← Nederland

Beleidsregels WWB (Helmond)

In het kort

Deze beleidsregels beschrijven de richtlijnen voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand (WWB) in de gemeente Helmond, met specifieke procedures voor aanvragen, recht op bijstand, vermogenstoets, verplichtingen en verschillende vormen van bijstand.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels WWBBELEIDSREGELS WWB Inhoudsopgave Richtlijnen "Bijstand" Begrippen B001 - Voorbeelden van inrichtingen Aanvraag B142 - Verkorte aanvraagprocedure na korte onderbreking bijstand B002 - Eerste termijn inleveren gegevens bij aanvraag B003 - Ingangsdatum bijstand na afgewezen WW-aanvraag B004 - Afhandeling ingetrokken aanvragen B005 - Categorieën aanvragen bij CWI i.p.v. college B006 - Locatie(

  1. s)indienen aanvragen B007 - Verlenging overdrachtstermijn Recht op bijstand B012 - Bijzondere bijstand voor legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie B013 - Bijstand voor vaste lasten woning gedetineerde B014 - Bijstand voor reiskosten bezoek gedetineerde B015 - Bijstand en het vervullen van alternatieve straffen B016 - Meldingsplicht studie B017 - Meldingsplicht vakantie/verblijf in het buitenland Middelentoets B147 - Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating B018 - Wijze van korten inkomsten i.v.m. kamerhuurders/kostgangers B149 - Vermogensvaststelling gedurende de periode van bijstandsverlening B019 - Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling B020 - Moment vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating B021 - Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente B022 - Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm B023 - Beleid inzake korten voorlopige teruggave B024 - Vrijlaten giften B025 - Spaarloon B026 - Ex-partner betaalt woonkosten B027 - Waarde auto bij vermogensvaststelling B028 - Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling Verplichtingen en afstemming B029 - Inschrijving bij uitzendbureaus B030 - Beleidsregels ontheffing arbeidsplicht B031 - Betekenis "onverwijld uit eigen beweging" in artikel 17 lid 1 WWB B032 - Belanghebbende beschikt niet meer over bewijsstukken B033 - Periode te overleggen bankafschriften B034 - Procedure inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring B136 - ROF of Mutatieformulier B035 - Categorieën die zijn vrijgesteld inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring B036 - Meldingsplicht vrijwilligerswerk B037 - Duur aanvultermijn bij aanvraag op grond van artikel 4:5 lid 1 Awb B038 - Duur hersteltermijn tijdens bijstand B039 - Beleidsregels huisbezoek B040 - Personen zonder identiteitsbewijs B041 - Personen zonder geldig identiteitsbewijs B042 - Uitleg budgetteringsplicht artikel 57 WWB B043 - Gevallen waarin wordt afgezien van een verlaging B150 - Verlagen algemene bijstand, bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag B044 - Overzicht hoogte verlagingen B045 - Hoogte verlaging bij meerdere gedragingen B046 - Recidive B047 - Waarschuwing i.p.v. verlaging B048 - Ingangsdatum verlaging B049 - Termijn heroverweging besluit tot verlaging Algemene bijstand B144 - Verlaging algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20 jaar B050 - Toeslagen algemene bijstand voor personen van 21 tot 65 jaar B051 - Verlaging algemene bijstand gehuwden B052 - Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten B053 - Verlaging algemene bijstand schoolverlaters B054 - Verlaging toeslag algemene bijstand alleenstaande van 21 of 22 jaar B055 - Anticumulatiebepaling verlaging algemene bijstand B056 - Ingangsdatum normwijziging alleenstaande ouder/alleenstaande B057 - Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting B058 - Bijzondere bijstand voor vaste lasten tijdens verblijf in inrichting B059 - Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen B060 - Berekening hoogte algemene bijstand bij co-ouderschap B061 - Vaststelling vermogen bij co-ouderschap B158 - Beoordeling geringe inkomsten W011 - Loonkostensubsidie Bijzondere bijstand B062 - Moment aanvragen bijzondere bijstand (terugwerkende kracht) B137 - In aanmerking te nemen middelen voor draagkracht B063 - Draagkrachtpercentages B064 - Draagkrachtperiode bijzondere bijstand B065 - Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode B066 - Drempelbedrag B067 - Stappenplan berekening bijzondere bijstand B068 - Telefoonnummer ziekenfonds B069 - Waar en wanneer medisch advies vragen B070 - Standaard aanvullende of collectieve ziektekostenverzekering B073 - Brillen en contactlenzen B074 - Overig beleid inzake specifieke medische kosten B075 - Uitvaartkosten B076 - Kosten bewindvoering B077 - Kosten curatele B078 - Kosten rechtsbijstand B079 - Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting B080 - Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen in inrichting B081 - Procedure verhaal bijzondere bijstand jongeren B082 - Indirecte schoolkosten schoolgaande kinderen B083 - LBIO-bijdrage residentiële opvang kinderen B084 - Baby-uitzet B085 - Maaltijdvoorziening B086 - Verzorging en hulp B087 - Communicatie en signalering B088 - Stookkosten B089 - Reiskosten woon-werkverkeer (verwervingskosten) B091 - Reiskosten bezoek zieke familieleden B092 - Reiskosten bezoek CWI B093 - Suppletie GKB-lening B094 - Kosten schuldhulpverlening B095 - Kosten van sociaal culturele en educatieve activiteiten B096 - Bewassing en kledingslijtage B097 - Toeslag bijzondere bijstand voormalig alleenstaande ouders B098 - Kosten van scholing en opleiding B099 - Verwervingskosten (algemeen) B100 - Kosten kinderopvang (verwervingskosten) B101 - Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten B102 - Verhuiskosten B103 - Eerste maand huur en administratiekosten B105 - Overbrugging scherpe terugval in inkomen B106 - Overige bijzondere kosten B138 - Aangewezen groepen voor categoriale bijzondere bijstand B145 - Berekening woonkostentoeslag huurders B146 - Berekening woonkostentoeslag eigenaren B148 - Extra kosten chronisch zieken, gehandicapten en ouderen B151 - Dieetkosten B152 - Zelfzorgmiddelen bij een chronische aandoening B153 - Tandheelkundige hulp B154 - Psychotherapie B155 - Fysiotherapie en oefentherapie B160 - Eigen risico B161 - Overdracht aan SVB Langdurigheidstoeslag B107 - Beoordeling arbeidsinspanning voor langdurigheidstoeslag B156 - Gemeentelijke uitvoeringsregels inzake langdurigheistoeslag Vormen van bijstand B108 - gevallen waarin bij leenbijstand zekerheden als pand of hypotheek worden verlangd B109 - Looptijd leenbijstand B110 - Hoogte aflossing leenbijstand B111 - Matiging en opschorting aflossing leenbijstand B112 - Aanpassing aflossing leenbijstand B113 - Rente over leenbijstand B140 - Verkoop of vererving van woning ingeval van leenbijstand B141 - Herleving geldlening i.v.m. eigen woning na onderbreking bijstand Betaling bijstand B115 - Moment uitbetalen vakantietoeslag B116 - Verstrekken voorschotten tijdens aanvraag B117 - Hoogte en duur voorschotten tijdens aanvraag B118 - Verrekening van bij aanvraag verstrekte voorschotten B119 - Adres voorzitter GS B120 - Beleidsregels inzake beslag Herziening, intrekking, terugvordering en verhaal B121 - Gevallen waarin wordt afgezien van herziening en intrekking B122 - Gevallen waarin wordt afgezien van terugvordering B123 - Aflossingsregels terugvorderingsschulden B124 - Moment van invordering B125 - Beleidsregels invordering Rechtsbescherming en procesrecht A002 - Adres rechtbank, sector bestuursrecht A027 - Rechtstreeks beroep bij rechtbank Richtlijnen "Voorliggende voorzieningen" Inkomensregelingen V001 - Duur aanvultermijn zelfstandigen V002 - Gegevens Bbz-commissie V004 - Marginale zelfstandigen V005 - Rapporterende instanties zelfstandigen V006 - Beleid startende zelfstandigen V007 - Centrumgemeente WWIK V008 - Procedure doorverwijzen naar WWIK-centrumgemeente V009 - Gemeentelijk genormeerde maatregelen Ioaw V010 - Waarschuwing i.p.v. boete bij nul-fraude V011 - Uitvoerder boeteprocedure V012 - Verhoging boete wegens recidive V013 - Terugvordering kruimelbedragen Ioaw V014 - Aangewezen gemeente voor bijstandsverlening aan schippers V022 - Hoogte bestuurlijke boete WIN V025 - Waarschuwing IOAW V026 - Hoogte maatregel IOAW bij samenloop V027 - Duur hersteltermijn tijdens IOAW Begrippen B001 Voorbeelden van inrichtingen In deze richtlijn worden concrete voorbeelden van instellingen in de regio genoemd die moeten worden aangemerkt als inrichting in de zin van de WWB en van instellingen die, hoewel men anders zou kunnen vermoeden, juist geen inrichting zijn in de zin van de WWB. Inrichting: Ziekenhuizen Psychiatrische inrichtingen (zoals bijvoorbeeld de Grote Beek te Eindhoven, het Vincent van Gogh instituut te Venray) GGZ-woonvoorzieningen [zoals bijvoorbeeld de Geestelijke Gezondheidszorg Oost-Brabant aan o.a. de Burgemeester van Houtlaan te Helmond. Geen inrichtingen: Blijf-van-mijn-lijfhuizen Projecten voor begeleid zelfstandig wonen Opvang voor dak- en thuislozen (sociale pensions) Huize D’n Herd Doorgangshuis Vrouwenopvangcentrum Oversteek Retour Aanvraag B142 Verkorte aanvraagprocedure na korte onderbreking bijstand In deze richtlijn is aangegeven in welke gevallen er een verkorte aanvraagprocedure gehanteerd wordt bij een nieuwe aanvraag na een eerdere beëindiging van de bijstand. Er geldt een vereenvoudigde aanvraagprocedure in het geval dat belanghebbenden binnen zes maanden na beëindiging een hernieuwd beroep op bijstand doet. Indien belanghebbende minder dan 30 dagen voor de datum van melding nog recht op bijstand had, wordt dit recht niet geacht te zijn geëindigd en hoeft geen nieuwe aanvraag te worden gedaan. B002 Eerste termijn inleveren gegevens bij aanvraag In deze richtlijn is aangegeven binnen welke eerste termijn belanghebbende bij het aanvragen van een bijstandsuitkering de voor deze aanvraag van belang zijnde gegevens dient te verstrekken. Met de belanghebbende wordt een afspraak gemaakt voor een eerste gesprek. Tijdens dit intakegesprek dient de belanghebbende het (volledig) ingevulde en ondertekende inlichtingenformulier alsmede de gevraagde bewijsstukken aan de WIZ te overhandigen. Het intakegesprek vindt in principe binnen een week na afgifte van het inlichtingenformulier plaats. B003 Ingangsdatum bijstand na afgewezen WW-aanvraag In deze richtlijn is aangegeven het beleid inzake het bepalen van de ingangsdatum van de bijstand nadat een aanvraag voor een WW-uitkering is afgewezen. De belanghebbende wiens WW-aanvraag is afgewezen dient zich binnen acht dagen na ontvangst van de afwijzing te melden voor een WWB-aanvraag. B&W kennen de bijstand in dat geval in beginsel toe per datum van de WW-aanvraag. Bij een latere melding kennen B&W de bijstand toe per datum melding, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die de latere melding rechtvaardigen. B004 Afhandeling ingetrokken aanvragen In deze richtlijn is aangegeven hoe te handelen indien belanghebbende aangeeft dat hij de aanvraag intrekt. Het intrekken van een aanvraag wordt door de belanghebbende altijd schriftelijk bevestigd middels het hiervoor bedoelde formulier "intrekkingsverklaring". In voorkomende gevallen stuurt de behandelend klantbegeleider dit formulier met antwoordenveloppe toe aan belanghebbende. Teneinde er zeker van te zijn dat de intrekking van de aanvraag zorgvuldig is afgehandeld, wordt een ontvangstbevestiging aan belanghebbende verstuurd. Tegen een dergelijke schriftelijke kennisgeving is geen bezwaar of beroep mogelijk. B005 Categorieën aanvragen bij CWI i.p.v. college In deze richtlijn zijn de categorieën van aanvragen aangegeven welke in afwijking van artikel 41 lid 2 WWB niet bij het college, maar bij de Centrale organisatie werk en inkomen moeten worden ingediend. Tussen het UWV WERKbedrijf en de gemeente zijn afspraken gemaakt over de wettelijke uitzonderingscategorieën (ad artikel 41 lid 2 WWB) die direct na of bij de melding worden doorverwezen naar de gemeente. Tevens zijn afspraken gemaakt over onjuiste meldingen bij het UWV WERKbedrijf (zoals aanvragen bijzondere bijstand) en over de directe doorverwijzing van broodnoodgevallen. De uitzonderingscategorieën zijn: Cliënten die een aanvraag om bijzondere bijstand doen; Cliënten die een aanvraag doen voor een Bbz-uitkering; Clienten die een aanvraag doen voor een IOAZ-uitkering; Cliënten die ouder zijn dan 65 jaar; Cliënten die in een inrichting verblijven (gemeente waar de inrichting is); Cliënten die een aanvraag doen ingevolge de Wmo; Cliënten die een aanvraag doen voor een Wik-uitkering (Gemeente Eindhoven, Dienst Werk Zorg en Inkomen, Smalle Haven 109, 5611 EH Eindhoven, Postbus 90151, 5600 RC Eindhoven, tel: 040-2389555; Cliënten die dak- en thuisloos zijn (Gemeente Helmond). Binnenvaart (Gemeente Maasbracht, Markt 36, 6051 DZ, tel: 0475-469292). Cliënten die een nieuwe aanvraag doen < 30 dagen na einde gemeentelijke uitkering, herleving recht, retour klantbegeleider gemeente. Tussen 30 en 45 dagen, bellen en overleggen met klantbegeleider of nieuwe aanvraag noodzakelijk is, of dat er herleving kan plaatsvinden. Met betrekking tot de cliënten die een voorschotaanvraag indienen voor broodnood wordt als volgt gehandeld: Op de eerste plaats draagt het UWV WERKbedrijf er zorg voor dat men de nodige terughoudendheid betracht bij het in gang zetten van de broodnoodprocedure. Alleen in noodzakelijke gevallen waarbij een aanvrager over geen saldo lopende rekening en geen spaartegoeden meer beschikt en niet kan wachten op de eerste reguliere betaling kan de broodnoodprocedure in werking worden gezet. Het UWV WERKbedrijf zal, ingeval van minder noodzakelijke gevallen, de complete gegevensset overdragen aan de gemeenten met de interne markering SPOED, zodat de aanvraag regulier kan worden afgewerkt en een broodnoodvoorschot kan worden voorkomen. Aanvragen m.b.t. minimaregelingen en langdurigheidstoeslag kunnen worden ingediend bij De Zorgpoort, Penningstraat 53, 5701 MZ Helmond, 0492-587860. ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking met ingang van 1 april 2009. Met ingang van deze datum wordt de eerder op 24 augustus 2004 vastgestelde richtlijn ingetrokken. Toelichting: In deze richtlijn worden de categorieën van aanvragen aangegeven welke in afwijking van artikel 41 lid 2 WWB niet bij het college, maar bij het UWV WERKbedrijf moeten worden ingediend. Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B2.1 onderdeel 3.2. Overwegingen Artikel 41 WWB bepaalt per categorie aanvragen bij welke instantie de belanghebbende moet zijn: bij het UWV of de gemeente. Is indiening bij het UWV voorgeschreven dan is deze instantie verplicht om de eerste fase van de aanvraagprocedure te verzorgen: het verzamelen en controleren van gegevens. Zodra de aanvraag met de daarbij verstrekte gegevens en bewijsstukken na het oordeel van het UWV volledig is, doch uiterlijk binnen de daarvoor geldende termijn, draagt het UWV de aanvraag over aan het college ter verdere afhandeling. Moet de aanvraag bij de gemeente worden ingediend dan blijft het UWV in beginsel ook in de eerste fase buiten spel en vindt de afhandeling van begin tot eind door de gemeente plaats. B006 Locatie(
  2. s)indienen aanvragen In deze richtlijn is aangegeven op welk adres belanghebbende zich moet melden om een aanvraag voor bijstand te kunnen indienen. Voor aanvragen die bij het UWV WERKbedrijf moeten worden ingediend, moet de aanvrager zich melden bij: Werkplein regio Helmond UWV WERKbedrijf Churchilllaan 109, 5705 BK Helmond Postbus 1000, 5700 BA Helmond Telefoonnummer 0492-786780 Voor aanvragen die bij het college moeten worden ingediend (zie richtlijn B005), moet de aanvrager zich melden bij: Werkplein regio Helmond Afdeling Werk & Inkomen Churchilllaan 109, 5705 BK Helmond Postbus 232, 5700 AE Helmond Telefoonnummer 0492-587450 Aanvragen bijzondere bijstand door niet-uitkeringsgerechtigden kunnen worden ingediend bij: De Zorgpoort Penningstraat 53 5701 MZ Helmond Telefoonnummer 0492-587860. Aanvragen m.b.t. minimaregelingen en langdurigheidstoeslag kunnen worden ingediend bij: De Zorgpoort Penningstraat 53 5701 MZ Helmond Telefoonnummer 0492-587860. Wmo-aanvragen kunnen worden ingediend bij: De Zorgpoort Penningstraat 53 5701 MZ Helmond Telefoonnummer 0492 587860. Aanvragen omtrent schuldhulpverlening kunnen worden ingediend bij: De Budgetwinkel Werkplein regio Helmond Churchilllaan 109 5705 BK Helmond Telefoonnummer 0492 – 587878. ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking met ingang van 1 april 2009. Met ingang van deze datum wordt de eerder op 24 augustus 2004 vastgestelde richtlijn ingetrokken. Toelichting: In deze richtlijn wordt aangegeven op welk adres belanghebbende zich moet melden om een aanvraag voor bijstand te kunnen indienen. Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B2.1 onderdeel 3.3. Overwegingen In het kader van een, voor de aanvrager, duidelijke uitvoering van de WWB is het van belang dat hij weet waar hij zich moet melden voor een aanvraag. B007 Verlenging overdrachtstermijn In deze richtlijn is aangegeven of de overdrachtstermijn voor aanvragen welke bij de Centrale organisatie werk en inkomen zijn ingediend wordt verlengd. Er zijn geen afspraken gemaakt met de CWI inzake verlenging van de overdrachtstermijn. Recht op bijstand B012 Bijzondere bijstand voor legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie In deze richtlijn is het beleid aangegeven ten aanzien van het verstrekken van bijzondere bijstand voor de (leges)kosten van verblijfsvergunningen en naturalisatie aangeven. Recht op bijzondere bijstand Voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 11 lid 2 en 3 WWB bestaat er recht op bijzondere bijstand voor de (leges)kosten van verlenging of wijziging van een verblijfsvergunning. Deze legeskosten worden aangemerkt als bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan. De (leges)kosten van naturalisatie worden niet aangemerkt als noodzakelijke kosten. Om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand voor de legeskosten in verband met het aanvragen van een verblijfsvergunning moet de aanvrager dus ten tijde van het opkomen van deze kosten een met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling zijn (artikel 11 lid 2 en 3 WWB; zie ook paragraaf B3.6 onderdeel 3.1). In de meeste gevallen zullen daarom de (leges)kosten voor de behandeling van een eerste aanvraag voor de verlening van een verblijfsvergunning niet in aanmerking komen voor bijstandsverlening. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten van een (eerste) verblijfsvergunning voor kinderen in het kader van gezinshereniging en de aanvraag is ingediend door de legaal in Nederland verblijvende ouder kunnen de kosten in aanmerking komen voor bijstandsverlening. Geoordeeld kan worden dat deze kinderen ten laste komende kinderen zijn indien de legaal in Nederland verblijvende ouder voor hen kinderbijslag ontvangt. Het territorialiteitsbeginsel staat niet in de weg aan de verlening van bijstand voor de legeskosten ter zake van de verblijfsvergunningen van de minderjarige kinderen. Het gaat hier immers niet om kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of kosten die niet aan Nederland zijn verbonden. De kosten waarvoor de aanvrager om bijzondere bijstand heeft verzocht, vinden hun oorsprong in Nederland. Met betrekking tot de legeskosten voor de echtgenote in het kader van een gezinshereniging geldt dat deze als aanvraagster van de verblijfsvergunning verantwoordelijk is voor de betaling van de legeskosten. Zij is op het moment van het ontstaan van de kosten niet een met een Nederlander gelijkgesteld persoon en kan tot het moment van verstrekking van de reguliere verblijfsvergunning aan de WWB geen recht ontlenen en kan er dus geen bijzondere bijstand verstrekt worden voor de legeskosten ter zake van de verblijfsvergunning. Vorm van de bijzondere bijstand Op grond van artikel 48 lid 1 WWB wordt de bijstand in beginsel om niet verstrekt. Slechts als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om in deze kosten te voorzien wordt de bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt (artikel 48 lid 2 onderdeel a WWB). Hoogte van de bijzondere bijstand De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk te maken (leges)kosten. Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten worden het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen (artikel 35 lid 1 WWB) en het (eventueel van toepassing zijnde) drempelbedrag (artikel 35 lid 2 WWB) in mindering gebracht. Zie voor de gemeentelijke beleidsregels inzake het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen en het al dan niet toepassen van het drempelbedrag paragraaf B7.3. B013 Bijstand voor vaste lasten woning gedetineerde In deze richtlijn is aangegeven hoe omgegaan wordt met het (al dan niet) verstrekken van bijstand voor de vaste lasten van de woning aan een gedetineerde alleenstaande om hem in staat te stellen zijn woning aan te houden gedurende de detentieperiode. In beginsel is het niet mogelijk om bijzondere bijstand te verlenen voor de vaste lasten van een woning tijdens detentie. Dit volgt uit het algemene verbod op bijstandsverlening aan gedetineerden (artikel 13 lid 1 onderdeel a WWB). Indien er echter sprake is van zeer dringende redenen dan kan in afwijking hiervan toch bijstand worden verleend (artikel 16 lid 1 WWB; zie ook paragraaf B3.4). B014 Bijstand voor reiskosten bezoek gedetineerde In deze richtlijn is aangegeven het beleid ten aanzien van het verstrekken van bijzondere bijstand voor reiskosten in verband met het bezoeken van een gedetineerde. Omschrijving van de kosten Het betreft de kosten die gemaakt moeten worden om het traject van thuis naar het verblijfadres van de gedetineerde af te leggen. Voorliggende voorzieningen Er is geen voorliggende voorziening. Recht op bijzondere bijstand De reiskosten die worden gemaakt in verband met een bezoek aan iemand die in Nederland is gedetineerd komen in aanmerking voor bijzondere bijstand. Reiskosten in verband met bezoek aan een in het buitenland gedetineerde overschrijden, voor zover zij niet uit de algemene bijstand kunnen worden voldaan, behoudens bijzondere omstandigheden, de grens van wat voor de WWB noodzakelijk is. Dus: geen extra bijstand. De reiskosten in verband met het bezoek van een gezinslid of een 1ste-graadsverwante komen in aanmerking voor vergoeding. Hierbij wordt uitgegaan van één bezoek per week door één persoon. Naar keuze kan de bijstand ook worden besteed voor een bezoek per 2 weken door 2 personen, een bezoek per 3 weken door 3 personen, enz. Hoogte bijzondere bijstand De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer 2de klas voor één persoon per week. Aan de bijstand verbonden verplichtingen Vervoers- of bezoekbewijzen moeten worden overgelegd. Draagkrachtpercentage Bepaal het draagkrachtpercentage overeenkomstig de hoofdregel (zie paragraaf B7.3). Drempelbedrag Bepaal het drempelbedrag overeenkomstig de hoofdregel (zie paragraaf B7.3). B015 Bijstand en het vervullen van alternatieve straffen In deze richtlijn wordt aangegeven het beleid ten aanzien van de reële beschikbaarheid voor arbeid van een belanghebbende die een taakstraf (alternatieve straf) moet vervullen. In het algemeen kan gesteld worden dat een veroordeelde reëel beschikbaar is voor arbeid indien hij zijn alternatieve straf in de weekends, avonduren en vakantie vervult en wanneer hij zijn alternatieve straf door de week overdag vervult omdat hij niet in staat wordt gesteld tot vervulling ervan op andere tijdstippen. Er is geen sprake van een reële beschikbaarheid voor arbeid wanneer de alternatieve straf door de week overdag wordt vervuld, terwijl de mogelijkheid bestaat om dit ook op andere tijdstippen te doen. In dat geval zal een aanvraag om (algemene) bijstand geweigerd moeten worden. Om te controleren op welke momenten de belanghebbende zijn alternatieve straf kan vervullen wordt een verklaring van het bureau alternatieve straffen verlangd, alvorens tot verlening van bijstand wordt overgegaan. ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking met ingang van 1 april 2009. Met ingang van deze datum wordt de eerder op 20 oktober 2004 vastgestelde richtlijn ingetrokken. Toelichting: In deze richtlijn wordt aangegeven wat het beleid is ten aanzien van de reële beschikbaarheid voor arbeid van een belanghebbende die een taakstraf (alternatieve straf) moet vervullen. Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B3.6 onderdeel 3.10. Overwegingen Op grond van artikel 9 lid 1 WWB is elke belanghebbende onder meer verplicht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Indien daartoe een dringende reden is kan het college op grond van artikel 9 lid 2 WWB belanghebbende tijdelijk ontheffen van deze verplichting. Blijkens de memorie van toelichting heeft de wetgever daarbij vooral gedacht aan belanghebbenden met zorgtaken voor (kleine) kinderen of met medische beperking en voorziening die de inschakeling in het arbeidsproces moeten mogelijk maken (vooralsnog) ontbreken. Ten aanzien van het vervullen van een alternatieve straf zal een dringende reden in de zin van artikel 9 lid 2 WWB in de praktijk eigenlijk in maar twee situaties voorkomen. In het geval belanghebbende vanwege het vervullen van zijn alternatieve straf niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en hij absoluut geen mogelijkheden heeft om in zijn bestaan te voorzien. En in het geval het nog niet vervuld zijn van de taakstraf reële inschakeling in de arbeid onmogelijk maakt. De mogelijkheid om een belanghebbende te ontheffen van zijn arbeidsplichten zijn in de WWB immers veel minder ruim dan in de Abw. Het is evenwel de bevoegdheid van het college om te beoordelen of in een bepaald geval zich een dringende reden daartoe voordoet. Indien belanghebbende zonder dat hem een ontheffing verleend is zich niet aan zijn arbeidsplicht houdt, kan het college op grond van artikel 18 lid 2 WWB de bijstand verlagen (maatregel opleggen). Enerzijds betekent een ontheffing van zijn arbeidsplicht voor het vervullen van een alternatieve straf dat belanghebbende wordt bevoordeeld ten opzichte van iemand die werkt. Bijvoorbeeld een straf van 80 uur dienstverlening betekent in het eerste geval dat de straf volbracht kan zijn met 2 werkweken, terwijl in het tweede geval mogelijk gedurende 5 weken 7 dagen per week gewerkt moet worden. Anderzijds kan het in het belang van de resocialisatie wenselijk zijn om zo snel mogelijk een opgelegde straf te vervullen. Het niet ontheffen van de arbeidsplicht is dan een belemmering. In het kader van de WWB is de ruimte voor het college om een belanghebbende te ontheffen van zijn arbeidsplicht echter beperkt. Bovenstaande overwegingen kunnen niet rechtstreeks meegewogen worden bij het verlenen van een ontheffing van de arbeidsplicht. Deze ontheffing kan immers alleen maar gebaseerd worden op het aanwezig zijn van een dringende reden als bedoeld in artikel 9 lid 2 WWB. Het college kan deze overwegingen wel laten meetellen bij het al dan niet aannemen van een dergelijke dringende reden. B016 Meldingsplicht studie In deze richtlijn wordt aangegeven wanneer en hoe de belanghebbende inlichtingen over het (gaan) volgen van een studie of opleiding moet verstrekken om te voldoen aan zijn algemene inlichtingenplicht. Belanghebbende is verplicht vooraf middels het wijzigingsformulier te melden dat hij een studie wil gaan volgen. Naar aanleiding van de melding beoordelen B&W of zij toestemming kunnen verlenen voor het volgen van die studie met behoud van uitkering. Middels een beschikking wordt de belanghebbende op de hoogte gesteld van de beslissing. Indien B&W toestemming verlenen wordt in de beschikking duidelijk omschreven waarvoor toestemming is verleend en onder welke voorwaarden. De belanghebbende dient binnen een maand na aanvang van de studie een bewijs van inschrijving van het opleidingsinstituut te overleggen. B017 Meldingsplicht vakantie/verblijf in het buitenland In deze richtlijn wordt aangegeven wanneer en hoe de belanghebbende inlichtingen over zijn verblijf in het buitenland en/of (langdurig) verblijf buiten de gemeente moet verstrekken om te voldoen aan zijn algemene inlichtingenplicht. Het college van burgemeester en wethouders, Gelet op artikel 17, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, onderdeel d, en vierde lid, Wet werk en bijstand (WWB) Besluit: Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn nr. B017 Meldingsplicht vakantie / verblijf in het buitenland ArtikelI Richtlijn nr. B017 wordt als volgt ingevuld: Vakantieverlof in zowel het buitenland als in Nederland moet vooraf worden aangevraagd. (Voor vakantie in Nederland zie ook het handboek WWB hoofdstuk B3.11 paragraaf 3.) Vakantieverlof dient door de partners afzonderlijk te worden aangevraagd en worden getoetst. Hierbij kunnen zich situaties voordoen dat partners niet eenzelfde vakantieduur hebben / dan wel dat er verschillende rechten op doorbetaling van uitkering bestaan. Aanvraag De belanghebbende dient vakantie in het buitenland of een verblijf van 7 dagen of langer buiten de eigen gemeente tussen 1 en 5 dagen voor vertrek te melden (ex artikel 17 lid 1 WWB) via het vakantieformulier. Dit formulier dient persoonlijk door de belanghebbende te worden ingeleverd bij de receptie W&I. Op het formulier moet de vakantieperiode worden aangegeven. De belanghebbende dient op de eerste werkdag na terugkeer van de vakantie in het buitenland of het verblijf van 7 dagen of langer buiten de eigen gemeente, zich persoonlijk terug te melden bij de receptie W&I met een legitimatiebewijs. De reisdagen zijn nog vakantiedagen. Voor de beoordeling van de vier/dertien-weken-termijn is maatgevend de dag van terugmelding. Er wordt van uitgegaan dat hij de vorige dag is teruggekeerd. De belanghebbende die beweert eerder te zijn teruggekeerd zal dit moeten aantonen: bij een vliegreis het retourticket met de datum van terugkomst bij terugkeer per auto uit een land waar een stempel in het paspoort wordt geplaatst geeft dit de meest betrouwbare informatie. Bijvoorbeeld bij Turkije en Marokko worden tenminste als reisdagen aangemerkt de dag dat de stempel is geplaatst en de daaropvolgende dag; daarna is weer uitkering mogelijk (dus maandag stempel = mogelijk woensdag weer uitkering). Meldt de belanghebbende zich niet terug, dan voldoet hij niet aan de inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 WWB en wordt zijn bijstand opgeschort op grond van artikel 54 lid 1 WWB. Deze opschorting wordt hem schriftelijk meegedeeld, waarbij hij de gelegenheid krijgt om zich als nog binnen een week persoonlijk te melden. Voldoet hij niet aan deze oproep, dan wordt de bijstand ingetrokken met ingang van de dag waarop deze was opgeschort (artikel 54 lid 4 WWB). Meldt hij zich wel dan wordt de opschorting opgeheven en moet er een verlaging volgen op grond van de Maatregelenverordening. Het niet melden van verblijf in het buitenland of een (langdurig) verblijf buiten de gemeente is een schending van de inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 WWB. Bij constatering daarvan moet de bijstand verlaagd worden met toepassing van de Maatregelenverordening. Eventueel ten onrechte verleende bijstand zal moeten worden teruggevorderd met toepassing van artikel 58 lid 1 onderdeel a WWB. Daartoe is een intrekkingsbesluit vereist op grond van artikel 54 lid 3 onderdeel a WWB. Er is geen recht op een vakantieperiode indien de belanghebbende naar het buitenland vertrekt en geen inlichtingen meer verstrekt. De belanghebbende van buitenlandse afkomst mag aansluitend aan de 4 weken nog 2 weken zonder behoud van uitkering in het buitenland blijven als: hij gaat naar het land van herkomst, om zijn familie te bezoeken, én hij hiervan vooraf mededeling heeft gedaan. Voor anderen geldt dezelfde regeling als sprake is van een vergelijkbare situatie, zoals iemand met Nederlandse nationaliteit van Surinaamse afkomst, of een Nederlander die geëmigreerde familie wil bezoeken. Onder genoemde voorwaarden kan de beëindigde uitkering per datum terugkeer worden voortgezet en hoeft er geen nieuw aanvraagtraject te worden gestart. Er wordt, om administratieve redenen, gehandeld als ware de uitkering opgeschort. Met ingang van 1 juli 2008 is de wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met aanpassing van de groep met recht op bijstand bij langer verblijf buiten Nederland van kracht. De wetswijziging betreft twee onderdelen van artikel 13, vierde lid, WWB. Het onderscheid bij de termijn verblijf buiten Nederland op grond van het leeftijdscriterium 57 ½ jaar is geschrapt. De wijziging van de WWB voorziet in een invoering van een categoriale uitzonderingspositie voor bijstandsgerechtigden die ontheven zijn van de plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de WWB. Het betreft een uitzondering op de standaardregel dat bijstandsgerechtigden vier weken met behoud van bijstand buiten Nederland mogen verblijven. Voor bijstandsgerechtigden die een dubbele ontheffing hebben, van zowel de sollicitatieplicht als de re-integratieplicht, geldt een termijn van dertien weken. De maximale termijn verblijf buiten Nederland voor bijstandsgerechtigde 65-plussers is vastgesteld op 26 weken per kalenderjaar. (Let wel, per 1 oktober 2007 is de uitvoering alsmede het vaststellen van het recht op algemene bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen ten behoeve van belanghebbenden van 65 jaar of ouder door de gemeente Helmond overgedragen aan de SVB.) De standaardregel in artikel 13, eerste lid, onder d, WWB is ongewijzigd. Hierin is bepaald dat geen recht op bijstand bestaat, voor degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland. ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2008. Met ingang van deze datum wordt de eerder op 19 november 2005 vastgestelde richtlijn ingetrokken. Besloten in de vergadering van 18 november 2008. De burgemeester van Helmond, Drs. A.A.M. Jacobs De gemeentesecretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Bekend gemaakt op: 21 november 2008 De gemeentesecretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Toelichting: In deze richtlijn wordt aangegeven wanneer en hoe de belanghebbende inlichtingen over zijn verblijf in het buitenland en/of (langdurig) verblijf buiten de gemeente moet verstrekken om te voldoen aan zijn algemene inlichtingenplicht. Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B3.11 onderdeel 4. Overwegingen De juridische grondslag voor deze richtlijn is gelegen in de algemene inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 WWB, omdat verblijf in het buitenland maar ook (langdurig) verblijf buiten de gemeente een omstandigheid is die van invloed kan zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand. Belanghebbende is dan ook verplicht van deze omstandigheden, op verzoek of onverwijld uit eigen beweging, melding te maken bij het college. Naast deze meldingsplicht komt het vooraf toestemming vragen dan wel het moeten indienen van een vakantieaanvraag regelmatig voor. Daarmee moet belanghebbende toestemming vragen aan het college om in een bepaalde periode met vakantie te mogen. Dit beleid is begrijpelijk. Het kan immers onwenselijk zijn, dat belanghebbende zijn vakantie plant op een tijdstip dat hij bijvoorbeeld een belangrijke re-integratieactiviteit heeft of tijdens de CWI-Banenmarkt. De CRvB heeft hiermee blijkbaar ook niet al te veel moeite; hij gaat in zijn uitspraken 20-08-2002, nr. 00/538 NABW en 14-09-2004, nr. 02/2647 NABW zonder opmerkingen voorbij aan dit fenomeen. Niettemin is de juridische grondslag van de verplichting tot het vragen van toestemming wel van belang. Het college zal het toestemming vragen als nadere verplichting op grond van artikel 55 WWB aan het recht op bijstand moeten verbinden. Een weigering van de toestemming moet in ditzelfde licht worden bezien en is dus feitelijk niets anders dan een nadere verplichting om gedurende de in geding zijnde periode in Nederland te verblijven. Indien belanghebbende desondanks toch naar het buitenland gaat in die periode, betekent dat dan ook niet dat er over die periode geen recht op bijstand bestaat (zie CRvB 10-08-1999, nr. 98/8469 NABW). Wel kan er reden zijn om de bijstand, wegens de schending van de aan de bijstand verbonden verplichtingen, hierop af te stemmen overeenkomstig de afstemmingsverordening. Heeft het college de verplichting om toestemming te vragen voor een verblijf in het buitenland en de weigering van een dergelijke toestemming echter niet gebaseerd op artikel 55 WWB, dan is er geen publiekrechtelijke grond aan te wijzen, op grond waarvan het college die toestemming zou kunnen verlenen. Vanwege het ontbreken van de publiekrechtelijke grondslag is een dergelijke weigering geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb en zal het college een bezwaar tegen een dergelijke weigering niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk moeten verklaren (vergelijk CRvB 30-03-2004, nr. 01/5073 NABW). Met ingang van 1 juli 2008 is de wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met aanpassing van de groep met recht op bijstand bij langer verblijf buiten Nederland van kracht. Leeftijdscriterium 57 ½ jaar geschrapt De wijziging van de WWB voorziet in een invoering van een categoriale uitzonderingspositie voor bijstandsgerechtigden die ontheven zijn van de plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de WWB. Het betreft een uitzondering op de standaardregel dat bijstandsgerechtigden vier weken met behoud van bijstand buiten Nederland mogen verblijven. Voor bijstandsgerechtigden die een dubbele ontheffing hebben, van zowel de sollicitatieplicht als de re-integratieplicht, geldt een termijn van dertien weken. Hiermee komt een eind aan de uitzonderingspositie voor belanghebbenden van 57,5 jaar en ouder, doch jonger dan 65 jaar. De gemeenten waren overigens al op grond van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) d.d. 5 december 2006, nr. 06/1851 WWB gehouden om deze lijn van de jurisprudentie in de praktijk toe te passen. Wijziging termijn verblijf buitenland voor 65 plussers Geheel nieuw in de wijziging van de WWB is de termijn van verblijf buitenland van bijstandsgerechtigden van 65 jaar en ouder. Bijstandsgerechtigden van 65 jaar en ouder mogen 26 weken per kalenderjaar met behoud van bijstandsrechten buiten Nederland verblijven. Deze wetswijziging is bij amendement van de Tweede Kamer ingaande 1 juli 2008 in artikel 13 WWB opgenomen. De belangrijkste reden om deze afwijkende termijn voor bijstandsgerechtigden van 65 jaar en ouder in de WWB op te nemen, is dat deze groep definitief geen arbeidsverplichtingen kan worden opgelegd. Bij de bijstandsgerechtigden jonger dan 65 jaar kan de gemeente immers alleen indien er dringende redenen aanwezig zijn, in individuele gevallen een tijdelijke ontheffing verlenen van de arbeidsverplichtingen. (let wel, per 1 oktober 2007 is de uitvoering alsmede het vaststellen van het recht op algemene bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen ten behoeve van belanghebbenden van 65 jaar of ouder door de gemeente Helmond overgedragen aan de SVB.) In het kort komen de vakantieregels vanaf 1 juli 2008 op het volgende neer: Vakantieduur – 4 weken (artikel 13 eerste lid onder d WWB: (dit geldt ook voor de Ioaw –of Ioaz-uitkering o.g.v. art. 6 Ioaw – Ioaz) Iedere uitkeringsgerechtigde mag, behoudens de hierna vermelde uitzondering, per kalenderjaar maximaal 4 weken met behoud van uitkering op vakantie naar het buitenland. Vakantieduur – 13 weken (artikel 13 vierde lid onder 1 WWB: (dit geldt ook voor de Ioaw –of Ioaz-uitkering o.g.v. art. 6 Ioaw – Ioaz) Iedere uitkeringsgerechtigde beneden de 65 jaar die ontheven is van de plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 9, eerste lid, onderdelen a en b, van de WWB (dus dubbele ontheffing hebben, van zowel de sollicitatieplicht als de re-integratieplicht), mag per kalenderjaar maximaal 13 weken met behoud van uitkering op vakantie naar het buitenland. Vakantieduur – 26 weken (artikel 13 vierde lid onder 2 WWB: (dit geldt ook voor de Ioaw –of Ioaz-uitkering o.g.v. art. 6 Ioaw – Ioaz) Iedere uitkeringsgerechtigde van 65 jaar of ouder mag per kalenderjaar maximaal 26 weken met behoud van uitkering op vakantie naar het buitenland. Is de 65 jarige of ouder gehuwd/samenwonend en is de partner jonger dan 65 jaar, dan mag alléén degene die 65 jaar of ouder is maximaal 26 weken met behoud van uitkering op vakantie. De jongere partner mag, behoudens het onder
  3. b)vermelde, in deze situatie dus maximaal vier weken per kalenderjaar met behoud van uitkering op vakantie. De bedoelde 13 weken en 26 weken behoeven niet aaneengesloten te zijn. De vakantie mag niet langer zijn dan 13 respectievelijk 26 weken aaneengesloten. Dit geldt ook bij kalenderjaaroverschrijding: 13 dan wel 26 weken aan het einde van het kalenderjaar en aansluitend 13 dan wel 26 weken aan het begin van het nieuwe kalenderjaar op vakantie gaan is dus absoluut niet toegestaan. Middelentoets B147 Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating In deze richtlijn is aangegeven in welke gevallen het vrijlaten van inkomsten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel o WWB bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende. In beginsel komt elke vorm van betaald werk in aanmerking voor de inkomstenvrijlating van artikel 31 lid 2 onderdeel o WWB. Dit geldt zowel voor de belanghebbende die reeds algemene bijstand ontvangt als voor de belanghebbende die voor het eerst aanvullende algemene bijstand gaat ontvangen. De ingangsdatum van de inkomstenvrijlating wordt door de klantbegeleider in overleg met de belanghebbende vastgesteld. Deze ingangsdatum kan niet in het verleden liggen. De belanghebbende tekent voor de periode van inkomstenvrijlating een verklaring welke aan het dossier wordt toegevoegd. Inkomsten uit illegale activiteiten zijn niet vrijgelaten, omdat van illegale activiteiten niet gezegd kan worden dat ze de re-integratie bevorderen. Verzwegen inkomsten kunnen (als zij achteraf geconstateerd worden) niet in aanmerking komen voor de vrijlating, daar het achteraf vrijlaten niet meer bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Ongeacht de duur van de arbeid geldt de vrijlating voor maximaal zes aaneengesloten maanden. Daarna worden de inkomsten volledig op de uitkering in mindering gebracht. De maximale periode van zes aaneengesloten maanden heeft betrekking op de inkomstenvrijlating en niet op de arbeidsinkomsten of op de arbeid. De omstandigheid dat arbeid in deze periode onderbroken is, verandert op zichzelf niets aan de maximale duur van de inkomstenvrijlating: als het college eenmaal een begindatum van de inkomstenvrijlating heeft vastgesteld, dan eindigt deze inkomstenvrijlating uiterlijk zes maanden later en blijft de inkomstenvrijlating gedurende de gehele aldus vastgestelde periode van kracht. Oftewel: de omstandigheid dat in deze vastgestelde periode van ten hoogste zes maanden arbeid is beëindigd en, na een tijdelijke onderbreking, weer is hervat, doet niet ter zake voor de maximale duur van de inkomstenvrijlating. Alhoewel de WWB daar geen uitsluitsel over geeft, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het niet de bedoeling van de wetgever is dat de vrijlating meerdere periodes wordt toegepast. Uitgangspunt voor de vrijlatingsbepaling was, om het college in individuele situaties de mogelijkheid te geven voor een beperkte periode de inkomsten uit arbeid vrij te laten, als het college van oordeel is dat dit bijdraagt aan de arbeidsinschakeling én als deze vrijlating iemand “over de drempel helpt”. De regeling is dus éénmalig. Als de uitkering is beëindigd en de belanghebbende ontvangt daarna, niet aansluitend, een bijstanduitkering dan ontstaat nieuw recht en dus ook de mogelijkheid van de vrijlatingsregeling. B018 Wijze van korten inkomsten i.v.m. kamerhuurders/kostgangers In deze richtlijn is aangegeven op welke wijze de inkomsten in aanmerking worden genomen bij verhuur of onderhuur van de door belanghebbende bewoonde woning of bij het hebben van kostgangers. De eerste mogelijkheid is van toepassing. Op grond van de GVTV leidt het delen van een woning met anderen tot een lagere toeslag voor een alleenstaande (ouder) of tot een verlaging voor gehuwden (zie ook paragraaf B6.7 onderdeel 3 en paragraaf B6.7 onderdeel 4.2). De werkelijke inkomsten mogen niet worden gekort. Zijn er echter in totaal 3 of meer kostgangers en/of kamerhuurders dan kan waarschijnlijk worden aangenomen dat er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten. In het geval van bedrijfsmatige activiteiten (geen bescheiden schaal) kan eventueel een beroep worden gedaan op de Bbz. Let wel: dit kan alleen als het een levensvatbare onderneming betreft!) Indien er geen sprake is van een bedrijfsmatige activiteiten dient in voorkomende gevallen een onderzoek te worden ingesteld in welke mate inkomsten nog in aanmerking kunnen worden genomen. B149 Vermogensvastelling gedurende de periode van bijstandsverlening In deze richtlijn is aangegeven op welke wijze het vermogen van belanghebbende wordt vastgesteld tijdens de verlening van algemene bijstand. Om praktische redenen wordt het vermogen tijdens de verlening van algemene bijstand als volgt vastgesteld: Vermogenssaldo bij vorige vaststelling (bij aanvang van de bijstand of vorig (her)onderzoek) + Ontvangsten sinds de vorige vaststelling (na aftrek van vrijlatingen) + Waardevermeerdering van bezittingen + Aflossing van schulden sinds de vorige vaststelling + Kwijtschelding van schulden sinds de vorige vaststelling Nieuwe schulden sinds de vorige vaststelling Waardevermindering van bezittingen (m.u.v. bestedingen) =================================================================== Nieuw vermogenssaldo Gevolgen van vermogensmutaties Indien het nieuwe vermogenssaldo lager is dan de actuele van toepassing zijnde vermogensgrens bestaat er recht op algemene bijstand (artikel 34 lid 3 WWB; zie ook onderdeel 7.2 van deze paragraaf). Is het nieuwe vermogenssaldo daarentegen hoger dan de vermogensgrens dan moet het college de algemene bijstand beëindigen. Belanghebbende zal zijn vermogensoverschot moeten interen voordat er weer recht op algemene bijstand ontstaat (zie onderdeel 10 van deze paragraaf). Ontvangsten sinds de vorige vaststelling Als de belanghebbende tijdens de bijstandsverlening vermogen ontvangt, dan moet het college dit ontvangen vermogen meenemen bij het bepalen van het nieuwe vermogenssaldo, voor zover dit niet is vrijgelaten. Belangrijke voorbeelden van ontvangen vermogen zijn: Het ontvangen van een gift die niet geheel of gedeeltelijk wordt vrijgelaten (zie over een eventuele vrijlating hiervan ook paragraaf B4.2 onderdeel 3.12); Het ontvangen van een erfenis. Het ontvangen van een uitkering krachtens een (levens)verzekering (zie CRvB 18-02-2003, nr. 00/2982 NABW). Het winnen van een prijs. Zie over vrijgelaten vermogen ook onderdeel 7 van deze paragraaf en onderdeel 8 van deze paragraaf. Aflossing en kwijtschelding van schulden Schulden worden bij de vaststelling van het vermogen alleen meegenomen indien het feitelijk bestaan ervan aannemelijk is en er een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting aan vast zit (zie onderdeel 5.1 van deze paragraaf). In bovenstaande systematiek leiden schulden per saldo tot een verhoging van de vermogensvrijlating. Keerzijde van de medaille is dat aflossing en kwijtschelding van schulden leidt tot een hoger vermogen en daarmee tot een lager restant van de vermogensvrijlating. Het niet meenemen van aflossing en kwijtschelding van schulden zou belanghebbenden met schulden blijvend bevoordelen ten opzichte van belanghebbenden zonder schulden. Dit is onbillijk en niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. Indien schulden worden afgelost met ontvangsten van vermogen, dan leidt de aflossing niet tot een hoger vermogen. Immers, de ontvangsten worden ook al meegeteld bij de vaststelling van het nieuwe vermogenssaldo. Het daarnaast meetellen van de aflossing zou een dubbeltelling betekenen. Nieuwe schulden sinds de vorige vaststelling Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat er in de WWB, mede op grond van jurisprudentie over de Abw, voor gekozen is om rekening te houden met schulden ongeacht of die bij aanvang van de bijstand aanwezig zijn, dan wel tijdens de bijstandsverlening zijn ontstaan (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 61-64 en TK 2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 10 alsmede CRvB 02-05-2000, nr. 98/5326 NABW en CRvB 02-01-2001, nr. 99/373 NABW). Door in bovenstaande systematiek bij de bepaling van het vermogenssaldo tijdens de bijstand nieuwe schulden (d.w.z. schulden die na aanvang van de bijstandsverlening zijn ontstaan) in mindering te brengen op het vorige vermogenssaldo wordt bereikt dat schulden die tijdens de bijstandsverlening ontstaan exact hetzelfde effect hebben op het vermogenssaldo (en daarmee op het recht op bijstand) als schulden die reeds bij aanvang bestaan. Bestedingen/interen Besteding van/interen op contant geld of geld dat op bank- en spaarrekeningen staat heeft tijdens de bijstand geen invloed op het vermogenssaldo. Met andere woorden: een daling van het banksaldo na aanvang van de bijstand leidt niet tot een daling van het vermogen. Zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 61-64 en TK 2002-2003, 28 870, nr. 13, p. 167-168. Waardevermindering en waardevermeerdering van bezittingen Zaken die tijdens de bijstandsverlening in waarde verminderen (bijvoorbeeld auto'
  4. s)of vermeerderen (bijvoorbeeld aandelen) leiden tot een wijziging van het vermogenssaldo. Dit kan worden afgeleid uit WWB is op de punten waar de CRvB zijn uitspraak op baseert gelijkluidend aan de WWB geen betekenis meer toekomt. Negatief vermogenssaldo De vaststelling van het vermogen geschiedt zowel bij aanvang als tijdens de bijstandsverlening door het maken van een optelsom van positieve en negatieve vermogensbestanddelen. Indien de negatieve bestanddelen groter zijn dan de positieve is de uitkomst negatief. Een negatief vermogenssaldo is dus gewoon mogelijk. Het kan het beste worden vergeleken met een negatief banksaldo. Een negatief vermogenssaldo betekent dat er recht op bijstand blijft bestaan zolang de som van de vermogensmutaties kleiner is dan het verschil tussen het negatieve vermogen en de toepasselijke actuele vermogensgrens. Zie ook onderstaande voorbeelden. Rapportage en beschikking Uit de rapportage zal moeten blijken op welke wijze het vermogenssaldo is vastgesteld. Daartoe zal de berekening opgenomen moeten worden onder verwijzing naar bewijsstukken. Indien het vermogenssaldo lager is dan de toepasselijke actuele vermogensgrens bestaat er recht op bijstand. In de beschikking kan dan worden volstaan met vermelding van het vermogenssaldo en de van toepassing zijnde vermogensgrens. Een weergave van de vermogensberekening kan achterwege blijven aangezien het college vaststelt dat er recht op bijstand bestaat. Pas indien als gevolg van vermogensmutaties het vermogenssaldo boven de vermogensgrens uitkomt, zal het college inzage moeten geven in de wijze waarop het vermogenssaldo berekend is. Voorbeeld 1 Bij aanvang van de algemene bijstand bedraagt het vermogen van het gezin Jakobse eur 4.500,--, opgebouwd uit een auto van eur 3.500,-- en een spaarrekening met een saldo van eur 1.000,--. De toepasselijke vermogensgrens bedraagt bij aanvang eur 9.950,--. Omdat het vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt (en er is ook voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden) bestaat er recht op algemene bijstand. Na een jaar ontvangt het gezin een erfenis van eur 9.000,--. De actuele vermogensgrens bedraagt inmiddels eur 10.250,--. De vermogensmutatie tijdens de bijstand is eur 9.000,--. De som van het vermogenssaldo bij aanvang van de bijstand en de vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt eur 13.500,-- (eur 4.500,-- plus eur 9.000,--). Dit bedrag is hoger dan de actuele vermogensgrens. Het college moet de algemene bijstand beëindigen. Voorbeeld 2 Bij aanvang van de bijstand bedraagt het vermogen van het gezin Jakobse eur 4.500,--, opgebouwd uit een auto van eur 3.500,-- en een spaarrekening met een saldo van eur 1.000,--. De toepasselijke vermogensgrens bedraagt bij aanvang eur 9.950,--. Omdat het vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt (en er is ook voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden) bestaat er recht op algemene bijstand. Na een jaar ontvangt het gezin een erfenis van eur 9.000,--. Bovendien is er een schuld ontstaan van eur 6.000,--. De actuele vermogensgrens bedraagt inmiddels eur 10.250,--. De vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt eur 3.000,-- (eur 9.000,-- minus eur 6.000,--). De som van het vermogenssaldo bij aanvang van de bijstand en de vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt eur 7.500,-- (eur 4.500,-- plus eur 3.000,--). Dit bedrag is lager dan de actuele vermogensgrens. Er bestaat nog steeds recht op algemene bijstand. Het restant van het vrij te laten vermogen bedraagt eur 10.250,-- minus eur 7.500,-- = eur 2.750,--. Voorbeeld 3 Bij aanvang van de bijstand bedragen de schulden van het gezin Jacobse meer dan de bezittingen. Er is een negatief vermogen van eur 20.000,--. Het vrij te laten vermogen wordt niet aangesproken. Omdat het vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt (en er is ook voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden) bestaat er recht op algemene bijstand. Na een jaar ontvangt het gezin een erfenis van eur 25.000,--. De actuele vermogensgrens bedraagt op dat moment eur 10.250,--. De vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt eur 25.000,--. De som van het vermogenssaldo bij aanvang van de bijstand en de vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt eur 5.000,-- (- eur 20.000,-- plus eur 25.000,--). Dit bedrag is lager dan de actuele vermogensgrens. Er bestaat nog steeds recht op algemene bijstand. Het restant van het vrij te laten vermogen bedraagt eur 10.250,-- minus eur 5.000,-- = eur 5.250,--. De in de voorbeelden genoemde bedragen dienen enkel ter illustratie. Zie de overzichtspagina voor links naar de overige actuele bedragen en historische bedragen. Verantwoording systematiek Bovenstaande systematiek betreft een op de praktijk toegesneden uitleg van artikel 54 WWB. Formeel gesproken is er echter sprake van strijd met de wet. Echter, wet en parlementaire geschiedenis spreken elkaar meermaals tegen. De gekozen systematiek probeert zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bedoeling van de wetgever, in het bijzonder ten aanzien van de beoogde omgang met schulden die zijn ontstaan na aanvang van de bijstandsverlening. B019 Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling In deze richtlijn wordt aangegeven in hoeverre het saldo op de lopende rekening niet in aanmerking wordt genomen bij de vermogensvaststelling. Ingevolge artikel 34 lid 1 WWB behoren alle geldswaarden tot het vermogen. In beginsel wordt dus ook het saldo van de lopende bank- of girorekening in zijn geheel tot het vermogen gerekend. Aanleiding om hier van af te wijken kan bijvoorbeeld bestaan in gevallen waarin het onredelijk zou zijn het gehele saldo mee te nemen bij de vaststelling van het vermogen, omdat dat saldo mede is bepaald door het laatst ontvangen periodieke inkomen waarvan de gebruikelijke lasten nog moeten worden voldaan. In die gevallen kan bij het vermogen van de belanghebbende buiten beschouwing blijven, tot maximaal de voor hem geldende algemene bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag, het positieve saldo van de rekening waarop het periodieke inkomen wordt ontvangen en waarvan het normale levensonderhoud wordt voldaan. Een verdere uitzondering is uitdrukkelijk niet mogelijk, dus: bij een rekeningsaldo boven de norm is het meerdere vermogen een positief saldo beneden de norm betekent eur 0,-- vermogen bij een negatief saldo geldt het saldobedrag als (negatief) vermogen. B020 Moment vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating In deze richtlijn wordt aangegeven op welk moment de vermogensvaststelling plaatsvindt in het geval van echtscheiding of verlating Uitgangspunt is dat het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand (en later bij ieder heronderzoek). In één situatie kan van deze hoofdregel worden afgeweken door het vermogen pas op een later tijdstip vast te stellen. Dit doet zich voor wanneer de aanvrager verwikkeld is in een echtscheidingsprocedure of indien er sprake is van een verlating. In dat geval kan gewacht worden met de vermogensvaststelling totdat de boedelscheiding een feit is. In de toekenningsbeschikking moet dan de mededeling worden opgenomen dat het vermogen na afwikkeling van de echtscheiding wordt vastgesteld en dat bij overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens de teveel betaalde bijstand zal worden teruggevorderd (zie ook paragraaf B11.4 onderdeel 7 onder het kopje "Terugvordering op het aandeel uit de boedelscheiding"). Natuurlijk geldt dat de bijstand moet worden geweigerd indien bij de aanvraag duidelijk is dat het vermogen ruimschoots meer bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens en de aanvrager daar op dat moment al over kan beschikken. Als alternatief kan dan leenbijstand worden overwogen (zie ook paragraaf B9.3). Voorbeeld Annelies vraagt bijstand aan. Tijdens het intakegesprek blijkt dat Annelies gaat scheiden van haar man Kees. Annelies en Kees beschikken over een huis met een waarde van eur 150.000,-- waarop een hypotheek rust van eur 120.000,--. Daarnaast is er een spaarrekening met een saldo van eur 12.000,--. Afgesproken is dat Kees in het huis blijft wonen. Annelies kan over het volledige spaartegoed beschikken. De aanvraag om bijstand moet worden afgewezen. Nu Annelies kan beschikken over een vermogen dat ruim boven de voor haar geldende vermogensgrens ligt, is het niet nodig om de vermogenstoets uit te stellen tot na de afwikkeling van de echtscheiding. Indien er geen spaarrekening was geweest kon de aanvraag worden toegewezen met uitstel van de vermogenstoets. Vermogen uit boedelscheiding t.b.v. woninginrichting Als de belanghebbende na de boedelscheiding de beschikking krijgt over vermogen en dit deels wil aanwenden voor woninginrichting, dan gelden hiervoor de volgende uitgangspunten: in beginsel wordt slechts het bescheiden vermogen vrijgelaten; een extra vrijlating voor inrichtingskosten is mogelijk als uit een (onderhandse) akte duidelijk blijkt dat de belanghebbende geen of slechts gedeeltelijk inrichtingsgoederen heeft toegescheiden gekregen. De extra vrijlating bedraagt in alle gevallen - uitgaande van de helft en rekening houdend met een besteding van 1,5 maal de norm - 75% van de betreffende maximale totaalvergoeding voor woninginrichting ( zie paragraaf B7.17 onderdeel 4 “Duurzame gebruiksgoederen” ). B021 Vaststellen vermogen bij overname cliënt uit andere gemeente In deze richtlijn wordt aangegeven hoe het vermogen vastgesteld wordt bij vestiging in de gemeente van een belanghebbende die direct voorafgaand aan deze verhuizing in een andere gemeente reeds bijstand genoot. Bij overname van een belanghebbende uit een andere gemeente dienen het vermogen en de toepasselijke vermogensgrens opnieuw te worden vastgesteld. De reden hiervoor is dat iedere gemeente een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de bijstandsverlening en dat het eigen beleid inzake de vaststelling van het vermogen per gemeente kan verschillen. Verder kan er op grond van de domiciliebepalingen van artikel 40 lid 1 WWB gesteld worden dat er feitelijk sprake is van een nieuwe aanvraag. Er zijn omstandigheden denkbaar op grond waarvan in een individueel geval kan worden afgeweken van bovenstaande beleidslijn. Dit is bijvoorbeeld aan de orde indien de belanghebbende beschikt over een vermogen groter dan het van toepassing zijnde bescheiden vermogen en deze "vermogensoverschrijding" is ontstaan door besparingen tijdens de bijstandsperiode in de vorige gemeente. Het is dan onbillijk en wellicht zelfs in strijd met het recht om geen rekening te houden met de wijze waarop het vermogen is ontstaan. Geadviseerd wordt om in dat geval af te zien van het (opnieuw) vaststellen van het vermogen en de vermogensvaststelling van de vorige gemeente over te nemen, inclusief de hoogte van de toepasselijke vermogensgrens. Zie over overname van belanghebbenden uit andere gemeenten ook paragraaf B2.3 onderdeel 12. B022 Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm In deze richtlijn wordt de vermogensvaststelling aangegeven van belanghebbenden van wie de leefvorm wijzigt. De hoogte van de vermogensgrens is gelijk aan de actuele vermogensgrens die geldt voor de nieuwe leefvorm van de belanghebbende (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden). Stel het vermogen opnieuw vast (bezittingen minus schulden). Voorkom daarbij onbillijkheden en houd daarom in ieder geval rekening met het volgende: * Het deel van het vermogen dat is ontstaan tijdens de bijstandsperiode door ontvangen rente en besparingen dient gelet op de vrijlatingsbepalingen buiten beschouwing te blijven. * Bij alleenstaande ouders die alleenstaanden worden is onder omstandigheden het aanvaardbaar dat een deel van het vermogen wordt overgedragen aan de (niet meer ten laste komende) kinderen waardoor het vermogen van de bijstandsgerechtigde alleenstaande lager wordt. Maak van deze mogelijkheid gebruik indien bij de oorspronkelijke vermogensvaststelling rekening is gehouden met vermogensbestanddelen van ten laste komende kinderen. De systematiek van de WWB schrijft dit immers voor als de kinderen tot het gezin behoren. Een redelijke wetstoepassing brengt echter met zich mee dat zodra de betreffende kinderen de leeftijd van 18 jaar bereiken (en dus niet langer tot het gezin in de zin van de WWB behoren) bij de vermogensvaststelling van de ouder niet langer rekening wordt gehouden met de vermogensbestanddelen van die kinderen. Dit is slechts dan anders indien er voorafgaande aan de bijstandsverlening een vermogensoverheveling heeft plaatsgevonden van de ouder naar de kinderen met als kennelijk doel om het recht op bijstand (langer) te waarborgen. Voorbeeld: Mevrouw Peters vraagt op 1 januari 2000 bijstand aan. Op die dag wordt haar zoon Kees 14 jaar. Mevrouw Peters heeft een spaarrekening met eur 4.000,--. Het saldo van de spaarrekening van zoon Kees bedraagt eur 2.500,--. Mevrouw Peters krijgt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Haar vermogen wordt vastgesteld op eur 6.500,-- (de som van de saldi op de beide spaarrekeningen). Op 1 januari 2004 wordt Kees 18 jaar. Mevrouw Peters wordt vanaf die datum aangemerkt als alleenstaande. Op grond van bovenstaande regels geldt dat de toepasselijke vermogensgrens wijzigt in de actuele vermogensgrens voor een alleenstaande: eur 5.065,-- (bedrag geldt per 1 januari 2004). De banksaldi zijn nog steeds aanwezig dus de hoogte van vermogen blijft in beginsel gelijk, namelijk eur 6.500,--. Gevolg is dat er sprake is van een vermogensoverschot dat mevrouw Peters zou moeten interen. Echter, het is redelijk om het vermogen van mevrouw Peters te verlagen met eur 2.500,--. Dit bedrag komt immers toe aan zoon Kees, want het stond bij aanvang van de bijstandsverlening op zijn spaarrekening. Het vermogen van mevrouw Peters bedraagt daarom eur 4.000,--en blijft onder de (nieuwe) van toepassing zijnde vermogensgrens. Interen is nu niet nodig. De motivatie voor bovenstaande regels luidt als volgt: De wetgever heeft bewust geen regels vastgesteld inzake de vaststelling van het vermogen bij wijziging van de leefvorm. In de Memorie van Antwoord geeft de minister aan dat b en w een billijke oplossing moeten vinden. Ook indien er geen sprake is van een wijziging van de leefvorm gelden de actuele vermogensgrenzen. Bij wijziging van de leefvorm vindt tevens aanpassing van de norm algemene bijstand plaats. De Centrale Raad van Beroep heeft in het kader van de oude ABW bepaald dat bij een voor de toepassing van de oude ABW relevante wijziging in de omstandigheden het vrij te laten vermogen (lees: vermogensgrens) opnieuw moet worden vastgesteld(CRvB 25-09-1998, JABW 1998, 160). Nu de vermogensbepalingen op dit punt niet fundamenteel gewijzigd zijn, is het aannemelijk dat deze jurisprudentie ook geldt voor de WWB. Het bij wijziging van de leefvorm opnieuw vaststellen van het beginvermogen zorgt voor duidelijke en eenvoudige regelgeving. B023 Beleid inzake korten voorlopige teruggave In deze richtlijn wordt aangegeven hoe een teruggave of voorlopige teruggave van de belastingdienst in verband met de heffingskorting wordt gekort op de bijstandsuitkering. Ontvangen bedragen aan teruggave en voorlopige teruggave worden gekort, voorzover deze betrekking hebben op een periode waarin bijstand wordt verleend. Indien het aannemelijk is dat belanghebbende in aanmerking komt voor een voorlopige teruggave in verband met de heffingskorting wordt hem op grond van artikel 55 WWB de verplichting opgelegd deze bij de belastingdienst aan te vragen. Laat hij dit na, dan wordt het bedrag waarop hij recht heeft gekort. Het is tenslotte een middel waarover hij kan beschikken (artikel 31 lid 1 WWB). Tevens wordt dan een verlaging van de bijstand toegepast op grond artikel 18 lid 2 WWB. NB: teruggave in verband met de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting en de jonggehandicaptenkorting alsmede, voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is, de aanvullende alleenstaande ouderkorting, de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting worden niet tot de middelen gerekend en zijn mitsdien ook geen in aanmerking te nemen inkomen. B024 Vrijlaten giften In deze richtlijn wordt aangegeven in welke gevallen giften en smartengeld (lees: andere dan de in artikel 31 lid 2 onderdeel l WWB bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade) uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn, zodat deze vrijgelaten kunnen worden. Er zal steeds individueel beoordeeld moeten worden in hoeverre een gift buiten beschouwing kan worden gelaten. Als het gaat om de hoogte van de gift, moet bezien worden of dit leidt tot een bestedingsniveau dat niet meer in overeenstemming is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk is (bijvoorbeeld wanneer de belanghebbende maandelijks een gift van eur 450,-- ontvangt). Gaat het om de bestemming van de gift, dan zal bij een specifieke bestemming (bijvoorbeeld studiekosten of schulden) de vrijlating eerder in de rede liggen dan wanneer deze betrekking heeft op de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan (levensonderhoud). B025 Spaarloon In deze richtlijn wordt aangegeven op welke wijze rekening wordt gehouden met spaarloon bij de inkomens- en vermogenstoets. In het kader van de bijstandsverlening wordt als volgt omgegaan met een spaarloonregeling: - Bij de vermogensvaststelling bij aanvang van de bijstand wordt 66,55% van het geblokkeerde spaarloon als vermogen aangemerkt waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken. - Spaarloon dat tijdens de bijstandsverlening wordt gedeblokkeerd, wordt volledig vrijgelaten bij de inkomens- en vermogenstoets. - ontvangen rente over spaarloon wordt vrijgelaten op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel c WWB. - Indien de belanghebbende algemene bijstand ontvangt ter aanvulling op zijn loon dan moet voor wat betreft de inkomstenkorting uitgegaan worden van het loon dat de belanghebbende zou ontvangen indien hij niet aan de spaarloonregeling zou deelnemen. Hiertoe dient hij een aparte loonspecificatie van zijn werkgever te overleggen. Indien de belanghebbende dit niet kan of wil, wordt van het spaarbedrag 66,55% wel, en 33,45% niet tot het inkomen gerekend (percentages gelden per 01-1-2010). - Bij een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt eveneens uitgegaan van het inkomen dat belanghebbende zou ontvangen indien hij niet aan de spaarloonregeling zou deelnemen. B026 Ex-partner betaalt woonkosten In deze richtlijn wordt aangegeven of in het geval dat een ander dan belanghebbende de woonlasten van de door belanghebbende bewoonde woning draagt het aldus verkregen woongenot aanmerkt als inkomen in natura. Indien een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, wordt hiermee op grond van artikel 33 lid 1 WWB bij de inkomstentoets geen rekening meer mee gehouden. In voorkomende gevallen is namelijk reeds op grond van artikel 27 WWB de bijstand lager vastgesteld (zie hiervoor paragraaf B6.7). B027 Waarde auto bij vermogensvaststelling In deze richtlijn wordt aangegeven of een auto, al dan niet tot een bepaald bedrag, als algemeen gebruikelijk goed wordt aangemerkt. Daarbij kan tevens worden aangegeven hoe de waarde van een auto wordt vastgesteld. Algemeen gebruikelijk Op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel a WWB worden niet alleen bezittingen in natura die, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn, niet als vermogen aangemerkt, maar ook bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn. Het college vindt: een auto of motor met een waarde tot maximaal eur 2.000,-- algemeen gebruikelijk; Indien de waarde meer bedraagt dan eur 2.000,-- wordt de gehele waarde in aanmerking genomen als vermogen. caravans, al vanwege hun aard, niet algemeen gebruikelijk. Waardevaststelling Voor de vaststelling van de waarde van de auto's, motoren en caravans (inclusief btw) wordt in beginsel uitgegaan van de ANWB/BOVAG koerslijst voor de in aanmerking te nemen waarde in het economisch verkeer (artikel 34 lid 1 onderdeel a WWB). De auto wordt gewaardeerd als volgt: Gebruik de koerslijst van de ANWB/BOVAG (internetadres www.anwb.nl/autokoerslijst/controller). Vul de gevraagde specificaties in. Stel de waarde als volgt vast: Er kan uitgegaan worden van het gemiddelde van een aantal van de genoemde richtprijzen. Hierbij wordt een 6-tal richtprijzen aangegeven ("inruil bij autobedrijf" – "aankoop bij autobedrijf met garantie" – "aankoop bij autobedrijf zonder garantie" – "aankoop bij merk gebonden dealer met garantie" – "aankoop bij merk gebonden dealer zonder garantie" – "aan/verkoop tussen particulieren") Van de goederen die wegens hun leeftijd (doorgaans 7 à 8 jaar of ouder) niet meer in de koerslijsten zijn opgenomen, wordt aangenomen dat hun waarde nihil is. Van deze uitgangspunten wordt afgeweken indien er aantoonbare verschillen zijn tussen het goed en de uitgangspunten van de koerslijsten, bijvoorbeeld enerzijds een schade-auto en anderzijds een oldtimer. Informatie over kenteken Via de sociale recherche kan nagegaan worden of een belanghebbende een kenteken (lees: auto) op zijn naam heeft staan. B028 Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling In deze richtlijn wordt aangegeven in hoeverre bij de vermogensvaststelling rekening wordt gehouden met de waarde van verzekeringen en/of reserveringen voor begrafenis- of crematiekosten. Het college van burgemeester en wethouders, Gelet op artikel 31 eerste lid en artikel 34 tweede lid onderdeel a Wet werk en bijstand (WWB) Besluit: Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn nr. B028 Reservering uitvaartkosten bij vermogensvaststelling ArtikelI Richtlijn nr. B028 wordt als volgt ingevuld: Een ieder wordt geacht een verzekering af te hebben gesloten voor de kosten van begrafenis of crematie. Dit kan zowel een verzekering in natura zijn (bijvoorbeeld Dela) of een levensverzekering die in contanten uitkeert. De reserveringen, verzekering of anderszins, voor begrafenis of crematie worden in beginsel vrijgelaten. Let bij een levensverzekering op de volgende aspecten: de waarde mag niet bovenmatig hoog zijn (richtbedrag € 3.438,00); bij een hogere polis mag de bijstandsafhankelijkheid bij het afsluiten van de polis in ieder geval niet voorzienbaar zijn geweest; het te goed wordt alleen bij overleden uitgekeerd en is niet tussentijds opvraagbaar of afkoopbaar. Wanneer in plaats van een verzekering een bedrag in contanten is gereserveerd voor begrafeniskosten wordt dit alleen onder de volgende voorwaarden niet als vermogen aangemerkt: het geld is uitsluitend bestemd voor de kosten van een uitvaart en mag niet tussentijds opvraagbaar zijn (staat op een aparte rekening); het tegoed alleen bij overlijden kan worden opgenomen (er zal dus een gemachtigde zijn aangewezen die het geld kan opnemen), en; de waarde is niet bovenmatig hoog (richtbedrag € 3.438,00 per persoon). ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 januari 2010. Met ingang van deze datum wordt de eerder op 21 april 2009 vastgestelde richtlijn ingetrokken. Toelichting: In deze richtlijn wordt aangegeven in hoeverre bij de vermogensvaststelling rekening wordt gehouden met de waarde van verzekeringen en/of reserveringen voor begrafenis- of crematiekosten. Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B4.4 onderdeel 8.2. Overwegingen Er is geen juridische grondslag waarop het college de vermogensgrens voor belanghebbende kan verhogen met een bedrag aan reserveringen voor begrafenis- of crematiekosten. Artikel 34 WWB voorziet hier niet in. Overigens, ook de ABW voorzag hier niet in. Indien de verzekering of reservering echter zodanig van vorm is dat gesteld moet worden dat belanghebbende hier niet over kan beschikken, dan kan het college deze op grond van artikel 31 lid 1 WWB niet als middel in aanmerking nemen. Dit zal zich met name voordoen bij uitvaartverzekeringen welke in natura uitkeren. Het vrijlaten van de waarde van de verzekering in natura is dus niet gelegen in de bestemming van de uitkering maar in het feit er niet over beschikt kan worden. Ten aanzien van de bestemming heeft de CRvB reeds meermalen overwogen dat begrafeniskosten niet kunnen worden geacht te behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan van de overledene (zie CRvB 28-01-2003, nr. 01/4196 NABW). Daaruit vloeit voort dat bij leven dus ook niet gereserveerd hoeft te worden voor uitvaartkosten. In de WWB moet het strikt genomen niet mogelijk worden geacht om reserveringen voor kosten van begrafenis of crematie buiten beschouwing te laten bij de vermogensvaststelling. In de praktijk hebben echter veel gemeenten toch een dergelijke regeling. Deze is ontleend aan de niet meer van kracht zijnde Wet op de bejaardenoorden, waarin voorzien werd in een vrijlating van het vermogen in verband met reserveringen voor begrafenis- of crematiekosten. In het kader van gelijke behandeling van belanghebbende met een verzekering die in natura en die in contanten uitkeert lijkt het niet onredelijk om ook in het tweede geval een bedrag buiten beschouwing te laten. Verplichtingen en afstemming B029 Inschrijving bij uitzendbureaus In deze richtlijn wordt aangegeven bij hoeveel uitzendbureaus een belanghebbende zich moet inschrijven om te kunnen voldoen aan de verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Hoofdregel van beleid in deze is dat de belanghebbende zich bij diverse uitzendbureaus laat inschrijven. De individuele omstandigheden van de belanghebbende zijn bepalend voor het aantal uitzendbureaus waar hij zich moet laten inschrijven. B030 Beleidsregels ontheffing arbeidsplicht In deze richtlijn wordt aangegeven in welke gevallen gebruik maakt wordt van de bevoegdheid om belanghebbende tijdelijk ontheffing te verlenen van de arbeids- en/of reïntegratieverplichtingen. In deze richtlijn komen de volgende onderdelen aan de orde: 1. Ontheffing in verband met zorgtaken voor kinderen van 5 tot 12 jaar; 2. Ontheffing in verband met zorgtaken voor kinderen tot 5 jaar ; 3. Ontheffing in verband met mantelzorgtaken; 4. Ontheffing op medische of psychische gronden; 5. Ontheffing op sociale gronden; 6. Ontheffing tijdens een re-integratietraject; 7. Ontheffing op grond van overige redenen. Ad.1 Ontheffing in verband met zorgtaken voor kinderen van 5 tot 12 jaar Het college kan, met inachtneming van artikel 9 lid 2 WWB of artikel 37a lid 1 IOAW en artikel 37a lid 1 IOAZ, bepalen dat aan alleenstaande ouders met kinderen van 5 tot 12 jaar tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 37 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 IOAZ. Dringende redenen voor die tijdelijke ontheffing, geheel of gedeeltelijk, worden aanwezig geacht indien re-integratie in redelijkheid niet mogelijk blijkt te zijn vanwege zorgtaken. Dit laatste alleen voor zover met de zorgtaken geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a WWB of artikel 34 lid 1 sub a IOAW en artikel 34 lid 1 sub a IOAZ. Bij het besluit tot opleggen van de arbeidsplicht ingevolge artikel 9 lid 1 sub a WWB, artikel 37 lid 1 IOAW/IOAZ, neemt het college het bepaalde in artikel 9 lid 4 WWB of artikel 37a lid 2 IOAW/IOAZ in acht. Ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling wordt slechts voor een door het college vast te stellen periode verleend, maximaal te bepalen op één jaar. Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode opnieuw te verlengen. Toelichting Het college dient in alle gevallen een individuele afweging te maken. Deze afweging wordt in de kern bepaald door twee elementen: ten eerste het principe dat het oordeel van het college uiteindelijk doorslaggevend is en ten tweede het beginsel dat uiteindelijk voor alle cliënten gestreefd wordt naar economische zelfstandigheid. Enkel de wens van de alleenstaande ouder is dus niet bepalend. Gekeken zal moeten worden naar de achtergrond van de wens van de alleenstaande ouder, of deze gekoppeld is aan een specifieke situatie en de mogelijkheden die er zijn om met behulp van voorzieningen de eventuele belemmering weg te nemen. De afweging kan uiteindelijk resulteren in een tijdelijke volledige ontheffing, maar ook in een verplichting om deel te nemen aan scholing. Ook kan de ontheffing worden gerelateerd aan een urental waarbij de betrokkene gedurende een x aantal uren per week gehouden blijft te voldoen aan de arbeidsverplichtingen. Bij de beoordeling van de vraag of betrokken ouder in staat moet worden geacht om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden (één van de drie arbeidsverplichtingen zoals benoemd in artikel 9 lid 1 sub a WWB) dient het college zich ervan te vergewissen dat passende kinderopvang, tussenschoolse opvang en buitenschoolse opvang en de aansluiting op schooltijden beschikbaar zijn. Ad. 2 Ontheffing in verband met zorgtaken voor kinderen tot 5 jaar Indien de combinatie van zorg en arbeid en/of de combinatie van zorg en re-integratieactiviteiten niet, dan wel niet volledig, mogelijk is voor alleenstaande ouders met kind(eren) tot 5 jaar kan tijdelijk, geheel of gedeeltelijk ontheffing worden verleend van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 37 lid 1 IOAW/IOAZ. Bij het besluit tot ontheffing zoals hier genoemd, neemt het college het bepaalde in artikel 9a WWB en artikel 38 IOAW/IOAZ in acht alsook het bepaalde in artikel 9 lid 4 WWB en artikel 37a lid 2 IOAW/IOAZ. Ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling duurt: a. indien de ontheffing, ingevolge artikel 9a lid 1 WWB of 38 IOAW/IOAZ, louter betrekking heeft op de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 sub a WWB of artikel 37 lid 1 sub a-d IOAW/IOAZ, tot het moment dat het jongste kind de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt met een maximum van 6 jaar; b. indien de ontheffing, naast de verplichtingen zoals genoemd artikel 9 lid 1 sub a WWB of artikel 37 lid 1 sub a-d IOAW/IOAZ, tevens één of meerdere re-integratieplichten omvat, maximaal één jaar voor wat betreft de ontheffing van de re-integratieplicht. Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten om een ontheffing van de re-integratieplicht zoals genoemd in sub b, na afloop van de vastgestelde periode te verlengen. Toelichting Ingevolge artikel 9a lid 1 WWB gaat het, zoals gezegd, om ontheffing van de arbeidsplicht. De re-integratieplicht als zodanig blijft bestaan en het is aan het college om daartoe een plan van aanpak op te stellen (artikel 9a lid 7 WWB). Deze re-integratieplicht omvat in ieder geval de scholingsplicht indien de betreffende ouder nog niet beschikt over een startkwalificatie (artikel 9a lid 8 WWB). Ad. 3 Ontheffing in verband met mantelzorgtaken Indien belanghebbende mantelzorg verleent, kan, ingevolge artikel 9 lid 2 WWB of artikel 37a lid 1 IOAW/IOAZ, tijdelijk, geheel of gedeeltelijk ontheffing worden verleend van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 37 lid 1 IOAW/IOAZ. De mate van ontheffing zoals hier genoemd wordt gerelateerd aan de omvang van de mantelzorg. Het bestaan, de omvang en de duur van de mantelzorg dient te blijken uit een WMO-indicatiebesluit of een AWBZ-indicatiebesluit. Indien een indicatiebesluit niet voorhanden is dient een indicatiebesluit waaruit de noodzaak tot mantelzorgverlening blijkt alsnog te worden verkregen via medewerking van de verzorgde persoon. Ontheffing wordt slechts voor een door het college vast te stellen periode verleend, maximaal te bepalen op de duur zoals benoemd in het indicatiebesluit. Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen. Ook hiervoor gelden dan weer de regels zoals hierboven neergelegd. Indien het college de verrichte mantelzorg niet in redelijke verhouding vindt staan tot de arbeids- en/of re-integratieplicht van betrokkene, kan het college besluiten de ontheffing ingevolge dit artikel niet te verlenen. In dat geval dient het college zich wel te vergewissen van een voorhanden zijnde adequaat alternatief voor hulp bij het huishouden. Ad. 4 Ontheffing op medische of psychische gronden Indien belanghebbende kampt met medische of psychische beperkingen, kan, ingevolge artikel 9 lid 2 WWB of artikel 37a lid 1 IOAW/IOAZ, tijdelijk, geheel of gedeeltelijk ontheffing worden verleend van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 37 lid 1 IOAW/IOAZ. Het bestaan, de omvang en de duur van de arbeidsongeschiktheid als hierboven bedoeld dient uit een medisch en/of arbeidsdeskundig onderzoek te blijken. Hiertoe kan advies gevraagd worden bij een onafhankelijke adviserende instantie. Ontheffing wordt slechts voor een door het college vast te stellen periode verleend, maximaal te bepalen op 36 maanden. Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen. Ad. 5 Ontheffing op sociale gronden Indien belanghebbende kampt met sociale belemmeringen, kan, ingevolge artikel 9 lid 2 WWB of artikel 37a lid 1 IOAW/IOAZ, tijdelijk, geheel of gedeeltelijk ontheffing worden verleend van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 37 lid 1 IOAW/IOAZ. Ontheffing als hier bedoeld wordt verleend voor maximaal zes maanden. Toelichting Bij sociale belemmeringen moet worden gedacht aan echtscheidingsproblematiek, ernstige leerproblemen van het kind (geïndiceerd door de school en ontbreken van kinderopvang). Sociale problematiek is altijd tijdelijk van aard. Daarom is er voor gekozen om de duur van de ontheffing te maximaliseren tot 6 maanden zonder dat verlenging mogelijk is. Als het probleem langer dan 6 maanden bestaat, dan is het vaak een medisch of psychisch probleem. Ad. 6 Ontheffing tijdens een re-integratietraject Indien belanghebbende gebruik maakt van een of meerdere voorzieningen in het kader van een re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling, kan, ingevolge artikel 9 lid 2 WWB of artikel 37a lid 1 IOAW/IOAZ tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, ontheffing worden verleend op onderdelen van de arbeidsplicht zoals genoemd in artikel 9 lid 1 sub a WWB of artikel 37 lid 1 sub a tot en met d IOAW/IOAZ. De ontheffing als hier bedoeld wordt verleend voor de duur van de voorziening. Ad. 7 Ontheffing op grond van overige redenen Het college kan in overige gevallen, met inachtneming van artikel 9 lid 2 WWB of artikel 37a lid 1 IOAW/IOAZ, bepalen dat aan de uitkeringsgerechtigde tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 37 lid 1 IOAW/IOAZ. Dringende redenen voor die tijdelijke ontheffing, geheel of gedeeltelijk, worden aanwezig geacht indien re-integratie in redelijkheid niet mogelijk blijkt te zijn. Ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling wordt slechts voor een door het college vast te stellen periode verleend, maximaal te bepalen op één jaar. Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen. Toelichting Afhankelijk van de situatie van belanghebbende kan de ontheffing betrekking hebben op één of meer van de verplichtingen zoals benoemd in de artikelen. Indien daarvoor aanleiding bestaat kan het gaan om een volledige ontheffing van zowel de arbeidsplicht (artikel 9 lid 1 sub a WWB) als de re-integratieplicht (artikel 9 lid 1 sub b WWB). De keuze kan evenwel ook gemaakt worden dat belanghebbende een gedeeltelijke ontheffing krijgt, bijvoorbeeld vrijstelling van de verplichting om ingeschreven te staan als werkzoekende bij UWV en de sollicitatieplicht, maar wel de verplichting om een bepaalde scholing te volgen en af te ronden. Ook kan de ontheffing worden beperkt in duur / aantal uren per week. Kortom, het gaat om maatwerk. B031 Betekenis "onverwijld uit eigen beweging" in artikel 17 lid 1 WWB In deze richtlijn wordt aangegeven op welke wijze invulling gegeven wordt aan het begrip 'onverwijld uit eigen beweging' als bedoeld in artikel 17 lid 1 WWB en artikel 29 lid 1 Wet SUWI. Bovenstaande omschrijving spreekt van “onverwijld uit eigen beweging”. Hieronder wordt verstaan dat de belanghebbende de bedoelde inlichtingen onmiddellijk (binnen 5 werkdagen) doorgeeft middels inlevering van het wijzigingsformulier (in de hiervoor bestemde brievenbus, bij de receptie of aan de casemanager). Hij moet alle wijzigingen die zich voordoen in zijn situatie alsmede van zijn inwonende kinderen doorgeven zoals omschreven in het ‘overzicht meldingsplicht’. De kaart ‘overzicht meldingsplicht’ is opgeborgen in de informatiemap Werk Inkomen en Zorg welke aan iedere bijstandsgerechtigde is uitgereikt. Het moet hem voorts duidelijk zijn dat, zonder dat daar gericht naar gevraagd behoeft te worden alle wijzigingen die van belang zijn voor het recht op uitkering door middel van dat formulier moeten worden doorgegeven. B032 Belanghebbende beschikt niet meer over bewijsstukken In deze richtlijn wordt aangegeven wanneer het belanghebbende niet verwijtbaar is de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig te hebben verstrekt. Wanneer de belanghebbende niet meer beschikt over bepaalde bewijsstukken (bijvoorbeeld bankafschriften) dan zal hij eerst voor eigen rekening (zie CRvB 06-07-1999, nr. 97/12345 ABW) moeten proberen om nieuwe exemplaren hiervan te verkrijgen. Alleen wanneer dit in het geheel niet mogelijk is of wanneer de hieraan verbonden kosten in geen verhouding staan tot het belang van de te verkrijgen gegevens voor de vaststelling van het recht op bijstand, kan het verkrijgen van nieuwe bewijsstukken achterwege blijven. De afdeling WIZ kan dan proberen om de gegevens op een andere manier te verifiëren. Dus: Het niet, niet tijdig of onvolledig verstrekken van gevorderde bewijsstukken leidt alleen bij verwijtbaarheid tot: het buiten behandeling stellen van de aanvraag met in achtneming van artikel 4:5 Awb (zie paragraaf B2.2 onderdeel 7) of, het opschorten van de bijstand op grond van artikel 54 WWB (zie paragraaf B11.2 onderdeel 3). Indien belanghebbende geen verwijt valt te maken beoordeelt het college het recht van de bijstand op basis van de beschikbare informatie. B033 Periode te overleggen bankafschriften In deze richtlijn wordt aangegeven over welke periode een belanghebbende geacht wordt om bankafschriften als bewijsmiddelen over te leggen. Bij de aanvraag is de belanghebbende verplicht van alle bank-, giro-, krediet-, creditcard-, spaar-, internet- en effectenrekeningen (van alle gezinsleden) alle afschriften te overleggen die betrekking hebben op de periode van drie maanden voorafgaande aan de datum van de aanvraag (de lengte van deze periode is in overeenstemming met constante jurisprudentie van de CRvB). Bij heronderzoeken geldt een periode van een maand voorafgaand aan het heronderzoek. Bij gerichte individuele fraude-onderzoeken kunnen deze periodes worden verlengd. Voor een juist inzicht in de aanwezigheid van inkomsten en vermogen en ter verificatie van het saldo op een internet(spaar)rekening zijn er de volgende mogelijkheden: De belanghebbende kan een afdruk van de internetpagina met het saldo van zijn internetspaarrekening overleggen. De belanghebbende kan tijdens een gesprek worden gevraagd om via een computer die verbonden is met het internet de pagina met het saldo van zijn internetspaarrekening op te roepen. Het college kan bij de belastingdienst een lijst opvragen van alle bankrekeningnummers die gekoppeld zijn aan een belanghebbende. Zo kan duidelijk worden of er al dan niet (internet)(spaar)rekeningen zijn verzwegen. De belastingdienst ontvangt van de banken namelijk jaarlijks per belastingplichtige een overzicht van de saldi op de bankrekeningen. Het opvragen van gegevens over bankrekeningen bij de belastingdienst loopt via het Inlichtingenbureau. Indien er een vermoeden van fraude is, kan het college volledige inzage verlangen in de bankafschriften van de lopende rekeningen. De belanghebbende mag dan geen enkel gegeven onleesbaar maken. Aangezien stortingen en opnames meestal via de lopende rekeningen (moeten) verlopen, kan volledige inzage hierin aan het licht brengen of de belanghebbende een of meer internetspaarrekeningen heeft. Aan de uitkering wordt de voorwaarde verbonden gebruik te maken van de (gratis) standaardvoorziening in de fysieke verstrekking van bankafschriften. Vaak wordt in die standaard(basis)voorziening van de bank de mogelijkheid geboden eens per maand gratis bankafschriften te ontvangen. Dat de cliënt dergelijke fysieke stukken veelal niet wenst te ontvangen wil namelijk niet inhouden dat de gemeente deze vanuit een deugdelijke controle niet kan verlangen. B034 Procedure inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring In deze richtlijn wordt de procedure aangegeven inzake het inleveren van het periodieke ROF/inkomstenverklaring dan wel inleveren van het mutatieformulier. Sinds 1 september 2001 kent de gemeente Helmond niet langer het systeem van het maandelijks inleveren van het ROF. De belanghebbende beschikt over een informatiemap met daarin opgenomen divers foldermateriaal, alsmede wijzigingsformulieren, een vakantieformulier, sollicitatieformulieren en een overzicht meldingsplicht. Tweemaal per jaar wordt er een zogenaamd statusformulier naar de belanghebbende toegezonden met daarop vermeld de gegevens zoals deze bij de dienst bekend zijn. De belanghebbende(
  5. n)dient deze gegevens te controleren en voor akkoord te tekenen en deze tijdig (vóór de op het statusformulier vermelde datum) weer in te leveren bij deze dienst. Indien het statusformulier niet tijdig wordt ingeleverd (of niet ondertekend retour is gezonden) wordt de uitkering opgeschort en wordt aan de belanghebbende(
  6. n)een hersteltermijn gegeven. Alle wijzigingen die zich in de bestaande situatie voordoen dienen onmiddellijk – binnen 5 werkdagen - te worden doorgegeven middels het wijzigingsformulier. Het wijzigingsformulier moet worden ingeleverd in de hiervoor bestemde brievenbus, bij de receptie of rechtstreeks aan de casemanager. De belanghebbende ontvangt van deze dienst een blanco wijzigingsformulier retour. Indien de wijziging leidt tot een wijziging in de hoogte van zijn uitkering, krijgt hij via het bedrijfsbureau een nieuwe specificatie van zijn uitkering. Bij ongewijzigde omstandigheden ontvangt de belanghebbende geen maandelijkse uitkeringsspecificaties. De belanghebbende die maandelijks vaste inkomsten heeft, hoeft deze dienst enkel te informeren wanneer de hoogte van zijn inkomsten wijzigt. Indien de belanghebbende wisselende inkomsten heeft zal hij iedere maand een wijzigingsformulier dienen in te leveren. In individuele gevallen kan besloten worden om aan de belanghebbende de verplichting op te leggen om maandelijks een wijzigingsformulier in te laten leveren. De casemanager dient zelf te controleren of deze verplichting wordt nagekomen. Ter controle worden er maandelijks gegevens uitgewisseld met het inlichtingenbureau (belastingdienst, IBG, UVI’s); wordt er informatie verkregen van de belastingsdienst over de verstrekte heffingskortingen, wordt er maandelijks lijstwerk gekregen van GBA-mutaties (overlijden) en is er informatie beschikbaar van de ziektekostenverzekeraars. Sollicitatieactiviteiten hoeven niet op het wijzigingsformulier te worden vermeld. De belanghebbende dient alle sollicitatieactiviteiten bij te houden op het daarvoor bestemde formulier en deze bij het heronderzoek in te leveren of eerder als de casemanager dit noodzakelijk acht. B136 ROF of Mutatieformulier In deze richtlijn wordt aangegeven of gebruik gemaakt wordt van een maandelijks ROF of van een Mutatieformulier voor de wijze waarop belanghebbende aan de inlichtingenplicht kan voldoen. Statusformulier De klant ontvangt periodiek een overzicht van de gegevens die bij de afdeling Werk en Inkomen bekend zijn. De klant moet dit 'statusformulier' verifiëren en ondertekend terugsturen, met inbegrip van eventuele wijzigingen. Is er inderdaad iets gewijzigd in zijn situatie, dan is dat reden voor een rechtmatigheidsonderzoek. Het statusformulier wordt éénmaal per half jaar verzonden. Als de gegevens kloppen, moet de klant het formulier voor akkoord ondertekenen en vervolgens retourneren. Kloppen de gegevens niet, dan moet de klant dit aangeven en vervolgens de juiste gegevens aan de afdeling melden via het mutatieformulier dat hij al in zijn bezit heeft (in de informatiemap). Beide formulieren moeten binnen de gestelde termijn worden geretourneerd. De gegevens op het statusformulier beperken zich tot: de identiteit van de klant en diens partner, de inwonende kinderen (en of zij financieel afhankelijk zijn), eventuele huisgenoten, en de uitkering van de voorafgaande maand (normsoort, leefvorm, norm, toeslag en inkomstenkorting). Mutatieformulier Klanten leveren een mutatieformulier in als er veranderingen zijn te melden in de persoonlijke omstandigheden of de gezinssituatie. Echter, klanten met wisselende inkomsten dienen elke maand een mutatieformulier in te leveren. Als klanten het mutatieformulier hebben ingestuurd, krijgen zij automatisch een nieuw formulier. Voor klanten met wisselende inkomsten gebeurt dat dus iedere maand. B035 Categorieën die zijn vrijgesteld inleveren maandelijks ROF/inkomstenverklaring In deze richtlijn worden categorieën van belanghebbenden aangewezen die zijn vrijgesteld van de verplichting om het maandelijks ROF in te leveren. Sinds 1 september 2001 kent de gemeente Helmond niet langer het systeem van het maandelijks inleveren van het ROF. Een ieder die een uitkering WWB, Bbz, Ioaw of Ioaz ontvangt in de kosten van levensonderhoud dient wijzigingen onmiddellijk door te geven via het wijzigingsformulier. B036 Meldingsplicht vrijwilligerswerk In deze richtlijn wordt aangegeven in welke gevallen en op welke wijze belanghebbende het verrichten van vrijwilligerswerk moet melden. De belanghebbende dient zo spoedig mogelijk – binnen 5 werkdagen - op het daarvoor bestemde wijzigingsformulier kenbaar te maken dat hij vrijwilligerswerk heeft aanvaard of gaat aanvaarden. B037 Duur aanvultermijn bij aanvraag op grond van artikel 4:5 lid 1 Awb In deze richtlijn wordt aangegeven wat de duur is van de aanvultermijn bij een onvolledige aanvraag. De aanvultermijn wordt bepaald aan de hand van de ingeleverde gegevens en al dan niet bijgevoegde bewijsstukken. De aanvultermijn krachtens artikel 4:5 lid 1 Awb bedraagt in beginsel vijf werkdagen. Indien belanghebbende redelijkerwijs meer tijd nodig heeft, kan deze termijn langer worden vastgesteld. De maximale aanvultermijn bedraagt acht weken. B038 Duur hersteltermijn tijdens bijstand In deze richtlijn wordt aangegeven wat de duur is van de hersteltermijn bij opschorting van het recht op bijstand wegens schending van de inlichtingen- en/of medewerkingsplicht. In het geval belanghebbende verwijtbaar de van belang zijnde gegevens niet, niet tijdig of niet volledig heeft verstrekt of anderszins onvoldoende medewerking verleent, schort het college het recht op uitkering op conform de procedure van artikel 54 WWB. De termijn waarbinnen belanghebbende zijn verzuim kan herstellen bedraagt in beginsel vijf werkdagen. Indien belanghebbende redelijkerwijs meer tijd nodig heeft om het verzuim te herstellen wordt de termijn verlengd. De maximale hersteltermijn bedraagt acht weken. B039 Beleidsregels huisbezoek In deze richtlijn wordt aangegeven het beleid inzake het doen van huisbezoek. Het besluit om een onaangekondigd huisbezoek uit te voeren wordt besproken in het team. Onaangekondigde huisbezoeken worden altijd afgelegd door twee ambtenaren. Het huisbezoek moet een beter beeld opleveren over met name de woon- en leefsituatie van belanghebbende in relatie tot de uitkering. Het huisbezoek is een belangrijk verificatie-instrument. Als uitgangspunt zal in de volgende situaties een huisbezoek worden afgelegd. Uit oogpunt van dienstverlening Het betreft hier huisbezoeken bij cliënten die als gevolg van hun immobiliteit of een communicatieve handicap niet zelf in staat zijn om naar de dienst te komen. Als maatwerk voor bijstandsverlening Het gaat hier met name om bijstand voor woninginrichting. Om de noodzaak en omvang van bijstand te beoordelen is het vaak nodig de situatie ter plekke vast te stellen. Als verificatie van: de woon- en leefsituatie zoals: verificatie of belanghebbende ook werkelijk op het opgegeven adres woont; verificatie met wie de woning wordt gedeeld; verificatie of sprake is van een gezamenlijke huishouding. Deze verificaties vinden alleen via een huisbezoek plaats voor zover het college geconfronteerd wordt met inconsistentie van gegevens en deze inconsistentie onvoldoende wordt verklaard (gerede twijfels bij de juistheid van de verstrekte informatie). In het geval het huisbezoek plaatsvindt in het kader van een fraudeonderzoek, dan is het gebruikelijk dat het huisbezoek afgelegd wordt door de consulent en een sociaal rechercheur. Deze laatste maakt vervolgens een rapportage waarin de bevindingen worden beschreven. de vermogens- of inkomenssituatie Verificatie van het verrichten van bedrijfsmatige activiteiten en om de vermogenspositie nader te toetsen, voor zover er onduidelijkheid is over de aard en omvang van de activiteiten c.q. het vermogen. (On)aangekondigd huisbezoek Een huisbezoek wordt als uitgangspunt aangekondigd. Onder aangekondigd wordt ook verstaan een mededeling in de spreekkamer dat de consulent, eventueel vergezeld van een sociaal rechercheur, samen met belanghebbende naar zijn huis gaat. Bij inconsistentie van gegevens waarvoor geen plausibele verklaring kan worden afgelegd is een onaangekondigd huisbezoek mogelijk. Daarnaast kan in het kader van een bijzonder onderzoek (repressieve controle) een onaangekondigd huisbezoek plaatsvinden. Bij een huisbezoek dient de consulent zich op verzoek van belanghebbende te legitimeren. Overigens heeft belanghebbende het recht om het huisbezoek te weigeren. Indien hierdoor het recht op bijstand niet of niet meer kan worden vastgesteld, leidt dit er toe dat de bijstand moet wordt beëindigd. Belanghebbende wordt dit, bij weigering van een huisbezoek, ook medegedeeld. B040 Personen zonder identiteitsbewijs In deze richtlijn wordt aangegeven het beleid ten aanzien van personen zonder identiteitsbewijs. De belanghebbende die bij de aanvraag van bijstand niet beschikt over een (geldig) identiteitsbewijs zal zelf en voor eigen rekening een dergelijk document opnieuw moeten aanvragen. Met inachtneming van artikel 4:5 lid 1 Awb wordt een hersteltermijn (zie ook paragraaf B5.4) gegeven waarbinnen hij alsnog een identiteitsbewijs kan overleggen. In uitzonderlijke gevallen kan bij wijze van voorschot op grond van artikel 52 WWB leenbijstand worden verstrekt (zie ook paragraaf B10.4). Zo mogelijk wordt het benodigde bedrag direct aan de betrokken instantie betaald (bijvoorbeeld de Stadswinkel). B041 Personen zonder geldig identiteitsbewijs In deze richtlijn wordt aangegeven het beleid ten aanzien van verlopen identiteitsbewijzen. Bij een vervolgcontact met personen met de Nederlandse nationaliteit hoeft, ingevolge jurisprudentie, niet steeds een geldig legitimatiebewijs te worden verlangd, ook niet wanneer het bij de aanvraag gekopieerde bewijs inmiddels is verlopen. Wanneer de identiteit eenmaal is vastgesteld, en zolang deze onomstotelijk vaststaat, is niet bij ieder volgend contact weer een geldig legitimatiebewijs nodig. Bij personen met een andere dan de Nederlandse nationaliteit is, in verband met mogelijke wijzigingen, wél altijd een geldig legitimatiebewijs nodig. B042 Uitleg budgetteringsplicht artikel 57 WWB In deze richtlijn wordt aangegeven hoe om te gaan met de budgetteringsplicht. Het college legt een budgetteringsplicht op, indien er bij belanghebbende sprake is van (problematische) schulden waardoor de betaling van de maandelijkse vaste lasten in het gedrang komt. De budgetteringsplicht wordt op een minder formele wijze toegepast door artikel 57 onderdeel a WWB ruim uit te leggen en de formele handeling van het ondertekenen van een machtiging door de belanghebbende achterwege te laten. Zodra de budgetteringsverplichting door middel van een beschikking is opgelegd, gaat het college direct over tot rechtstreekse betaling van de maandelijkse huur- en energierekeningen van de belanghebbende aan de desbetreffende schuldeisers door middel van inhoudingen op de uitkering. Alleen wanneer de belanghebbende hier bezwaar tegen maakt, zal de formele weg bewandeld moeten worden door de belanghebbende een machtiging te laten ondertekenen. B043 Gevallen waarin wordt afgezien van een verlaging In deze richtlijn wordt aangegeven in welke gevallen afgezien wordt van een verlaging krachtens de afstemmingsverordening. Verlagingen worden toegepast volgens de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Helmond. In het geval van een evident duidelijke afwezigheid van verwijtbaarheid van het betreffende gedrag van belanghebbende wordt van een verlaging afgezien. Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is wanneer de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit ("lik op stuk") is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden worden geen maatregelen opgelegd voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, wordt geen maatregel opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. Van het opleggen van een maatregel wordt afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie. Hierbij zij opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen geen reden zijn om van een verlaging af te zien, aangezien dit inherent is aan het verlagen van een bijstandsuitkering (CRvB 01-04-2003, nr.00/5643 NABW). Van een verlaging kan ook worden afgezien, en worden volstaan met het geven van een waarschuwing, indien er sprake is van een eerste verwijtbare gedraging, binnen een periode van twee jaar, in de vorm van - het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; - het niet binnen de daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie; - het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand. Van het besluit tot afzien tot het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt aan de belanghebbende schriftelijk mededeling gedaan. B150 Verlagen algemene bijstand, bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag In deze richtlijn wordt aangegeven of de verlagingen krachtens de afstemmingsverordening van toepassing zijn op de algemene bijstand, de bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag. Een maatregel ingevolge de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Helmond wordt toegepast op de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Een maatregel kan ook worden toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag indien: aan de belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 WWB; of de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft. Hierbij moet er dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag. B044 Overzicht hoogte verlagingen Deze richtlijn omvat een overzicht van de verlagingen krachtens de afstemmingsverordening. Op grond van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Helmond worden de volgende verlagingen toegepast: - 5% van de uitkering gedurende een maand: Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie (of een waarschuwing wanneer er sprake is van een eerste gedraging binnen twee jaar). - 5% van de uitkering gedurende een maand: Wanneer de verplichting op grond van artikel 17 WWB niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn is verstrekt (of een waarschuwing wanneer er sprake is van een eerste gedraging binnen twee jaar). - 5% van de uitkering gedurende een maand: Wanneer het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 WWB niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand (of een waarschuwing wanneer er sprake is van een eerste gedraging binnen twee jaar). Hierbij moet gedacht worden aan de zogeheten "nulfraude": het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van de zogenaamde nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligwerswerk. - 10% van de uitkering gedurende een maand: Het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. - 20% van de uitkering gedurende een maand: Wanneer niet de gevraagde medewerking wordt verleend die nodig is voor de uitvoering zoals bedoeld in artikel 17 lid 2 WWB. Hieronder wordt verstaan een algemene medewerkingsverplichting. - 20% van de uitkering gedurende een maand: Wanneer aan de belanghebbende een of meerdere verplichtingen zoals bedoeld in artikel 55 WWB zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate worden nagekomen. Hierbij wordt bedoeld op de mogelijkheid om de naast de in Hoofdstuk 2 van de WWB opgenomen verplichtingen die aan het recht op bijstand verbonden zijn of kunnen worden, bepaalde andere verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering dan wel beeindiging van de bijstand. De verplichting om zich onder medische behandeling te stellen is reeds expliciet opgenomen in artikel 55 WWB. Een ander voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende in te schrijven indien er woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een te hoge huur. - 20% van de uitkering gedurende een bepaalde periode: Wanneer een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan wordt betoond als bedoeld in artikel 18 lid 2 WWB, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand. Hieronder wordt verstaan dusdanige gedragingen die tot (meer) bijstandsbehoeftigheid geleid hebben, anders dan de overige expliciet genoemde gedragingen in de Maatregelenverordening. Hieronder valt onder meer het op onverantwoorde wijze interen van vermogen, geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening, onderbedeling bij echtscheiding, het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een alimentatievordering, het langer dan toegestaan verblijven in het buitenland, niet verzekerd zijn tegen brandschade of wettelijke aansprakelijkheid jegens derden. Bij de vaststelling van de duur van de maatregel dient beoordeeld te worden hoe lang de betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven indien wel voldoende besef van verantwoordelijkheid was betoond. De maatregel bedraagt dan: - 20% van de uitkering gedurende een maand bij een periode van 3 maanden of korter. - 20% van de uitkering gedurende drie maanden bij een periode van 3 maanden tot 6 maanden. - 20% van de uitkering gedurende zes maanden bij een periode van 6 maanden en langer. - 20% van de uitkering gedurende een nader te bepalen periode: Bij het onverantwoord interen van het eigen vermogen wordt de maatregel opgelegd over een zodanige periode dat het bedrag van de maatregel gelijk is aan de bijstand die als gevolg van het te snel interen extra is verstrekt doch maximaal vijf jaar. - 20% tot 100% van de uitkering gedurende een maand: Wanneer het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 WWB geleid heeft tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. De hoogte van de maatregel wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan bruto bijstand. Dit is de verleende bijstand verhoogd met de loonbelasting en de premies volksverzekeringen krachtens de Wet op de loonbelasting 1964. Bij de vaststelling van de verlaging wegens inlichtingenfraude komt de ernst van de gedraging dus tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. - Bij een bruto benadelingsbedrag tot € 1.000,-- bedraagt de maatregel 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand; - Bij een bruto benadelingsbedrag van € 1.000,-- tot € 2.000,-- bedraagt de maatregel 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand; - Bij een bruto benadelingsbedrag van € 2.000,-- tot € 4.000,-- bedraagt de maatregel 60% van de bijstandsnorm gedurende een maand; - Bij een bruto benadelingsbedrag van € 4.000,-- of meer bedraagt de maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Het opleggen van de maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Indien de WWB-uitkering van de belanghebbende doorloopt, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekend gemaakt, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm (zie ook richtlijn B048). Is de uitkering al beëindigd dan wordt de maatregel met terugwerkende kracht toegepast. Dit houdt in een herziening van het recht op bijstand tot het bedrag van de maatregel over de periode volgend op de periode waarin de schending van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden. Dit betreft de situatie dat over de periode waarin deze schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden de verstrekte bijstand volledig wordt teruggevorderd. In de situatie dat over deze periode de verstrekte bijstand niet volledig wordt teruggevorderd, kan de herziening tot het bedrag van de maatregel plaatsvinden over dezelfde periode. De herziening resulteert in een terugvordering van bijstand. Bij niet tijdige betaling van deze extra terugvordering voortvloeiend uit de maatregel kunnen de kosten die voortvloeien uit additionele werkzaamheden, noodzakelijk om tot invordering te komen, voor rekening van de belanghebbende worden gebracht (de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten). Is aansluitend aan de periode waarin de schending van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden, de uitkering beëindigd, dan kan de maatregel niet geëffectueerd worden. In dit geval kan de maatregel over een toekomstig recht worden opgelegd. Indien de belanghebbende op een later tijdstip wederom een uitkering aanvraagt, kan de maatregel alsnog worden uitgevoerd. De belanghebbende dient bij het besluit van de beëindiging van de uitkering op de hoogte gesteld te worden dat er een maatregel opgelegd kan worden over een eventueel toekomstig recht op bijstand. Voorbeeld: belanghebbende ontvangt sedert 1 juli 2004 een uitkering. In juni 2005 wordt geconstateerd dat belanghebbende sedert 1 februari 2005 inkomsten heeft boven de norm waardoor de uitkering per 1 februari 2005 wordt beëindigd. De ten onrechte genoten uitkering bedraagt € 6.500,- Per 15 september 2006 vraagt belanghebbende wederom een uitkering aan. De maatregel met terugwerkende kracht kan niet worden geëffectueerd, aansluitend aan de periode waarin de schending van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden, is de uitkering beëindigd. Bij het nieuwe recht ingaande 15 september 2006 kan er een maatregel worden opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Belanghebbende dient wel bij het besluit van de beëindiging van de uitkering en/of de terugvordering van de ten onrechte genoten uitkering op de hoogte gesteld te worden dat er een maatregel opgelegd kan worden over een eventueel toekomstig recht op bijstand. Indien echter de maatregel niet is uitgevoerd binnen een termijn van vijf jaar nadat het besluit tot het opleggen van de maatregel is genomen, komt de maatregel te vervallen. Voorbeeld: inkomstenfraude boven de norm over de periode 01-02-2004 t/m 31-05-2004 wordt geconstateerd in maart 2007. In mei 2007 wordt het besluit tot terugvordering en opleggen van de maatregel over een toekomstig recht genomen. Deze maatregel kan vervolgens geëffectueerd worden tot mei 2012. - 100% van de uitkering gedurende een maand: Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. - 100% van de uitkering gedurende een maand: Het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. - 100% van de uitkering gedurende een maand: Gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren. - 100% van de uitkering gedurende een maand: Het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid WWB, waaronder begrepen sociale activering. - 100% van de uitkering gedurende een maand: Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. - 100% van de uitkering gedurende een maand: Bij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid tot uitdrukking komend in “het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen deeltijdarbeid en gesubsidieerde arbeid”. - 100% van de uitkering gedurende een maand: Het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of zijn ambtenaren. B045 Hoogte verlaging bij meerdere gedragingen In deze richtlijn wordt aangegeven dat, bij samenloop van meerdere gedragingen welke krachtens de afstemmingsverordening tot een verlaging kunnen leiden, voor elke afzonderlijke gedraging een verlaging wordt toepast. De hoofdregel is dat indien een belanghebbende meerdere gedragingen heeft gepleegd, die elk tot een verlaging krachtens de Maatregelenverordening leiden, deze ook elke afzonderlijk tot een verlaging leiden; de (verschillende) verlagingen worden opgeteld. Bestaan de meerdere gedragingen uit een nalaten van eenzelfde verplichting gedurende een periode, dan wordt dit nalaten gezien als één gedraging waarvoor een verlaging kan worden toegepast, tenzij het college vanwege deze gedraging reed een verlaging heeft toegepast. B046 Recidive In deze richtlijn wordt het beleid aangegeven ten aanzien van recidive bij gedragingen welke krachtens de afstemmingsverordening tot een verlaging leiden. De duur van een maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een als maatregelwaardig aangemerkte gedraging en deze tweede gedraging leidt tot een verlaging met eenzelfde of hoger percentage. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Maatregelenverordening of een schriftelijke waarschuwing, bedoeld in artikel 11, artikel 12, derde lid, en artikel 14, tweede lid, van de Maatregelenverordening. Recidive kan slechts een keer worden toegepast. Indien de belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom herhaald verwijtbaar gedrag vertoont, dient de verlaging in plaats van een verdubbeling van de duur bij recidive, individueel vastgesteld te worden op basis van de ernst van het feit en de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. B047 Waarschuwing i.p.v. verlaging In deze richtlijn wordt aangegeven onder welke omstandigheden afgezien wordt van het toepassen van een verlaging bij een gedraging welke krachtens de afstemmingsverordening tot een verlaging kan leiden. In dat geval volstaat het college met een waarschuwing. De verlagingen worden toegepast volgens de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Helmond. Van een verlaging kan worden afgezien, en worden volstaan met het geven van een waarschuwing, indien er sprake is van een eerste verwijtbare gedraging, binnen een periode van twee jaar, in de vorm van - het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; - het niet binnen de daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie; - het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand. B048 Ingangsdatum verlaging In deze richtlijn wordt

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.