← Nederland

Regels Subsidieverlening Gelderland 2023 (Gelderland)

In het kort

Deze regeling beschrijft de procedures en voorwaarden voor het aanvragen en verlenen van subsidies door Gedeputeerde Staten van Gelderland in 2023. Het doel is om duidelijkheid te scheppen over de subsidiabele activiteiten, kosten en de wijze van verdeling.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Regels Subsidieverlening Gelderland 2023Bekendmaking van het besluit van 15 november 2022 - zaaknummer 2022-007425 tot vaststelling van een regeling Gedeputeerde Staten van Gelderland Gedeputeerde Staten gelet op artikel 3 van de Algemene Subsidieverordening Gelderland 2016 Besluiten vast te stellen de volgende regeling: Regels Subsidieverlening Gelderland 2023 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Paragraaf 1.1 Algemene bepalingen Artikel1.1.1Algemene begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187), voor het laatst gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 2021/1237 (PbEU 20121 L 270); AsG: Algemene subsidieverordening Gelderland 2016; directe arbeidskosten: de kosten van niet in loondienst verrichte arbeid als ZZP-er of als directeur-grootaandeelhouder; directe loonkosten: het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten (werkgeversdeel pensioenpremie, WW-premie, WIA/WAO-premie en bijdrage Zorgverzekeringswet) en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen; indirecte kosten: indirecte loonkosten en voor overhead; indirecte loonkosten: kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden en van emolumenten; kosten van apparatuur: kosten van apparatuur die speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit; kosten voor het gebruik van overige apparatuur ten bate van de subsidiabele activiteit. kosten van derden: kosten voor het uitbesteden van diensten en het inlenen van personeel ten behoeve van de subsidiabele activiteit; kosten van materialen: kosten voor verbruiksgoederen; landbouwgroepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2472 van de commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PBEU 2022, L327). onafhankelijk taxateur: erkend taxateur die op onafhankelijke wijze de marktwaarde van een onroerend goed vaststelt op grond van algemeen aanvaarde waarderingsmethoden en die gecertificeerd is bij een passende kamer van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs; publiekrechtelijke rechtspersoon: rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; rechtspersoon met een wettelijke taak: rechtspersoon voor zover die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefenen en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen; sluitende begroting: een begroting waaruit blijkt dat de totale inkomsten en uitgaven voor de activiteiten met elkaar in evenwicht zijn. Artikel1.1.2Toepassingsbereik Hoofdstuk 1 is buiten het bereik van deze regeling van toepassing op andere besluiten omtrent subsidie waarvan Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3 van de AsG of op grond van een bijzonder besluit bevoegd zijn. Paragraaf 1.2 De aanvraag Artikel1.2.1Tijdvak voor aanvragen Gedeputeerde Staten kunnen een tijdvak vaststellen waarbinnen aanvragen om subsidie kunnen worden ingediend. Artikel1.2.2Indieningstermijn bij verdeelplan Voor subsidie die wordt verleend op basis van een krachtens wettelijk voorschrift vastgesteld verdeelplan waarin tenminste de subsidieontvangers en de te ontvangen subsidiebedragen worden genoemd, wordt de aanvraag om subsidie in afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG uiterlijk zes maanden nadat het verdeelplan is vastgesteld ingediend. Artikel1.2.3Inhoud van aanvraag om subsidie 1.Bij de aanvraag om subsidie worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee beoogde doelstellingen; een begroting van de opbrengsten en kosten voor de activiteiten, voorzien van een toelichting; als de activiteiten een tijdvak van meer dan 12 maanden beslaan en de gevraagde subsidie € 2.500.000 of meer bedraagt: een planning van de uitvoering van de activiteiten over de totale projectperiode en de daaraan verbonden kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd. 2.Als subsidie wordt berekend op basis van een vast bedrag per eenheid dan wordt, in afwijking van het eerste lid, onder b, een verklaring bij de aanvraag verstrekt waaruit blijkt dat de aanvrager over voldoende middelen beschikt om eventuele resterende kosten te dekken. 3.Als voor dezelfde activiteiten subsidie is verstrekt of aangevraagd bij een ander bestuursorgaan, doet de aanvrager daarvan mededeling in de aanvraag. Artikel1.2.4Boekjaarsubsidies 1.De aanvraag om een subsidie voor een boekjaar wordt ingediend voor 1 april van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar. 2.Als voor het jaar voorafgaand aan het boekjaar reeds subsidie werd verkregen, kan de aanvraag tot en met 30 september worden ingediend. Artikel1.2.5Ontvangstbevestiging Gedeputeerde Staten zenden de aanvrager zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging, waarin de ontvangstdatum is vermeld. Paragraaf 1.3 Beslissing op de aanvraag Artikel1.3.1Wijze van verdeling 1.Bij het verlenen van subsidie wordt de volgorde in acht genomen waarin de aanvragen om subsidie zijn ingediend. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen als zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. 2.Indien als gevolg van het verlenen van subsidie op grond van een aanvraag die is ingediend op een dag waarop meerdere ontvankelijke aanvragen zijn ingediend het subsidieplafond zou worden bereikt, wordt de volgorde van die aanvragen bepaald door loting. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen als zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. 3.Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen binnen een bepaald tijdvak worden ingediend en op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst. Een aanvraag wordt slechts in de rangorde opgenomen als zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. Als het vanwege technische storingen gedurende een onafgebroken periode van twee uur direct voorafgaand aan de deadline niet mogelijk is om met het online subsidieportal een subsidieaanvraag in te dienen, verlengen Gedeputeerde Staten het tijdvak waarbinnen aanvragen kunnen worden ingediend met 24 uur. 4.Op aanvragen als bedoeld in het derde lid wordt in afwijking van het eerste lid beslist op basis van die rangorde. 5.Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het vierde lid weigeren als die niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Artikel1.3.2Communautair toetsingskader 1.Als de verstrekking van subsidie een steunmaatregel betreft in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VwEU en er geen andere staatssteunoplossing voorhanden is, wordt de subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun (PbEU L 352). 2.Geen subsidie wordt verstrekt als tegen een subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard. 3.Geen subsidie wordt verstrekt onder toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de Landbouw groepsvrijstellingsverordening of de Catalogus Groenblauwe Diensten aan ondernemingen in moeilijkheden als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01). Artikel1.3.3Sluitende begroting 1.Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de begroting van de activiteit sluitend is. 2.Als toepassing wordt gegeven aan artikel 1.2.3, tweede lid, wordt de begroting geacht sluitend te zijn. Artikel1.3.4Niet-subsidiabele kosten Geen subsidie wordt verstrekt in verband met: kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag; kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen; verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten; kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en sancties; legeskosten als de aanvraag wordt gedaan door een bestuursorgaan; kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen; kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager; kosten gemaakt na afloop van de in de verleningsbeschikking opgenomen projectperiode met uitzondering van accountantskosten, bedoeld in artikel 27, derde lid, van de AsG; fooien, geschenken, gratificaties en bonussen; kosten voor representatie, personeelsactiviteiten, overboekingen, annuleringen en outplacementtrajecten; niet-noodzakelijke of bovenmatige kosten. Artikel1.3.5Methoden voor berekening van kosten 1.De aanvrager kiest voor het berekenen van de kosten een van de volgende methoden: de vaste uurtariefsystematiek; de loonkosten plus vaste opslagsystematiek; de integrale kostensystematiek. 2.De aanvraag bevat een opgave van de gekozen systematiek. 3.Op verzoek van de aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het eerste lid een andere methode vaststellen. 4.Bij toepassing van het derde lid worden de subsidiabele kosten berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast. 5.In afwijking van het eerste lid wordt voor publiekrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen met een wettelijke taak de vaste uurtariefsystematiek toegepast, ongeacht of de subsidiabele activiteit tot de wettelijke taak van de rechtspersoon wordt gerekend. 6.Gedeputeerde Staten kunnen voor rechtspersonen als bedoeld in het vijfde lid een andere methode toestaan. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 7.In afwijking van het vijfde lid kunnen instellingen voor hoger onderwijs en academische ziekenhuizen als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kiezen voor een van de methoden voor het berekenen van kosten als genoemd in het eerste lid. Artikel1.3.6Vaste uurtariefsystematiek 1.De kosten bij de vaste uurtariefsystematiek zijn: een vast uurtarief van € 50 als vergoeding voor de directe loon- en arbeidskosten en de indirecte kosten; kosten van apparatuur; kosten van materialen; en kosten van derden. 2.Het aantal gewerkte uren bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.600 en moet in de administratie per betrokken medewerker worden vastgelegd. 3.Het tweede lid is niet van toepassing op subsidies beneden een bedrag van € 125.

  1. Artikel1.3.7Loonkosten plus vaste opslagsystematiek 1.De kosten bij de loonkosten plus vaste opslagsystematiek zijn: een uurtarief voor directe loonkosten; een opslag van 20% over de directe loonkosten als vergoeding voor de indirecte kosten; een vast uurtarief van € 50 als vergoeding voor de directe arbeidskosten; kosten van apparatuur; kosten van materialen; en kosten van derden. 2.Het uurtarief voor de directe loonkosten wordt bepaald door de directe loonkosten per jaar te delen door de productieve uren. Het aantal productieve uren wordt bepaald door het aantal van 1600 uren te vermenigvuldigen met de deeltijdfactor. Het uurtarief bedraagt ten hoogste €
  2. 3.Bij subsidieverstrekking met een structureel karakter, waarbij voor activiteiten gedurende een periode van drie jaar of meer jaarlijks subsidie wordt verstrekt, bedraagt in afwijking van het eerste lid onder b de opslag voor indirecte kosten 25%. 4.Gedeputeerde Staten kunnen van het in het derde lid genoemde percentage voor de opslag voor indirecte kosten afwijken als de noodzaak van de afwijking aannemelijk is gemaakt. 5.Het aantal gewerkte uren bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.600 op basis van een voltijd dienstverband en wordt per betrokken medewerker in de administratie met bijhorende loonkosten vastgelegd. 6.Het derde lid is niet van toepassing op subsidies beneden een bedrag van € 125.
  3. Artikel1.3.8Berekeningswijzen kosten 1.Bij de toepassing van de artikelen 1.3.6 en 1.3.7 worden de kosten van apparatuur, materialen, loon- en arbeidskosten en kosten van derden, alsmede vergoedingen voor vrijwilligers berekend aan de hand van het tweede tot en met achtste lid. 2.De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder c, onderdeel i, worden berekend door het werkelijke gebruik van het apparaat te vermenigvuldigen met het machine-uurtarief. 3.Het machine-uurtarief wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de normale bezetting van het apparaat en de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn. 4.Het werkelijke gebruik van het apparaat wordt vastgelegd in een controleerbare gebruiksadministratie. 5.De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder g, onderdeel ii, worden berekend door middel van lineaire afschrijving van het apparaat. 6.De lineaire afschrijving wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn. 7.De kosten van materialen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen. 8.De kosten van vergoedingen voor vrijwilligers bedraagt per vrijwilliger maximaal het bedrag per uur, per maand en per jaar als door de Belastingdienst voor dat jaar is vastgesteld en zijn subsidiabel voor zover: deze aan de vrijwilliger zijn uitbetaald; het aantal gewerkte uren in de administratie met bijhorende vergoeding per vrijwilliger is vastgelegd. Artikel1.3.9Integrale kostensystematiek 1.De kosten bij de integrale kostensystematiek zijn: een tarief voor de directe en indirecte kosten (kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden en van emolumenten) van de voor de uitvoering van de activiteiten ingezette kostendragers, en kosten van derden. 2.De kosten per kostendrager worden berekend in een tarief per eenheid van deze kostendrager. 3.Het tarief wordt gebaseerd op een positief besluit van het Tarieventeam van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten aanzien van de Eigen verklaring integrale kostensystematiek en het rapport van bevindingen van de accountant. 4.De kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van dat tarief. Artikel1.3.10Hoogte van de subsidie 1.Als bij de beoordeling van de subsidieaanvraag blijkt dat door het verlenen van de gevraagde subsidie er een overschot op de begroting ontstaat, wordt de subsidie verminderd met het bedrag dat gelijk staat aan het positief resultaat op de begroting. 2.Als subsidie wordt berekend op basis van een vast bedrag per eenheid, is het eerste lid niet van toepassing. Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel1.4.1Administratieplicht De subsidieontvanger is verplicht alle op de gesubsidieerde activiteit betrekking hebbende bewijsstukken gedurende ten minste tien jaren na vaststelling van de subsidie te bewaren. Artikel1.4.2Administratie bij subsidies vanaf € 125.000 1.De subsidieontvanger is verplicht bij subsidieverstrekking vanaf € 125.000 een administratie te voeren die alle relevante informatie bevat voor het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden kosten en inkomsten. 2.Het voeren van een administratie houdt in ieder geval in dat: alle ontvangsten en kosten in de administratie zijn vastgelegd met onderliggende bewijsstukken; bewijsstukken, als onderdeel van de administratie, aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en uit die bewijsstukken de aard en hoeveelheid van de geleverde goederen en diensten blijkt; en uit de urenregistratie blijkt dat de gedeclareerde mensuren daadwerkelijk zijn gemaakt en rechtstreeks toe te rekenen zijn aan de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend. 3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG is voorgeschreven. Artikel1.4.3Voortgangsrapportage Als een subsidie boven € 25.000 niet binnen een jaar na de subsidieverlening wordt vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger, zolang de subsidie niet is vastgesteld, verplichten om jaarlijks een voortgangsrapportage over te leggen. Artikel1.4.4Meldingsplicht en aanleveren van bewijsstukken 1.De subsidieontvanger is verplicht om de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen als de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig, niet geheel of gewijzigd zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. 2.De beschikking tot subsidieverstrekking kan naar aanleiding van een melding worden gewijzigd als dit past binnen de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften en niet onredelijk laat is gedaan. 3.De subsidieontvanger is verplicht om op eerste verzoek van Gedeputeerde Staten door het overleggen van bewijsstukken aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel1.4.5Vervreemding van goederen en rechten 1.De subsidieontvanger is verplicht, als met subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na de subsidievaststelling worden vervreemd of anderszins aan derden ter beschikking worden gesteld, Gedeputeerde Staten dit te melden en de verstrekte subsidie terug te betalen. 2.Gedeputeerde Staten stellen het bedrag van de terug te betalen subsidie vast binnen dertien weken na ontvangst van de melding. 3.Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting de subsidie terug te betalen. Artikel1.4.6Vermogensvorming 1.De hoogte van de vergoeding voor vermogensvorming als bedoeld in artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale opbrengsten dat gedurende de laatste tien jaar door de subsidie is gevormd. 2.Bij de bepaling van de waarde van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen. 3.De waarde van onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, die van de roerende goederen op basis van hun boekwaarde. De geldmiddelen, waaronder begrepen banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde. 4.De waarde van onroerende goederen wordt voor rekening van de provincie vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen die daartoe door Gedeputeerde Staten in overeenstemming met de subsidieontvanger worden aangewezen. 5.Als minder dan tien achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt, wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal jaren gedurende welke subsidie is verstrekt. 6.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger beslissen dat geen vergoeding verschuldigd is als: de activiteiten door een ander worden overgenomen; de realisatie van de doelstelling niet in gevaar komt; en de activa en passiva tegen boekwaarde, bepaald op grond van historische kostprijs, worden overgenomen door de rechtsopvolger. Artikel1.4.7In stand houden resultaten De subsidieontvanger houdt gedurende ten minste vijf jaren na vaststelling van de subsidie, of zolang als in de beschikking tot verlening van de subsidie is bepaald, de resultaten van de activiteiten in stand, tenzij de aard van de activiteiten zich daartegen verzet. Artikel1.4.8Medewerking aan evaluatie 1.De subsidieontvanger werkt mee aan een door of namens Gedeputeerde Staten ingesteld onderzoek, dat erop gericht is de doeltreffendheid en de effecten van de subsidieverstrekking te evalueren. 2.Gedeputeerde Staten kunnen aan het besluit tot subsidieverlening of tot subsidievaststelling voorschriften verbinden over het verstrekken van inlichtingen, gegevens en bescheiden ten behoeve van een evaluatie. Paragraaf 1.5 Vaststelling Artikel1.5.1Vaststelling van subsidie tussen € 25.000 en € 125.000 1.De subsidieontvanger van een subsidie tussen € 25.000 en € 125.000 geeft bij het verzoek om subsidievaststelling aan: of de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een activiteitenverslag; of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. 2.De subsidieontvanger geeft in de verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG aan: wat het totaal van de subsidiabele kosten is; in voorkomend geval wat de stand van de egalisatiereserve is; wat het totaal van de opbrengsten is, inclusief bijdragen van derden is; en wat het totaal van de eigen bijdragen is. Artikel1.5.2Vaststelling door middel van jaarrekening bij subsidies boven € 125.000 1.Als toepassing wordt gegeven aan artikel 27, tweede lid, van de AsG gaat de aanvraag om vaststelling van de subsidie vergezeld van: de jaarrekening waarin de subsidie separaat wordt verantwoord; het jaarverslag; en de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen die in ieder geval strekken tot de verantwoording van onderdeel a. 2.De aanvraag om vaststelling wordt ingediend uiterlijk vier weken na het verschijnen van de jaarrekening van het jaar waarin de activiteiten zijn geëindigd. Paragraaf 1.6 Overige bepalingen Artikel1.6.1Incidentele subsidie In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan een incidentele subsidie worden verstrekt aan natuurlijke personen. Artikel1.6.2Cofinanciering EFRO Indien subsidie wordt verstrekt als provinciale cofinanciering bij een subsidie op grond van de Uitvoeringswet EFRO, is hierop in afwijking van artikelen 5, eerste lid, 7, 8, 9, eerste lid, 14, 17, tweede lid, 20, derde lid, 21, 29 en paragraaf 6 van de AsG de Uitvoeringswet EFRO van toepassing. Paragraaf 1.7 Subsidie SPUK Artikel1.7.1Begripsomschrijving In deze paragraaf wordt verstaan onder: SPUK: specifieke uitkering van het Rijk; SPUK-beschikking: beschikking van een Minister op aanvraag van Gedeputeerde Staten van Gelderland op grond waarvan middelen worden verstrekt; SPUK-regeling: regeling op grond waarvan de SPUK-beschikking is verstrekt. Artikel1.7.2Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de AsG kan worden verstrekt voor een activiteit waarvoor het Rijk op grond van een SPUK middelen aan de provincie beschikbaar heeft gesteld. Artikel1.7.3Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt als de SPUK-beschikking de subsidieontvanger, de subsidiabele activiteit en het bedrag vermeldt waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld. Artikel1.7.4Aanvraag 1.Een aanvraag om subsidie kan worden ingediend vanaf het moment dat Gedeputeerde Staten de SPUK-beschikking heeft ontvangen. 2.In afwijking van artikel 1.2.3, eerste lid, onder c, wordt, als de activiteiten een tijdvak van meer dan 12 maanden beslaan en de gevraagde subsidie € 125.000 of meer bedraagt, bij de aanvraag een planning van de uitvoering van de activiteiten over de totale projectperiode en de daaraan verbonden kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd bijgevoegd. 3.Van het tweede lid kan worden afgeweken als de SPUK-regeling of SPUK-beschikking dit toestaat. Artikel1.7.5Aanvrager Subsidie wordt alleen verstrekt aan een subsidieontvanger die vermeld staat in de SPUK-beschikking. Artikel1.7.6Subsidiabele kosten Als de SPUK-regeling of de SPUK-beschikking afwijkt van artikel 1.3.4, geldt hetgeen in de SPUK-regeling of SPUK-beschikking over de berekening van de subsidiabele kosten is bepaald. Artikel1.7.7Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste het bedrag dat in de SPUK-beschikking staat vermeld. Artikel1.7.8Verplichting Gedeputeerde Staten kunnen in aanvulling op of in afwijking van paragraaf 1.4 bij besluit tot subsidieverlening nadere eisen stellen aan de verantwoording voor zover dit op grond van de SPUK-regeling of SPUK-beschikking wenselijk is. Artikel1.7.9Vaststelling Als de subsidieontvanger een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1 van de Awb, dient deze in afwijking van artikel 24, eerste lid, van de AsG binnen 18 maanden na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend, de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in overeenkomstig artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. Hoofdstuk 2 Natuur en Landbouw Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen Artikel2.1.1Algemene begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: agrarisch collectief: vereniging als bedoeld in artikel 3.1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016; agrarisch natuurbeheer: natuurbeheer op landbouwgronden; agrarisch leefgebied: in het natuurbeheerplan begrensde landbouwgronden waarop planten of dieren voorkomen die bepaalde eisen stellen aan de inrichting en het gebruik van hun omgeving of waarop het voorkomen van zulke planten of dieren wordt nagestreefd; ambitiekaart: kaart behorende bij het vigerende Natuurbeheerplan Gelderland waarop de begrenzing is vastgelegd van bestaande en nieuwe natuur; Beleidsnota Actieve Soortenbescherming: de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming Gelderland zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 6 januari 2015, inclusief de nadien aangebrachte wijzigingen; duurzaam functioneren van de toplaag: handhaven of herstellen van het op lange termijn functioneren van de werking van het bodem en watersysteem in de bovenlaag van de bodem; functieverandering: feitelijk en publiekrechtelijk wijzigen van het gebruik van grond van landbouw naar natuur en het vestigen van een kwalitatieve verplichting op die grond; ganzenrustgebied: gebied bedoeld om overwinterende beschermde inheemse ganzen rust te bieden en welk gebied door Provinciale Staten als zodanig is vastgesteld; gebouw: opstal alsmede het kadastrale perceel waarop deze opstal is gelegen; gebruiksgerechtigde: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die op grond van pacht of erfpacht zeggenschap heeft over het landbouwbedrijf; gecertificeerde begunstigde: begunstigde die beschikt over of gebruik maakt van een certificaat als bedoeld in artikel 1.11 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016; GNN: Gelders natuurnetwerk zoals begrensd door Provinciale Staten bij vaststelling van de Omgevingsverordening provincie Gelderland bij besluit van 24 september 2014 dan wel de op basis van de Omgevingsverordening provincie Gelderland door Gedeputeerde Staten nadien gewijzigde begrenzing; grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond, waarop het onderzoek wordt uitgevoerd, te gebruiken; grote onderneming: onderneming waar minstens 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR overschrijdt, zoals bepaald in artikel 2, bijlage I bij de Landbouw groepsvrijstellingsverordening; hagen en heggen: opgaande lijnvormige elementen bestaande uit loofhoutsoorten, niet zijnde vlecht-, knip- of scheerheggen; innovatie: proces waarbij kennis en technologie, worden samengebracht met het benutten van marktkansen voor nieuwe of betere producten, diensten en zakelijke processen ten opzichte van wat al op de markt beschikbaar is; inrichting: uitvoering van maatregelen die de fysieke kenmerken van het natuurterrein wijzigen; knelpunt: locatie waarvan door onderzoek is gebleken dat daar regelmatig dieren worden aangereden of verdrinken of waarbij het voor ter plaatse levende dieren onmogelijk is om openbare infrastructuur te passeren; landbouwbedrijf: eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die voor de primaire landbouwproductie worden gebruikt als bedoeld in artikel 2, onder 8, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf; landbouwbedrijfsgebouw: gebouw met bijbehorende voorzieningen dat gebruikt wordt ten behoeve van de uitoefening van een landbouwbedrijf; landbouwsteunkader: Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (PbEU 2022, C 485); landschapselementen: groene opgaande elementen bestaande uit inheemse loofhoutsoorten; leefgebied: gebied waarin alle fasen in de levenscyclus van een of meer prioritaire soorten zich kunnen afspelen; modernisering: vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw of van bestaande voorzieningen op een nieuwe locatie door een nieuw, modern gebouw of nieuwe, moderne voorzieningen waarbij de betrokken productie of technologie fundamenteel wordt gewijzigd; Gelderse nationale landschappen: nationale landschappen zoals aangewezen in de Uitwerking streekplan Gelderland 2005; Natura 2000-gebied: door het Rijk aangewezen Natura 2000-gebieden op basis van de Wet natuurbescherming; Natura 2000-doelstellingen: instandhoudings- en ontwikkeldoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied; natura 2000-maatregelen: maatregelen voor herstel van de natuurkwaliteiten zoals beschreven in Natura 2000-beheerplannen of ontwerpbeheerplannen van door Gedeputeerde Staten vastgestelde Natura 2000-gebieden; natuurambitieterrein: terrein dat is opgenomen op de ambitiekaart, aangeduid als N00.01 en waarvoor is aangegeven welke beheertypen op deze grond van toepassing zijn na functieverandering van landbouw naar natuur; natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016; natuurbeheertype: in bijlage 1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 opgenomen soort natuur zoals nader beschreven in de Index Natuur en Landschap; natuurgebied: gebied bestaande uit meerdere natuurterreinen; natuurontwikkelplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin een gebied is aangewezen en voor subsidie in aanmerking kan komen voor het behoud van hoge actuele natuurwetenschappelijke, landschappelijke, cultuurhistorische of bosbouwkundige waarden; natuurterrein: grond die op de ambitiekaart is begrensd als bestaande of als nieuwe natuur als eenheid is weergegeven, of waarvoor een subsidie voor functieverandering als bedoeld in artikel 2.8.1 is verstrekt; niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het bedrijf; nieuwe natuur: op de ambitiekaart aangegeven nog niet ingerichte landbouwgronden of voormalige landbouwgronden aangeduid als N00.01 dan wel nog niet ingerichte natuurgronden aangeduid als N00.02, waar het natuurbeheertype of indicatieve verhouding natuurbeheertypen nog niet is gerealiseerd binnen het GNN; prioritaire soorten: soorten als bedoeld in bijlage 2 bij deze regels; programma-aanvraag: aanvraag van een voor natuurbeheer gecertificeerd begunstigde voor meerdere, niet aaneengesloten natuurterreinen; marktwaarde: waarde in het vrije economische verkeer; biodiversiteitsplan: plan dat is gericht op het vergroten van de biodiversiteit en door een orgaan van de gemeente is vastgesteld. faunaschade: schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming; invasieve exoot: soort planten of dier dat is geïntroduceerd buiten hun natuurlijk verspreidingsgebied, waarvan is vastgesteld dat de introductie of verspreiding ervan een bedreiging of nadelige gevolgen heeft voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten in Nederland; invasieve exoot: Soorten van planten en dieren die zijn geïntroduceerd buiten hun natuurlijk verspreidingsgebied, waarvan is vastgesteld dat de introductie of verspreiding ervan een bedreiging of nadelige gevolgen heeft voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten in Nederland; primaire landbouwproductie: productie van in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde producten van de bodem en van de veehouderij die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van deze producten wijzigt; uitvoeringsprogramma: programma waarin staat aangegeven hoe gebiedsgericht invulling wordt gegeven aan het realiseren van de condities, die nodig zijn voor een landelijk gunstige staat van instandhouding op de locaties, waar bij aanvang van het programma sprake is van een te hoge stikstofdepositie voor stikstofgevoelige soorten en habitats; directe arbeidskosten: de kosten van niet in loondienst verrichte arbeid als ZZP-er of als directeur-grootaandeelhouder; MKB-onderneming: kleine, middelgrote of micro-onderneming die voldoet aan de criteria uit bijlage 1 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening. Paragraaf 2.2 Biodiversiteit en landschap Artikel2.2.1Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: het opstellen van een biodiversiteitsplan; het uitvoeren van fysieke maatregelen die de biodiversiteit verhogen, of het aanleggen of herstellen van groenblauwe landschapselementen; burgerparticipatie en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij biodiversiteit en het landschap; het uitvoeren van herstel- of inrichtingsmaatregelen in een agrarisch leefgebied; of inrichting met landschapselementen, al dan niet in combinatie met functieverandering van landbouwgrond naar landschapselement. Paragraaf 2.2a Biodiversiteitsplan Artikel2.2a.1Criteria Subsidie voor het opstellen van een biodiversiteitsplan wordt alleen verstrekt als in het plan in ieder geval de volgende onderwerpen worden beschreven: de in het gebied voorkomende planten en dieren; de in het gebied gewenste planten en dieren; het actief beschermen van de in het plan genoemde soorten; natuurinclusief bouwen en vergunnen; het inrichten en beheren van openbaar groen en bermen; en het betrekken van inwoners bij (het bevorderen van) biodiversiteit. Artikel2.2a.2Niet-subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.3.4 komen voor subsidie niet in aanmerking kosten voor: ambtelijke inzet; en projectleiding en coördinatie. Artikel2.2a.3Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan een gemeente. Artikel2.2a.4Hoogte De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 25.
  4. Paragraaf 2.2b Fysieke maatregelen biodiversiteit en groenblauwe landschapselementen Artikel2.2b.1Criteria Subsidie voor het uitvoeren van fysieke maatregelen die de biodiversiteit verhogen wordt alleen verstrekt als in het projectplan wordt onderbouwd dat de maatregelen het voortplanten, opgroeien en foerageren van inheemse diersoorten mogelijk maakt of verbetert. Subsidie voor het aanleggen of herstellen van groenblauwe landschapselementen wordt alleen verstrekt als: het groenblauwe landschapselementen uit bijlage 1 Index landschap bij de Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer 2016 betreft; en in een projectplan wordt onderbouwd dat de aanleg bijdraagt aan het realiseren van een gemeentelijk biodiversiteitsplan of landschapsontwikkelingsplan. Artikel2.2b.2Niet-subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.3.4 komen voor subsidie niet in aanmerking kosten voor: ambtelijke inzet; projectleiding en coördinatie, als een gemeente de aanvrager is; aan- of verkoop van onroerende goederen; inkomstenderving; en het verwijderen van verharding, drugsafval of bodemverontreiniging. Artikel2.2b.3Aanvrager 1.Subsidie wordt verstrekt aan: een gemeente; of een eigenaar van een bos of landgoed. 2.In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. 3.Artikel 1.3.5, vijfde lid, is niet van toepassing als de aanvrager Staatsbosbeheer is. Artikel2.2b.4Hoogte 1.De subsidie bedraagt: 75% van de subsidiabele kosten voor activiteiten die worden uitgevoerd binnen de begrenzing van de Gelderse nationale landschappen en worden aangevraagd door een gemeente, met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 200.000 per aanvrager; 50% van de subsidiabele kosten voor activiteiten die worden uitgevoerd buiten de begrenzing van de Gelderse nationale landschappen en worden aangevraagd door een gemeente, met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 200.000 per aanvrager; 75% van de subsidiabele kosten die worden aangevraagd door een eigenaar van een bos of landgoed, met een minimum van € 7.500 en een maximum van € 200.000 per aanvrager; en maximaal € 20.000 voor zover subsidie wordt aangevraagd door een onderneming die actief is in de primaire productie, verwerking of afzet van landbouwproducten. 2.De subsidiabele kosten voor het maken van een inrichtingsplan bedragen maximaal € 500 per inrichtingsplan. 3.De kosten voor projectleiding of coördinatie bedragen maximaal 15% van de totale subsidiabele kosten. Artikel2.2b.5Weigeringsgrond 1.Subsidie wordt geweigerd voor zover de activiteit wordt uitgevoerd binnen: terreinen waarvoor subsidie op grond van de Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer is verleend; een nieuw bedrijventerrein; een nieuwe woningbouwlocatie; of de begrenzing van een buitenplaats met de status rijksmonument. 2.Subsidie wordt geweigerd voor zover de activiteit het beheer van natuur of landschap betreft. Artikel2.2b.6Verplichtingen 1.De subsidieontvanger is verplicht inheems plantmateriaal en zaaizaad te gebruiken, tenzij de activiteit ziet op een vorm van agro forestry. 2.Landschapselementen die worden aangelegd worden tenminste 10 jaar in stand gehouden. Artikel2.2b.7Communautair toetsingskader 1.Subsidie aan een eigenaar van een bos of landgoed wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met de-minimissteun als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (Pb EU L 352/1); 2.Subsidie aan een onderneming actief in de primaire productie, verwerking of afzet van landbouwproducten wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met de-minimis steun in de landbouwsector als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (Pb EU L 352/9). Paragraaf 2.2c Burgerparticipatie en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij biodiversiteit en landschap Artikel2.2c.1Aanvrager Subsidie voor burgerparticipatie en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij biodiversiteit en landschap wordt alleen verstrekt aan: een gemeente; of een eigenaar van een bos of landgoed. Artikel2.2c.2Niet-subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.3.4 komen voor subsidie niet in aanmerking kosten voor: ambtelijke inzet; projectleiding en coördinatie, als een gemeente de aanvrager is; en aan- of verkoop van onroerende goederen. Artikel2.2c.3Hoogte De subsidie bedraagt: 75% van de subsidiabele kosten voor activiteiten die worden uitgevoerd binnen de begrenzing van de Gelderse nationale landschappen en worden aangevraagd door een gemeente, met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 200.000 per aanvrager; 50% van de subsidiabele kosten voor activiteiten die worden uitgevoerd buiten de begrenzing van de Gelderse nationale landschappen en worden aangevraagd door een gemeente, met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 200.000 per aanvrager; en 75% van de subsidiabele kosten die worden aangevraagd door een eigenaar van een bos of landgoed, met een minimum van € 7.500 en een maximum van € 200.000 per aanvrager. Paragraaf 2.2d Herstel- of inrichtingsmaatregelen op een agrarisch leefgebied Artikel2.2d.1Criteria Subsidie voor het uitvoeren van herstel- of inrichtingsmaatregelen op een agrarisch leefgebied wordt alleen verstrekt als: de maatregel niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het bedrijf; de maatregel bijdraagt aan de effectiviteit van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer; en de maatregel wordt uitgevoerd op een perceel waarvoor subsidie op grond van artikel 3.2 van de Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer 2016 is aangevraagd. Artikel2.2d.2Niet-subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.3.4 komen voor subsidie niet in aanmerking kosten voor: aan- of verkoop van onroerende goederen; inkomstenderving; afwateringswerkzaamheden; en het verwijderen van drugsafval of bodemverontreiniging. Artikel2.2d.3Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan een agrarisch collectief. Artikel2.2d.4Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt 95% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 8.000 per hectare. 2.De subsidie bedraagt maximaal € 500.000 per onderneming per investeringsproject. Paragraaf 2.2e Functieverandering en inrichting Artikel2.2e.1Criteria 1.Subsidie voor inrichting wordt alleen verstrekt voor de volgende landschapselementen: L01.01 poel en klein historisch water, mits: de oppervlakte van de poel of het water minimaal 50 m2 en maximaal 3000 m2 bedraagt; en de diepte van de poel of het water minimaal 0,5 meter bedraagt in de periode tussen 1 oktober en 1 april; L01.02 houtwal, mits: sprake is van een op een wallichaam gelegen lijnvormige opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken; en de houtwal maximaal 5 meter breed en minimaal 50 meter lang is; L01.06 struweelhaag, mits: sprake is van een lijnvorige, aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse struiken; en de haag minimaal 25 meter lang is; struweelrand, mits: sprake is van een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen; maximaal 10% van de rand wordt ingenomen door bomen of struiken, die inheems moeten zijn; de rand minimaal 1 meter en maximaal 5 meter breed is; de rand minimaal 25 meter lang is; en e mantel en zoom is gelegen langs een bos; bosje, mits: sprake is van een vlakvormig element met een begroeiing van inheemse bomen en struiken; en het minimaal 2000 m2 en maximaal 10.000 m2 groot is. 2.Subsidie voor functieverandering wordt alleen verstrekt als: de landbouwproductiecapaciteit van de grond in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken is gebruikt; de subsidieontvanger de betrokken productiecapaciteit sloopt of onherroepelijk sluit; en het perceel wordt ingericht met een of meer landschapselementen, als bedoeld in het eerste lid. Artikel2.2e.2Niet-subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.3.4 komen voor subsidie niet in aanmerking kosten voor: aan- of verkoop van onroerende goederen; inkomstenderving; en het verwijderen van verharding, drugsafval of bodemverontreiniging. Artikel2.2e.3Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers aan een samenwerkingsverband dat bestaat uit een agrarisch collectief en meerdere grondeigenaren. Artikel2.2e.4Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag vermeld: de grootte van de onderneming; als sprake is van een grote onderneming: een beschrijving van de levensvatbaarheid van het project door de situatie te schetsen waarin er geen steun verleend wordt; of en welke andere subsidies de aanvrager ontvangt voor het project en door wie die subsidies worden verstrekt; een beschrijving van de locatie; en de start- en einddatum van het project. Artikel2.2e.5Hoogte van de subsidie 1.De subsidie voor inrichting bedraagt 75% van de subsidiabele kosten. 2.De subsidie functieverandering bedraagt 100% van het verschil tussen de marktwaarde voor en na de functieverandering en inrichting blijkend uit een in opdracht van Gedeputeerde Staten uitgevoerde taxatie. Artikel2.2e.6Verplichtingen De grondeigenaar in het samenwerkingsverband is verplicht: binnen twaalf weken na verlening met de provincie Gelderland een overeenkomst af te sluiten, waarin is opgenomen: de verplichting dat de eigenaar de grond niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert overeenkomstig het landschapsbeheertype zoals voorgeschreven in de Index Natuur en landschap en datgene nalaat wat de veiligstelling van het landschapsbeheertype verstoort; en dat deze verplichting zal overgaan op al degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen; binnen vier weken nadat de overeenkomst is tot stand gekomen, op kosten van de provincie, de overeenkomst in te laten schrijven als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het terrein in de openbare registers; een afschrift van de kwalitatieve verplichting binnen vier weken na inschrijving in de openbare registers toe te zenden aan de Gedeputeerde Staten; bij de gemeenteraad een verzoek in te dienen om de grond waarop het landschapselement staat te bestemmen als natuur of landschap; en de uit productie genomen gronden binnen twee jaar in natuurgebied landschapselement om te zetten; en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen. Tot dan moeten de cultuurgronden in een goede landbouw- en milieuconditie worden gehouden overeenkomstig titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen. Artikel2.2e.7Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd als: voor dezelfde activiteit al eerder subsidie is verstrekt; subsidie wordt aangevraagd door een onderneming die niet aan de relevante Unienormen of nationale wet- en regelgeving voldoet en op basis daarvan hun productie hoe dan ook moet stopzetten; de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01); voor zover op de landbouwgrond of het natuurterrein nog verplichtingen rusten op grond van deze regeling of enige andere regeling op grond waarvan een subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer. Artikel2.2e.8Vaststelling In afwijking van artikel 25 van de AsG wordt een subsidie niet vastgesteld zonder voorafgaande subsidieverlening. Artikel2.2e.9 Deze regeling is gebaseerd op de Catalogus Groenblauwe Diensten. Artikel2.2e.10 Transparantie Gedeputeerde Staten maken binnen zes maanden na de datum van de verlening van een subsidie de volgende gegevens bekend: de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het Landbouwsteunkader; en de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het Landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan: € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie; € 100.000 voor begunstigden in de sector verwerking van landbouwproducten, in de sector afzet van landbouwproducten of in de bosbouwsector of voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen. Paragraaf 2.3 Grondverwerving ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk Artikel2.3.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: DAEB Kaderregeling: EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (PbEU 2012, C8); natuur- of landschapsbeheertype: beheertype genoemd in bijlage 1 of 2 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016; verwerving: verkrijging van het recht van eigendom door middel van koop of ruil; waardevermindering: verschil tussen de marktwaarde van de grond of het gebouw bij verwerving en de marktwaarde van de grond of het gebouw na omzetting in natuurterrein, gebaseerd op een onafhankelijke taxatie. Artikel2.3.2Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de AsG, wordt verstrekt voor: het verwerven van grond; het pachtvrij of erfpachtvrij maken van grond; het verwerven van de eigendom van grond in combinatie met het voor die grondverwerving noodzakelijke verwerven van op die grond gevestigde gebouwen. Artikel2.3.3Criteria 1.Subsidie wordt slechts verstrekt als het project betrekking heeft op grond: die deel uitmaakt van het Gelders natuurnetwerk en in het Natuurbeheerplan is aangeduid met code N00.01, of die op grond van een ecologische onderbouwing aantoonbaar geschikt is om op voorzienbare termijn toe te voegen aan het Gelders natuurnetwerk. 2.Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel b, slechts verstrekt als: de subsidieaanvrager eigenaar is van de grond waarop de pacht of erfpacht is gevestigd; de pacht of erfpacht reeds was gevestigd op de grond op het moment dat de subsidieaanvrager het recht op eigendom van de grond verkreeg, dan wel reeds was gevestigd voor 1990, en de beëindiging van de pacht of erfpacht noodzakelijk is om natuurbeheer overeenkomstig het beheertype als aangegeven in het Natuurbeheerplan, mogelijk te maken. 3.Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel c, slechts verstrekt als: het project minimaal 10 hectare grond betreft, en de grond en de gebouwen deel uit maken van hetzelfde en aaneengesloten perceel. Artikel2.3.4Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd indien: het project betrekking heeft op grond waarvan reeds duurzaam geborgd is dat deze als natuur in stand wordt gehouden; of de subsidieontvanger een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in punt 20 van de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (Pb EU 2014 C49). Artikel2.3.5Subsidiabele kosten De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: de waardevermindering van de grond; kosten voor het vrijmaken van het terrein van pacht of erfpacht tegen een reële vergoeding, blijkend uit een taxatie door een onafhankelijke taxateur; de waardevermindering van de gebouwen als gevolg van het uit productie halen van de landbouwgrond; veilingkosten; overdrachtsbelasting voor zover geen kwijtschelding of vermindering wordt verleend; kosten voor historisch of milieukundig bodemonderzoek volgens respectievelijk NEN 5725 of 5740; kadasterkosten; notariskosten; taxatiekosten; kosten voor de afkoop van landinrichtingsrente, voor zover niet meegenomen in de waardevermindering van de grond; bemiddelingskosten. Artikel2.3.6Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 verstrekt de aanvrager in ieder geval: een kadastrale omschrijving van de grond en een kaart met topografische ondergrond met een schaal van ten hoogste 1:10.000 met daarop de ligging van de grond, en gegevens waaruit het beoogde beheertype en de oppervlakte van de te realiseren natuur blijkt. Artikel2.3.7Aanvrager 1.Subsidie kan worden aangevraagd door een ieder die blijkens haar statutaire doelstellingen duurzaam natuurbeheer verricht dan wel voldoende aannemelijk maakt duurzaam natuurbeheer te kunnen verrichten of te laten verrichten overeenkomstig het Natuurbeheerplan. 2.In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel2.3.8Subsidiehoogte 1.De subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel a, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.3.4, onderdeel a en d tot en met j. 2.De subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel b, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.3.4, onderdeel b en g tot en met j. 3.De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel c, bedraagt: 100% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.3.4, onderdeel a en d tot en met j; 50% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.3.4, onder c, tot een maximum van € 25.000 per hectare met een maximum van € 500.000 per aanvraag. 4.De subsidie voor kosten bodemonderzoek, bedoeld in artikel 2.3.5, onder f, bedraagt maximaal € 4.
  5. 5.De subsidie voor bemiddelingskosten, bedoeld in artikel 2.3.5, onder k, bedraagt 90% van de subsidiabele kosten. 6.Subsidies als bedoeld in de voorgaande leden, worden zoveel lager verstrekt als noodzakelijk om betaling boven de werkelijke kosten of de maximaal toelaatbare vergoeding op grond van Europese regels of deze regeling te voorkomen. Artikel2.3.9Verplichtingen 1.De subsidieontvanger: verwerft de grond dan wel beëindigt de pacht of erfpacht binnen 12 weken na subsidieverlening; richt de verworven dan wel pachtvrij gemaakte gronden binnen twee jaar in overeenkomstig: de indicatieve verhouding beheertypen zoals opgenomen in het natuurbeheerplan; of door Gedeputeerde Staten vastgestelde beheertypen; dient bij het bevoegd gezag een aanvraag in tot wijziging van de bestemming inhoudende dat de grond enkel als natuur mag worden gebruikt; houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten; en laat eventuele opbrengsten van economische activiteiten van het project ten goede komen aan het project. 2.Onverminderd het eerste lid, sluit de subsidieontvanger binnen 12 weken na subsidieverlening met Gedeputeerde Staten een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb, waarin is opgenomen: de verplichting van de eigenaar om voor onbepaalde tijd de ontwikkeling dan wel instandhouding van het op grond van het Natuurbeheerplan te realiseren beheertype te dulden; de verplichting van de eigenaar de betreffende grond na inrichting niet te gebruiken of te doen gebruiken als landbouwgrond en datgene na te laten wat de ontwikkeling en instandhouding van het op grond van het Natuurbeheerplan te realiseren beheertype in gevaar brengt of verstoort; dat de verplichtingen, bedoeld onder a en b, zullen overgaan op degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn degene die van de rechthebbende een recht op gebruik van het goed zullen krijgen, en dat de verplichtingen, bedoeld onder a en b, als kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 BW, zullen worden ingeschreven in de openbare registers en binnen welke termijn deze inschrijving dient plaats te vinden. 3.Indien het wegens onvoorziene omstandigheden niet mogelijk is om binnen de gestelde termijn de vermelde verplichtingen na te komen, kan de subsidieontvanger uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging van die termijn. Artikel2.3.10Subsidievaststelling 1.In afwijking van artikel 27 van de AsG stellen Gedeputeerde Staten de subsidie overeenkomstig de DAEB-kaderregeling vast op basis van prestaties en gerealiseerde kosten. 2.De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken: een afschrift van de notariële akte betreffende de kwalitatieve verplichting en de inschrijving daarvan in de openbare registers; indien sprake is van economische activiteiten, een overzicht van de wijze waarop de opbrengsten ten goede zijn gekomen aan het project; en een afschrift van de aanvraag tot wijziging van de bestemming, bedoeld in artikel 2.3.9, eerste lid, onder c.
  6. Onverminderd het eerste lid, overlegt de subsidieontvanger van een subsidie: als bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel a: een afschrift van de leveringsakte van de grond en de inschrijving daarvan in de openbare registers; als bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel b: een afschrift van de overeenkomst tot beëindiging van de pachtovereenkomst of een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding van de pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek; en als bedoeld in artikel 2.3.2, onderdeel c: een afschrift van de leveringsakte van de grond en de gebouwen en de inschrijving daarvan in de openbare registers.
  7. Er wordt vrijstelling verleend van de verplichting genoemd in artikel 27, derde lid, van de AsG. Artikel2.3.11Communautair toetsingskader Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met het Besluit van de Europese Commissie van 3 juni 2022, (C2022) 3485, met betrekking tot steunmaatregel SA.
  8. Paragraaf 2.4 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk Artikel2.4.1Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor de verplaatsing van een landbouwbedrijfsgebouw. Artikel2.4.2Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt als door verplaatsing van het landbouwbedrijfsgebouw: ten minste 5 hectares natuurambitieterrein gelegen binnen een Natura 2000-gebied beschikbaar komen die daarna ingericht kunnen worden ten behoeve van de Natura 2000-doelstellingen van dat gebied; of ten minste 15 hectares natuurambitieterrein gelegen in het GNN beschikbaar komen in een gebied, welke gronden daarna ingericht kunnen worden ten behoeve van de doelstellingen genoemd in het natuurbeheerplan. Artikel2.4.3Subsidiabele kosten Voor subsidie komen in aanmerking: de kosten voor het demonteren, verplaatsen en weer opbouwen van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw; de kosten voor het aanpassen van een landbouwbedrijfsgebouw of het oprichten van een landbouwbedrijfsgebouw op de nieuwe locatie, ter vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw op de bestaande locatie. Artikel2.4.4Aanvrager Subsidie kan worden aangevraagd door een MKB-onderneming die eigenaar of gebruiksgerechtigde is van het te verplaatsen landbouwbedrijfsgebouw. Artikel2.4.5Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten. 2.Als de verplaatsing gepaard gaat met modernisering van voorzieningen of verhoging van de productiecapaciteit, bedraagt de subsidie naast het eerste lid ten hoogste 40% van de met de modernisering of verhoging van de productiecapaciteit gepaard gaande kosten. 3.De subsidie bedraagt ten hoogste € 400.
  9. Artikel2.4.6Verplichtingen 1.De subsidieontvanger is verplicht binnen 12 maanden na subsidieverlening: zijn landbouwbedrijfsgebouw te verplaatsen; op de als gevolg van de verplaatsing vrijkomende natuurambitieterrein gelegen binnen het Natura 2000-gebied of het GNN een kwalitatieve verplichting te vestigen of te doen vestigen, inhoudende dat het perceel niet gebruikt zal worden als landbouwgrond. 2.Op verzoek van de subsidieontvanger kan de termijn genoemd in het eerste lid aanhef en onder a, worden verlengd. 3.Het eerste lid, onder b, geldt niet voor zover de provincie binnen 12 maanden na de subsidieverlening de gronden aankoopt. Artikel2.4.7Communautair toetsingskader In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 16 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening. Paragraaf 2.5 Behoud van prioritaire soorten Artikel2.5.1Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: kweek in combinatie met introductie van een prioritaire soort in een leefgebied; introductie van een prioritaire soort in een leefgebied; handmatig bestuiven van een prioritaire plantensoort in een leefgebied; onderzoek gericht op het in kaart brengen van het voorkomen van een prioritaire soort in een leefgebied en het in kaart brengen van plekken waar maatregelen ten behoeve van die specifieke soort genomen moeten worden; onderzoek gericht op de effectiviteit van maatregelen ten aanzien van het behoud van een prioritaire soort; onderzoek gericht op het bepalen van maatregelen die noodzakelijk zijn voor het behoud van een prioritaire soort in een leefgebied; inrichtingsmaatregelen ten behoeve van het behoud of versterking van het leefgebied van een prioritaire soort. Artikel2.5.2Criteria 1.Subsidie wordt slechts verstrekt ten behoeve van activiteiten en locaties die zijn opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels. 2.In afwijking van het eerste lid kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten en locaties waarvan op basis van onderzoek of gedocumenteerde veldervaringen aannemelijk is dat zij bijdragen aan het behoud van prioritaire soorten in Gelderland en dat deze activiteiten aanvullend dan wel gelijkwaardig zijn ten opzichte van de activiteiten en locaties bedoeld in het eerste lid. 3.Subsidie als bedoeld in artikel 2.5.1, onder a en b, wordt slechts verstrekt als de aanvrager bij de aanvraag een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en Faunawet of de daarvoor in de plaats tredende bepalingen in de Wet Natuurbescherming overlegt die ziet op het betreffende leefgebied en de betreffende soort. 4.Subsidie ten behoeve van onderzoek en bescherming van flora en fauna wordt slechts verstrekt voor maatregelen die uitgevoerd moeten worden in een leefgebied als voor die uitvoering toestemming en medewerking is verkregen van de eigenaar van het leefgebied, of degene die krachtens overeenkomst of zakelijk recht gerechtigd is tot het gebruik van het leefgebied . Artikel2.5.3Aanvrager 1.Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van het leefgebied of degene die krachtens overeenkomst of zakelijk recht gerechtigd is tot het gebruik van het leefgebied. 2.Subsidie wordt verstrekt aan een organisatie gericht op onderzoek en bescherming van flora en fauna. 3.In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt. Artikel2.5.4Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt ten hoogste 95% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.500 en een maximum van € 30.000 per activiteit als bedoeld in artikel 2.5.1, onder a tot en met f. 2.Subsidie voor meerdere activiteiten, als bedoeld in artikel 2.5.1, onder a tot en met g, kan gestapeld worden tot een maximum van € 300.000 per aanvraag. 3.De subsidie bedraagt ten hoogste 95% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.500 en een maximum van € 95.000 per activiteit als bedoeld in artikel 2.5.1, onder g. 4.Artikel 1.3.5, vijfde lid, is niet van toepassing als de aanvrager Staatsbosbeheer is. Artikel2.5.5Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd ten behoeve van maatregelen die zijn opgelegd op grond van de Wet Natuurbescherming. Paragraaf 2.6 Rustgebieden voor ganzen Artikel2.6.1Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het bieden van rust voor trekganzen in de winter. Artikel2.6.2Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt als: de subsidiabele activiteit betrekking heeft op het niet verjagen van ganzen in de periode tussen 1 november en 1 april op percelen die zijn aangewezen als ganzenrustgebied; een aanvraag om een tegemoetkoming in faunaschade is ingediend via www.faunaschade.nl; door of in opdracht van Gedeputeerde Staten schade is getaxeerd die is veroorzaakt door overwinterende natuurlijk in het wild levende ganzen van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn in het betreffende seizoen; en de percelen voldoen aan de in de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade Gelderland gestelde voorwaarden om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Artikel2.6.3Aanvrager 1.Subsidie wordt verstrekt aan de geregistreerde grondgebruiker van de percelen volgens de jaarlijkse Gecombineerde Opgave van RVO. 2.In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen Artikel2.6.4Aanvraag 1.In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie ingediend voor 1 juli van het jaar waarin de periode als bedoeld in artikel 2.6.1 eindigt waarop de aanvraag betrekking heeft. 2.In afwijking van het eerste lid van dit artikel kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de subsidie met toepassing van artikel 4:44 Algemene wet bestuursrecht ambtshalve te verlenen. Artikel2.6.5Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste € 50 per hectare waarop zich schade heeft voorgedaan per periode als bedoeld in artikel 2.6.
  10. Artikel2.6.6Communautair toetsingskader In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (PbEU L 352/09). Paragraaf 2.7 Inrichting van het Gelders Natuurnetwerk Artikel 2.7.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: de inrichting van nieuwe natuur; het uitvoeren van Natura 2000-maatregelen, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur; het uitvoeren van herstelmaatregelen voor natte landnatuur, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur; de eenmalige verhoging van de natuurkwaliteit van een bestaand natuurbeheertype; haalbaarheidsonderzoek. Artikel2.7.2Criteria 1.Subsidie voor inrichting van nieuwe natuur als bedoeld in artikel 2.7.1, onder a, wordt slechts verstrekt als de inrichtingsmaatregelen de gewenste natuurkwaliteit zoals aangegeven als indicatieve verhouding beheertypen op de ambitiekaart van het natuurterrein realiseren. 2.In afwijking van het eerste lid kan een subsidie worden verleend voor een ander natuurbeheertype of een indicatieve verhouding beheertype dan is opgenomen op de ambitiekaart, als: de aanvrager door middel van een landschapsecologische onderbouwing aantoont dat het vigerende natuurbeheertype of indicatieve verhouding beheertype van het natuurgebied niet realiseerbaar of doelmatig is; of het voorgestelde nieuwe natuurbeheertype invulling geeft aan hogere potenties die in het natuurterrein voorkomen en doelmatig zijn; en met het door de aanvrager voorgestelde natuurbeheertype de natuurkwaliteit van het natuurgebied wordt geborgd. 3.Subsidie voor Natura 2000-maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.1, onder b, wordt slechts verstrekt als in het investeringsplan als bedoeld in artikel 2.7.5, tweede lid, voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan de beoogde kwaliteitsverbetering van de niet-stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden Arkemheen of Veluwerandmeren. 4.Subsidie voor herstelmaatregelen voor natte landnatuur als bedoeld in artikel 2.7.1, onder c, wordt alleen verstrekt als in het investeringsplan als bedoeld in artikel 2.7.5, tweede lid, voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan herstel van de natte landnatuur, binnen de gebieden aangegeven als natte landnatuur op de Themakaart Waterbeleid, opgenomen als bijlage bij de Omgevingsvisie. 5.Subsidie voor de verhoging van de natuurkwaliteit, als bedoeld in artikel 2.7.1, onder d, wordt alleen verstrekt als: het de verhoging van de kwaliteit van het natuurbeheertype N12.05 Kruiden- en faunarijke akker betreft; een of meer van de volgende maatregelen worden toegepast: zaden die geen bestrijdingsmiddelen bevatten; aangepaste grondbewerking voor bedreigde akkerplanten; de maatregelen volgen uit onderzoek met daarbij gestelde doelen ten aanzien van akkerflora, -fauna en -beheer; de verhoging van de natuurkwaliteit wordt gemonitord; professionele ecologische en landbouwkundige coaching plaatsvindt bij de verhoging van de natuurkwaliteit; het herintroductie betreft; sprake is van een eenmalige project; en de verhoging niet leidt tot een ander natuurbeheertype. 6.Subsidie voor haalbaarheidsonderzoek, als bedoeld in artikel 2.7.1, onder e, wordt alleen verstrekt: bij de voorbereiding van een programma-aanvraag; met het oog op: het inrichten van nieuwe natuur; het uitvoeren van Natura 2000-maatregelen, of het uitvoeren van herstelmaatregelen voor natte landnatuur; en als het onderzoek is gericht op het treffen van maatregelen die nodig en haalbaar zijn om te komen tot systeemherstel van de natuurgebieden. 7.Als de aanvrager een grote onderneming is, wordt subsidie slechts verstrekt als aanvrager het stimulerend effect van de aangevraagde subsidie aantoont door middel van een beschrijving van de situatie zonder steun, te staven met bewijsstukken. Artikel2.7.3Subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.3.4, onder a en b, komen voor subsidie in aanmerking: inrichtingskosten; Voorbereidingskosten die gemaakt zijn voor het opstellen van het investeringsplan als bedoeld in artikel 2.7.5, tweede lid, of het opstellen van een programma-aanvraag met een maximum van 15% van de totale subsidiabele kosten; onderzoekskosten die nodig zijn voor het bepalen van de te nemen inrichtingsmaatregelen of Natura 2000-herstelmaatregelen; accountantskosten, als de subsidiebeschikking een accountantsverklaring voorschrijft; beheerkosten voor agrarische natuurterreinen die gemaakt zijn in een periode direct voorafgaand aan de omvorming van agrarisch natuurbeheer tot natuurbeheer, waarvoor geen vergoeding voor agrarisch natuurbeheer is ontvangen; en kosten voor beheer dat nodig is na afloop van de inrichting, totdat voor de terreinen een subsidie voor natuurbeheer kan worden aangevraagd. Artikel2.7.4Aanvrager 1.Subsidie kan worden verstrekt aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap heeft over het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd krachtens eigendom of erfpacht. 2.Een programma-aanvraag kan slechts worden aangevraagd door een gecertificeerde begunstigde. 3.In afwijking van het eerste lid kan een gecertificeerde begunstigde een programma-aanvraag indienen voor gronden waarover deze begunstigde geen zeggenschap heeft, mits de eigenaar of erfpachter instemt met de aanvraag. 4.In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel2.7.5Aanvraag 1.Als het natuurterrein is belast met erfpacht dient de aanvraag vergezeld te gaan van een verklaring van geen bezwaar van de eigenaar dan wel de erfpachter. 2.Een aanvraag gaat vergezeld van een investeringsplan bestaande uit: een beschrijving van de uitgangssituatie; een beschrijving van het op de ambitiekaart opgenomen natuurbeheertype ter uitvoering van de onder 2.7.1, onderdeel a, genoemde activiteiten; een beschrijving van de uit te voeren maatregelen; een beschrijving van het te voeren beheer nadat de maatregelen zijn uitgevoerd; een opgave van de oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd; een tijdplanning waarbinnen de maatregelen zullen worden uitgevoerd en een planning van de uitgaven; een gespecificeerde begroting; topografische kaart met een schaal van ten hoogste 1:10.000 waarop de locatie van de te treffen maatregelen is weergegeven. 3.Een aanvraag tot subsidieverlening voor een programma-aanvraag gaat vergezeld van: opgave van het aantal hectares nieuwe natuur per natuurgebied waarop de maatregelen ter uitvoering van de onder 2.7.1, onder a, genoemde activiteiten zal worden uitgevoerd voorzien van een jaarplanning voor de looptijd van het programma; een beschrijving van de uit te voeren activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.1, onder b tot en met d, met per activiteit en per natuurgebied per natuurbeheertype een beknopte beschrijving van: de uit te voeren maatregelen binnen het natuurgebied; de oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd, afgerond in hectares; een begroting; een jaarplanning van de realisatie voor de looptijd van het programma en een planning van de uitgaven; een GIS-kaart met daarin aangegeven de buitengrenzen van het natuurgebied waarin de maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.1 worden gerealiseerd; 4.Voor een aanvraag tot subsidieverlening voor een programma-aanvraag dient, als de aanvrager geen zeggenschap heeft over het natuurgebied, de aanvrager te beschikken over een verklaring waarmee de eigenaar dan wel de erfpachter instemt met de subsidieaanvraag, welke verklaring op verzoek van het bevoegd gezag dient te worden overlegd; 5.Een programma-aanvraag kan slechts worden ingediend als het een aanvraag betreft voor: ten minste 40 hectare inrichting van nieuwe natuur, zoals bedoeld in artikel 2.7.1, onder a; ten minste 150 hectare uitvoering herstelmaatregelen, als bedoeld in artikel 2.7.1, onder b en c, of ten minste 20 hectare voor het verhogen van de natuurkwaliteit van een bestaand natuurbeheertype, als bedoeld in artikel 2.7.1, onder d. 6.Als de aanvrager een grote onderneming is, gaat de subsidieaanvraag vergezeld van een uitgebreide beschrijving van het contrafeitelijke scenario waarin de begunstigde geen steun toegekend krijgt. 7.Een aanvraag om subsidie wordt ingediend voor 1 oktober
  11. Artikel2.7.6Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt ten hoogste: 95% van de subsidiabele kosten voor inrichting van nieuwe natuur als bedoeld in artikel 2.7.1, onder a, met een maximum van € 15.000 per hectare per subsidieaanvraag. 95% van de subsidiabele kosten voor maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.1, onder b en c, tot de maximale subsidiebedragen per maatregel zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels; 95% van de subsidiabele kosten voor maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.1, onder d, met een minimum van € 25.000 en tot de maximale subsidiebedragen per maatregel of kostenpost zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels. 95% van de subsidiabele kosten voor maatregelen als bedoeld in artikel 2.7.1, onder e. 2.Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de maximale bedragen als bedoeld in het eerste lid, op voorwaarde dat: de aanvrager aantoont dat de inrichting meer kost dan de maxima; en de kosten niet kunnen worden gemiddeld binnen het project of het programma. 3.Artikel 1.3.5, vijfde lid, is niet van toepassing als de aanvrager Staatsbosbeheer is. Artikel2.7.7Weigeringsgrond Subsidie wordt niet verstrekt voor verwijderen van bodemverontreiniging of afval. Artikel2.7.8Verplichtingen 1.De subsidieontvanger is verplicht om na de uitvoering van de inrichting de gerealiseerde natuur in stand te houden. 2.De ontvanger van subsidie voor inrichting van nieuwe natuur binnen een programma-aanvraag als bedoeld in artikel 2.7.1, onder a, dient het natuurterrein in te richten overeenkomstig de indicatieve verhouding beheertypen op de ambitiekaart zoals die luidt op het moment van indiening van de aanvraag. Artikel2.7.9Looptijd Het tijdvak tot verlening van subsidie bedraagt: voor een individuele aanvraag; maximaal drie jaar voor de subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.1, onderdeel a tot en met c, of minimaal vier jaar voor de subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 2.7.1, onderdeel d; en maximaal zes jaar voor een programma-aanvraag. Artikel2.7.10Gescheiden boekhouding Als de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 2.7.1, ook economische activiteiten verricht, is hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig punt 44 van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2012/C 8/03). Artikel2.7.11Communautair toetsingskader 1.Artikel 1.3.2, eerste lid, is niet van toepassing. 2.Subsidie wordt alleen verstrekt voor zover dit niet in strijd is met het besluit van de Europese Commissie inzake SA.101117 (2021/N) van 24 februari
  12. 3.Subsidie als bedoeld in artikel 2.7.1, onderdeel e, wordt slechts verstrekt voor zover dit niet in strijd is met artikel 53 van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni
  13. Artikel2.7.12Transparantie Gedeputeerde Staten maken binnen zes maanden na de datum van de verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2.7.1, onder a tot en met d, de volgende gegevens bekend: de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het Landbouwsteunkader; en de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het Landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan: € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie € 100.000 voor begunstigden in de sector verwerking van landbouwproducten, in de sector afzet van landbouwproducten of in de bosbouwsector of voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen. Paragraaf 2.8 Functieverandering ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk Artikel2.8.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor functieverandering. Artikel2.8.2Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt als: de grond waarvoor subsidie is aangevraagd is begrensd als N00.01 op de ambitiekaart; de landbouwproductiecapaciteit van de grond in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken is gebruikt; op de grond waarvoor subsidie is aangevraagd tevens inrichting plaatsvindt als bedoeld in artikel 2.7.1, onder a; en de taxatie uitgevoerd wordt door: een door Gedeputeerde Staten in te schakelen onafhankelijke taxateur, als de aanvraag alleen betrekking heeft op functieverandering; of een door aanvrager in te schakelen onafhankelijk taxateur als de aanvraag ook betrekking heeft op de beëindiging van pachtovereenkomsten ten aanzien van een natuurambitieterrein, als bedoeld in artikel 2.3.1, aanhef en onder b. Artikel2.8.3Subsidiabele kosten Voor subsidie komt in aanmerking de door een taxateur bepaalde waardedaling van de grond, gebaseerd op het verschil in marktwaarde voor en na de voorgenomen functieverandering en inrichting. Artikel2.8.4Aanvrager 1.Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van de grond waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft. 2.In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel2.8.5Aanvraag 1.Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag een topografische kaart met een schaal van ten hoogste 1:10.000 gevoegd waarop de grenzen van de grond zijn aangegeven; en de op die grond gelegen wegen en paden. 2.Als op de grond een recht van hypotheek is gevestigd, wordt onverminderd artikel 1.2.3 bij de aanvraag een verklaring van geen bezwaar gevoegd van degene aan wie het recht van hypotheek toekomt. 3.Als de aanvrager een grote onderneming is, gaat de subsidieaanvraag vergezeld van een uitgebreide beschrijving van het contrafeitelijke scenario waarin de begunstigde geen steun toegekend krijgt. 4.Een aanvraag om subsidie wordt ingediend voor 1 oktober
  14. Artikel2.8.6Subsidiabele kosten 1.De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.
  15. 2.Als voor verwerving of pachtvrij maken van een natuurambitieterrein al op grond van deze of een andere regeling subsidie is verstrekt, wordt de subsidie op grond van deze regeling zoveel lager vastgesteld als noodzakelijk is om te voorkomen dat het totaal aan subsidie voor de betreffende activiteit meer bedraagt dan: de werkelijke kosten die de activiteiten met zich meebrengen; of de maximale vergoeding die op grond van Europese voorschriften mag worden gegeven. Artikel2.8.7Weigeringsgrond 1.Subsidie wordt geweigerd voor functieverandering die dient tot uitvoering van wettelijke of contractuele verplichtingen. 2.Subsidie wordt geweigerd voor grond die om niet van de overheid is verkregen. 3.Subsidie kan worden geweigerd voor gronden die niet tegen marktwaarde van de overheid zijn verkregen. 4.Subsidie wordt niet verstrekt voor grond waarop nog verplichtingen rusten op grond van: de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Gelderland; de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister van economische zaken; hoofdstuk 4 of afdeling 5.1.3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2009; de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden; of de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland. Artikel2.8.8Verplichtingen 1.Binnen twaalf weken na verlening van de subsidie sluit de subsidieontvanger met de provincie Gelderland een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is opgenomen: de verplichting dat de subsidieontvanger de grond niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert overeenkomstig het natuurbeheertype zoals voorgeschreven in het natuurbeheerplan en datgene nalaat wat de veiligstelling van het natuurbeheertype verstoort; en dat de verplichting, als bedoeld onder a, zal overgaan op al degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen. 2.De verplichtingen als bedoeld in het eerste lid worden uiterlijk binnen vier weken nadat de overeenkomst als bedoeld in het eerste lid is tot stand gekomen op initiatief van de subsidieontvanger en op kosten van de provincie als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het terrein ingeschreven in de openbare registers. 3.Subsidieontvanger is verplicht er voor zorg te dragen dat een afschrift van de kwalitatieve verplichting binnen vier weken na inschrijving in de openbare registers in afschrift wordt toegezonden aan de Gedeputeerde Staten. 4.Op verzoek van de subsidieontvanger kunnen de termijnen als bedoeld in voorgaande leden van dit artikel worden verlengd. 5Subsidieontvanger is verplicht zorg te dragen dat de grond waarvoor subsidie wordt aangevraagd ten minste 358 dagen per jaar wordt opengesteld en toegankelijk blijft voor het publiek, tenzij daarvan door Gedeputeerde Staten ontheffing wordt verleend; 6.Ontheffing als bedoeld in lid 5 wordt verleend als: gehele of gedeeltelijke sluiting van het terrein noodzakelijk is ter voldoening aan de bij of krachtens de Wet natuurbescherming gestelde regels voor soortenbescherming of voor Natura-2000-gebieden vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en toegangsbeperkingen. het terrein door buiten de macht van de subsidieontvanger gelegen oorzaken blijvend geheel of gedeeltelijk niet bereikbaar of naar zijn aard niet begaanbaar is; sluiting van ten hoogste één hectare van het terrein wenselijk is vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; of andere belangen gehele of gedeeltelijke sluiting rechtvaardigen. 7.Subsidieontvanger is verplicht binnen twaalf weken na subsidieverlening bij het bevoegd gezag een aanvraag in te dienen tot aanpassing van de bestemming inhoudende dat de grond enkel als natuur mag worden gebruikt. 8.Artikel 1.4.7 is niet van toepassing. Artikel2.8.9Verplichtingen bij aanvraag subsidievaststelling Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie wordt een afschrift overgelegd van het verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan. Artikel2.8.10Bevoorschotting In afwijking van artikel 21 van de AsG wordt nadat de aanvrager een afschrift heeft overgelegd van de vestiging van de kwalitatieve verplichting een voorschot uitgekeerd van ten hoogste 90%. Artikel2.8.11Communautair toetsingskader 1.Artikel 1.3.2, eerste lid, is niet van toepassing. Artikel2.8.12Transparantie Gedeputeerde Staten maken binnen zes maanden na de datum van de verlening van een subsidie de volgende gegevens bekend: de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het Landbouwsteunkader; en de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het Landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan: € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie; € 100.000 voor begunstigden in de sector verwerking van landbouwproducten, in de sector afzet van landbouwproducten of in de bosbouwsector of voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen. Paragraaf 2.9 Inwonersinitiatieven voor biodiversiteit Artikel2.9.1Subsidiabele activiteit 1.Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: het uitvoeren van fysieke maatregelen die de biodiversiteit vergroten door inwoners in hun leefomgeving; het activeren van inwoners om aan de slag te gaan met het vergroten van de biodiversiteit in hun leefomgeving; of het verstrekken van financiële bijdragen aan inwonersinitiatieven voor het vergroten van de biodiversiteit in hun leefomgeving. 2.Onder het uitvoeren van fysieke maatregelen die de biodiversiteit vergroten wordt in ieder geval verstaan: het planten van inheemse bomen, struiken en planten; maatregelen die het voortplanten, opgroeien en foerageren van inheemse diersoorten mogelijk maken of verbeteren; beheermaatregelen, zoals snoeien, maaien en dunnen. 3.Onder het activeren van inwoners als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder b, wordt in ieder geval verstaan: het organiseren van bijeenkomsten en werkdagen; het opstellen en verspreiden van informatiemateriaal, niet zijnde boeken; het geven van voorlichting. Artikel2.9.2Criteria 1.Subsidie wordt alleen verstrekt voor activiteiten die worden uitgevoerd: op openbaar en kosteloos toegankelijke plekken; of vanaf de openbare weg zichtbare plekken. 2.Subsidie voor het verstrekken van financiële bijdragen aan inwonersinitiatieven wordt alleen verstrekt als: de ontvanger per inwonersinitiatief maximaal € 5.000 bijdraagt; en het inwonersinitiatief een financiële bijdrage levert van minstens 35% van het bedrag bedoeld in onderdeel a. Artikel2.9.3Niet-subsidiabele kosten Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor: aankoop van onroerende goederen; waardedaling van grond of opbrengstderving; gebouwen of inrichting daarvan; of aankoop van machines of apparatuur die benodigd zijn om de activiteiten uit te voeren. Artikel2.9.4Aanvrager 1.In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder a, uitsluitend verstrekt aan een samenwerkingsverband van ten minste vijf natuurlijke personen of aan een rechtspersoon. 2.Subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder b of c, wordt uitsluitend verstrekt aan een vereniging of stichting met een statutaire doelstelling tot inzet voor biodiversiteit, niet zijnde een bos- of landgoedeigenaar. Artikel2.9.5Aanvraag 1.Onverminderd artikel 1.2.3 verstrekt de aanvrager bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, aanhef en onder a, in ieder geval: een schriftelijke toestemming van de eigenaar van het perceel waarop de aanleg of het beheer betrekking heeft; een kaart waarop is aangegeven waar de activiteit wordt gerealiseerd; 2.Een aanvrager kan maximaal éénmaal per kalenderjaar subsidie ontvangen. Artikel2.9.6Hoogte van de subsidie 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder a of b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 50.
  16. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder c, bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 100.
  17. 3.Ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten bij de subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder a, mag bestaan uit kosten voor externe ondersteuning. 4.Ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten bij de subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder b, mag bestaan uit kosten voor personele inzet. 5.Ten hoogste 20% van de subsidiabele kosten bij de subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder c, mag bestaan uit kosten voor personele inzet. Artikel2.9.7Weigeringsgrond Subsidie als bedoeld in artikel 2.9.1, eerste lid, onder a, wordt niet verstrekt voor zover de activiteit betrekking heeft op: terreinen die zijn opgenomen in het natuurbeheerplan; het periodiek inzaaien van terreinen en de daarmee gepaard gaande werkzaamheden; fruit, noten, sier- en groenteteelt, of privé tuinen. Artikel2.9.8Verplichtingen 1.Als de subsidie direct is vastgesteld als bedoeld in artikel 25, eerste lid onder a, van de AsG, is de ontvanger verplicht de activiteit binnen twee jaar na de vaststelling van de subsidie te hebben uitgevoerd. 2.De ontvanger is verplicht binnen vier weken na het afronden van de activiteit publiciteit aan de activiteit te geven via een website of sociale media en beelden te tonen van de activiteit. Paragraaf 2.10 Innovatie Agrifood Artikel2.10.1Begripsomschrijving In deze paragraaf wordt verstaan onder: Kadernota Agrifood: Kadernota Agrifood “Toekomst voor de Gelderse Boer 2021-2030”, zoals vastgesteld door Provinciale Staten bij besluit van 31 maart 2021, inclusief de nadien aangebrachte wijzigingen; kringlooplandbouw: een vorm van duurzame landbouw waarbij de kringloop van mineralen gesloten is. [Vervallen] natuurinclusieve landbouw: een economisch rendabel landbouwsysteem, dat optimaal beheer van natuurlijke hulpbronnen duurzaam integreert in bedrijfsvoering, inclusief zorg voor ecologische functies en de biodiversiteit op en om het bedrijf. Artikel2.10.2Subsidiabele activiteit Voor subsidie komen in aanmerking projecten die gericht zijn op het bevorderen van de ontwikkeling van een kringlooplandbouw of natuurinclusieve landbouw en die bijdragen aan de doelen van de Kadernota AgriFood in de vorm van: met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in activa op landbouwbedrijven als bedoeld in artikel 14 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening; marktonderzoek, productontwerp en productdesign of het opstellen van aanvragen voor de erkenning van kwaliteitsregelingen als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onder a, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening; kennisuitwisselings- en voorlichtingsacties, als bedoeld in artikel 21 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening, of afzetbevorderingsmaatregelen voor landbouwproducten als bedoeld in artikel 24 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening. Artikel2.10.3Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt als: het project een bijdrage levert aan ten minste twee van de volgende aspecten in de provincie Gelderland: de verduurzaming van de fysieke leefomgeving; het tot waarde brengen van producten en diensten van het agrarische bedrijf door middel van nieuwe verdienmodellen of vernieuwende marktconcepten; de maatschappelijke inbedding van de landbouwsector of aantrekkelijk landbouwondernemerschap; het project een innovatief karakter heeft; het project een slagingskans heeft, onder meer gelet op het draagvlak binnen de landbouwsector en de betrokkenheid van ondernemers bij het project; het project zich richt op een praktijkrijp resultaat en leent voor grootschalige toepassing. Artikel2.10.4Subsidiabele kosten 1.Voor subsidie als genoemd in artikel 2.10.2, aanhef en onder a, komen de volgende kosten in aanmerking: kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10% van de totale subsidiabele kosten; kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot ten hoogste de marktwaarde van de activa; algemene kosten in verband met de uitgaven, bedoeld onder a of b; kosten van de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken; kosten van uitgaven voor niet-productieve investeringen in verband met de verwezenlijking van agromilieuklimaatdoelstellingen als bedoeld in artikel 14, derde lid, onder d, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening. 2.Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder b, komen de volgende kosten in aanmerking: kosten van marktonderzoek; kosten van productontwerp en productdesign; kosten voor het opstellen van aanvragen voor de erkenning van kwaliteitsregelingen als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onder a, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening. 3.Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder c, komen de volgende kosten in aanmerking: kosten van acties voor de verwerving van vaardigheden, waaronder opleidingscursussen, workshops en coaching; en kosten van voorlichtingsacties; kosten van demonstratieactiviteiten, waarbij demonstratieprojecten in verband met investeringen subsidiabel zijn overeenkomstig het eerste lid, onder a tot en met d; en slechts voor zover en zolang zij voor het demonstratieproject worden gemaakt, waardoor het enkel de afschrijvingskosten betreft die met de looptijd van het demonstratieproject overeenstemmen, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen. 4.Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder d, komen de volgende kosten in aanmerking: kosten van het organiseren van en deelnemen aan wedstrijden, handelsbeurzen en tentoonstellingen als bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening; kosten van publicaties om landbouwproducten beter bekend te maken bij het brede publiek onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 24, derde en vijfde lid, van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening. Artikel2.10.5Niet subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.3.4 wordt geen subsidie verstrekt voor: kosten voor werkkapitaal; kosten voor de aankoop van productierechten, betalingsrechten, dieren en eenjarige gewassen; kosten voor de aanplant van eenjarige gewassen; kosten voor afwateringswerkzaamheden; kosten voor investeringen om aan Europese wetgeving te voldoen; kosten voor reguliere vervangingsinvesteringen. Artikel2.10.6Aanvrager 1.Subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder a, kan worden verstrekt aan: MKB-ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie; een samenwerkingsverband van MKB-ondernemingen dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld onder a. 2.Subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder b, kan worden verstrekt aan: MKB-ondernemingen die aanbieder van onderzoeksdiensten of adviesverstrekker zijn; een samenwerkingsverband van MKB-ondernemingen dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld onder a. 3.Subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder c, kan worden verstrekt aan: MKB-ondernemingen die activiteiten over kennisoverdracht of voorlichting aanbieden; een samenwerkingsverband van MKB-ondernemingen dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld onder a. 4.Subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder d, kan worden verstrekt aan: MKB-ondernemingen die actief zijn in de landbouwsector; een samenwerkingsverband van MKB-ondernemingen dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld onder a. Artikel2.10.7Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verplichtingen bedoeld in artikel 2.10.
  18. Artikel2.10.8Hoogte van de subsidie 1.De hoogte van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 35.
  19. 2.In afwijking van het eerste lid bedraagt de hoogte van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder a, ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 35.000: het activiteiten betreft gericht op de verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiëneomstandigheden of normen voor dierenwelzijn; de investering verder gaat dan de investering die nodig is om aan de Europese wetgeving te voldoen; en de verbetering niet leidt tot een verhoging van de productiecapaciteit. 3.De hoogte van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.10.2, aanhef en onder b tot en met d, bedraagt ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 35.
  20. Artikel2.10.9Verplichtingen Onverminderd paragraaf 1.4 heeft subsidieontvanger de volgende verplichtingen: draagt de innovaties uit en verspreidt ze naar sectorgenoten en partners in de landbouwketen; maakt de resultaten van het project toegankelijk voor derden. Paragraaf 2.11 Medegebruik van graslanden door edelherten Artikel2.11.1Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor het toestaan van medegebruik van graslanden door edelherten gedurende het hele kalenderjaar. Artikel2.11.2Criteria Subsidie wordt alleen verstrekt als: de subsidiabele activiteit betrekking heeft op percelen die zijn gelegen in een gebied dat door Gedeputeerde Staten is aangewezen als gebied waarvoor geen aanvraag hoeft te worden ingediend voor een tegemoetkoming voor faunaschade; door of in opdracht van Gedeputeerde Staten faunaschade aan graslanden is getaxeerd die is veroorzaakt door edelherten; en de percelen voldoen aan de in de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade Gelderland gestelde voorwaarden om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Artikel2.11.3Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan agrariërs. Artikel2.11.4Aanvraag 1.In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG dient de aanvrager een aanvraag om subsidie in tijdens het kalenderjaar waarin faunaschade is geleden. 2.In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt de aanvraag om subsidie tijdens of na uitvoering van de subsidiabele activiteit ingediend. 3.Artikel 1.2.3, eerste lid, onder b tot en met e, is niet van toepassing. Artikel2.11.5Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt € 50 per hectare waarop in het betreffende kalenderjaar faunaschade is getaxeerd. Artikel2.11.6Weigeringsgrond De subsidie wordt geweigerd als voor het betreffende perceel al subsidie is verstrekt op grond van paragraaf 3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland
  21. Artikel2.11.7Communautair toetsingskader In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, wordt subsidie alleen verstrekt als deze niet in strijd is met Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (PbEU L 352/09). Paragraaf 2.12 Aanpak Invasieve exoten Artikel2.12.1Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: een project om gedurende drie jaren een of meer invasieve exoten op een of meer locaties te verwijderen en verwijderd houden of te beheersen; een programma om binnen een periode van zes jaren meerdere projecten als bedoeld onder a uit te voeren; het opstellen van een plan van aanpak voor de bestrijding van een of meer invasieve exoten. Artikel2.12.2Criteria 1.Subsidie wordt alleen verstrekt voor de volgende soorten invasieve exoten: zonnebaars, Aziatische duizendknopen, reuzenbalsemien, reuzenberenklauw, Canadese guldenroede en late guldenroede. 2.Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, wordt alleen verstrekt als op basis van een projectplan wordt aangetoond dat de subsidiabele activiteit bijdraagt aan de bescherming van de biodiversiteit in een Gelderse natuurparel, als opgenomen in bijlage 1 bij de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming. 3.In afwijking van het vorige lid is de bestrijding van de zonnebaars mogelijk buiten een Gelderse natuurparel mits de soort gevestigd is in geïsoleerd water. 4.Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder b, wordt alleen verstrekt als: de subsidiabele activiteit wordt uitgevoerd in het Gelders Natuurnetwerk; en een programma-aanpak wordt overgelegd waaruit in ieder geval de planning van de uit te voeren projecten gedurende zes jaren blijkt. 5.Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder c, wordt alleen verstrekt als het plan van aanpak betrekking heeft op het totale grondgebied van een gemeente. 6.Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder c, wordt alleen verstrekt als het plan van aanpak betrekking heeft op het totale beheergebied van het waterschap of een deel daarvan, waarbij het waterschap maximaal vier deelgebieden aanwijst. Artikel2.12.3Plan van aanpak Het plan van aanpak, als bedoeld in artikel 2.12.1, onder c, brengt in beeld: de locaties van de aan te pakken invasieve exoten; de te nemen maatregelen en een prioritering daarvan; en met welke partijen binnen het grondgebied of beheergebied kan worden samengewerkt om tot een effectieve bestrijding te komen. Artikel2.12.4Subsidiabele kosten Kosten voor het opstellen van een projectplan als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, die gemaakt zijn voordat de aanvraag is ontvangen, komen in afwijking van artikel 1.3.4, onder b, voor subsidie in aanmerking. Artikel2.12.5Aanvrager 1.In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt. 2.Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder b, wordt verstrekt aan een organisatie die: minimaal 5.000 hectare natuurterrein beheert; of een organisatie die grondeigenaren vertegenwoordigd die gezamenlijk minimaal 5.000 hectare natuurterrein beheren. 3.Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder c, wordt verstrekt aan een gemeente of waterschap. Artikel2.12.6Hoogte van de subsidie 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.000 per aanvrager. 2.De subsidie voor het projectplan als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, bedraagt maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten van het project. 3.De subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder b, bedraagt maximaal 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 600.000 per aanvrager per zes jaar. 4.De subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder c, bedraagt € 10.
  22. Artikel2.12.7Weigeringsgronden 1.Subsidie wordt geweigerd voor zover de bestrijding of beheersing van exoten plaatsvindt met chemische bestrijdingsmiddelen, tenzij de aanvrager aantoont dat er geen andere bestrijdingsmiddelen kunnen worden toegepast. 2.Subsidie wordt geweigerd voor zover de bestrijdingsmethode aantoonbaar ineffectief is. 3.Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a of b, wordt geweigerd als voor hetzelfde perceel voor dezelfde activiteit al subsidie op grond van de paragraaf 2.7 is verstrekt; 4.Subsidie voor een project als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, wordt geweigerd als aan dezelfde aanvrager al subsidie voor een programma als bedoeld in artikel 2.12.1, onder b, is verstrekt. Artikel2.12.8Verplichtingen 1.De subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.12.1, onder a, monitort en evalueert de effecten van de getroffen maatregelen en rapporteert hierover twee jaar na de start van de uitvoering van het project aan Gedeputeerde Staten. 2.De subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.12.1, onder b, monitort en evalueert de effecten van de projecten gedurende de looptijd van het programma en rapporteert hierover elke drie jaar na de start van de uitvoering aan Gedeputeerde Staten. 3.De subsidieontvanger als bedoeld in artikel 2.12.1, onder c, stuurt het plan van aanpak naar Gedeputeerde Staten. Paragraaf 2.13 Voorkomen van schade door wolven Artikel2.13.1Begripsomschrijving In deze paragraaf wordt verstaan onder: leefgebied: een door Gedeputeerde Staten aangewezen leefgebied van wolven; aanval: aanval die door BIJ12 is beoordeeld als “wolf is niet uit te sluiten” buiten een leefgebied van de wolf waarbij één of meerdere dieren zijn gedood; calamiteit: situatie waarin sprake is van twee aanvallen op verschillende dagen binnen zeven dagen na de dag waarop het eerste dier is gedood, in een gemeente of in die gemeente en een aangrenzende gemeente. Artikel2.13.2Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: het plaatsen van een nieuwe vaste afrastering of het uitbreiden of aanpassen van een bestaande vaste afrastering voor het voorkomen van schade aan schapen en geiten door wolven; of het aanschaffen van een verplaatsbare afrastering voor het voorkomen van schade aan schapen en geiten door wolven. Artikel2.13.3Criteria Subsidie als bedoeld in artikel 2.13.2 wordt alleen verstrekt als: de vaste afrastering is geplaatst, uitgebreid of aangepast en de verplaatsbare afrastering wordt gebruikt; in een leefgebied en aanvrager al voor publicatie van dit leefgebied hier schapen of geiten hield, of buiten een leefgebied, in geval van een calamiteit en de aanvraag uiterlijk twee weken nadat de tweede aanval heeft plaatsgevonden is ingediend; de gehele afrastering voldoet aan de eisen die de Gebiedscommissie preventie wolvenschade Gelderland hiervoor heeft vastgesteld in een schadepreventieplan; en de subsidiabele activiteit heeft plaatsgevonden voor de datum dat de aanvraag is ingediend. Artikel2.13.4Subsidiabele kosten 1.In afwijking van artikel 1.3.4, onder b, komen kosten voor activiteiten, als bedoeld in artikel 2.13.2, die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen, voor subsidie in aanmerking. 2.In afwijking van artikel 1.3.4, onder f, komen kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen voor subsidie in aanmerking. Artikel2.13.5Aanvrager 1.De subsidie wordt verstrekt aan een schapen- of geitenhouder die in het Identificatie- en Registratiesysteem van dieren staat geregistreerd. 2.In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt. Artikel2.13.6Aanvraag 1.Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag om subsidie in elk geval: een fotoverslag van de gehele afrastering; een verklaring dat is voldaan aan de criteria als bedoeld in artikel 2.13.3; en een verklaring van het feitelijk aantal schapen en geiten waarvoor een vaste afrastering is geplaatst, uitgebreid of aangepast of een verplaatsbare afrastering is aangeschaft en wordt gebruikt binnen Gelderland. 2.Onverminderd het eerste lid bevat de aanvraag om subsidie voor een afrastering in een leefgebied het gemiddeld geregistreerd aantal schapen en geiten aangetoond door vier uitdraaien van het Identificatie- en Registratiesysteem voor dieren met de peildata 1 februari, 1 mei, 1 augustus en 1 november in het jaar voorafgaand aan de datum van publicatie van de aanwijzing. 3.Onverminderd het eerste lid bevat de aanvraag om subsidie in geval van een calamiteit het geregistreerd aantal schapen en geiten aangetoond door een uitdraai van het Identificatie- en Registratiesysteem met als peildatum de datum van de tweede aanval door de wolf. 4.De aanvraag om subsidie voor een vaste afrastering bevat, in aanvulling op het eerste lid: een kaart waarop is aangegeven waar de vaste afrastering is geplaatst, uitgebreid of aangepast; en de totale lengte in meters van de afrastering waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. 5.De aanvraag om subsidie voor een verplaatsbare afrastering bevat, in aanvulling op het eerste lid, een kaart waarop is aangegeven op welke percelen in het aangewezen leefgebied van wolven de afrastering wordt gebruikt. 6.Het gemiddeld aantal schapen en geiten wordt naar boven afgerond op hele aantallen. Artikel2.13.7Hoogte van de subsidie 1.De subsidie voor een vaste afrastering bedraagt: € 500 en € 3,00 per strekkende meter afrastering met een maximum van € 100 per dier. 2.De subsidie voor een verplaatsbare afrastering bedraagt: € 30,- per dier en € 4.000 als: de verplaatsbare afrastering een afrastering met draden is; een automatisch draadoprolsysteem is aangeschaft; en de verplaatsbare afrastering op moment van indienen van de aanvraag wordt gebruikt voor minimaal 100 schapen en geiten. 3.Voor het totaal aantal dieren wordt uitgegaan van het aantal dieren dat is opgenomen in de verklaring als bedoeld in artikel 2.13.6, eerste lid, onder c. 4.In afwijking van het derde lid wordt voor het totaal aantal dieren uitgegaan van het geregistreerd aantal schapen en geiten als bedoeld in artikel 2.13.6, tweede en derde lid, als dit geregistreerd aantal lager is dan het aantal dieren dat is opgenomen in de verklaring als bedoeld in artikel 2.13.6, eerst lid, onder c. 5.Bij meerdere aanvragen voor een vaste afrastering door dezelfde aanvrager bedraagt de totale subsidie van deze aanvragen niet meer dan het maximum zoals bepaald in het eerste lid. 6.De subsidie bedraagt in totaal maximaal € 20.000 per aanvrager. Artikel2.13.8Weigeringsgrond 1.De subsidie voor een vaste afrastering wordt geweigerd als al eerder een subsidie voor het plaatsen van een vaste afrastering op grond van deze regeling is verleend voor het betreffende perceel. 2.De subsidie voor een verplaatsbare afrastering wordt geweigerd als: aan de aanvrager al eerder een subsidie voor een verplaatsbare afrastering op grond van deze regeling is verstrekt; of aan dezelfde houder op grond van een andere regeling met hetzelfde doel als deze regeling al eerder subsidie is verstrekt voor een afrastering ter bescherming van één of meerdere zelfde schapen en geiten. Artikel2.13.9Communautair toetsingskader In aanvulling op artikel 1.3.2, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.13.2 die wordt aangevraagd door ondernemingen die actief zijn in de landbouwsector, slechts verstrekt zover deze niet in strijd is met de de-minimis steun in de landbouwsector Verordening (EU), Nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (Pb EU L 352/9). Paragraaf 2.14 Groene icoonprojecten Artikel2.14.1Subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor: het ontwerp van een groen icoonproject, of het realiseren van een groen icoonproject. Artikel2.14.2Criteria 1.Subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1 wordt slechts verstrekt als een ruimte in de bebouwde kom van tenminste 1.000 m2 beschikbaar is voor de realisatie. 2.Subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder b, wordt slechts verstrekt als het icoonproject: bijdraagt aan klimaatadaptatie, waarbij relevante aspecten zijn: de relatie met de gemeentelijke of regionale stresstest klimaatadaptatie conform het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie; het voorkomen van opwarming van de omgeving; het voorkomen van overstroming op de locatie en in de directe omgeving; en het voorkomen van droogte op de locatie en in de directe omgeving; bijdraagt aan biodiversiteit, waarbij relevante aspecten zijn: het beplanten met inheemse kruiden, struiken of bomen; de variatie aan inheemse soorten; de aansluiting van het icoonproject op andere groene structuren in de omgeving, als onderdeel van een groter natuurlijk systeem; het treffen van voorzieningen voor diersoorten, bijvoorbeeld nestkasten, vleermuiskasten of insectenhotels; en het opstellen van een beheerplan; maatschappelijke waarde heeft, waarbij relevante aspecten zijn: de beleefbaarheid voor een breed publiek; het inrichten van het project met recreatieve voorzieningen; ontmoeten en bewegen; de relatie met de omgeving; en het betrekken van inwoners en bedrijven bij de planvorming, uitvoering en beheer; iconisch is, waarbij relevante aspecten zijn: de creativiteit van het project; de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; beeldbepalend voor de omgeving; en vernieuwende of inspirerende inzichten geeft in energietransitie, circulariteit, klimaatadaptatie of biodiversiteit; 3.Aan de subsidiabele activiteit, als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder b, wordt een score van maximaal 100 punten toegekend. 4.De punten worden als volgt over de criteria verdeeld: maximaal 30 punten voor de bijdrage aan selectiecriterium klimaatadaptatie; maximaal 30 punten voor de bijdrage aan selectiecriterium biodiversiteit; maximaal 20 punten voor de bijdrage aan selectiecriterium maatschappelijke waarde; en maximaal 20 punten voor de bijdrage aan selectiecriterium iconisch. Artikel2.14.3Weigeringsgronden 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1 wordt geweigerd voor zover het ontwerp of de realisatie betrekking heeft op een terrein dat vanwege zijn bestemming geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening door meer dan één bedrijf. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder b, wordt geweigerd als aan de activiteit minder dan 60 punten wordt toegekend. Artikel2.14.4Niet-subsidiabele kosten Onverminderd artikel 1.3.4 wordt geen subsidie verstrekt voor: grondverwerving; ambtelijke inzet; kosten voor gebouwen, tenzij het de vergroening van het gebouw betreft; en marketing voor commerciële doeleinden. Artikel2.14.5Aanvrager De subsidie wordt alleen verstrekt aan een gemeente of een samenwerkingsverband bestaande uit ten minste een gemeente en de grondeigenaar. Artikel2.14.6Hoogte 1.De subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder a, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 7.500 en een maximum van € 15.
  23. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder b, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 30.000 en een maximum van € 100.
  24. Artikel2.14.7Adviescommissie 1.Volledige aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder b, worden voor advies voorgelegd aan een door Gedeputeerde Staten ingestelde Adviescommissie. 2.De adviescommissie beoordeelt of een aanvraag voldoet aan artikel 2.14.2, tweede lid; en adviseert over de toekenning van het aantal punten. Artikel2.14.8Wijze van verdeling 1.Aanvragen als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder b, die voor subsidie in aanmerking komen, worden op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde geplaatst. 2.De rangorde wordt bepaald door toepassing van de in artikel 2.14.2 opgenomen selectiecriteria met de daaraan gegeven weging van die criteria. Het totaal aantal punten dat na toepassing van deze criteria wordt behaald, bepaalt de plaats in de rangorde. Artikel2.14.9Verplichtingen 1.De ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, aanhef en onder a, is verplicht in het ontwerp: aandacht te besteden aan klimaatadaptatie door: de uitkomsten van gemeentelijke of regionale stresstest klimaatadaptatie conform het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie te verwerken; en bij te dragen aan het voorkomen van: droogte, wateroverlast op de locatie of in de omgeving, of opwarming van de omgeving; aandacht te besteden aan biodiversiteit, door: minimaal 500 m2 te beplanten met inheemse kruiden, struiken of bomen; gebruik te maken van een variatie aan inheemse kruiden, struiken of bomen; voorzieningen te treffen voor diersoorten, bijvoorbeeld nestkasten, vleermuiskasten of insectenhotels; en het opstellen van een beheerplan. aandacht te besteden aan maatschappelijke waarde, door: het realiseren van recreatieve voorzieningen; en inwoners betrokkenen uit de omgeving te betrekken bij het ontwerp; en aandacht te besteden aan het iconische van het project. 2.De ontvanger van subsidie, als bedoeld in artikel 2.14.1, onder b, stelt het icoonproject kosteloos toegankelijk voor het publiek Artikel2.14.10Aanvraagtermijn Een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1, onderdeel b, kan worden ingediend vanaf 6 februari 2023 tot en met 31 maart
  25. Paragraaf 2.15 Uitvoering specifieke uitkering Programma Natuur Subparagraaf 2.15.1 Algemeen Artikel2.15.1.1Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor: natuurherstelmaatregelen; bestrijding invasieve exoten in Natura-2000 gebied; revitalisering bos; apparaatskosten; realisatie van bos al dan niet in combinatie met functieverandering; recreatiezonering. Artikel2.15.1.2Criteria Subsidie wordt alleen verstrekt als de activiteit: bijdraagt aan de gunstige staat van instandhouding van stikstofgevoelige natuurlijke habitats of gebied van soorten die beschermd worden op grond van de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn in Natura 2000-gebieden; bijdraagt aan en niet strijdig is met de doelen van het Natura 2000-beheerplan; toekomstige natuurherstelmaatregelen niet in de weg staat; gericht is op structureel systeemherstel van een natuurgebied; en vooroverleg aan de hand van een conceptaanvraag heeft plaatsgevonden. Artikel2.15.1.3Subsidiabele kosten 1.Voor subsidie komen in aanmerking alle kosten die nodig zijn voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteit. 2.Artikel 1.3.4, onder a en f zijn niet van toepassing. 3.Artikel 1.3.4, onder b, is niet van toepassing wat betreft voorbereidingskosten. 4.Kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag zijn subsidiabel vanaf 1 januari
  26. 5.Artikel 1.3.5, vijfde lid, is niet van toepassing als de aanvrager Staatsbosbeheer is. Artikel2.15.1.4Aanvrager 1.Subsidie wordt alleen verstrekt aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap heeft over het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd. 2.In afwijking van het eerste lid kan een begunstigde een aanvraag indienen voor gronden waarover deze begunstigde geen zeggenschap heeft, mits de eigenaar of erfpachter instemt met de aanvraag. 3.In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel2.15.1.5Aanvraag 1.Onverminderd artikel 1.2.3 gaat een aanvraag vergezeld van: een beschrijving van het voldoen aan de criteria, bedoeld in artikel 2.15.1.2; een beschrijving van de uit te voeren activiteiten, met per activiteit en per natuurgebied een beschrijving van: de uit te voeren activiteiten binnen het natuurgebied; de oppervlakte waarop de activiteiten zullen worden uitgevoerd; een begroting; een tijdplanning waarbinnen de activiteiten zullen worden uitgevoerd en een planning van de uitgaven; een GIS-kaart waarop de activiteiten zijn aangeduid. 2.Als de aanvrager een grote onderneming is, bevat de aanvraag een beschrijving van het contrafeitelijke scenario waarin de begunstigde van geen enkele overheidsinstantie steun toegekend krijgt voor de betreffende activiteiten. Artikel2.15.1.6Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten en wordt gemaximeerd door de in bijlage 5 opgenomen normkosten. 2.De subsidie wordt niet verleend als deze minder dan € 50.000 bedraagt. 3.Alleen de werkelijk gemaakte kosten zijn subsidiabel. 4.Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de in bijlage 5 opgenomen normkosten als: de activiteiten aantoonbaar meer kosten; en de meerkosten niet kunnen worden gemiddeld binnen het project. Artikel2.15.1.7Verplichtingen 1.De activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend, worden uiterlijk 1 juli 2025 gerealiseerd. 2.De subsidieontvanger is verplicht om na de uitvoering van de activiteit de nieuwe herstelde of verbeterde natuur gedurende zes jaar in stand te houden. 3.De subsidieontvanger is verplicht om de gegevens aan te leveren die de provincie nodig heeft voor monitoring, rapportage en verantwoording op het SPUK. Artikel2.15.1.8Weigeringsgrond 1.Subsidie wordt niet verstrekt voor zover de eigenaar van de grond een rechtspersoon is die waterwinning als doelstelling heeft. 2.Subsidie wordt niet verstrekt: voor zover op het perceel waarop de activiteiten plaatsvinden al subsidie op grond van hoofdstuk 3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016 is verstrekt; en de activiteit ertoe leidt dat het agrarisch natuurbeheer niet langer kan worden uitgeoefend. Artikel2.15.1.9Transparantie Gedeputeerde Staten maken binnen zes maanden na de datum van de verlening van een subsidie de volgende gegevens bekend: de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het Landbouwsteunkader; en de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het Landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan: € 10.000 voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie; € 100.000 voor begunstigden in de sector verwerking van landbouwproducten, de sector afzet van landbouwproducten of de bosbouwsector of voor activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen. Subparagraaf 2.15.2 Natuurherstel Artikel2.15.2.1Subsidiabele activiteit Subsidie kan worden verstrekt voor: het uitvoeren van eenmalige natuurherstelmaatregelen; het uitvoeren van hydrologische maatregelen; onderzoekskosten ten behoeve van nog uit te voeren of uitgevoerde natuurherstelmaatregelen of hydrologische maatregelen. Artikel2.15.2.2Criteria Subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.15.2.1, onderdeel b, (hydrologische maatregelen), die wordt uitgevoerd op landbouwgronden, wordt alleen verstrekt als het gaat om een niet-productieve in

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.