← Nederland

Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Landgraaf (Landgraaf)

In het kort

Deze regeling, de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Landgraaf (ARL), beschrijft de arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren die werkzaam zijn bij de gemeente Landgraaf. Het is een geconsolideerde tekst die de rechten en plichten van het gemeentepersoneel vastlegt.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Landgraaf (ARL)Burgemeester en Wethouders van Landgraaf; Gelet op het feit dat: per 1 januari 2011 alle bestuursorganen verplicht zijn hun algemeen verbindende voorschriften (AVV’s) in geconsolideerde vorm (= integrale tekst) in de centrale voorziening decentrale registratie (CVDR) te plaatsen. Onder AVV’s alle (raads)verordeningen en de personele regelingen vallen. Gezien de verkregen instemming van de ondernemingsraad d.d. 25 mei 2011 en van de commissie voor georganiseerd overleg d.d. 6 juni 2011; besluiten: 1 Algemene bepalingen Artikel1:1Begripsomschrijvingen 1.Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder: ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten; pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; seniorenarbeidsduur: de voor een ambtenaar, die in aanmerking komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5 geldende arbeidsduur per week, die gelijk is aan de arbeidsduur volgens de aanstelling; arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt; overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per maand; Zvw: de Zorgverzekeringswet; CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; UWO: Uitwerkingsovereenkomst; functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking; LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; IVA: regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; Waz : Wet arbeid en zorg; SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; WPA: de Wet privatisering ABP; FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt; ZW: de Ziektewet; ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. 2.Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. Artikel1:1:1:1Definitie ARL Voor de toepassing van de CAR, de UWO en de eigen rechtspositieregelingen van de Gemeente Landgraaf wordt de volgende begripsomschrijving toegevoegd: a.ARL: Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Landgraaf. Artikel1:2Geen ambtenaar 1.Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening; de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg. 2.Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad. 3.Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing. Artikel1:2:1Geen ambtenaar 1.Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25, 7:25a, 7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. 2.Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing 3.Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. 4.Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing. Artikel1:2:2Leer-werkbaan 1.Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden. 2.Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. 3.De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als ambtenaar. 4.Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate begeleiding van de werkzoekende. 5.Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar. 6.De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt bezoldigd overeenkomstig schaal

  1. 7.Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op kosten van de gemeente. 8.Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en
  2. Artikel1:2:3Instapplan 1.Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen. 2.Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI. 3.In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar. Artikel1:3Toepassing 1.De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. 2.Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. Artikel1:3aToepassing Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. Artikel1:4:1Voorschriften en instructies Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Artikel1:4:2Uitreiking van CAR en UWO 1.Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. 2.Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken: de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. Artikel1:4:3Uitreiking van CAR en UWO 1.Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen. 2.Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. Artikel1:4:4Voordragen van belangen De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen. Artikel1:5Omvang van de betrekking Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd. Artikel1:6Vrijstelling 1.In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is. 2.De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. 2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst Artikel2:1Aanstelling; het bevoegd gezag Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. Artikel2:2Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid 1.Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. 2.Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. 3.Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. 4.De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel2:3Aanstelling; geneeskundig onderzoek 1.Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. 2.De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. Artikel2:4Duur van de aanstelling 1.De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk. 2.Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling. 3.Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter. 4.In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen. 5.Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, overschrijden. 6.Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling. Artikel2:4:1Bericht van aanstelling 1.De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef; voor een project met een eenmalig en uniek karakter; hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; als vakantiekracht; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen; als werkzoekende in tijdelijke dienst. 2.Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld. 3.De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. Artikel2:4:2Vacatures 1.De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet. 2.Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. Artikel2:4:3:1Uitsluiting bij vacature In geval van een interne of externe invulling van een vacature komen geen personen voor benoeming in aanmerking waarvan de echtgeno(o)t(e), de levenspartner of een bloed- of aanverwant tot en met de tweede graad reeds bij dezelfde afdeling werkzaam is. Artikel2:5Arbeidsovereenkomst 1.Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. 2.De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. 3.Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Artikel2:5:1Arbeidsovereenkomst Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. Artikel2:5:2Minimum-urengarantie bij oproepkrachten De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt. Artikel2:5:3Inhoud oproepovereenkomst De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:
  3. Artikel2:5:4Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht 1.De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 . 2.De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur. 3.Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. Artikel2:6Overgangsrecht 1.Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden. 2.Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli
  4. 3.Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:1 . 4.Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 . Artikel2:7Aanpassing arbeidsduur 1.Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 2.Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 3.Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie. Artikel2:7aAanpassing arbeidsduur 1.Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. 2.Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; het salaris evenredig wordt verhoogd; de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd; de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste lid, evenredig wordt verhoogd; instemming van de ambtenaar is vereist; artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is. 3.Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. 4.Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. 3 Salaris en vergoedingsregelingen Artikel3:1Bezoldiging 1.Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend. 2.In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt: schaal: de in het kader van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop; salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag; bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage. 3.Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage II en IIa van de CAR. Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtestrepen, bijlage IIa op hem van toepassing is. Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op: de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken. 4.Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II . 5.Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken: dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa; en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa. 6.Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand. 7.Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. 8.Na de toepassing van artikel 7:16, tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris. Artikel3:1:1Bezoldiging 1.De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn. 2.Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde. 3.Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen. 4.Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd. Artikel3:1:1:1Bezoldigingsverordening; Begripsbepalingen Voor de toepassing van de artikelen 3:1:1:2 t/m 3:1:1:20 wordt verstaan onder: Ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1; de werknemer als bedoeld in artikel 2:5:1; Salaris: het salaris als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub a; Salaris per uur: het 1/156 deel van het salaris bij een gemiddeld 36-urige werkweek; Salarisschaal: de schaal als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub a; Salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal of een letter en een getal, dat in een salarisschaal voor een salaris is vermeld; Maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal, dat kan worden bereikt door jaarlijkse salarisverhogingen; Bezoldiging: de bezoldiging, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub c; Functie: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar te verrichten; Functiewaarderingsonderzoek: het op systematische wijze in rangorde plaatsen van functies, met als criterium de relatieve zwaarte van het werk; Conversie: de vertaling van de gevonden rangorde naar schalen; Volledige werktijd: een werktijd welke gemiddeld 36 werk uren per week omvat; Vaste toelage: een vast toegekend percentage van het maximumsalaris; Extra periodieke verhoging: het overslaan van een salarisnummer in de salarisschaal of het verkorten van de wachttijd bij de uitloopperiodieken, behorende bij de salarisschalen 1 tot en met 5; Functieschaal: de salarisschaal die op grond van functiewaardering via een conversietabel wordt vastgesteld voor de ambtenaar; Uitkering ineens: een bedrag dat in de vorm van een uitkering ineens wordt uitbetaald. Artikel3:1:1:2Recht op bezoldiging 1.Het recht op bezoldiging vangt aan met de dag waarop de aanstelling van de ambtenaar ingaat. 2.Het recht op bezoldiging eindigt, in geval van ontslag, met ingang van de dag waarop het ontslag i ngaat. Artikel3:1:1:3Betaling salaris, toelagen en vergoedingen 1.Het salaris, de toelagen en de vergoedingen worden maandelijks uitbetaald. 2.Wanneer het salaris, een emolument of een toelage moet worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die maand. Artikel3:1:1:4Bijzondere betalingen 1.De salarissen van de ambtenaren, van wie het salaris niet bij of krachtens de wet is geregeld, worden vastgesteld op de bedragen volgens de salarisschalen, opgenomen in de bij deze verordening behorende bijlagen II en IIa van de ARL,. 2.Voor het bijwonen van raads- en/of commissievergaderingen buiten de normale diensttijd wordt een vergoeding toegekend. Burgemeester en wethouders stellen ter zake nadere regels vast. Artikel3:1:1:5Uitgangspunten 1.Burgemeester en wethouders bepalen met inachtneming van de resultaten van een functiewaarderingsonderzoeken aan de hand van de vastgestelde conversie de voor de ambtenaar geldende functieschaal. 2.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van een functiewaarderingsonderzoek en de daarbij te hanteren methode. 3.Het salaris van de ambtenaar wordt vastgesteld op een bedrag, dat is vermeld in de salarisschalen, opgenomen in de bijlagen II, IIa van de ARL, of in de overgangstabellen genoemd in artikel 3:1:1:
  5. 4.Anders dan bij wijze van disciplinaire straf, als bedoeld in de ARL, kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem geldende salarisschaal. 5.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot aanstelling en bevordering van ambtenaren in dienst van de gemeente Landgraaf. Artikel3:1:1:6Vaststelling salaris bij aanstelling 1.Bij aanstelling kennen burgemeester en wethouders de ambtenaar het salaris toe dat ingevolge de voor hem geldende salarisschaal bij diens leeftijd behoort. 2.Van het bepaalde in het vorige lid kan worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris, i ndien daarvoor aanleiding bestaat. Artikel3:1:1:7Toekenning periodieke verhoging 1.Het salaris van de ambtenaar wordt binnen de voor hem geldende salarisschaal periodiek verhoogd tot het naasthogere bedrag. 2.De periodieke verhogingen worden toegekend: wanneer de ambtenaar een salarisnummer 0 of hoger heeft en hij het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, met ingang van 1 januari van het jaar waarin overeenkomstig de overige bepalingen van deze verordening de aanspraak zal ontstaan; met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verjaardag van de ambtenaar valt, mits hij salarisnummer 0 van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt. 3.Het tijdstip waarop ingevolge het vorige lid aan de in dat lid bedoelde ambtenaar voor de eerste maal een periodieke verhoging wordt toegekend, kan worden vervroegd indien daartoe naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanleiding bestaat. Artikel3:1:1:8Extra periodieke verhoging 1.Burgemeester en wethouders kunnen aan de ambtenaar, die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt, een extra salarisverhoging tot een in de salarisschaal genoemd bedrag, niet uitgaande boven het maximumsalaris, toekennen op grond van: buitengewone bekwaamheid, geschiktheid of ijver; andere door burgemeester en wethouders van voldoende belang geachte werkzaamheden. 2.Bij de toepassing van het vorige lid, blijft het tijdstip waarop ingevolge artikel 3:1:1:7 een salarisverhoging wordt toegekend onverlet, tenzij burgemeester en wethouders anders bepalen. Artikel3:1:1:9Onthouding periodieke verhoging 1.Bij onvoldoende bekwaamheid, geschiktheid of ijver van de ambtenaar kunnen burgemeester en wethouders bepalen, dat ten aanzien van hem salarisverhogingen als bedoeld in artikel 3:1:1:7 achterwege worden gelaten. 2.Burgemeester en wethouders kunnen nadien bepalen, dat de salarisverhogingen, welke met toepassing van het eerste lid achterwege zijn gelaten, al dan niet met terugwerkende kracht, alsnog worden toegekend. 3.Van een beslissing tot toepassing van het eerste lid wordt de ambtenaar zo spoedig mogelijk, doch in elk geval voor de datum waarop anders de salarisverhoging zou ingaan, schriftelijk mededeling gedaan, onder vermelding van de redenen welke tot de beslissing hebben geleid. Artikel3:1:1:10Inpassing in hogere salarisschaal Wanneer voor de ambtenaar een salarisschaal gaat gelden met een hoger maximumsalaris, wordt het salaris in de nieuwe schaal vastgesteld op het eerst hogere bedrag in die schaal, waarmee wordt bereikt dat het verschil tussen het nieuwe salaris en het oude salaris van de ambtenaar tenminste 75% bedraagt van het verschil tussen het bedrag dat de ambtenaar laatstelijk genoot en het naast hogere bedrag in die oude schaal, dan wel het naast lagere bedrag in die oude schaal, indien het salaris in de oude schaal reeds overeenkwam met hoogste bedrag uit die schaal. Artikel3:1:1:11Niet-volledige werkweek Het salaris van de ambtenaar moet een niet-volledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem bij een volledige werktijd zou gelden. Artikel3:1:1:12Algemene salariswijzigingen De bedragen van de Bijlagen II, IIa van de ARL en de overgangstabellen genoemd in artikel 3:1:1:19, worden door burgemeester en wethouders gewijzigd overeenkomstig de richtlijnen van het Landelijke Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden, voor zover die een gevolg zijn van de voor het gemeentepersoneel geldende algemene salarismaatregelen. Artikel3:1:1:13Vaste toelage 1.In nader door burgemeester en wethouders te stellen regels kan worden bepaald dat aan ambtenaren ouder dan 50 jaar een vaste toelage ter grootte van 5% van het maximumsalaris kan worden toegekend. 2.De ambtenaar, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening in het bezit van een persoonlijke toelage is, behoudt die toelage. Artikel3:1:1:14Toelage minimumloon 1.Indien het salaris minder bedraagt dan het maandbedrag van het minimumloon, dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet Minimumloon en de Wet minimumvakantiebijslag geldt voor de werknemers van dezelfde leeftijd als de ambtenaar, wordt hem een toelage toegekend ten bedrage van het verschil. 2.Voor de ambtenaar met een niet-volledige werktijd, wordt het voor werknemers met dezelfde leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een evenredig deel van het minimumloon bij een volledige werktijd. Artikel3:1:1:15Toelage onregelmatige dienst 1.Aan de ambtenaar voor wie een salarisschaal geldt met een lager maximumsalaris dan dat van schaal 11 en voor wie de werktijden zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 4:1, eerste lid, wordt door burgemeester en wethouders een toelage toegekend. 2.De in het vorige lid bedoelde toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldend salaris per uur. Dit percentage bedraagt: 20 voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6 uur en het begin van de voor de ambtenaar vastgestelde werktijd en tussen het einde van de voor de ambtenaar vastgestelde werktijd en 22 uur; 30 voor de uren op zaterdag tussen 6 uur en 22 uur; 40 voor de uren op maandag tot en met zaterdag tussen 0 uur en 6 uur en tussen 22 uur en 24 uur; 45 voor de uren op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:1:1, derde lid, met dien verstande dat genoemd percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris, behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal 6 van bijlage IIa van de ARL, artikel 3:1 derde lid. 3.In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders een regeling treffen welke het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt. Artikel3:1:1:16Beëindiging of vermindering toelage 1.Aan de ambtenaar van wie de bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen als bedoeld in het vorige artikel een blijvende verlaging ondergaat, wordt door burgemeester en wethouders een aflopende toelage toegekend, indien: die blijvende verlaging ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelage bedoeld in artikel 3:1:1:13 en de ambtenaar de toelage als bedoeld in artikel 3:1:1:15, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan gedurende ten minste 2 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt aan de ambtenaar van 60 jaar of ouder, wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 3:1:1:15, een blijvende verandering ondergaat, een blijvende toelage toegekend indien de ambtenaar de toelage als bedoeld in artikel 3:1:1:15 direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten. 3.De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikten hij, onmiddellijk voor de aanvang van de toelage, gedurende ten minste 10 jaren zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in artikel 3:1:1:15 heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid. 4.Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan 2 maanden. Artikel3:1:1:17Arbeidsmarkttoeslag Aan een ambtenaar kan, in verband met de spanning tussen enerzijds de schaarste op de arbeidsmarkt en anderzijds de bezoldigingsmogelijkheden van de gemeente Landgraaf, voor de duur van 3 jaren een toeslag ter grootte van 5% van het aan de functie verbonden maximumsalaris worden toegekend. Deze toeslag kan ten hoogste voor de duur van 2 jaren worden voortgezet. Artikel3:1:1:18Uitkering ineens In nader door burgemeester en wethouders te stellen regels kan worden bepaald, dat aan de ambtenaar een uitkering ineens ter grootte van 5% van het aan het maximumsalaris op jaarbasis van de op de ambtenaar van toepassing zijnde functieschaal wordt toegekend. Artikel3:1:1:19Overgang van tabel II naar IIa 1.De ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II van de ARL, die voor 1 april 1997 reeds het maximum van de salarisschaal heeft bereikt en die binnen zijn functie geen perspectief op een hogere schaal heeft, ontvangt per 1 april 1997 een salaris op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa van de ARL. 2.De ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II van de ARL, die op of na 1 april 1997 het maximum van zijn salarisschaal bereikten die binnen zijn functie geen perspectief heeft op een hogere schaal, ontvangt op de datum van het bereiken van het maximum van zijn salarisschaal een salaris op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa van de ARL. Artikel3:1:1:31Regeling inpassing, bevordering en gedifferentieerde beloning van ambtenaren der gemeente Landgraaf; Begripsbepalingen Voor de toepassing van de artikelen 3:1:1:32 t/m 3:1:1:44 wordt verstaan onder: Ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1; de werknemer als bedoeld in artikel 2:5, lid 1; Salaris: het salaris, als bedoeld in artikel 3:1; Salaris per uur: het 1/156-e deel van het salaris bij een gemiddelde werkweek van 36 uren; Salarisschaal: de schaal, als bedoeld in artikel 3:1, en zoals opgenomen in de bijlagen II en IIa; Salarisnummer: een aanduiding, bestaande uit een getal of uit een letter en een getal, dat in een salarisschaal voor een salaris is vermeld; Maximumsalaris: het hoogste bedrag van een salarisschaal, dat kan worden bereikt door jaarlijkse salarisverhogingen; Bezoldiging: de bezoldiging, als bedoeld in artikel 3:1; Vaste toelage: een vast toegekend bedrag boven het maximum van de bij de functie behorende salarisschaal; Eenmalige toelage: een eenmalig toegekend bedrag, zoals bedoeld in artikel 3:1:1:37; Extra periodiek: het overslaan van een salarisnummer in de salarisschaal. Een verkorting van wachttijden bij de uitloopperiodieken, behorende bij de salarisschalen 1 tot en met 5 wordt hiermee gelijk gesteld; Aanloopschaal: de salarisschaal, voorafgaand aan de functieschaal ten behoeve van de ambtenaar die qua opleiding en/of ervaring nog niet voldoet aan de functie-eisen; Functieschaal: de salarisschaal die op grond van methodische functiewaardering via een conversietabel is vastgesteld voor de functie; Onthouding van een periodiek: het niet toekennen van de jaarlijkse salarisverhoging van een

(1)salarisnummer; Functie: het samenstel van werkzaamheden, door de ambtenaar te verrichten, zoals beschreven in een vastgestelde organieke functiebeschrijving; Functiewaarderingsonderzoek: het op systematisch wijze in de rangorde plaatsen van functies, met als criterium de relatieve zwaarte van het werk, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 31:1:1:1 tot en met 31:1:1:13 zijnde de "Regeling functiebeschrijving en methodische functiewaardering gemeente Landgraaf 2000"; Conversie: de koppeling van de door een methodisch functiewaarderingsonderzoek bepaalde rangorde van de functies aan salarisschalen; Volledige werktijd: een werktijd, welke gemiddeld 36 werkuren per week omvat; Gratificatie: het eenmalig toekennen van een bedrag; Groepsbeloning: collectieve gratificatie voor een onderdeel van de gemeentelijke organisatie; Bijzondere beloning: beloning in natura; Garantieschaal: minimaal een
(1)schaal hoger dan de aan de hand van methodische functiewaardering en conversie vastgestelde salarisschaal, welke bij een functie behoort; Beoordeling: het periodiek evalueren van de geleverde prestaties van medewerk(st)ers als bedoeld in de artikelen 15:1:15:1 tot en met 15:1:15:10, zijnde de "Regeling functioneringsgesprekken en methodische personeelsbeoordeling der gemeente Landgraaf". Artikel3:1:1:32Aanloopschaal 1.Ambtenaren, die in dienst treden bij de gemeente Landgraaf of daarbinnen van functie veranderen, worden in beginsel aangenomen in de aanloopschaal van de functie, waarvoor wordt gesolliciteerd. Toepassing van deze regel is afhankelijk van genoten opleiding en ervaring. 2.De periode, waarin men in de aanloopschaal zal zijn aangesteld, is in beginsel afhankelijk van de hoogte van de functieschaal, van de mate waarin men aan de functie-eisen voldoet, van de wijze waarop de functie wordt vervuld en afhankelijk van de vraag of de functie in de volle omvang wordt vervuld. 3.Voor de functieschaal 2 wordt geen aanloopschaal gehanteerd. 4.Bij het niet voldoen aan de criteria, zoals genoemd in artikel 3:1:1:32, tweede lid, wordt in beginsel een
(1)schaal onder de aanloopschaal gehanteerd bij aanstelling. Artikel3:1:1:33Functieschaal Overgang van de aanloopschaal naar de functieschaal kan geschieden, op het moment, dat: de ambtenaar volledig voldoet aan de functie-eisen, en; de functie in de volle omvang wordt vervuld, en; de wijze van functievervulling tenminste wordt gesteund door een goed beoordelingsresultaat, te weten: "voldoet aan de eisen" op alle relevante gezichtspunten. Artikel3:1:1:34Herwaardering van functies Bij actualisering en herwaardering van functies zal het college van burgemeester en wethouders per 1 januari, respectievelijk 1 juli volgend op de geldingsdatum voor de vastgestelde beschrijving, overgaan tot het overeenkomstig aanpassen van de bezoldiging volgens de vastgestelde conversie, onder de volgende voorwaarden: de medewerk(st)er voldoet aan de te stellen eisen volgens het beoordelingsresultaat op alle gezichtspunten, de functie wordt volledig vervuld en de aanlooptijd, zoals genoemd in artikel 3:1:1:32, tweede lid, is volbracht, ervan uitgaande dat de salarisschaal waarin de medewerk(st)er was geplaatst voordat de functie werd geherwaardeerd hierbij wordt omgezet in een aanloopschaal; de medewerk(st)er, die bij vaststelling van de nieuwe functieschaal twee of meer salarisschalen lager is ingeschaald, gaat over naar de aanloopschaal, behorende bij de nieuwe functieschaal. Overgang naar de functieschaal vindt plaats indien wordt voldaan aan het gestelde in artikel 3:1:1:33. Artikel3:1:1:35Extra periodiek Een extra periodiek kan - op voorstel van het management – door burgemeester en wethouders worden verstrekt, indien door functiehoud(st)er minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: uit de methodische beoordeling blijkt, dat functiehoud(st)er op 3 van de 5 te beoordelen gezichtspunten bovenmatig presteert (R = ruim voldoende), en; uit de beoordeling van de overige gezichtspunten blijkt, dat men voldoet aan de te stellen eisen (N), en; betrokkene het maximumsalaris nog niet heeft bereikt, en; de extra periodiek niet uitgaat boven het maximum van de functieschaal. Artikel3:1:1:36Onthouding periodiek Een periodieke verhoging op 1 januari van het eerstkomende dienstjaar kan - op voorstel van het management – door burgemeester en wethouders worden onthouden, indien: a. 1 uit de beoordeling blijkt, dat functiehoud(st)er in vaste dienst op een
(1)van de 5 gezichtspunten duidelijk tekort schiet (S = slecht), danwel op twee van de 5 gezichtspunten niet geheel voldoet aan de te stellen eisen (M = Matig), en; b. 1 indien na een
(1)jaar, bij een volgende beoordeling, nauwelijks of geen wijziging hierin is te constateren; danwel: a. 2 uit de beoordeling blijkt, dat functiehoud(st)er in tijdelijke dienst op twee van de 5 gezichtspunten duidelijk tekort schiet (S = slecht), danwel op drie van de 5 gezichtspunten niet geheel voldoet aan de te stellen eisen (M = Matig), en; b. 1 indien na een
(1)jaar, bij een volgende beoordeling, nauwelijks of geen wijziging hierin is te constateren. Artikel3:1:1:37Andere beloningsvormen 1.In voorkomende gevallen kunnen burgemeester en wethouders – op basis van een advies van het desbetreffende management en na toetsing door de stafafdeling Concerncontrol - besluiten om aan ambtenaren een specifieke vorm van beloning toe te kennen op grond van buitengewone ijver, bekwaamheid of geschiktheid in de vorm van een gratificatie of bijzondere beloning in natura. 2.Jaarlijks kunnen door burgemeester en wethouders op basis van een advies van een daartoe ingestelde beoordelingscommissie ten hoogste drie bijzondere beloningen worden toegekend aan groepen van ambtenaren, die zich hebben gekweten van een bijzondere - vooraf geformuleerde en bij de beoordelingscommissie aangemelde - taakstelling. Artikel3:1:1:38Effectuering gedifferentieerde beloning 1.Extra beloningen, zoals bedoeld in artikel 3:1:1:35, die door het college van burgemeester en wethouders worden toegekend, worden op 1 januari volgend op het laatstgehouden beoordelingsgesprek geëffectueerd. 2.Andere beloningsvormen, zoals bedoeld in artikel 3:1:1:37, eerste lid, die door het college van burgemeester en wethouders worden toegekend, worden zo spoedig mogelijk na realisatie van de bijzondere prestatie geëffectueerd. 3.De groepsbeloningen, zoals bedoeld in artikel 3:1:1:37, tweede lid, die door het college van burgemeester en wethouders worden toegekend, worden jaarlijks geëffectueerd, zodra de toekenningen van de groepsbeloningen bekend zijn gemaakt. Artikel3:1:1:39Procedure 1.De stafafdeling Concerncontrol maakt jaarlijks een overzicht van ambtenaren, die aan de minimumvoorwaarden voldoen, zoals die omschreven zijn in artikel 3:1:1:
  1. 2.Burgemeester en wethouders nemen een besluit over het toekennen van een extra beloning, na advies hierover te hebben ingewonnen bij de stafafdeling Concerncontrol. 3.Na mededeling van de desbetreffende besluiten aan de betrokken ambtenaren, wordt de gemeentelijke organisatie daaromtrent geïnformeerd via de daarvoor gebruikte informatiebulletins. Artikel3:1:1:51ARBO – toelageregeling; Begripsbepalingen Voor de toepassing van artikel 3:1:1:52 wordt verstaan onder: a.Ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:
  2. Artikel3:1:1:52ARBO - toelageregeling De ambtenaar die in het bezit is van: een geldig E.H.B.O.-diploma; of een bewijs dat hij met goed gevolg heeft deelgenomen aan een door burgemeester en wethouders aangewezen brandpreventiecursus; ontvangt voor elk van de onder a en b genoemde stukken een toelage van 0,65% van het minimum van salarisschaal 4 van bijlage IIa per maand. Artikel3:1:2Waarnemingstoelage 1.De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid. 2.De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode van de waarneming. De vergoeding tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen betrekking behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald. 3.De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1 . Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan een betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van waarneming. 4.Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt. 5.Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen. Artikel3:2Overwerkvergoeding De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste volzin. Artikel3:2:1Overwerkvergoeding 1.De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde. 2.Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. 3.Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 4.Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met
  3. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt: 100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur; 75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur 50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur; 50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur; 25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald. c. Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%. 6.Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk. Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten. 7.Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen. 8.Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk. Artikel3:2:1:1Uitsluiting overwerk In aansluiting op het bepaalde in artikel 3:2:1, zesde lid, hebben ambtenaren ingedeeld in schaal 11 of hoger geen aanspraak op vergoeding voor overwerk. Artikel3:2:1:2Raads- en/of commissievergaderingen Bij het verlenen van ambtelijke bijstand aan raads- en/of commissievergaderingen wordt gelet op het bepaalde in artikel 3:2:1 een vergoeding toegekend. Bij het vaststellen van deze vergoeding wordt achtereenvolgens rekening gehouden met: een tijdsduur, welke bedraagt de duur van de vergadering vermeerderd met een half uur aan reistijd en een vergoedingspercentage van 50 en geen toekenning van de vergoeding aan ambtenaren in schaal 11 of hoger Artikel3:2:1:3Maaltijdvergoeding bij overwerk Voor de toepassing van de artikelen 3:2:1:4 t/m 3:2:1:5 wordt verstaan onder: Ambtenaar: de persoon die krachtens een aanstelling of een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst van deze gemeente werkzaam is, danwel bij deze gemeente is gedetacheerd; Overwerk: hetgeen daarmede wordt bedoeld in de artikelen 1:1 en 3:
  4. Artikel3:2:1:4Maaltijdvergoeding bij overwerk Indien de dagelijkse werktijd van de ambtenaar op de dag waarop overgewerkt moet worden, met ten minste twee overwerkuren wordt verlengd en het dienstbelang het naar het oordeel van de betrokken leidinggevende niet toelaat, dat de ambtenaar zijn maaltijd op de gebruikelijke plaats nuttigt, worden – na overlegging van de nota's - aan de ambtenaar maximaal vergoed de kosten van een avondmaaltijd als bedoeld in artikel 15:1:22:
  5. Artikel3:2:1:5Maaltijdvergoeding bij overwerk 1.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd van de bepalingen van deze regeling af te wijken in die gevallen waarin de regeling naar hun oordeel niet of niet naar redelijkheid voorziet. 2.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om deze regeling op overeenkomstige wijze toe te passen ten aanzien van met overwerk vergelijkbare situaties. Artikel3:3Toelage onregelmatige dienst 1.De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op: maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur; zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur; zondag tussen 00.00 en 24.00 uur. 2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld. 3.In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld. 4.In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid. Artikel3:3:1Beschikbaarheidsdiensten Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in artikel 15:1:10 , tweede lid, onder c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden. Artikel3:3:1:1Wachtdienst- en piketregeling 1.Iedere week worden bij toerbeurt een
(1)of meer door of vanwege burgemeester en wethouders aangewezen personeelsleden wachtdienst verrichten. 2.Voor deze wachtdienst ontvangt vanaf 14 juni 2011 iedere aangewezen persoon een vergoeding van 6,13% van het maximum van schaal 5, bijlage IIa. De uitkomst hiervan wordt rekenkundig afgerond op hele bedragen. Artikel3:3:1:2Wachtdienst- en piketregeling Indien de ingevolge artikel 3:3:1:1 aangewezen persoon of personen gedurende de wachtdiensttijd c.q. piketdienst worden verplicht om overwerk te verrichten, geldt gedurende de tijd dat daadwerkelijk overwerk wordt verricht, de normale overwerkvergoeding zoals deze is neergelegd in artikel 3:2:1. Artikel3:4Verschuivingsvergoeding Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding. Artikel3:4:1Verschuivingsvergoeding 1.Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde: feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven; werktijd, deze werktijd wordt verschoven. 2.Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd. 3.De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon. Artikel3:5Ambtsjubileumgratificatie De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald: in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef; op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend. Artikel3:5:1Ambtsjubileumgratificatie 1.Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met de helft van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt. Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: op grond van artikel 8:3 ; op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; op grond van artikel 8:10 of 8:11 indien en voorzover het een volledig ontslag betreft; en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend. Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. 2.Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend. Artikel3:5:1:1Proportionele gratificatie herplaatste ambtenaren In aanvulling op het gestelde in artikel 3:5:1 wordt de proportionele gratificatie voor herplaatste ambtenaren berekend naar rato van het aantal dienstjaren en salaris voor en ná de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Artikel3:5:1:2Herindeling - verdubbeling jubileumgratificatie De ambtenaar die op 31 december 1981 in dienst was van een van de inmiddels opgeheven gemeenten Schaesberg, Ubach over Worms of Nieuwenhagen en die onmiddellijk aansluitend daaraan is overgegaan in dienst van de gemeente Landgraaf en ononderbroken in dienst is gebleven behoudt in verband met de viering van een jubileum in gemeentedienst aanspraak op een verdubbeling van de gratificatie als bedoeld in artikel 3:5:1, waarbij de diensttijd in de gemeente Landgraaf wordt beschouwd als een ononderbroken voortzetting van de diensttijd in de opgeheven gemeenten Schaesberg, Ubach over Worms of Nieuwenhagen. Artikel3:5:1:3Herindeling - ontslaggratificatie De ambtenaar die op 31 december 1981 in dienst was van een van de inmiddels opgeheven gemeenten Schaesberg, Ubach over Worms of Nieuwenhagen en die onmiddellijk aansluitend daaraan is overgegaan in dienst van de gemeente Landgraaf en ononderbroken in dienst is gebleven maakt bij pensionering, hetzij wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, hetzij uit anderen hoofde, aanspraak op een gratificatie tot een bedrag, overeenkomende met de bezoldiging over een
(1)maand, vermeerderd met het maandelijkse bedrag van de vakantietoelage. Artikel3:6Eindejaarsuitkering 1.De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. 2.De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. 3.Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest. Artikel3:7:1Vervallen (Vervallen) Artikel3:7:2Vervallen (Vervallen) Artikel3:7:3Vervallen (Vervallen) Artikel3:7:4Vervallen (Vervallen) Artikel3:7:5Vervallen (Vervallen) Artikel3:7:6Vervallen (Vervallen) Artikel3:7:7Vervallen (Vervallen) Artikel3:7:8Persoonlijke toelage 1.Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend, wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat. 2.De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven. 4 Arbeidsduur en werktijden Artikel4:1Arbeidsduur en werktijden 1.Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden overschreden. 2.De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. 3.Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het tweede lid afwijkende afspraken worden overeengekomen, met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing blijft. Artikel4:2Arbeidsduur en werktijden 1.In een nader door het college vast te stellen regeling worden algemene regels omtrent de werktijden vastgesteld. Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor een rooster opgesteld. 2.Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen: dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is; dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar bekend worden gemaakt; dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken; dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3 , derde lid te ontwijken. 3.Bij de brandweer, en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen. Artikel4:2:0:1Werktijdenregeling; Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van de artikelen 4:2:0:2 t/m 4:2:0:15 wordt verstaan onder: directe leidinggevende: degene, onder wiens hiërarchische verantwoordelijkheid de ambtenaar zijn werkzaamheden verricht; aanwezigheidstijden: de uren waarop een ambtenaar volgens zijn werkrooster in ieder geval aanwezig is. variabele tijden: de uren waarin de ambtenaar wat betreft zijn begin- en eindtijden zelf een keuze kan bepalen. kloksaldo: het totale saldo van de meer of minder gewerkte uren dan de formele arbeidsduur. rooster: een overzicht met daarin opgenomen de dagen en werktijden waarop de ambtenaar is ingeroosterd; werkschema: het jaarlijks opgestelde overzicht waarin is opgenomen de hoeveelheid uren en de dagen waarop de ambtenaar aanwezig is. Artikel4:2:0:2Variabele werktijden 1.Voor de ambtenaren in dienst van de gemeente Landgraaf gelden variabele werktijden. 2.Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat het gestelde in het eerste lid niet van toepassing is op nader door hen aan te wijzen functies of dienstonderdelen. Voor de desbetreffende ambtenaren worden vaste werktijden - al dan niet volgens een wisselend rooster- vastgesteld. Artikel4:2:0:3Werktijd 1.De formele arbeidsduur voor een ambtenaar met een volledige dienstbetrekking bedraagt gemiddeld 36 uur per week. Het is de ambtenaar toegestaan dagelijks extra kloksaldo op te bouwen mits hij feitelijk gemiddeld niet meer dan 40 uren per week werkt. 2.De ambtenaren in de leeftijd van 60 jaar of ouder kunnen, indien zij dit wensen, de werktijd met een half uur per dag verminderen, behalve wanneer zij binnen een seniorenmaatregel reeds minder dan het voor hen gebruikelijke aantal uren werken. 3.Voor een ambtenaar die in deeltijd werkt gelden eveneens variabele werktijden, tenzij hij volgens een rooster met vaste begin- en eindtijden moet werken of met een of meerdere ambtenaren een werkplek moet delen. Bij de bepaling van of wijziging van de werktijden wordt uitgegaan van het belang van de organisatie. Artikel4:2:0:4Aanwezigheid- en variabele tijden 1.Als regel geldt een normtijd van 7,2 uur per dag. 2.De aanwezigheidstijden zijn op: maandag t/m vrijdag van 09.00 uur tot 12.00 uur; maandag t/m donderdag van 14.00 uur tot 16.00 uur 3.De variabele tijden liggen tussen: 07.30 uur en 09.00 uur; 16.00 uur en 18.30 uur. 4.Voor een parttime werkende ambtenaar is de aanwezigheidsplicht gekoppeld aan het werkschema zoals dat jaarlijks met de direct leidinggevende wordt afgesproken. Artikel4:2:0:5Minimale en maximale werktijd per dag 1.Per dag is de werktijd maximaal 9 uren, met dien verstande dat gedurende één dag per week 10 uur mag worden gewerkt. 2.Alleen in geval van overwerk mag van het gestelde in het vorige lid worden afgeweken. Artikel4:2:0:6Pauzes 1.De direct leidinggevende organiseert de arbeid zodanig dat de ambtenaar in staat is zijn arbeid tussen 12.00u en 14.00u door een of meer pauzes te onderbreken, met dien verstande dat: voor de ambtenaar die jonger is dan 18 jaar en een arbeidsduur per dag heeft van meer dan 4,5 uur, de arbeid wordt onderbroken door een pauze van tenminste 30 minuten dan wel van tenminste twee maal 15 minuten; voor de ambtenaar die 18 jaar of ouder is, en een arbeidsduur per dag heeft van meer dan 5,5 uur, de arbeid wordt onderbroken door een pauze van tenminste 30 minuten dan wel van tenminste twee maal 15 minuten, en bij een arbeidsduur per dag van meer dan tien uur, de arbeid wordt onderbroken door een pauze van tenminste 45 minuten, dan wel door pauzes van elk tenminste 15 minuten. 2.Indien de ambtenaar de in het eerste lid bedoelde pauze niet geniet of niet of onvoldoende registreert, wordt een fictieve pauze geregistreerd van 30 minuten. Artikel4:2:0:7Openstellingsuren voor het publiek 1.Tijdens de door het college vastgestelde openstellinguren voor het publiek dient er een voldoende personele bezetting op de afdelingen beschikbaar te zijn. 2.Elke vrijdagmiddag is het gemeentehuis vanaf 12.30 uur fysiek en telefonisch gesloten voor publiek, maar blijft het geopend voor de ambtenaren van de gemeente Landgraaf. Artikel4:2:0:8Fictieve tijden 1.In geval van verlof wordt het aantal uren op het verlofsaldo in mindering gebracht, dat de ambtenaar minder werkt dan hij op de desbetreffende dag volgens het jaarlijkse werkschema had moeten werken. 2.Bij afwezigheid gedurende de hele werkdag of een deel daarvan in verband met een dienstreis, studie, cursus en vergadering gelden de navolgende fictieve werktijden: voormiddag van 08.30 uur tot 12.30 uur; namiddag van 13.00 uur tot 17.00 uur. 3.Bij afwezigheid wegens ziekte wordt de duur van afwezigheid fictief gesteld op het aantal uren dat de werknemer op de betreffende dag volgens het geldende jaarlijkse werkschema had moeten werken. 4.Indien de dienstreis van een parttime werkend personeelslid langer duurt dan het voor betrokkene op die dag geldend werkschema, gelden eveneens de in het tweede lid genoemde fictieve werktijden. Artikel4:2:0:9Afwezigheid vanwege een bezoek aan huisarts e.d, 1.Bij afwezigheid van de ambtenaar vanwege een bezoek aan huisarts, tandarts, specialist, therapeut etc., wordt de tijd die de ambtenaar minder werkt, per gebeurtenis, voor maximaal 1 uur vergoed. Deze vergoeding wordt toegekend tot maximaal de tijd die de ambtenaar op de desbetreffende dag volgens het jaarlijkse werkschema had moeten werken. 2.Deze bezoeken dienen zoveel als mogelijk buiten de aanwezigheidstijden te gebeuren. 3.Bij een officiële gemeentelijke receptie wordt per deelname hieraan maximaal 1:30 uur vergoed. De tijdvergoeding eindigt in ieder geval na 17:00 uur. Artikel4:2:0:10Opbouw voor- en nadelige saldi 1.De ambtenaar draagt er zorg voor dat telkens op 31 december het door hem opgebouwde urensaldo zowel in negatieve als positieve zin, het aantal van 10 uren niet te boven gaat. 2.De ambtenaar draagt er zorg voor dat telkens op 31 december het door hem opgebouwde saldo als gevolg van overwerk- en verlofuren, het aantal van 80 uren niet te boven gaat. 3.Indien op 31 december de in het eerste en tweede lid genoemde positieve aantallen worden overschreden, maakt de ambtenaar met diens direct leidinggevende afspraken over de wijze waarop het positief saldo in het daarop volgende jaar zal worden opgenomen. 4.Een op 31 december bestaand negatief saldo als bedoeld in het eerste lid van meer dan tien uren, wordt naar keuze van de ambtenaar, verrekend met verlof- en/of overwerkuren. 5.Voor de ambtenaar die in deeltijd werkt, worden de in de voorgaande leden genoemde uren, naar rato toegepast. Artikel4:2:0:11Registratieapparatuur De ambtenaar dient de feitelijk gewerkte tijd vast te leggen door middel van een aan hem persoonlijk toegekende badge, voorzien van badgenummer, met dien verstande dat de ambtenaar via de tijdregistratieapparatuur zijn dagelijkse aanvangs- en eindtijd registreert alsook de aanvangs- en eindtijd van de opgenomen pauzes. Artikel4:2:0:12Afwezigheid 1.De ambtenaar is verplicht zijn verzoek tot afwezigheid wegens vrije tijd uiterlijk twee werkdagen hieraan voorafgaand in te dienen via het webbased systeem. 2.Bij overige afwezigheid redenen, die een hele werkdag duren en vooraf bekend zijn, worden aangevraagd via het webbased systeem. 3.Alle gegevens over de afwezigheid die van invloed zijn op de tijdregistratie en die niet met de registratieapparatuur kunnen worden vastgelegd worden achteraf ingegeven door de ambtenaar via het webbased systeem. 4.Indien de registratieapparatuur defect is, dient elke ambtenaar via het webbased systeem zijn begin- en eindtijden in te geven. 5.De directe leidinggevende beoordeelt en fiatteert de verzoeken, aanvragen en mutaties. Artikel4:2:0:13Aan te wijzen dienstvrije dagen 1.Met in achtname van artikel 4:2:1:1 worden voor de gehele organisatie jaarlijks, in overeenstemming met de ondernemingsraad, maximaal 6 werkdagen aangewezen als dienstvrije dagen. 2.Aan het begin van elk kalenderjaar worden de aan de roostervrije dagen verbonden uren, als negatief kloksaldo voor de ambtenaar ingeboekt. Daarbij wordt uitgegaan van het voor de ambtenaar geldende en jaarlijks uitgereikte werkschema, waarin de arbeidsduur per dag is opgenomen. 3.Als een ambtenaar in opdracht van de werkgever werkt op een dienstvrije dag, wordt zijn kloksaldo op die dag aangevuld met het aantal gewerkte uren. een extra vergoeding toegekend gelijk aan de vergoeding zoals bepaald in artikel 3:2:1, vijfde lid, sub a voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur. Artikel4:2:0:14Ziek op dienstvrije werkdag Indien de ambtenaar zich op een aangewezen dienstvrije werkdag achteraf ziek meldt, wordt de arbeidsduur per dag in uren gecompenseerd overeenkomstig het voor de ambtenaar geldende en jaarlijks uitgereikte werkschema, indien hij aannemelijk kan maken dat hij daadwerkelijk op die dienstvrije werkdag ziek is geweest. Artikel4:2:0:15Zomerdienstregeling 1.Gedurende de periode 1 juni tot 1 september van elk jaar geldt een zomerdienstregeling voor die medewerkers die in de werkruimte van hun vaste werkplek geen airconditioning beschikbaar hebben. 2.De begintijd zoals genoemd in artikel 4:2:0:4, derde lid wordt vervroegd van 07.30 uur naar 07.00 uur. Vanaf 14.00 uur kan de medewerker stoppen met werken. 3.De medewerker vraagt voorafgaand toestemming aan de direct leidinggevende indien hij gebruik wil maken van de in het twee lid genoemde tijden. De toestemming wordt slechts geweigerd indien: de dienstverlening aan de klanten te zeer onder druk komt te staan doordat er als gevolg van de gewijzigde werktijden onvoldoende bezetting is; de continuïteit van de werkzaamheden onder druk komt te staan, waaronder het niet halen van deadlines en termijnen. Artikel4:2:1Arbeidsduur en werktijden 1.Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. 2.Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. 3.Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd. 4.Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten. 5.Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend. Artikel4:2:1:1Aanwijzing dienstvrije dagen Aan de ambtenaar wordt verlof met behoud van bezoldiging verleend op Goede Vrijdag, de carnavalsmaandag en -dinsdag, de nationale bevrijdingsdag en twee door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen extra dienstvrije dagen. Artikel4:2:2Arbeidsduur en werktijden Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3 , arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend. Artikel4:3Spaarmogelijkheid 1.Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. 2.Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode. 3.De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan. 4.In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 5.In geval van ontslag op grond van artikel 8:3 , 8:6 , 8:7 , 8:8 , 8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 6.In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed 7.In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid. 8.In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2 , het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. 9.In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed. 10.Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. 4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden Artikel4a:1Vakantie-uren uitwisselen tegen geld 1.De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid. 2.Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum. 3.Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 4.Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 5.Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel4a:2Geld uitwisselen tegen vakantie-uren 1.De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid. 2.Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 3.Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 4.Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Artikel4a:3Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding 1.Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden. 2.Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld. Artikel4a:3:1:0Landgraaf à la carte; Begripsbepalingen In de artikelen 4a:3:1:1 t/m 4a:3:8:3 wordt verstaan onder: Werkgever: de gemeente Landgraaf; Werknemer: de ambtenaar zoals gedefinieerd in artikel 1:1 van de ARL; Deelnemer: de ambtenaar zoals gedefinieerd in artikel 1:1 van de ARL, die gebruik maakt van deze regeling. PC: een personal computer, printer en/of scanner. Fiets: een rijwiel; Fietsbonnen: fiscaal vrij te besteden bonnen voor accessoires, fietskleding, onderhoud en reparatie tot een maximaalbedrag van € 250,-. Fietsverzekering: een verzekering van de fiets voor een periode van 3 jaar tegen diefstal, met cascodekking. Bestuurder: een werknemer. Bedrijfsfitness: de conditie- of krachttraining van werknemers die georganiseerd of geïnitieerd wordt door de werkgever en die buiten kantoortijd elders plaatsvindt onder deskundig toezicht. Stoelmassage: De door de werkgever gefaciliteerde preventieve ARBO voorziening. Vakbondslid: een als vakbondslid geregistreerde werknemer; Vakbondscontributie: het bedrag dat een werknemer op jaarbasis moet voldoen ten behoeve van het vakbondslidmaatschap. Studie: een landelijk erkende opleiding bij een landelijk erkend opleidingsinstituut. Artikel4a:3:1:1Bestedingsdoelen Ter uitvoering van het gestelde in artikel 4a:3, eerste lid zijn de volgende bestedingsdoelen te benoemen. Het betreft in alle gevallen een vergoeding door de werkgever voor: De aanschaf van een fiets, accessoires en de verplichte verzekering; Reizen naar het werk per openbaar vervoer met een jaartrajectkaart; Reizen naar het werk met een privévervoermiddel; De jaarlijkse inleg voor het spaarloon; Vergoeding van de aan een studie verbonden eigen bijdrage op jaarbasis; Jaarabonnement bedrijfsfitness; Stoelmassage (tegen inlevering van netto loonbestanddelen); Jaarinleg vakbondslidmaatschap (minus vakbondstientje van de werkgever); Aanschaf van een PC, printer en/of scanner. Artikel4a:3:1:2Aanvulling op de aanstelling Voor elke werknemer wordt in tweevoud een aanvulling op het aanstellingsbesluit gemaakt en ondertekend door de werkgever en de werknemer. Deze aanvulling maakt integraal deel uit van artikelen 4a:3:1:1 t/m 4a:3:9:
  1. Artikel4a:3:1:3Solidariteitstarief Voor alle bestedingsdoelen, met uitzondering van de stoelmassage, geldt dat verkochte vakantie-uren worden vergoed tegen het solidariteitstarief van € 20,- per vakantie-uur. Bij elke wijziging van de salaristabellen, bijlage II en/of bijlage IIa, wordt dit tarief geïndexeerd met het opslagpercentage. Artikel4a:3:1:4Naheffing fiscus Eventuele fiscale naheffingen vanwege de aanlevering van onjuiste gegevens door de deelnemer zullen volledig op hem worden verhaald, inclusief berekende boetes en rente. Artikel4a:3:2:1Persoon gebonden budget 1.Voor alle op 1 januari in dienst zijnde werknemers stelt de werkgever een persoon gebonden budget (P.G.B.) beschikbaar van € 1.000,- voor een medewerker die voltijds is aangesteld. 2.De hoogte van het P.G.B. is gekoppeld aan de aanstellingsomvang. 3.Het P.G.B. is gelijkgeschakeld aan de in artikel 4a:3, eerste lid genoemde elementen van de bezoldiging en kan worden besteed aan de in artikel 4a:3:1:1 genoemde bestedingsdoelen. In alle andere gevallen wordt het fiscaal belast uitgekeerd. Artikel4a:3:2:2PGB toevoegen aan eindejaarsuitkering Het P.G.B. wordt integraal toegevoegd aan de eindejaarsuitkering. Artikel4a:3:2:3PGB en nieuwe werknemers Nieuwe werknemers krijgen op het moment van indiensttreding de beschikking over het evenredige deel van het voor dat jaar geldende P.G.B.. Artikel4a:3:2:4PGB en wijziging aanstellingsomvang Wijzigingen in de aanstellingsomvang leiden tot een bijstelling van de hoogte van het P.G.B., tenzij er sprake is van een tijdelijke uitbreiding of vermindering van uren. Artikel4a:3:2:5Niet beschikbaar stellen P.G.B. Het P.G.B. zal niet worden uitgekeerd voor een werknemer die, op de dag dat het budget beschikbaar wordt gesteld, 12 maanden of meer afwezig is geweest wegens arbeidsongeschiktheid of vanwege enige andere oorzaak; geschorst is zoals bedoeld in artikel 8.15.1 van de ARL. Artikel4a:3:2:6PGB en ontslag In geval van een ontslag op eigen verzoek of ontslag als disciplinaire straf zal een evenredig deel van het bestede budget worden ingehouden bij de laatste loonbetaling of worden teruggevorderd. Artikel4a:3:3:1PC: Voorwaarden 1.Op verzoek van de deelnemer verstrekt de werkgever jaarlijks een PC aan de deelnemer. 2.Het maximaal te vergoeden bedrag voor de PC is gelijk aan de waarde van het maximaal aantal te verkopen vakantieuren maal het eigen netto uurloon, op 1 januari van het aanvraagjaar. Artikel4a:3:3:2PC: Aanschaf PC De deelnemer schaft een PC aan bij een door hem uitgekozen leverancier en levert de originele aankoopnota bij de werkgever in. De werkgever betaalt vervolgens de rekening (voorfinanciering). Artikel4a:3:3:3PC: Werkwijze 1.De werkgever vraagt de deelnemer een bijdrage van 100% van de kosten die voortvloeien uit de aanschaf van de PC. 2.De bijdrage kan de deelnemer enkel financieren door inlevering van vakantieuren tegen het eigen netto uurtarief zoals dat geldt op 1 januari van het aanvraagjaar. Artikel4a:3:3:4PC: Aansprakelijkheid 1.De werkgever aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade aan de deelnemer, aan hem toebehorende zaken en/of schade aan derden, die voortvloeit uit het gebruik, uit gebreken en/of schade die aan de andere kant verband houdt met de PC. 2.Schade en/of diefstal ontheft de deelnemer niet van de verplichting tot betaling. 3.Garantiebepalingen gelden volgens de (contractuele) voorwaarden van de leverancier. Zij kunnen op geen enkele wijze door de werkgever worden gewaarborgd. De deelnemer dient zich in geval van klachten over de PC uitsluitend te wenden tot de leverancier. Artikel4a:3:4:1Fiets: fiscale voorwaarden 1.De werkgever verstrekt de deelnemer op zijn verzoek maximaal een keer per drie jaar een fiets en -bonnen. 2.Het maximaal te vergoeden bedrag voor de fiets is € 749,-. Als de deelnemer er voor kiest een fiets aan te schaffen met een hogere catalogusprijs dan genoemd bedrag komen de meerkosten geheel voor rekening van de deelnemer. 3.Bij aanschaf van een fiets wordt de fietsverzekering automatisch afgesloten als onderdeel van de verstrekking. 4.De deelnemer dient bij zijn aanvraag om voor deze regeling in aanmerking te komen aannemelijk te maken dat hij meer dan de helft van het aantal dagen pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer. Artikel4a:3:4:2Fiets: dienstreizen met de fiets 1.De deelnemer is verplicht om dienstreizen binnen de gemeente Landgraaf met de fiets te maken. Hiervoor ontvangt hij per gereden kilometer een vergoeding gebaseerd op het reisbesluit binnenland. In nader te benoemen situaties kan van deze regel worden afgeweken. Formalisering hiervan vindt plaats door het MT, met instemming van de OR en het GO. 2.Aan het einde van elk kalenderjaar worden de door de deelnemer ingediende reiskostendeclaraties achteraf getoetst op de praktische uitvoering van het eerste lid. 3.Als uit de toets blijkt dat de deelnemer bij door hem gemaakte dienstreizen binnen de gemeente Landgraaf ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de auto wordt de kilometervergoeding alsnog toegepast overeenkomstig lid
  2. De finale besluitvorming hierover ligt bij het hoofd van de sector of de staf. Artikel4a:3:4:3Fiets: opzet 1.De werkgever vraagt de deelnemer een bijdrage van 100% van de kosten die voortvloeien uit de aanschaf van de fiets. 2.De bijdrage kan de deelnemer financieren door inlevering van een of meerdere bron(nen) zoals genoemd in hoofdstuk 4a.
  3. Artikel4a:3:4:4Fiets: aanschaf 1.De fietsbemiddeling is uitbesteed aan een hierin gespecialiseerd bedrijf dat door de werkgever hiervoor is aangewezen. 2.De deelnemer koopt de fiets bij een door hem uitgekozen leverancier Artikel4a:3:4:5Fiets: aansprakelijkheid 1.De werkgever aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade aan de deelnemer, aan hem toebehorende zaken en/of schade aan derden, die voortvloeit uit het gebruik, uit gebreken en/of schade die anderszins verband houdt met de fiets, tijdens het woon-werkverkeer. 2.Schade en/of diefstal ontheft de deelnemer niet van de verplichting tot betaling. 3.Garantiebepalingen gelden volgens de (contractuele) voorwaarden van de leverancier. Zij kunnen op geen enkele wijze door de werkgever worden gewaarborgd. In geval van klachten dient de deelnemer zich uitsluitend te wenden tot het hierin gespecialiseerd bedrijf dat door de werkgever hiervoor is aangewezen (zie artikel 4a:3:4:5, eerste lid). Artikel4a:3:5:1Openbaar vervoer, vergoeding in de kosten van een trajectkaart 1.Aan de werknemer die ten behoeve van het woon-werkverkeer gebruik maakt van het openbaar vervoer kan een tegemoetkoming worden verleend in de vorm van een jaartrajectkaart. 2.De tegemoetkoming is gelijk aan de kosten van een jaartrajectkaart openbaar vervoer en wordt via het salaris belastingvrij uitbetaald en verrekend met een of meerdere van de in hoofdstuk 4a:3 genoemde bronnen. Artikel4a:3:5:2Gebruik privé-vervoermiddel bij reizen naar het werk Aan de werknemer die een privé-vervoermiddel gebruikt voor reizen naar het werk kan een onbelaste vergoeding worden verstrekt onder inlevering van een of meerdere bronnen zoals genoemd in hoofdstuk 4a:
  4. Artikel4a:3:6:1Bedrijfsfitness: sporten na kantoortijd 1.De werkgever stelt elke werknemer in de gelegenheid na de voor hem gebruikelijke werktijden gebruik te maken van bedrijfsfitness. 2.Bij deelname aan bedrijfsfitness wordt geen werktijdcompensatie toegekend. Artikel4a:3:6:2Bedrijfsfitness: opzet 1.De werkgever vraagt de deelnemer een bijdrage van 100% van de aan bedrijfsfitness verbonden kosten. 2.De bijdrage kan de deelnemer financieren door inlevering van een of meerdere bron(nen) zoals genoemd in hoofdstuk 4a.
  5. Artikel4a:3:7:1Stoelmassage tijdens werktijd 1.De werkgever stelt elke werknemer in de gelegenheid tijdens de voor hem gebruikelijke werktijden gebruik te maken van de mogelijkheid tot stoelmassage. 2.Van deze faciliteit kan enkel gebruik worden gemaakt onder kantoortijd, i.c. van 08.30 – 17.00 uur. 3.Indien wordt voldaan aan het in lid 1 en 2 gestelde wordt elke deelnemer wekelijks maximaal 20 minuten werktijdcompensatie toegekend. Artikel4a:3:7:2Stoelmassage: opzet 1.De werkgever vraagt de deelnemer een bijdrage van 100% van de aan de stoelmassage verbonden kosten. 2.De bijdrage kan de deelnemer financieren door inlevering van een of meerdere bron(nen) zoals genoemd in hoofdstuk 4a.
  6. Hierbij wel uitgaand van de eigen netto uurloonwaarde van elke bron. Artikel4a:3:8:1Vakbondslid vergoeding lidmaatschapskosten Een vakbondslid kan via deze regeling een tegemoetkoming ontvangen voor de jaarlijkse vakbondscontributie. Artikel4a:3:8:2Vakbondstientje 1.Ieder vakbondslid ontvangt van de werkgever jaarlijks een belastingvrije vergoeding van € 54,45 (zgn. vakbondstientje). 2.Bij tussentijds ontslag of indiensttreding wordt het bedrag vermenigvuldigd met de duur van het dienstverband in hele maanden, gedeeld door
  7. Artikel4a:3:8:3Vakbondscontributie: bedrag vergoeding 1.De tegemoetkoming die de deelnemer kan krijgen is gelijk aan de vakbondscontributie. 2.Het bedrag dat moet worden verrekend met een of meerdere van de in hoofdstuk 4a:3 genoemde bronnen, is het bedrag dat resteert na de berekening: bedrag vakbondscontributie minus bedrag vakbondstientje. Artikel4a:3:9:1Studiekosten: opzet 1.Deze regeling is bedoeld voor alle werknemers om de eigen financiële bijdrage verbonden aan een studie te financieren. 2.De werkgever betaalt de door de deelnemer te betalen studiekosten. 3.De deelnemer betaalt het bedrag van de studiekosten aan de werkgever door inlevering van een of meerdere bron(nen) zoals genoemd in hoofdstuk 4a:
  8. Artikel4a:3:9:2Aansprakelijkheid De werkgever is op geen enkele wijze aansprakelijk voor overige problemen die kunnen ontstaan bij een door de deelnemer gestarte opleiding. 5 Seniorenmaatregelen Artikel5:156-jarenregeling 1.De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 56 jaar en ouder, die een ononderbroken diensttijd heeft van ten minste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt; en geen betrekking vervult waarvan voor de vervulling een leeftijdsgrens is bepaald wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, op zijn verzoek met een vijfde deel teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur onder doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Er dient minimaal een arbeidsduur van 7,2 uur per week te resteren. 2.Onder diensttijd als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 2, tweede lid, onder de punten a tot en met c, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering. 3.Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de met een vijfde teruggebrachte seniorenarbeidsduur. Artikel5:2Pré-vut 1.De werknemer in de zin van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering heeft recht op een uitkering krachtens het bepaalde in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van dat reglement, met ingang van de dag waarop hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De uitkering wordt betaald met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop het recht op de uitkering ontstaat. De pré-vut-uitkering wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de werknemer de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt. Voor de duur van de periode van de pré-vut blijven de bepalingen van het reglement vrijwillig vervroegde uittreding van kracht zoals die regeling laatstelijk luidde voor 1 april
  9. 2.De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 75% van het inkomen zoals omschreven in artikel 1, onderdeel v, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, met dien verstande dat het uitkeringspercentage voor de ambtenaar, die wordt bezoldigd volgens de salarisschalen 1 en 2, 80% van evenbedoeld inkomen bedraagt. 3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de ambtenaar wiens verzoek, bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, is ingewilligd. Artikel5:360-jarigenregeling 1.Met inachtneming van het gestelde in het tweede lid, wordt de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 60 jaar en ouder, die: een aanstelling heeft van tenminste 14,4 uur per week, en; een ononderbroken diensttijd heeft van tenminste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt; op verzoek van de ambtenaar dan wel op verzoek van het college, met de helft teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur en onder doorbetaling van 95% van de bezoldiging. De bezoldiging wordt voor 95% doorbetaald tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt; van de ambtenaar die bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar geen gebruikmaakt van de FPU-regeling om uit te treden, wordt, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, de bezoldiging voor 50% doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden tot een maximum van 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, blijft de omvang van de verminderde seniorenarbeidsduur gehandhaafd op 50%. De bezoldiging wordt voor 50% van de bezoldiging zoals die voor hem gold voordat hij gebruik ging maken van de FPU, doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden voor meer dan 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, worden de formele arbeidsduur, de seniorenarbeidsduur en de bezoldiging zoals die voor hem golden voordat hij gebruik ging maken van de FPU, met eenzelfde percentage aangepast. Het verzoek van de ambtenaar kan slechts worden geweigerd indien naar het oordeel van het college sprake is van een organisatorisch belang. De ambtenaar heeft te allen tijde het recht op grond van hem moverende redenen het verzoek van het college te weigeren. 2.a. Ten aanzien van de ambtenaar waarvan de seniorenarbeidsduur reeds met een vijfde is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%. De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar, die reeds met een vijfde deel is teruggebracht op grond van het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, wordt tot de helft teruggebracht, uitgaande van de omvang van de aanstelling, zoals die gold op de dag voorafgaand aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ingevolge artikel 5:1; Ten aanzien van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur voor 1 april 1996 is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, geldt dat deze ambtenaar tot 1 mei 1996 kan verzoeken om in aanmerking te komen voor de 60-jarigenregeling. Indien het verzoek tot vermindering van de seniorenarbeidsduur is ingewilligd, wordt de doorbetaling van de bezoldiging met ingang van 1 mei 1996 teruggebracht tot 90%. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%. 3.Onder diensttijd als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 5:1, tweede lid. 4.Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de met de helft teruggebrachte seniorenarbeidsduur per week. 5.Wanneer de betrokkene inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur met de helft is teruggebracht dan wel schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, worden die inkomsten in mindering gebracht op de door te betalen bezoldiging over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben met dien verstande dat het percentage van de door te betalen bezoldiging na vermindering nooit minder bedraagt dan
  10. Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt niet begrepen een uitkering op grond van de FPU-regeling. 6.Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurend vakantie, verlof of non-activiteit onmiddellijk voor afgaande aan de vermindering van de seniorenarbeidsduur. 7.Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het vijfde lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen voor evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het vijfde lid van overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de vermindering van de werktijd. 8.De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur is verminderd of schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, terstond mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig op voor het verschijnen van de eerstvolgende bezoldigingstermijn. 9.Indien de in het vijfde tot en met zevende lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij voor het verschijnen van elke bezoldigingstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn. 10.Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave als bedoeld in het achtste lid worden afgeweken. 11.Het in het zevende en achtste lid bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in het vijfde en zesde lid. 12.Door het aanvaarden van de vermindering van de seniorenarbeidsduur wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijke inlichtingen geven. 13.Indien de betrokkene één of meerdere verplichtingen als bedoeld in het zevende en achtste lid niet nakomt, kan het college de doorbetaling van de bezoldiging tijdelijk of definitief op een lager percentage stellen, met dien verstande dat het aldus vastgestelde percentage nooit minder dan 50 kan bedragen. 14.Het verzoek voor het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur moet minimaal drie maanden voor aanvang van de vermindering worden ingediend. Artikel5:4Ingangsdatum seniorenmaatregelen Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid de seniorenarbeidsduur te verminderen ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, of 5:3, eerste of tweede lid, heeft de ambtenaar vanaf de dag dat de leeftijd is bereikt, zoals vermeld in de voorgaande artikelen, aanspraak op vermindering van de seniorenarbeidsduur. Op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop tenminste de vereiste leeftijdwordt bereikt, wordt de seniorenarbeidsduur teruggebracht en wordt de bezoldiging gedeeltelijk uitbetaald, op grond van het bepaalde in artikel 5:1 en 5:
  11. Artikel5:5Overgangsbepaling De ambtenaar waarvan het verzoek als bedoeld in artikel 5:1 is gehonoreerd en waarvan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ligt voor 1 april 1996, behoudt voor de duur van de periode van deze vermindering van seniorenarbeidsduur, de volledig voor hem geldende bezoldiging, behoudens ingeval artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is. Artikel5:6Slotbepalingen 1.Een ambtenaar die gebruik maakt of heeft gemaakt van de regeling zoals opgenomen in hoofdstuk 5a, kan niet deelnemen aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. 2.Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. 5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen Artikel5a:1Recht op uitkering De ambtenaar die: ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld, heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever. Artikel5a:2Berekeningsgrondslag 1.In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat. 2.Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever. Artikel5a:3Hoogte van de Aanvulling werkgever 1.De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt: Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005 Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd 56 6,9 57 8,0 58 9,4 59 11,3 60 14 61 of ouder 16 2.De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd. 3.a. De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt. Artikel5a:4Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten 1.Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. 2.Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid. 3.a. de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt. Artikel5a:4aAftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten 1.Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. 2.Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. 3.De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 60 jaar na 1 april 1947: 61 jaar Artikel5a:4bAftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten 1.Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van: de FPU-uitkering; de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11; de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11; de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking. 2.De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag. 3.De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:
  12. 4.Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement. 5.Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering. Artikel5a:5Einde van het recht op een Aanvulling werkgever Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling. Artikel5a:6Pensioenopbouw De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:
  13. Artikel5a:7Lokaal beleid Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet. Artikel5a:7:1:1Faciliteiten 1.Als het dienstbelang het wenselijk maakt dat een ambtenaar op een later moment deelneemt aan de FPU Gemeenten dan de ambtenaar zélf als wens heeft geuit, kan de ambtenaar in aanmerking komen voor: extra verlof; een ruimere toekenning van studiefaciliteiten dan op grond van hoofdstuk 17 C.A.R. en A.R.L. mogelijk is; een financiële tegemoetkoming; een aanpassing van de betrekking; een stimulans anderszins. 2.Als het dienstbelang het wenselijk maakt dat een ambtenaar op een vroeger moment deelneemt aan de FPU Gemeenten dan de ambtenaar zélf als wens heeft geuit, kan de ambtenaar in aanmerking komen voor een financiële

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.