← Nederland

Omgevingsverordening Overijssel 2009 (Overijssel)

Kort samengevat

Deze wet, de Omgevingsverordening Overijssel 2009, is een verzameling van regels die de provincie Overijssel gebruikt om de fysieke leefomgeving te beheren en te ontwikkelen, met als doel een vitale samenleving in een mooi en vitaal landschap te creëren. Het is een instrument om de ambities uit de Omgevingsvisie Overijssel juridisch te borgen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Algemene toelichting 0.1 Ambitie en sturingsfilosofie van de provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft als ambitie om samen met partners een vitale samenleving tot ontplooiing te laten komen in een mooi en vitaal landschap. Een samenleving waarin alle Overijsselaars zich thuis voelen en participeren. Met bloeiende steden en dorpen als motoren voor cultuur en werkgelegenheid, ingebed in een landschap, waarin wonen, natuur, landbouw en water elkaar versterken..­ Deze ambitie is nader uitgewerkt in de Omgevingsvisie Overijssel. Hierin is de provinciale visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Overijssel weergegeven. De bestuursfilosofie daarbij is dat de provincie ernaar streeft om maatschappelijke resultaten te boeken waar inwoners van Overijssel belang aan hechten. Daartoe: Pakken we complexe maatschappelijke uitdagingen integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners in vitale coalities aan; Bieden we bestuurlijke partners op het meest geëigende schaalniveau ruimte om op eigen gezag te handelen; Beperken we bestuurlijke en ambtelijke drukte door eenvoudige en heldere regels. Bewoners van Overijssel hebben aangegeven dat zij het stimuleren van de werkgelegenheid belangrijk vinden en gehecht zijn aan het Overijssels landschap en de natuur zoals deze nu is. De provincie heeft in de Omgevingsvisie de uitdaging opgepakt om een ontwikkelingsvisie te geven voor Overijssel, daarvoor ambities te formuleren en hierbij het instrumentarium te kiezen waarmee aan de ene kant ruimte wordt geboden aan sociaaleconomische ontwikkeling en tegelijkertijd de kwaliteit van het Overijssels landschap wordt versterkt. Een instrumentarium waarmee de provincie haar ambities realiseert en waarmee tegelijk partners ruimte hebben hun doelen te realiseren. In de Omgevingsvisie zijn de onderwerpen benoemd die de provincie tot haar belang rekent. In figuur 1 in paragraaf 2.2.

  1. van de Omgevingsvisie zijn de provinciale ambities op hoofdlijnen samengevat. Een belangrijke wijziging ten opzichte van het huidige beleid is dat de provincie integraal en meer expliciet wil sturen op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. In de Omgevingsvisie is per thema nader uitgewerkt wat de provinciale ambities zijn en welke instrumenten daarvoor zullen worden ingezet. 0.1.1 Verordening in palet aan instrumenten De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van drie criteria: Functioneren vitale coalitie en positie burger: met welk instrument kan een vitale coalitie zo goed mogelijk gevormd worden en is het in belang van de rechtsstaat? Effectiviteit: met welk instrument kan het doel het best worden bereikt? Doelmatigheid: welk instrument voorkomt onevenredige administratieve lasten en/of bestuurlijke drukte? De instrumenten waaruit we kunnen kiezen, volgen uit de drie ‘productielijnen’ voor de provincie, zoals deze in onze visie op het middenbestuur, ‘de vitale coalitie van de provincie Overijssel’ zijn beschreven: Visie (zie 3.3.
  2. van de Omgevingsvisie) o Omgevingsvisie zelf o Kennis verwerven en delen Waarborg (zie 3.3.
  3. van de Omgevingsvisie) o Verordening (inclusief toezicht en handhaving en bijbehorende instrumenten als zienswijze, bezwaar en aanwijzing) Realisatie (zie 3.3.
  4. van de Omgevingsvisie) o (Prestatie-)afspraken o Gebiedsontwikkelings- en uitvoeringsprojecten (inclusief bijv. inpassingsplan en projectbesluit) o Subsidies en fondsen Op basis van bovenstaande criteria en productielijnen is in de Omgevingsvisie bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. De realisatieschema’s zijn het vertrekpunt geweest voor het opstellen van de verordening, waarbij de tekst van de Omgevingsvisie leidend is voor de inhoud en de vorm van de regels in de verordening. De verordening is dus één van de instrumenten die provincie inzet. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. 0.1.2 Inzet van de verordening In het kader van de Omgevingsvisie is bepaald voor welke onderwerpen de verordening wordt ingezet. Voor de wijze van regelen zijn de volgende aspecten als uitgangspunt gehanteerd (zie ook paragraaf 3.
  5. van de Omgevingsvisie): Vitale coalities: realisatie door partnerschap Effectief bestuur: decentralisatie en ruimte voor partners Doelmatig bestuur: deregulering en helderheid Dit betekent bijvoorbeeld dat we niet meer regelen dat strikt noodzakelijk, dat dubbelingen met andere regelgeving is vermeden en voorschriften zoveel mogelijk partners als gemeenten, waterschappen, bedrijven en particulieren in positie brengen om verantwoordelijkheid te nemen. Verder wordt er niet meer geregeld wordt dan nodig is voor het belang zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord. Gemeenten krijgen zoveel mogelijk ruimte om daaraan een nadere invulling te geven. Wat elders geregeld wordt (in de komende AMvB Ruimte van het Rijk, in sectorale wet- en regelgeving of op andere plekken in de verordening zelf), wordt niet nog eens dubbel geregeld in deze verordening om extra regeldruk te voorkomen. Voor de onderdelen die worden ‘overgenomen’ uit de verordening voor de Fysieke Leefomgeving (VFLO) geldt dat kritisch is nagegaan of een verdergaande deregulering mogelijk is. Daarbij wordt aangetekend dat bij de totstandkoming van de VFLO al een vergaande dereguleringsslag is gemaakt. In deze ronde zijn met name uitvoeringsbesluiten geschrapt die dubbelingen opleverden ten opzichte van de verordening zelf. Verder zijn procedurevoorschriften waar mogelijk vervangen door voorgeschreven formulieren. Het uitgangspunt ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’ is ook toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in deze verordening. Waar mogelijk zijn afwijkingsmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Ook is zoveel mogelijk gekozen voor positief geformuleerde voorwaarden. In enkele gevallen was het niet goed mogelijk om een bepaling te formuleren als een ‘ja, mits-constructie’ en is een bepaling voor de benodigde juridische helderheid toch geformuleerd als een ‘nee, tenzij-constructie’. Om te voorkomen dat procedures nodeloos ingewikkeld worden, is afgezien van de mogelijkheid om in het onderdeel dat zich richt op gemeentelijke ruimtelijke plannen (hoofdstuk 2) rechtstreekswerkende bepalingen op te nemen. Artikel 4.
  6. lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening biedt die mogelijkheid in de vorm van regels die moeten voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening in werking is getreden die is aangepast op de inhoud van deze verordening. Er is dus geen sprake van rechtstreekswerkende bepalingen in dit hoofdstuk waaraan bouwaanvragen getoetst zouden moeten worden zolang bestemmingsplannen niet zijn aangepast. 0.1.3 Status van de Omgevingsverordening De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gegeven op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, water en bodem. De Omgevingsverordening Overijssel 2009 heeft de status van: Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.
  7. Wet ruimtelijke ordening Milieuverordening in de zin van artikel 1.
  8. Wet milieubeheer Waterverordening in de zin van de Waterwet Verkeersverordening in de zin van artikel
  9. van de Wegenwet en artikel 2A. van de Wegenverkeerswet. Rechtsbescherming De Omgevingsverordening Overijssel 2009 bevat algemene regels. Tegen het besluit tot vaststelling van algemene regels staan geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden open. Wel kunnen belanghebbenden in procedures tegen bijvoorbeeld bestemmingsplannen, de onverbindendheid van de Omgevingsverordening inroepen. De Omgevingsverordening voorziet in de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen. In hoofdstuk 7 is bepaald aan welke (algemene) voorwaarden een verzoek om ontheffing moet voldoen. Wanneer een ontheffing is verleend of geweigerd, kan hiertegen door belanghebbenden bezwaar en beroep worden ingesteld. De procedure daarvoor is geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht en in andere specifieke wetgeving die aan de Omgevingsverordening ten grondslag ligt. Overigens worden inwoners van Overijssel betrokken volgens de openbare voorbereidingsprocedure bij de wijziging van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 0.1.4 Opbouw naar doelgroepen Hoewel het logisch lijkt om de Omgevingsverordening te rubriceren op thema’s is een dergelijke indeling niet handig gelet op het feit dat de ruimtelijke verordening, de waterverordening en de milieuverordening zich tot verschillende doelgroepen richten. Voor het thema water bijvoorbeeld geldt dat naast de (deels verplichte) regelingen in de waterverordening en de milieuverordening, er aanvullend ook via de ruimtelijke verordening bescherming van bepaalde belangen geregeld worden (o.a. primaire watergebieden, grondwaterbeschermingsgebieden). De ruimtelijke verordening is gericht op gemeenten, de waterverordening is met name gericht op waterschappen en de milieuverordening richt zich op burgers, bedrijven en instellingen. Het is ongewenst dat gemeenten of waterschappen de hele verordening door moeten lopen om voorschriften te vinden die zij bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel een waterplan in acht moeten nemen. Het risico is te groot dat daarbij een bepaling over het hoofd wordt gezien. Dit leidt ertoe dat - hoewel de benaming Omgevingsverordening weliswaar doet vermoeden dat er een integrale regeling wordt geboden voor de diverse onderwerpen waarvoor de provincie normstellend wil optreden - de Omgevingsverordening feitelijk een kaft vormt met daarbinnen 5 verschillende ‘verordeningen’ gericht op verschillende doelgroepen, die onderling zijn afgestemd om dubbelingen te voorkomen. Het gaat dan om de ruimtelijke verordening (hoofdstuk 2), de milieuverordening (hoofdstuk 3), de waterverordening (hoofdstuk 4) en de verkeersverordening (hoofdstuk 5). De overige hoofdstukken bevatten algemene bepalingen. 0.1.5 Hoofdstukindeling De opbouw naar doelgroepen levert de volgende hoofdstukindeling op: De regeling van de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving die opgenomen was in de provinciale Verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel (VFLO) wordt gewijzigd en vereenvoudigd ondergebracht in hoofdstuk
  10. Met de regeling wordt voldaan aan de eis in artikel 9.
  11. Wro. In dit hoofdstuk staan verder enkele bepalingen die op het totaal van de Omgevingsverordening van toepassing zijn. Hier wordt nog eens expliciet vermeld dat hoofdstuk 2 (de ruimtelijke verordening) geen direct werkende bepalingen bevat. Verder wordt ter voorkoming van misverstanden duidelijk gemaakt dat de instructies in hoofdstuk 2 niet alleen gelden voor bestemmingsplannen, maar ook voor beheerverordeningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 2 is de ruimtelijke verordening te vinden die zich richt tot gemeenteraden en instructies bevat over de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wro biedt in artikel 4.
  12. In hoofdstuk 3 is de ‘milieuverordening’ te vinden die zich richt op burgers, bedrijven en instellingen. Met dit onderdeel wordt invulling gegeven aan verplichtingen op grond van de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet. Hoewel het betreffende onderdeel als ‘milieuverordening’ te boek staat, betreft het de onderwerpen grondwaterbescherming en grondwateronttrekking, bodemsanering en ontgrondingen, dus onderwerpen op het terrein van water en bodem. Deze onderwerpen zijn tot dusver geregeld in de Provinciale Verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel (VFLO). Voor het onderdeel grondwateronttrekking is geconstateerd dat deze regeling zal vervallen op het moment dat de Waterwet in werking treedt (eind dit jaar). Vanaf dat moment voorziet de waterverordening (hoofdstuk 4) in een regeling voor grondwateronttrekking (titel 4.6). Daarom is er voor gekozen om de huidige regeling voor grondwateronttrekking niet (tijdelijk) over te nemen in hoofdstuk 3 van de verordening, maar voor dit onderdeel vooralsnog de huidige VFLO te handhaven. In hoofdstuk 4 is de waterverordening opgenomen. Met dit onderdeel wordt voldaan aan de verplichting van de komende Waterwet. Hoofdstuk 4 is gebaseerd op de IPO-modelverordening en richt zich met name tot waterschappen. Het bijzondere van dit hoofdstuk is dat er sprake is van een uitgestelde inwerkingtreding (in verband de komende Waterwet) en van verschillende varianten (met het oog op provinciegrensoverschrijdende waterschappen die volgens landelijk afspraak met 1 verordening te maken krijgen). In hoofdstuk 5 is het onderdeel van de huidige VFLO is (vrijwel ongewijzigd) opgenomen dat betrekking heeft op de aansluiting op en het gebruik van provinciale (vaar)wegen en is gericht op weggebruikers en ‘aanwonenden’. De overige hoofdstukken bevatten procedurele en inwerkingtredingsbepalingen. Hoofdstuk 6 gaat over toezichthouders en strafbepalingen. Hoofdstuk 7 regelt de procedure voor het aanvragen van ontheffingen. Om misverstanden te voorkomen wordt hier nog eens expliciet verklaard dat dit hoofdstuk geen algemene ontheffingsmogelijkheid bevat. Ook regelt dit hoofdstuk niet de rechtsbescherming voor derden. Er bestaat de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen het verlenen of weigeren van een ontheffing, maar de procedure daarvan is al geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In hoofdstuk 8 wordt ook de inwerkingtreding geregeld. Afgezien van de uitgestelde inwerkingtreding voor hoofdstuk 4, is als datum van inwerkingtreding 1 september 2009 opgenomen. Bij de verordening zijn enkele bijlagen gevoegd, die informatie bevatten waarnaar in de voorschriften wordt verwezen, maar die zich er niet voor lenen in die voorschriften zelf op te nemen. 0.2 Ruimtelijke verordening 0.2.1 Wro: scheiding beleid en normstelling Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Deze wet vervangt de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) die dateerde van 1965 en als verouderd gold. De nieuwe wet biedt het wettelijke kader en de wettelijke instrumenten voor het (uit)voeren van ruimtelijk beleid. De nieuwe wet heeft daarmee net zoals de WRO, een instrumenteel karakter en doet geen beleidsinhoudelijke uitspraken over wat een goede ruimtelijke ordening is. Ten opzichte van de oude WRO is met name voor de provincie veel veranderd. De provincie is niet langer aangewezen als instantie die (breed) toezicht moet houden op gemeenten maar zal zich onder de nWro moeten beperken tot de behartiging van provinciale ruimtelijke belangen. Daar staat tegenover dat de provincie evenals het Rijk zelfstandige instrumenten krijgt om die belangen te realiseren. De provincie krijgt met ingang van 1 juli 2008 dus niet alleen een andere rol, maar krijgt ook nieuwe instrumenten in handen die binnen de kaders die de nWro aangeeft kunnen worden ingezet. De Wro gaat uit van een scheiding van beleid en normstelling. De hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijke beleid moet in één of meerdere structuurvisies worden vastgelegd en voorzien worden van een uitvoeringsparagraaf. Op basis van het overgangsrecht heeft het geldende streekplan de status van structuurvisie gekregen. Voor structuurvisies geldt dat zij bijna geheel vorm- en procedurevrij zijn en alleen de overheidslaag zelf binden. Om de doorwerking van het provinciale beleid veilig te stellen door middel van normering, zal de provincie het juridische instrumentarium moeten in zetten dat in de Wro hiervoor beschikbaar wordt gesteld. 0.2.2 Instrumenten onder de Wro De Wro biedt de provincie de diverse nieuwe instrumenten: In de eerste plaats biedt de Wro de provincie instrumenten om de uitvoering van het beleid zelf ter hand te nemen. Het gaat dan om de volgende instrumenten: het provinciale bestemmingsplan dat in de Wro ‘inpassingsplan’ wordt genoemd, het provinciale projectbesluit waarbij ontheffing van het geldende bestemmingsplan wordt verleend ten behoeve van een bouwplan, de coördinatieregeling die het mogelijk maakt om vergunningen parallel te schakelen en het instrumentarium van het grondbeleid (voorkeursrecht, onteigening en grondexploitatiebevoegdheden). De provincie beschikt op grond van de Wro over de volgende instrumenten voor de beleidsdoorwerking vooraf: de provinciale ruimtelijke verordening en de proactieve aanwijzing. De ruimtelijke verordening is een instructie van Provinciale Staten (PS) gericht aan gemeenteraden om de inhoud van en de toelichting op gemeentelijke bestemmingsplannen binnen een jaar in overeenstemming te brengen met de inhoud van de verordening. PS kunnen bij het vaststellen van de verordening gevallen aanwijzen waarvoor een andere termijn geldt. De proactieve aanwijzing is een instructie aan één of enkele gemeenten om een gemeentelijk bestemmingsplan met een bepaalde inhoud vast te stellen. Niet juridische instrumenten voor de doorwerking vooraf zijn beleidsregels, bestuursafspraken (prestatieafspraken) en het vooroverleg over gemeentelijke ruimtelijke plannen. Voor de beleidsdoorwerking achteraf kunnen de volgende juridische instrumenten worden ingezet: zienswijzen op ontwerpbestemmingsplannen beroep tegen vastgestelde bestemmingsplannen en de reactieve aanwijzing waarmee een (deel van) een bestemmingsplan wegens strijd met het provinciaal belang buitenwerking kan worden gesteld. Reactieveaanwijzing Bij de behandeling van de Invoeringswet Wro in de Eerste Kamer is door de minister gesteld dat het instrument van reactieve aanwijzing alleen kan worden ingezet op onderwerpen waarvoor vooraf kaders zijn gesteld in de provinciale ruimtelijke verordening. Er is alleen uitzondering op deze regel mogelijk voor onderwerpen die niet goed geregeld kunnen worden in de verordening of alleen op een wijze die onevenredig veel bestuurslasten met zich mee zou brengen. Deze stelling name betekent dat er in de praktijk een zwaarder accent komt te liggen bij de provinciale verordening om de doorwerking van het provinciale beleid veilig te stellen. 0.2.3 Sturen en samenwerken onder de nieuwe Wro In het Lentedocument – Sturen en samenwerken onder de nieuwe Wro

(2008)is de provinciale sturingsfilosofie op basis van de Wro weergegeven. Voor de provincie Overijssel is uitgangspunt dat gemeenten primair de instantie zijn die in bestemmingsplannen de gewenste goede ruimtelijke ordening juridisch vastleggen. Daarbij gaat de provincie er vanuit dat de gemeenten rekening zullen houden met het provinciale belang. Door middel van voorkantsturing zal de provincie tijdig helder maken op welke wijze volgens haar rekening moet worden gehouden met dat provinciale belang. Als overleg niet leidt tot het veiligstellen van het provinciaal belang, zal de provincie haar juridisch instrumentarium inzetten. Daarbij is op voorhand geen enkel instrument uitgesloten. Dit betekent dat de provincie zienswijzen zal indienen bij de gemeenteraad en beroep op de Afdeling Bestuursrechtsopraak zal instellen tegen gemeentelijke (ontwerp)plannen die in strijd zijn met het provinciaal belang, maar zo nodig een reactieve aanwijzing zal geven waarmee het betreffende bestemmingsplan buiten werking wordt gesteld. De provincie zal waar nodig door middel van de provinciale ruimtelijke verordening instructies geven aan gemeenteraden om bestemmingsplannen aan te passen aan de inhoud van de verordening. De provincie zal alleen overgaan tot het vaststellen van inpassingsplannen (= provinciale bestemmingsplannen) als een gemeente niet bereid is of (tijdig) in staat blijkt een bestemmingsplan vast te stellen hoewel het provinciaal belang daarom vraagt. De provincie zet als volgt in op het realiseren van provinciaal belang: Accent op samenwerking, overleg en voorkantsturing Realisatie door (voor-)overleg en (prestatie-)afspraken Bij strijdigheid: zienswijze geven, eventueel gevolgd door reactieve aanwijzing/beroep. De verordening wordt ingezet als dit selectief en doelmatig is, van belang voor de positie van de burger, als het Rijk dit eist of ter verkoming van extra regels in een Algemene Maatregel van Bestuur. Overige instrumenten zoals het inpassingsplan, het projectbesluit en de proactieve aanwijzing zet de provincie selectief in. De verordening is dus één van de instrumenten ter realisatie van beleidsambities van provinciaal belang. In de Omgevingsvisie Overijssel wordt de inzet van dit instrument bepaald, maar ook van de andere instrumenten zoals (prestatie-)afspraken, gebiedsontwikkeling/uitvoeringsprojecten, subsidies en fondsen en kennis verwerven en delen. 0.2.4 Principebesluit tot inzet van de ruimtelijke verordening De Wro introduceert dus een nieuw sturingsinstrument voor de provincie, te weten de provinciale ruimtelijke verordening. Met een dergelijke verordening kan het provinciaal bestuur regels stellen die gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen in acht moeten nemen. De verordening komt samen met andere instrumenten in plaats van het recht op goedkeuring van bestemmingsplannen dat de provincie onder de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening had. Een groot verschil tussen het nieuwe en het oude systeem is, dat de regels in de provinciale verordening vooraf worden gesteld, terwijl de goedkeuring van bestemmingsplannen achteraf plaatsvond, nadat de gemeenten de bestemmingsplannen hadden vastgesteld. In de Startnotitie Omgevingsvisie Overijssel van 21 augustus 2007 hebben GS besloten tot de voorbereiding van één integrale omgevingsvisie waarin richting wordt gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling in Overijssel en tegelijk ruimte wordt geboden aan gemeenten voor lokale keuzes. In de Startnotitie is een nieuwe sturingsfilosofie op basis van de nieuwe Wro aangekondigd en dat de provincie gaat sturen op ruimtelijke kwaliteit. In de Startnotitie is geconcludeerd dat de doorwerking van het provinciale beleid onder de Wro bereikt wordt door de inzet van de nieuwe instrumenten die de provincie onder deze wet ter beschikking staan. In de Startnotitie is vanuit het uitgangspunt van deregulering en ontbureaucratisering ervoor gekozen om de bestaande beleidsregels bijeen te brengen in één Omgevingsverordening. 0.2.5 AMvB Ruimte In de AMvB Ruimte, waarvan de eerste tranche naar verwachting in werking treedt in 2010, stelt het Rijk de doorwerking van nationale belangen veilig in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Rijk doet dit voor een deel door rechtstreeks regels te stellen aan de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen. Voor een deel worden deze regels getrapt gegeven, namelijk via een opdracht aan Provinciale Staten om een nadere uitwerking van deze regels te geven in de provinciale verordening. Deze getrapte regeling stelt de provincie in staat om vanuit provinciaal belang een inkleuring te geven aan de nationale belangen die in het Rijksbeleid ‘indirect’ zijn geformuleerd. Hiermee wordt bedoeld dat het Rijksbeleid een algemeen beleidskader en doel vaststelt, maar dat een nadere uitwerking en detaillering door de provincies wordt verlangd. De eerste tranche van de AMvB Ruimte die naar verwachting medio 2010 in werking zal treden bevat de volgende onderwerpen die voor Overijssel relevant zijn: Bundeling van verstedelijking en economische activiteiten t.b.v. optimale benutting bestaand bebouwd gebied Regime van beleidslijn grote rivieren voor buitendijks gebied en reservering voor lange termijn locaties voor ruimte voor de rivier Vrijwaringszone t.b.v. de mogelijke versterking van de primaire waterkering rond het IJsselmeergebied en een planologisch regime voor buitendijkse ontwikkelingen Planologische borging van ruimtelijke aanspraken t.b.v. regionale watersystemen Ecologische hoofdstructuur Nationale Landschappen Planologisch kader recreatiewoningen en vastleggen basisrecreatietoervaartnet Voor deze onderwerpen geldt dat de verplichting om deze onderwerpen te regelen in de verordening pas formeel gaat gelden op het moment dat AMvB Ruimte van kracht wordt. De inhoud van de AMvB is nog in discussie met IPO en VNG. In deze Omgevingsverordening wordt voorzichtig voorgesorteerd op de inhoud van de concept-AMvB. Uitgangspunt daarbij is dat alvast geregeld wordt wat op basis van de Ontwerp Omgevingsvisie gerekend wordt tot het provinciale belang en past bij het beoogde detailniveau van de regeling. In hoofdstuk 2 is een regeling opgenomen van voor de SER-ladder, programmering van woningbouw en bedrijventerreinen, een kader wordt geboden voor Rood-voor-Rood, Rood-voor-Groen, en VAB-beleid (via de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving), de EHS wordt geregeld volgens de huidige afspraken met het Rijk en de Nationale Landschappen worden beschermd. De mogelijkheden voor nieuwe recreatiewoningen zijn conform het provinciale beleid meer ingeperkt dan het Rijk gaat doen. Daar staat tegenover dat geen poging wordt gedaan om de zeer gedetailleerde regeling voor het basisrecreatietoervaartnet (BRTN) in de verordening een plek te geven, omdat het Rijk dat straks rechtsreeks laat vastleggen in bestemmingsplannen. Aan het lijstje kan het onderwerp GDV/PDV worden toegevoegd, omdat hierover recentelijk bestuurlijke afspraken zijn gemaakt tussen de provincies en de Minister van VROM. Door deze onderwerpen alvast op te pakken in deze tranche van de Omgevingsverordening wordt invulling gegeven aan de afspraken die gemaakt zijn in het kader van Mooi Nederland. Er bestaat een risico dat deze regeling weer aangepast moet worden als blijkt dat deze niet strookt met de precieze opdracht in de AMvB Ruimte. 0.3 Milieuverordening Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) is het opstellen van een milieuverordening verplicht. Deze milieuverordening omvat in ieder geval: Regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden (grondwaterbeschermingsgebieden) (artikel 1.
  1. Wm) Regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden (stiltegebieden) (artikel 1.
  2. Wm) Voor deze onderwerpen is op dit moment een regeling getroffen in de verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel (VFLO) zij het dat voor het onderdeel ‘stiltegebieden’ een leeg artikel geldt. Voor (potentiële) stiltegebieden geldt dat er vanuit wordt gegaan dat deze voldoende bescherming krijgen door ligging binnen de EHS. In de Omgevingsvisie is daarom nadrukkelijk afgezien van het aanwijzen van stiltegebieden. Het opnieuw opnemen van een leeg artikel over stiltegebieden in de Omgevingsverordening wordt niet zinvol geacht. Ten opzichte van de huidige VFLO is een dereguleringsslag geleverd, waarbij uitvoeringsbesluiten zijn geschrapt en procedurevoorschriften waar mogelijk vervangen zijn door voorgeschreven formulieren. Waar uitvoeringsvoorschriften niet gemist kunnen worden, zijn deze ondergebracht in een bijlage bij hoofdstuk
  3. Nieuw ten opzichte van de VFLO zijn de volgende onderdelen: De aanwijzing van de boringsvrije zone Salland Diep. Daarvoor zijn de volgende regels opgenomen: o Algemene voorschriften voor mechanische ingrepen (boringen e.d.) dieper dan 50 meter onder het maaiveld en o Een absoluut verbod op nieuwe bodemenergiesystemen dieper dan 50 meter (bestaande systemen mogen aanwezig blijven); Voor de boringsvrije zone Engelse Werk te Zwolle geldt nu een verbod op ingrepen en bodemenergiesystemen dieper dan 75 meter. Tot dusver gold een verbod tot ingrepen dieper dan 50 meter. De beschermende kleilaag ligt hier echter op een diepte van 75/80 meter. De gemeente Zwolle heeft gevraagd om verruiming van de regeling om bodemenergiesystemen mogelijk te kunnen maken tot 75/80 meter. Overigens wordt de boringsvrije zone Engelse Werk bijna geheel overlapt door de nieuwe boringsvrije zone Salland Diep. De regels voor bouwstoffen, grond en bagger zijn aangepast vanwege de inwerkingtreding van het nieuwe Besluit bodemkwaliteit. Daarbij is een onderzoeksplicht en een meldingsplicht opgenomen voor grootschalige toepassingen (meer dan 5000 m3) waarbij licht verontreinigde grond en bagger wordt gebruikt, bijv. bij verondieping van zandwinplassen. De regels die in de VFLO waren opgenomen voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen zijn geschrapt omdat landelijke regelgeving is aangescherpt. 0.4 Waterverordening Op grond van de Waterwet zijn de volgende onderdelen in de waterverordening verplicht: Regionale waterkeringen (1.
  4. en 2.
  5. Waterwet) Waterkwantiteit (2.
  6. Waterwet) Toedeling vaarwegbeheer (3.
  7. Waterwet) Regionale waterplannen (3.11., 4.
  8. en 4.
  9. Waterwet) Beheersplannen betreffende regionale wateren (3.10., 4.
  10. en 4.
  11. Waterwet) Peilbesluiten (5.
  12. Waterwet) Grondwateronttrekkingen (8.
  13. jo 6.
  14. Waterwet) Handhaving Ten opzichte van de huidige Waterhuishoudingsverordening zijn een beperkt aantal onderdelen nieuw. De huidige verordening richt zich vooral op procedurele aspecten. Verder zijn er nu nog allerlei regels vastgelegd in afzonderlijke GS-besluiten, die nu in de Waterverordening worden opgenomen. Hierbij moet aangetekend worden dat de Waterwet waarschijnlijk per 1 januari 2010 in werking treedt. Omdat de Waterverordening berust op deze wet, is een uitgestelde inwerkingtreding geregeld. Tot de inwerkingtreding van dit onderdeel van de Omgevingsverordening zullen die onderdelen van de huidige Provinciale Verordening voor de Fysieke Leefomgeving die op water betrekking hebben en die door de Waterverordening overgenomen worden, gehandhaafd worden. 0.4.1 Afstemming waterverordening In IPO-verband zijn afspraken gemaakt over de inhoudelijke afstemming van de waterverordeningen van provincies die te maken hebben met provinciegrensoverschrijdende waterschappen. Om te voorkomen dat een waterschap te maken krijgt met verschillende waterverordeningen, is afgesproken dat de provincie waarin het kleinste deel van het grondgebied van het waterschap valt de waterverordening ‘overneemt’ van de provincie waarin het grootste deel valt. Dit vergt niet alleen afstemming over de inhoud van de waterverordening met buurprovincies, maar ook een afstemming van het moment dat overgegaan wordt tot vaststelling/inwerkingtreding. Hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening richt zich op het regionale waterbeheer en de taakuitoefening van de waterschappen Groot-Salland, Regge en Dinkel, Velt en Vecht, Reest en Wieden. Voor de waterschappen Rijn en IJssel, Zuiderzeeland en Veluwe geldt dat zij een klein deel van hun werkgebied in Overijssel hebben liggen. Op grond van de afspraken in IPO-verband zal voor het waterschap Zuiderzeeland de waterverordening van Flevoland van toepassing worden verklaard. Voor de waterschappen Rijn en IJssel en Veluwe zullen de waterverordeningen die de provincie Gelderland voor elk waterschap afzonderlijk maakt van toepassing worden verklaard. Met de provincie Drenthe is de afspraak gemaakt dat voor Velt & Vecht en Reest & Wieden de waterverordening van de provincie Overijssel (hoofdstuk 4 van deze Omgevingsverordening) van toepassing zal zijn. Het is nog onduidelijk wanneer de Waterwet nu precies wordt vastgesteld en in werking treedt. Dit wordt opgelost door een uitgestelde inwerkingtreding van hoofdstuk
  15. Tot dan toe blijven onderdelen die gericht zijn op de waterhuishouding van de verordening op de Fysieke Leefomgeving van kracht. 0.5 Verkeer In hoofdstuk 5 is het onderdeel van de huidige VFLO ongewijzigd opgenomen dat betrekking heeft op de aansluiting op en het gebruik van provinciale (vaar)wegen en is gericht op weggebruikers en ‘aanwonenden’. 0.6 Toezicht en strafbepaling Dit hoofdstuk is nodig om de rol van de provincie als toezichthouder uit te kunnen oefenen door de aanwijzing van toezichthouders en de mogelijkheid van strafbaarstelling te regelen. Dergelijke bepalingen waren ook al opgenomen in de verordening voor de Fysieke Leefomgeving. 0.7 Ontheffingsbepalingen Op een aantal punten in de verordening is voorzien in ontheffingsmogelijkheden voor GS om te zorgen voor de nodige flexibiliteit. Benadrukt wordt dat de ontheffingen gekoppeld zijn aan de aard van het betreffende hoofdstuk. Dit betekent dat de ontheffing in hoofdstuk 2 een vrijstelling inhoud voor een gemeenteraad van de opdracht die in de verordening in algemene zin aan gemeenteraden wordt gegeven om hun bestemmingsplannen in overeenstemming te brengen met de inhoud van de verordening. De ontheffing in hoofdstuk 3 maken onder voorwaarden specifieke activiteiten mogelijk binnen gebieden waarvoor een algemeen geformuleerd verbod geldt (bijvoorbeeld activiteiten waardoor schadelijke stoffen in het grondwater terecht zouden kunnen komen). De ontheffingen in hoofdstuk 4 richten zich niet alleen op waterschappen, maar op een ieder die veranderingen wil aanbrengen aan bepaalde scheepvaartwegen en werken wil uitvoeren in de oevers van scheepvaartwegen. In hoofdstuk 7 zijn de procedurebepalingen ten aanzien van ontheffingsaanvragen opgenomen. 0.8 Overgangs- en slotbepalingen In hoofdstuk 8 van de Omgevingsverordening worden in het algemeen overgangsbepalingen geformuleerd, die voorkomen moeten worden dat geldende besluiten opnieuw ter discussie komen en dat aanvragers lopende een procedure geconfronteerd worden met nieuw recht. De bepalingen van de ruimtelijke verordening richten zich in hoofdzaak richten op nieuwe ontwikkelingen. Dit betekent dat de verordening pas op dat moment doorwerkt in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor de Ecologische Hoofdstructuur geldt een specifieke overgangsbepaling, waarbij de wettelijke termijn tot aanpassing van 1 jaar is verruimd. 0.8.1 Uitgestelde inwerkingtreding Hoofdstuk 4 van is gebaseerd op de model-watererordening van het IPO. Dit model is afgestemd op de Waterwet die naar verwachting eind 2009 in werking zal treden. Om te voorkomen dat bepalingen die opgenomen zijn op basis van de Waterwet inwerking treden voordat de wet zelf in werking treedt, is in hoofdstuk 9 geregeld dat hoofdstuk 4 pas op dat moment in werking treedt. In hoofdstuk 4 zijn onderwerpen geregeld die tot dusver in de Provinciale Verordening voor de Fysieke Leefomgeving waren geregeld. Deze verordening wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening ingetrokken. Om te voorkomen dat er op dit punt een gat valt, worden de onderdelen uit de Provinciale Verordening voor de Fysieke Leefomgeving die straks geregeld worden in hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening vooralsnog niet ingetrokken. Het gaat om hoofdstuk 4 paragraaf 1 (grondwateronttrekking) en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit, om hoofdstuk 6 artikel 6.
  16. (aanwijzing toezichthouders) en artikel 6.
  17. (strafbepalingen) en hoofdstuk 5 paragraaf 2 (scheepvaartwegen). 0.9 Wijze van publicatie De Verordening zal analoog worden vastgesteld, maar ook digitaal beschikbaar komen. Met name voor het sturen op ruimtelijke kwaliteit is een digitale en interactieve wijze van benaderen voor de praktijk handiger dan het hanteren van alle fysieke kaarten die onderdeel uitmaken van de verordening. Het systeem met kaartlagen maakt het mogelijk om verschillende gegevens eenvoudig te combineren en af te wegen. Aan de verordening zal een eigen set kaarten worden toegevoegd die met name voor het helder definiëren van het toepassingsbereik van bepalingen onmisbaar zijn. De kaarten zijn gemaakt op een schaal van 1:100.000 en zullen op papier na publicatie op provinciehuis en gemeentehuizen ter inzage liggen. Daarnaast zijn de kaarten online te raadplegen op de website http://www.omgevingsvisie.nl/. Hoofdstuk
  18. Algemeen Titel 1.
  19. Algemene begrippen Artikel 1.1.
  20. In deze verordening wordt verstaan onder: a. Omgevingsvisie Overijssel: provinciale integrale visie voor de fysieke leefomgeving zoals vastgesteld door Provinciale Staten Overijssel op 1 juli 2009; b. bestemmingsplan: plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening; c. beheersverordening: verordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening; d. projectbesluit: besluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 1.1.
  21. Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen, moeten deze instructies ook geacht worden gericht te zijn op projectbesluiten en beheersverordeningen. Artikel 1.1.
  22. Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van de inhoud van bestemmingsplannen, zijn deze instructies gericht aan de gemeenteraad en werken deze niet rechtstreeks door bij de afgifte van bouwvergunningen, aanlegvergunningen en ontheffingen. Titel 1.
  23. Adviescommissie 1[Toelichting: Ten opzichte van de ‘oude' regeling in de verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel (VFLO) is de regeling beperkt tot de instelling van de commissie en een globale omschrijving van de taken. Verder is de (gezamenlijke) benoeming van de onafhankelijke voorzitter door PS en GS geregeld. Deze benoeming wordt in de Verordening geregeld omdat dit een gezamenlijk besluit van GS en PS vergt. Voor de overige leden van de commissie is bepaald welke instanties een vertegenwoordiger in de commissie hebben. Deze instanties zijn vervolgens vrij om te bepalen wie zij afvaardigen. Alle overige instructie-achtige bepalingen uit het VFLO worden ondervangen door bevoegdheid van PS en GS gezamenlijk om nadere regels te geven over de taak en werkwijze van de commissie. Deze nadere regels kunnen ook het besluit inhouden om deelcommissies in te stellen voor bepaalde taken die aan de commissie zijn toebedeeld. Daarmee is ook ondervangen dat er op dit moment sprake is van een subcommissie die zich met name bezighoudt met onderwerpen op lokaal niveau. Deze commissie wordt vooralsnog gehandhaafd, ondermeer met het oog op bestemmingsplannen die nog goedkeuring van GS behoeven op grond het overgangsrecht van de Wro. De commissie heeft een brede samenstelling met het oog op de gewenste integrale advisering op hoofdlijnen van provinciaal beleid. Het beleid in de Omgevingsvisie zal immers steeds geactualiseerd moeten worden om adequaat te kunnen inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. De commissie krijgt vooralsnog geen adviserende taak bij de behandeling van aanvragen om ontheffing, omdat dit gericht is op uitvoering van beleid. ] Artikel 1.2.
  24. Instelling en taken Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving
  25. Er is een Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving (PCFL), hierna te noemen de commissie. 2a. De commissie vervult de advies- en overlegtaken inzake het provinciaal beleid zoals bepaald in artikel 8, lid 2 van de Wet op de waterhuishouding, artikel 2.41 van de Wet milieubeheer en artikel 9.1 van de Wet ruimtelijke ordening. 2b. Daarnaast adviseert de commissie aan Provinciale Staten en/of Gedeputeerde Staten over aangelegenheden betreffende de waterhuishouding, het milieubeheer, de ruimtelijke ordening, de volkshuisvesting en de stedelijke vernieuwing in Overijssel, indien en voor zover in enig wettelijk voorschrift een dergelijk advies wordt voorgeschreven dan wel daarom door Gedeputeerde Staten dan wel Provinciale Staten wordt gevraagd.
  26. Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten kunnen gezamenlijk nadere regels geven omtrent de taak en werkwijze van de commissie. Artikel 1.2.
  27. Samenstelling van de commissie De commissie bestaat uit de volgende leden: a. een onafhankelijke voorzitter; b. een vertegenwoordiger van het Ministerie van VROM, Directoraat Generaal Ruimte; c. de VROM-inspecteur Oost; d. een vertegenwoordiger van Rijkswaterstaat, directie Oost-Nederland; e. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, directie Oost; f. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Economische Zaken; g. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Defensie; h. een vertegenwoordiger van Het Oversticht, genootschap tot bevordering en instandhouding van het landelijk en stedelijk schoon in de provincie Overijssel; i. een vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschappen en Monumenten; j. twee vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse gemeenten, afdeling Overijssel, waarvan één lid uit de kring van de vijf grote gemeenten en één lid uit de kring van de overige gemeenten; k. een vertegenwoordiger van de gezamenlijke Overijsselse waterschappen (Overijssels Dijkgraven Overleg); l. een vertegenwoordiger van Vitens NV; m. een vertegenwoordiger van de LTO-Noord; n. een vertegenwoordiger van de samenwerkende Kamers van Koophandel in Overijssel; o. een vertegenwoordiger van de werkgevers- en werknemersorganisaties in Overijssel; p. een vertegenwoordiger van Natuur en Milieu Overijssel; q. een vertegenwoordiger van de besturen van de erkende particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties in Overijssel; r. een vertegenwoordiger van een organisatie die de zorg voor integrale veiligheid tot haar taak heeft; s. een vertegenwoordiger van de Recron; t. een vertegenwoordiger van de ANWB Oost; u. een vertegenwoordiger van het Overijssels Particulier Grondbezit; v. een vertegenwoordiger van de Universiteit Twente. Artikel 1.2.
  28. Benoeming en lidmaatschap van de commissie
  29. Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten bereiden gezamenlijk de benoeming voor van de onafhankelijke voorzitter van de commissie.
  30. De voorzitter van de commissie wordt benoemd door Gedeputeerde Staten.
  31. Benoeming op grond van het tweede lid geldt tevens als benoeming door Provinciale Staten.
  32. Gedeputeerde Staten stellen Provinciale Staten spoedig van elk benoemingsbesluit in kennis. Hoofdstuk
  33. Ruimtelijke ordening Titel 2.
  34. Sturen op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid 2[Toelichting: De provincie Overijssel wil met de Omgevingsvisie Overijssel 2009 nadrukkelijker sturen op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit wordt hierin gedefinieerd als het - bedoeld en onbedoeld - resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit is de optelsom van toekomstwaarden, gebruikswaarden en belevingswaarden. Ruimtelijke kwaliteit is niet alleen de waarden die objecten en gebieden hebben, maar ook de potenties die gebieden en objecten hebben om waarden tot ontwikkeling te brengen. Het zijn waarden die te maken hebben met eigenheid, identiteit, herkenbaarheid, bruikbaarheid en continuïteit. Ruimtelijke kwaliteit is niet alleen wat gebieden en objecten hebben, maar vooral hoe dit beleefd wordt. De provincie Overijssel is een rijke en gevarieerde provincie. In Overijssel is een brede waaier aan landschapstypen te vinden met kenmerkende eigenschappen. De provincie wil deze diversiteit aan gebiedskenmerken door middel van haar omgevingsbeleid graag laten zien, versterken en vernieuwen. DuurzaamheidDuurzaamheid is in de Omgevingsvisie Overijssel gedefinieerd als een duurzame ontwikkeling die voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Duurzaamheid vraagt om een transparante afweging van ecologische, economische en sociaal-culturele beleidsambities. Uit figuur 1 in paragraaf 2.2.
  35. van de Omgevingsvisie blijkt welke beleidsambities op provinciale schaal in relatie tot elkaar gebracht worden met als doel een toekomstvaste groei van welvaart met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke voorwaarden. Generieke regelsRuimtelijke kwaliteit en duurzaamheid zijn rode draden in het provinciaal beleid. De sturing daarop is in deze titel vertaald in generieke regels. Dit betekent dat alle andere onderdelen in de ruimtelijke verordening (hoofdstuk 2) altijd in combinatie met de bepalingen in titel 2.
  36. toegepast moeten worden. In de Omgevingsvisie Overijssel is een uitvoeringsmodel ontwikkeld voor het sturen op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid waarbij drie stappen worden onderscheiden: Allereerst moeten ontwikkelingen getoetst worden aan generieke beleidskeuzes. Deze stap stelt de vraag aan de orde of er wel een opgave is. De tweede stap is de toets van ontwikkelingen aan de ontwikkelingsperspectieven. Deze stap stelt de vraag aan de orde waar deze opgave een plek zou kunnen krijgen. In paragraaf 2.
  37. van de Omgevingsvisie Overijssel 2009 is de (richtinggevende) betekenis van de aanduidingen op de kaart Ontwikkelingsperspectieven benoemd. De derde stap is de toets van ontwikkelingen aan de gebiedskenmerken en stelt de vraag aan de orde hoe de opgave op een goede wijze kan worden ingepast. Integraliteit Het Besluit ruimtelijke ordening eist een integrale afweging van alle betrokken belangen bij de vaststelling van ruimtelijke plannen. Deze afweging moet inzichtelijk gemaakt worden in de toelichting op bestemmingsplannen. In deze afweging zullen ook de aspecten die samen de duurzaamheid van een ontwikkeling bepalen aan de orde moeten komen. In de verordening is de eis van integraliteit (een transparante en evenwichtige afweging tussen ecologische, economische en sociaal-culturele beleidsambities) daarom niet meer als zodanig opgenomen omdat dit een dubbeling met wettelijke eisen zou opleveren. Inbreiding gaat voor uitbreidingOm met name het onderscheid tussen de bebouwde stads- en dorpsomgeving en de onbebouwde groene omgeving scherp te houden, wordt sterker gestuurd op het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding'. Door middel van de SER-ladder wordt de verplichting opgelegd om eerst de mogelijkheden te benutten binnen gebieden die al een stedelijke functie hebben, voordat een claim mag worden gelegd op gebieden die nu nog een groene functie hebben. Op de SER-ladder is een variant ontwikkeld voor de groene omgeving om te bereiken dat de principes van zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik wordt toegepast op andere dan stedelijke ontwikkelingen die een claim leggen op de groene omgeving. In de verordening wordt bestaand bebouwd gebied in de eerste plaats gedefinieerd als de gronden die op grond van geldende bestemmingsplannen benut kunnen worden voor stedelijke functies. Daarnaast wordt daartoe gerekend die gebieden die in een voorontwerp-bestemmingsplan bestemd worden voor stedelijke functies voor zover daarover schriftelijk een positief advies is uitgebracht door de provinciale diensten. De wettelijk verplichte gemeentelijke structuurvisie leent zich er goed voor om de contour van het bestaand bebouwd gebied inzichtelijk te maken, zodat een totaalafweging gemaakt kan worden tussen potentiële inbreidingslocaties. Daarbij geldt dat aan de gemeenten de keuze wordt gelaten of zij stadsrandgebieden beschouwen als stedelijke omgeving dan wel groene omgeving. Vanzelfsprekend geldt voor de invulling van de stadsrandgebieden dat de ontwikkeling ervan op grond van artikel 2.1.
  38. in overeenstemming moet zijn met de uitspraken die hierover in de Omgevingsvisie Overijssel in de ontwikkelingsperspectieven en de Catalogus Gebiedskenmerken 2009 worden gedaan. In de gemeentelijke structuurvisie kan nadere invulling worden gegeven aan de ontwikkeling van deze gebieden. Overigens is het niet de bedoeling dat door toepassing van de SER-ladder al het bestaand stedelijke groen en sport- en spelvoorzieningen uit bestaand bebouwd gebieden zullen verdwijnen. Vandaar dat nadrukkelijk het criterium is gesteld dat het in redelijkheid niet mogelijk is om voor de opgave een locatie binnen het bestaande bebouwde gebied te vinden. De principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn een variant op de SER-ladder ten behoeve van de toepassing binnen de groene omgeving. Artikel 2.1.
  39. is gericht op alle ontwikkelingen dan stedelijke ontwikkelingen, zoals die gedefinieerd zijn in artikel 2.1.
  40. en die leiden tot extra ruimtebeslag op de groene omgeving. Ook hierbij geldt dat eerst bezien moet worden of door optimaal gebruik van bestaande erven niet tegemoet gekomen kan worden aan de wens voor meer ontwikkelingsruimte. Maatschappelijke behoefteHet voorkomen van onnodig ruimtebeslag op de Groene omgeving begint overigens al daarvoor, namelijk met het nadenken over de vraag of er wel een maatschappelijke behoefte is aan de beoogde ontwikkeling. Hiertoe zijn in de verordening specifieke motiveringseisen opgenomen ten aanzien van woningbouwprogrammering en de ontwikkeling van bedrijventerrein (zie titel 2.
  41. en titel 2.3.) Concentratie In het kader van sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt op deze plek in de verordening het principe van concentratie van stedelijke bebouwing vastgelegd. Dit houdt in dat stedelijke opgaven zoveel mogelijk geconcentreerd moeten worden in stedelijke netwerken. Daar mag gebouwd worden voor de bovenregionale behoefte. Daarbij wordt een uitzondering gemaakt voor die delen van het gemeentelijke grondgebied die vallen binnen een nationaal landschap. Hiermee is verzekerd dat binnen de nationale landschappen alleen voor de lokale behoefte wordt gebouwd en wordt dus voldaan aan de eis vanuit het Rijksbeleid van ‘migratiesaldo nul'. Voor de overige kernen geldt dat alleen voor de lokale behoefte en bijzondere doelgroepen gebouwd mag worden. Deze kernen mogen ruimte bieden aan lokaal gewortelde bedrijvigheid. Onder lokaal gewortelde bedrijvigheid wordt in dit verband verstaan: bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen en toegevoegde waarde bieden aan de sociaaleconomische structuur/voorzieningen.Voor de stedelijke netwerken en de streekcentra geldt dat de eis van lokaal geworteld zijn niet wordt gesteld. De streekcentra Hardenberg en Steenwijk vormen in zoverre een uitzondering, dat die gelet op hun streekfunctie ruimte krijgen voor extra mogelijkheden voor woningbouw, voorzieningen en werkgelegenheid. De verordening maakt verder nog een uitzondering op het principe dat alleen voor lokale behoefte gebouwd mag worden met het oog op situaties waarin samenwerkende gemeenten afspraken gemaakt hebben waarbij een gemeente in (een deel van) de behoefte van een buurgemeente voorziet. Voorwaarde daarbij is wel dat de afspraak past binnen de woonvisie of bedrijventerreinenvisie zoals bedoeld in artikel 2.2.
  42. respectievelijk artikel 2.3.
  43. Dit betekent dat zowel buurgemeenten als de provincie hebben laten weten dat zij kunnen instemmen met voorgestelde programmering, Gebiedskenmerken Om het spectrum aan verschillen hanteerbaar te maken, zijn de gebiedskenmerken gegroepeerd in vier lagen, elk met een eigen logica. De karakteristieken uit de laag van het natuurlijke landschap, de laag van het agrarisch cultuurlandschap, de laag van het stedelijke gebied en de laag van het lust- en leisurelandschap zijn geïnventariseerd en gewaardeerd op hun provinciaal belang. In de Catalogus Gebiedskenmerken 2009 is vervolgens voor alle gebiedstypen beschreven wat de kenmerken zijn, hoe het landschap zich ontwikkeld heeft, wat de provinciale ambities zijn ten aanzien van het gebiedstype en met welke sturing deze visie zal worden bewerkstelligd. Hiermee is gedefinieerd hoe aan het provinciaal belang in ruimtelijke kwaliteit invulling gegeven wordt en hoe deze belangen dienen door te werken in gemeentelijke bestemmingsplannen. MotiveringseisDe gemeenteraden wordt in deze verordening gevraagd om in elk bestemmingsplan te onderbouwen dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Aan deze onderbouwing wordt de eis gesteld dat inzichtelijk wordt gemaakt hoe is omgegaan met de provinciale vier-lagenbenadering en de bijbehorende Catalogus Gebiedskenmerken
  44. Daarbij geldt voor de normstellende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken dat deze altijd ertoe leiden dat een bestemmingsregeling wordt toegekend conform deze normstellende uitspraak voor zover deze uitspraken zich lenen voor een vertaling in een bestemmingsplan. In artikel 2.1.
  45. lid 7 wordt de mogelijkheid geboden om af te wijken van normstellende uitspraken als er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke redenen en wanneer voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van de ruimtelijke kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken. Voor de richtinggevende uitspraken in de catalogus geldt dat een manier van omgang met kenmerken is weergegeven die de provincie zeer wenselijk vindt. Gemeenteraden kunnen hier echter gemotiveerd van afwijken mits aannemelijk gemaakt is dat de ruimtelijke kwaliteit door een andere benadering ook versterkt wordt. De inspirerende uitspraken in de catalogus hebben een strekking conform hun benaming: er worden ontwikkelingen vermeld die denkbaar zijn in het betreffende gebiedstype. OntwikkelingsperspectievenIn het kader van sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt de gemeenteraden gevraagd om in hun onderbouwing in te gaan op het ontwikkelingsperspectief dat van toepassing is. De provincie heeft in 6 ontwikkelingsperspectieven op hoofdlijnen haar beleidsambities neergelegd ten aanzien van de sociaaleconomische en maatschappelijke ontwikkelingen die leiden tot claims op de fysieke leefomgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven zijn globaal van aard en daarom wordt de mogelijkheid geboden om daarvan gemotiveerd van af te wijken. Daarbij wordt aangetekend dat op andere plekken in de verordening bescherming is geregeld van gebieden die gerekend worden tot de EHS en de landbouwontwikkelingsgebieden. Dit betekent dat in de praktijk weinig ruimte zal zijn om af te wijken van de beleidsambities die geschetst zijn voor de ontwikkelingsperspectieven ‘realisatie groene en blauwe hoofdstructuur' en ‘buitengebied accent productie'. De mogelijkheid om af te wijken van een ontwikkelingsperspectief geldt niet voor ontwikkelingen die volgens het bepaalde in de onderdelen C en D van het Besluit milieueffectrapportagge 1994 MER-plichting zijn. Voor deze gevallen geldt dat PS eerst moet overgaan tot aanpassing van de kaart met ontwikkelingsperspectieven voordat daaraan medewerking kan worden verleend. Voor de duidelijkheid: voor ontwikkelingen die passen binnen de ontwikkelingsperspectieven zoals beschreven in paragraaf 2.
  46. van de Omgevingsvisie, is voor toepassing van de verordening niet relevant of er sprake is van een MER-plicht op niet. Kwaliteitsimpuls Groene omgevingIn dit onderdeel van de verordening wordt tenslotte een regeling getroffen voor de beoogde kwaliteitsimpuls groene omgeving. De SER-ladder en de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik hebben tot doel om onnodig ruimtebeslag op de groene omgeving tegen te gaan. Toepassing van deze instrumenten zal ertoe leiden dat in principe geen nieuwvestigingen en grootschalige uitbreidingen in de groene ruimte zullen worden gerealiseerd, omdat daarvoor als regel binnen het stedelijk gebied en binnen bestaande erven in de groene omgeving ruimte gevonden kan worden. Voordat overgegaan wordt tot toepassing van de kwaliteitsimpuls zal dus altijd eerst nagegaan moeten worden of toepassing van de SER-ladder of de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik niet een oplossing biedt voor het ruimtelijk vraagstuk. Vanwege sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen kan er aanleiding zijn om een uitzondering te maken op de algemene regel ‘inbreiding voor uitbreiding' deze algemene regel mits het verlies van ecologisch en landschappelijk kapitaal in voldoende mate wordt gecompenseerd. Dat er voldoende wordt gecompenseerd moet blijken uit een ruimtelijke onderbouwing. Voor deze ruimtelijke onderbouwing kan een gemeente een kader opstellen, waarin het beoogde evenwicht tussen ontwikkeling van bebouwing en de investering in ruimtelijke kwaliteit is vastgelegd. Bij de ruimtelijke onderbouwing van het betreffende initiatief kan dan worden volstaan met een verwijzing naar dit kader en een toelichting hoe daaraan in dit geval invulling is gegeven. Beschikt de gemeente niet over een adequaat kader voor toepassing van de kwaliteitsimpuls, dan zal per geval onderbouwd moeten worden dat er sprake is van evenwicht tussen extra rood en de extra investering in ruimtelijke kwaliteit. Bij toepassing van de kwaliteitsimpuls zijn de eisen vanuit de bepaling over ruimtelijke kwaliteit (2.1.5.) onverkort van toepassing. De extra investeringen in ruimtelijke kwaliteit komen immers bovenop de normale eis dat elke ontwikkeling moet bijdragen aan het versterken van ruimtelijke kwaliteit. De kwaliteitsimpuls is niet bedoeld voor situaties van stadsuitleg. Daarbij wordt immers niet afgeweken van de SER-ladder, maar leidt het door lopen van de afwegingspunten tot de conclusie dat een uitbreiding van het bestaand bebouwd gebied noodzakelijk is omdat niet in de opgave kan worden voorzien binnen het bestaand bebouwd gebied. Om te voorkomen dat elke gemeente een eigen kader moet uitvinden, wil de provincie graag samen met de gemeenten een kader ontwikkelen voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls groene omgeving die als bouwsteen kan dienen voor de onderbouwing die voor de toepassing van de onderdeel van de verordening in individuele gevallen geleverd zal moeten worden. Verder zal de provincie de kwaliteitsimpuls ondersteunen met een stimuleringsbudget, opleiding en beschikbaarheid van expertise. Onder het toepassingsbereik van de kwaliteitsimpuls groene omgeving vallen ondermeer de volgende gevallen: ¿ Het toevoegen van nieuwe agrarische bouwpercelen buiten de landbouwontwikkelingsgebieden ¿ Uitbreidingen van bestaande agrarische bouwpercelen waardoor grotere bouwpercelen ontstaan dan 1,5 ha in gebieden buiten de landbouwontwikkelingsgebieden ¿ Nieuwe verblijfsrecreatieve verblijven en complexen ¿ Uitbreidingen van bestaande verblijfsrecreatieve complexen ¿ De bouw van nieuwe woningen ¿ Nieuwe bouwlocaties voor bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden ¿ Grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden. Onder bedrijvigheid die niet aan het buitengebied is gebonden worden niet-agrarische bedrijven verstaan die niet functioneel gebonden zijn aan de groene omgeving, zoals aannemersbedrijven, garagebedrijven, landbouwmechanisatiebedrijven, ambachtelijke bedrijven. Onder het toepassingsbereik van de kwaliteitsimpuls vallen ook die gevallen van hergebruik van vrijkomende agrarische bouwpercelen waarbij de nieuwe functie vraagt om ingrijpende aanpassing van de bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting. In die gevallen is de inpassing van de functie op basis van de gebiedskenmerken onvoldoende en wordt een extra investering verwacht in de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Daarnaast geldt dat bepaalde functies op zich al aanleiding kunnen zijn voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls, omdat deze als minder passend moeten worden beschouwd gelet op de ligging in de groene omgeving (vanwege de verkeersaantrekkende werking, industriële karakter en dergelijke). Het wijkersbeleid valt buiten het toepassingsbereik van de kwaliteitsimpuls groene omgeving, omdat in het geval van wijkersbeleid er sprake is van vervanging van bestaande woningen in de groene omgeving en niet van toevoegen van extra woningen. Onder het wijkersbeleid vallen de gevallen waarin bestaande burgerwoningen in het buitengebied moeten wijken voor stadsuitleg of infrastructuur. In afwijking van de algemene regel kan dan een vervangende woning worden toegestaan in de groene omgeving.De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving eist een extra investering in ruimtelijke kwaliteit als een bestemmingsplan voorziet in nieuwvestiging of grootschalige uitbreiding van bestaande functies in de groene omgeving. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in een nieuw agrarisch bouwblok, moet op grond van deze regeling een extra investering worden gedaan in ruimtelijke kwaliteit, naast de basisinspanning op dat punt die op grond van artikel 2.1.5 is vereist. Dit geldt ook als met het nieuwe agrarisch bouwblok de verplaatsing van een bestaand agrarisch bedrijf wordt gefaciliteerd. De provincie heeft op deze algemene regeling een uitzondering gemaakt voor die gevallen waarin de verplaatsing op zich al een maatschappelijk doel dient. Het gaat om gevallen waarin sprake is van verplaatsing die nodig is voor het realiseren van publieke belangen, bijvoorbeeld de aanleg van infrastructuur of stadsuitleg. Een extra investering in ruimtelijke kwaliteit wordt in dat geval niet nodig geacht.Een extra investering in ruimtelijke kwaliteit wordt ook niet nodig geacht in die gevallen waarin op de uitplaatsingslocatie het agrarische bouwperceel wordt opgeheven. Het opheffen van dat agrarische bouwperceel wordt gezien als voldoende tegenprestatie voor het leggen van een nieuw agrarisch bouwblok. Het verplaatsen van een (volwaardig) agrarische bedrijf van een locatie waar geen ontwikkelingsmogelijkheden meer zijn naar een locatie waar het bedrijf wel ruimte voor ontwikkeling heeft, draagt bij aan de structuurversterking van de landbouw. Ook wordt er daarbij vanuit gegaan dat door verplaatsing van het agrarische bedrijf situaties van milieuoverlast voor de omgeving worden opgelost. Het bij verplaatsing opheffen van het agrarische bouwperceel op de uitplaatsingslocatie draagt bij aan de doelstelling om per saldo het aantal agrarische bouwpercelen niet (onnodig) te laten toenemen.Met het oog op die doelstelling is in de regeling voorzien dat in sommige gevallen de uitplaatsingslocaties weliswaar niet meer geschikt is voor het bedrijf dat verplaatst wordt, maar wel voldoende ruimte kan bieden voor een ander volwaardig agrarisch bedrijf. In die gevallen wordt dan niet de eis van opheffing van het agrarische bouwblok gesteld, omdat herbenutting van een bestaand agrarisch bouwblok als voldoende tegenprestatie wordt gezien voor het leggen van een nieuw bouwblok. Voor de locatie die bij deze doorschuifactie vrijkomt, geldt dan wel weer de eis van saldering, tenzij deze ook weer duurzaam herbenut kan worden door een ander volwaardig agrarisch bedrijf.De eis van opheffing wordt ook niet gesteld als de verplaatsing feitelijk een splitsing oplevert in een gemengde bedrijfsvoering, waarbij de intensieve tak naar een landbouwontwikkelingsgebied gaat, maar de grondgebonden tak op de huidige locatie gehandhaafd wordt.Overigens blijft bij de toepassing van de kwaliteitsimpuls de regeling in titel 2.
  47. over reconstructie als generieke regeling onverkort van toepassing. Voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls groene omgeving kan onderscheid gemaakt worden tussen gevallen waarin de bouw van nieuwe woningen dient als financieringsbron voor ontwikkelingen gericht op versterking van de ruimtelijke kwaliteit en tussen gevallen waarbij bedrijven meer dan gewone uitbreidingsmogelijkheden worden geboden. Onder de kwaliteitsimpuls groene omgeving vallen in de eerste plaats situaties waarbij de bouw van nieuwe woningen als financieringsbron dient voor ontwikkelingen die de ruimtelijke kwaliteit een impuls geven die meer is dan wat normaal bereikt kan worden via inpassing conform de gebiedskenmerken. Het gaat dan om rood-voor-rood-constructies waarbij landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt en extra investeringen worden gedaan in de ruimtelijke kwaliteit van de locatie. Het kan ook gaan om rood-voor-groen-constructies waarbij extra investeringen worden gedaan in de ontwikkeling van natuur en landschap. Verder valt het VAB-beleid waarbij gezocht wordt naar nieuwe functies voor voormalige agrarische bedrijfsbebouwing om bebouwing die karakteristiek is voor de Groene omgeving te behouden en kapitaalvernietiging tegen te gaan, onder de werking van de kwaliteitsimpuls. Ruimte die in bepaalde landschappen kan worden geboden voor de ontwikkeling van knooperven valt wat betreft de provincie ook onder deze regeling van de kwaliteitsimpuls groene omgeving. De regeling stelt de eis dat onderbouwd wordt dat er een evenwicht is tussen het toevoegen van rood en de investering in ruimtelijke kwaliteit. De andere aanleiding om af te wijken van de algemene regel zijn de gevallen waarin (agrarische) bedrijven meer dan gewone uitbreidingsmogelijkheden zou kunnen worden geboden gelet op het belang daarvan voor de leefbaarheid van het platteland mits daar een substantiële investering in ruimtelijke kwaliteit buiten de eigen locatie tegenover zou staan waardoor de aantasting van de ruimtelijke kwaliteit op de eigen locatie tenminste gecompenseerd wordt. De regeling stelt de eis van een ruimtelijke onderbouwing (op basis van een gemeentelijke kader dan wel een specifiek ruimtelijk kwaliteitsplan) waarmee aangetoond wordt dat er een substantiële investering in de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt ter compensatie van het extra rood dat wordt toegestaan. In de verordening is bewust afgezien van een definitie wat onder grootschalig wordt verstaan omdat dit ongewenst uitgebreide en complexe bepalingen zou opleveren. In dit geval is de nadere invulling aan de praktijk overgelaten. Kleinschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving worden afgewogen via het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.1.4.). Daarvoor is het voldoende dat in de ruimtelijke onderbouwing aan de hand van de Catalogus Gebiedskenmerken 2009 duidelijk wordt gemaakt hoe de ontwikkeling wordt ingepast in het landschap. Voor nieuwvestigingen en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies worden vanwege de impact een meer gebiedsgerichte benadering gevraagd. In een ruimtelijk kwaliteitsplan dient dan een relatie te worden gelegd tussen de stijging van de grondwaarde en de bijzondere investering in de ruimtelijke kwaliteit. Er kan hierbij sprake zijn van een combinatie van private en publieke investeringen.Het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water is gericht op behouden en ontwikkelen van de natuur- en landschapskwaliteiten en de versterking van het watersysteem, in samenhang met economische ontwikkeling. De ambitie is een samenhangend netwerk van natuur en water met ecologische, hydrologische, economische en recreatieve kwaliteit. Voor zover gronden niet zijn aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur, geldt hier een ‘ja, mits-benadering'. Dit houdt in dat ontwikkelingsruimte wordt geboden onder de voorwaarde dat er bijgedragen wordt aan ruimtelijke kwaliteit. Deze benadering geldt in principe ook voor de andere ontwikkelingsperspectieven, maar daar kan de kwaliteitsinvestering breed worden ingezet. In het geval van het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water geldt dat de investeringen in ruimtelijke kwaliteit gericht moeten worden ingezet op het realiseren van wateropgaven en het versterking van natuur en landschap. Als ondernemers, burgers of organisaties nieuwe groene initiatieven ontplooien, zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van een nieuw landgoed, dient dat bij voorkeur in de zone Ondernemen met natuur en water plaats te vinden.Deze bijzondere verplichting om binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de investering in extra kwaliteit gericht in te zetten voor natuur, landschap en water, wordt geregeld door in artikel 2.1.6 voor deze gebieden nadere voorwaarden op te nemen voor toepassing van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving voor wat betreft de investeringen in ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.Algemene sturingsprincipesVoor titel 2.
  48. geldt dat hierin de algemene sturingsprincipes van de provincie worden vastgelegd. Dit betekent dat dit onderdeel altijd van toepassing is en toegepast moeten worden in combinatie met de overige bepalingen in hoofdstuk 2.] Artikel 2.1.
  49. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is; b. gebiedskenmerken: de verschillende typen landschappen en hun kenmerkende eigenschappen zoals beschreven in de Catalogus Gebiedskenmerken, die als bijlage deel uitmaakt van deze verordening en aangegeven op de kaarten: • Gebiedskenmerkenkaart, Natuurlijke laag nr. 09295046; • Gebiedskenmerkenkaart, Laag van het agrarisch cultuurlandschap nr. 09295047; • Gebiedskenmerkenlaag, Stedelijke laag nr. 09295048; • Gebiedskenmerkenkaart, Lust- en leisurelaag nr. 09295049; c. ontwikkelingsperspectieven: de als zodanig op kaart Ontwikkelingsperspectieven nr. 09295055 aangegeven gebieden waarvoor in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities zijn geformuleerd op basis van voor deze gebieden geldende opgaven en kansen; d. versterken van ruimtelijke kwaliteit: het leggen van nieuwe verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen waarbij bestaande kwaliteiten worden benut en waar mogelijk nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd; e. kwaliteitsontwikkeling: is het proces waarbij elk project/elke ontwikkeling bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving; f. bestaand bebouwd gebied: de gronden die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/artikel 10 BRO; g. stedelijke functies: wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen, met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen; h. groene omgeving: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied; i. bestaande erven: bestaande en/of als zodanig bestemde bouwvlakken ten behoeve van woningen, voorzieningen en bedrijven in de groene omgeving, daarbij inbegrepen de bouwvlakken voor dergelijke functies die voorzien zijn in voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/ artikel 10 BRO; j. stedelijke ontwikkelingen: het realiseren van stedelijke functies zoals woningbouw, bedrijventerreinen, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve en religieuze voorzieningen met de daarbij behorende infrastructuur met bijbehorende groen en water en het hiertoe bouwrijp maken van gronden; k. niet aan de Groene omgeving gebonden bedrijvigheid: niet-agrarische bedrijvigheid die niet functioneel aan de Groene omgeving is gebonden; l. stedelijke netwerken: de Netwerkstad Zwolle Kampen, de Netwerkstad Twente en de Stedendriehoek; m. streekcentra: de kernen Steenwijk en Hardenberg. n. herstructurering: het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie van het terrein gehandhaafd blijft; o. transformatie: het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een andere functie; p. schuifruimte: nieuwe locaties voor wonen of bedrijventerreinen ten behoeve van de uitplaatsing van functies in het kader van herstructurering; q. lokaal gewortelde bedrijvigheid: bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaaleconomische structuur/voorzieningen. Artikel 2.1.
  50. Principe van concentratie
  51. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen.
  52. In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van stedelijke voorzieningen om te voldoen aan een bovenregionale behoefte voor zover deze bestemmingsplannen gebieden betreffen die onderdeel uitmaken van stedelijke netwerken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor gebieden die vallen binnen nationale landschappen als bedoeld in artikel 2.6.
  53. In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen van de streekcentra voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van voorzieningen ter voldoening van een regionale behoefte.
  54. In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw en bedrijventerrein om te voldoen aan (een deel van) de behoefte van een buurgemeente op basis van afspraken die door samenwerkende gemeenten zijn gemaakt en die passen binnen een woonvisie als bedoeld in artikel 2.2.2 en/of een bedrijventerreinenvisie als bedoeld in artikel 2.3.
  55. Artikel 2.1.
  56. SER-ladder voor de Stedelijke omgeving Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Artikel 2.1.
  57. Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in andere dan stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: • dat (her)benutting van bestaande bebouwing in de groene omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Artikel 2.1.
  58. Ruimtelijke kwaliteit
  59. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
  60. In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagen-benadering die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing.
  61. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.
  62. Gemeenteraden mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer: • er sprake is sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen en • voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor gevallen waarin sprake is van ontwikkelingen die volgens het bepaalde in de onderdelen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 MER-plichtig zijn.
  63. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken normerende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze normerende uitspraken.
  64. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken richtinggevende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze richtinggevende uitspraken.
  65. Van het gestelde onder 5 mag gemotiveerd worden afgeweken wanneer: • er sprake is van zwaarwegende sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen en • voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken.
  66. Van het gestelde onder 6 mag worden afgeweken mits voldoende gemotiveerd is dat de kwaliteitsambitie zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken in gelijke mate gerealiseerd wordt. Artikel 2.1.
  67. Kwaliteitsimpuls Groene omgeving
  68. Bestemmingsplannen voor de groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
  69. In afwijking van het gestelde onder lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan de vestiging van nieuwe agrarische bouwpercelen worden toegestaan als: • een ondernemer zijn landbouwbedrijf verplaatst voor het realiseren van publieke belangen; • een ondernemer op de huidige locatie geen ontwikkelingsmogelijkheden meer heeft en een volwaardig agrarisch bedrijf verplaatst naar een locatie waar wel ontwikkelingsmogelijkheden zijn. Op voorwaarde dat het agrarisch bouwperceel als bestemming op de uitplaatsingslocatie(s) in Overijssel wordt opgeheven. Deze voorwaarde geldt niet als er sprake is van een verplaatsing van een intensieve tak van een gemengd landbouwbedrijf naar een Landbouwontwikkelingsgebied of als de uitplaatsingslocatie herbenut zal worden door een volwaardig agrarisch bedrijf.
  70. In aanvulling op het gestelde onder 1 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur (EHS), de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap. Titel 2.
  71. Woningbouw 3[Toelichting: Provinciaal belang De provincie zet in op differentiatie in woonmilieus om nu en in de toekomst voldoende ruimte te kunnen bieden aan de huisvesting van alle doelgroepen. Voor het realiseren van de opgave van nieuwbouw en herstructurering is naast een sterke gemeentelijke regie, regionale afstemming nodig omdat de woningmarkt (boven)regionaal georiënteerd. De provincie ziet hierin voor zichzelf een rol weggelegd en zal erop toezien dat er afstemming plaatsvindt van de woningbouwprogrammering tussen gemeenten zodat vraag en aanbod op regionaal niveau in evenwicht zijn. De provincie voorziet een afname van groei van de bevolking en wijzigingen in de samenstelling van de bevolking (vergrijzing, huishoudensverdunning). Gemeenten zullen in gemeentelijke woonvisies moeten aangeven hoe zij in een teruglopende woningbouwmarkt, de regie voeren om de woningvoorraad ook in de toekomst te laten aansluiten op de behoeften van hun inwoners. De provincie stelt geen rechtstreekse eisen aan woonvisies, maar wel aan de onderbouwing van bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe woningbouwlocaties. In die onderbouwing spelen gemeentelijke woonvisies een wezenlijke rol vanwege hun functie voor integrale afweging van woningbouwontwikkelingen. Dit hoofdstuk van de verordening bevat regels voor bestemmingsplannen (en projectbesluiten) die voorzien in het realiseren van nieuwe woningbouwlocaties. Onder het begrip woningbouwlocatie wordt verstaan elke locatie waar nieuwe woningen worden gerealiseerd. Het ter zake geldende provinciale beleid ligt vast in de Omgevingsvisie Overijssel. De verordening is inhoudelijk in overeenstemming met de regels die het Rijk zal stellen in de AMvB Ruimte. SER-ladder In de Omgevingsvisie is het provinciale belang beschreven van zorgvuldige planning en regulering van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande woongebieden. De SER-ladder die in titel 2.
  72. is vastgelegd is erop gericht dat de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties allereerst moet plaatsvinden binnen het bestaand stedelijk gebied als daar nog voldoende ruimte beschikbaar is of naar verwachting door optimalisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden en herstructurering beschikbaar zal komen. Door de verplichte afstemming met buurgemeenten wordt ervoor gezorgd dat de toepassing van de SER-ladder in breder verband wordt geplaatst dan de schaal van de individuele gemeenten. Lokale behoefte In titel 2.
  73. is vastgelegd dat gemeenten in principe alleen voorzien in de lokale woningbehoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen. Alleen de stedelijke netwerken mogen voorzien in een bovenregionale behoefte. Voor de streekcentra Hardenberg en Steenwijk geldt dat zij mogen voorzien in een bovenlokale behoefte. Gemeenten mogen in afwijking van het principe dat alleen voor de lokale behoefte wordt gebouwd, ook voorzien in (een deel van) de woningbehoefte van buurgemeente, wanneer hierover door samenwerkende gemeenten afspraken zijn gemaakt (artikel 2.1.
  74. lid 4). Afstemming met buurgemeenten Een essentieel element in de verordening is dat de gemeenten verplicht zijn om hun woningbouwplannen af te stemmen met de buurgemeenten. Uitgangspunt van de provinciale visie op de woningbouwprogrammering is dat de woningbouwmogelijkheden worden bezien op een grotere schaal dan die van de individuele gemeenten. Afstemmen betekent dat buurgemeenten over en weer tot overeenstemming komen over de invulling van de woningbouwprogrammering. Buurgemeenten zijn de gemeenten waaraan een gemeente grenst, dus ook gemeenten aan de andere kant van de (provincie)grens. Deze afstemmingseis wordt gesteld gelet op de onderlinge relaties die er zijn binnen woningmarktregio's. Vanzelfsprekend is de eis van overeenstemming alleen van toepassing op aspecten die de buurgemeenten raken. Ook voor gemeenten die uitsluitend mogen voorzien in een lokale behoefte is onderlinge afstemming gewenst, gelet op de relatie die er is binnen de woningmarktregio in het aanbod voor (bijzondere) doelgroepen, soorten woonmilieus en de (fasering) van uitgifte. Basis voor deze afstemming zijn de woonvisies van de individuele gemeenten waarin zij vastleggen hoe het woningbouwprogramma binnen de gemeente zal worden ingepast. Deze woonvisie komt tot stand in samenwerking met de maatschappelijke partners en marktpartijen. Dat beleid zal als zodanig weer een van de thema's vormen voor de bredere gemeentelijke structuurvisie die op grond van de Wro verplicht is. In de verordening is een bijzondere regeling opgenomen voor die gevallen waarbij gemeenten verplicht zijn om af te stemmen met buurgemeenten buiten de provincie Overijssel (dus ook in Duitsland). Daarvoor is bepaald dat voldoende is dat wordt overlegd met deze buurgemeenten, maar dat daarbij niet de eis van overeenstemming wordt gesteld. Reden hiervoor is dat gemeenten buiten Overijssel in een ander stelsel van woningbouwprogrammering functioneren. Woonvisie Vervolgens wordt de woonvisie voorgelegd aan Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale visie op de woningbouwprogrammering. Ook hier geldt dat afstemming betekent dat provincie en gemeente tot overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de woonvisie die het provinciaal belang raken. Een woonvisie zal daartoe in ieder geval moeten ingaan op de volgende aspecten: ¿ De actuele inventarisatie van aard en omvang van bestaande woningvoorraad en het bestaande vraag en aanbod van woonmilieus; ¿ Een overzicht van de geldende en in voorbereiding zijnde plannen voor woningbouw; ¿ Een visie op de plannen en mogelijkheden voor herstructurering van bestaande woongebieden; ¿ De voorraad direct en op termijn uitgeefbare grond en het verwachte of voorgenomen tempo van uitgifte; ¿ De verwachte dan wel voorzienbare ontwikkelingen op de woonmarkt; ¿ De verwachte dan wel voorzienbare demografische ontwikkelingen en de effecten daarvan op de woningbouwbehoefte; Prestatieafspraken De woonvisie zal gebruikt worden voor het maken van prestatieafspraken met de gemeente over de woningbouw. Deze prestatieafspraken zijn erop gericht om de ambities die geformuleerd zijn in de woonvisie ten aanzien van het kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwprogrammering, het doelgroepenbeleid, woonmilieus, herstructurering en energiebesparing, enz. daadwerkelijk uit te voeren. Daarbij zal van de kant van de provincie de inzet daarbij van subsidies en fondsen uit bestaande en nieuwe programma's worden vastgelegd. Overeenstemming met provincie Indien ook Gedeputeerde Staten overeenstemmen met de gemeentelijke woonvisie dan is de vaststelling van bestemmingsplannen c.q. het nemen van projectbesluiten overeenkomstig die visie in overeenstemming met de verordening (artikel 2.2.2.). Deze instemming met de gemeentelijke woonvisie zal schriftelijk bevestigd worden in het kader van het vooroverleg dat hiertoe over deze bouwsteen van de gemeentelijke structuurvisie gevoerd zal worden. Bij het projecteren van de woningbouwlocaties zal overigens altijd nog rekening gehouden moeten worden met wat bepaald is ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid in titel 2.
  75. (ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken). Vervangende overeenstemming met provincie Het kan zijn dat aan de voorwaarden in artikel 2.2.
  76. (overeenstemming met buurgemeenten) ondanks de daartoe verrichte inspanningen niet kan worden voldaan. Om te voorkomen dat een gemeente in een patstelling terecht komt, is in de verordening voorzien in een constructie waarbij provinciale overeenstemming in de plaats kan treden van de verplichte overeenstemming van de buurgemeenten. Gedeputeerde Staten zullen dan nagaan of de woningbouw past binnen de provinciale visie op de woningbouwprogrammering conform het principe van concentratie zoals neergelegd in artikel 2.1.
  77. Op deze wijze wordt de regionale afstemming (met de buurgemeenten) vervangen door een rechtstreekse toets aan het plafond voor de totale woningbouw in Overijssel, waarbij ook de prestatieafspraken betrokken zullen worden die met de buurgemeenten zijn gemaakt. Uiteraard zullen Gedeputeerde Staten nagaan of wordt voldaan aan de SER-ladder. De provincie is van oordeel dat alleen in uiterste situaties de weg van vervangende overeenstemming gekozen moet worden. Gemeenten die een beroep doen op de constructie van vervangende overeenstemming zullen schriftelijk moeten onderbouwen waarom zij niet tot overeenstemming kunnen komen en dat zij alles hebben gedaan wat in redelijkheid mogelijk is om er met hun buurgemeenten uit te komen. Gelet op de sturingsfilosofie van de provincie is het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van gemeenten om in goed overleg te komen tot onderlinge afstemming van de woningbouwprogrammering. Als blijkt dat gemeenten vaak (in ongeveer een derde van de gevallen) een beroep doen op de constructie van vervangende overeenstemming, zal na bestuurlijke actie gericht op het versterken van onderlinge afstemming, deze constructie in de verordening opnieuw worden bezien. ] Artikel 2.2.
  78. Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: a. woonvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe het woningbouwprogramma binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in onderlinge afstemming met buurgemeenten. Artikel 2.2.
  79. Nieuwe woningbouwlocaties
  80. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien in de totstandkoming van nieuwe woningbouwlocaties voor zover de nieuwe woningbouwlocatie naar aard, omvang en locatie in overeenstemming is met een woonvisie waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en met Gedeputeerde Staten van Overijssel.
  81. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van overeenstemming met buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden. Artikel 2.2.
  82. Vervangende overeenstemming provincie
  83. In het geval dat schriftelijk is onderbouwd dat in redelijkheid geen overeenstemming kon worden bereikt met een buurgemeente, treedt de overeenstemming met Gedeputeerde Staten in de plaats van de verplichte overeenstemming met buurgemeenten zoals bepaald in artikel 2.2.
  84. Gedeputeerde Staten besluiten tot overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is aangetoond dat de woningbouw past binnen de provinciale visie op de woningbouwprogrammering. Artikel 2.2.
  85. Vervalt. Titel 2.
  86. Werklocaties (Bedrijventerreinen en kantoren(locaties)) 4[Toelichting: 2.3 Werklocaties2.3.
  87. BedrijventerreinenProvinciaal belangDit onderdeel van de verordening bevat regels voor bestemmingsplannen (en projectbesluiten) die voorzien in aanleg van nieuwe bedrijventerreinen. Onder nieuwe bedrijventerreinen wordt elke locatie verstaan die ontwikkeld wordt ten behoeve van de vestiging van bedrijven en bij die bedrijven behorende kantoren Het ter zake geldende provinciale beleid ligt vast in de Omgevingsvisie Overijssel. De verordening is inhoudelijk in overeenstemming met de regels die het Rijk gesteld heeft in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.In de Omgevingsvisie is het provinciale belang beschreven van zorgvuldige planning en regulering van nieuwe en herstructurering van bestaande bedrijventerreinen. Het beleid is erop gericht dat geen aanleg van nieuw bedrijventerrein mag plaatsvinden als op bestaande terreinen nog voldoende ruimte beschikbaar is of naar verwachting door optimalisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden en herstructurering beschikbaar zal komen. Dit beleid krijgt juridische doorwerking in de verordening in titel 2.
  88. (SER-ladder). In het kader van de herstructurering van de bedrijventerreinen is het vaak nodig dit proces samen te laten gaan met een (bescheiden) aanleg van nieuw bedrijventerrein, zodat de ruimte kan worden geboden voor uitplaatsing, waardoor herstructurering vlotter kan verlopen (schuifruimte). De provincie stelt geen rechtstreekse eisen aan bedrijventerreinenvisies, maar wel aan de onderbouwing van bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe bedrijventerreinen. In die onderbouwing spelen gemeentelijke bedrijventerreinenvisies een wezenlijke rol vanwege hun functie voor integrale afweging van de ontwikkeling van bedrijventerreinen.2.3.
  89. KantorenProvinciaal belang Dit onderdeel van de verordening bevat regels voor bestemmingsplannen (en projectbesluiten) die voorzien in aanleg van nieuwe zelfstandige kantoren en kantorenlocaties. Onder nieuwe kantoren(locaties) wordt elke locatie verstaan die ontwikkeld wordt ten behoeve van de vestiging van zelfstandige kantoren. Het ter zake geldende provinciale beleid ligt vast in de Omgevingsvisie Overijssel. Ons beleid richt zich niet op niet-zelfstandige kantoorruimte, zoals ondergeschikte kantoorruimte die binnen woningen is gerealiseerd voor aan huis-gebonden-beroepen. In de Omgevingsvisie is het provinciale belang beschreven van zorgvuldige planning en regulering van nieuwe kantoren(locaties). Het beleid is er op gericht dat geen bouw van nieuwe zelfstandige kantoren en aanleg van nieuwe kantorenlocaties mag plaatsvinden als in bestaande gebouwen en op bestaande locaties nog voldoende ruimte beschikbaar is of naar verwachting door optimalisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden en herstructurering beschikbaar zal komen. Dit beleid krijgt juridische doorwerking in de verordening in titel 2.
  90. (SER-ladder). De SER-ladder werkt te grof om de problemen van overaanbod van kantoren aan te pakken. Transitieprocessen binnen het bestaand stedelijk gebied, waarbij bestaande locaties of bestaande gebouwen benut worden voor het realiseren van nieuwe kantoorruimte, kan ertoe leiden dat het overaanbod nog verder vergroot wordt. Daarom is het nodig om in aanvulling op de SER-ladder nadrukkelijk te sturen op de programmering van het kantorenaanbod binnen het bestaand stedelijk gebied. Op de kantorenmarkt is sprake van een omvangrijke leegstand, die ver uitgaat boven een acceptabele frictie-leegstand. Om een verdere leegstand van kantoren te voorkomen acht de provincie een heroriëntatie op voorgenomen of reeds geplande uitbreiding (in plaats, kwaliteit en tijd) op zijn plaats. Uitgangspunt is dat er geen nieuwe plannen worden ontwikkeld tenzij de behoefte daaraan kan worden aangetoond aan de hand van een ruimtelijk-economische onderbouwing. Deze onderbouwing bestaat bij voorkeur uit een kantorenvisie of werklocatievisie. In verband met de situatie op de kantorenmarkt waar al sprake is van een overaanbod is gekozen voor een formulering met een verbod om bestemmingsplannen of projectbesluiten vast te stellen die voorzien in de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoorruimte. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt voor die gevallen waarin met een ruimtelijk-economische onderbouwing is aangetoond dat er sprake is van een behoefte waarin niet kan worden voorzien vanuit de bestaande capaciteit aan kantoorruimte. Onder totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoorruimte wordt ook de verbouw van bestaande panden gerekend die tot dan een andere functie hebben. Dit artikel vormt daarmee een aanscherping van de de algemeen geldende SER-ladder. Wij verwachten van gemeenten dat zij in de ruimtelijk-economische onderbouwing hebben afgewogen en kunnen aantonen dat in de gesignaleerde behoefte kwalitatief alleen op een nieuwe locatie kan worden voorzien. Daarbij moet zijn nagegaan of met renovatie en opwaardering van bestaand aanbod en van andere redelijkerwijs in aanmerking komende gebouwen (b.v. leegkomende scholen) niet de vereiste kwaliteit geleverd kon worden. Verder moet er zicht zijn op de invulling die wordt gegeven aan de leegstand die mogelijk ontstaat door nieuw aanbod. De onderbouwing moet dus zicht bieden op reële mogelijkheden van functieverandering of eventueel sloop van langdurig leegstaande kantoorpanden, of zicht op andere wijzen van onttrekking aan de voorraad zonder dat er ernstige effecten op de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit van gebieden optreden. Van belang is om daarbij ook ontwikkelingen in de richting van nieuwe werklandschappen en woon-werklandschappen in de beschouwingen te betrekken. Dit sluit aan op het pleidooi hiervoor in par. 2.5.1., om het palet aan woon-, werk- en voorzieningenmilieus te verbreden. Omdat bij het ontwikkelen van nieuwe kantoren het risico op een vergroting van de leegstand heel groot is, is het van belang dat de ruimtelijk-economische onderbouwing in goed overleg en samenwerking met marktpartijen wordt voorbereid. Omdat kantorenmarkten zich tot over gemeentegrenzen uitstrekken en de bouw van nieuwe kantoorruimte in de ene gemeente gevolgen kan hebben voor vraag en aanbod in de andere gemeente (zoals nog meer leegstand), stellen wij de eis dat buurgemeenten en het college van Gedeputeerde Staten moeten instemmen met de conclusie dat er inderdaad behoefte is aan extra kantoorruimte zoals voorzien in het bestemmingsplan of projectbesluit. Waar de ruimtelijk-economische onderbouwing wordt geleverd in de vorm van een kantorenvisie/werklocatievisie, wijzen wij er op dat de provinciegeen rechtstreekse eisen stelt deze beleidsdocumenten, maar wel aan de onderbouwing van bestemmingsplannen en projectbesluiten die voorzien in nieuwe kantoren(locaties).2.3.
  91. Aspecten bij de voorbereiding van de visiesLokale behoefteIn titel 2.
  92. is verder bepaald dat gemeenten uitsluitend mogen voorzien in de lokale behoefte aanstedelijke voorzieningen, waaronder bedrijventerreinen en kantoren. Een uitzondering daarop wordt gemaakt voor stedelijke netwerken die mogen voorzien in een (boven)regionale behoefte en de streekcentra Hardenberg en Steenwijk, die mogen voorzien in een bovenlokale behoefte. In de Omgevingsvisie wordt de lokale behoefte voor bedrijvigheid gedefinieerd vanuit het begrip van lokaal gewortelde bedrijven. Dit zijn bedrijven die hun oorsprong of verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar zij gevestigd zijn of zich vestigen en die een toegevoegde waarde bieden aan de lokale sociaaleconomische structuur/voorzieningenniveau.Gemeenten mogen in afwijking van het principe dat alleen voor de lokale behoefte wordt gebouwd, ook voorzien in (een deel van) de behoefte van buurgemeente aan bedrijventerrein en kantoren, wanneer hierover door buurgemeenten afspraken zijn gemaakt (artikel 2.1.
  93. lid 4). Afstemming buurgemeentenEen essentieel element in de verordening is dat de gemeenten verplicht zijn om hun plannen voor deontwikkeling van nieuw bedrijventerrein en kantoren af te stemmen met buurgemeenten. Uitgangspunt van de provinciale visie op de programmering van bedrijfsterreinen is dat de mogelijkheden van bedrijfsvestiging- en uitbreiding worden bezien op een grotere schaal dan die van de individuele gemeenten. Afstemmen betekent dat buurgemeenten over en weer tot overeenstemming komen over de invulling van de bedrijventerreinenprogrammering of de ontwikkeling van kantoren(locaties).Buurgemeenten zijn de gemeenten waaraan een gemeente grenst, dus ook gemeenten aan de anderekant van de (provincie)grens. Vanzelfsprekend is de eis van overeenstemming alleen van toepassing op aspecten die de buurgemeenten raken. Deze afstemmingseis wordt gesteld gelet op de onderlinge relaties die er zijn tussen buurgemeenten die functioneren binnen dezelfde markt voor bedrijventerreinen en kantoren. Ook voor gemeenten die uitsluitend mogen voorzien in een lokale behoefte is onderlinge afstemming gewenst, gelet op de relatie die er is tussen aangrenzende gemeenten in het aanbod van soorten bedrijventerreinen en de (fasering) van uitgifte. Voor kantoren is er sprake van vergelijkbare relaties.2.3.
  94. Beoordelingskader voor overeenstemming met college van GSBedrijventerreinenvisie Vervolgens wordt de bedrijventerreinenvisie voorgelegd aan Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale visie op de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Ook hier geldt dat afstemming betekent dat provincie en gemeente tot overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de bedrijventerreinenvisie die het provinciaal belang raken. Een bedrijventerreinenvisie zal daartoe in ieder geval moeten ingaan op de volgende aspecten: - Een inventarisatie van aard en omvang van bestaande bedrijventerreinen en de daarop gevestigde bedrijven; - Een overzicht van de geldende en in voorbereiding zijnde plannen voor bedrijventerreinen; - Een visie op de plannen en mogelijkheden voor herstructurering van bestaande bedrijventerreinen, waarbij ook in beeld wordt gebracht welke schuifruimte nodig is om te komen tot een optimale invulling van gebieden die voor herstructurering in aanmerking komen; - De voorraad direct en op termijn uitgeefbare grond en het verwachte of voorgenomen tempo van uitgifte; - De verwachte dan wel voorzienbare ontwikkelingen op de arbeidsmarkt; - De verwachte dan wel voorzienbare demografische ontwikkelingen en de effecten daarvan op de werkgelegenheid; - De mogelijkheden om de vestigingsvraag in een van de samenwerkende gemeenten in een of meer van de andere samenwerkende gemeenten te accommoderen. Overigens is bij de Omgevingsvisie een overzicht opgenomen van bedrijventerreinen die worden aangemerkt als pijplijnprojecten. Voor deze ontwikkelingen geldt dat de provinciale diensten in het kader van het vooroverleg over voorontwerp-bestemmingsplannen schriftelijk positief hebben geadviseerd over de voorgenomen aanleg van bedrijventerreinen.Prestatieafspraken De bedrijventerreinenvisie zal gebruikt worden voor het maken van prestatieafspraken met de gemeente over de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Deze prestatieafspraken zijn er op gericht om de ambities die geformuleerd zijn in de bedrijventerreinenvisie, o.a. ten aanzien van herstructurering, energiegebruik en uitgifteprotocollen, tot uitvoering te brengen. Van de kant van de provincie zal de inzet daarbij van subsidies en fondsen uit bestaande en nieuwe programma's worden vastgelegd.Ruimtelijk-economische onderbouwing kantorenDe ruimtelijk-economische onderbouwing wordt voorgelegd aan Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale visie op de ontwikkeling van de kantorenmarkt. Ook hier geldt dat afstemming betekent dat provincie en gemeente tot overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de onderbouwing die het provinciaal belang raken. Verwacht mag worden dat de inhoud en de diepgang van deze onderbouwing in verband staat met de omvang van de kantorenmarkt en leegstandsproblematiek. In andere gemeenten dan gemeenten met een regionale kantorenmarkt met leegstandsproblematiek kan waarschijnlijk worden volstaan met een meer bescheiden document dat is toegespitst op de locale situatie. Een ruimtelijk-economische onderbouwing zal in ieder geval moeten ingaan op de hieronder genoemde aspecten: - Een inventarisatie van aard en omvang van bestaande kantoren en kantorenlocaties en inzicht in de eventuele leegstand van deze kantoren en kantorencomplexen;- De mogelijkheden voor herstructurering van bestaande kantoren en andere gebouwencomplexen die zich mogelijk lenen voor kantorenontwikkeling of mengvormen van woon-, werk- en andere voorzieningen; - een confrontatie van vraag en aanbod waarbij wordt aangegeven hoe de plannen aansluiten op de - marktbehoefte, prioritaire kantorenlocaties en welke eisen aan duurzaamheid en flexibel gebruik worden gesteld; - De betrokkenheid van marktpartijen.Kantorenvisie/werklocatievisieDe kantorenvisie wordt voorgelegd aan Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale visie op de ontwikkeling van de kantorenmarkt. Ook hier geldt dat afstemming betekent dat provincie en gemeente tot overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de kantorenvisie die het provinciaal belang raken. Het beleid voor de kantorenprogrammering is nog in ontwikkeling. In samenhang met het op te stellen Actieplan leegstand kantoren zal een handreiking voor kantorenvisies worden opgesteld met een uitwerking van de hier en in de Omgevingsvisie aangegeven randvoorwaarden. In het Actieplan zal worden bezien of er aanleiding is voor pilot-projecten.Een kantorenvisie zal daartoe in ieder geval moeten ingaan op de volgende aspecten:1Een inventarisatie van aard en omvang van bestaande kantoren en kantorenlocaties en de daarin gevestigde bedrijven; 2voor de regionale kantorenmarkt in de stedelijke netwerken verdient het aanbeveling daarbij onderscheid te maken in a. centrumlocaties (stadscentrum en stationsomgeving), b. (meer perifere) kantorenlocaties en c. overige kantoren; 3Een overzicht van de geldende en in voorbereiding zijnde plannen voor kantoren en kantorenlocaties, met informatie over initiatiefnemer en de hardheid van de plannen; 4het hieruit resulterende aanbod, direct en op termijn, aan kantoorruimte; 5inzicht in de eventuele leegstand van kantoren en kantorencomplexen in totaliteit, per marktsegment en de ontwikkeling van de leegstand; 6inzicht in de actuele en potentiele vraag naar kantoorruimte en de verwachte invloed daarvan op de leegstand; 7een confrontatie van vraag en aanbod waarbij wordt aangegeven hoe de plannen aansluiten op de marktbehoefte en welke eisen aan duurzaamheid en flexibel gebruik worden gesteld; 8Een visie op de plannen en mogelijkheden voor herstructurering van bestaande kantoren en andere gebouwencomplexen die zich mogelijk lenen voor kantorenontwikkeling of mengvormen van woon-, werk- en andere voorzieningen; 9de mogelijkheden om de vestigingsvraag in één van de samenwerkende gemeenten in een of meer van de andere samenwerkende gemeenten te accommoderen; 10Verwachte kwalitatieve en kwantitatieve vraagontwikkeling waarbij nadrukkelijk de verwachte dan wel voorzienbare ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de verwachte dan wel voorzienbare demografische ontwikkelingen en de effecten daarvan op de werkgelegenheid in kantoren worden betrokken; 11De betrokkenheid van marktpartijen bij de uitvoering van de kantorenvisie. De hierboven genoemde aspecten zijn vooral gericht op de kantorenvisies van gemeenten waar sprake is van een regionale kantorenmarkt met leegstandsproblematiek. Verwacht mag worden dat de inhoud en de diepgang van een kantorenvisie in verband staat met de omvang van de kantorenmarkt en leegstandsproblematiek. In andere gemeenten kan waarschijnlijk worden volstaan met een meer bescheiden document dat is toegespitst op de locale situatie.PrestatieafsprakenDe bedrijventerreinenvisie zal gebruikt worden voor het maken van prestatieafspraken met degemeente over de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Deze prestatieafspraken zijn er op gericht om de ambities die geformuleerd zijn in de bedrijventerreinenvisie, o.a. ten aanzien van herstructurering, energiegebruik en uitgifteprotocollen, tot uitvoering te brengen. Van de kant van de provincie zal de inzet daarbij van subsidies en fondsen uit bestaande en nieuwe programma's worden vastgelegd.Overeenstemming provincieIndien Gedeputeerde Staten overeenstemmen met de gemeentelijke bedrijventerreinenvisie en/of kantorenvisie dan is de vaststelling van bestemmingsplannen c.q. het nemen van projectbesluiten overeenkomstig die visie in overeenstemming met de verordening (artikel 2.3.
  95. en 2.3.3.). Deze instemming met de gemeentelijke bedrijventerreinenvisie en/of kantorenvisie zal schriftelijk bevestigd worden in het kader van het vooroverleg dat hiertoe over deze bouwsteen van de gemeentelijke structuurvisie gevoerd zal worden.Bij het projecteren van de bedrijventerreinen en kantoren zal overigens altijd nog rekening gehouden moeten worden met wat bepaald is ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid in titel 2.
  96. (ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken).Vervangende overeenstemming met provincieHet kan zijn dat aan de voorwaarden in artikel 2.3.
  97. en 2.3.
  98. (overeenstemming met buurgemeenten) ondanks de daartoe verrichte inspanningen niet kan worden voldaan. Om te voorkomen dat een gemeente in een patstelling terecht komt, is in de verordening voorzien in een constructie waarbij provinciale overeenstemming in de plaats kan treden van de verplichte overeenstemming van de buurgemeenten. Gedeputeerde Staten zullen dan nagaan of de ontwikkeling van bedrijventerrein past binnen de provinciale visie op de bedrijventerreinen-programmering conform het principe van concentratie zoals neergelegd in artikel 2.1.
  99. Op deze wijze wordt de regionale afstemming (met de buurgemeenten) vervangen door een rechtstreekse toets aan het plafond voor de totale de ontwikkeling van bedrijventerrein in Overijssel, waarbij ook de prestatieafspraken betrokken zullen worden die met de buurgemeenten zijn gemaakt. Uiteraard zullen Gedeputeerde Staten nagaan of wordt voldaan aan de SER-ladder.Voor de ontwikkeling van kantoren is de uitgangssituatie een andere. Zoals in de Omgevingsvisie is aangegeven, is er sprake van een overaanbod aan kantoorruimte en daarmee samenhangend een structurele leegstand. Deze treedt vooral op in de grote steden, waar sprake is van een regionale kantorenmarkt. Behoefte aan nieuwe kantoren zal hier alleen vanuit kwalitatieve eisen aan de orde zijn. De provincie is van oordeel dat alleen in uiterste situaties de weg van vervangende overeenstemming gekozen moet worden. Gemeenten die een beroep doen op de constructie van vervangende overeenstemming zullen schriftelijk moeten onderbouwen waarom zij niet tot overeenstemming kunnen komen en dat zij alles hebben gedaan wat in redelijkheid mogelijk is om er met hun buurgemeenten uit te komen. Gelet op de sturingsfilosofie van de provincie is het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van gemeenten om in goed overleg te komen tot onderlinge afstemming van de bedrijventerreinenprogrammering. Als blijkt dat gemeenten vaak (in ongeveer een derde van de gevallen) een beroep doen op de constructie van vervangende overeenstemming, zal na bestuurlijke actie gericht op het versterken van onderlinge afstemming, deze constructie in de verordening opnieuw worden bezien.] Artikel 2.3.
  100. Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: a. bedrijventerreinenvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe de bedrijfsterreinenprogrammering binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in onderlinge afstemming met buurgemeenten. b. bedrijventerrein: werklocaties voor bedrijvigheid en bij de bedrijven behorende kantoorruimte. c. kantorenvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe de kantorenprogrammering binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in overleg en samenwerking met marktpartijen en in onderlinge afstemming met buurgemeenten. d. ruimtelijk-economische onderbouwing: gemeentelijk document waarin vanuit ruimtelijke-economische overwegingen een onderbouwing is gegeven van de behoefte met betrekking tot de realisering van nieuwe zelfstandige kantoren en dat tot stand komt in overleg en samenwerking met marktpartijen en in onderlinge afstemming met buurgemeenten. e. kantorenlocatie: werklocatie met zelfstandige kantoren. Artikel 2.3.2 Nieuwe bedrijventerreinenlocaties
  101. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien uitsluitend in de totstandkoming van nieuwe bedrijventerreinen indien de nieuwe bedrijventerreinen naar aard, omvang en locatie in overeenstemming zijn met de gemeentelijke bedrijventerreinenvisie waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en metGedeputeerde Staten van Overijssel.
  102. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van overeenstemming met buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.
  103. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op die bestemmingsplannen waarvoor geldt dat de provinciale diensten in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/10 BRO een positief advies hebben uitgebracht over het voorontwerp. 2.3.3 Nieuwe kantoren en kantorenlocaties
  104. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien niet in de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoren en/of kantorenlocaties.
  105. In afwijking van het eerste lid kan met een bestemmingsplan of projectbesluit medewerking worden verleend aan de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoren als in een ruimtelijk-economische onderbouwing is aangetoond dat: er behoefte is aan extra kantoorruimte waarin niet kan worden voorzien vanuit de bestaande capaciteit aan kantoorruimte; de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben ingestemd met de conclusie dat er behoefte is aan extra kantoorruimte zoals voorzien in het bestemmingsplan of projectbesluit;
  106. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van instemming van buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.
  107. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op die bestemmingsplannen waarvoor geldt dat de provinciale diensten in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/10 BRO een positief advies hebben uitgebracht over het voorontwerp. 2.3.4 Vervangende overeenstemming provincie
  108. In het geval dat schriftelijk is onderbouwd dat in redelijkheid geen overeenstemming kon worden bereikt met een buurgemeente, treedt de overeenstemming met Gedeputeerde Staten in de plaats van de verplichte overeenstemming met buurgemeenten zoals bepaald in artikel 2.3.
  109. en 2.3.
  110. Gedeputeerde Staten besluiten tot overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is aangetoond dat de ontwikkeling van bedrijventerrein past binnen de provinciale visie op de bedrijventerreinenprogrammering.
  111. Gedeputeerde Staten besluiten tot overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is aangetoond dat de ontwikkeling van nieuwe kantoren past binnen de provinciale visie op de ontwikkeling van de (regionale) kantorenmarkt. Titel 2.
  112. Detailhandel 5[Toelichting: Provinciaal belangBinnensteden vormen het hart van Overijsselse steden en regionale centra. De kwaliteit van de binnensteden bepaalt de identiteit en het imago van de steden, maar ook de mate waarin Overijssel als geheel als aantrekkelijke en dynamische economische en culturele regio wordt gezien. De bundeling van detailhandelsvoorzieningen in binnensteden en wijkwinkelcentra draagt bij aan het creëren van aantrekkelijke winkelomgevingen en is belangrijk voor de aantrekkingskracht van binnensteden als woon/werklocaties en recreatieve bestemmingen. Dit element komt ook terug in de ontwikkelingsperspectief steden als motor en de gebiedskenmerken historische centra, binnensteden en landstadjes.] 6[Toelichting: Bestaande overprogrammering in winkelvloeroppervlak, in combinatie met de huidige economische crisis en veranderend consumentengedrag, maakt dat er sprake is van overaanbod van winkelruimte. Dit blijkt met name uit toenemende leegstand in winkelcentra. Deze leegstand heeftt een negatief effect op het functioneren van het verblijfsklimaat in de binnensteden en daarmee op het woon-, werk- en leefklimaat van steden en dorpen. Grootschalige detailhandelsvestigingen en volumineuze detailhandel met een regionale uitstraling op perifere locaties zetten de detailhandelsfunctie in binnensteden nog verder onder druk, niet alleen in de betreffende kern zelf maar ook in de regio. De provincie ziet voor zichzelf een regierol in de regionale afstemming en programmering van detailhandel met een regionale uitstraling. Dit laat onverlet dat wij detailhandelsbeleid primair als een verantwoordelijkheid van gemeenten zien.De provinciale regeling geeft een aanvulling op de regionale afstemming die beoogd wordt met de zogenaamde ‘Ladder voor duurzame verstedelijking' uit het Besluit ruimtelijke ordening. Op basis van de Ladder van duurzame verstedelijking moet de actuele regionale behoefte van een stedelijke ontwikkeling zijn aangetoond en dient binnen die betreffende regio te worden afgewogen waar deze kan worden gefaciliteerd binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio De Ladder voor duurzame verstedelijking heeft een ander bereik dan de SER-ladder zoals die in de Omgevingsverordening is vastgelegd. De Ladder voor duurzame verstedelijking is alleen van toepassing als er sprake is van een ontwikkeling die voorziet in een regionale behoefte. De SER-ladder in de Omgevingsverordening is een motiveringseis waarbij voor elke nieuwe ontwikkeling waarmee een ruimtebeslag wordt gelegd op de groene omgeving moet worden nagegaan of daarvoor geen ruimte te vinden of gemaakt kan worden binnen het bestaand bebouwd gebied. De regeling in artikel 2.4 op het punt van regionale afstemming kan gezien worden als een aanvulling op de Ladder voor duurzame verstedelijking, omdat daarin wordt vastgelegd hoe de regionale afstemming vorm moet krijgen als het gaat om detailhandel met een regionale uitstraling. De provinciale regeling legt voor detailhandel nadrukkelijker de focus op binnensteden en gaat uit van de kernenhierarchie zoals vastgelegd in het principe van concentratie (artikel 2.1.2).WijkwinkelcentraNaast het centrale winkelgebied die vaak in het historische hart van kernen te vinden is, kennen grotere kernen ook een aantal verspreid liggende winkelconcentraties. Het gaat dan vaak om winkelcentra in woonwijken die vooral gericht zijn op de eerste levensbehoeften. Bestaande concentraties van volumineuze detailhandelsvestigingen, zoals woonboulevards, autoboulevards, e.d. beschouwen wij niet als wijkwinkelcentra. Deze locaties zijn immers ontstaan als uitzondering op de regel dat detailhandel geconcentreerd dient te worden in binnensteden en (wijk)winkelcentra. Ook bestaande grootschalige detailhandelslocaties rekenen wij niet tot (wijk)winkelcentra, omdat ook die ontstaan zijn als een uitzondering op de algemene regel. Aanmerken van een perifere detailhandelslocatie voor volumineuze of grootschalige detailhandel als wijkwinkelcentra zou betekenen dat de mogelijkheden die artikel 2.4 biedt voor vestiging van reguliere detailhandel zo'n perifere locatie zou kunnen uitgroeien tot regulier winkelgebied. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de doelstelling om detailhandel zoveel mogelijk te concentreren in binnensteden en bestaande wijkwinkelcentra.Volumineuze detailhandelOm te voorkomen dat de binnensteden door concurrentie van goedkopere locaties op bedrijfsterreinen ‘leeglopen', dient de uitoefening van detailhandel op bedrijventerreinen tot uitzonderingen beperkt te blijven. Er is alleen ruimte voor volumineuze detailhandel waarvoor binnen de reguliere winkelcentra geen ruimte kan worden gevonden. Deze bepaling ziet niet op detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit, zoals de verkoop van ter plekke gemaakte producten of de verkoop van goederen waarvan de verkoop aan particulieren onderdeel uitmaakt van de normale dienstverlening van het bedrijf.Conform het principe van concentratie in artikel 2.1.2 geldt ook voor volumineuze detailhandel dat het als regel zal moeten gaan om een voorziening voor de lokale behoefte. Volumineuze detailhandel met een regionale uitstraling kan conform het principe van concentratie alleen worden toegestaan in de streekcentra (Hardenberg en Steenwijk) en de stedelijke centra (de kernen Almelo, Borne, Enschede, Hengelo, Oldenzaal, Deventer, Zwolle en Kampen). Met het oog op de noodzakelijk afstemming van voorzieningen met een regionale uitstraling in de betreffende regio, zal in de ruimtelijke onderbouwing van een plan dat als nieuwe ontwikkeling volumineuze detailhandel met een regionale uitstraling mogelijk maakt, aannemelijk gemaakt moeten worden dat er een behoefte is aan deze nieuwe detailhandelsvoorziening. In lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking gaat het bij de onderbouwing van de behoefte aan een dergelijke voorziening om zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte, rekening houdend met de bestaande voorraad (zowel kwalitatief als kwantitatief). Een distributieplanologisch onderzoek kan een functie hebben in het bepalen van de kwantitatieve behoefte.Verder moet aangetoond worden dat de vestiging niet leidt tot een onevenredige aantasting van het voorzieningenniveau in de betreffende regio en het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de betreffende kern. Deze eisen richten zich aan de ene kant op het voorkomen van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de regio en aan de andere kant op het voorkomen van leegstand met alle gevolgen van dien voor het woon-, leef- en ondernemersklimaat in de betreffende kernen. Om te zorgen dat er daadwerkelijke regionale afstemming plaatsvindt over nieuwe detailhandelsvestigingen met een regionale uitstraling, wordt de eis gesteld dat aangetoond moet worden dat er is afgestemd met zowel de buurgemeenten in de regio en Gedeputeerde Staten. Voor de vraag met welke buurgemeenten regionaal moet worden afgestemd, is bepalend hoever de regionale uitstraling van de betreffende detailhandelsvestiging reikt. Grootschalige detailhandel (GDV)Grootschalige detailhandel kan uitsluitend in of aansluitend aan bestaande binnensteden en wijkwinkelcentra worden toegestaan. Ook hier geldt dat op grond van het principe van concentratie als regel alleen GDV gericht op de lokale behoefte kan worden toegestaan. Voor grootschalige detailhandel gel

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.