← Nederland

Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2026 (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier)

In het kort

Deze wet regelt de activiteiten en het beheer van waterstaatswerken binnen het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, met als doel het voorkomen van overstromingen, het beschermen van de waterkwaliteit en het waarborgen van maatschappelijke functies van watersystemen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR702775 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0651/2023/Regelingbf494437446449afa14f98379bc772c1 /join/id/stop/work_019 2024-12-18 2024-12-18 /akn/nl/act/waterschap/2024/CVDR702775/nld@2025-01-01 /join/id/proces/ws0651/2023/procedure7f04adbc9c0a4dbf85d3f7a58f96d7a5 /join/id/proces/ws0651/2024/procedurea29a6c8505a84f3da5ec3691ff9740a6 2025-01-01 2026-01-01 2025-01-01 2026-01-01 2025-01-01 2026-01-01 /akn/nl/act/ws0651/2023/Regelingbf494437446449afa14f98379bc772c1/nld@2024-12-17;14163652 /akn/nl/act/ws0651/2023/Regelingbf494437446449afa14f98379bc772c1 /akn/nl/act/ws0651/2023/Regelingbf494437446449afa14f98379bc772c1/nld@2024-12-17;14163652 /join/id/stop/work_019 2 Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Afdeling 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  1. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn ook van toepassing op deze waterschapsverordening, tenzij anders bepaald.
  2. Bijlage I bij deze waterschapsverordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze waterschapsverordening. Afdeling 1.2 Aanwijzing en begrenzing beperkingengebieden Artikel 1.2 Begrenzing beheergebied De geometrische begrenzing van het beheergebied van het hoogheemraadschap is opgenomen in het geometrische informatieobject 'beheergebied’ in bijlage II bij deze verordening. Artikel 1.3 Begrenzing beperkingengebieden
  3. De geometrische begrenzingen van het beperkingengebied waterstaatswerk en de onderdelen daarvan zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten in bijlage II bij deze verordening: a. beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam; b. beperkingengebied primair oppervlaktewater; c. beperkingengebied secundair oppervlaktewater; d. beperkingengebied tertiair oppervlaktewater; e. beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszones; f. beperkingengebied waterkering; g. beperkingengebied primaire waterkering; h. beperkingengebied primaire harde waterkering; i. beperkingengebied primaire zandige waterkering; j. beperkingengebied regionale waterkering; k. beperkingengebied regionale waterkering bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer; l. beperkingengebied overige waterkering; m. beschermingszone A bij een waterkering; n. beschermingszone A bij een primaire waterkering; o. beschermingszone A bij een primaire harde waterkering; p. beschermingszone A bij een primaire zandige waterkering; q. beschermingszone A aan de landzijde van een primaire zandige waterkering; r. beschermingszone A aan de zeezijde van een primaire zandige waterkering; s. beschermingszone A bij een regionale waterkering; t. beschermingszone A bij een regionale waterkering bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer; u. beschermingszone A bij een overige waterkering; v. beschermingszone B bij een waterkering; w. beschermingszone B bij een primaire waterkering; x. beschermingszone B bij een primaire harde waterkering; y. beschermingszone B bij een primaire zandige waterkering; z. beschermingszone B aan de landzijde van een primaire zandige waterkering; aa. beschermingszone B aan de zeezijde van een primaire zandige waterkering; ab. beschermingszone B bij een regionale waterkering; ac. beschermingszone B bij een regionale waterkering bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer; ad. beschermingszone B bij een overige waterkering; ae. beperkingengebied bergingsgebied; af. beperkingengebied molenbiotoop; ag. beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap ; ah. beperkingengebied natuurvriendelijke oever; ai. beperkingengebied rietoever; aj. aangewezen hoge gronden; ak. gebied met peilbesluitplicht; en al. gebied zonder peilbesluitplicht.
  4. De geometrische begrenzingen van het beperkingengebied weg en de onderdelen daarvan zijn opgenomen in de volgende geometrische informatieobjecten in bijlage II bij deze verordening: a. beperkingengebied weg; b. beperkingengebied gebiedsontsluitingsweg; c. beperkingengebied erftoegangsweg; en d. beperkingengebied solitair fietspad; Artikel 1.4 Begrenzing overige gebieden
  5. De geometrische begrenzing van het aangewezen gebied voor peilafwijkingen is opgenomen in het geometrische informatieobject ‘aangewezen gebied peilafwijkingen’ in bijlage II bij deze verordening.
  6. De geometrische begrenzing van het gebied met hellend gebied en droge beddingen is opgenomen in het geometrische informatieobject ‘hellend gebied en gebied met droge beddingen’ in bijlage II bij deze verordening.
  7. De geometrische begrenzing van de kwetsbare gebieden is opgenomen in de geometrische informatieobjecten ‘kwetsbaar gebied oppervlaktewater' en ‘kwetsbaar gebied grondwater’ in bijlage II bij deze verordening.
  8. De geometrische begrenzing van de risicovolle en niet risicovolle gebieden verticale drainage zijn opgenomen in de geometrische informatieobjecten ‘risicovol gebied verticale drainage’ en het ‘niet-risicovol gebied verticale drainage’ in bijlage II bij deze verordening. Artikel 1.5 Waterstaatswerken die niet geometrisch begrensd zijn
  9. Voor waterstaatswerken die op grond van een projectplan, projectbesluit of omgevingsvergunning zijn geplaatst of gewijzigd ten opzichte van de legger, wordt voor de ligging van het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing, aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning.
  10. Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de grenzen van het waterstaatswerk en de beschermingszone, opgenomen in bijlage II. Afdeling 1.3 Normadressaat Artikel 1.6 Normadressaat Aan deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit uitvoert, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Afdeling 1.4 Algemene bepalingen omgevingsvergunning, melding, maatwerkvoorschrift en informatieplicht Artikel 1.7 Algemene gegevens bij een melding of informatieverplichting
  11. Een melding of de verstrekking van gegevens en documenten wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam en het adres van degene die de activiteit uitvoert; c. het adres waarop de activiteit wordt uitgevoerd; en d. de dagtekening.
  12. Op verzoek van het bestuur worden de gegevens en documenten verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, ook gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.
  13. Gegevens en documenten als bedoeld in het tweede lid worden verstrekt voor zover degene die de activiteit uitvoert er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen. Artikel 1.8 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  14. Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 1.7, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur.
  15. Ten minste vijftien werkdagen voordat de activiteit door een ander zal gaan worden uitgevoerd, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het bestuur. Artikel 1.9 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  16. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
  17. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam: a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit; b. de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.
  18. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
  19. In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op:
  20. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;
  21. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
  22. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.
  23. Een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van afdeling 2.2 van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het waarborgen van de verkeersveiligheid; b. het in stand houden van de infrastructuur van de wegen; en c. het waarborgen van een goede verkeersdoorstroming. Artikel 1.10 Wijzigen en intrekking omgevingsvergunning
  24. Een omgevingsvergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken met inachtneming van het tweede tot en met het vijfde lid.
  25. Een vergunning kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien de vergunning gedurende drie achtereenvolgende jaren niet is gebruikt.
  26. Wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning kan plaatsvinden met het oog op de doelen van deze verordening. Intrekking van een omgevingsvergunning kan ook plaatsvinden op verzoek van de vergunninghouder.
  27. Wijziging of intrekking van een omgevingsvergunning vindt ook plaats als een voor Nederland verbindend verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel een wettelijk voorschrift ter uitvoering daarvan, daartoe verplicht.
  28. Een omgevingsvergunning wordt niet ingetrokken als kan worden volstaan met wijziging of aanvulling van die vergunning. Artikel 1.11 Afwijken van regels door maatwerkvoorschrift
  29. Door middel van een maatwerkvoorschrift kan, ambtshalve of op aanvraag, worden bepaald dat kan of moet worden afgeweken van de algemene regels die in deze verordening zijn gesteld aan een wateractiviteit.
  30. Aan het maatwerkvoorschrift kunnen voorwaarden worden verbonden.
  31. Een maatwerkvoorschrift wordt slechts gesteld, indien het met die regels gediende doel zich daartegen niet verzet.
  32. Een maatwerkvoorschrift wordt slechts gesteld in het belang dat met die regels is gediend.
  33. Als gelijktijdig zowel een omgevingsvergunning als een maatwerkvoorschrift worden aangevraagd, wordt het maatwerkvoorschrift integraal opgenomen in de omgevingsvergunning. Artikel 1.12 Wijzigen en intrekken maatwerkvoorschrift
  34. Een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening kan worden gewijzigd met het oog op de bescherming van de doelen van deze verordening.
  35. Een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening kan worden ingetrokken als de bescherming van de doelen van deze verordening zich daartegen niet langer verzet.
  36. Wijziging of intrekking van een maatwerkvoorschrift kan zowel op aanvraag als ambtshalve plaatsvinden. Afdeling 1.5 Uitzondering beheeractiviteiten Artikel 1.13 Uitzondering beheeractiviteiten
  37. De hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze verordening zijn niet van toepassing op activiteiten die plaatsvinden door of in opdracht van het hoogheemraadschap, voor beheer, onderhoud en herstel.
  38. Het eerste lid is niet van toepassing op het plaatsen en wijzigen van waterstaatswerken.
  39. De hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze verordening zijn niet van toepassing voor de uitvoering van een door het bestuur vastgesteld projectbesluit door of in opdracht van het hoogheemraadschap. Afdeling 1.6 Uitzondering bijzondere omstandigheden Artikel 1.14 Aanwijzing bijzondere omstandigheden Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet zijn: a. waterschaarste en dreigende waterschaarste; b. overvloed aan water en dreigende overvloed aan water; c. aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit of de dreiging daarvan; en d. het falen van een waterstaatswerk of de dreiging daarvan. Artikel 1.15 Algeheel verbod bij calamiteiten
  40. Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet en zo nodig in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden: a. water af te voeren naar of aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam; b. water te brengen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam; c. grondwater te onttrekken of water te infiltreren; d. activiteiten uit te voeren in het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszones; en e. activiteiten uit te voeren in het beperkingengebied weg.
  41. Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat de scheepvaart op een oppervlaktewaterlichaam wordt beperkt of gestremd of dat de maximale vaarsnelheid wordt aangepast.
  42. Het besluit kan in ieder geval inhouden dat de activiteiten worden beperkt of stopgezet.
  43. Het besluit wordt ingetrokken als het bestuur instandhouding daarvan niet langer noodzakelijk vindt. Afdeling 1.7 Ongewoon voorval Artikel 1.16 Informeren over een ongewoon voorval
  44. Het bestuur wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
  45. Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. wonen. Artikel 1.17 Gegevens en documenten bij een ongewoon voorval
  46. Zodra de volgende gegevens en documenten bekend zijn, worden ze verstrekt aan het bestuur: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan; b. informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
  47. Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van: a. leefomgeving; en b. wonen. Hoofdstuk 2 Activiteiten bij oppervlaktewater, bergingsgebieden, waterkeringen en wegen Afdeling 2.1 Activiteiten bij oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en waterkeringen Paragraaf 2.1.1 Algemeen Artikel 2.1 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van activiteiten met gevolgen voor oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden of waterkeringen met bijbehorende beschermingszones en de daarbij behorende kunstwerken. Artikel 2.2 Oogmerken
  48. De regels in deze afdeling over activiteiten met gevolgen voor oppervlaktewaterlichamen of bergingsgebieden zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de ontwaterende, af- en aanvoerende en voldoende bergende functie van het watersysteem; b. het beschermen van de ecologische en chemische toestand van het watersysteem; c. het instandhouden van het peilbeheer; d. het beperken van het risico op wateroverlast, waarbij een neerslagsituatie die eens in de 100 jaar voorkomt niet leidt, door inundatie vanuit het watersysteem, tot schade aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen; e. het beperken van waterschaarste en het vasthouden of bergen van neerslag voor nuttig gebruik; en f. het waarborgen van de doorvaarbaarheid van de vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.
  49. De regels in deze afdeling over activiteiten met gevolgen voor waterkeringen zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de waterkerende functie van waterkeringen en de beschermingszones; b. het waarborgen van de inspectie, het beheer en onderhoud en de toetsing van waterkeringen; en c. het behoud van noodzakelijke ruimte voor toekomstige versterkingen van waterkeringen Artikel 2.3 Specifieke zorgplicht
  50. Degene die een activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd
  51. Voor activiteiten met gevolgen voor oppervlaktewaterlichamen of bergingsgebieden houdt deze plicht in ieder geval in dat deze op zodanige wijze en met behulp van zodanige technieken wordt uitgevoerd dat: a. het functioneren van het watersysteem blijft voldoen aan de toegekende maatschappelijke functies; b. de waterstanden in stand worden gehouden zoals vastgesteld is in:
  52. het ter plekke geldende peilbesluit;
  53. het waterbeheerprogramma; of
  54. een omgevingsvergunning; c. de aan- en afvoercapaciteit van het watersysteem en het waterkwantiteitsbeheer gewaarborgd blijven; d. het onderhoud van het watersysteem en de beschikbare aan- en afvoercapaciteit op elkaar zijn afgestemd en de onderhoudskosten niet toenemen; e. de aanwezige waterberging intact blijft of wordt gecompenseerd; f. de neerslag doelmatig in de bodem kan infiltreren; g. er geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand plaatsvindt; h. een achteruitgang van de lichtkwaliteit en van de habitatgeschiktheid van het water en de oever ten aanzien van de ecologische doelen uit de stroomgebiedbeheerplannen wordt voorkomen; i. de verspreiding van flora en fauna in het watersysteem mogelijk blijft of wordt verbeterd; j. de scheiding tussen verschillende peilgebieden bij natuurlijke peilfluctuaties voldoende gewaarborgd blijft; en k. de mogelijkheden voor het voeren van flexibel peilbeheer niet worden beperkt.
  55. Voor activiteiten met gevolgen voor waterkeringen houdt deze plicht in ieder geval in dat deze: a. op zodanige wijze en tijdens zodanige weersomstandigheden worden uitgevoerd dat de functie van de waterkering geborgd blijft; b. op zodanige wijze worden uitgevoerd dat de inspectie, het beheer en onderhoud en de toetsing van de waterkering mogelijk blijft; c. op zodanige wijze worden uitgevoerd dat de noodzakelijke ruimte voor een toekomstige versterking van een waterkering niet nadelig wordt beïnvloed; en d. op zodanige wijze en met behulp van zodanige technieken worden uitgevoerd dat de waterkering in de bestaande toestand intact blijft of, indien dit niet mogelijk is, de waterkering in gelijke toestand wordt hersteld of verbeterd.
  56. Degene die voornemens is een activiteit uit te voeren, informeert en betrekt de omgeving, de direct belanghebbenden en de grondeigenaar op voorhand bij de voorgenomen activiteit. Artikel 2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit met gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied of waterkering die op grond van deze afdeling is vereist, worden de volgende gegevens en documenten verstrekt: a. een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het oppervlaktewaterlichaam, het bergingsgebied of de waterkering; b. een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding; c. de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; d. als een oppervlaktewaterlichaam of waterkering wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie:
  57. een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;
  58. een tekening met een aanduiding van de boorlijn;
  59. een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en
  60. gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de bij de boring in te brengen mantelbuis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en e. bij het weghalen en niet terugplaatsen van een beschoeiing of een andere profielbescherming in een oever of waterbodem met een grondverontreiniging boven de interventiewaarden dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd; f. in het geval van het verbreden of vergraven van een oppervlaktewaterlichaam dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd wanneer zich in de waterbodem, oever of grond een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt; en g. als de activiteit op, in of bij een waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering. Artikel 2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning waterbodem Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit met gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze afdeling is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt weggehaald, in aanvulling op artikel 2.4 de volgende gegevens en documenten verstrekt: a. een opgave van de hoeveelheid weg te halen baggerspecie in kubieke meter; b. een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in vierkante meter; en c. in het geval van het vergraven van de vaste waterbodem dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd wanneer zich in de vaste waterbodem een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt. Artikel 2.6 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bodem (verticale drainage) Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit met gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater die op grond van deze afdeling is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij verticale drainage wordt geplaatst, in aanvulling op artikel 2.4 de volgende gegevens en documenten verstrekt: a. een opgave van de beoogde einddiepte van de verticale drainage ten opzichte van de onderzijde van de klei- of veenlaag zodanig dat er een minimale laagdikte van de klei- of veenlaag van 1,0 m overblijft op de watervoerende zandlaag; b. bodemonderzoeksgegevens; en c. een interpretatie van de bodemonderzoeksgegevens bedoeld onder b. Artikel 2.7 Algemene regel onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam Onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam in overeenstemming met de in bijlage IV opgenomen onderhoudsrichtlijnen blijft mogelijk. Artikel 2.8 Tijdelijk weghalen bouwwerk Een bouwwerk wordt tijdelijk weggehaald op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip, als dat nodig is voor werkzaamheden door of in opdracht van het hoogheemraadschap. Artikel 2.9 Maatwerkvoorschriften
  61. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden, over de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en artikel 2.
  62. Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.
  63. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.
  64. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het uitvoeren van een activiteit in afwijking van artikel 2.7 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.2 Bouwwerken Subparagraaf 2.1.2.1 Plaatsen, behouden en weghalen van bouwwerken Artikel 2.10 Toepassingsbereik
  65. Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van bouwwerken in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.
  66. Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het plaatsen, behouden en weghalen van seizoenstrandbouwwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.2.2; b. het plaatsen, behouden en weghalen van bruggen, bedoeld in paragraaf 2.1.3; c. het plaatsen, behouden en weghalen van aquaducten, bedoeld in paragraaf 2.1.4; d. het plaatsen, behouden en weghalen van duikers, bedoeld in paragraaf 2.1.5; e. het plaatsen, behouden en weghalen van toegangsdammen, bedoeld in paragraaf 2.1.6; f. het plaatsen en behouden van steigers, vlonders, boothuizen, zonnepanelen op water, drijvende bouwwerken en overhangende bouwwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.7; g. het plaatsen, behouden en weghalen van lozings- en onttrekkingswerken, bedoeld in paragraaf 2.1.8; h. het plaatsen, behouden en weghalen van taludtrappen, bedoeld in paragraaf 2.1.9; i. i. het plaatsen, behouden en weghalen van woonboten, bedoeld in paragraaf 2.1.10; j. het plaatsen, behouden en weghalen van windturbines, bedoeld in paragraaf 2.1.12; k. het plaatsen van bodemenergiesystemen, bedoeld in paragraaf 2.1.13; l. het plaatsen en behouden van beschoeiingen en andere profielbeschermingen, bedoeld in paragraaf 2.1.23; en m. het plaatsen, behouden en weghalen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.
  67. Artikel 2.11 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  68. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te plaatsen of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.
  69. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te plaatsen of te behouden in het beperkingengebied molenbiotoop.
  70. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied primaire waterkering of het beperkingengebied regionale waterkering.
  71. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied overige waterkering of beschermingszone A bij een waterkering, als het bouwwerk: a. een woon- of verblijfsfunctie heeft; b. een fundering heeft die dieper dan 30 cm onder het maaiveld ligt; of c. niet eenvoudig te verplaatsen en weg te halen is.
  72. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te plaatsen, te behouden of weg te halen in beschermingszone A bij een primaire waterkering of beschermingszone A bij een regionale waterkering, als het bouwwerk: a. geen woon- of verblijfsfunctie heeft; b. een fundering heeft die niet dieper dan 30 cm onder het maaiveld ligt; en c. eenvoudig te verplaatsen en weg te halen is. d. groter is dan 10m
  73. Artikel 2.12 Aanwijzing algemene regels
  74. Bij het plaatsen of behouden van een bouwwerk in beschermingszone A bij een primaire of regionale kering buiten de beperkingengebieden molenbiotoop en vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap en wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.13, 2.14 en 2.16, als het bouwwerk: a. geen woon- of verblijfsfunctie heeft; b. een fundering heeft die niet dieper dan 30 cm onder het maaiveld ligt; c. eenvoudig te verplaatsen en weg te halen is; en d. kleiner is dan 10 m
  75. Bij het weghalen van een bouwwerk in beschermingszone A bij een primaire waterkering of beschermingszone A bij een regionale waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.13 en 2.16, als het bouwwerk: a. geen woon- of verblijfsfunctie heeft; b. een fundering heeft die niet dieper dan 30 cm onder het maaiveld ligt; c. eenvoudig te verplaatsen en weg te halen is; en d. kleiner is dan 10 m
  76. Bij het plaatsen of behouden van een bouwwerk in het beperkingengebied overige waterkering en bijbehorende beschermingszone A buiten de beperkingengebieden molenbiotoop en vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.13 en 2.14, als het bouwwerk: a. geen woon- of verblijfsfunctie heeft; b. een fundering heeft die niet dieper dan 30 cm onder het maaiveld ligt; en c. eenvoudig te verplaatsen en weg te halen is.
  77. Bij het weghalen van een bouwwerk in het beperkingengebied overige waterkering of beschermingszone A bij een overige waterkering, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en het artikel 2.13, als het bouwwerk: a. geen woon- of verblijfsfunctie heeft; b. een fundering heeft die niet dieper dan 30 cm onder het maaiveld ligt; en c. eenvoudig te verplaatsen en weg te halen is.
  78. Bij het plaatsen of behouden van een bouwwerk in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, buiten de beperkingengebieden primaire waterkering, regionale waterkering, molenbiotoop en vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7 en 2.13 tot en met 2.
  79. Bij het weghalen van een bouwwerk in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, buiten de beperkingengebieden primaire waterkering en regionale waterkering, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en artikel 2.
  80. Artikel 2.13 Gegevens en documenten
  81. Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar het bouwwerk wordt geplaatst of weggehaald; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  82. Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve ligging van het bouwwerk; en b. de objectgegevens. Artikel 2.14 Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het bouwwerk en de grond of het oppervlaktewaterlichaam binnen 1 meter rondom het bouwwerk, wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd. Artikel 2.15 Bouwwerk in een oppervlaktewaterlichaam Als het bouwwerk in een oppervlaktewaterlichaam wordt geplaatst, is paragraaf 2.1.22 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.16 Stormseizoen In beschermingszone A bij een primaire waterkering worden de werkzaamheden niet uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 april. Artikel 2.17 Maatwerkvoorschriften
  83. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.7 en 2.14 tot en met 2.
  84. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7 en 2.14 tot en met 2.
  85. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen of weghalen van een bouwwerk in afwijking van artikel 2.7, 2.14, 2.15 of 2.16 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Subparagraaf 2.1.2.2 Plaatsen, behouden en weghalen van seizoenstrandbouwwerken Artikel 2.18 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van bouwwerken inclusief de daarbij behorende fundering en overige elementen, die alleen tussen 15 maart en 15 oktober op het strand staan in beschermingszone A aan de zeezijde van een primaire zandige waterkering. Artikel 2.19 Aanwijzing algemene regels Bij het plaatsen, behouden en weghalen van een bouwwerk dat alleen tussen 15 maart en 15 oktober op het strand staat in beschermingszone A aan de zeezijde van een primaire zandige waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.20 tot en met 2.
  86. Artikel 2.20 Gegevens en documenten
  87. Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar het bouwwerk wordt geplaatst; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  88. Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve ligging van het bouwwerk; en b. de objectgegevens. Artikel 2.21 Plaatsen bouwwerken Het bouwwerk wordt zeewaarts voor de duinvoet of afrastering geplaatst op basis van een voorafgaande aanwijzing van het hoogheemraadschap. Artikel 2.22 Beheer en onderhoud van het bouwwerk Het beheer en onderhoud van het bouwwerk wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd. Artikel 2.23 Weghalen van het bouwwerk Het bouwwerk inclusief fundering en overige elementen worden door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger volledig verwijderd voor 15 oktober. Artikel 2.24 Maatwerkvoorschriften
  89. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.21 tot en met 2.
  90. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.21 tot en met 2.
  91. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een bouwwerk in afwijking van artikel 2.21, 2.22 of 2.
  92. worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.3 Plaatsen, behouden en weghalen van bruggen Artikel 2.25 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van bruggen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.26 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  93. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een brug te plaatsen of te behouden in het beperkingengebied waterkering, beschermingszone A bij een waterkering, het beperkingengebied primair oppervlaktewater of het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.
  94. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een brug weg te halen in het beperkingengebied waterkering, beschermingszone A bij een waterkering, of het beperkingengebied primair oppervlaktewater. Artikel 2.27 Aanwijzing algemene regels
  95. Bij het plaatsen of behouden van een brug in het beperkingengebied secundair of tertiair oppervlaktewater, met uitzondering van het beperkingengebied waterkering, beschermingszone A bij een waterkering en vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7 en 2.28 tot en met 2.
  96. Bij het weghalen van een brug in het beperkingengebied secundair of tertiair oppervlaktewater, met uitzondering van het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7, 2.28, 2.30 en 2.
  97. Artikel 2.28 Gegevens en documenten
  98. Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van de brug worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de brug wordt geplaatst of weggehaald; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  99. Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de brug worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve ligging van de brug; en b. de objectgegevens. Artikel 2.29 Eisen aan de brug
  100. De overspanning wordt aangebracht buiten het oppervlaktewaterlichaam.
  101. Landhoofden worden geplaatst buiten het leggerprofiel.
  102. Bij recreatieve vaarroutes wordt de minimale doorvaarthoogte, bedoeld in de omgevingsverordening of het omgevingsplan, aangehouden. Artikel 2.30 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam
  103. Het oppervlaktewaterlichaam blijft voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren.
  104. De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.
  105. Aanwezige oude beschoeiingsresten of andere oeververdedigingen worden volledig weggehaald. Artikel 2.31 Weghalen van de brug Een brug die zijn functie verliest wordt in overleg met het hoogheemraadschap weggehaald. Artikel 2.32 Maatwerkvoorschriften
  106. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.7, 2.29 en 2.
  107. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7, 2.29 en 2.
  108. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een brug in afwijking van artikel 2.7, 2.29 of 2.30 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.4 Plaatsen, behouden en weghalen van aquaducten Artikel 2.33 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van aquaducten in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.34 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een aquaduct te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, het beperkingengebied waterkering of beschermingszone A bij een waterkering. Paragraaf 2.1.5 Plaatsen, behouden en weghalen van duikers Artikel 2.35 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van duikers in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.36 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  109. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een duiker te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied primair oppervlaktewater, het beperkingengebied waterkering of beschermingszone A bij een waterkering.
  110. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een duiker te plaatsen of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.
  111. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een sifon of hevel te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, het beperkingengebied waterkering of beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.37 Aanwijzing algemene regels
  112. Bij het plaatsen of behouden van een duiker in het beperkingengebied secundair of tertiair oppervlaktewater, met uitzondering van het beperkingengebied waterkering, beschermingszone A bij een waterkering en vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7 en 2.38 tot en met 2.
  113. Bij het weghalen van een duiker in het beperkingengebied secundair of tertiair oppervlaktewater, met uitzondering van het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7, 2.38, 2.41 en 2.
  114. Artikel 2.38 Gegevens en documenten
  115. Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van de duiker worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de duiker wordt geplaatst of weggehaald; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  116. Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de duiker worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve ligging van de duiker; en b. de objectgegevens. Artikel 2.39 Afmetingen en capaciteit duiker
  117. De duiker heeft een lengte van ten hoogste 15 meter.
  118. De duiker heeft een inwendige diameter van minimaal 1,2 m. De binnenonderkant van de duiker wordt gelegd op 0,8 m onder het laagst geldende streefpeil ter plaatse.
  119. Een duiker in een watersysteem dat varend wordt onderhouden heeft: a. een minimaal doorvaartprofiel met een breedte van 2,50 meter. b. een minimale doorvaarthoogte van 1,10 meter ten opzichte van het plaatselijk hoogste geldende streefpeil. c. een minimale waterdiepte van 0,90 meter ten opzichte van het plaatselijk laagst geldende streefpeil.
  120. Bij recreatieve vaarroutes wordt de minimale doorvaarthoogte, bedoeld in de omgevingsverordening of het omgevingsplan, aangehouden. Artikel 2.40 Waterpeil De duiker wordt zodanig geplaatst dat het waterpeil en peilbeheer aan beide zijden van de duiker gelijk blijven. Artikel 2.41 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam
  121. De oever aan weerszijde van de duiker wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.
  122. Het beheer en onderhoud van de duiker en het oppervlaktewater binnen 3 meter rondom de duiker wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd. Artikel 2.42 Weghalen duiker Een duiker die zijn functie in het watersysteem verliest wordt in overleg met het hoogheemraadschap weggehaald. Artikel 2.43 Maatwerkvoorschriften
  123. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.7 en 2.39 tot en met 2.
  124. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7 en 2.39 tot en met 2.
  125. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een duiker in afwijking van artikel 2.7, 2.39, 2.40, 2.41 of 2.
  126. worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.6 Plaatsen, behouden en weghalen van toegangsdammen Artikel 2.44 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van toegangsdammen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.45 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  127. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een toegangsdam te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied primair oppervlaktewater of het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.
  128. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een toegangsdam te plaatsen of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap. Artikel 2.46 Aanwijzing algemene regels
  129. Bij het plaatsen of behouden van een toegangsdam in het beperkingengebied secundair of tertiair oppervlaktewater, met uitzondering van het beperkingengebied waterkering, beschermingszone A bij een waterkering en vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7 en 2.47 tot en met 2.
  130. Bij het weghalen van een toegangsdam in het beperkingengebied secundair of tertiair oppervlaktewater, met uitzondering van het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7 en 2.47 en 2.
  131. Artikel 2.47 Gegevens en documenten
  132. Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van een toegangsdam worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de toegangsdam wordt geplaatst of weggehaald; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  133. Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de toegangsdam worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve ligging van de toegangsdam; en b. de objectgegevens. Artikel 2.48 Aanleggen en onderhouden toegangsdam
  134. De toegangsdam wordt voorzien van een duiker.
  135. Bij het plaatsen van de duiker wordt voldaan aan paragraaf 2.1.
  136. Het beheer en onderhoud van de toegangsdam en het oppervlaktewaterlichaam binnen 3 meter rondom de toegangsdam wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd. Artikel 2.49 Bergingscapaciteit oppervlaktewaterlichaam
  137. Het verlies aan bergingscapaciteit in het oppervlaktewaterlichaam door aanleg van de toegangsdam wordt gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied een bestaand oppervlaktewaterlichaam te verbreden of nieuw oppervlaktewater te graven met tenminste hetzelfde oppervlak. De bergingscapaciteit wordt bepaald op basis van het hoogst geldende waterpeil zoals opgenomen in het ter plaatse geldende peilbesluit.
  138. Het eerste lid geldt niet als er bij de aanleg van de toegangsdam minder dan 35 m2 van het oppervlaktewaterlichaam wordt gedempt. Artikel 2.50 Weghalen toegangsdam Een toegangsdam die zijn functie verliest wordt in overleg met het hoogheemraadschap weggehaald. Artikel 2.51 Maatwerkvoorschriften
  139. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.7, 2.48 en 2.
  140. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7, 2.48 en 2.
  141. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen of weghalen van een toegangsdam in afwijking van artikel 2.7, 2.48 of 2.49 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.7 Plaatsen en behouden van steigers, vlonders, boothuizen, zonnepanelen op water, drijvende bouwwerken en overhangende bouwwerken Artikel 2.52 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen en behouden van steigers, vlonders, boothuizen, zonnepanelen op water, drijvende bouwwerken en overhangende bouwwerken in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.53 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  142. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger, vlonder, boothuis, drijvend bouwwerk of overhangend bouwwerk te plaatsen of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.
  143. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger, vlonder, boothuis, drijvend bouwwerk of overhangend bouwwerk te plaatsen of te behouden in het beperkingengebied natuurvriendelijke oever.
  144. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger, vlonder, boothuis, drijvend bouwwerk of overhangend bouwwerk te plaatsen of te behouden in het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszone A niet zijnde aangewezen hoge gronden.
  145. Het is verboden zonder omgevingsvergunning zonnepanelen op water of een drijvend bouwwerk te plaatsen of te behouden in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam.
  146. Het eerste, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op tijdelijke drijvende bouwwerken die voor een periode van maximaal 12 maanden worden geplaatst en behouden. Artikel 2.54 Aanwijzing algemene regels
  147. Bij het plaatsen of behouden van een steiger, vlonder, boothuis, of overhangend bouwwerk, in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam buiten de beperkingengebieden waterkering met bijbehorende beschermingszone A niet zijnde aangewezen hoge gronden, natuurvriendelijke oever en vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7 en 2.55 tot en met 2.
  148. Bij het plaatsen of behouden van een steiger, vlonder, boothuis, of overhangend bouwwerk, in de aangewezen hoge gronden buiten de beperkingengebieden natuurvriendelijke oever en vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.56 en 2.
  149. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op zonnepanelen op water en drijvende bouwwerken zoals bedoeld in artikel 2.53, vierde lid.
  150. Bij het tijdelijk plaatsen en behouden van een drijvend bouwwerk voor een periode van maximaal 12 maanden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap, beperkingengebied waterkering, beschermingszone A bij een waterkering of beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3 en de artikelen 2.7 en 2.55 tot en met 2.
  151. Artikel 2.55 Gegevens en documenten
  152. Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar het bouwwerk wordt geplaatst; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  153. Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van het bouwwerk worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve ligging van het bouwwerk; en b. de objectgegevens. Artikel 2.56 Plaatsing van het bouwwerk
  154. Het bouwwerk wordt meer dan 50 meter van de in- of uitstroomopening van een gemaal, inlaat of stuw gerealiseerd.
  155. In het beperkingengebied rietoever wordt een steiger voor de rietkraag geplaatst en verbonden met de oever met een loopplank van maximaal 1 meter breed.
  156. De doorvaart wordt niet door het bouwwerk belemmerd. Artikel 2.57 Onderhoud van het bouwwerk Het beheer en onderhoud van het bouwwerk en de grond binnen 1 meter rondom het bouwwerk wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd. Artikel 2.58 Maatwerkvoorschriften
  157. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.7, 2.56 en 2.
  158. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7, 2.56 en 2.
  159. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen of behouden van een steiger, vlonder, boothuis, drijvend bouwwerk of ander overhangend bouwwerk, met uitzondering van zonnepanelen op water, in afwijking van artikel 2.7, 2.56 of 2.57 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.8 Plaatsen, behouden en weghalen van lozings- en onttrekkingswerken Artikel 2.59 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van lozings- en onttrekkingswerken in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.60 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozings- of onttrekkingswerk te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Paragraaf 2.1.9 Plaatsen, behouden en weghalen van taludtrappen Artikel 2.61 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van taludtrappen in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een primaire of regionale waterkering. Artikel 2.62 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een taludtrap te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied primaire waterkering, beperkingengebied regionale waterkering bij het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer of beschermingszone A bij die waterkeringen. Artikel 2.63 Aanwijzing algemene regels Bij het plaatsen, behouden of weghalen van een taludtrap in het beperkingengebied regionale waterkering, met uitzondering van het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer, beschermingszone A bij een regionale waterkering, met uitzondering van het Amstelmeer of Alkmaarder- en Uitgeestermeer of beperkingengebied overige waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.64 tot en met 2.
  160. Artikel 2.64 Gegevens en documenten
  161. Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen van de taludtrap worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de taludtrap wordt geplaatst; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  162. Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de taludtrap worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve ligging van de taludtrap; en b. de objectgegevens. Artikel 2.65 Constructie van de taludtrap
  163. De taludtrap wordt opgebouwd uit losse elementen van beton die opgesloten worden.
  164. De hoogte van de elementen en de opsluiting is gelijk aan het maaiveld.
  165. De taludtrap bevat geen openingen in de constructie en in de aansluiting op de weg of het pad dat aansluit op de taludtrap.
  166. Voor fietsen wordt een betonnen voorziening in de vorm van een fietsgoot aangebracht. Artikel 2.66 Plaatsing van de taludtrap
  167. De taludtrap wordt direct op het dijkmateriaal aangebracht.
  168. De elementen van de taludtrap worden gesteld met zandcement.
  169. Onder de taludtrap wordt een kleilaag aangebracht die minimaal even dik is als de bestaande kleilaag van de waterkering. Artikel 2.67 Onderhoud Het beheer en onderhoud van de taludtrap en de grond binnen 1 meter rondom het bouwwerk wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd. Artikel 2.68 Weghalen taludtrap Een taludtrap die zijn functie verliest wordt in overleg met het hoogheemraadschap weggehaald. Artikel 2.69 Maatwerkvoorschriften
  170. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.65 tot en met 2.
  171. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.65 tot en met 2.
  172. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een taludtrap in afwijking van de artikelen 2.65, 2.66 of 2.67 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.10 Plaatsen, behouden en weghalen van woonboten Artikel 2.70 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van woonboten in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.71 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  173. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woonboot te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.
  174. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woonboot te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied waterkering of beschermingszone A bij een waterkering.
  175. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woonboot te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam. Paragraaf 2.1.11 Aanbrengen, behouden en weghalen van verhard oppervlak Artikel 2.72 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen, behouden en weghalen van verhard oppervlak in het beheergebied. Artikel 2.73 Aanwijzing van vergunningplichtige gevallen
  176. Het is verboden zonder omgevingsvergunning meer dan 25 m2 verhard oppervlak aan te brengen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.
  177. Het is verboden zonder omgevingsvergunning buiten het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering meer dan 2000 m2 verhard oppervlak aan te brengen.
  178. Wanneer initiatiefnemer in de 10 jaar voorafgaand aan de activiteit al eerder verhard oppervlak heeft aangebracht, wordt deze eerdere oppervlakte ook betrokken bij het bepalen van de omvang van de activiteit. Artikel 2.74 Aanwijzing algemene regels
  179. Bij het aanbrengen, behouden en weghalen van minder dan 25m2 verhard oppervlak binnen het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.
  180. Bij het aanbrengen, behouden en weghalen van verhard oppervlak buiten het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.
  181. Bij het aanbrengen van verhard oppervlak tussen 230 m2 en 2000 m2 wordt tevens voldaan aan de artikelen 2.75 en 2.
  182. Wanneer initiatiefnemer in de 10 jaar voorafgaand aan de activiteit al eerder verhard oppervlak heeft aangelegd, wordt deze eerdere oppervlakte ook betrokken bij het bepalen van de omvang van de activiteit. Artikel 2.75 Gegevens en documenten
  183. Ten minste vijftien werkdagen voor het aanbrengen van het verhard oppervlak worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar het verhard oppervlak wordt aangebracht; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  184. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanbrengen van het verhard oppervlak worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve ligging van het verhard oppervlak; en b. de objectgegevens. Artikel 2.76 Compensatie verhard oppervlak
  185. In gebied zonder peilbesluitplicht moet water dat afvloeit van verhard oppervlakte worden geïnfiltreerd in de bodem en behouden blijven binnen hetzelfde beperkingengebied.
  186. In gebied met peilbesluitplicht zal water bij voorkeur worden geïnfiltreerd in de bodem voor zover dit niet leidt tot grondwateroverlast bij omliggende percelen.
  187. Indien gebruik gemaakt wordt van een infiltratievoorziening, moeten de voorwaarden hiervoor worden besproken met het hoogheemraadschap.
  188. Voor zover infiltratie op grond van het eerste of tweede lid niet mogelijk of wenselijk is, zal het nieuw aangebrachte verharde oppervlak wordt gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied 15 procent van de oppervlakte ervan als verbreed of nieuw oppervlaktewater te graven.
  189. Het vierde lid is niet van toepassing als er minder dan 230 m2 verhard oppervlak wordt aangebracht.
  190. Voordat het verharde oppervlak wordt aangelegd, wordt de vereiste compensatie gerealiseerd. Artikel 2.77 Maatwerkvoorschriften
  191. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.
  192. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.
  193. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen van verhard oppervlak in afwijking van artikel 2.76 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.12 Plaatsen, behouden en weghalen van windturbines Artikel 2.78 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van windturbines in het beheergebied. Artikel 2.79 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een windturbine te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszones. Artikel 2.80 Aanwijzing algemene regels Bij het plaatsen of behouden van een windturbine buiten het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszones wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en artikel 2.
  194. Artikel 2.81 Afstand tot het beperkingengebied waterkering De afstand tussen de windturbine en het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszones is ten minste gelijk aan de hoogte van de windturbine. Artikel 2.82 Maatwerkvoorschriften
  195. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.
  196. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.
  197. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen of behouden van een windturbine in afwijking van artikel 2.81 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; b. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; c. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en d. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.13 Plaatsen van bodemenergiesystemen Artikel 2.83 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen van bodemenergiesystemen in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.84 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bodemenergiesysteem te plaatsen in het beperkingengebied waterkering en in beschermingszone A bij een waterkering. Paragraaf 2.1.14 Uitvoeren van ontgravingen Artikel 2.85 Toepassingsbereik
  198. Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van ontgravingen in het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszones.
  199. Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. het plaatsen, behouden en weghalen van bouwwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.2; b. het plaatsen, behouden en weghalen van bruggen, bedoeld in paragraaf 2.1.3; c. het plaatsen, behouden en weghalen van aquaducten, bedoeld in 2.1.4; d. het plaatsen, behouden en weghalen van duikers, bedoeld in paragraaf 2.1.5; e. het plaatsen, behouden en weghalen van toegangsdammen, bedoeld in paragraaf 2.1.6; f. het plaatsen en behouden van steigers, vlonders, boothuizen, zonnepanelen op water, drijvende bouwwerken en overhangende bouwwerken, bedoeld in paragraaf 2.1.7; g. het plaatsen en weghalen van lozings- en onttrekkingswerken, bedoeld in paragraaf 2.1.8; h. het plaatsen, behouden en weghalen van taludtrappen, bedoeld in paragraaf 2.1.9; i. het plaatsen, behouden en weghalen van windturbines, bedoeld in paragraaf 2.1.12; j. het plaatsen van bodemenergiesystemen, bedoeld in paragraaf 2.1.13; k. het plaatsen of aanbrengen, behouden en weghalen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels, bedoeld in paragraaf 2.1.15; l. het leggen, behouden en weghalen van kabels en leidingen, bedoeld in paragraaf 2.1.18; m. het graven van proefsleuven, bedoeld in paragraaf 2.1.19; n. het graven van nieuw oppervlaktewater, bedoeld in paragraaf 2.1.20; o. het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in paragraaf 2.1.21; en p. het aanleggen, behouden en weghalen van natuurvriendelijke oevers, bedoeld in paragraaf 2.1.
  200. Artikel 2.86 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ontgraving uit te voeren in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.87 Aanwijzing algemene regels Bij het uitvoeren van een ontgraving in beschermingszone B bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.88 en 2.
  201. Artikel 2.88 Gegevens en documenten
  202. Ten minste vijftien werkdagen voor het uitvoeren van de ontgraving worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie van de ontgraving; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  203. Uiterlijk twee weken na afronding van de ontgraving worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve ligging van de ontgraving; en b. de objectgegevens. Artikel 2.89 Oppervlak en diepte van de ontgraving Een ontgraving mag niet groter zijn dan 15m2 en niet dieper dan 1 meter. Artikel 2.90 Maatwerkvoorschriften
  204. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.
  205. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.
  206. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het uitvoeren van een ontgraving in afwijking van artikel 2.89 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.15 Plaatsen of aanbrengen, behouden en weghalen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels Artikel 2.91 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen of aanbrengen, behouden en weghalen van drainagebuizen en ontwateringsgreppels in het beheergebied. Artikel 2.92 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  207. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een drainagebuis of ontwateringsgreppel te plaatsen of aan te brengen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.
  208. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een samengestelde, gecontroleerde of peilgestuurde drainage te plaatsen in het beheergebied. Artikel 2.93 Aanwijzing algemene regels Bij het plaatsen of aanbrengen, behouden of weghalen van een drainagebuis of ontwateringsgreppel buiten het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.94 tot en met 2.
  209. Artikel 2.94 Gegevens en documenten
  210. Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen van de drainagebuis of het aanbrengen van de ontwateringsgreppel worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de drainagebuis wordt geplaatst of de ontwateringsgreppel wordt aangebracht; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  211. Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de drainagebuis of het aanbrengen van de ontwateringsgreppel worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve ligging van de drainagebuis of ontwateringsgreppel; en b. de objectgegevens. Artikel 2.95 Ligging en plaatsing
  212. Bij het aanbrengen van de drainagebuis of ontwateringsgreppel worden geen peilgrenzen gekruist.
  213. De hoge kant van de drainagebuis of ontwateringsgreppel wordt meer dan 5 meter uit de insteek van een oppervlaktewaterlichaam geplaatst of aangebracht Artikel 2.96 Weghalen Een drainagebuis of ontwateringsgreppel die zijn functie verliest wordt in overleg met het hoogheemraadschap weggehaald. Artikel 2.97 Maatwerkvoorschriften
  214. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.
  215. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.
  216. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van een drainagebuis of het aanbrengen van een ontwateringsgreppel in afwijking van artikel 2.95 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.16 Plaatsen en behouden van verticale drainages Artikel 2.98 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen en behouden van verticale drainages in het beheergebied. Artikel 2.99 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  217. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een verticale drainage te plaatsen of te behouden in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.
  218. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een verticale drainage te plaatsen of te behouden in het risicovol gebied verticale drainage. Artikel 2.100 Specifieke zorgplicht
  219. Bij het plaatsen of behouden van verticale drainages in het niet-risicovol gebied verticale drainage wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3 en 4.
  220. Het in stand houden van de bestaande grondwaterstand, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, onder a, valt niet onder de specifieke zorgplicht voor verticale drainages. Artikel 2.101 Maatwerkvoorschriften Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 2.3 en 4.3, met uitzondering van het bepaalde in artikel 4.3, tweede lid, onder a. Paragraaf 2.1.17 Onderzoek Subparagraaf 2.1.17.1 Uitvoeren van grondonderzoek Artikel 2.102 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van grondonderzoek in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.103 Aanwijzing algemene regels Bij het uitvoeren van grondonderzoek door middel van grondboring of sondering in het beperkingengebied waterkering of beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.104 en 2.
  221. Artikel 2.104 Gegevens en documenten Ten minste vijftien werkdagen voor het uitvoeren van het grondonderzoek worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar het grondonderzoek wordt uitgevoerd; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit. Artikel 2.105 Uitvoering
  222. Gedurende wateroverlast, hogere waterstanden dan normale peilen, verweking van de waterkering of andere waterkeringbedreigende omstandigheden vinden geen werkzaamheden plaats.
  223. De werkzaamheden worden alleen uitgevoerd als de ondergrond zo droog is dat er geen rijsporen of andere schade wordt veroorzaakt.
  224. Boorgaten worden na uitvoering van de werkzaamheden gevuld met zwelstaven of kleikorrels om verbindingen tussen watervoerende lagen af te dichten. Artikel 2.106 Maatwerkvoorschriften
  225. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.
  226. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.
  227. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het uitvoeren van grondonderzoek in afwijking van artikel 2.105 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Subparagraaf 2.1.17.2 Uitvoeren van seismisch onderzoek Artikel 2.107 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van seismisch onderzoek in het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszones. Artikel 2.108 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning seismisch onderzoek uit te voeren in het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszones. Subparagraaf 2.1.17.3 Plaatsen, behouden en weghalen van peilbuizen Artikel 2.109 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van peilbuizen in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.110 Aanwijzing algemene regels
  228. Bij het plaatsen en behouden van een peilbuis in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.111 en 2.
  229. Bij het weghalen van een peilbuis in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.111 tot en met 2.
  230. Artikel 2.111 Gegevens en documenten Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen of weghalen van een peilbuis worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de peilbuis wordt geplaatst; c. de diepte en afmeting van de peilbuis; d. de gegevens van de eigenaar van de peilbuis; en e. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit. Artikel 2.112 Uitvoering
  231. Gedurende wateroverlast, hogere waterstanden dan normale peilen, verweking van de waterkering of andere waterkeringbedreigende omstandigheden vinden geen werkzaamheden plaats.
  232. De werkzaamheden worden alleen uitgevoerd als de ondergrond zo droog is dat er geen rijsporen of andere schade wordt veroorzaakt. Artikel 2.113 Weghalen van een peilbuis
  233. Nadat de peilbuis is weggehaald wordt de bodem zo snel mogelijk aangevuld.
  234. De verdichting van de aanvulling is gelijk aan de bestaande dichtheid van het grondlichaam van de waterkering of beschermingszone. De afsluitende laag wordt afgesloten met zwelklei om overlast te voorkomen.
  235. De aanvulling is homogeen zonder vreemde bestanddelen zoals zand, stenen, wortels en verontreinigingen.
  236. De aanvulling wordt zodanig afgewerkt dat boven en naast de aanvulling geen plasvorming ontstaat.
  237. Bij een aanvulling in het talud wordt het talud afgewerkt in goede aansluiting op de taludhelling.
  238. Overtollige of uitgekomen grond, puin of ander materiaal wordt direct afgevoerd en wordt voor zoveel als nodig is vervangen door schone grondsoorten.
  239. Onder een grasmatvegetatie bestaat de bovenste aanvulling uit 0,20 meter teelaarde. Artikel 2.114 Maatwerkvoorschriften
  240. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.112 en 2.
  241. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.112 en 2.
  242. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een peilbuis in afwijking van artikel 2.112 of 2.113 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.18 Leggen, behouden en weghalen van kabels en leidingen Artikel 2.115 Toepassingsbereik
  243. Deze paragraaf is van toepassing op het leggen, behouden en weghalen van kabels en leidingen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam en het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszones.
  244. Deze paragraaf is niet van toepassing als: a. bij het leggen van de kabel of leiding gebruik wordt gemaakt van een bestaande mantelbuis; en b. er sprake is van een minimale grondroering. Artikel 2.116 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  245. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding te leggen of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.
  246. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kabel of leiding, niet zijnde een huisaansluiting, te leggen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszone A niet zijnde aangewezen hoge gronden.
  247. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een huisaansluiting te leggen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied waterkering, wanneer hierbij de waterkering wordt gekruist.
  248. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een leiding te leggen, te behouden of weg te halen in beschermingszone B bij een waterkering, als deze een druk van 10 bar of hoger heeft. Artikel 2.117 Aanwijzing algemene regels
  249. Bij het leggen of behouden van een kabel of leiding, niet zijnde een huisaansluiting, in de aangewezen hoge gronden buiten het beperkingengebied vaarwegen in het beheer bij het hoogheemraadschap wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.119 tot en met 2.
  250. Bij het weghalen van een kabel of leiding, niet zijnde een huisaansluiting, in de aangewezen hoge gronden wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.120 en 2.
  251. Bij het leggen of behouden van een kabel of leiding, niet zijnde een huisaansluiting, in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam buiten de beperkingengebieden waterkering met bijbehorende beschermingszone A niet zijnde aangewezen hoge gronden en vaarwegen in het beheer bij het hoogheemraadschap, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.118 tot en met 2.
  252. Bij het weghalen van een kabel of leiding, niet zijnde een huisaansluiting, in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam buiten het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszone A niet zijnde aangewezen hoge gronden, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.118, 2.120 en 2.
  253. Bij het leggen, behouden of weghalen van een huisaansluiting in het beperkingengebied waterkering waarbij de waterkering niet wordt gekruist, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 2.3 en de artikelen 2.118 tot en met 2.
  254. Artikel 2.118 Gegevens en documenten
  255. Ten minste vijftien werkdagen voor het leggen of weghalen van de kabel, leiding of huisaansluiting worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de kabel, leiding of huisaansluiting wordt gelegd; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  256. Uiterlijk vier weken na afronding van het leggen van de kabel, leiding of huisaansluiting worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve ligging van de kabel, leiding of huisaansluiting; en b. de objectgegevens.
  257. Informatie over de start van de werkzaamheden wordt verstrekt door middel van het MOOR platform. Artikel 2.119 Ligging van de kabel, leiding of huisaansluiting
  258. De kabel of leiding moet ondergronds liggen.
  259. De kabel of leiding moet op voldoende afstand van een waterloop liggen: a. ten minste 1 meter uit het leggerprofiel; of b. als het bestaande profiel groter is dan het leggerprofiel: 1 meter uit het bestaande profiel.
  260. De kabel of leiding moet op minimaal 5 meter afstand van een kunstwerk liggen, zodat onbelemmerd onderhoud aan het kunstwerk en de kabel of leiding mogelijk is.
  261. In afwijking van het eerste lid kan een kabel of leiding aan een kunstwerk worden bevestigd, als: a. de functies van het kunstwerk niet worden beïnvloed; b. doorstroming of het doorvaartprofiel niet wordt verkleind; en c. vervanging of vernieuwing van het kunstwerk te allen tijde mogelijk blijft.
  262. Indien de huisaansluiting geheel of gedeeltelijk in de langsrichting van de waterkering loopt, vindt vooroverleg plaats met het hoogheemraadschap
  263. Het tracé van een huisaansluiting bedraagt maximaal 50 meter in de langsrichting van de waterkering. Artikel 2.120 Tijdens en direct na werkzaamheden
  264. Een huisaansluiting in een waterkering wordt uitsluitend aangelegd in open ontgraving en wordt aan het einde van de dag weer dichtgemaakt.
  265. Tijdens het leggen of weghalen van de kabel of leiding worden de doorstroming en doorvaart in het oppervlaktewaterlichaam en kunstwerken niet gestremd of belemmerd.
  266. Direct na het leggen of weghalen van de kabel of leiding worden het talud en de waterbodem in oorspronkelijke staat hersteld in goede aansluiting op het bestaande talud en de waterbodem. Artikel 2.121 Behouden en onderhoud van een kabel of leiding
  267. Een huisaansluiting, kabel of leiding mag alleen behouden blijven, mits deze in bedrijf is. Een buiten bedrijf gestelde kabel of leiding wordt weggehaald door of in opdracht van de initiatiefnemer of zijn rechtsopvolger. De wijze van weghalen wordt afgestemd met het hoogheemraadschap.
  268. De leiding wordt zodanig onderhouden dat er geen lekkage ontstaat.
  269. Een beschadigde leiding wordt zo snel mogelijk gerepareerd of vervangen. De wijze van reparatie en vervanging wordt afgestemd met het hoogheemraadschap. Artikel 2.122 Maatwerkvoorschriften
  270. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.119 tot en met 2.
  271. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen en 2.119 tot en met 2.
  272. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het leggen, behouden of weghalen van een kabel of leiding in afwijking van artikel 2.119, 2.120 of 2.121 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.19 Graven van proefsleuven Artikel 2.123 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het graven van proefsleuven in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.124 Aanwijzing algemene regels Bij het graven van een proefsleuf in het beperkingengebied waterkering of beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.125 tot en met 2.
  273. Artikel 2.125 Gegevens en documenten Ten minste vijftien werkdagen voor het graven van de proefsleuf worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; en b. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit. Artikel 2.126 Toegestane ontgravingen
  274. Een ontgraving vindt alleen plaats: a. bij reguliere waterpeilen van buitenwater en boezemwater; b. tot een diepte maximaal 1 m; c. tot een sleufbreedte van maximaal 0,5 m; en d. als maximaal de helft van de kruin van de waterkering gelijktijdig wordt ontgraven.
  275. In het beperkingengebied primaire waterkering of in de beschermingszone A bij een primaire waterkering worden de werkzaamheden niet uitgevoerd tussen 15 oktober en 15 april. Artikel 2.127 Aanvullen van de ontgraving
  276. De ontgraving wordt zo snel mogelijk aangevuld.
  277. De verdichting van de aanvulling is gelijk aan de bestaande dichtheid van het grondlichaam van de waterkering of beschermingszone.
  278. De aanvulling is homogeen zonder vreemde bestanddelen zoals zand, stenen, wortels en verontreinigingen.
  279. De aanvulling wordt zodanig afgewerkt dat boven en naast de aanvulling geen plasvorming ontstaat.
  280. Bij een aanvulling in het talud wordt het talud afgewerkt in goede aansluiting op de taludhelling.
  281. Overtollige of uitgekomen grond, puin of ander materiaal wordt direct afgevoerd en wordt voor zoveel als nodig is vervangen door schone grondsoorten.
  282. Onder een grasmatvegetatie bestaat de bovenste aanvulling uit 0,20 meter teelaarde. Artikel 2.128 Grasmat
  283. Direct voorafgaand aan de werkzaamheden wordt het gras gemaaid en afgevoerd.
  284. De zoden van de grasmat worden vakkundig afgestoken en terzijde gelegd.
  285. De ontgraving wordt zo snel mogelijk na voltooiing van de werkzaamheden aangevuld en afgedekt met de afgestoken zoden.
  286. Als hergebruik van de zoden niet mogelijk is, wordt de bekleding hersteld door het inzaaien met een dijkgrasmengsel. Artikel 2.129 Maatwerkvoorschriften
  287. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.126 tot en met 2.
  288. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.126 tot en met 2.
  289. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het graven van een proefsleuf in afwijking van artikel en 2.126, 2.127 of 2.128 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.20 Graven van nieuw oppervlaktewater Artikel 2.130 Toepassingsbereik
  290. Deze paragraaf is van toepassing op het graven van nieuw oppervlaktewater in het beheergebied.
  291. De paragraaf is niet van toepassing op het uitvoeren van compenserende maatregelen die zijn voorgeschreven in een vergunning. Artikel 2.131 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  292. Het is verboden zonder omgevingsvergunning nieuw oppervlaktewater te graven in het beperkingengebied waterkering of in beschermingszone A bij een waterkering.
  293. Het is verboden zonder omgevingsvergunning nieuw oppervlaktewater te graven in hellend gebied en gebied met droge beddingen. Artikel 2.132 Aanwijzing algemene regels Bij het graven van nieuw oppervlaktewater buiten het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering en buiten hellend gebied en gebied met droge beddingen, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7 en 2.133 tot en met 2.
  294. Artikel 2.133 Gegevens en documenten
  295. Ten minste vijftien werkdagen voor het graven van het oppervlaktewater worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar het oppervlaktewater wordt gegraven; c. de afmetingen van de te graven waterloop; d. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; en e. wanneer zich in de grond waarin wordt gegraven een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt, dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd.
  296. Uiterlijk twee weken na afronding van het graven worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve locatie van het oppervlaktewater; en b. de objectgegevens. Artikel 2.134 Eisen aan het water
  297. Er wordt geen verbinding gemaakt tussen oppervlaktewateren met verschillende waterpeilen.
  298. De leggerclassificatie en afmeting(en) wordt in het vooroverleg bepaald door het hoogheemraadschap.
  299. De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.
  300. Een nieuwe waterloop is minimaal 2,0 meter breed op de waterlijn ten opzichte van het laagst geldende waterpeil zoals opgenomen in het ter plaatse geldende peilbesluit.
  301. Indien op grond van artikel 2.133 eerste lid sub d een waterbodemimmissietoets dient te worden overlegd, mag de activiteit alleen worden uitgevoerd als uit deze waterbodemimmissietoets blijkt dat de activiteit geen negatief effect heeft op de chemische en ecologische waterkwaliteit. Artikel 2.135 Ligging van het water
  302. Het oppervlaktewater wordt gegraven op grond die eigendom is van de initiatiefnemer.
  303. Het oppervlaktewater wordt gegraven op een afstand van ten minste 1,5 meter vanaf de kadastrale grens, tenzij het aangrenzende perceel ook eigendom van de initiatiefnemer is. Artikel 2.136 Oppervlak en diepte van de ontgraving Een ontgraving mag niet groter zijn dan 15m2 en niet dieper dan 1 meter. Artikel 2.137 Maatwerkvoorschriften
  304. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.7 en 2.134 tot en met 2.
  305. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7 en 2.134 tot en met 2.
  306. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het graven van nieuw oppervlaktewater in afwijking van artikel 2.7, 2.134, 2.135 of 2.136 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.21 Verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam Artikel 2.138 Toepassingsbereik
  307. Deze paragraaf is van toepassing op het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, beperkingengebied waterkering, beschermingszone A bij een waterkering en beschermingszone B bij een primaire waterkering
  308. De paragraaf is niet van toepassing op het uitvoeren van compenserende maatregelen die zijn voorgeschreven in een vergunning. Artikel 2.139 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  309. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bestaand oppervlaktewaterlichaam te verbreden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.
  310. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bestaand oppervlaktewaterlichaam te verbreden in het beperkingengebied waterkering of beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.140 Aanwijzing algemene regels
  311. Bij het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap en buiten het beperkingengebied waterkering en de bijbehorende beschermingszone A, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7 en 2.141 en 2.
  312. Bij het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam in beschermingszone B bij een primaire waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.141 en 2.
  313. Artikel 2.141 Gegevens en documenten
  314. Ten minste vijftien werkdagen voor het verbreden van het oppervlaktewaterlichaam worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar het oppervlaktewaterlichaam wordt verbreed; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; en d. wanneer zich in de grond waarin het oppervlaktewaterlichaam wordt verbreed een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt, dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd.
  315. Uiterlijk twee weken na afronding van de verbreding worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve locatie van de verbreding; en b. de objectgegevens. Artikel 2.142 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam
  316. Het oppervlaktewaterlichaam blijft voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren.
  317. De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.
  318. Beschoeiingen of andere werken die hun functie verliezen worden weggehaald.
  319. Het oppervlaktewaterlichaam wordt zodanig verbreed en onderhouden dat er geen verlanding plaatsvindt
  320. De verbreding bedraagt minimaal 0,30 m.
  321. Indien op grond van artikel 2.141 eerste lid sub d een waterbodemimmissietoets dient te worden overlegd, mag de activiteit alleen worden uitgevoerd als uit deze waterbodemimmissietoets blijkt dat de activiteit geen negatief effect heeft op de chemische en ecologische waterkwaliteit. Artikel 2.143 Oppervlak en diepte van de ontgraving Een ontgraving mag niet groter zijn dan 15m2 en niet dieper dan 1 meter. Artikel 2.144 Maatwerkvoorschriften
  322. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.7, 2.142 en 2.
  323. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7, 2.142 en 2.
  324. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam in afwijking van artikel 2.7, 2.142 of 2.143 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.22 Dempen of versmallen van oppervlaktewater Artikel 2.145 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het dempen of versmallen van oppervlaktewater in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.146 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  325. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied waterkering of beschermingszone A bij een waterkering, een oppervlaktewater geheel te dempen
  326. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied primair oppervlaktewater of het beperkingengebied secundair oppervlaktewater een oppervlaktewater geheel te dempen.
  327. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied primair oppervlaktewater een oppervlaktewater te versmallen. Artikel 2.147 Aanwijzing algemene regels
  328. Bij het dempen van een oppervlaktewater in het beperkingengebied tertiair oppervlaktewater, met uitzondering van het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7, 2.148, 2.149 en 2.
  329. Bij het versmallen van een oppervlaktewater in het beperkingengebied secundair oppervlaktewater of het beperkingengebied tertiair oppervlaktewater wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7, 2.148, 2.150 en 2.
  330. Artikel 2.148 Gegevens en documenten
  331. Ten minste vijftien werkdagen voor het dempen of versmallen van het oppervlaktewaterlichaam worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar het water wordt gedempt of versmald; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  332. Uiterlijk twee weken na afronding van de demping of versmalling worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve locatie van de demping of versmalling; en b. de objectgegevens. Artikel 2.149 Demping over de totale lengte
  333. Het oppervlaktewater wordt over de volledige lengte gedempt.
  334. Er ontstaat geen afgesloten oppervlaktewater waaruit het water niet kan wegstromen. Artikel 2.150 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam
  335. Het oppervlaktewaterlichaam blijft na het uitvoeren van de versmalling voldoen aan het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren.
  336. De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.
  337. Beschoeiingen of andere werken die hun functie verliezen worden weggehaald. Artikel 2.151 Compensatie
  338. Het verlies aan berging in het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd door binnen hetzelfde peilgebied bestaand oppervlaktewater te verbreden of een nieuw oppervlaktewaterlichaam te graven met tenminste dezelfde oppervlakte. De bergingscapaciteit wordt bepaald op basis van het hoogst geldende waterpeil zoals opgenomen in het ter plaatse geldende peilbesluit.
  339. Bij het graven van oppervlaktewater wordt voldaan aan paragraaf 2.1.
  340. Bij het verbreden van bestaand oppervlaktewater wordt voldaan aan paragraaf 2.1.
  341. Artikel 2.152 Maatwerkvoorschriften
  342. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.7 en 2.149 tot en met 2.
  343. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7 en 2.149 tot en met 2.
  344. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het dempen of versmallen van oppervlaktewater in afwijking van artikel 2.7, 2.149, 2.150 of 2.151 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.23 Plaatsen, behouden en weghalen van beschoeiingen en andere profielbeschermingen Artikel 2.153 Toepassingsbereik
  345. Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van beschoeiingen en andere profielbeschermingen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering.
  346. De paragraaf is niet van toepassing op het aanleggen, behouden en weghalen van natuurvriendelijke oevers, bedoeld in paragraaf 2.1.
  347. Artikel 2.154 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  348. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of andere profielbescherming te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.
  349. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of andere profielbescherming te plaatsen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied waterkering of beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.155 Aanwijzing algemene regels
  350. Bij het plaatsen of behouden van een beschoeiing of andere profielbescherming in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap en buiten het beperkingengebied waterkering en de bijbehorende beschermingszone A wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7, 2.156 eerste en tweede lid en 2.
  351. Bij het weghalen van een beschoeiing of andere profielbescherming in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap en buiten het beperkingengebied waterkering en de bijbehorende beschermingszone A wordt voldaan aan de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7, 2.156 derde lid en 2.
  352. Artikel 2.156 Gegevens en documenten
  353. Ten minste vijftien werkdagen voor het plaatsen van de beschoeiing of andere profielbescherming worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de beschoeiing of andere profielbescherming wordt geplaatst; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  354. Uiterlijk twee weken na afronding van het plaatsen van de beschoeiing of andere profielbescherming worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve ligging van de beschoeiing of andere profielbescherming; en b. de objectgegevens.
  355. Ten minste vijftien werkdagen voor het weghalen van de beschoeiing of andere profielbescherming worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de beschoeiing of andere profielbescherming wordt weggehaald; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; en d. wanneer zich in de grond, oever of waterbodem waaruit de beschoeiing of andere profielbescherming wordt weggehaald en niet wordt teruggeplaatst, een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt, dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd. Artikel 2.157 Plaatsing beschoeiing of andere profielbescherming De beschoeiing of andere profielbescherming wordt geplaatst: a. op de oever, voor zover die droog is bij het hoogst gevoerde waterpeil; of b. in het water, waarbij wordt voldaan aan de regels over het versmallen van oppervlaktewater, bedoeld in paragraaf 2.1.
  356. Artikel 2.158 Weghalen van de beschoeiing of andere profielbescherming
  357. De beschoeiing of andere profielbescherming wordt in overleg met het hoogheemraadschap weggehaald.
  358. Indien op grond van artikel 2.156 derde lid sub d een waterbodemimmissietoets dient te worden overlegd, mag de activiteit alleen worden uitgevoerd als uit deze waterbodemimmissietoets blijkt dat de activiteit geen negatief effect heeft op de chemische en ecologische waterkwaliteit. Artikel 2.159 Maatwerkvoorschriften
  359. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.7, 2.157 en 2.
  360. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7, 2.157 en 2.
  361. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het plaatsen, behouden of weghalen van een beschoeiing of andere profielbescherming in afwijking van artikel 2.7, 2.157 of 2.158 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.24 Aanleggen, behouden en weghalen van natuurvriendelijke oevers Artikel 2.160 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, behouden en weghalen van natuurvriendelijke oevers in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, beperkingengebied waterkering, beschermingszone A bij een waterkering en beperkingengebied natuurvriendelijke oever. Artikel 2.161 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  362. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever aan te leggen of te behouden in het beperkingengebied waterkering of beschermingszone A bij een waterkering.
  363. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een natuurvriendelijke oever weg te halen in het beperkingengebied natuurvriendelijke oever. Artikel 2.162 Aanwijzing algemene regels Bij het aanleggen of behouden van een natuurvriendelijke oever in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam buiten het beperkingengebied waterkering en de bijbehorende beschermingszone A wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7 en 2.163 tot en met 2.
  364. Artikel 2.163 Gegevens en documenten
  365. Ten minste vijftien werkdagen voor het aanleggen van de natuurvriendelijke oever worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit. d. wanneer zich in de waterbodem of oever waarin de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd een grondverontreiniging boven de interventiewaarden bevindt, dient een waterbodemimmissietoets te worden overlegd.
  366. Uiterlijk twee weken na afronding van het aanleggen van de natuurvriendelijke oever worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve locatie van de natuurvriendelijke oever; en b. de objectgegevens. Artikel 2.164 Bescherming van het oppervlaktewaterlichaam
  367. De oever ligt buiten het minimaal benodigde doorstroomprofiel, zoals vastgelegd in de Legger Wateren.
  368. De oever wordt zodanig afgewerkt, ingericht en onderhouden dat deze stabiel is en uitzakken of uitspoeling wordt voorkomen.
  369. Beschoeiingen of andere constructies die hun functie verliezen worden weggehaald
  370. De oever wordt zodanig aangebracht dat er geen verlanding plaatsvindt.
  371. Indien op grond van artikel 2.163 eerste lid sub d een waterbodemimmissietoets dient te worden overlegd, mag de activiteit alleen worden uitgevoerd als uit deze waterbodemimmissietoets blijkt dat de activiteit geen negatief effect heeft op de chemische en ecologische waterkwaliteit. Artikel 2.165 Onderhoud Het onderhoud van de oever wordt door of namens de initiatiefnemer of de rechtsopvolger uitgevoerd. Artikel 2.166 Maatwerkvoorschriften
  372. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3, 2.7, 2.164 en 2.
  373. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.7, 2.164 en 2.
  374. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in afwijking van artikel 2.7, 2.164 of 2.165 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.25 Ophogen van lage percelen en bergingen Artikel 2.167 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het ophogen van lage percelen en bergingen in het beperkingengebied bergingsgebied. Artikel 2.168 Aanwijzing algemene regels Bij het ophogen van een laag perceel of berging in het beperkingengebied bergingsgebied wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.169 en 2.
  375. Artikel 2.169 Gegevens en documenten
  376. Ten minste vijftien werkdagen voor het ophogen van het lage perceel of de berging worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar het lage perceel of de berging wordt opgehoogd; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  377. Uiterlijk twee weken na afronding van het ophogen van het lage perceel of de berging worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve locatie van de ophoging; en b. de objectgegevens. Artikel 2.170 Compensatie verlies bergingscapaciteit Het verlies aan bergingscapaciteit wordt in overleg met het hoogheemraadschap gecompenseerd. Artikel 2.171 Maatwerkvoorschriften
  378. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.
  379. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.
  380. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het ophogen van een perceel of berging in afwijking van artikel 2.170 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.26 Realiseren van peilafwijkingen Artikel 2.172 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het realiseren van peilafwijkingen in het beheergebied. Artikel 2.173 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  381. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren buiten het aangewezen gebied peilafwijkingen.
  382. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren in het aangewezen gebied peilafwijkingen, als de peilafwijking wordt gerealiseerd: a. met behulp van een pomp; of b. door waterinlaat van buiten de polder. Artikel 2.174 Aanwijzing algemene regels Bij het realiseren van een peilafwijking in het aangewezen gebied peilafwijkingen wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.175 en 2.176, als de peilafwijking wordt gerealiseerd: a. zonder een pomp; en b. zonder waterinlaat van buiten de polder. Artikel 2.175 Gegevens en documenten
  383. Ten minste vijftien werkdagen voor het realiseren van de peilafwijking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de peilafwijking wordt gerealiseerd; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit.
  384. Uiterlijk twee weken na afronding van het realiseren van de peilafwijking worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de definitieve locatie van de peilafwijking; en b. de objectgegevens. Artikel 2.176 Peilregeling
  385. De peilregeling leidt niet tot wateroverlast, watertekort of verdroging in de omliggende gebieden.
  386. De peilregeling leidt niet tot onvoldoende kwellengte bij de bestaande peilscheidende kunstwerken. Artikel 2.177 Maatwerkvoorschriften
  387. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.
  388. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.
  389. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het realiseren van een peilafwijking in afwijking van artikel 2.176 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.27 Plaatsen, behouden en weghalen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken Artikel 2.178 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, behouden en weghalen van peilregelende en peilscheidende kunstwerken in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.179 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een peilregelend of peilscheidend kunstwerk aan te leggen, te behouden of weg te halen in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam. Paragraaf 2.1.28 Uitzetten of onttrekken van vis Artikel 2.180 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitzetten en onttrekken van vis in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2.181 Aanwijzing algemene regels Bij het uitzetten of onttrekken van vis in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en artikel 2.
  390. Artikel 2.182 Visplan De vis wordt uitgezet of onttrokken in overeenstemming met: a. een door het hoogheemraadschap goedgekeurd visplan; of b. anderszins schriftelijk vastgelegde afspraken ondertekend door of namens het bestuur van het hoogheemraadschap. Artikel 2.183 Maatwerkvoorschriften
  391. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.
  392. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.
  393. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het uitzetten of onttrekken van vis in afwijking van artikel 2.182 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.29 Weiden van dieren Artikel 2.184 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het weiden van dieren in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. Artikel 2.185 Aanwijzing algemene regels Bij het weiden van dieren in het beperkingengebied waterkering of beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.186 en 2.
  394. Artikel 2.186 Gegevens en documenten Ten minste vijftien werkdagen voor het weiden van de dieren worden aan het bestuur gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de dieren worden geweid; en c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit. Artikel 2.187 Bescherming van de grasmat
  395. De dieren worden in het beperkingengebied primaire waterkering of beschermingszone A bij een primaire waterkering niet geweid tussen 15 oktober en 15 april.
  396. Er wordt alleen beweid door kleinvee.
  397. Aanwezige erosiebestendige grasmatten blijven in stand. Artikel 2.188 Maatwerkvoorschriften
  398. Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.3 en 2.
  399. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikel 2.
  400. Bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor het weiden van dieren in afwijking van artikel 2.187 worden gegevens en documenten verstrekt over: a. de aard van de activiteit; b. de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; c. de geplande aanvangs- en einddatum van de activiteit; d. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3; en e. de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de voorgenomen activiteit zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Paragraaf 2.1.30 Aanplanten, behouden en rooien van bomen en bosschages Artikel 2.189 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanplanten, behouden en rooien van bomen en bosschages in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, het beperkingengebied waterkering, beschermingszone A bij een waterkering, het beperkingengebied molenbiotoop en het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap. Artikel 2.190 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  401. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom of bosschage aan te planten of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap.
  402. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom of bosschage aan te planten of te behouden in het beperkingengebied molenbiotoop.
  403. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom of bosschage aan te planten, te behouden of te rooien in het beperkingengebied waterkering met bijbehorende beschermingszone A niet zijnde aangewezen hoge gronden. Artikel 2.191 Aanwijzing algemene regels
  404. Bij het aanplanten of behouden van een boom of bosschage in de aangewezen hoge gronden buiten de beperkingengebieden molenbiotoop en vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7 en 2.
  405. Bij het rooien van een bomen of bosschage in de aangewezen hoge gronden, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.
  406. Bij het aanplanten of behouden van een boom of bosschage in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam buiten de beperkingengebieden waterkering met bijbehorende beschermingszone A niet zijnde aangewezen hoge gronden, molenbiotoop en vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap, wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.3, en de artikelen 2.7, 2.1

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.