de huizen te koop aanbieden, te koop vragen of verkopen van voorwerpen, stoffen of waren, hetzij vanuit een vast verkooppunt, hetzij door middel van venten; onder straathandel wordt niet begrepen: het aan de huizen te koop aanbieden of verkopen door degene, die dat doet in de uitoefening van zijn in deze gemeente gevestigde winkel of op bestelling of geregeld volgens afspraak levert; het te koop aanbieden vanuit een krachtens de marktverordening aangewezen standplaats; het aan winkeliers te koop aanbieden of verkopen door handelsreizigers; verblijfsontzegging: een verbod om zich gedurende een bepaalde periode in een aangewezen gebied te bevinden. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; reclame: elke naamsaanduiding, bewegwijzering of penbare aankondiging of aanprijzing, al dan niet (gedeeltelijk) bewegend, al dan niet verlicht, overgebracht door middel van een aanduiding, opschrift, mededeling, uitbeelding, afbeelding, monster of brochure, geluidsversterking of projectie. Uitgezonderd hiervan zijn functionele bouwdelen van gebouwen als boeiboorden, borstweringen of luifels die in bedrijfskleuren zijn uitgevoerd. Artikel1:2Beslistermijn Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op: een aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting of escortbedrijf, zoals beschreven in artikel 3:9; een aanvraag voor een vergunning voor evenementen, zoals beschreven in Hoofdstuk 5, afdelingen 5.7A en 5.7B van deze verordening (artikel 5:21 en artikel 5:31). een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals beschreven in artikel 2:11, 2:12 en afdeling 4.3 van deze verordening. Artikel1:3Indiening aanvraag 1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2.Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken. Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn of indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. Artikel1:7Termijnen 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.Voor zover in deze verordening sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Artikel1:8Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag of het bevoegde orgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid; de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of de gezondheid of de bescherming van het milieu. Hoofdstuk2Openbare orde Afdeling2.1Bestrijding van ongeregeldheden Artikel2:1Bevel politie weg te vervolgen of zich te verwijderen Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij enig voorval waardoor de openbare orde wordt of dreigt te worden verstoord, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een opsporingsambtenaar onmiddellijk zijn weg te vervolgen of zich in een bepaalde richting te verwijderen. Artikel2:2Verstoring van de openbare orde e.d. 1.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, op enigerlei wijze: de orde te verstoren; zich hinderlijk te gedragen; personen lastig te vallen; te vechten; deel te nemen aan een samenscholing; onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2.Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden of indien er ernstig gevaar voor het ontstaan daarvan dreigt, op de in het eerste lid genoemde plaatsen een voorwerp of stof kennelijk meegebracht om die orde te verstoren, bij zich te hebben. 3.Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen of openbare plaatsen, wanneer deze door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4.Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of afsluiting van een gedeelte van de weg of vanwege het bevoegde gezag is aangebracht, te verplaatsen, te verwijderen of omver te halen. Artikel2:3Verblijfsontzegging 1.De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar hij aan personen een verblijfsontzegging kan opleggen. 2.De burgemeester gaat alleen over tot aanwijzing van een gebied als bedoeld in het eerste lid, indien naar zijn oordeel sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. 3.De burgemeester kan een verblijfsontzegging opleggen aan personen die in het aangewezen gebied de openbare orde verstoren door: handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:2, 2:22a, 2:27, eerste lid onder b, 2:28, 2:29, 2:45 artikel 3:17, eerste, tweede of negende lid van deze verordening; het bezit, de handel of het gebruik van in de Opiumwet verboden middelen; het bezit van wapens, messen en andere voorwerpen die als steek- of slagwapen kunnen worden gebruikt; diefstal, inbraak, heling, vernieling of andere vermogensdelicten of geweldpleging of bedreiging. 4.De burgemeester bepaalt in de verblijfsontzegging de termijn waarvoor deze geldt. 5.De burgemeester kan indien de belanghebbende een aantoonbaar belang heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven de verblijfsontzegging naar tijd en plaats beperken. 6.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegde verblijfsontzegging. Artikel2:4Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een veiligheidsrisicogebied aanwijzen. Artikel2:5Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. 2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder openbare plaatsen: openbare parkeerplaatsen of openbare parkeerterreinen. Afdeling2.2Openbare manifestaties Artikel2:6Kennisgeving openbare manifestaties op openbare plaatsen 1.Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 24 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging houdt; het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging; de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensovertuiging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving, alsmede de eventueel door de burgemeester gestelde voorschriften zijn vermeld. 4.Indien het tijdstip van de openbare manifestatie valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. 6.Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, kan, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven. De voorafgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing. Afdeling2.3Verspreiden van gedrukte stukken Artikel2:7Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen en monsters 1.Het is verboden om reclame te maken door middel van gedrukte of geschreven stukken, afbeeldingen, monsters of brochures dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen, voor zover dit geen betrekking heeft op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. 2.Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Afdeling2.4Vertoningen e.d. Artikel2:8Straatartiest e.d. 1.Het is verboden om op een openbare plaats of het openbaar water: op te treden als straatartiest of muziek te maken met een draaiorgel dat door middel van een voertuig wordt verplaatst. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Afdeling2.5Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel2:9Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven de weg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college voorwerpen of stoffen aan, op, in, of boven de weg te plaatsen, aan te brengen, te hebben of te storten. 2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: geen onderdeel zich minder dan 220 cm boven dat gedeelte bevindt; geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 50 cm van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; geen onderdeel verder dan 150 cm buiten de opgaande gevel reikt; deze niet voor commerciële doeleinden zijn bestemd; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; voertuigen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, mits deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging: geen schade toebrengen aan de weg; geen gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; geen belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; standplaatsen als bedoeld in de artikelen 5:13 en 5:14 van deze verordening en als bedoeld in de Standplaatsenverordening 2001 en de Marktverordening Utrecht 2009; portieken van een winkel- of verkoopplaats; terrassen, waarvoor op grond van de Horecaverordening Utrecht 2004 een vergunning is verleend; steigers en containers bestemd voor het bouwen of slopen van een bouwwerk mits: deze buiten de binnenstad, zoals deze is vastgesteld in de wijk- en buurtindeling, is gelegen; deze korter dan vier weken zijn geplaatst; deze minder oppervlakte in beslag nemen dan 15 m²; deze niet in strijd met overige regelgeving is; deze geen schade toebrengt aan de weg; deze geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik ervan; deze geen belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; een goede en veilige doorgang voor minder validen gegarandeerd blijft; geen overlast met het plaatsen en hebben van deze voorwerpen wordt veroorzaakt; voor het gebruik van een parkeerapparatuurplaats of een belanghebbendenplaats parkeerplaatsengeld wordt geheven. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd, indien: het beoogde voorwerp of stof schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde voorwerp of stof hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Woningwet, het Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenverordening provincie Utrecht 2004, of de Afvalstoffenverordening Utrecht 2004 van toepassing zijn of voor zover er sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 5:21 van deze verordening, waarvoor door de burgemeester een vergunning is verleend of een terras als bedoeld in de Horecaverordening Utrecht 2004 en het daarbij behorende Terrassenreglement. 5.De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 1:5, zaaksgebonden. 6.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Artikel2:9aUitstallingen Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving regels stellen ten aanzien van uitstallingen. Artikel2:10Deponeren van goederen op de weg Indien bij de ontruiming van een gebouw, hetzij door een deurwaarder ter tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij een ontruiming is bevolen, hetzij bevoegdelijk door een ander openbaar gezag, op of aan de openbare plaats goederen worden gedeponeerd, zoals huisraad, meubilair en dergelijke, is de rechthebbende of gebruiker van deze goederen verplicht de gedeponeerde goederen onverwijld van de weg te verwijderen. Artikel2:11Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. 4.Het verbod geldt voorts niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening 2008. 5.De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 1:5, zaaksgebonden. Artikel2:12Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een handeling te verrichten als is beschreven in artikel 2.2, eerste lid onder e. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het doelmatig en veilig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente of vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan. 3.De vergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 1:5, zaaksgebonden. Afdeling2.6Veiligheid op een openbare plaats Artikel2:13Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan, brandput of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel2:14Rookverbod in parken, bossen en natuurgebieden 1.Het is verboden te roken in parken, bossen en natuurgebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode. 2.Het is verboden in parken, bossen en natuurgebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3.Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven. Artikel2:15Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterwet, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel2:15aVerwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Afdeling2.7Orde in verband met voetbalwedstrijden Artikel2:16Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: organisator: a. de betaaldvoetbalorganisatie FC Utrecht, indien het betreft een voetbal wedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaaldvoetbalorganisatie FC Utrecht als thuisspelende ploeg betrokken is; de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Utrecht, waarbij tenminste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken, dan wel in geval van wedstrijden tussen vertegenwoordigende elftallen; degene die buiten de gevallen genoemd onder 1 en 2 een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken. voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld onder a. Artikel2:17Vergunningplicht 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden. 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan meerdere wedstrijden betreffen. 3.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel2:18Indienen aanvraag 1.De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:17 dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 2.In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de gegevens van de organisator; de deelnemende voetbalorganisaties; de geplande datum, tijdstip en locatie van de wedstrijd. 3.De aanvraag dient vergezeld te gaan van een door de organisator op te stellen veiligheidsplan. Artikel2:19Weigeringsgronden 1.De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:17 in het belang van de openbare orde en veiligheid weigeren indien: de vrees bestaat voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde; het aannemelijk is dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd; de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van de voetbalwedstrijd. 2.De burgemeester weigert een vergunning als bedoeld in artikel 2:17 indien niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 2:18. Artikel2:20Bevel politie Personen, van wie uit feiten en omstandigheden blijkt, dat zij zich als voetbalsupporter manifesteren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie, met inachtneming van de door hem in het belang van de handhaving van de openbare orde gegeven aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven. Afdeling2.8Toezicht op speelgelegenheden Artikel2:21Speelgelegenheden 1.In dit artikel wordt verstaan onder: speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden een spel te beoefenen; spel: spel, gespeeld in een speelgelegenheid als bedoeld onder a, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.Onverminderd hetgeen is bepaald in de Wet op de kansspelen is het verboden zonder vergunning een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 3.Onverminderd hetgeen is bepaald in de Wet op de kansspelen is het verboden deel te nemen aan een spel. 4.De verboden in het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op speelgelegenheden waarvoor vergunning is verleend op grond van de Wet op de kansspelen of op grond van de Verordening op de speelautomatenhallen als bedoeld in artikel 30c, eerste lid onder c van de Wet op de kansspelen. 5.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel2:22Speelautomaten 1.In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen; speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2.In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. 3.In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. Artikel2.22aSpelen om geld Onverminderd het bepaalde in de Wet op de Kansspelen is het verboden op de openbare plaats om geld of in geld inwisselbare voorwerpen te spelen. Afdeling2.9Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel2:23Betreden gesloten woning, lokaal en erf 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel2:24Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen, zoals lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns e.d. te vervoeren of bij zich te hebben, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de genoemde voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor het verschaffen van de in het eerste lid bedoelde handelingen. Artikel2:25Bezit of vervoer van hulpmiddelen voor winkeldiefstal 1.Het is verboden op of aan de openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen. 3.Dit verbod wordt twee jaar na de datum van inwerkingtreding geëvalueerd. Artikel2:26Betreden van plantsoenen e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, begraafplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of enige andere openbare beplanting of bloemperk, buiten de daarin gelegen wegen of paden. Artikel2:27Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden: op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair e.d.; zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan gebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:28Hinderlijk drankgebruik 1.Het is verboden op de openbare plaats of het openbaar water, dat deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een inrichting, als bedoeld in artikel 1, onderdeel A, sub 1 van de Horecaverordening Utrecht 2004; de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet. Artikel2:29Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek, poort of bordes of onder een overkapping en dergelijke op te houden; in, op of tegen een raamkozijn, drempel of bordes en dergelijke van een gebouw te zitten of te liggen. Artikel2:30Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze: op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte of deze te verontreinigen of deze te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel2:31Liggen of slapen op of aan een openbare plaats Het is verboden –al dan niet met gebruikmaking van enige vorm van beschutting, waaronder in ieder geval begrepen het gebruik van een auto, of caravan e.d.– op of aan een openbare plaats: tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen; tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat door een opsporingsambtenaar in het belang van de openbare orde, veiligheid of ter bestrijding van overlast is aangezegd dat dit moet worden beëindigd. Artikel2:32Parkeren van fietsen en bromfietsen 1.Het is verboden een fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel, al of niet voor onmiddellijk gebruik geschikt, te parkeren als daardoor: a.op een voetpad of trottoir de doorgang wordt gehinderd of belemmerd; b.de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt gehinderd; c.op of aan een openbare plaats hinder, overlast of schade ontstaat of d.voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel staat geparkeerd de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd. 2.Het is verboden een fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel, al of niet voor onmiddellijk gebruik geschikt, zonder wezenlijke tijdsonderbreking te parkeren op of aan een openbare plaats dan wel in of buiten de openbare fietsparkeervoorzieningen in door het college aangewezen gebieden en langer dan een door het college te bepalen periode. Artikel2:33Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, evenement, betoging of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, of op plaatsen welke ter voorkoming van hinder voor wandelend of winkelend publiek zijn aangewezen, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel2:34Bespieden van personen 1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. 2.Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden. Artikel2:35Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is, behalve op de door het college aangewezen gebieden, mits die hond onder behoorlijk toezicht staat; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, stadsboerderij, zandbak, speelweide, begraafplaats of op een andere door het college aangewezen plaats; op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander aangebracht identificatiekenmerk, dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.De verboden genoemd in het eerste lid onder a. en b. gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleide- of hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleide- of hulphond. Artikel2:36Verontreiniging door honden 1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van een openbare plaats dat bestemd is of mede bestemd is voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, stadsboerderij, zandbak, speelweide of begraafplaats; op een andere door het college aangewezen plaats of aangewezen buurt, anders dan op daarvoor specifiek aangewezen plekken (hondentoiletten-uitlaatplaatsen). 2.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel2:37Gevaarlijke honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. 2.In afwijking van artikel 2:35, eerste lid onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand inhoudende een uniek nummer aan de hand waarvan de identiteit en het adres van de eigenaar of de houder van de hond kan worden achterhaald. 3.In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: muilkorf ingericht naar een model dat beantwoordt aan de volgende beschrijving: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een vaste lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1.50 meter. Artikel2:38Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het is verboden één of meer dieren op een voor de omgeving hinderlijke wijze aanwezig te doen zijn. 2.Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels of aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. 3.Het is verboden op een krachtens het tweede lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. 4.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het tweede lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Afdeling2.10Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel2:39Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:40Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder 1, sub a. , bedoelde adressen; als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een aanduiding te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel2:41Verkoop van fietsen e.d. op een openbare plaats Het is verboden op of aan een openbare plaats fietsen, bromfietsen en dergelijke voertuigen te koop aan te bieden, te verkopen of te kopen, anders dan direct vanuit een aan de weg gevestigd detailhandelsbedrijf voor rijwielen. Afdeling2.11Vuurwerk Artikel2:42Begripsbepaling consumentenvuurwerk In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk waarop het Vuurwerkbesluit van toepassing is. Artikel2:43Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd. 2.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Artikel2:44Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Afdeling2.12Drugsoverlast Artikel2:45Handel in verdovende middelen Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan een openbare plaats post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan openbare plaatsen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden of op of aan openbaar water post te vatten, zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan het openbaar water in of op een vaartuig te bevinden of daarmee heen en weer te varen, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Afdeling2.13Voor publiek openstaande gebouwen Artikel2.46Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2.Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(

  1. en)van het gebouw of het erf. 3.Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4.Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 5.Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 6.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet of de Horecaverordening Utrecht 2004. Hoofdstuk3Seksinrichtingen e.d. Artikel3:1Begripsomschrjvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; (raam)prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding, bij een raamprostituee in een raamprostitutiebedrijf; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, dan wel meerdere besloten ruimten in elkaars directe nabijheid, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen, al dan niet met een ander, tegen vergoeding worden verricht. Hieronder wordt in ieder geval verstaan een prostitutiebedrijf, raamprostitutiebedrijf of sekstheater, al dan niet in combinatie met elkaar; prostitutiebedrijf: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin prostitutie plaatsvindt of gelegenheid wordt geboden tot het plaatsvinden van prostitutie; raamprostitutiebedrijf: een prostitutiebedrijf waar het werven van klanten gebeurt vanuit de werkruimte door prostituees die zichtbaar zijn vanaf een openbare plaats; werkruimte: een gedeelte van een prostitutiebedrijf waarin de seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding plaatsvinden; escortbedrijf: de natuurlijke persoon of (bestuurder van
  2. de)rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was bemiddelt voor prostitutie die op een andere plaats dan in de seksinrichting wordt uitgeoefend; exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert; beheerder: de natuurlijke persoon die met het feitelijk beheer en het dagelijks toezicht in een seksinrichting is belast of feitelijk het escortbedrijf beheert; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1. de exploitant; 2. de beheerder; 3. de prostituee; 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; 5. ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van deze verordening en 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel3:2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan het college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor publiek openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel3:3Nadere regels Met het oog op de in artikel 3:10, tweede lid genoemde belangen, kan het bevoegd bestuursorgaan over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Artikel3:4Seksinrichtingen en escortbedrijven 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant, indien een rechtspersoon: de persoonsgegevens van de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon/personen; de persoonsgegevens van de beheerder; een geldig legitimatiebewijs van iedere exploitant of beheerder; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; behoudens voor escortbedrijven, het aantal in de inrichting aanwezige werkruimtes en een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting of escortbedrijf. 3.Indien de burgemeester dit nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag, worden aanvullende bescheiden en gegevens overgelegd. 4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel3:5Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant –indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon/personen– of de beheerder: staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en heeft de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. 2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en beheerder niet: met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van EUR 500,00 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, alsmede artikel 6 jo. artikel 8 of jo. artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan EUR 375,00 bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.De exploitant of beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel3:6Maximumstelsel prostitutiebedrijven en werkruimten 1.Het bevoegd bestuursorgaan verleent aan ten hoogste vijf prostitutiebedrijven, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, een vergunning. 2.Het bevoegd bestuursorgaan verleent aan raamprostitutiebedrijven voor ten hoogste 162 werkruimten aan vergunningen. 3.In de vergunning wordt het aantal werkruimten per raamprostitutiebedrijf vastgelegd. Dit aantal mag niet worden uitgebreid. Artikel3:7Geldigheidsduur 1.De vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, vervalt drie jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan. 2.De vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, vervalt ook wanneer: de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk is beëindigd of overgedragen; zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de vergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf gedurende zes maanden achtereen is gestaakt. 3.Indien minimaal twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag tot verlenging is besloten. Artikel 3:9 is van overeenkomstige toepassing. Artikel3:8Wijziging beheerder 1.Het bevoegd bestuursorgaan kan de vergunning wijzigen, als er sprake is van een wijziging in beheerder en die wijziging vooraf is aangevraagd. 2.Op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing. Artikel3:9Beslistermijn 1.Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag om vergunning in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is binnengekomen. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3:10Weigeringsgronden 1. Het bevoegd bestuursorgaan weigert een vergunning indien: de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met artikel 3:6, of een niet in de aanvraag of vergunning vermelde persoon beheerder is of is geworden met betrekking tot de seksinrichting of escortbedrijf waarop de vergunning betrekking heeft; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf: personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; minderjarigen werkzaam en/of aanwezig zijn of zullen zijn; geen of onvoldoende toezicht aanwezig is van de exploitant of beheerder; prostituees aanwezig zijn, die niet op grond van artikel 3:16 zijn geregistreerd. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het bevoegd bestuursorgaan een vergunning weigeren in het belang van: het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat of de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Artikel3:11Toezicht en verplichtingen 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en/of de beheerder dienen er voortdurend op toe te zien, dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal), artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht en XXX (begunstiging) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; geen minderjarigen aanwezig zijn; 3.De exploitant van een raamprostitutiebedrijf is verplicht: de werkruimte te voorzien van een deugdelijke alarminstallatie en een sluitende administratie te voeren. 4.De exploitant en/of beheerder van een raamprostitutiebedrijf dienen er voortdurend op toe te zien, dat in het raamprostitutiebedrijf uitsluitend op grond van artikel 3:16 geregistreerde prostituees werkzaam zijn. Artikel3:12Verbod op dwingend bemoeien Het is verboden zich op een openbare plaats op enigerlei wijze dwingend te bemoeien met een (raam)prostituee. Artikel3:13Minimale verhuurperiode en gebruik werkruimte 1.De minimale verhuurperiode van een werkruimte, daaronder begrepen een vitrine, bedraagt een aaneengesloten periode van vier weken. 2.Het is bij de raamprostitutiebedrijven gesitueerd aan het Zandpad verboden een werkruimte gedurende een aaneengesloten periode van meer dan 12 uur per dag te laten gebruiken door dezelfde prostituee. 3.Het is bij de raamprostitutiebedrijven gesitueerd aan het Zandpad verboden een prostituee, die gedurende een aaneengesloten periode van 12 uur als in het voorgaande lid bedoeld gebruik heeft gemaakt van een werkruimte, gebruik te laten maken van een andere werkruimte. 4.Het is verboden een prostituee gebruik te laten maken van een werkruimte die al aan een andere prostituee is verhuurd, behoudens bijzondere omstandigheden. 5.De werkruimte mag niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze is bedoeld. Artikel3:14Sluiting(stijden) 1.Het bevoegd bestuursorgaan kan de, al dan niet tijdelijke, gehele of gedeeltelijke sluiting van een seksinrichting bevelen indien: gehandeld wordt in strijd met het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde; gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften of dat met het oog op de bescherming van de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen noodzakelijk is. 2.Het is verboden in de seksinrichting bezoekers toe te laten gedurende de tijd dat de inrichting bij of krachtens deze verordening gesloten dient te zijn. 3.Het bevoegd bestuursorgaan kan, indien wordt gehandeld in strijd met het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde, met het oog op het in artikel 3:10 genoemde belangen of bij overtreding van de aan de vergunning verbonden voorschriften, al dan niet tijdelijk voor een afzonderlijke seksinrichting sluitingsuren vaststellen 4.Het is de bezoeker van een seksinrichting verboden zich in de inrichting te bevinden gedurende de tijd dat de inrichting bij of krachtens deze verordening gesloten dient te zijn. Artikel3:15Intrekkingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegd bestuursorgaan een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, geheel of gedeeltelijk intrekken indien wordt gehandeld in strijd met het bij of krachtens artikel 1:8 en dit hoofdstuk bepaalde. Artikel3:16Registratieplicht raamprostituees 1.Het is verboden voor een persoon om zonder registratie door het bevoegd bestuursorgaan als prostituee werkzaam te zijn in een raamprostitutiebedrijf. 2.De aanvraag tot registratie dient: door de prostituee persoonlijk te worden gedaan ten overstaan van een daartoe door het bevoegd bestuursorgaan gemandateerd ambtenaar en te geschieden door middel van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld formulier en dient van de benodigde bijlagen te zijn voorzien. 3.De registratie wordt geweigerd indien: de prostituee nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of de prostituee niet voldoet aan de relevante bepalingen, gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 of de Wet Arbeid Vreemdelingen. 4.In afwijking van hetgeen in artikel 1:2 is opgenomen, registreert het bevoegd bestuursorgaan de prostituee binnen twee weken nadat de aanvraag is ontvangen, te verdagen met maximaal twee weken. 5.De registratie heeft een duur van vierentwintig maanden. 6.De burgemeester verwijdert de prostituee uit de registratie: indien de prostituee hier zelf om verzoekt; na afloop van de duur van de registratie, als bedoeld in het vijfde lid; indien de prostituee ter verkrijging van de registratie onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt of indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het registreren van de prostituee moet worden aangenomen dat verwijdering uit de registratie wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de registratie is vereist. 7.De prostituee ontvangt een bewijs van registratie. Artikel3:17Straatprostitutie 1.Het is aan een persoon van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zich aan prostitutie overgeeft, verboden op een openbare plaats, dan wel elders op voor het publiek toegankelijke plaatsen, iemand door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op door het college aangewezen openbare plaatsen gedurende door het college vastgestelde tijden, mits degene die tot prostitutie beweegt, uitnodigt of daartoe aanlokt, beschikt over een vergunning van het daartoe bevoegd bestuursorgaan. 3.De aanvraag om vergunning als bedoeld in het tweede lid, dient: te geschieden door middel van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld formulier en dient in ieder geval de gegevens van de aanvrager te bevatten en dient door de aanvrager in persoon te worden gedaan ten overstaan van een daartoe door het bevoegd bestuursorgaan gemandateerd ambtenaar. 4.Vergunningen hebben een door het bevoegd bestuursorgaan vast te stellen beperkte geldigheidsduur. 5.De vergunning vervalt indien de vergunninghouder daar gedurende een door het bevoegd bestuursorgaan te bepalen periode geen gebruik van heeft gemaakt. 6a.De vergunning wordt geweigerd indien: er aanwijzingen zijn dat de aanvrager werkzaam zal zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; de aanvrager de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft of het bevoegd bestuursorgaan een maximum aantal te verlenen vergunningen heeft vastgesteld en dit maximum is bereikt. 6b.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat of in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 7.Met het oog op de in het zesde lid, onder b genoemde belangen, kan het bevoegd bestuursorgaan over de uitoefening van de bevoegdheden in dit artikel nadere regels vaststellen. 8.Het bevoegd bestuursorgaan kan de vergunning als bedoeld in het tweede lid voor bepaalde of onbepaalde tijd intrekken, indien de vergunninghouder: het bepaalde bij of krachtens dit artikel overtreedt; het bepaalde bij of krachtens artikel 1:6, onder a, b, c of e overtreedt, of in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 9.Door toezichthouders belast met de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit artikel en politieambtenaren kan het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen: met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, of aan personen die zich bevinden op de wegen, plaatsen en tijden bedoeld in het tweede lid, met het oog op de in het zesde lid, onder b genoemde belangen. 10.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. 11Artikel 3:12 is van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling4.1Overige Geluidhinder Artikel4:1Overige geluidhinder 1.Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van toestellen of geluidsapparaten, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder. 4.De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen: het maximale geluidsniveau; de situering van geluidsbronnen; de frequentie en tijden van gebruik. 5.Het verbod geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement Verkeerstekens en verkeersregels, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening van toepassing zijn. 6.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Afdeling4.2Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel4:2Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel4:3Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Artikel4:4Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte van een onroerende en/of roerende zaak dat vanaf een openbare plaats of openbaar water zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats op een gedeelte van een onroerende en/of roerende zaak dat vanaf een openbare plaats of openbaar water zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel4:5Vervoer plakgereedschap e.d. 1.Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. 2.Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 4:4, eerste, tweede en vijfde lid. Artikel4:5aWinkelwagentjes a.Het is verboden zich met een winkelwagentje op of aan een openbare plaats te bevinden op een afstand van meer dan 100 meter van het bedrijf dat het winkelwagentje ter beschikking heeft gesteld. b.Het is verboden een winkelwagentje te deponeren of achter te laten op of aan een openbare plaats, anders dan op plaatsen die daartoe door de rechthebbende zijn aangewezen. c.Het college kan gebieden aanwijzen waarbinnen bedrijven die winkelwagentjes ter beschikking stellen verplicht worden op of aan een openbare plaats achtergelaten of gedeponeerde winkelwagentjes direct te verwijderen. d.Het is de rechthebbende op een bedrijf verboden winkelwagentjes ten behoeve van het publiek ter beschikking te stellen zonder dat deze zijn voorzien van een duidelijk leesbare aanduiding van de naam en het adres van het bedrijf. e.Het bepaalde in het derde lid geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Afdeling4.3Het bewaren van houtopstanden Artikel4:6Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat: een- of meerstammig kan zijn, waarbij in geval van meerstammigheid de stammen zich bovengronds moeten vertakken; een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste stam, van 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld heeft; houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen, een lintbeplanting in de vorm van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen; hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; knotten/kandelaberen: het tot op de snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid van de Boswet; boomwaarde: het getal dat wordt gevonden door het product van de volgende factoren: de oppervlakte in vierkante centimeters van de dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld; de geïndexeerde eenheidsprijs per vierkante centimeter; de standplaatswaarde; de conditiewaarde; de waarde van de plantwijze; g.vellen: afzagen, afhakken, rooien met inbegrip van verplanten en het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Artikel4:7Omgevingsvergunning voor het kappen van een boom of vellen van een houtopstand 1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een handeling te verrichten als is beschreven in artikel 2.2, eerste lid onder g. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet, indien het betreft: wegbeplanting of eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; fruitbomen en windschermen om boomgaarden; fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaren, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; kweekgoed; houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig door het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten de bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan tien are; ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan twintig bomen, gerekend over het totale aantal rijen. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor: houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:13 en 4:14; het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten; bomen met een dwarsdoorsnede van de stam tot maximaal 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld; bomen met een ouderdom van 49 jaar of jonger die zich bevinden op een kadastraal perceel van gelijk of minder dan 300 m2; bomen met een ouderdom van 49 jaar of jonger die zich bevinden in een tuin behorende bij een verhuurde woning en, waarvan de grootte van de verhuurde eenheid inclusief tuin gelijk of minder is dan 300 m2. Artikel4:8Vervallen Artikel4:9Vervallen Artikel4:10Vergunningvoorschriften en weigeringgronden 1.Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van: ecologische waarde; ruimtelijke waarde; milieuwaarde; cultuurhistorische waarde. 2.Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of onder voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren. Artikel4:11Bijzondere vergunningvoorschriften 1.Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2.Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3.Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna, met name het niet uitvoeren van velwerkzaamheden ter bescherming van broedende vogels. Artikel4:12Afstand van de grenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 50 centimeter voor bomen en nihil voor heggen en heesters. Artikel4:13Herplant-/instandhoudingplicht 1.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college van aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen bennen een door hen te stellen termijn. 2.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3.Indien een houtopstand waarop het verbod tot het vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, door uitvoering van werkzaamheden, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. 4.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede aan diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Artikel4:14Bestrijding van boomziekten 1.Indien zich op een terrein één of meer bomen of andere houtopstand bevinden, die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de insecten, die boomziekten verspreiden, is de eigenaar of de publiekrechtelijk bevoegde op aanschrijving van het college en binnen de door haar te stellen termijn verplicht: de houtopstand te vellen; de houtopstand ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen; de niet ontbaste bomen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen, dat verspreiding van boomziekten wordt voorkomen; in geval van iepziekte alle hierboven onder a., b. en c. genoemde maatregelen te treffen; alle andere maatregelen te treffen ter voorkoming van boomziekten behoudens beperkingen bij of krachtens de Plantenziektenwet gesteld. 2.Het is verboden gevelde door boomziekte aangetaste bomen, of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij het betreft geheel ontbast hout of hout met een doorsnede kleiner dan 4 cm. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, als bedoeld in het tweede lid. Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling5.1Parkeerexcessen Artikel5:1Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990); voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals, kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen. Artikel5:2Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel (zie het derde lid) wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a.voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b.voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.drie of meer voertuigen die hem kennelijk toebehoren of kennelijk zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 50 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b.de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Het is andere personen dan bedoeld in het derde lid verboden de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Het in het derde lid gestelde verbod geldt niet: a.voor het parkeren van voertuigen waarvoor een standplaats op een automarkt is aangewezen, op deze standplaats gedurende de tijd dat deze markt wordt gehouden; b.voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel5:3Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel5:4Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel5:5Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.Het verbod geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel5:6Kampeermiddelen en dergelijke 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op door het college aangewezen wegen, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijke aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a., gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening provincie Utrecht 2004 of de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996. Artikel5:7Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4.Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel5:8Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod geldt niet: gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is; voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel5:9Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel5:10Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of aangelegde beplanting of groenstrook. 2.Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Afdeling5.2Collecteren Artikel5:11Inzameling van geld of goederen 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. 2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. 4.Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen. 5.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Afdeling5.3Straathandel Artikel5:12Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: straathandel: hieronder wordt zowel de ambulante handel (venten), als de stationaire handel (vanuit een vast verkooppunt) verstaan; ambulante handel (of venten): het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis; standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Artikel5:13Straathandel: mobiele verkooppunten 1.Het is verboden zonder vergunning van het college, in de uitoefening van de straathandel, andere waren dan gedrukte of geschreven stukken, waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard, te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren op of aan de weg of op of aan een openbaar water. De straathandel vanuit een vast verkooppunt mag noch geheel, noch gedeeltelijk bestaan uit het exploiteren van een zitgelegenheid waar dranken of spijzen voor directe consumptie worden bereid geserveerd en/of genuttigd. 2.Het college kan een vergunning weigeren op de gronden zoals bedoeld in artikel 13 van de Standplaatsverordening 2001. 3.Deze bepaling is niet van toepassing op straathandel in de zin van de Standplaatsen-verordening 2001. 4.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het verboden in het gebied dat begrensd wordt door de Catharijnesingel, de Weerdsingel, de Wittevrouwensingel, de Maliesingel en de Tolsteegsingel en binnen het winkelcentrum Hoog Catharijne gelegen overdekte voetgangerstraversen, anders dan in de uitoefening van de ambulante handel in de zin van de Standplaatsverordening 2001 en de Marktverordening 2009, de weg in te nemen voor de verkoop van goederen en waren vanuit een vast verkooppunt. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het vierde lid van dit artikel gestelde verbod voor de binnen het winkelcentrum Hoog Catharijne gelegen overdekte voetgangerstraversen. 6.De in het eerste lid van artikel 10 van de Uitstalverordening 2001 bedoelde nadere regels van het college zijn van overeenkomstige toepassing op de ontheffing als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel. 7.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Artikel5:14Standplaats voor een ander doel dan straathandel Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats op of aan de weg of aan een openbaar water in te nemen, voor een ander doel dan straathandel, met een tafel, een kraam, een voertuig of ander voorwerp. Het college kan een vergunning weigeren op grond van de gronden zoals bedoeld in artikel 13 van de Standplaatsverordening 2001. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Afdeling 5.4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel5:15Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden of; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel5:16Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden of de veiligheid van het publiek. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld of voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet op wegen. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 6.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Afdeling5.5Verbod vuur te stoken Artikel5:17Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Het verbod geldt niet voor het betreft: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand of vuur voor koken, bakken en braden, voor dat geen gevaar voor de omgeving oplevert. 3.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de woon- en leefomgeving; ter bescherming van de flora en fauna; ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door rook, roet,stof, walm of stank. 5.Het verbod geldt niet voor in het geregelde onderwerp wordt voorzien door: de vigerende Provinciale Milieuverordening Utrecht; artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. 6.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Afdeling5.6Straatnaamborden, huisnummers e.d. Artikel5:18Gedoogplicht aanduidingen 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen, aanduidingen voor brandkranen en brandputten worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het college geeft tevoren schriftelijk kennis aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen, aanduidingen voor brandkranen en brandputten. Artikel5:19Verwijdering e.d. aanduidingen 1.Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in artikel 5:18 eerste lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen of onleesbaar te maken. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende op een bouwwerk die met inachtneming van het door het college vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen. Het college kan ter zake nadere regels stellen. Afdeling5.7ABinnenevenementen Artikel5:20Begripsbepaling binnenevenement 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een, al dan niet met enige beperkingen, voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak in een gebouw of een gedeelte daarvan met uitzondering van: betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; bioscoop- en theatervoorstellingen; sportwedstrijden voor zover deze plaatsvinden onder auspiciën van een bij de NOC*NSF aangesloten sportbond; voetbalwedstrijden als bedoeld in afdeling 2.7 van deze verordening; activiteiten in horecabedrijven die in de uitoefening van het horecabedrijf gebruikelijk zijn; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h. van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; speelgelegenheden als bedoeld in artikel 2:21 van deze verordening. 2.In deze afdeling wordt onder organisator verstaan een natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigde(n), die een evenement als bedoeld in het eerste lid houdt of doet houden. Artikel5:21Verbodsbepaling 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement als bedoeld in artikel 5:20 te houden of doen houden waarbij het totaal aantal van 2.000 bezoekers wordt overschreden gerekend over een aaneengesloten periode van 24 uur. 2.De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarop het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 van deze verordening, wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden dat de organisator een verzekering tegen aansprakelijkheid met een toereikende dekking afsluit. 4.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel5:22Nadere regels Met het oog op de in artikel 5:27 en de in artikel 1:8 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in deze paragraaf nadere regels vaststellen Artikel5:23Indienen aanvraag 1.De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5:21, eerste lid, dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 2.In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de gegevens van de organisator; de geplande datum, tijdstip en locatie van het evenement; een omschrijving van de aard en karakter van het evenement; het te verwachten aantal bezoekers. 3.De aanvraag dient vergezeld te gaan van een door de organisator opgesteld veiligheidsplan. Artikel5:24Vereisten organisator 1.Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 5:21, eerste lid dient de organisator aan de volgende eisen te voldoen: hij mag niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij zijn ontzet; hij mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; hij moet de leeftijd van éénentwintig jaar hebben bereikt en hij moet aantoonbare ervaring hebben in het organiseren van vergelijkbare evenementen als het evenement waarvoor vergunning wordt aangevraagd. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid onder d. gestelde vereiste. Artikel5:25Maximum aantal personen De burgemeester stelt op basis van het, in de vergunning aangegeven, veiligheidsplan, het risicoprofiel van de beoogde bezoekers en de voor een goed verloop van het evenement noodzakelijk geachte inzet en beschikbaarheid van hulpdiensten voor het evenement een maximum aantal bezoekers vast. Artikel5:26Evenementenkalender 1.De burgemeester stelt jaarlijks vóór 1 december een Evenementenkalender vast voor het volgende kalenderjaar. 2.Degene die voornemens is een evenement te organiseren kan de burgemeester jaarlijks vóór 1 november verzoeken een evenement te plaatsen op de Evenementenkalender van het volgende jaar. Een dergelijk verzoek is geen aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5:21, eerste lid of artikel 5:31. 3.Aan de plaatsing van een evenement op de Evenementenkalender kunnen geen rechten worden ontleend met uitzondering van het bepaalde in artikel 5:27, tweede lid onder c. of artikel 5:37, tweede lid onder d. Artikel5:27Weigeringsgronden 1.De vergunning wordt geweigerd indien: niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 5:23 of niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 5:24 gestelde eisen; 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd, indien: a.onevenredig veel beslag wordt gelegd op de hulpdiensten; b.de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement of c.in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als bedoeld in artikel 5:26 reeds een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid daarvan. Artikel5:28Samenloop Activiteiten, die deel uitmaken van een evenementenvergunning, zijn niet afzonderlijk vergunningplichtig uit hoofde van andere gemeentelijke publiekrechtelijke regelingen niet zijnde belastingen, leges of retributievoorschriften. Artikel5:29Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling5.7bBuitenevenementen Artikel5:30Begripsbepaling buitenevenement 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een voor het publiek toegankelijke bijzondere gebeurtenis, al dan niet met een openbaar dan wel besloten karakter, op of aan de openbare plaats of het openbaar water, met uitzondering van: betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet; een klein evenement. Hieronder wordt verstaan een buurt- en/of straatfeest. 2.In deze afdeling wordt onder organisator verstaan een natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigden, die een evenement als bedoeld in het eerste lid houdt of doet houden. Artikel5:31Verbodsbepaling 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement als bedoeld in artikel 5:30 te houden. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 van deze verordening kan aan de vergunning het voorschrift verbonden worden dat de organisator een verzekering tegen aansprakelijkheid met een toereikende dekking afsluit. 3.Indien een vergunning is verleend voor een evenement als bedoeld in het eerste lid, dan: wordt geen vergunning verleend aan derden voor op zichzelf staande activiteiten en handelingen op of aan de openbare plaats of het openbaar water gedurende de tijden waarop en in het gebied waar het evenement plaatsvindt; worden aanvragen om vergunning als bedoeld in de artikelen 2:9, 5:13 van deze verordening geweigerd. 4.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel5:32Kennisgeving straat- en buurtfeesten 1.Het in artikel 5:31 eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor eendaagse straat- en buurtfeesten indien: het aantal aanwezigen niet meer is dan 50 personen en niet plaatsvindt op een doorgaande weg; het evenement op een werkdag of een zaterdag plaatsvindt tussen 09.00 uur en 23.00 uur of op een zon- of officieel erkende feestdag tussen 13.00 uur en 23.00 uur; het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron beperkt is; gedurende het evenement geen verkoop van eten, drinken of goederen plaatsvindt; slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m² per object; afzethekken voorzien van een C1-bord en de onder e genoemde objecten dienen zodanig te worden geplaatst dat in geval van calamiteiten de hulpdiensten een vrije doorgang hebben van minimaal 3,5 meter breed en 4,2 meter hoog; er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt; er een voor de gemeente aanspreekbare organisator is; de organisator bij de burgemeester ten minste twee weken voorafgaand aan het evenement melding maakt van het evenement op een door de burgemeester vastgesteld formulier; binnen 10 dagen na ontvangst van het formulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden, en de organisator ten tijde van het feest een ontvangstbevestiging, van het feit dat hij een kennisgeving heeft gedaan, kan tonen. 2.Indien het vermoeden bestaat dat op een evenement één van de weigeringsgronden van artikel 1:8 of artikel 5:37, tweede lid van toepassing is, kan de burgemeester, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat het in artikel 5:31, eerste lid, gestelde verbod, onverkort geldt. De burgemeester zendt dit tegenbericht, als bedoeld in onderdeel j. van het eerste lid, binnen tien dagen na ontvangst van het formulier. Artikel5:33Nadere regels Met het oog op de in artikel 5:37 en de in artikel 1:8 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in deze afdeling nadere regels vaststellen. Artikel5:34Indienen aanvraag 1.De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5:31 geschiedt door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 2.In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de gegevens van de organisator; de datum, tijdstip en locatie van het evenement; een omschrijving van de aard en karakter van het evenement; een omschrijving van de activiteiten en handelingen die in het kader van het evenement plaatsvinden; het te verwachten aantal bezoekers van of deelnemers aan het evenement. 3.De burgemeester kan bepalen dat de aanvraag vergezeld wordt van een door de organisator opgesteld veiligheidsplan. Artikel5:35Vereisten organisator 1.Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 5:31, dient de organisator aan de volgende eisen te voldoen: hij mag niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij zijn ontzet; hij mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; hij moet de leeftijd van éénentwintig jaar hebben bereikt en hij moet aantoonbare ervaring hebben in het organiseren van vergelijkbare evenementen als het evenement waarvoor vergunning wordt aangevraagd. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid onder a., c. of d. gestelde vereiste. Artikel5:36Evenementenkalender Artikel 5:26 van deze verordening is op deze afdeling van overeenkomstige toepassing. Artikel5:37Weigeringsgronden 1.De vergunning wordt geweigerd, indien: niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 5:34 of niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 5:35 gestelde eisen; 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd, indien: a.onevenredig veel beslag wordt gelegd op de ruimte of op de gemeentelijke - of hulpdiensten; b.de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement; c.de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie of d.in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als bedoeld in artikel 5:26 reeds een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid daarvan. Artikel5:38Schorsende werking andere vergunningen Bij het verlenen van de vergunning als bedoeld in artikel 5:31 eerste lid, kan bepaald worden dat de werking van reeds geldende vergunningen voor het gebruik van de openbare plaats of het openbaar water in het gebied waar het evenement plaatsvindt wordt geschorst zolang dit noodzakelijk is in het belang van het evenement. Artikel5:39Samenloop en Ordeverstoring De artikelen 5:28 en 5:29 zijn van overeenkomstige toepassing op deze afdeling. Afdeling5.8Overige bepalingen Artikel5:40Destructie 1.In dit artikel wordt verstaan onder: de wet: de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren; aangifteplichtige: degene die als houder of eigenaar van dode gezelschapsdieren ingevolge de wet verplicht is daarvan aangifte te doen; destructiemateriaal: krachtens artikel 81h, eerste lid, onder a. van de wet aangewezen dode gezelschapsdieren. 2.Het college wijst één of meer verzamelplaatsen aan, waar het destructiemateriaal in ontvangst wordt genomen. 3.Tot het tijdstip van afgifte is de aangifteplichtige gehouden het destructiemateriaal zodanig te bewaren, dat vermenging met ander materiaal wordt voorkomen. 4.Het in het tweede en derde lid van dit artikel gestelde vindt is eveneens van toepassing voor zover artikel 81h, vijfde lid van de wet van toepassing is. Hoofdstuk6Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel6:1Strafbepaling Overtreding van de artikelen en de krachtens deze artikelen gegeven voorschriften en beperkingen, met uitzondering van de artikelen 2:11, 2:12, 4:7 en 4:11 van deze verordening, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23 Wetboek van Strafrecht. Artikel6:2Opsporingsambtenaren en toezichthouders 1.De opsporing van de in artikel 6:1 strafbaar gestelde feiten is, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het college of de burgemeester met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor zover het de feiten betreft, die in de aanwijzing zijn vermeld. 2.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college of de burgemeester aangewezen personen. Artikel6:3Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel6:4Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 1.Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt. 2.Op dat tijdstip wordt de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht (Gemeenteblad van Utrecht 2005, nr. 64, incl. de wijzigingen opgenomen in de Gemeentebladen 2005, nr. 78, 2006, nr. 37, 2008, nr. 2 en 71, 2009, 17 en 50) ingetrokken. Artikel6:5Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel6:6Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 4 maart 2010. De griffier, De burgemeester, Drs. A.A.H. Smits Mr. A. Wolfsen Bekendmaking is geschied op 24 maart 2010. Deze verordening is in werking getreden op 1 april 2010 BIJLAGE A BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2010, NR. 18TOELICHTING algemene plaatselijke verordeningHoofdstuk 1 Algemene bepalingenArtikel 1:1 BegripsomschrijvingenIn dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de in artikel 1:1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt. HandelsreclameDeze bepaling is vervallen in verband met de toepasselijke regelgeving in de Reclameverordening 2004 (artikel 1 onder 7.). VeeDeze bepaling is vervallen in verband met het schrappen van artikel 57 oud (Loslopend vee en pluimvee). PluimveeDeze bepaling is vervallen in verband met het schrappen van artikel 57 oud (Loslopend vee en pluimvee). b.Een openbare plaats De definitie van weg in de APV is aanzienlijk beperkt. Dat brengt met zich mee dat de werking van artikelen in deze verordening waar sprake is van de weg een (veel) beperktere werking hebben dan daarvoor. De bevoegdheid van de gemeente gaat verder dan dat. In artikelen waar het de bedoeling is om zaken te regelen op plaatsen die niet tot de weg kunnen worden gerekend, is gekozen voor de term “een openbare plaats”. Daarmee is beoogd om die plaatsen aan te duiden die voor deze wijziging onder het al te brede begrip weg vielen: -al dan niet met enige beperking- voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Voor het begrip openbare plaats in de zin van de Wet Openbare Manifestaties (WOM) zie de toelichting bij artikel 2:6 Kennisgeving openbare manifestaties. c.Weg Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. In artikel 1:1 is de “weg” omschreven als weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 . Dat verschilt aanzienlijk van de oude omschrijving, waar praktisch iedere publiek toegankelijke ruimte onder het begrip “weg” viel. Daarop is kritiek gekomen, met name omdat het begrip “weg” op die manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale spraakgebruik daaronder verstaat. In de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving is juist aangegeven dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk moet worden gevolgd (aanwijzing 66). Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is dat er zaken worden geregeld die zich niet alleen op of aan de weg afspelen, is gekozen voor de omschrijving “openbare plaats”. In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”: de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen. Op of aan de wegVerschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. d.Openbaar water Een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”. De begripsbepaling uit de Havenverordening Utrecht 2006 is hierbij gevolgd. Denk in Utrecht aan coffeeshops op het water. e.Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het begrip “bebouwde kom” is aangesloten bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Voor de duidelijkheid is de grens van de bebouwde kom op een topografische kaart (Provinciaal blad 2008, 13) weergegeven en als bijlage

(1)bij de APV gevoegd. f.Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. g.Voertuigen De omschrijving van 'voertuigen' is ontleend aan artikel 1 al van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV1990). h.Vaartuigen De begripsbepaling is ontleend aan de Havenverordening Utrecht
  1. i.Woonschip De begripsbepaling is ontleend aan de Havenverordening Utrecht
  2. j.Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de Bouwverordening Utrecht. k.Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, eerste lid onder c, van de Woningwet. l.Straathandel Het taalgebruik in deze bepaling is gemoderniseerd. m.Verblijfsontzegging De 'oude' begripsbepaling is behouden en niet omgezet in het begrip: "gebiedsontzegging". Artikel 1:2 BeslistermijnHet uitgangspunt van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In deze verordening is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Uiteraard kan een gemeente ook kiezen voor een andere beslistermijn of zelfs voor per type besluit verschillende beslistermijnen. Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is in deze verordening à la de modelverordening op acht weken gesteld (tweede lid). Ook hier geldt dat een individuele gemeente een andere termijn kan vastleggen. Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn. De beslistermijn op een aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting en voor evenementen is bepaald op twaalf weken te rekenen na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Het niet beslissen van het bestuursorgaan binnen de in lid 1 vastgestelde termijn, houdt in dat er sprake is van een 'fictieve weigering'. Dit houdt in dat bij het verstrijken van de termijn de aanvrager bevoegd is bezwaar of beroep in te stellen. DienstenrichtlijnOp vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De acht weken termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan. Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting. OntvangstbevestigingIndien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd. De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn, de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex silencio positivo (vergunning van rechtswege). Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot of de uitoefening van een dienst. Artikel 1:3 Indiening aanvraagIn de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.