← Nederland

Nota Ruimtelijke Kwaliteit Breda 2023 (Breda)

Kort samengevat

Deze Nota Ruimtelijke Kwaliteit Breda 2023 beschrijft het beleid van de gemeente Breda voor het waarborgen van een goede omgevingskwaliteit, met name gericht op het uiterlijk van gebouwen en bouwwerken. Het dient als leidraad voor zowel initiatiefnemers van (ver)bouwplannen als voor de gemeente bij de beoordeling hiervan.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Nota Ruimtelijke Kwaliteit Breda 2023Werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Aanleiding en doel Gemeentelijk beleid voor een goede omgevingskwaliteit Breda is een aantrekkelijke stad om te wonen, verblijven en werken. De gemeente heeft de wettelijke taak om te zorgen voor een goede omgevingskwaliteit, iedereen heeft recht op een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het uiterlijk van de stad speelt daarin een belangrijke rol. De criteria die de gemeente toepast bij het beoordelen van de uiterlijke verschijningsvorm van gebouwen zijn opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Het gaat dan over het uiterlijk van nieuwe gebouwen en over de verbouwing van bestaande bouwwerken. Met de Nota Ruimtelijke Kwaliteit bewaakt de gemeente de kwaliteit en de karakteristieken van de stad. Het doel van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Deze Nota Ruimtelijke Kwaliteit vormt het beleidskader voor een goede omgevingskwaliteit. Enerzijds vormt het de basis die u als initiatiefnemer kunt gebruiken bij het maken van een (ver)bouwplan. Met als doel dat u vooraf weet hoe uw initiatiefplan wordt beoordeeld. Anderzijds vormt het de basis voor toetsing van deze initiatiefplannen en vergunningaanvragen door het college van Burgemeester en Wethouders. Het college van Burgemeester en Wethouders kan voor deze toetsing advies vragen aan de adviescommissie Omgevingskwaliteit. Waarom is er de Nota Ruimtelijke Kwaliteit? Een heldere welstandsnota en effectieve welstandstoetsing geven de bewoners en de ontwikkelende en bouwende partijen zekerheid over de kwaliteit van de directe omgeving. Welstand gaat dus over een publiek belang en dat is niet altijd hetzelfde als een persoonlijk belang. Wanneer komt u als burger in aanraking met de regelgeving van welstand? Als u wilt (ver)bouwen en u daarvoor een vergunning nodig heeft, dient u een aanvraag om een omgevingsvergunning in. De gemeente toetst de aanvraag vervolgens op volledigheid en toelaatbaarheid volgens verschillende wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders waaronder het bestemmingsplan of omgevingsplan, technische regels en aan ‘redelijke eisen van welstand’. Indien uw initiatiefplan gelegen is in een beschermd stads- of dorpsgezicht of een monument is, zijn de welstandscriteria vaak strenger om ervoor te zorgen dat de karakteristieken elementen en historische waarde van het gebied behouden blijven. Ook voor grotere plan- en gebiedsontwikkeling of infrastructuurprojecten zal de gemeente vaak welstandscriteria toepassen om ervoor te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen passen binnen het gewenste stedenbouwkundige en architectonische karakter van de omgeving. Vernieuwing en behoud Van een Welstandsnota naar een Nota Ruimtelijke Kwaliteit Sinds 2003 is in de Woningwet een verplichting opgenomen voor gemeenten om eigen welstandsbeleid te formuleren. De gemeente Breda heeft met deze hernieuwde versie rekening gehouden met de intenties van de Omgevingswet (in werking tredend vanaf 1 januari 2024). Deze herziene nota Ruimtelijke Kwaliteit (voorheen welstandsnota) is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: Actualisering van het bestaande welstandsbeleid met daarin opgenomen de recente wet -en regelgeving; Een compacte, toegankelijke en werkbare beleidsnota waarbij de inhoud is teruggebracht tot de essentie; Voldoende ruimte voor initiatiefnemers met een bouwplan; Een Nota Ruimtelijke Kwaliteit welke hanteerbaar en werkbaar is ingericht. Zodat de gemeente aan de voorkant burgers, ontwerpers en opdrachtgevers kan informeren over de ruimtelijke ambities die de stad heeft en welke criteria hierbij van toepassing zijn; Een digitale opzet met interactieve kaarten waardoor de initiatiefnemer met enkele klikken de juiste informatie per locatie (adres) kan inzien. Veranderende rolopvatting tussen overheid en burger De gemeente neemt steeds vaker de rol van regisseur op zich. Een houding waarbij niet enkel toetsen en verplichten, maar voorlichten, dialoog en elkaar versterken centraal staat. Deze nota heeft een compacte opzet met minder regels en criteria, welke beter vindbaar zijn middels de interactieve kaart. Van de initiatiefnemer of planindiener wordt een toelichting verwacht wat betreft de ruimtelijke kwaliteit en de wijze waarop het initiatief past binnen de kwaliteit van de omgeving vanuit de aangeboden gebiedsgerichte analyses en waarderingen. Dit geeft dus meer vrijheid voor de initiatiefnemer maar ook meer verantwoordelijkheid voor een goede plantoelichting en kwaliteit van het ingediende plan. Hiervoor dient deze nota als leidraad. Loslaten waar het kan, sturen waar het moet Er is gezocht naar een modus waarbij een zorgvuldige omgang met de ruimtelijke kwaliteit het uitgangspunt is maar tevens de regeldruk voor burgers en bedrijven afneemt. Er zijn sneltoetscriteria geformuleerd voor veelvoorkomende bouwwerken (dakkapellen aan de voorzijde van de woning, erfafscheidingen en warmtepompen of airco-units) waardoor een groot deel van deze initiatieven ambtelijk snel afgehandeld kan worden en niet meer voorgelegd hoeft te worden aan de adviescommissie Omgevingskwaliteit. Duurzaamheid en energietransitie De komende periode zal er een grote slag worden gemaakt om de bestaande woningvoorraad duurzamer te maken. Bij de veel voorkomende bouwwerken zijn daarom (sneltoets) criteria opgenomen voor verduurzamen van de woning, zoals warmtepompen. Om verstening en hittestress tegen te gaan zijn de stadsgroenstructuren en wijkgroenstructuren opgenomen als welstandseenheid met de grootste waardering en voor de veel voorkomende bouwwerken criteria zoals onder andere groene erfafscheidingen en groene daken en/of gevels. De opzet van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit De criteria voor een goede omgevingskwaliteit zijn vastgelegd in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit en worden daaraan getoetst. We streven naar een goede ruimtelijke kwaliteit en een prettige leefomgeving. Een goede ruimtelijke kwaliteit wordt bereikt als sociale, ruimtelijke en functionele aspecten zodanig zijn geordend en ontworpen, dat er een prettige, aantrekkelijke en veilige leefomgeving ontstaat. Hoe werkt de Nota Ruimtelijke Kwaliteit De nota Ruimtelijke Kwaliteit bevat de volgende onderdelen: De werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit: hierin staan de aanleiding en het doel beschreven en wordt uitgelegd hoe de Nota Ruimtelijke Kwaliteit werkt. Ook een excessenregeling, de juridische volgordelijkheid en een begrippenlijst zijn hierin opgenomen In de nota is een onderverdeling gemaakt tussen: de criteria voor veel voorkomende bouwwerken en criteria welstandseenheden. De criteria worden gebruikt om bouwplannen te beoordelen. Criteria veel voorkomende bouwwerken: deze bestaan uit criteria voor kleinere bouwaanvragen in en om de woning zoals dakkapellen, aanbouwen, bijgebouwen, gevelwijzigingen en erfscheidingen, maar ook antennes en reclame bij een bedrijf of winkel vallen onder dit deel. Criteria welstandseenheden: deze bestaan uit gebiedsgerichte criteria. Dit zijn criteria voor plannen die niet vallen onder de veel voorkomende bouwwerken. Dit zijn vaak grotere plannen met impact op een gebied. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit bevat ook Gebiedsanalyses: deze bestaan uit teksten en kaarten die inzicht geven in de opbouw, de historische ontwikkeling en de waardering van wijken en gebieden. De gebiedsanalyses bieden achtergrondinformatie en handvatten voor de ruimtelijke inpassing in de specifieke stedelijke, dorpse of landschappelijke context. Criteria veel voorkomende bouwwerken Bij kleinere plannen, veel voorkomende (ver)bouwwerken, wordt eerst gekeken of het plan vergunningvrij is. Voor vergunningvrije bouwwerken gelden geen specifieke welstandseisen, alleen mogen deze bouwwerken niet in ernstige strijd met redelijke eisen van welstand zijn. (zie hiervoor de excessenregeling). Als een plan vergunningplichtig is, dan kan in de beoordelingsregels staan dat het bouwwerk moet voldoen aan redelijk eisen van welstand. Voor de veel voorkomende bouwwerken zijn reguliere criteria opgesteld waaraan getoetst wordt. Voor enkele categorieën zijn sneltoetscriteria opgenomen. Sneltoetscriteria zijn een concrete invulling van de reguliere criteria. Sneltoetscriteria veel voorkomende bouwwerken Als voor een categorie bouwwerk (bijvoorbeeld dakkapel) sneltoetscriteria zijn opgenomen, wordt het plan hier ambtshalve aan getoetst en moet een plan hier in beginsel aan voldoen. Voor drie soorten bouwwerken zijn sneltoetscriteria opgesteld: dakkapel aan de voorzijde, erfafscheiding en warmtepomp/airco-unit. Via deze check van de sneltoetscriteria komt u te weten of uw plan voldoet aan de sneltoetscriteria. Als uw plan voldoet, dan weet u zeker dat uw plan aan redelijke eisen van welstand voldoet en krijgt u snel een vergunning. Als uw plan op kleine punten afwijkt, is het advies uw plan aan te passen aan de sneltoetscriteria. U weet dan zeker dat uw plan voldoet en u krijgt sneller een vergunning. Reguliere criteria veel voorkomende bouwwerken Als er geen sneltoetscriteria zijn of als u niet voldoet aan de sneltoetscriteria omdat uw bouwplan een andere plaats of uitvoering (zoals maat of vorm, past bij de architectuur, maatvoering of indeling van de woning) heeft, dan wordt het plan beoordeeld aan de hand van de reguliere criteria, die worden ambtshalve getoetst door de secretaris van de commissie. Als de uitvoering (zoals maat of vorm) niet past binnen de reguliere criteria, dan wordt het plan beoordeelt aan de hand van de algemene criteria. Criteria welstandseenheden Bij grotere bouwplannen of gebiedsontwikkelingen worden de plannen getoetst aan de criteria voor de welstandseenheden. Op basis van de ruimtelijke kwaliteit zijn voor de stad, de dorpen en het buitengebied, 24 stedenbouwkundige welstandseenheden (zoals een gesloten bouwblok, historisch lint, tuinwijk of stempelverkaveling) in samenhang beschreven. Tussen deze eenheden is onderscheid gemaakt op de schaal van de stad en het gebied (de wijk). Met een interactieve en aanklikbare kaart wordt dit inzichtelijk gemaakt. 6 welstandseenheden op stadsniveau De structuren op stadsniveau met de grootste waarde zijn het buitengebied met de landschappelijke structuren, de historische linten, stedelijke groenstructuren en parkways waarlangs de stad is ontstaan. Hiernaast zijn de hoofdontsluitingen, het spoorweglandschap en de snelwegen vanuit de waarde voor de stad geduid. Deze structuren vormen het cement van de stad en zijn als de eerste 6 welstandseenheden opgenomen. 18 welstandseenheden in de gebieden De welstandseenheden op stadsniveau vormen de context waarbinnen verschillende gebieden liggen zoals bijvoorbeeld: Prinsenbeek, Centrum of Boeimeer. Deze gebieden bestaan op hun beurt weer uit verschillende kleinere stedenbouwkundige eenheden of buurten. Deze eenheden zijn hoofdzakelijk bepaald op basis van het ordenend principe, de wijze waarop woningen zijn geclusterd rondom een hof, in een bouwblok, langs een lint of vrij liggend in het groen zijn geplaatst. Voor de eenheden zijn, vanuit stedenbouw en architectuur, de kenmerken beschreven en gewaardeerd. Beeldkwaliteitsplannen Indien er voor een ontwikkellocatie een beeldkwaliteitsplan is vastgesteld, staan in dat plan de specifieke eisen van welstand voor die locatie. Op die specifieke locatie gelden dus niet de criteria van de welstandseenheden. De gebiedsanalyses en waarderingen van het gebied In de gebiedsanalyses is ieder gebied geanalyseerd om inzicht te krijgen in de kenmerken, kwaliteiten, uitdagingen en het potentieel ervan. Er is inzicht vergaard in de specifieke kenmerken en context met onderzoeken naar de bestaande bebouwing, historische en culturele waarde, architectonische stijlen, ruimtelijke patronen, landschappelijke elementen en andere relevante aspecten die van invloed kunnen zijn op de welstandsbeoordelingen – en eisen in dat specifieke gebied. Het geeft een gedetailleerd inzicht in de karakteristieken en bijzonderheden, waarin beschreven is welke gewenste kwaliteiten behouden dienen te blijven en welke waarden verder kunnen worden versterkt. De relatie tussen de bebouwing en de openbare ruimte, de samenhang van de architectuur binnen het gebied, de schaal en maatvoering van de bebouwing en de esthetische kwaliteit van het gebied is geduid in één samenvattende analysetekening. Op basis van deze gebiedsanalyses zijn de welstandseenheden gedefinieerd en samenhangende grotere structuren geduid zoals een (groen)structuur, een wijkpark, hoofdstraat of een belangrijke route. Deze gebiedsanalyses dienen als basis voor de bepaling van geschikte strategieën. Beheer en up to date houden van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit De Nota Ruimtelijke kwaliteit is geen statisch document en moet om de ruimtelijke kwaliteit te beschermen worden onderhouden. Dit houdt in dat als er ontwikkelingen plaatsvinden, zoals transformatie van gebieden, de nota moet worden geactualiseerd. Nieuwe woningbouwprojecten komen vaak tot stand door een bestemmingsplan in combinatie met een beeldkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan bevat vaak specifieke eisen voor het oprichten van de hoofdbebouwing in een gebied. Het vastgestelde beeldkwaliteitsplan maakt onderdeel uit van de nota Ruimtelijke kwaliteit. Als dit plan zijn functie heeft volbracht, moet worden beoordeeld of kan worden teruggevallen op reguliere criteria en de welstandseenheid waar het bij behoort of het wellicht een eigen welstandseenheid vormt. Er zijn ook situaties waarin de huidige actuele inrichting van een gebied kan transformeren naar een andere functie die rechtstreeks in het bestemmingsplan past. Het welstandsbeleid in de welstandseenheden is bedoeld voor ontwikkelingen die als toevoeging in een welstandseenheid plaatsvinden. Als het gebied echter grotendeels kan worden heringericht dan biedt een welstandseenheid daarvoor onvoldoende houvast. Het bestemmingsplan is in principe leidend voor toegestane functies en massa en de te beschermen groenstructuren. Voor de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit zou dan bij voor het welstandsbeleid kunnen worden aangesloten bij een welstandseenheid die overeenkomt met de nieuwe functie. De nota Ruimtelijke kwaliteit dient na de realisatie van dergelijke ontwikkelingen te worden aangepast, zodat ook in het digitale publieks product de juiste informatie wordt getoond. Toetsing en verantwoordelijkheden Inspraak en verantwoording De adviescommissie Omgevingskwaliteit stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. In dit jaarverslag komt ten minste aan de orde op welke wijze de commissie toepassing heeft gegeven aan de in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit opgenomen welstandscriteria. Het jaarverslag signaleert waar de Nota Ruimtelijke Kwaliteit als beleidskader voldoende dan wel onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en geeft aan waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. Ten minste eenmaal per jaar vindt een gesprek plaats tussen de verantwoordelijk wethouder en de commissie. Het college van burgemeester en wethouders zal in de verplichte evalutatierapportage over de uitvoering van het omgevingsrecht aan de raad aandacht besteden aan hoe is omgegaan met de adviezen van de commissie. Omgang met vigerend beleid Welstandstoezicht staat niet op zichzelf, maar is ingebed in een breder geheel van maatregelen gericht op het borgen en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van Breda. Ruimtelijke kwaliteit is een onderwerp dat in veel beleidsstukken over de ruimtelijke ordening en ontwikkeling van Breda een belangrijke plaats inneemt. De Omgevingswet De Omgevingswet heeft tot doel heeft om het omgevingsrecht te vereenvoudigen en te integreren. Het is een brede wet die verschillende wetten en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving samenvoegt. Met de invoering van de Omgevingswet worden er verschillende veranderingen doorgevoerd. Zo wordt het aantal regels verminderd en worden procedures vereenvoudigd. Het idee is dat het hierdoor eenvoudiger wordt om ruimtelijke projecten te realiseren, terwijl tegelijkertijd de kwaliteit van de leefomgeving wordt beschermd. Ten gevolge van de Omgevingswet heeft Breda een Omgevingsvisie opgesteld en wordt gewerkt aan het omgevingsplan. Samen moet het leiden tot integrale ruimtelijke kwaliteitszorg waarbij openbare ruimte, erfgoed en de gebouwde omgeving meer dan nu op elkaar afgestemd worden. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit sorteert hierop voor door zowel de verbinding met het erfgoed als met de inrichting van de openbare ruimte te leggen. Dit is onder andere gebeurd met de cultuurhistorische waardering welke als belangrijke bouwsteen heeft gediend voor de indeling in de verschillende welstandseenheden in de gebieden. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit wordt vastgesteld vlak voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het doel van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit is het vastleggen van criteria welke worden toegepast bij de beoordeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van bouwwerken en de criteria die worden toegepast bij het zogenoemde repressief welstandstoezicht. Deze criteria zijn straks ook nodig als de Omgevingswet in werking treedt. Hoewel de nota wordt vastgesteld onder de werking van de Woningwet en de Wabo, worden de criteria in de nota door het overgangsrecht van de Omgevingswet ook beschouwd als criteria ten aanzien van het uiterlijk van bouwwerken waar in het omgevingsplan naar wordt verwezen. Bestemmingsplannen en het omgevingsplan Vanwege de invoering van de Omgevingswet zullen alle bestemmingsplannen binnen het grondgebied van Breda op termijn vervangen worden door één omgevingsplan, waarvan ook welstand onderdeel zal worden. Doel van dit omgevingsplan is om op een zo transparant mogelijke manier aan te geven welke wet- en regelgeving van toepassing is op een bepaald pand en/of perceel. Het overgangsrecht van de Omgevingswet zorgt ervoor dat totdat het nieuwe omgevingsplan er is, het toetsingskader niet veranderd. Erfgoed in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Sommige gebouwen, bouwwerken, tuinen en landschappen zijn zo bijzonder dat ze zijn beschermd en aangewezen als monument. Monumenten worden altijd op basis van eigen specifieke monumentale waarde beoordeeld. Ook gedeeltes van de stad welke beschermd zijn als Rijkbeschermde stads-en dorpsgezichten kennen specifieke regels en criteria in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Via de Cultuurhistorische waardenkaart kunt u deze waarderingen inzien. Aanvragen voor wijzigingen binnen de invloedssfeer van cultureel erfgoed, zoals (potentiële) monumenten en het beschermd stadsgezicht, worden altijd ter beoordeling aan de adviescommissie Omgevingskwaliteit voorgelegd. Overige informatie Excessenregeling Alle bouwwerken, dus ook die waarvoor geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd, moeten aan minimale kwaliteitseisen voldoen. Volgens de wet kan de gemeente de eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten volgens de wet in de welstandsnota zijn opgenomen. Bij ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand sprake moet zijn van een exces, dat wil zeggen een buitensporigheid in het uiterlijk, die ook voor niet-deskundigen evident. Er kan sprake zijn van ernstige mate van strijd met redelijke eisen van welstand als: Een bouwwerk of een beeldbepalend deel daarvan storend afwijkt van wat in de omgeving gebruikelijk is, waarbij rekening gehouden wordt met de criteria van de welstandseenheden; Een bouwwerk of een beeldbepalend deel daarvan door de vorm of materiaalgebruik storend afwijkt van de aangrenzende bebouwing. Waardevolle architectonische kenmerken of bijzonderheden te veel zijn aangetast, worden ontkend, onzichtbaar zijn gemaakt of zijn vernietigd, bij aanpassing of uitbreiding van een bouwwerk; Een bouwwerk of gebouw geheel of gedeeltelijk is afgebrand of ingestort; Een bouwwerk of een beeldbepalend deel daarvan fysiek of visueel wordt afgesloten van de omgeving. Gebruik van armoedig materiaal, waaronder materialen die onevenredige afbreuk doen aan de visuele kwaliteit van het bouwwerk en/of de omgeving, materialen die tot een groot contrast binnen de architectuureenheid leiden of materialen waarvan bekend is dat die als gevolg van veroudering en weersinvloeden onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk. Het uiterlijk van een gebouw of een beeldbepalend deel daarvan ernstig verwaarloosd is. De omgeving, de uitstraling van een bouwwerk of gevel te veel wordt verstoord door sterk contrasterende of te felle kleuren of verlichting, of door te veelvuldig herhaalde, te grote of opdringerige reclame. Er is eerder sprake van een exces: Naarmate een bouwwerk meer in het zicht staat en het openbaar gebied van groter belang is voor het aanzicht van de stad of het landschap; Als het bouwwerk staat in een gebied met een hoge cultuurhistorische waarde; Als het bouwwerk op zichzelf een cultuurhistorische waarde heeft; Als het bouwwerk onderdeel van een architectonische eenheid is; Naarmate er meer van de bovengenoemde criteria van toepassing zijn. Handhaving Handhaving vormt het sluitstuk van de beleidscyclus. Zonder welstandsbeleid is het niet mogelijk op te treden tegen bouwwerken die afbreuk doen aan hun omgeving, zoals bijvoorbeeld een verpauperd pand dat de kwaliteit van de buurt waarin het staat negatief beïnvloedt of een opzichtige reclame. Iemand die van mening is dat een gebouw niet voldoet aan de welstandscriteria, kan de gemeente vragen handhavend op te treden. Indien nodig kan de gemeente dan achteraf handhavend optreden tegen excessen in het uiterlijk van bouwwerken. Als een aanschrijving overwogen wordt, zal de adviescommissie omgevingskwaliteit verzocht worden het bouwwerk in een gemotiveerd advies te beoordelen op uiterlijk en plaatsing. Dit advies wordt gebaseerd op de welstandscriteria in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit en/of de criteria genoemd in de excessenregeling. Om vooraf zeker te zijn dat er geen sprake is van een exces is het raadzaam de criteria te hanteren die gelden voor een bouwwerk waarvoor wel een omgevingsvergunning vereist is. Vergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand. Handhaving is van groot belang voor: Het bereiken van de geformuleerde welstandsdoelstellingen; Het waarborgen van rechtszekerheid en gelijke behandeling van burgers; De versterking van geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en integriteit van bestuurders; Het college van Burgemeesters en Wethouders maakt jaarlijks een uitvoeringsprogramma waarin de handhavingstaken voor het komende jaar worden opgenomen en welke prioriteiten zullen worden gesteld. Juridische volgordelijkheid Op een bepaald object of locatie kunnen verschillende criteria uit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit van toepassing zijn. Zo kan een object een monument zijn en is het object ook onderdeel van een welstandseenheid. Als algemene regel geldt dan dat een hogere bescherming voor gaat op een lagere bescherming als de beleidsregels met elkaar in strijd zouden komen. Hoe specifieker de criteria zijn beschreven voor het pand, hoe meer gewicht daaraan wordt toegekend. De volgorde van de mate waarin criteria specifiek voor een gebouw is omschreven is als volgt: Redengevende beschrijving monument Beschermd stadsgezicht/waarde cultuurhistorie. Beeldkwaliteitsplan Welstandseenheden criteria Reguliere criteria Sneltoetscriteria. Trendsetters en precedenten In vele gevallen wordt door de aanvrager verwezen naar eerder uitgevoerde en dus vaak goedgekeurde bouwwerken. Een dergelijk bouwwerk kan als precedent werken voor overige bouwplannen. Door een gebiedsgericht beleid te voeren kan de gemeente voor een groot deel beargumenteerd afwijken van de verwijzingen naar eerder uitgevoerde bouwwerken. De gemeente Breda heeft gekozen om de Nota Ruimtelijke Kwaliteit als richtinggevend vast te stellen. Eerder toegestane bouwwerken kunnen niet verwijderd worden maar zullen langzamerhand verdwijnen doordat deze nota leidend is. De verwijzing van bouwaanvragers naar eerder toegestane precedenten gaat dan ook niet langer op. Het nieuwe beleid is daarom vertaald in criteria waaraan consequent getoetst gaat worden. Indien er wederom wordt afgeweken van deze opgenomen criteria dient dat goed beargumenteerd te worden en zulle deze mogelijke afwijkingen wederom beschouwd worden als nieuwe uitzonderingen of mogelijkheden. Algemene criteria De meeste aanvragen zullen gezien hun aard, omvang, impact en locatie worden beoordeeld aan de hand van de criteria voor veel voorkomende bouwwerken of de criteria voor welstandseenheden. Doelen algemene criteria Toch zijn er ook nog een aantal algemene criteria die als een basis onder alle andere genoemde criteria liggen en in die zin ook een rol spelen bij de beoordeling van bouwaanvragen. Dit zijn de ‘algemene welstandscriteria’. Ze zijn overkoepelend van aard en dienen vijf doelen: Vangnet In de eerste plaats zijn ze een vangnet voor gevallen die niet in de overige categorieën van criteria passen of in hun interpretatie van de criteria onder de maat blijven. Scharnierpunten in de stedelijke structuur In de tweede plaats kunnen ze van toepassing zijn op ‘scharnierpunten’: locaties op het raakvlak van verschillende gebiedstypen en/of met betekenis op een hoger schaalniveau, bijvoorbeeld een entree naar de stad. Hier kan het voorkomen dat de criteria voor de welstandseenheden slechts ten dele van toepassing zijn, of er tegelijkertijd overwegingen vanuit de aangrenzende gebieden nodig zijn. Bij een beoordeling zijn de algemene criteria hier vanwege hun abstractere toon geschikter voor dan de meer specifieke gebiedscriteria. Onverwachte interpretatie van de structuur of architectuur In de derde plaats kunnen ze toepassing zijn op een bijzondere of niet eenduidige stedenbouwkundige structuur of het architectonische karakter van de omgeving, waar de overige criteria niet in voorzien. Bijzondere schoonheid van functie of architectuur of historie Ten vierde kunnen de algemene criteria fungeren als een bouwplan de karakteristieken van de omliggende bebouwing niet volgt, maar door bijvoorbeeld zijn bijzondere schoonheid toch aan redelijke eisen van welstand voldoet. Dit kan gekoppeld worden aan een bijzondere functie of aan de historie van de plek. Kunst in de openbare ruimte En tot slot kunnen de algemene criteria gebruikt worden bij de beoordeling van de inpassing van kunstwerken in de openbare ruimte waarvoor een vergunning nodig is. Algemene criteria De algemene welstandscriteria richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op vrij universele architectonische kwaliteitsprincipes. De gemene deler van de onderstaande criteria is zorgvuldigheid. In het ontwerp moet zorgvuldig worden omgegaan met stijlen, materialen, verhoudingen, licht, kleur en detaillering. En er moet minstens zo zorgvuldig worden omgegaan met alles wat beïnvloed wordt door het gebouw of het bouwwerk: de gebruiker, de omgeving en de sociaal-culturele context. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt vaak primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gezien van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer tijdens het ontwerpproces andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke en herkenbare relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm meer is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben, zoals de directe omgeving en de subjectieve betekenis die elk individu aan een vorm geeft vanuit zijn/haar sociaal-cultureel bepaalde belevingswereld. Hierbij kan men bijvoorbeeld denken aan het realiseren van beeldende kunst in de openbare ruimte. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de collectieve openbare ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context. Het bestaansrecht van een gebouw ligt dus niet alleen bij het eigen functioneren, maar wordt tevens bepaald door de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren, kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen. Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn gezien, krijgen ze een zelfstandige betekenis en roepen ze, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders al aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen. Concepten en vormen die niet bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit zullen weinig draagvlak vinden. Zo zou het niet passen om in deze tijd een middeleeuws kasteel op de Dam neer te zetten. Associaties die een object oproept kunnen misplaatst, maar ook onnodig kwetsend zijn. Een ontwerp in de openbare ruimte kan zo’n negatieve lading krijgen dat het op geen enkele manier bijdraagt aan de kwaliteit van die openbare ruimte. Om dat te voorkomen, laat de welstandscommissie de maatschappelijke context waarin een bouwwerk verrijst, meewegen in haar beslissing. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te begrijpen als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld, is dat er een bepaalde structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld van een gebouw dat men vasthoudt en opslaat. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie kan ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle onderlinge relatie. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen begrenzing geleed zijn, maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar waarom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, blijkt veelal nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast, kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en onderlinge verhoudingen van de gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of het gevelvlak, verstoren zij het beeld. Niet alleen van het object zelf, maar ook van de omgeving waarin dat object is geplaatst. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Deze keuzevrijheid maakt de keuze echter moeilijker en vergroot het risico van een onsamenhangend beeld. Materialen en kleuren kunnen teveel losstaan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, maar slechts worden gekozen op grond van de decoratieve werking. Hierdoor wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. Begrippenlijst Aangekapt dak Schuin dak, bijvoorbeeld op een dakkapel, dat aansluit op een schuin dak met andere dakhelling. Achtererfgebied Gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen, waarbij als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten, of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied. Architectonische eenheid Een geheel van stedenbouwkundig en/of architectonisch ontworpen samenhangende gebouwen, zoals een rij van aaneen gebouwde of twee-onder-één-kap woningen, geschakelde woningen, een samenstelling van meerdere gebouwen (complex) of een bouwblok. Architectuur De vormgeving van een gebouw of een onderdeel daarvan. Architectuurstijl De kenmerken van een groep gebouwen of onderdelen van gebouwen met een gelijke of vergelijkbare vormgeving, waardoor de groep zich onderscheidt van andere groepen. Balustrade Begrenzing van een balkon, dakterras, galerij, trap als beveiliging tegen vallen, zoals een hekwerk van spijlen met een erop rustende balk. Bebouwingswand/ rand Een rand of wand bestaande uit bebouwing die samen een lijn vormt. Bedrijvigheid of voorzieningen Monofunctioneel gebied met bedrijven of (zorg)voorzieningen met een zelfde typologie gebouwen (‘dozen’) op eigen kavels, zonder noemenswaardige samenhang. Boeiboord Afwerking van de dakrand of de opstaande kant van een dakgoot, meestal plaatmateriaal of houten plank. Bomenlijn Rij of rijen bomen die de ruimtelijke structuur of ordening van een gebiedsdeel mede bepalen. Borstwering Het gedeelte van de muur van de vloer tot de onderzijde van het raam. Bouwblok Een geheel van aaneen gebouwde of geschakelde woningen/ panden. Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die indirect met de grond verbonden is, of direct of indirect steun vindt in of op de grond. Buurtgroen Groene open ruimte, vrijwel onbebouwde of hooguit zeer ondergeschikt bebouwd, met betekenis op het niveau van een buurt. In tegenstelling tot stadsgroenstructuur en wijkgroenstructuur is buurtgroen meestal geen doorlopende structuur, maar groen in het hart van een buurt omsloten door bebouwing. Clustering voorzieningen Concentratie van (dagelijkse of maatschappelijke) voorzieningen in een wijk- of buurtcentrum of concentratie van functies die gebruik kunnen maken van gezamenlijke faciliteiten, zoals bijvoorbeeld parkeren. Commissie Commissie die door de gemeenteraad is ingesteld om te adviseren over welstand. Tot de commissie worden ook de voorgangers begrepen. De huidige naam van de commissie is adviescommissie omgevingskwaliteit. Cultureel erfgoed De materiële, immateriële, zichtbare en onzichtbare overblijfselen van onze maatschappelijke ontwikkeling, die wij waardevol vinden voor ons gemeenschappelijke geheugen en identiteit. Voorbeelden hiervan zijn het ruim 500 jaar oude Mastbos, het kasteelterrein met daarop de monumenten en de oude stadsmuur en stadspoorten die als archeologisch relict onder het maaiveld nog aanwezig zijn. Cultuurhistorie Een synoniem voor cultureel erfgoed, waarbij de focus vaak op het materiële deel van het cultureel erfgoed ligt. In de gemeente Breda wordt vooral de term ‘cultureel erfgoed’ gebuikt. Cultuurhistorische waarden Een synoniem voor erfgoedwaarde. In de gemeente Breda wordt vooral de term ‘erfgoedwaarde’ gebuikt. Dak Boven afsluiting van een gebouw of onderdeel ervan. Het bestaat uit een of meer hellende of schuine vlakken, of uit een horizontaal vlak. Dakbedekking De buitenste laag van een schuin of een plat dak. Dakhelling De hoek van het dakvlak met de vloer of het horizontale vlak. Dakkapel Een dakkapel is een ondergeschikte uitbouw op de kap, bedoeld om het bruikbare (woon)oppervlak te vergroten en/of de lichttoetreding te verbeteren. Dakoverstek Het overhangende gedeelte van een dak dat buiten de gevel uitsteekt. Detaillering Uitwerking van kleine, bijzondere, kenmerkende onderdelen. Erker Ondiepe uitbouw aan de gevel van een gebouw die een ruimte in een gebouw vergroot, uitgevoerd met veel glas voor lichtinval en meestal met borstwering. Erfgoedwaarde De waardering van een cultureel erfgoed. Deze waardering is gebaseerd op de archeologische, cultuurhistorische, architectuurhistorische en/of ensemblewaarde, alsmede de gaafheid/herkenbaarheid, zeldzaamheid en belevingswaarde. Fiets en/of wandelroute (Snel)fietsroutes en voetgangersroutes die woongebieden en voorzieningencentra verbinden. Beperkt aantal oversteken voor autoverkeer is cruciaal voor het goed functioneren van (snel)fietsroutes. Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijk, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Gesloten bouwblok Een geheel van (overwegend) aaneen gebouwde of geschakelde woningen/ panden dat een binnenruimte omsluit en aan alle zijden is begrensd door straten of openbaar gebied. Gevel Verticaal scheidingsvlak van een gebouw tussen buiten en binnen. Gevelopening Een deel van de gevel bestaande uit een raam of deur. Hoekkeper De uitspringende schuine snijlijn tussen twee aansluitende schuine dakvlakken (of buitenhoeklijn). Op een pannendak worden bij een hoekkeper andere dakpannen gebruikt, meestal gelijk aan die van de nok (nokpannen). Hoofdgebouw Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie en afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. Inbreidingslocatie Een planmatig ontwikkeld gebied binnen de bestaande stad als gevolg van transformatie van de oorspronkelijke functie. Een inbreidingslocatie is vaak ook een stedenbouwkundige eenheid. Inbreidingslocatie ‘achter de linten’ Een planmatig ontwikkeld gebied, gelegen achter lintbebouwing. Veelal ontstaan, als opvulling van de ruimte tussen het lint en een planmatige ontwikkeling ofwel als gevolg van behoefte aan intensivering achter het lint; een verdikking van het lint, ofwel als een vergroting van een functie die reeds in het lint was gevestigd (fabriekjes op diepe kavels achter de woonbebouwing aan het lint). Kap Het geheel van dakvlakken dat het dak vormt. Kilkeper De inspringende schuine snijlijn tussen twee aansluitende hellende dakvlakken (of binnenhoeklijn). Bij een kilkeper wordt een goot aangelegd tussen de aansluitende dakvlakken voor de afwatering richting de dakgoot. Kroonlijst (dakkapel) Een horizontale vooruitspringende rand met duidelijk profiel, die de bovenkant een gevel of ander belangrijk bouwonderdeel, zoals een dakkapel sierlijk beëindigd onder het dak. Latei Een draagbalk boven een gevelopening (zoals een raam of deur), die dient om het gewicht erboven op te vangen. LED-scherm Bedoeld wordt een lichtgevend beeldscherm. LED is een afkorting voor light-emitting diodes, de huidige veel gebruikte techniek waarbij het mogelijk is om op een verzameling van LED’s kleuren te genereren die uiteindelijk één groot beeld vormen. Ook wordt hiermee bedoeld andere technieken van beeldschermen. Leisuregebied Zoals de meubelboulevard of Breepark. Lessenaarsdak Een dak met één duidelijk hellend dakvlak (de hellingshoek is meestal meer dan 15 graden). Lint Een straat met een functie als erfontsluiting waarbij aan één of beide zijden in de loop van meerdere decennia individuele bebouwing is ontstaan. Linten zijn gegroeid in meerdere jaren en hebben daardoor een organisch karakter en spelen op gebieds- en stadsniveau een grote rol. Lintbebouwing Een rij individueel opgerichte gebouwen langs een straat of weg en georiënteerd op die straat ontstaan over een langere tijdsperiode en daardoor verschillend van karakter. De bebouwing kan aan elkaar zijn gebouwd of los van elkaar staan, aan één of beide zijden van de weg (lint). Als de afstand tussen de losse gebouwen te groot wordt is geen sprake meer van lintbebouwing, maar van losse bebouwing. Loggia Een inpandig balkon. Een aan drie zijden gesloten buitenruimte van een woning of ruimte, binnen het gevelvlak of dakvlak. Een loggia bevindt zich op de verdieping en heeft een borstwering. Mansardedak (of Frans dak) Een zadeldak met aan twee zijden een geknikt dakvlak. Het onderste deel is steiler dan het bovenste deel. Markante bebouwing Beeldbepalende bebouwing, niet perse mooi of esthetisch, maar door positie, hoogte, architectuur of ritmiek opvallend en daardoor sterk bijdragend aan de identiteit en herkenbaarheid van een gebied (kerken, torens, bijzondere functies, een reeks dezelfde gebouwen in een geordende rij). Markante bebouwing speelt een belangrijke rol in herkenbaarheid en oriëntatie. Markante gebouwen kunnen veranderen, waarbij herkenbaarheid en oriëntatie een belangrijk criterium vormt. Markant knooppunt Een samenkomst van meerdere wegen of straten waar tegelijkertijd ook bebouwing is ontstaan vaak of van oorsprong met een maatschappelijke functie. In het landelijk gebied kan het ook om een clustering van boerderijen gaan. Een knooppunt heeft enige verblijfkwaliteit. Het kan ook de plek zijn waar je wisselt van modaliteit (hub). Knooppunten zijn plekken die zich vanuit de aard van de plek lenen voor samenkomst van mensen en derhalve voor verdichting, primair gericht op voorzieningen voor de omgeving. Markies Een opvouwbaar zonnescherm. Natuur inclusief bouwen Maatregelen bij een bouwproject of onderdelen op, aan of in het gebouw, waardoor er beter wordt aangesloten bij de natuurlijke omgeving en de biodiversiteit en de gezondheid van bewoners en gebruikers verbetert. Denk aan het voorkomen van schade aan de natuur, schonere bodem, water en lucht, toename van soorten planten en dieren, wateropvang. Nok De hoogste snijlijn tussen twee dakvlakken van het dak. Ondergeschikt Minder belangrijk, minder opvallend. Ontwikkellocatie De gebieden binnen de gemeentegrenzen waarvoor stedenbouwkundig plannen in voorbereiding zijn, ofwel nog geen formele status hebben (vastgesteld door de gemeenteraad). Openbaar (toegankelijk) gebied Wegen, pleinen, parken, plantsoenen, speelveldjes, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek/ openbaar verkeer algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen, brandgangen, achterpaden en zijpaden die alleen bedoeld zijn voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer. Ornament Een bouwelement dat is aangebracht ter voor decoratie, een versiersel. Plaatsing De positie van een bouwwerk of gebouw ten opzichte van een ander bouwwerk, gebouw of de omgeving. Raamlijst Een kader of lijst om een raamopening. Rollaag Een horizontale of gebogen laag van op hun kant of kop gemetselde stenen, boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand. Ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit verwijst naar de esthetische, functionele en culturele waarden van een bepaalde ruimte of omgeving. Het omvat aspecten zoals harmonieus ontwerp, passende inpassing in de omgeving, aandacht voor erfgoed en cultuur en het creëren van een aangename leefomgeving voor mensen. Schilddak Een dak met twee driehoekige dakvlakken aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. Snelwegen Infrastructuur op landelijk niveau voor snelverkeer met een stroomfunctie, voorzien van ongelijkvloerse kruisingen met een selectief aantal op- en afritten. Speklaag Een laag in het metselwerk met een andere kleur of van een ander materiaal, zoals natuursteen. Het is een sierelement, die een visuele onderbreking vormt in het metselwerk. Spoorwegen Infrastructuur voor treinen met bijbehorende voorzieningen, zoals geluidwering en bovenleiding. Stadsgroenstructuur Doorlopend overwegend met groen ingevuld gebied dat betekenis heeft op stedelijk niveau, zoals de groenzone van de Mark en de Aa of Weerijs, de zone waarin de Claudius Prinsenlaan ligt. Binnen de stadsgroenstructuur kunnen één of meerdere gebouwen zijn opgenomen, waarbij het open gebied altijd de boventoon blijft voeren en de bebouwing een solitair karakter heeft. De stadsgroenstructuur is sterk bepalend voor de ruimtelijke identiteit van de stad. Stedelijke bebouwingswand / rand Een rand of wand bestaande uit bebouwing die samen een lijn vormt langs een eenheid die op stedelijk niveau betekenis heeft (stadsrand, bebouwingswand langs stedelijke hoofdstructuur). Stedenbouwkundige eenheid Planmatig ontworpen en gebouwde verzameling gebouwen, straten en openbare ruimte met een op elkaar afgestemde verscheidenheid. Zowel uitbreidingswijken als inbreidingsprojecten kennen doorgaans één of meerdere stedenbouwkundige eenheden. Tentdak Een dak met vier driehoekige dakvlakken die samenkomen in één punt (ook; puntdak of piramidedak). Uiterlijk De vormgeving, materialen, detaillering en kleurstelling van een bouwwerk. Voorerfgebied Gebouwerf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied. Voorgevel De gevel van het hoofdgebouw die door de plaats aan het openbaar gebied, aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. Deze gevel is bepalend voor de hoofdmassa, stijl en uitstraling van het (hoofd)gebouw. Wijkgroenstructuur Doorlopend overwegend met groen ingevuld gebied dat betekenis heeft op het niveau van de wijk. Specifieke louter ‘groene’ functies zoals een park of begraafplaats worden ook hiertoe gerekend. Wijkontsluitingsweg Infrastructuur ten behoeve van het ontsluiten van wijken voor alle verkeer. Wijkontsluitingswegen hebben een stroomfunctie en gescheiden voorzieningen voor de verschillende verkeerssoorten. Woongebouw Appartementengebouw, portiekflat, galerijflat. Een gebouw met meerdere woningen die te bereiken zijn door een (of meer) gemeenschappelijke verkeersruimte. (Woon)straat Straten, toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer, met een erf-ontsluitingsfunctie. Woonstraten zijn zowel voor verkeer als voor bewoners. Zadeldak Een dak met twee schuine dakvlakken die aan de bovenzijde bij de nok samenkomen. Criteria veelvoorkomende bouwwerken Dakkapel Erfafscheiding Bijbehorende bouwwerken Geveloptrekking Dakopbouw op een hoofdgebouw Hoofdgebouw uitbreiden achter de achtergevel Kozijnwijziging of gevelwijziging Dakterras bouwen Groen dak of groene gevel Zonnepanelen en zonnecollectoren installeren Installatie of airco en warmtepomp bij een woning Antenne, telecommunicatiemast of schotel plaatsen Winkelpui, rolluik, zonwering Reclame (gevels of vrijstaand) plaatsen op eigen erf Dakkapel Een dakkapel is een ondergeschikte uitbouw op de kap, bedoeld om het bruikbare (woon)oppervlak te vergroten en/of de lichttoetreding te verbeteren. Dakkapellen die zichtbaar zijn vanuit het openbaar toegankelijk gebied zijn bepalend voor het straatbeeld. Een geschikte plaats in de kap en een bescheiden formaat moeten ervoor zorgen dat de hoofdvorm en het uiterlijk van een gebouw met een kap, waarop een dakkapel wordt geplaatst, niet nadrukkelijk verandert. Als een uitbouw op een kap of schuin dakvlak de goot van het dak onderbreekt en in het verlengde staat van (of dicht bij) een gevel van het gebouw, dan wordt dit niet aangemerkt als dakkapel, maar als dakopbouw. Sneltoetscriteria voor een dakkapel op een woning op een voordakvlak of op een zijdakvlak dat is gericht naar openbaar toegankelijk gebied Een dakkapel voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze voldoet aan onderstaande criteria: Algemeen De sneltoetscriteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Dakkapel op een woning in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). Deze criteria gelden voor een woning, niet zijnde een woongebouw (zoals portieketageflat, galerijflat). Soort dak: de dakkapel wordt geplaatst op een gebouw met zadeldak, schilddak, tentdak, lessenaarsdak of mansardedak, en niet op een wolfseind. Bij een dakvlak over meerdere bouwlagen wordt de dakkapel geplaatst in de onderste bouwlaag. De dakhelling van het dakvlak waarop de dakkapel wordt geplaatst is ten minste 30 graden. Aantal: één dakkapel per dakvlak van de woning aangevraagd en er is nog geen andere dakkapel op het betreffende dakvlak van de woning aanwezig. Meetwijze: afstanden zijn horizontaal of verticaal gemeten, niet langs de dakhelling. Plaatsing voorzijde Met voorzijde wordt bedoeld op het voordakvlak of op een dakvlak dat naar het openbaar toegankelijk gebied is gericht. Onderkant minimaal 0,85 meter en maximaal 1 meter boven de bovenkant van de vloer. Bovenkant minimaal 0,5 meter onder de daknok. Zijkanten minimaal 0,5 meter van de zijgevel, woning scheidende muur of aansluitende dwarskap, bij hoekkepers gemeten vanaf de het hoogste punt van de zijkant van de dakkapel (niet de dakoverstek), bij kilkepers gemeten vanaf het laagste punt van de dakkapel. Op een mansardekap (geknikt dakvlak) staat de dakkapel in het onderste deel van het dakvlak. Maatvoering De maximale hoogte is 1,75 meter, gemeten vanaf de voet van de dakkapel. De breedte van de voorkant van de dakkapel is maximaal 60% van de breedte van het dakvlak. dakoverstek wordt niet meegerekend. Vormgeving Het dak is plat afgedekt. De voorkant bestaat zoveel mogelijk uit kozijnen en glas: geen horizontale tussenstijlen, dichte panelen of borstwering. De linker- en rechterzijde zijn gelijk van maat en maximaal 20 centimeter breed. Daartussen alleen ter plaatse van een achterliggende muur maximaal 1 gesloten paneel van max 20 centimeter breed. Het boeiboord is maximaal 30 centimeter hoog. De dakkapel wordt zowel aan de voorkant als de zijkanten uitgevoerd met een dakoverstek. Deze is maximaal 20 centimeter (De overstek aan zijkanten mag kleiner zijn dan aan de voorkant). De zijkanten zijn verticaal en ondoorzichtig. Detaillering: geen zichtbare bevestigingsmiddelen, boeiboord van plaatmateriaal of horizontale delen, geen ornamenten. Materiaal en kleur Materialen: geschilderd hout, kunststof, zijkanten mogen in niet spiegelend metaal worden uitgevoerd, glas als invulling van kozijnen. Kleur: donkergroene, donkerblauwe, donkerbruine, grijze of (crème) witte spectrum. Reguliere criteria voor een dakkapel De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de algemene criteria. Deze staan uitgewerkt in de “Algemene criteria” in het onderdeel ‘Werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. Algemeen Meetwijze: afstanden zijn horizontaal of verticaal gemeten, niet langs de dakhelling. De criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Dakkapel op een woning in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). Met voorzijde wordt bedoeld; op het voordakvlak of een dakvlak dat naar het openbaar toegankelijk gebied is gericht. Met achterzijde wordt bedoeld; op het achterdakvlak of een dakvlak dat niet naar het openbaar toegankelijk gebied is gericht. De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging op een dakvlak van een gebouw. Er wordt afgestemd op bestaande dakkapellen in de architectonische eenheid en op de (optionele) dakkapel als die is aangeboden bij oplevering. Meetwijze: afstanden zijn horizontaal of verticaal gemeten, niet langs de dakhelling Plaatsing Afgestemd op de indeling van de gevel van het gebouw waarop de dakkapel wordt geplaatst. Meerdere dakkapellen binnen de architectonische eenheid hebben een regelmatige plaatsing op een horizontale lijn. Aan de voorzijde worden dakkapellen niet boven elkaar geplaatst. De goot van het dak wordt niet onderbroken door het plaatsen van de dakkapel. Vormgeving De gevelindeling is afgestemd op het gebouw waarop de dakkapel wordt geplaatst. De voorkant van de dakkapel bestaat hoofdzakelijk uit kozijnen en glas, daartussen beperkte toepassing van gesloten panelen met beperkte breedte. Een aangekapt dak is alleen toepasbaar als het past bij de architectuur van het pand, kapvorm, dakhelling, specifiek bouwblok en in het straatbeeld. De afstand van de aankapping onder de nok wordt afgestemd op de vorm van de kap. Een dakkapel op een mansardekap heeft een schuin dak met gelijke hellingshoek in aansluiting op het bovenste dakvlak, of een plat dak bij plaatsing onder de knik in het dakvlak. Detaillering is terughoudend, zoals bescheiden dakoverstek, boeiboord, kroonlijst, ornamenten. Materiaal en kleur Materiaal- en kleurgebruik is afgestemd op het gebouw waarop de dakkapel wordt geplaatst. Kleur is terughoudend, zoals donker, wit, crème witte spectrum of zinkgrijs. Dakkapellen boven elkaar in hetzelfde dakvlak aan de achterzijde Dakkapel hoog in een zadeldak van meerdere volledige bouwlagen (geen vliering) op achterdakvlak of op zijdakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd. De hoogte van de bovenste dakkapel is, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, kleiner of gelijk aan De hoogte van de onderste dakkapel en niet hoger dan 1,75 meter. De verticale afstand tussen twee dakkapellen is ten minste 0,85 meter. De bovenkant van de dakkapel ligt op meer dan 0,5 meter onder de daknok. De afstand tussen de zijkant van de dakkapel en de zijgevel, of woning scheidende muur, mag niet kleiner zijn dan 0,5 meter en ook niet kleiner dan de afstand ter plaatse van de onderste dakkapel Vormgeving, materiaal en kleur, afstemmen op de andere dakkapel in hetzelfde dakvlak Dakkapel op een woning in een gebied met een hoge erfgoedwaarde Een dakkapel op een voordakvlak of een zijdakvlak die gericht is naar openbaar toegankelijk gebied kan voldoen aan de sneltoetscriteria. Ook bij het grootste deel van de erfgoedgebieden voldoen de (sneltoets)criteria. In bijzondere gevallen worden de (sneltoets)criteria niet van toepassing verklaard (maatwerk), of vraagt de architectuur om een dakkapel met een lagere maximale hoogte in de sneltoetscriteria (Interbellumarchitectuur) of is de architectuur dusdanig dat een dakkapel op deze posities ongewenst is (geen dakkapel). Voor een dakkapel op het voordakvlak of op een dakvlak dat naar het openbaar toegankelijk gebied is gericht in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kunnen specifieke eisen gelden om deze erfgoedwaarden te beschermen. Hiervoor zijn drie categorieën opgenomen. Maatwerk Een dakkapel op het voordakvlak of op een dakvlak dat naar het openbaar toegankelijk gebied is gericht is op basis van maatwerk mogelijk. Interbellum architectuur Een dakkapel op het voordakvlak of op een dakvlak dat naar het openbaar toegankelijk gebied is gericht op basis van de sneltoetscriteria is toegestaan, mits de maximale hoogte 1,30 meter bedraagt. Geen dakkapel voorzijde Er is GEEN dakkapel op het voordakvlak of op een dakvlak dat naar het openbaar toegankelijk gebied is gericht toegestaan. Overige Richtlijnen Zadeldak met vliering De vliering is de lage ruimte onder het dak, vaak boven de zolder, die te gebruiken is als opbergruimte en vanwege de lage hoogte niet geschikt is voor bewoning. De basismaat van een vliering is vaak te klein om een dakkapel te realiseren. Plaatsing hoog in het dakvlak geeft een onevenwichtig beeld. Dakkapellen zijn op deze plaats in het dak niet toelaatbaar. Dak met hellingshoek van minder dan 30 graden Door de flauwe helling is er weinig tot geen mogelijkheid voor het plaatsen van een dakkapel. Door de flauwe helling komt de bovenzijde van de dakkapel nagenoeg in de nok, of zal een dakkapel te nadrukkelijk aanwezig zijn. Hierdoor wordt het dakvlak en het silhouet te sterk aangetast. Dit is welstandshalve ongewenst. Dak met hellingshoek van meer dan 30 graden Bij onvoldoende ruimte om onder de nok voor een dakkapel met minimale interne hoogte voor een verblijfsruimte, kan de afstand van de dakkapel tot de daknok minimaal verkleind worden ten behoeve van een interne vrije hoogte van maximaal 2,3 meter, als dat niet onevenredig ten koste gaat van de herkenbaarheid van de hoofdvorm van het gebouw. Daarbij moet de daknok in stand blijven. Dit is niet toelaatbaar bij boven elkaar gesitueerde dakkapellen en bij een mansardekap. Voor een nieuw dak boven de nok gelden de regels voor een dakopbouw. Wolfseinden Een wolfseind is het afgeschuinde gedeelte aan het uiteinde van de nok van het dak. Het is een verbijzondering met een beperkte maat. Een dakkapel op een wolfseind wordt gezien als een verrommeling van de verbijzondering van het dak en is daarom niet acceptabel. Hoekkeper en kilkeper Een dakkapel dichter bij een hoekkeper is mogelijk als het silhouet van het gebouw niet te veel wordt verstoord en het niet ten koste gaat van een evenwichtig gevelbeeld. Een dakkapel geplaats om één of twee hoekkepers geeft een erg onevenwichtig beeld en verstoren de dakvorm. Een hoekdakkapel in de kilkeper is mogelijk aan de zijde die niet zichtbaar is vanaf openbaar toegankelijk gebied. Gelijktijdige koppeling van twee dakkapellen in grenslijn tussen twee woningen Alleen als het past bij de specifieke architectuur en tijdsbeeld van het pand. Bij gelijktijdige koppeling blijft de maximale breedte van de dakkapel gelijk of wordt beperkt breder als wordt afgestemd op de gevelindeling van het gebouw waarop de dakkapel wordt geplaatst. Tips Overleg uw plan met de buren. Zorg voor ruimte in de dakoverstek, achter het boeiboord om zonwering, zoals rolluiken en screens, verdekt aan te kunnen brengen. Het achteraf plaatsen van zonwering die onder de dakoverstek uitsteekt, of op het boeiboord, verrommelt het aanzicht van de dakkapel. Bij specifiek vormgeven of nieuwe huizen heeft de architect vaak al een dakkapel mee-ontworpen. U kunt het beste het ontwerp van de architect volgen. Pas de kleur aan op de rest van het huis. Met de kleur van de kozijnen kan afstemming worden gezocht op de kozijnen in de gevel. Geef de zijkanten een donkerere kleur, daardoor valt de dakkapel minder op en is vuil tussen de schoonmaakbeurten door minder zichtbaar. Plaats de afvoer van regenwater aan de zijkant en zo dicht mogelijk bij de achterkant van de dakkapel. Erfafscheiding Een erfafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van het openbaar toegankelijk gebied. Een erfafscheiding kan ook bedoeld zijn voor bescherming van bijvoorbeeld geluid of stof. Erfafscheidingen die zichtbaar zijn vanaf het openbaar toegankelijk gebied zijn van grote invloed op het straatbeeld / de ruimtelijke kwaliteit. Door een te grote verscheidenheid kan een rommelig straatbeeld ontstaan. Een onrustige uitvoering, een slecht geplaatste of slecht onderhouden schutting roept bij velen een gevoel van verloedering en sociale onveiligheid op. Sneltoetscriteria voor een erfafscheiding Een erfafscheiding voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze voldoet aan onderstaande criteria: Algemeen De sneltoetscriteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Erfafscheiding in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). Plaatsing Erfafscheidingen op straathoeken, hoger dan 1 meter en maximaal 2 meter, staan op 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw. Vormgeving Slanke staanders met daartussen een gaashekwerk dat is begroeid met klimplanten. Minimaal 80% groen; beplanting in de vollegrond. In één lijn zonder verspringingen in hoogte of de lengterichting. De bovenkant is horizontaal. Materiaal en kleur Materiaal: staanders zijn van hout, baksteen of metaal. Gaashekwerk (harmonicagaas, draadstaal). Kleur: hout is onbeschilderd of heeft de oorspronkelijke materiaalkleur, baksteen zoals in het metselwerk van hoofdgebouw. Kleur metalen staanders is donkergrijs/ antraciet, zwart of donkergroen. Reguliere criteria voor een erfafscheiding De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de algemene criteria. Deze staan uitgewerkt in de “Algemene criteria” in het onderdeel ‘Werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. Algemeen Een erfafscheiding is ondergeschikt aan het hoofdgebouw en de omgeving. De criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Erfafscheiding in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). Plaatsing Een hogere erfafscheiding dan 1 meter op een straathoek heeft een ondergeschikte plaats achter de voorgevel van het hoofdgebouw. Maatvoering Een hogere erfafscheiding dan 2 meter is eventueel mogelijk in specifieke situaties: Naast elkaar liggende percelen met een andere peilhoogte ter plaatse van de achtertuin. Te hoge geluidbelasting, afkomstig van de openbare ruimte, een sportcomplex of bedrijven. Vormgeving In één lijn en hoogte zonder nadrukkelijke verspringingen. Rechte vormgeving, horizontale bovenkant. Hekwerken zijn grotendeels transparant vormgegeven (spijlen niet erg dicht bij elkaar). Zo veel mogelijk aansluiten bij aangrenzende, goedgekeurde en/of begroeide erfafscheidingen. Materialen op een eenduidige en rustige manier toepassen. Bij begroeide erfafscheiding beplanting op eigen grond. Detaillering is terughoudend. Materiaal en kleur Duurzame materialen gebruiken zoals hout, metselwerk, metalen spijlen of te begroeien gaas. Materiaal- en kleurgebruik is terughoudend en ondergeschikt aan die van het hoofdgebouw. Als er metselwerk in de erfafscheiding voorkomt én ook in het hoofdgebouw, wordt het metselwerk afgestemd op het hoofdgebouw. Geen golf-, beton of damwandprofielplaten, plaatmateriaal, rietmatten of vlechtschermen. Haagplanten zoals liguster of haagbeuken, klimplanten zoals klimop en/ of klimrozen. Erfafscheiding in een gebied met een hoge erfgoedwaarde Een erfafscheiding in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kan voldoen aan de (sneltoets)criteria. In bijzondere gevallen worden de (sneltoets)criteria niet van toepassing verklaard (maatwerk), of is de kenmerkende cultuurhistorische opzet dusdanig dat het toevoegen van een erfafscheiding ongewenst is (geen erfafscheiding). Voor een erfafscheiding in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kunnen specifieke eisen gelden om deze erfgoedwaarden te beschermen. Hiervoor zijn twee categorieën opgenomen. Maatwerk De erfafscheiding dient aan te sluiten bij de architectuur van het pand of complex. Geen erfafscheiding Er is GEEN erfafscheiding, anders dan de vergunningsvrije erfafscheiding, toegestaan. Tips Haagplanten, zoals liguster of haagbeuken, dragen bij aan een representatief en groen straatbeeld. Plaats de erfafscheiding stevig en stabiel in de grond (zoals verankeren, in beton) om deze bestand te maken tegen zware windstoten. Wilt u weten waar de grens van uw grond precies ligt? Dit kunt u navragen bij het Kadaster. Overleg uw plan altijd met uw buren. Wilt u een erfafscheiding plaatsen van meer dan 2 meter hoog? U krijgt hier bijna nooit een vergunning voor. Bijbehorende bouwwerken Het begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ wordt als verzamelnaam gebruikt voor een aan- of uitbouw, garage, serre, berging, carport of overkapping van één laag met een dak. Het zijn aangebouwde of vrijstaande bouwwerken die leiden tot een uitbreiding van het bouwvolume van, aan of bij een hoofdgebouw. Een bijbehorend bouwwerk nabij, of in het zicht vanaf het openbaar toegankelijk gebied is van grote invloed op het straatbeeld, zoals een erker in de voortuin, een aanbouw naast het hoofdgebouw of een bijgebouw of overkapping dicht bij de perceelsgrens met openbaar toegankelijk gebied. Door een grote verscheidenheid of uitvoering die niet goed past bij de woning kan een rommelig straatbeeld ontstaan. Door bouwwerken op afstand achter de erfafscheiding te plaatsen ontstaat een rustiger straatbeeld. Voor een vergunningplichtig bijbehorend bouwwerk, zoals in de voortuin of zijtuin, gelden de criteria voor drie categorieën, namelijk: Aan- of uitbouwen Vrijstaande bijgebouwen Carports en overkappingen Aan-en uitbouw Reguliere criteria voor aan- en uitbouwen De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de hand van criteria van de welstandseenheid. Algemeen De criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Aan- en uitbouwen in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). De criteria zijn niet van toepassing voor een aan- of uitbouw aan de voorgevel, met uitzondering van erkers aan de voorgevel. Een aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het straatbeeld en de hoofdvorm van het hoofdgebouw en mag deze niet overstemmen. Een aan- of uitbouw vertoont samenhang met de architectuur van het hoofdgebouw. Als niet wordt aangesloten bij de uitstraling van het is het verschil in uitstraling afgestemd op het hoofdgebouw en het straatbeeld. Bij een architectonische eenheid wordt gestreefd naar herhaling van gelijke, of op elkaar afgestemde exemplaren. Vormgeving De uitbreiding heeft een eenvoudige, rustige hoofdvorm: De plattegrond is in principe rechthoekig: in beginsel gevels evenwijdig aan, - of haaks op de gevels van het hoofdgebouw. Als de zij-erfgrens niet evenwijdig ligt aan de zijgevel kan de richting van die erfgrens worden overgenomen. Het dak is plat afgedekt, of heeft een kapvorm die van het hoofdgebouw is afgeleid (richting en hellingshoek van de dakvlakken). Houd zoveel mogelijk één goothoogte aan, ook bij uitbreiding van een bestaande aan- of uitbouw. De uitbreiding is aan alle zijden ontworpen, met specifieke aandacht voor gevels die gericht zijn naar, en zichtbaar zijn vanaf openbaar toegankelijk gebied. De gevelindeling is afgestemd op de oorspronkelijke architectuur van het hoofdgebouw en architectonische eenheid waarvan deze deel van uitmaakt; en is afgestemd op de verticale en horizontale indeling van de gevel. In de aanbouw en in de voorgevel, is ten minste 30% aan gevelopeningen aanwezig. De kozijnen zijn afgestemd op belangrijke kenmerken van de kozijnen van het hoofdgebouw en architectonische eenheid waarvan deze deel van uitmaakt; kozijnindeling, diepteligging van de kozijnen in de gevel, profielmaten van kozijnonderdelen en tussenstijlen (kleine afwijkingen toegestaan). Detaillering is terughoudend, zoals bescheiden (of geen) overstek en boeiboord of ornamenten, of de detaillering wordt overgenomen van het hoofdgebouw, zoals metsellagen, lateien, dorpels. Vormgeving erker De erker die als optie is aangeboden bij de bouw van de woning is uitgangspunt. Een erker vertoont samenhang met de architectuur van het hoofdgebouw. Een bouwlaag in principe met een rechthoekige plattegrond, eventueel met schuin geplaatste zijkanten als dat past bij de architectuur van het hoofdgebouw. Het dak is plat afgedekt en wordt in principe uitgevoerd met een dakoverstek. De gevelindeling is afgestemd op de verticale en horizontale indeling van de gevel van het hoofdgebouw en architectonische eenheid waarvan deze deel van uitmaakt. De hoogte van de borstwering is gelijk aan de hoogte van de borstwering die in de gevel vervalt door het plaatsen van de erker. Als de erker geen gevelopening met borstwering vervangt, dan is de hoogte gelijk aan de hoogte van de borstwering van de belangrijkste ramen in de voorgevel van het pand of van de architectonische eenheid. De borstwering is van baksteen. Boven de borstwering is de pui zo transparant mogelijk: kozijnen en glas en geen gesloten panelen tussen of naast kozijnen. Een zijkant in de perceelsgrens met een naastgelegen woonperceel wordt gesloten uitgevoerd. De kozijnen zijn afgestemd op belangrijke kenmerken van de kozijnen van het hoofdgebouw en architectonische eenheid waarvan deze deel van uitmaakt; kozijnindeling, diepteligging van de kozijnen in de gevel, profielmaten van kozijnonderdelen en tussenstijlen (kleine afwijkingen toegestaan). Detaillering is terughoudend: bescheiden overstek (maximaal 20 centimeter), bescheiden boeiboord (maximaal 25 centimeter hoog) en minimaal gebruik van ornamenten. Materiaal en kleur Materiaal- en kleurgebruik is overeenkomstig met het hoofdgebouw of terughoudend en afgestemd op het hoofdgebouw. Type en kleur baksteen, voeg en metselverband zoals het metselwerk in het hoofdgebouw of erop afgestemd. Duurzame en representatieve materialen gebruiken zoals hout, metselwerk. Geen golfplaten, beton of damwandprofielen of plaatmateriaal. Aan- of uitbouwen in een gebied met een hoge erfgoedwaarde Een aan- of uitbouw in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kan voldoen aan de criteria. In bijzondere gevallen is de kenmerkende cultuurhistorische opzet dusdanig dat het toevoegen van een aan- of uitbouw voor de voorgevel (geen aan- of uitbouw voor de voorgevel), tegen de zijgevel (geen aan- of uitbouw tegen de zijgevel) of zowel voor de voorgevel als tegen de zijgevel (geen aan- of uitbouw voor de voorgevel en/of tegen de zijgevel) ongewenst is. Voor een aan- of uitbouw in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kunnen specifieke eisen gelden om deze erfgoedwaarden te beschermen. Hiervoor zijn drie categorieën opgenomen. Geen aan- of uitbouw voor de voorgevel Er is GEEN aan- of uitbouw voor de voorgevel toegestaan. Geen aan- of uitbouw tegen de zijgevel Er is GEEN aan- of uitbouw tegen de zijgevel toegestaan. Geen aan- of uitbouw voor de voorgevel en/of tegen de zijgevel Er is GEEN aan- of uitbouw voor de voorgevel en/of tegen de zijgevel toegestaan. Tips Plaats de aan- of uitbouw op voldoende afstand van de erfafscheiding met openbaar toegankelijk gebied, zodat: U het gebouw en de tussenruimte kunt onderhouden vanaf eigen terrein en vervuiling of veroudering kunt voorkomen. Een eenduidige en doorlopende (niet onderbroken) erfafscheiding kan blijven staan. Dit draagt bij aan een rustig en representatief straatbeeld. Er ruimte blijft voor een groene erfafscheiding zoals een haag. Wilt u weten waar de grens van uw grond precies ligt? Dit kunt u navragen bij het Kadaster. Overleg uw plan altijd met uw buren. Bouw natuurinclusief, dit draagt bij aan een gezonde en aantrekkelijke omgeving voor alle gebruikers. Vergroening zorgt voor verkoeling en luchtzuivering. Denk hierbij aan een groen dak of neststenen voor vogels en vleermuizen. Vrijstaand bijgebouw Reguliere criteria voor vrijstaande bijgebouwen De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de hand van criteria van de welstandseenheid. Algemeen De criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Een vrijstaand bijgebouw is een ondergeschikte toevoeging aan het straatbeeld en bij het hoofdgebouw en mag deze niet overstemmen. Bij een architectonische eenheid wordt gestreefd naar herhaling van gelijke, of op elkaar afgestemde exemplaren. Vormgeving Plattegrond: in principe rechthoekig. Het dak is plat afgedekt, of heeft een kapvorm die van het hoofdgebouw is afgeleid (richting en hellingshoek van de dakvlakken). Een gevel op of grenzend aan de grens met het openbaar toegankelijk gebied is onderdeel van het straatbeeld, wordt gesloten uitgevoerd en vertoont samenhang met de detaillering van het hoofdgebouw. Een gevel van een aan huis gebonden beroep is afgestemd op de gevelindeling van het hoofdgebouw en valt niet te veel op in het straatbeeld. Detaillering is terughoudend: bescheiden overstekken, een gevel bij voorkeur beëindigd met een daktrim, boeiboord (maximaal 25 centimeter hoog) en beperkt ornamenten. Materiaal en kleur Terughoudend materiaal- en kleurgebruik. Materialen op een eenduidige en rustige manier toepassen, niet in verschillende richtingen. Een gevel op grens met openbaar toegankelijk gebied, die de erfafscheiding onderbreekt is onderdeel van het straatbeeld: kleur en materiaal is afgestemd op het hoofdgebouw. Duurzame en representatieve materialen gebruiken zoals hout, metselwerk. Geen golfplaten, beton of damwandprofielen of plaatmateriaal. Tips Plaats het bijgebouw op voldoende afstand van de erfafscheiding met openbaar toegankelijk gebied, zodat: U het gebouw en de tussenruimte kunt onderhouden vanaf eigen terrein en vervuiling of veroudering kunt voorkomen. Een eenduidige en doorlopende (niet onderbroken) erfafscheiding kan blijven staan. Dit draagt bij aan een rustig en representatief straatbeeld. Er ruimte blijft voor een groene erfafscheiding zoals een haag. Geen bouwdelen boven en afwatering op openbaar toegankelijk gebied. Wilt u weten waar de grens van uw grond precies ligt? Dit kunt u navragen bij het Kadaster. Overleg uw plan altijd met uw buren. Bouw natuurinclusief, dit draagt bij aan een gezonde en aantrekkelijke omgeving voor alle gebruikers. Vergroening zorgt voor verkoeling en luchtzuivering. Denk hierbij aan een groen dak of neststenen voor vogels en vleermuizen. Carport of overkapping Reguliere criteria voor een carport of overkapping De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de hand van criteria van de welstandseenheid. Algemeen De criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Carport of overkapping in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). Een carport of overkapping is een ondergeschikte toevoeging aan het straatbeeld en bij het hoofdgebouw en mag deze niet overstemmen. Bij een architectonische eenheid wordt gestreefd naar herhaling van gelijke exemplaren. Vormgeving Het bouwwerk heeft een eenvoudige, rustige hoofdvorm: De plattegrond is in principe rechthoekig: in beginsel gevels evenwijdig aan, of haaks op de gevels van het hoofdgebouw. Als de zij-erfgrens niet evenwijdig ligt aan de zijgevel kan de richting van die erfgrens worden overgenomen. Het dak is plat afgedekt, of heeft een kapvorm die van het hoofdgebouw is afgeleid (richting en hellingshoek van de dakvlakken). Als het bouwwerk gebouwd mag worden op de perceelsgrens (zie omgevingsplan) met openbaar toegankelijk gebied of direct ernaast: De erfafscheiding blijft bij voorkeur staan. Een wand van een overkapping (eventueel van een ander materiaal) achter een erfafscheiding houdt de erfafscheiding herkenbaar als onderscheidend bouwwerk. Of de wand van het bouwwerk wordt afgestemd op het materiaal van de erfafscheiding, zodat het doorlopende materiaal van de erfafscheiding niet wordt onderbroken. Carport dicht bij het hoofdgebouw of aangebouwd aan een hoofdgebouw (direct of indirect, bijvoorbeeld aan een bestaande aanbouw): Slanke (fijngebouwd) staanders en dakrand. Plat dak of zeer licht gebogen. Een gebogen dak is zoveel mogelijk verdekt aangebracht achter een dakrand. Boeiboord bij voorkeur alleen toepassen achter de voorgevel of als het aansluit bij de architectuur van het hoofdgebouw en als de carport daardoor niet te veel opvalt. Detaillering is terughoudend, zoals bescheiden overstek en boeiboord of ornamenten, slanke staanders. Materiaal en kleur Materiaal- en kleurgebruik is terughoudend of afgestemd op het hoofdgebouw. Duurzame en representatieve materialen gebruiken zoals hout, metselwerk. Geen golf-, beton of damwandprofielplaten of plaatmateriaal. Carport of overkapping in een gebied met een hoge erfgoedwaarde Een carport of overkapping in een gebied met een hoge voldoen aan de criteria. In bijzondere gevallen is de kenmerkende cultuurhistorische opzet dusdanig dat het toevoegen van een carport of overkapping voor de voorgevel (geen carport of overkapping voor de voorgevel), tegen de zijgevel (geen carport of overkapping tegen de zijgevel) of zowel voor de voorgevel als tegen de zijgevel (geen carport of overkapping voor de voorgevel en/of tegen de zijgevel) ongewenst is. Voor een carport of overkapping in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kunnen specifieke eisen gelden om deze erfgoedwaarden te beschermen. Hiervoor zijn drie categorieën opgenomen. Geen carport of overkapping voor de voorgevel Er is GEEN carport of overkapping voor de voorgevel toegestaan. Geen carport of overkapping tegen de zijgevel Er is GEEN carport of overkapping tegen de zijgevel toegestaan. Geen carport of overkapping voor de voorgevel en/of tegen de zijgevel Er is GEEN carport of overkapping voor de voorgevel en/of tegen de zijgevel toegestaan. Tips Plaats het bouwwerk op voldoende afstand van de erfafscheiding met openbaar toegankelijk gebied, zodat: u het gebouw en de tussenruimte kunt onderhouden vanaf eigen terrein en vervuiling of veroudering kunt voorkomen. een eenduidige en doorlopende (niet onderbroken) erfafscheiding kan blijven staan. Dit draagt bij aan een rustig en representatief straatbeeld. Er ruimte blijft voor een groene erfafscheiding zoals een haag. Geen bouwdelen boven en afwatering op openbaar toegankelijk gebied. Wilt u weten waar de grens van uw grond precies ligt? Dit kunt u navragen bij het Kadaster. Overleg uw plan altijd met uw buren. Bouw natuurinclusief, dit draagt bij aan een gezonde en aantrekkelijke omgeving voor alle gebruikers. Vergroening zorgt voor verkoeling en luchtzuivering. Denk hierbij aan een groen dak of neststenen voor vogels en vleermuizen. Geveloptrekking Van een geveloptrekking is sprake als bij een gebouw een gevel wordt opgetrokken, waardoor de bestaande goot wordt onderbroken of wordt verhoogd. Er kan hierdoor een nieuwe of grotere ruimte ontstaan. Een geveloptrekking verandert de hoofdvorm van een gebouw en is daardoor vaak opvallend in het straatbeeld. Reguliere criteria voor geveloptrekking De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de algemene criteria. Deze staan uitgewerkt in de “Algemene criteria” in het onderdeel ‘Werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. Algemeen Deze criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Geveloptrekking in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). Een geveloptrekking is een ondergeschikte toevoeging van maximaal één bouwlaag op de hoofdvorm van de woning (hoofgebouw) en moet passend zijn bij het straatbeeld en de oorspronkelijke architectuur en mag die niet overstemmen. Een uitbreiding vertoont samenhang met de architectuur van het hoofdgebouw. Meerdere geveloptrekkingen binnen de architectonische eenheid zijn gelijk uitgevoerd en hebben een regelmatige plaatsing op een horizontale lijn. Een geveloptrekking die om stedenbouwkundige redenen aanwezig is, bijvoorbeeld op een eind-, of hoekwoning wordt in principe niet herhaald bij naastgelegen woningen. Een geveloptrekking aan voorgevel of naar openbaar toegankelijk gebied wordt altijd voorgelegd aan de commissie. Vormgeving Bij een verhoging van de kap als geheel is de breedte in beginsel altijd de volledige woningbreedte, zodat een daaropvolgende geveloptrekking eenduidig kan aansluiten en een nieuw samenhangend geheel kan ontstaan met een doorlopende goothoogte. Nieuwe dakhellingen zijn in beginsel gelijk aan bestaande dakhellingen of afgestemd op de dakvorm van de architectonische eenheid. De oppervlakte aan gesloten gevel van de uitbreiding is passend bij de gevelindeling van het bestaande hoofdgebouw en niet nadrukkelijk groot (hoogte borstwering is maximaal 85 centimeter). Geen overmaat aan detailleringen; bescheiden dakoverstek, boeiboord en ornamenten. Materiaal en kleur Materiaal- en kleurgebruik terughoudend en afgestemd op het hoofdgebouw. Bij metselwerk voortzetten type en kleur baksteen, voeg en metselverband zoals het bestaande metselwerk. Geveloptrekking in een gebied met een hoge erfgoedwaarde Een geveloptrekking in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kan voldoen aan de criteria. In bijzondere gevallen is de kenmerkende cultuurhistorische opzet dusdanig dat het toepassen van een geveloptrekking ongewenst is. Voor een geveloptrekking in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kunnen specifieke eisen gelden om deze erfgoedwaarden te beschermen. Hiervoor is één categorie opgenomen. Geen geveloptrekking Er is GEEN geveloptrekking toegestaan. Tips Overleg uw plan altijd met uw buren. Bouw natuurinclusief, dit draagt bij aan een gezonde en aantrekkelijke omgeving voor alle gebruikers. Vergroening zorgt voor verkoeling en luchtzuivering. Denk hierbij aan een groen dak of neststenen voor vogels en vleermuizen. Dakopbouw op een hoofdgebouw Een dakopbouw kan zowel een op een plat dak als op een schuin dak gerealiseerd worden. Bij een plat dak wordt extra bouwlaag op het platte dak van de bestaande woning gerealiseerd. Bij een schuin dak is de kap niet hoog genoeg en wordt een dakopbouw toegepast om extra woonruimte op deze bouwlaag te realiseren. Het type dakopbouw dat het beste past op het hoofdgebouw is afhankelijk van de oorspronkelijke architectuur. Bij woningen met een traditionele bouwstijl past in veel gevallen een dakopbouw met een schuin voor- en achterdak met dakpannen. Bij woningen met een moderne uitstraling is een terugliggend volume zonder dakhellingen vaak het meest passend. Bij straatwanden met een diversiteit in bebouwing is onderscheid tussen dakopbouwen vaker mogelijk. Reguliere criteria voor een dakopbouw met plat dak over de nok van een zadeldak De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de algemene criteria. Deze staan uitgewerkt in de “Algemene criteria” in het onderdeel ‘Werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. Algemeen De criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Dakopbouw in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). Dit type dakopbouw is alleen mogelijk als de regels voor een dakkapel onvoldoende ruimte bieden om een verblijfsruimte met voldoende hoogte te realiseren. Een dakopbouw is een ondergeschikte toevoeging aan van de hoofdvorm van de woning. Het dak waarop de dakopbouw wordt geplaatst heeft een dakhelling van ten minste 30 graden. Meerdere dakopbouwen in dezelfde architectonische eenheid hebben een systematische plaatsing op een horizontale lijn en zijn gelijkvormig. Deze criteria gelden voor een eengezinswoning van twee lagen met een kap, niet zijnde een woongebouw (zoals portieketageflat, galerijflat). Maatvoering Zijkanten minimaal 0,5 meter van de zijgevel en woning scheidende muur. De breedte van de voorkant en achterkant van de dakopbouw is maximaal 60% van de breedte van het dakvlak, tot een maximum van 5 meter per dakopbouw. De dakoverstek wordt niet meegerekend. De hoogte van de dakopbouw is, gemeten vanaf de voet van de dakopbouw (snijlijn tussen dakpannen en voor- of achtergevel van de dakopbouw) maximaal 1,65 meter. De voet van de dakopbouw moet minimaal 0,85 meter en maximaal 1 m boven de bovenkant van de vloer. De dakopbouw mag maximaal 0,35 meter hoger zijn dan de bestaande nok, waarbij geldt dat de interne vrije hoogte (stahoogte) in de dakopbouw maximaal 2,30 meter mag zijn. Het boeiboord is maximaal 30 centimeter hoog. Afstanden zijn horizontaal of verticaal gemeten, niet langs de dakhelling. Vormgeving De dakopbouw is plat afgedekt. De dakopbouw heeft een eenduidige rechthoekige plattegrond. De bovenkant is doorlopend en horizontaal en de hoogte van voorkant en achterkant is gelijk De dakopbouw wordt zowel aan de voorkant als de zijkanten uitgevoerd met een dakoverstek. Deze is maximaal 20 centimeter (Het overstek aan zijkanten mag kleiner zijn dan aan de voorkant en achterkant). Het boeiboord volgt de gehele dakrand, dus ook aan de zijkanten, en ligt in zijn geheel boven de bestaande daknok. De voorkant en achterkant bestaan zoveel mogelijk uit kozijnen en glas. Geen horizontale tussenstijlen, dichte panelen of borstwering. De linker- en rechterzijde zijn gelijk van maat en maximaal 20 centimeter breed. Daartussen alleen ter plaatse van een achterliggende muur maximaal 1 gesloten paneel van max 20 centimeter breed. Detaillering: boeiboord van plaatmateriaal of horizontale delen, geen zichtbare bevestigingsmiddelen en ornamenten. Detaillering zijkanten: ondoorzichtig, vlak plaatmateriaal of stroken in horizontale richting. Materiaal en kleur Materialen: geschilderd hout, kunststof, zijkanten mogen in niet spiegelend metaal worden uitgevoerd, glas als invulling van kozijnen. Kleur: donkergroene, donkerblauwe, donkerbruine, grijze of (crème) witte spectrum. Reguliere criteria voor een dakopbouw De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de algemene criteria. Deze staan uitgewerkt in de “Algemene criteria” in het onderdeel ‘Werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. Algemeen Deze criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Dakopbouw in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). Een dakopbouw is een ondergeschikte toevoeging van maximaal één bouwlaag op de hoofdvorm van een hoofgebouw. Het type dakopbouw is afgestemd op de oorspronkelijke architectuur. Als de gootlijn in de betreffende architectonische eenheid niet is onderbroken, dient deze in stand te blijven. Breedte in beginsel altijd gelijk aan de volledige woningbreedte, regelmatige plaatsing op een horizontale lijn en gelijk van vorm en maat en plaats, zodat een daaropvolgende dakopbouw eenduidig kan aansluiten. Als er meerdere soorten dakopbouwen zijn, dan wordt de dakopbouw van het dichtstbijzijnde buurpand (waarop aangesloten kan worden en voldoet aan de criteria) toegepast. Geen overmaat aan detailleringen; bescheiden dakoverstek, boeiboord en ornamenten. Vormgeving teruggeplaatste dakopbouw met rechte wanden op een plat dak De dakopbouw is plat afgedekt. De mate van terugplaatsing moet afgestemd zijn of overeenkomen met de positie van overige dakopbouwen op de architectonische eenheid. De hoogte is gelijk aan of niet nadrukkelijk hoger dan de eronder gelegen verdiepingshoogte(n). Voorzijde: zo transparant mogelijk, afgestemd op de gevelindeling van het hoofdgebouw. Bij een dakopbouw in het verlengde van een bestaande zijgevel; hetzelfde materiaal en detaillering als de bestaande gevel toepassen. Vormgeving niet-terugliggende dakopbouw met schuine dakvlakken op een plat dak Dakvlakken tussen 45° en 70°, bedekt met dakpannen, daartussen plat afgedekt of als mansardekap als dat past bij de architectonische eenheid. Bij een architectonische eenheid in beginsel een voor- en achterdakvlak evenwijdig aan de voor- en achtergevel. In principe geen loggia aan de voorzijde. Vormgeving dakopbouw op zadeldak door verlenging dakvlak en verhoging nok Dit type dakopbouw is mogelijk binnen een architectonische eenheid waar dit type dakopbouw eerder is vergund en gerealiseerd. Anders is het type dakopbouw met plat dak over de nok van een zadeldak uitgangspunt. Afgestemd op maatvoering en vormgeving van de eerder geplaatste dakopbouw. De hellingshoek van het dakvlak is gelijk aan de hellingshoek van het bestaande dak. De zijkanten zijn verticaal en ondoorzichtig. Bij een dakopbouw in het verlengde van een bestaande zijgevel hetzelfde materiaal en detaillering toepassen als de bestaande gevel. Materiaal en kleurgebruik Materiaal- en kleurgebruik terughoudend of afgestemd op hoofdgebouw, zodat de dakopbouw niet zwaarder oogt dan het hoofdgebouw. Bij metselwerk voortzetten in dezelfde gevel; type en kleur baksteen, voeg en metselverband zoals het bestaande metselwerk. Dakopbouw in een gebied met een hoge erfgoedwaarde Een dakopbouw in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kan voldoen aan de criteria. In bijzondere gevallen is de kenmerkende cultuurhistorische opzet dusdanig dat het toepassen van een dakopbouw ongewenst is. Voor een dakopbouw in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kunnen specifieke eisen gelden om deze erfgoedwaarden te beschermen. Hiervoor zijn vier categorieën opgenomen. Dakopbouw volgt breedte hoofdgebouw De breedte van de dakopbouw is hetzelfde als de breedte van de woning, dit betekent dat de dakopbouw op de woningscheidende wanden staat. Geen plat dak dakopbouw De dakopbouw moet schuin afgedekt worden (geen plat dak). De dakhelling van de dakopbouw moet gelijk aan de dakhelling van het bestaande dakvlak te zijn. Dakopbouw volgt breedte hoofdgebouw en geen plat dak De breedte van de dakopbouw is hetzelfde als de breedte van de woning, dit betekent dat de dakopbouw op de woningscheidende wanden staat. De dakopbouw moet schuin afgedekt worden (geen plat dak) . De dakhelling van de dakopbouw moet gelijk aan de dakhelling van het bestaande dakvlak te zijn. Geen dakopbouw Er is GEEN dakopbouw toegestaan. Tips Overleg uw plan altijd met uw buren. Om de hoogte van de dakopbouw niet te benadrukken zijn stroken in de gevelbekleding in horizontale richting aangebracht en niet in verticale of schuine richting. Bouw natuurinclusief, dit draagt bij aan een gezonde en aantrekkelijke omgeving voor alle gebruikers. Vergroening zorgt voor verkoeling en luchtzuivering. Denk hierbij aan een groen dak of neststenen voor vogels en vleermuizen. Hoofdgebouw uitbreiden achter de achtergevel Een uitbreiding van het hoofdgebouw is een bouwwerk van meer bouwlagen met een dak (eventueel met kap), die het bouwvolume aan een hoofdgebouw uitbreidt. Plaatsing in een binnenterrein of in het zicht vanaf het openbaar toegankelijk gebied is zeer bepalend voor het aanzicht van de omgeving of het straatbeeld. Dit geldt met name als de zichtbaarheid ervan groter is, zoals bij een hoekperceel. Deze uitbreidingen zijn niet vergunningsvrij. Reguliere criteria woning uitbreiden met meerdere verdiepingen achter de achtergevel De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de algemene criteria. Deze staan uitgewerkt in de “Algemene criteria” in het onderdeel ‘Werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. Algemeen De criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Hoofdgebouw uitbreiden achter de achtergevel in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). De uitbreiding moet passend zijn bij het straatbeeld, de oorspronkelijke architectuur en bij de hoofdvorm van de woning (hoofdgebouw) en mag die niet overstemmen. Een uitbreiding vertoont samenhang met de architectuur van het hoofdgebouw. Als niet wordt aangesloten bij de uitstraling van het hoofdgebouw is het verschil in uitstraling afgestemd op het hoofdgebouw en het straatbeeld. Bij een architectonische eenheid wordt gestreefd naar herhaling van gelijk uitgevoerde uitbreidingen. Vormgeving Plattegrond: in principe rechthoekig. De hoogte van de uitbreiding is afgestemd op de verdiepingshoogte van de bestaande bouwlagen. Hoekperceel: als een woning een karakteristieke hoofdvorm of specifieke architectuur met kenmerkende details heeft, dan is een contrasterende uitvoering geschikt zodat de bestaande woning herkenbaar blijft. De gevelindeling is afgestemd op de oorspronkelijke architectuur van de gevel en architectonische eenheid waarvan deze deel van uitmaakt; behoud van de bestaande gevelindeling en/of indeling zoveel mogelijk aansluiten op de verticale en horizontale indeling van de gevel. De kozijnen zijn afgestemd op belangrijke kenmerken van de bestaande kozijnen in de gevel en architectonische eenheid waarvan deze deel van uitmaakt; kozijnindeling, diepteligging van de kozijnen in de gevel, profielmaten van kozijnonderdelen en tussenstijlen (kleine afwijkingen toegestaan). Geen overmaat aan detailleringen; bescheiden dakoverstek, boeiboord en ornamenten. Detaillering is terughoudend, zoals bescheiden (of geen) dakoverstek en boeiboord of ornamenten, of de detaillering wordt overgenomen van het hoofdgebouw, zoals rollagen, speklagen, lateien. Materiaal en kleur Materiaal- en kleurgebruik terughoudend of afgestemd op hoofdgebouw. Type en kleur baksteen, voeg en metselverband zoals het bestaande metselwerk of erop afgestemd. Hoofdgebouw uitbreiden achter de achtergevel in een gebied met een hoge erfgoedwaarde Een uitbreiding van het hoofdgebouw achter de achtergevel in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kan voldoen aan de criteria. In bijzondere gevallen is de kenmerkende cultuurhistorische opzet dusdanig dat het toepassen van een uitbreiding van het hoofdgebouw achter de achtergevel ongewenst is. Voor een uitbreiding van het hoofdgebouw achter de achtergevel in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kunnen specifieke eisen gelden om deze erfgoedwaarden te beschermen. Hiervoor is één categorie opgenomen. Geen uitbreiding van het hoofdgebouw achter de achtergevel Er is GEEN uitbreiding van het hoofdgebouw achter de achtergevel toegestaan. Tips Overleg uw plan altijd met uw buren. Een ‘overgangselement’ tussen de bestaande en de nieuwe gevel kan zorgen voor een betere aansluiting tussen op elkaar lijkend materiaal, zoals bakstenen of tussen verschillende materialen, bijvoorbeeld: een smalle inspringende verticale strook metselwerk of een raamstrook, Bouw natuurinclusief, dit draagt bij aan een gezonde en aantrekkelijke omgeving voor alle gebruikers. Vergroening zorgt voor verkoeling en luchtzuivering. Denk hierbij aan een groen dak of neststenen voor vogels en vleermuizen. Kozijnwijziging of gevelwijziging Een kozijnwijziging is het veranderen van de invulling binnen de gevelopening, zoals een kozijn, de kozijninvulling, luik, garagedeur of poort. Een gevelwijziging is het veranderen van de grootte van een gevelopening of het verplaatsen van een gevelopening of gevelpaneel. Omdat de opbouw en indeling van de gevel een belangrijk onderdeel is van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand, moeten kozijn- of gevelwijzigingen zorgvuldig worden ingepast. Met name een kozijn- of gevelwijziging in de voorgevel of zijgevel als deze gekeerd is naar de weg of het openbaar toegankelijk gebied vraagt om een zorgvuldige vormgeving. Voor het wijzigen van een winkelpui; zie criteria winkelpui wijzigen. Reguliere criteria kozijnwijziging of gevelpaneel veranderen De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de algemene criteria. Deze staan uitgewerkt in de “Algemene criteria” in het onderdeel ‘Werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. Algemeen De criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Kozijnwijziging of gevelwijziging in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). Vormgeving De gevelwijziging is afgestemd op de oorspronkelijke architectuur van de gevel en architectonische eenheid waarvan deze deel van uitmaakt; behoud van de bestaande gevelindeling en/of indeling zoveel mogelijk aansluiten op de verticale en horizontale indeling van de gevel. De kozijnwijziging is afgestemd op belangrijke kenmerken van de bestaande kozijnen in de gevel en architectonische eenheid waarvan deze deel van uitmaakt; kozijnindeling, diepteligging van de kozijnen in de gevel, profielmaten van kozijnonderdelen en tussenstijlen (kleine afwijkingen toegestaan). De samenhang en ritmiek van de straatwand mag niet worden verstoord. Het veranderen van een begane grond verdieping heeft relatie met het bovenliggende gevelvlak en is dus geen op zichzelf staande ontwerpopgave. Oorspronkelijke details in de gevel (zoals: lateien, raamlijsten, speklagen, rollagen) behouden, of in ieder geval in overeenstemming met andere in de gevel voorkomende detailleringen. Bij vervanging van een garagedeur door een pui: geen gemetselde borstwering. Materiaal en kleur Materiaal- en kleurgebruik terughoudend en afgestemd op het hoofdgebouw. Gevelopeningen in hoofdzaak transparant invullen met uitzondering van deuren. Kozijnwijziging of gevelwijziging in een gebied met een hoge erfgoedwaarde Kozijnwijzigingen of gevelwijzigingen in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kunnen voldoen aan de criteria. In bijzondere gevallen is de kenmerkende cultuurhistorische opzet dusdanig dat een kozijnwijziging of gevelwijziging ongewenst is. Voor een kozijnwijziging of gevelwijziging in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kunnen specifieke eisen gelden om deze erfgoedwaarden te beschermen. Hiervoor is één categorie opgenomen. Geen kozijnwijziging of gevelwijziging Er is GEEN kozijnwijziging of gevelwijziging toegestaan. Tips Overleg uw plan altijd met uw buren. Bij karakteristieke stalen kozijnen zijn de maatvoering en profilering beeldbepalend. Bij vervanging hiervan bieden aluminium kozijnen goede mogelijkheden voor de benadering van de oorspronkelijke maatvoering en profilering. Dakterras bouwen Een dakterras is een toegankelijke buitenruimte op een plat dak van een hoofdgebouw of aan- of uitbouw, begrensd door een balustrade. In de meeste gevallen zijn ze beperkt zichtbaar vanuit het openbaar toegankelijk gebied, maar als ze wel zichtbaar zijn kunnen ze grote invloed hebben op het straatbeeld. Reguliere criteria dakterras De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de algemene criteria. Deze staan uitgewerkt in de “Algemene criteria” in het onderdeel ‘Werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. Algemeen Deze criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Dakterras in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). Het dakterras is een ondergeschikte toevoeging in de omgeving en aan de hoofdvorm van het gebouw en is afgestemd op de architectonische eenheid. Plaatsing Op het hoofdgebouw van een woning: het hekwerk minimaal 1 meter van de dakrand plaatsen. Op het hoofdgebouw van een wooncomplex of bij een collectieve daktuin: dakterras centraal op het dak plaatsen en de balustrade in beginsel minimaal 2 meter van de dakrand, om de plaats en de omvang van het dakterras afstemmen op de totale inrichting met groen dak. Op een aan- of uitbouw: achter de dakrand. Vormgeving Eenduidige plattegrond. De hoogte van de balustrade is zo laag mogelijk en afgestemd op de benodigde hoogte voor valbeveiliging. De balustrade is aangebracht achter het verlengde van de gevel, niet bevestigd aan de gevel eronder. De indeling van de balustrade en de materialen zijn afgestemd op de architectuur van de onderliggende gevel. De balustrade of het hekwerk is transparant, zoals een metalen spijlen hekwerk met hart- op hartafstand van 10 cm, of balustrade van glas, en wordt niet dicht gezet met rieten matten, plastic of vergelijkbaar materiaal. Toegang dak bij voorkeur met een dakluik of anders een lage opbouw van maximaal 1 meter hoog (transparant uitgevoerd, kleinschalig en zo min mogelijk zichtbaar vanuit het openbaar toegankelijk gebied). Geen overmaat aan detailleringen. Materiaal en kleur Kleur hekwerk spijlen is terughoudend, bijvoorbeeld donker kleurgebruik en afgestemd op het hoofdgebouw. Hekwerk van metalen spijlen. Dakterras bouwen in een gebied met een hoge erfgoedwaarde Dakterrassen in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kunnen voldoen aan de criteria. In bijzondere gevallen is de kenmerkende cultuurhistorische opzet dusdanig dat een dakterras op het hoofdgebouw of op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk gericht op openbaar toegankelijk gebied ongewenst is. Voor een dakterras in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kunnen specifieke eisen gelden om deze erfgoedwaarden te beschermen. Hiervoor zijn twee categorieën opgenomen. Geen dakterras Er is GEEN dakterras toegestaan. Geen dakterras op het hoofdgebouw Er is GEEN dakterras op het hoofdgebouw toegestaan. Tips Overleg uw plan altijd met uw buren. Bouw natuurinclusief, dit draagt bij aan een gezonde en aantrekkelijke omgeving voor alle gebruikers. Vergroening zorgt voor verkoeling en luchtzuivering. Denk hierbij aan een groen dak. Groen dak of groene gevel Een goed ingerichte en onderhouden groene omgeving is aantrekkelijk om in te wonen, werken en te recreëren en draagt bij aan de omgevingskwaliteit. Beplanting houdt water vast, verkoelt, zorgt voor schone lucht en biedt kansen voor dieren. Het "groen" van het groen dak heeft betrekking op de organische dakbedekking, de natuurlijke begroeiing en dus niet zozeer op de kleur van de vegetatie. Een groen dak heeft meestal een groen-dak-pakket met substraat en drainagelaag, al dan niet in een systeem met kratten en is niet bedoeld als beloopbare tuin (voor beloopbare groene daken gelden de criteria voor dakterrassen). Een groene gevel is een gevel met begroeiing, al dan niet met een gevelsysteem dat planten en de groei ondersteunt, en is een nadrukkelijk zichtbare vergroening van een gebouw en de omgeving. Reguliere criteria groene daken of groene gevels De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de algemene criteria. Deze staan uitgewerkt in de “Algemene criteria” in het onderdeel ‘Werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. Algemeen Deze criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Groen dak of groene gevel in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). Het groene dak of de groene gevel is afgestemd op de architectuur. Materialen en systemen zoals rasters, kratten, matten, en bevestigingssystemen zijn visueel nadrukkelijk ondergeschikt aan- en uit het zicht onttrokken achter de beplanting. Vormgeving Als de hoogte van een groen-dak-pakket/ systeem hoger is dan de dakrand van het platte dak, dan is de afstand tot de dakrand ten minste gelijk aan de afstand van het hoogste punt van het groen-dak-pakket/ systeem tot de bovenkant van de dakrand. Een ombouw om een groen-dak-pakket/ systeem is neutraal vormgeven. Bij schuine daken van seriematige bebouwing wordt het groene dak aangebracht tot de woning scheidende muur, zodat daarop kan worden aangesloten bij naastgelegen panden. Kenmerkende elementen zoals dakranden, boeiboorden, nokpannen in beginsel in stand laten. Beplanting van gevelvlakken wordt afgestemd op de architectuur en gevelindeling. Belijning van gevelvlakken en gevelopeningen blijft zichtbaar door strakke randen en kaders van de (constructie van de) beplanting. Materiaal en kleur Materialen en systemen zoals rasters, kratten, matten, en bevestigingssystemen toepassen die verouderen zonder aan (visuele) kwaliteit te verliezen. Kleurgebruik van het groen-dak-pakket/ systeem: terughoudend en afstemmen op het gebouw waarop of waaraan het wordt geplaatst. Materiaal en techniek wordt zo gekozen dat bevriezing en uitdroging wordt voorkomen en een optimale dekkende begroeiing wordt bereikt als onderdeel van het architectuurbeeld. Groen dak en groene gevel in een gebied met een hoge erfgoedwaarde Een groen dak en/of groene gevel kan voldoen aan de criteria. In bijzondere gevallen is de kenmerkende cultuurhistorische opzet dusdanig dat het toepassen van een groen dak en/of groene gevel ongewenst is. Voor een groen dak en/of groene gevel in een gebied met een hoge erfgoedwaarde kunnen specifieke eisen gelden om deze erfgoedwaarden te beschermen. Hiervoor is drie categorieën opgenomen. Geen groen dak op een hellend dakvlak Er is GEEN groen dak op een hellend dakvlak toegestaan. Geen groene voorgevel of zijgevel Er is GEEN groene voorgevel of zijgevel toegestaan. Geen groen dak op een hellend dakvlak in combinatie met een groene voorgevel of zijgevel Er is GEEN groen dak op een hellend dakvlak in combinatie met een groene voorgevel of zijgevel toegestaan. Tips Overleg uw plan altijd met uw buren. Wilt u een groen dak aanleggen op een bestaande woning? Controleer of uw dak hiervoor geschikt is. Een systeem dat aan het gebouw wordt bevestigd om een groene gevel te maken moet stevig zijn en bestand zijn tegen weersinvloeden en hoge en lage temperaturen. Pas een systeem toe waarbij bewatering en bemesting van een groene gevel goed functioneert, omdat het uitgangspunt is dat de constructie vlakdekkend begroeid is en blijft. Controleer minstens eenmaal per jaar de afvoer van het groene dak. Controleer of de gemeente subsidie geeft voor de aanleg van een groen dak. Zonnepanelen en zonnecollectoren installeren Een zonnepaneel dient voor stroomopwekking en een zonnecollector voor warmteopwekking. Zonnepanelen en zonnecollectoren op daken zijn toevoegingen die in veel gevallen het straatbeeld niet zullen verstoren. Ze kunnen in veel gevallen op daken vergunningvrij worden geplaatst, met uitzondering van het beschermd stadsgezicht en bij monumenten. Zonnepanelen op daken die niet aan de criteria van vergunningsvrij voldoen of geplaatst worden in een beschermd stadsgezicht of monument, vallen onder maatwerk en zullen voorgelegd worden aan de commissie. Reguliere criteria zonnepanelen en zonnecollectoren De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de algemene criteria. Deze staan uitgewerkt in de “Algemene criteria” in het onderdeel ‘Werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. Algemeen De sneltoetscriteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Panelen/collectoren zijn een ondergeschikte toevoeging ten opzichte van de hoofdvorm van een gebouw, aan het uiterlijk van het gebouw en de omgeving en zijn afgestemd op de architectuur. Plaatsing In beginsel op daken Aan voor- of zijgevels die gekeerd zijn naar het openbaar toegankelijk gebied: niet toegestaan, tenzij bij nieuwbouw geïntegreerd in de architectonische ontwerpopgave. Overige gevels geheel binnen het gevelvlak, hellingshoek in principe gelijk aan de gevel, zodat de hoofdvorm van het gebouw niet wordt verstoord. Plaatsing aan een minder belangrijke zijde of op tuinbergingen kan een alternatief zijn. Indien de collector of het paneel niet één geheel vormt met de bijbehorende installatie, dan moet de installatie aan de binnenzijde van het bouwwerk worden geplaatst. Vormgeving Zoveel mogelijk in één vlak met een zo eenvoudig mogelijke vorm en uitstraling, zoals een rechthoekige vorm, plaatsing tegen elkaar, rangschikking op horizontale of verticale lijn en regelmatig patroon. Bij nieuwbouw: ontworpen in samenhang met de architectuur en gevelindeling. Als toevoeging op/ aan een bestaand gebouw: afgestemd op de architectuur en gevelindeling Bij panelen/collectoren tegen de gevel wordt de plaatsing en het aantal afgestemd op de architectuur en blijven kenmerken van de gevel herkenbaar en bepalend in het gevelbeeld. Materiaal en kleur Duurzame materialen toepassen. Op een kap: kleur overeenkomstig met het achterliggende dakvlak of anders zwart, antraciet of donkergrijs Aan een gevel: de kleur is onopvallend en afgestemd op de architectuur het gebouw en de omgeving, waardoor de installatie niet in het oog springt tegen de gevel of achtergrond. Als de standaard fabriekskleuren niet passend zijn, kunnen beprint of gekleurd voorglas of andere innovatieve toepassingen met effect voor kleur en uitstraling mogelijk wel. Tips Overleg uw plan met uw buren. Bij meerdere collectoren/panelen op één doorgaand dakvlak moet gestreefd worden naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Dit zorgt voor een rustig straatbeeld. Houd bij plaatsing ook rekening met schaduw van straatbomen in de directe omgeving. De gemeente snoeit of kapt geen bomen als u last heeft van schaduw. Installatie of airco en warmtepomp bij een woning Een installatie is een toegevoegd element aan een gebouw. Het gaat bijvoorbeeld om een airco-unit of en warmtepomp-unit bij een woning, mechanische ventilatie, luchtbehandelingskasten en bijbehorende afvoerkanalen. Installaties horen bij het functioneren of veranderend gebruik van een gebouw, anderzijds hoort een installatieruimte in een gebouw. Sneltoetscriteria airco of warmtepomp-unit Een airco- of warmtepomp-unit voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze voldoet aan de volgende criteria: Algemeen De sneltoetscriteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Installatie of airco en warmtepomp in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). De sneltoetscriteria zijn niet van toepassing bij plaatsing aan de voorgevel of op het dak van een hoofdgebouw. De sneltoetscriteria zijn van toepassing op grondgebonden woning, niet zijnde een woongebouw (zoals portieketageflat, galerijflat). Plaatsing Niet aan de voorgevel, in het voorerfgebied of boven openbaar toegankelijk gebied. Aan een achtergevel of in het achtererfgebied. Aan een zijgevel of op een aan- of uitbouw; 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw. Bij plaatsing op een plat dak van een aan- of uitbouw gelden de volgende voorwaarden: Gekoppeld aan de zij- of achtergevel van het hoofdgebouw; Minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw; Minimaal 1 meter achter de dakrand van de aan- of uitbouw aan de zijde die gericht is naar openbaar toegankelijk gebied. Plaatsing kabelgoten: tegen een gevel horizontaal en/of verticaal aangebracht of aansluitend aan een schuine dakrand (er onder). Maatvoering Hoogte op de grond of op een plat dak maximaal 1,5 meter, oppervlakte plattegrond maximaal 1 m². Opgehangen aan een gevel; hoogte maximaal 1 meter, maximaal 0,75 meter uitstekend uit de gevel en de oppervlakte van de voorkant van de installatie in totaal maximaal 1 m². Materiaal en kleur Kleur: donkergroene, donkerblauwe, donkerbruine, grijze of (crème) witte spectrum. Materialen ombouw, behuizing en kabelgoten: niet spiegelend metaal, kunststof. Reguliere criteria installaties De reguliere criteria zijn te gebruiken als richtlijn bij een woning, waarmee de uitvoering van bouwwerken af te stemmen is op het hoofdgebouw en de omgeving. Als de uitvoering, zoals maat of vorm, niet past binnen deze criteria, dan wordt het plan getoetst aan de algemene criteria. Deze staan uitgewerkt in de “Algemene criteria” in het onderdeel ‘Werking van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit’. Algemeen De criteria zijn niet van toepassing bij een rijksmonument, gemeentelijk monument of in een beschermd stadsgezicht. Voor gebieden met een hoge cultuurhistorische waarden kunnen afwijkende regels gelden (zie: Installatie of airco en warmtepomp in een gebied met een hoge erfgoedwaarde). Een installatie is een ondergeschikt element op of aan het uiterlijk van een gebouw en de omgeving. Plaatsing Een installatie is zoveel mogelijk binnen een gebouw geplaatst. De plaats van de installatie is zoveel mogelijk ondergeschikt aan de vorm en het aanzicht van het gebouw en de omgeving. Als plaatsing binnen een gebouw niet mogelijk is, kan een installatie onder voorwaarden op een plat dak geplaatst worden: Een installatie wordt op afstand van de dakrand geplaatst en indien mogelijk gekoppeld aan een bestaande gevel die aan het dak grenst; Als dat niet mogelijk is of als een specifiek architectonisch element op het dak wordt verstoord of wordt overstemd, dan los daarvan geplaatst, en/of centraal op het dak en/of zo onopvallend mogelijk. Als plaatsing op een plat dak niet mogelijk is of als het dak bestaat uit schuine dakvlakken, dan kan een installatie onder voorwaarden aan een gevel bevestigd worden: Aan een gevel die niet is gericht naar aan het openbaar toegankelijk gebied; Aan de gevel bevestigde elementen zijn zoveel mogelijk bescheiden in maat; De architectonische kenmerken van de gevel blijven herkenbaar en blijven bepalend in het gevelbeeld. Meerdere installaties of hetzelfde dak, of aan gevels die zichtbaar zijn vanaf openbaar toegankelijk gebied, zijn in groepen geplaatst. Dit beperkt de invloed van installatie op het uiterlijk van het gebouw en de omgeving. In specifieke gevallen, maar in beginsel niet, op een kap; bij voorkeur aan de achterkant en uit het zicht van het openbaar toegankelijk gebied. Een bij een installatie behorend afvoerkanaal is zo geïntegreerd en ondergeschikt mogelijk ten opzichte van de architectuur en de omgeving, en zo onopvallend mogelijk geplaatst gezien vanuit openbaar toegankelijk gebied en binnengebied. De hoogte en doorsnede moet in verhouding zijn tot de bebouwing en het aantal pijpen zo beperkt mogelijk. Als het nodig is dat een afvoerkanaal hoger is dan het dak van het hoofdgebouw, maar lager op een dak staat, wordt het afvoerkanaal indien mogelijk gekoppeld aan een gevel van het hoofdgebouw die niet naar het openbaar toegankelijk gebied gericht is en zo dicht mogelijk tegen de gevel bevestigd in een zoveel mogelijk eenduidige verticale richting. Airco’s aan een woongebouw: Aan de galerijkant per woning vergelijkbaar geplaatst in een ritmiek die is afgestemd op het gevelbeeld. Aan de balkonzijde achter de voorgevellijn in het inpandig balkon geplaatst aan de gevel. Als

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.