← Nederland

Kavelbesluit kavel Gamma-B windenergiegebied IJmuiden Ver

Kort samengevat

Dit besluit wijst kavel Gamma-B in windenergiegebied IJmuiden Ver aan als locatie voor een windpark en stelt de voorwaarden vast waaronder dit windpark gebouwd en geëxploiteerd mag worden. Het doel is om bij te dragen aan de nationale en internationale klimaatdoelen door de productie van duurzame energie.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Kavelbesluit kavel Gamma-B windenergiegebied IJmuiden Ver Kavelbesluit kavel Gamma-B windenergiegebied IJmuiden Ver I Besluit Gelet op de artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee en gelet op de Omgevingswet, besluit de Minister van Klimaat en Groene Groei in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur als volgt: – Kavel Gamma-B in windenergiegebied IJmuiden Ver wordt aangewezen als locatie voor een windpark met een totaal geïnstalleerd vermogen van ten minste 1 GW en ten hoogste 1,15 GW. De coördinaten van de begrenzing van kavel Gamma-B zijn weergegeven in voorschrift 2, eerste lid, bij dit besluit; – Het windpark wordt aangesloten op het TenneT-platform IJmuiden Ver Gamma, dat op een centrale locatie tussen de kavels Gamma-A en Gamma-B wordt geplaatst. De coördinaten van het tracé voor de aansluitverbinding zijn weergegeven in voorschrift 2, tweede lid, bij dit besluit; – De natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden zoals bedoeld in artikel 5 van de Wet windenergie op zee zullen niet door het kavelbesluit worden aangetast als gevolg van het kavelbesluit, noch zullen significante gevolgen optreden voor die gebieden; – Van het bepaalde in de artikelen 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet en 11.37 en 11.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op grond van artikel 7 van de Wet windenergie op zee afgeweken voor de soorten zoals opgenomen in de tabel in de bijlage bij dit deel van het besluit; – Aan het kavelbesluit zijn voorschriften verbonden. Deze zijn opgenomen in deel III van dit besluit. ’s-Gravenhage 6 juli 2025 De minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans II Toelichting kavelbesluit Gamma-B windenergiegebied IJmuiden Ver Leeswijzer Het voorliggende kavelbesluit bestaat uit vier delen: I: besluit II: toelichting III: voorschriften IV: bijlagen Deel II, de toelichting op het kavelbesluit, begint in hoofdstuk 1 met een uiteenzetting van het nut en de noodzaak van maatregelen tegen klimaatverandering, in lijn met nationale en internationale doelen, waaronder het Klimaatakkoord van Parijs. Daarnaast wordt het uitgiftestelsel van kavels voor windparken besproken. Hoofdstuk 2 behandelt de Wet windenergie op zee en de Omgevingswet, die essentieel zijn voor de regulering van windparken op zee. Ook komen de beleidskaders aan bod. Hoofdstuk 3 biedt een inzicht in de procedures en afwegingen die ten grondslag liggen aan het besluitvormingsproces rondom windenergie op zee. Het behandelt de rol van de procedure voor de milieueffectrapportage (mer) en de afstemming met belanghebbenden. Hoofdstuk 4 schetst de kenmerken van kavel Gamma-B binnen het bredere windenergiegebied IJmuiden Ver. Hieronder vallen o.a. de ligging, bodemsamenstelling en natuurwaarden. Daarnaast worden de verkaveling en de onderdelen van het windpark beschreven. Als laatste komt in dit hoofdstuk de fasering van het project (bouw, exploitatie en verwijdering) aan bod. In hoofdstuk 5 wordt het milieueffectrapport (MER) voor kavel Gamma-B belicht, waarbij de gebruikte bandbreedte in het MER wordt aangegeven. Ook worden de belangrijkste bevindingen uit het MER genoemd. In hoofdstuk 6 worden de gevolgen van de ontwikkeling van een windpark in kavel Gamma-B beschreven en voor verschillende maatschappelijke functies en aspecten zoals mijnbouwactiviteiten, scheepvaartveiligheid en waterkwaliteit. Het beschrijft per gebruiksfunctie het beleid, de potentiële gevolgen van de komst van kavel Gamma-B, de gemaakte belangenafweging en, indien van toepassing, een toelichting op de voorschriften voor dit aspect. Hoofdstuk 7 bespreekt de verschillende ecologische rapporten die zijn opgesteld ten behoeve van de besluitvorming. Per soortgroep worden de gevolgen van een windpark in kavel Gamma-B beschreven. Voor soorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebieden zijn ook de gevolgen opgenomen zoals deze in de Passende beoordeling zijn geanalyseerd. Daarnaast zijn in dit hoofdstuk de kennisleemtes ten aanzien van de ecologie geïdentificeerd. Ook is de toetsing en belangenafweging beschreven die betrekking heeft op de soorten- en gebiedsbescherming. Tot slot worden de voorschriften die een relatie hebben met de bescherming van de ecologie toegelicht. 1 Inleiding 1.1 Nut en noodzaak windenergie op zee De Rijksoverheid neemt maatregelen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarnaast moet de verdere opwarming van de aarde beperkt worden. Hiervoor zijn nationale en internationale doelen gesteld. In 2016 heeft de Europese Unie mede namens Nederland het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Doel van het akkoord is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Om de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs te halen zijn afspraken in Europa gemaakt. De EU-lidstaten hebben met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 55 procent minder CO2 moet uitstoten dan in referentiejaar 1990. In 2050 wil de Europese Unie klimaatneutraal zijn. Dat betekent dat er dan netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten. De Nederlandse klimaatdoelen zijn vastgelegd in de Klimaatwet. Windenergie op zee is een belangrijke pijler onder het klimaat- en energiebeleid. In de (aanvullende) routekaart windenergie op zee 20301Kamerstukken II, 2021/22, 33 561, nr. 53., zijn de hoofdlijnen geschetst voor de uitrol van windenergie op zee voor de periode tot circa 2030. De routekaart voorziet in de uitgifte en realisatie van een opgesteld vermogen op de Noordzee van circa 21 GW tot en met 2032.2Kamerstukken II, 2023/24, 33 561, nr. 61. Hiertoe worden middels kavelbesluiten kavels vastgesteld binnen de grenzen van de in het Programma Noordzee 2022–2027 aangewezen windenergiegebieden. In het noordelijk deel van windenergiegebied IJmuiden Ver is een opgesteld vermogen van 2 tot en met circa 2,3 GW beoogd. In afwijking van eerdere voornemens is ervoor gekozen om deze opgave te realiseren via uitgifte van twee kavels van elk 1 tot 1,15 GW in plaats van één kavel. Een windpark in de kavel Gamma-B levert jaarlijks circa 4 TWh. Dat is circa 3,5 procent van het huidige elektriciteitsverbruik in Nederland. Het windpark in de kavel kan in theorie ongeveer anderhalf miljoen huishoudens van elektriciteit voorzien.3De gemiddelde woning heeft volgens het CBS (peiljaar 2022) een elektriciteitsverbruik van 2.640 kWh per jaar. Figuur 1: Verkaveling van windenergiegebied IJmuiden Ver 1.2 Uitgiftestelsel van kavels voor windparken Ter realisering van de opgaven voor duurzame energie voorziet de Wet windenergie op zee in een uitgiftestelsel van kavels voor windparken. Het uitgiftestelsel omvat een aantal stappen en besluiten die genomen moeten worden voordat windparken op zee gebouwd worden. De eerste stap in het traject is het in het nationaal waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder e, van de Omgevingswet, aanwijzen van een gebied op zee dat geschikt is voor windenergie. Het huidige nationaal waterprogramma voor de Noordzee is het Programma Noordzee 2022–2027, dat een bijlage is bij het Nationaal Water Programma 2022–2027.4Kamerstukken II, 2021/22, 35 325, nr. 5. Bij de vaststelling van het nationaal waterprogramma wordt nagegaan of een aan te wijzen gebied geschikt is voor de bouw en exploitatie van een of meer windparken. Ook worden de mogelijke effecten van toekomstige windparken in een aan te wijzen gebied op hoofdlijnen onderzocht, en wordt (de geschiktheid van) een aan te wijzen gebied vergeleken met overige aangewezen gebieden op zee voor windenergie. De tweede stap in het traject is het vaststellen van de kavels middels kavelbesluiten. Een kavel kan slechts worden aangewezen binnen gebieden die in het nationaal waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder e, van de Omgevingswet, zijn aangewezen als voor windenergie geschikte gebieden. In een kavelbesluit wordt bepaald waar en onder welke voorwaarden een windpark gebouwd en geëxploiteerd mag worden. De voorwaarden betreffen onder meer een bandbreedte voor de toe te passen windturbines en funderingstechnieken. Het kavelbesluit bepaalt niet wie het recht heeft om op die locatie een windpark te bouwen en te exploiteren. In de derde stap van het traject wordt een vergunning verleend op grond van de Wet windenergie op zee. Alleen de houder van die vergunning heeft het recht om op de locatie van de kavel een windpark te bouwen en te exploiteren. Wie uiteindelijk een vergunning voor het bouwen van een windpark krijgt, wordt bepaald in een vergunningprocedure, waarbij de verschillende verdeelmethodes uit artikel 14a van de Wet windenergie op zee kunnen worden toegepast. TenneT is bij wet aangewezen als de beheerder van het hoogspanningsnet op zee voor het transport van met wind opgewekte elektriciteit naar het landelijke hoogspanningsnet. Kavels worden door TenneT voorzien van een converterstation op een platform in zee. Vanaf het platform lopen kabels naar land. Dit net op zee is geen onderdeel van het kavelbesluit. Uiteraard worden de besluitvormingsprocessen voor kavels en het net op zee wel zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Zie in dit verband ook paragraaf 4.2.3. 1.3 Ontwikkelingen: voorbereidingsbesluit Op 7 maart 2024 is op grond van artikel 9 van de Wet windenergie op zee het voorbereidingsbesluit voor het noordelijk deel van windenergiegebied IJmuiden Ver gepubliceerd in de Staatscourant.5Stcrt. 2024, nr. 6862. Het voorbereidingsbesluit maakt kenbaar dat in het gebied de ontwikkeling van een windpark is beoogd. Daarnaast kan met het voorbereidingsbesluit worden voorkomen dat er veranderingen in en rondom het gebied optreden die het gebied minder geschikt maken voor dit doel. Het voorbereidingsbesluit vervalt op het moment dat met betrekking tot de kavel een toegangsverbod op grond van artikel 2.40 van de Omgevingswet is ingesteld. 2 Wet- en regelgeving 2.1 Wet windenergie op zee Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet windenergie op zee kan de Minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: Minister van Klimaat en Groene Groei, hierna: de minister), in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (thans: Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening), de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), een kavelbesluit nemen. In een kavelbesluit wordt een kavel ten behoeve van een windpark en een tracé voor de aansluitverbinding tussen het windpark en het aansluitpunt aangewezen. Voor de kavel Gamma-B van windenergiegebied IJmuiden Ver is dit aansluitpunt het TenneT-platform IJmuiden Ver Gamma. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet windenergie op zee kan een kavel slechts worden aangewezen binnen gebieden die in het nationaal waterprogramma zijn aangewezen als voor windenergie geschikte gebieden. Bij de voorbereiding van het kavelbesluit moeten de belangen zoals opgenomen in artikel 3, derde lid, van de Wet windenergie op zee onderzocht en afgewogen worden. Deze belangen betreffen de vervulling van maatschappelijke functies, de gevolgen voor derden, het ecologisch belang, de kosten om een windpark in het gebied te realiseren en het belang van een doelmatige aansluiting op een aansluitpunt. Met betrekking tot het ecologische belang is een belangrijk onderdeel van het kavelbesluit de toets van de natuuraspecten op grond van de Omgevingswet. De geïntegreerde uitvoering van de toets van de natuuraspecten is nader uitgewerkt in de artikelen 5 en 7 van de Wet windenergie op zee. Dit heeft als gevolg dat voor het windpark geen aparte vergunning voor een Natura 2000-activiteit of flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de Omgevingswet nodig is. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet windenergie op zee worden aan het kavelbesluit regels en voorschriften verbonden. Daarbij gaat het met name om locatie-specifieke randvoorwaarden voor de bouw en exploitatie van een windpark, teneinde de hierboven genoemde belangen te beschermen. Naast het verbinden van regels en voorschriften moeten ook onderdelen in het kavelbesluit opgenomen worden zoals gesteld in artikel 4, tweede lid, van de Wet windenergie op zee. Dit betreft onder meer de uitkomsten van locatie-specifieke onderzoeken. Op grond van hoofdstuk 3 van de Wet windenergie op zee kan door de minister een vergunning verleend worden voor de bouw en exploitatie van een windpark op zee binnen een kavel waarvoor een kavelbesluit is genomen. In deze vergunning wordt onder meer bepaald voor welk tijdvak de vergunning geldt en binnen welke termijn de in de vergunning aangegeven activiteiten moeten worden verricht. In het kavelbesluit wordt de geldingsduur van de vergunning voorgeschreven. Deze termijn is gebaseerd op de levensduur van het windpark, met dien verstande dat op grond van artikel 15, tweede lid, van de Wet windenergie op zee de vergunning voor ten hoogste veertig jaar kan worden verleend. 2.2 Omgevingswet (Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten) De Omgevingswet beschermt onder meer Natura 2000-gebieden (gebiedsbescherming) en planten- en diersoorten (soortenbescherming). Initiatieven die ingevolge de Omgevingswet gelden als Natura 2000-activiteit6Bijlage A van de Omgevingswet definieert een Natura 2000-activiteit als 'activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’. en/of flora- en fauna-activiteit7Bijlage A van de Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. zijn in voorkomend geval vergunningplichtig op grond van die wet. Artikel 5 van de Wet windenergie op zee bepaalt dat artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet, dat ziet op de vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit, niet van toepassing is op activiteiten waarop het kavelbesluit van toepassing is. Dit betekent dat naast het kavelbesluit geen vergunning voor een Natura 2000-activiteit is vereist op grond van de Omgevingswet voor het bouwen en exploiteren van een windpark op zee. Wel is in artikel 5 van de Wet windenergie op zee bepaald dat artikel 16.53c van de Omgevingswet, en de op grond van de artikelen 5.18 en artikel 16.6 van die wet gestelde regels over Natura 2000-activiteiten, van overeenkomstige toepassing zijn op het vaststellen van het kavelbesluit. Hieruit volgt dat, indien het bouwen en exploiteren van een windpark de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in de Omgevingswet kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, een zogenoemde ‘Passende beoordeling’ moet worden opgesteld. Gelet op de conclusies van de Passende beoordeling over de gevolgen voor het gebied wordt een kavelbesluit pas genomen nadat zekerheid is verkregen dat het windpark de natuurlijk kenmerken van de betrokken gebieden niet zal aantasten. Uit artikel 7 van de Wet windenergie op zee volgt dat de minister in het kavelbesluit kan afwijken van het verbod bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet. Dit verbod is nader uitgewerkt in de artikelen 11.378Het betreft de verboden in paragraaf 11.2.2. van het Bal op het opzettelijk doden, vangen en storen van vogels in de zin van de Vogelrichtlijn en het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels., 11.469Dit betreft de verboden in paragraaf 11.2.3 van het Bal op onder meer het opzettelijk doden, vangen en verstoren van alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn, het opzettelijk vernielen of rapen van hun eieren en het beschadigen of vernielen van hun voortplantingsplaatsen en rustplaatsen. en 11.5410Het betreft vergelijkbare verboden als hierboven genoemd, voor soorten genoemd in de bijlage bij de Omgevingswet, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 11.2.3 van het Bal vallen. van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). De meest relevante verboden in relatie tot windparken op zee zien toe op het opzettelijk doden en het verstoren van beschermde diersoorten, zoals verschillende soorten vogels, vleermuizen en zeezoogdieren. Een afwijking van de verboden ten aanzien van in het wild levende vogelsoorten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet en artikel 11.37 van het Bal wordt pas vastgesteld als het project niet leidt tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort, er geen andere bevredigende oplossing is en minstens een van de belangen wordt gediend die zijn opgenomen in 8.74j van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Een afwijking kan onder beperkingen worden verleend en er kunnen in het kavelbesluit voorschriften aan verbonden worden. Een afwijking van de verboden ten aanzien van in het wild levende diersoorten bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet en artikel 11.47 (voor Habitatrichtlijn-soorten) of artikel 11.54 (voor andere soorten) van het Bal wordt pas vastgesteld als geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, er geen andere bevredigende oplossing is en minstens een van de belangen wordt gediend die zijn opgenomen in artikel 8.74k (voor Habitatrichtlijn-soorten) of 8.74l (voor andere soorten) van het Bkl. Een afwijking kan onder beperkingen worden vastgesteld en er kunnen in het kavelbesluit voorschriften aan verbonden worden. 2.3 Omgevingswet (wateractiviteit) Uit artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Omgevingswet en artikel 7.17 van het Bal volgt dat het verboden is om zonder vergunning onder meer werken, installaties of kunstmatige eilanden te plaatsen, bouwen of veranderen in de Noordzee. Ingevolge artikel 7.16, derde lid, onder a, van het Bal is dit verbod niet van toepassing op windparken in de Noordzee. Dit betekent dat voor een windpark op zee, naast een kavelbesluit, geen aparte vergunning voor een wateractiviteit op grond van de Omgevingswet vereist is. Voor het overige is de Omgevingswet en daarop gebaseerde regelgeving wel van toepassing. Zo kan op grond van artikel 2.40 van de Omgevingswet een toegangsverbod ingesteld worden rondom een windparklocatie, ook wel veiligheidszone genoemd, en zijn in paragraaf 7.2.3. van het Bal regels opgenomen die betrekking hebben op de bouw, de exploitatie en de verwijdering van windparken op zee. Deze paragraaf bevat algemene regels over uiteenlopende aspecten van de bouw, exploitatie en verwijdering van windparken. De algemene regels hebben onder meer betrekking op de kwaliteit en sterkte van de windturbines, de aan te brengen veiligheidsvoorzieningen, de omgang met calamiteiten en archeologie. 2.4 Beleidskader Noordzeebeleid Op basis van artikel 3.9, tweede lid onder e, van de Omgevingswet wordt (in beginsel eens per zes jaar) een nationaal waterprogramma vastgesteld. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 bevat het beleid voor alle rijkswateren, waaronder de Noordzee. Het Programma Noordzee 2022–2027 is een bijlage bij het Nationaal Water Programma 2022–2027, en bevat de hoofdlijnen van het Noordzeebeleid. Als bijlage bij het Programma Noordzee 2022–2027 is de Mariene Strategie opgenomen, die de ecologische randvoorwaarden beschrijft waarbinnen het ruimtelijk gebruik van de Noordzee voor alle gebruikers en functies, zoals visserij, natuur, scheepvaart en windenergie, gestalte moet krijgen. Een onderdeel van het Programma Noordzee 2022–2027 is het aanwijzen van gebieden waar kavels voor windparken kunnen worden uitgegeven. In het Programma Noordzee 2022–2027 zijn niet alleen nieuwe windenergiegebieden aangewezen maar ook enkele gebieden (al dan niet in gewijzigde vorm) herbevestigd. Zie figuur 2 voor een overzicht van de windenergiegebieden. Het Programma Noordzee 2022–2027 bevat daarnaast ruimtelijke kaders voor de (nadere) inpassing van windparken op zee op diverse aspecten. Het gaat daarbij om algemene uitgangspunten en instrumenten als het ‘Ontwerpcriterium afstand tussen scheepvaartroutes en windparken’ en het ‘Ontwerpproces: afstand tussen mijnbouwlocaties en windparken’. Meervoudig ruimtegebruik van windenergiegebieden, gebaseerd op de kwaliteiten van het gebied, krijgt gestalte op basis van de beleids- en afwegingskaders doorvaart en medegebruik. Energie- en klimaatbeleid De Klimaatwet biedt een kader voor de ontwikkeling van beleid gericht op het onomkeerbaar en stapsgewijs terugdringen van de emissies van broeikasgassen in Nederland, tot een niveau dat 95 procent lager ligt in 2050 dan in 1990, teneinde wereldwijde opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat te beperken. Om deze doelstelling in 2050 te bereiken, gaat artikel 2 van de Klimaatwet uit van een reductie van de emissies van broeikasgassen van 55 procent in 2030 en een volledige CO2-neutrale elektriciteitsproductie in 2050. Daartoe wordt het aanbod van hernieuwbare energiebronnen gestimuleerd, onder meer door in te zetten op extra windenergie op zee. Nadere uitwerking beleid voor windenergie op zee Het kabinet Rutte IV heeft in 2022 de (aanvullende) routekaart 2030 aangeboden aan de Tweede Kamer.11Kamerstukken II, 2021/22, 33 561, nr. 53. De (aanvullende) routekaart 2030 bevat de hoofdlijnen voor de ontwikkeling van windenergie op zee tot en met 2032.12Kamerstukken II, 2023/24, 33 561, nr. 61. Het is de opvolger van de (oorspronkelijke) routekaart 2030. De (aanvullende) routekaart 2030 omvat plannen voor het ontwikkelen van windparken met een extra capaciteit van ten minste 10,7 GW. Opgeteld met de bestaande windparken en de 6,1 GW voorzien in de oorspronkelijke routekaart komt het totaal op ca. 21 GW. Het gaat in de (aanvullende) routekaart 2030 om de volgende extra te benutten gebieden: • IJmuiden Ver (Gamma), ca. 2 GW; • Hollandse Kust (west), kavel VIII, ca. 0,7 GW; • Nederwiek (zuid), ca. 2 GW; • Nederwiek (noord), ca. 4 GW; • Doordewind, ca. 2 GW; • Ten noorden van de Waddeneilanden, ca. 0,7 GW. Figuur 2: Overzicht van aangewezen windenergiegebieden op het Nederlandse deel van de Noordzee. 3 Procedure kavelbesluit 3.1 Voorbereidingsprocedure Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wet windenergie op zee komt het kavelbesluit tot stand via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van vrijdag 22 november 2024 tot en met donderdag 2 januari 2025 heeft een ontwerp van dit kavelbesluit ter inzage gelegen. Gedurende die periode is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen op het ontwerpkavelbesluit. 3.1.1 Zienswijzen en wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit Naar aanleiding van de publicatie van de kennisgeving en de terinzagelegging van het ontwerpkavelbesluit voor kavel Gamma-B zijn in totaal 16 zienswijzen ontvangen. Aan het eind van deze toelichting, in deel IV van dit besluit, is de ‘Nota van beantwoording op afzonderlijke zienswijzen en reacties in het kader van het ontwerpkavelbesluit Gamma-B van windenergiegebied IJmuiden Ver’ opgenomen. De nota van beantwoording maakt, voor zover de zienswijzen betrekking hebben op het ontwerp van dit besluit, onderdeel uit van het besluit. Mede naar aanleiding van de zienswijzen zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd in dit definitieve besluit: – De kavelbegrenzing is aangepast. Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en Tenaz Energy Netherlands (voorheen NAM Offshore B.V.13Per 1 mei 2025 is NAM Offshore B.V. overgegaan naar Tenaz Energy Netherlands.) hebben maatwerkafspraken gemaakt over de inpassing van mogelijk nieuwe mijnbouwactiviteiten in en nabij de kavel. Dit heeft geleid tot aanpassingen in de verkaveling. Het gaat daarbij om ruimtereserveringen ten behoeve van mogelijk toekomstige (onbemande) mijnbouwplatforms ‘K’ en ‘L’14De mijnbouwplatforms met coördinaatpunten K en L waren opgenomen in het ontwerpkavelbesluit. Deze coördinaatpunten zullen in het vervolg van het document worden aangeduid als mijnbouwplatform K en L., de bereikbaarheid daarvan, en een of meer mogelijk toekomstige pijpleidingen. De ruimtelijke reserveringen zijn gesitueerd rond de beoogde platformlocaties en in de vorm van een corridor van 1 NM door de kavel. De laatstgenoemde is bedoeld voor de bereikbaarheid (per schip, maar bij bijzondere activiteiten rondom het platform mogelijk ook per helikopter) van het mogelijk toekomstige platform ‘L’ en voor het aanleggen en onderhouden van een mogelijk toekomstige pijpleiding. Daarnaast is de kavelgrens verlegd in westelijke richting en reikt deze thans tot aan de grens van het windenergiegebied. In het ontwerpkavelbesluit sloot de westelijke begrenzing van de kavel nog aan op een onderhoudszone voor de bestaande pijpleiding ‘K17-FA-1 – K14-FB-1’. Deze bestaande pijpleiding komt door het verleggen van de kavelgrens in westelijke richting binnen de contour van de kavel te liggen. In overeenstemming met Tenaz Energy Netherlands is een onderhoudszone opgenomen van 240 meter aan weerszijden van de bestaande leiding. Zie in dit verband paragraaf 4.2.2 voor meer informatie. Deze aanpassingen zorgen ervoor dat er voldoende ruimte is voor mogelijk nieuwe mijnbouwactiviteiten en dat er aan de westkant extra ruimte is voor windturbines. Met deze maatwerkoplossing kan een win-win-situatie ontstaan waarbij activiteiten van nationaal belang, windenergie en mijnbouw, worden gecombineerd in hetzelfde gebied. In het MER is het gehele windenergiegebied tot aan de westzijde onderzocht. Deze aanpassing van de verkaveling valt daarmee binnen de onderzochte effecten van het beoogde windpark en leidt niet tot andere conclusies in het MER. Mogelijke effecten van eventuele toekomstige mijnbouwactiviteiten zijn onderwerp van besluitvorming en onderzoek in de vergunningprocedure(

  1. s)voor die activiteiten, waarbij die mogelijke effecten (ook) beoordeeld zullen moeten worden in relatie tot de aanwezigheid van een windpark. Gelet op het bovenstaande is voorschrift 2 aangepast (zie beschrijving hierna), zijn in de toelichting de figuren 1, 3, 4, 6, 8 en 9 herzien, en zijn wijzigingen aangebracht in de paragrafen 4.2.2, 6.4.2, 6.4.3, 6.4.4, 6.6, 6.6.2, 6.6.4, 6.9.2, 6.9.3 en 6.9.4. – In voorschrift 2, eerste lid, is de coördinatentabel van de kavel(contour)begrenzing aangepast. Tevens is de kaart met de ligging van kavel Gamma-B, die als bijlage bij voorschrift 2, eerste lid, is opgenomen in deel IV van het kavelbesluit, aangepast. – Voorschrift 2, tweede lid, is vanwege nieuwe inzichten bij TenneT en op verzoek van TenneT aangepast. De coördinatentabel en de bijbehorende kaart, die als bijlage bij voorschrift 2, tweede lid, is opgenomen in deel IV van het kavelbesluit, zijn aangepast. – Voorschrift 2, derde lid (oud), is komen te vervallen. De daarin opgenomen bepaling is in aangepaste vorm opgegaan in voorschrift 2, achtste lid (nieuw). – Aan voorschrift 2 is een nieuw derde lid ingevoegd ten behoeve van de onderhoudszone van de bestaande pijpleiding die loopt van platform K17-FA-1 naar platform K14-FB-1 in het westen van kavel Gamma-B. Er is een kaart met de ligging van de onderhoudszone toegevoegd als bijlage bij dit voorschrift. – Aan voorschrift 2 is een vierde lid toegevoegd ten behoeve van de ruimtelijke reservering voor een of meer mogelijk toekomstige pijpleidingen en voor de bereikbaarheid van het mogelijk toekomstige mijnbouwplatform ‘L’. Er is een kaart met deze reserveringszone toegevoegd als bijlage bij dit voorschrift. In deze reserveringszone mogen geen turbines worden geplaatst. Wel kunnen er inter-array kabels doorheen lopen. – Aan voorschrift 2 is een vijfde lid toegevoegd ten behoeve van de ruimtelijke reservering voor de bereikbaarheid van het mogelijk toekomstige mijnbouwplatform ‘K’ en voor (een) eventuele pijpleiding(en). Er is een kaart met deze reserveringszone toegevoegd als bijlage bij dit voorschrift. In deze reserveringszone mogen geen turbines worden geplaatst. Wel kunnen er inter-array kabels doorheen lopen. – Aan voorschrift 2 is een zesde lid toegevoegd ten behoeve van de ruimtelijke reservering voor een veiligheidszone rondom de beoogde locatie van het mogelijk toekomstige mijnbouwplatform ‘K’. In deze veiligheidszone mogen geen turbines worden geplaatst en geen inter-array kabels worden gelegd. – Aan voorschrift 2 is een zevende lid toegevoegd ten behoeve van de ruimtelijke reservering voor een veiligheidszone rondom de beoogde locatie van het mogelijk toekomstige mijnbouwplatform ‘L’. In deze veiligheidszone mogen geen turbines worden geplaatst en geen inter-array kabels worden gelegd. – Aan voorschrift 2 is een achtste lid toegevoegd waarin is bepaald dat windturbines volledig moeten zijn gesitueerd binnen de in het eerste lid genoemde contour en volledig buiten de in het derde lid genoemde onderhoudszone van de bestaande pijpleiding, de in het vierde en vijfde lid genoemde reserveringszones en de in het zesde en zevende lid genoemde veiligheidszones – Aan voorschrift 2 is een negende lid toegevoegd. Netbeheerder TenneT heeft aangegeven dat er nog onzekerheden bestaan over het net op zee, bijvoorbeeld ten aanzien van het definitieve platformontwerp en de situering van kabels. Om die reden is in het negende lid een bepaling opgenomen die voorziet in een mogelijkheid tot afwijking van het in voorschrift 2, tweede lid, opgenomen tracé voor de aansluitverbinding indien sprake is van onvoorziene omstandigheden. De afwijking moet in het belang zijn van een doelmatige aansluiting en er moet sprake zijn van overeenstemming tussen de vergunninghouder van het windpark en TenneT. – Aan voorschrift 2 is een tiende lid toegevoegd waarin is bepaald dat de Minister van Klimaat en Groene Groei kan instemmen met een eventueel verzoek van de vergunninghouder om af te wijken van een of meer van de beperkingen die zijn gesteld in voorschrift 2, vierde tot en met zevende lid, alsmede de daaraan gerelateerde beperkingen gesteld in het achtste lid, indien vaststaat dat de betreffende gebieden niet worden gebruikt voor mijnbouwactiviteiten van Tenaz Energy Netherlands. Op deze wijze is geborgd dat meer ruimte van het windenergiegebied kan worden benut voor windenergie indien vaststaat dat de thans beoogde mijnbouwactiviteiten niet worden uitgevoerd. – Voorschrift 3, achtste lid, is ambtshalve aangevuld. In het ontwerpkavelbesluit was in deel I (Besluit) wel benoemd dat de kavel wordt aangewezen voor een windpark met een totaal geïnstalleerd vermogen van ten minste 1 GW en ten hoogste 1,15 GW, maar was het minimumvermogen abusievelijk niet opgenomen in een voorschrift. Het bindend vastleggen van een minimumvermogen is van belang om onderbenutting van het net op zee te voorkomen. – Voorschrift 3, negende lid, is naar aanleiding van het toetsingsadvies van de Commissie mer aangepast. Vanwege kennisleemtes over de scheepvaartveiligheidsgevolgen van andere funderingstypes dan monopiles is in afwijking van het ontwerpkavelbesluit alleen het gebruik van monopiles toegestaan. De paragrafen 4.3 en 4.4 van de toelichting zijn hier ook op aangepast. – Voorschrift 3, veertiende lid, is naar aanleiding van een zienswijze gewijzigd. In (de aanvulling
  2. op)het MER is het maximaal verstoord bodemoppervlak opnieuw berekend en beoordeeld. Het voorschrift is op basis van de nieuwe berekening aangepast. Ook de paragrafen 6.12.4 en 7.3.6 van de toelichting zijn geactualiseerd. Bij de bouw van het windpark wordt niet meer dan 3.440.200 m2 van de zeebodem verstoord. – Voorschrift 4, eerste lid, onderdeel d, is naar aanleiding van een zienswijze gewijzigd. De zinsnede ‘en in een zo kort mogelijke aaneengesloten periode onderwatergeluid te produceren’ is uit het voorschrift verwijderd aangezien dit onderdeel van de bepaling mogelijk onbedoelde effecten met zich mee kan brengen. Paragraaf 7.8.2 van de toelichting is hier ook op aangepast. – Voorschrift 4, derde lid, onderdelen b en c, is mede naar aanleiding van een zienswijze aangepast. In het voorschrift, dat ziet op de medewerkingsplicht ten aanzien van de installatie en het beheer van een vogeldetectiesysteem, is benoemd dat een overeenkomst zal worden gesloten met de vergunninghouder, waarbij rekening wordt gehouden met kostenefficiëntie. – Voorschrift 4, vierde lid, onderdeel c, is naar aanleiding van een zienswijze aangepast. Hiermee is het mogelijk gemaakt om centrale metingen uit te voeren bij het toepassen van de stilstandvoorziening voor vleermuizen. Indien metingen niet per windturbine plaatsvinden, dient dit volgens het voorschrift te gebeuren op een of meer representatieve locatie(
  3. s)in het windpark op rotorhoogte. – Voorschrift 4, zesde lid, onderdelen c en d, is mede naar aanleiding van zienswijzen verwijderd. De voorschriften bevatten bepalingen over scheepvaartbewegingen en lozingen in Natura 2000-gebieden. Deze handelingen worden echter geregeld in de beheerplannen die gelden voor Natura 2000-gebieden. De Passende beoordeling die is opgesteld bij het kavelbesluit geeft geen aanleiding tot aanvullende bepalingen. Paragraaf 7.8.5 van de toelichting is hier ook op aangepast. – De bijlage bij voorschrift 4, achtste lid, onderdeel a, is ambtshalve gewijzigd voor wat betreft de vermeldingen van de objecten met mogelijke archeologische waarden. In totaal zijn in de kavels Gamma-A en Gamma-B 13 objecten geïdentificeerd met mogelijke archeologische waarden. Sommige objecten zijn meerdere keren gedetecteerd waardoor het gaat om 23 locaties in plaats van 13 locaties zoals was opgenomen in het ontwerpkavelbesluit. Paragraaf 6.7.2 van de toelichting is hierop aangepast. – De bijlage bij voorschrift 4, achtste lid, onderdeel a, is ambtshalve gewijzigd voor wat betreft de vermeldingen van ijzerhoudende objecten. In het ontwerpkavelbesluit is vermeld dat het 224 anomalieën (duidend op ijzerhoudende voorwerpen) betreft in de kavels Gamma-A en Gamma-B, waarvan een deel ligt binnen de grenzen van kavel Gamma-B. Sommige anomalieën zijn meerdere keren gedetecteerd, waardoor het gaat om 225 locaties in plaats van 224. Paragraaf 6.7.2 van de toelichting is hierop aangepast. – In voorschrift 4, achtste lid, onderdelen a en b, is tevens ambtshalve tot uitdrukking gebracht dat de 100 meter uitsluitingszone in het geval van mogelijk archeologische waarden geldt vanaf de contouren van deze objecten, voor zover die bekend zijn. Dit is ook verduidelijkt in paragraaf 6.7.2 van de toelichting. – Voorschrift 4, negende lid, is ambtshalve aangepast. Ook zijn de paragrafen 6.2.2 tot en met 6.2.4 van de toelichting aangepast. In het KEC 5.0 is lichtvervuiling als ecologische drukfactor geïdentificeerd. Ook roept de EU-verordening 2024/1991 de lidstaten op tot het stoppen of zoveel mogelijk verminderen van lichtvervuiling in ecosystemen. Om die reden is in voorschrift 4, negende lid, een nieuw onderdeel a ingevoegd, waarin een verplichting is opgenomen om de lichtintensiteit van de aeronautische obstakelverlichting buiten de daglichtperiode te verminderen, afhankelijk van de zichtomstandigheden. Daarnaast is na de terinzagelegging van het ontwerpkavelbesluit het informatieblad ‘Aanduiding van offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ herzien15Stcrt. 2025, nr. 6895., waarmee de relevantie van hetgeen was geregeld in voorschrift 4, negende lid, onderdeel a (oud), is komen te vervallen. In voorschrift 4, negende lid, onderdeel a (oud), was bepaald dat aeronautische obstakellichten op het hoogste vaste punt op alle windturbines vastbrandende (niet-flitsende) rode lichten zijn. Dit is thans als standaard opgenomen in het herziene informatieblad. Tot slot is in voorschrift 4, negende lid, een nieuw onderdeel d ingevoegd, waarin een uitzonderingsmogelijkheid op de verplichting zoals bedoeld in onderdeel a (nieuw) opgenomen, wanneer dat in het belang is van (onderzoek naar) de bescherming van vogels. Deze uitzonderingsmogelijkheid maakt bijvoorbeeld het gebruik van Aircraft Detection Lighting System (ADLS) mogelijk. Door de toevoeging van het nieuwe onderdeel d, zijn de onderdelen d tot en met g vernummerd tot e tot en met h. – Voorschrift 4, negende lid, onderdeel h (nieuw), ziet op het aanleveren van gegevens over beoogde turbineposities ten behoeve van de tijdige vermelding van deze obstakels in de luchtvaartkaarten. De in het ontwerpkavelbesluit benoemde opsomming van gegevens die aangeleverd moeten worden is aangescherpt naar aanleiding van verschillende helikopterbereikbaarheidsonderzoeken, waaronder een flight operational safety assessment (FOSA). Het onderdeel h (nieuw) is ambtshalve aangevuld met een aantal gegevens die aanvullend aangeleverd dienen te worden. Daarnaast is het moment dat deze gegevens dienen te worden overgelegd aangepast. Dit was in het ontwerpkavelbesluit vier maanden voorafgaand aan de plaatsing van de eerste turbine. Dit is gewijzigd naar vier maanden voorafgaande aan de plaatsing van de eerste fundering, aangezien funderingen die boven het wateroppervlak uitsteken ook relevant zijn voor het luchtverkeer. Ten slotte is een onderdeel i toegevoegd waarin een verplichting is opgenomen om eventuele afwijkingen van voornoemde melding gedurende de bouwwerkzaamheden zo spoedig mogelijk door te geven. Ook is paragraaf 6.6.4 op deze aspecten aangepast. – Voorschrift 4, tiende lid, dat een stilstandvoorziening bevat in het geval van werkzaamheden aan bestaande infrastructuur, is ambtshalve aangepast. In het ontwerpkavelbesluit bevatte het voorschrift een generieke verwijzing naar kabels, leidingen en boorgaten. Vanwege de aanpassing van de westgrens van de kavel is de pijpleiding ‘K17-FA-1 – K14-FB-1’ binnen de kavelbegrenzing komen te liggen. In de aangepaste redactie van het voorschrift zijn de kabels en leiding waarop het voorschrift ziet gespecificeerd. De generieke verwijzing naar boorgaten is ongewijzigd. – Voorschrift 4, elfde lid, onderdeel a, is naar aanleiding van een zienswijze aangepast. De daarin opgenomen afstand is verruimd. Er mogen in beginsel geen bodemberoerende activiteiten worden verricht in een straal van 150 meter rond een afgesloten boorgat in verband met de borging van de technische integriteit van de boorgatafsluiting. De verruiming naar 150 meter (ten opzichte van 100 meter in het ontwerpkavelbesluit) is gedaan uit voorzorg, zodat bij het eventueel falen van een afsluiting, wat zelden voorkomt, voldoende ruimte beschikbaar is voor noodzakelijke herstelwerkzaamheden. Paragrafen 6.4.1, 6.4.2 en 6.4.4 van de toelichting zijn hier ook op aangepast. – De bijlage bij voorschrift 4, elfde lid, onderdeel a, is ambtshalve gewijzigd voor wat betreft het aantal boorgaten. In totaal gaat het voor de kavels Gamma-A en Gamma-B om 24 locaties in plaats van 20 locaties zoals was opgenomen in het ontwerpkavelbesluit. – Voorschrift 5, eerste en tweede lid, is mede naar aanleiding van zienswijzen gewijzigd. In het eerste lid is onderdeel b aangepast. Onder het derde streepje van de opsomming is de bekabeling toegevoegd als voorbeeld van een onderdeel van het windpark waar een bevestigingspunt voor sensoren nodig kan zijn, welke in dat geval beschikbaar wordt gesteld door de vergunninghouder. Ook is de toelichting in paragraaf 6.18.3 op dit aspect aangevuld. In het tweede lid is de enuntiatieve opsomming aangepast in een limitatieve opsomming en is het woord ‘ingraafdiepte’ vervangen door ‘initiële begraafdiepte’. Ook is in het tweede lid de zinsnede ‘en daarmee de effecten op vissen, bodemdieren en zeezoogdieren’ geschrapt. Daarnaast zijn de woorden ‘de as built-arraykabelindeling’ vervangen door ‘de as laid-gegevens’. – De redactie van voorschrift 8 is naar aanleiding van een zienswijze aangepast omdat het voorschrift kennelijk op meerdere wijzen kon worden geïnterpreteerd. De verwijdering van het windpark moet binnen twee jaar na het einde van de exploitatie zijn voltooid, en binnen de looptijd van de vergunning. Ook is de toelichting in paragraaf 4.4.3 om deze reden aangevuld. – Paragraaf 6.17.3 van de toelichting is naar aanleiding van een zienswijze aangepast. In de betreffende paragraaf is de strekking van voorschrift 7, eerste lid, nader toegelicht. Een eventuele toekomstige vergunninghouder van buiten de EU zal ervoor zorg moeten dragen dat alle partijen die een cumulatief nominaal vermogen van minimaal 100 MW van het windpark daadwerkelijk aan en uit kunnen zetten worden ondergebracht bij een entiteit die is gevestigd in de EU, en mag dit niet als zodanig uitbesteden aan partijen die zijn gevestigd in een derde land buiten de EU. Het voorschrift zelf is niet gewijzigd. – Naar aanleiding van de vaststelling van het KEC 5.0 na de terinzagelegging van het ontwerpkavelbesluit zijn in hoofdstuk 7 en elders in de toelichting specifieke verwijzingen naar het KEC 5.0 opgenomen. Verwijzingen naar KEC 4.0 zijn blijven staan conform de tekst van het ontwerpkavelbesluit. Waar in algemene zin naar de KEC-systematiek wordt verwezen, is geen versienummer benoemd. Het recent verschenen KEC 5.0 biedt nieuwe inzichten over verschillende beschermde vogelsoorten, vleermuissoorten en zeezoogdieren. Het KEC 5.0 onderstreept de conclusie uit het MER, met uitzondering van de effecten in cumulatie op de soorten jan-van-gent en zeekoet. Voor deze soorten is in (de aanvulling
  4. op)het MER een aanvullende beoordeling uitgevoerd. Op basis van de aanvullende beoordeling is geconcludeerd dat de staat van instandhouding van de betreffende twee soorten niet verslechtert met de komst van een windpark in kavel Gamma-B, ook niet als dit wordt bezien in cumulatie met andere windparkontwikkelingen. Deze nieuwe inzichten zijn ook verwerkt in hoofdstuk 7. – Er zijn in de toelichting en in verschillende voorschriften niet-inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd uit het oogpunt van een duidelijke en uniforme redactie. – In de toelichting bij het kavelbesluit zijn nadere duiding en andere ondergeschikte tekstuele wijzigingen doorgevoerd. Zie de nota van beantwoording van de zienswijzen voor meer details over deze wijzigingen. 3.2 Milieueffectrapportage (mer) De procedure van de milieueffectrapportage (mer-procedure) is voorgeschreven op grond van nationale en Europese wetgeving indien sprake is van besluitvorming over activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten. Artikel 16.43, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat projecten en de daarvoor benodigde besluiten worden aangewezen die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. De aangewezen categorieën zijn op grond van artikel 11.6, eerste lid, van het Omgevingsbesluit te vinden in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Afhankelijk van het type activiteit en daarmee de categorisatie in de bijlage van het Omgevingsbesluit, moet bij de voorbereiding van de plannen en/of besluiten een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt of moet het bevoegd gezag beoordelen of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In onderdeel C2, kolom 2, van bijlage V bij het Omgevingsbesluit is de oprichting van een windpark bestaande uit twintig windturbines of meer, opgenomen. In kolom 4 is verder het kavelbesluit als bedoeld in artikel 3 van de Wet windenergie op zee aangewezen. Dit betekent dat een kavelbesluit voor een windpark op zee (bestaande uit twintig windturbines of meer) mer-plichtig is. Het windpark in kavel Gamma-B zal uit meer dan twintig windturbines bestaan, en is daarom mer-plichting. De reikwijdte en het detailniveau van het milieueffectonderzoek is vastgesteld op basis van de concept-notitie reikwijdte en detailniveau (concept-NRD) en de daarop ontvangen zienswijzen en adviezen. Tijdens de terinzagelegging van de concept-NRD voor de kavels Gamma-A en Gamma-B (destijds nog: kavels V-VI) in de periode van 1 juli tot en met 11 augustus 2022, is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn in totaal drie zienswijzen ontvangen. De betrokken bestuursorganen zijn geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau. De definitieve NRD is op 2 juni 2023 vastgesteld.16Stcrt. 2023, nr. 17414. Zie ook: www.rvo.nl/onderwerpen/bureau-energieprojecten/lopende-projecten/woz-ijmuiden-ver-kavel-gamma. Het milieueffectrapport17Pondera, in opdr. van Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Milieueffectrapport kavel Gamma, windenergiegebied IJmuiden Ver, ref. 722183, 2025. is opgesteld door een onafhankelijk en ter zake deskundig adviesbureau. Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpkavelbesluit is de Commissie mer gevraagd te adviseren over de concept-milieueffectrapportage (versie 8 januari 2024). De commissie heeft op 30 mei 2024 geadviseerd het concept MER op een aantal specifieke punten aan te vullen18Commissie voor de milieueffectrapportage, Wind op Zee Kavelbesluit IJmuiden Ver Gamma – Toetsingsadvies over het milieueffectrapport, 30 mei 2024, projectnr. 3808.. Op deze aspecten is hieronder een reactie geformuleerd. – Ten eerste heeft de Commissie mer in het toetsingsadvies opgemerkt dat uit het MER blijkt dat een verhoging van de voorgeschreven minimale tiplaagte het aantal vogelslachtoffers kan beperken. De commissie verzoekt om een nadere beschouwing en uitwerking van deze mitigerende maatregel in de definitieve besluitvorming. De eisen die aan een windpark worden gesteld komen tot stand na een afweging waarbij verschillende, soms conflicterende, ruimtelijke belangen zijn betrokken. Met een tiplaagte van ten minste 25 meter is aangesloten bij eerdere kavelbesluiten en de uitgangspunten van het KEC 5.0. Het is ook internationaal een gangbare tiplaagte. In algemene zin kan hierover gesteld worden dat in het MER is geconcludeerd dat (ook) bij een tiplaagte van 25 meter geen gevolgen zijn te verwachten van het windpark voor de staat van instandhouding van beschermde vogelsoorten. Ter bescherming van vogels en andere soorten wordt primair ingezet op turbines met een hoog vermogen, omdat daar minder van geplaatst hoeven te worden om aan de vermogensdoelstelling van een kavel te kunnen voldoen. Uit het MER volgt dat een tiplaagteverhoging leidt tot een lager aanvaringsrisico voor sommige zeevogelsoorten. Dit effect is afgewogen tegen de ontwerpeisen die een tiplaagteverhoging met zich meebrengt. Denk hierbij aan de verzwaring van de fundering, die bij de aanleg mogelijk tot meer verstoring van onderwaterleven leidt. Bij de voorgeschreven dimensionering spelen voorts zaken als kosten, grondstoffengebruik en energetische terugverdientijd van een windpark een rol. Daarnaast is rekening gehouden met de maximale tiphoogte van 304,8 meter in verband met de veiligheid van het luchtverkeer. De hoogte van 304,8 meter correspondeert met de grens in het luchtruim van 1.000 voet. De verstoring van het luchtverkeer blijft beperkt bij een bouwhoogte tot 1.000 voet. Uitgaande van die tiphoogtegrens, brengt een tiplaagteverhoging met zich mee dat de bandbreedte voor rotordiameters ingeperkt wordt. Met de voorgeschreven tiplaagte van minimaal 25 meter wordt een gelijk speelveld voor ontwikkelaars zoveel mogelijk geborgd. – Ten tweede adviseert de Commissie mer om de effecten op aanvaringen en mogelijke verdrinkingen in het scheepvaartveiligheidsonderzoek mee te nemen als kennisleemte en daarbij de mogelijke risico’s van deze kennisleemte te beschouwen en uit te leggen hoe er met deze leemte in kennis wordt omgegaan. De MER-opsteller heeft naar aanleiding van het advies in het MER nader toegelicht welke kennisleemtes er zijn over effecten van aanvaringen en verdrinkingen, en heeft daarbij aangegeven hoe met deze kennisleemtes wordt omgegaan. Ten aanzien van de vraag in hoeverre sprake kan zijn van andere gevolgen bij gebruik van een ander funderingstype dan een monopile, is de conclusie dat dit vooralsnog een kennisleemte betreft. Om die reden is besloten om in afwijking van het ontwerpkavelbesluit in voorschrift 3, negende lid, enkel het gebruik van monopiles toe te staan. Binnen het MOSWOZ-programma zal hier op termijn wel nader onderzoek naar worden gedaan. Gelet op de waterdiepte en bodemomstandigheden in de kavel, is de verwachting dat de inperking van de bandbreedte op dit aspect niet tot uitvoeringsproblemen leidt. – Ten derde adviseert de Commissie mer om informatie toe te voegen over risico’s op olie-uitstroom, gebaseerd op bestaand internationaal onderzoek, en daarbij mogelijke mitigerende maatregelen, bijvoorbeeld actieve verkeersbegeleiding, in beeld te brengen evenals de effectiviteit daarvan. – De MER-opsteller heeft naar aanleiding van het advies nadere informatie in het MER toegevoegd over de risico’s op olie-uitstroom op basis van (inter)nationaal onderzoek en de effectiviteit van actieve verkeersbegeleiding (VTMon) als mitigerende maatregel. Op basis van aanvullend onderzoek in het MER is de conclusie dat het lastig zal zijn om de effectiviteit van VTMon op kwantitatieve wijze te monitoren. Het aantal scheepsongevallen op de Noordzee is relatief laag en er kunnen per jaar grote variaties optreden in het aantal opgetreden ongevallen zonder dat daarbij de nautische veiligheid is veranderd. Het is de verwachting dat na de implementatie van VTMon het ongeveer 5 jaar zal duren voordat er betrouwbare conclusies kunnen worden getrokken. – Ten vierde adviseert de Commissie mer om aandacht te besteden aan het effect van heigeluid op bruinvisverstoringsdagen. Daarbij gaat het om, naast geluidarme funderingstechnieken en funderingstypes, aanvullende maatregelen in te zetten om te kunnen voldoen aan een strengere geluidsnorm voor deze en toekomstige kavelbesluiten. De offshore-sector is volop in beweging, ook ten aanzien van het ontwikkelen van nieuwe funderingstechnieken en middelen om geluidsniveaus bij het gebruik van bestaande technieken te verlagen. Met het stellen van een doelvoorschrift (geluidsnorm) in plaats van een middelvoorschrift wordt innovatie van middelen en technieken ter bescherming van onderwaterleven gestimuleerd. Met de gekozen geluidsnorm is een balans gezocht tussen enerzijds het beperken van de toename van het aantal bruinvisverstoringsdagen en anderzijds het rekening houden met de uitvoerbaarheid van de aanlegwerkzaamheden. Er worden geen beperkingen opgesteld ten aanzien van de bouwduur. Wel zal de vergunninghouder de verstoring tot een minimum moeten beperken. De vergunninghouder zal voorafgaande aan de aanleg van het windpark in een funderingsplan voldoende aannemelijk moeten maken dat hij het windpark kan bouwen zonder de geluidsnormering te overschrijden. Daartoe zal hij een funderingsplan als bedoeld in voorschrift 4, tweede lid, onderdeel c, overleggen aan het bevoegd gezag, waarin hij onder meer uiteenzet met welke technieken en maatregelen hij gaat werken. Voorts dient de vergunninghouder op grond van voorschrift 4, tweede lid, onderdeel g, tijdens het funderen continu het geluidsniveau te meten en de gegevens steeds binnen uiterlijk 48 uur te delen met het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan daarnaast op eigen initiatief opdracht verstrekken aan een onafhankelijke derde partij om geluidsmetingen uit te voeren. Op grond van metingen kan effectief toezicht worden gehouden. Het toegestane aantal bruinvisverstoringsdagen is vastgelegd in voorschrift 4, tweede lid, onderdeel g, en is gebaseerd op het MER. 3.3 Afstemming De afgelopen jaren heeft de Rijksoverheid in het Energieakkoord

(2013), het Klimaatakkoord
(2019), het Noordzeeakkoord
(2020)en het Noordzeeoverleg (NZO) afspraken gemaakt om de Nederlandse energiehuishouding te verduurzamen en de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken. Deze maatschappelijke akkoorden vormen de basis voor de keuzes ten aanzien van de verdere ontwikkeling van windparken op zee voor de lange termijn. In het Programma Noordzee 2022–2027 zijn windenergiegebieden aangewezen, en in de (aanvullende) routekaart 2030 is bepaald welke van die gebieden benut worden. Het windenergiegebied IJmuiden Ver is een van die gebieden. Daarmee bouwt deze stap voort op het proces dat met betrokkenheid van veel partijen is doorlopen. Ook bij het tot stand komen van de NRD zijn partijen betrokken middels consultatie en via de inspraakmogelijkheden. Met de uitkomsten van dit afstemmingsproces is rekening gehouden bij het opstellen van dit kavelbesluit. 4 Kavel Gamma-B 4.1 Kenmerken windenergiegebied IJmuiden Ver Windenergiegebied IJmuiden Ver is volledig gelegen in de Nederlandse exclusieve economische zone (EEZ). Het had oorspronkelijk een oppervlakte van in totaal 1.170 km
  1. Echter, in het Programma Noordzee 2022–2027 is de zuidelijke begrenzing van het windenergiegebied IJmuiden Ver aangepast vanwege de aanwijzing van de Bruine Bank als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (Natura 2000-gebied). Het windenergiegebied IJmuiden Ver is daarom herbevestigd met een oppervlakte van circa 600 km
  2. Eerder zijn kavelbesluiten voor de meer zuidelijke kavels Alpha en Beta vastgesteld. Deze zijn op 9 februari 2024 onherroepelijk geworden. Het windenergiegebied IJmuiden Ver heeft meerdere gebruiksfuncties. Zowel de oostelijke als westelijke begrenzing van het windenergiegebied IJmuiden Ver wordt gevormd door (bufferzones van) scheepvaartroutes. De uiterste noordzijde van het windenergiegebied IJmuiden Ver grenst aan EHD41, een in de luchtvaartregelgeving aangewezen militair oefengebied. De zuidgrens van het windenergiegebied IJmuiden Ver valt samen met de zuidgrens van kavel Alpha, en ligt op circa 2 kilometer van Natura 2000-gebied Bruine Bank. Door het windenergiegebied IJmuiden Ver, ten zuiden van kavel Gamma-B, loopt de in het Programma Noordzee 2022–2027 voorgenomen ‘clearway’ ten behoeve van de ontsluiting van de zeehavens van IJmuiden en Amsterdam. Ten opzichte van de voorgenomen verkaveling als opgenomen in de NRD, is de beoogde begrenzing van de clearway verlegd in noordelijke richting. Hiermee is de beschikbare (netto) oppervlakte van kavel Gamma-B enigszins afgenomen, maar is geborgd dat de breedte van de clearway ten minste 6.400 meter zal bedragen. Dit laatste is een uitgangspunt van het Programma Noordzee. De coördinaten van de contour van kavel Gamma-B zijn te vinden in voorschrift 2, eerste lid, van dit kavelbesluit. Ter plaatse van de beoogde clearway bevindt zich een mijnbouwplatform19Het gaat om mijnbouwplatform K17-FA-
  3. Er zijn geen verwijderingsplannen voor dit platform. Platform K17-FA-1 ligt ten zuiden van kavel Gamma-B. voor de gaswinning. Ook doorkruisen enkele kabels en leidingen het windenergiegebied. Zie figuur 8 in paragraaf 6.9.2 voor een overzicht van de aanwezige infrastructuur. In en rondom het windenergiegebied IJmuiden Ver vindt visserij plaats. Op betrekkelijk korte afstand liggen verder de windenergiegebieden Hollandse Kust (west), Lagelander, Nederwiek (zuid) en Nederwiek (noord). Volgens de (aanvullende) routekaart 2030 worden in een later stadium nog kavelbesluiten voor deze gebieden in procedure gebracht. De beoogde windparken in de kavels VI en VII van windenergiegebied Hollandse Kust (west) worden naar verwachting omstreeks 2025/2026 gerealiseerd. Op iets grotere afstand liggen de windparken van de kavels I-IV van windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) en het windpark in kavel V van windenergiegebied Hollandse Kust (noord). In figuur 3 is de ligging van windenergiegebied IJmuiden Ver te zien. Figuur 3: Ligging van windenergiegebied IJmuiden Ver. 4.1.1 De kosten om een windpark in het gebied te realiseren Er is onderzoek gedaan naar de geschiktheid van de kavels Gamma-A en Gamma-B voor de aanleg van windparken vanuit windopbrengst en kostenefficiëntie. Om een beeld te verkrijgen van de kosten per eenheid opgewekte energie (euro/megawattuur) binnen het windenergiegebied, is dit aan de hand van bepalende factoren nagegaan zoals waterdiepte, windsnelheid en de afstand tot de kust. Uit het onderzoek komt het beeld naar voren dat het opwekken van windenergie op een kostenefficiënte wijze gerealiseerd kan worden.20DNV & partners, in opdr. van RVO, LCoE and AEP Calculation for IJmuiden Ver Gamma Offshore Wind Farm, memo no L2C207719-NLAR-M-12-A (28 juni 2024). 4.1.2 Bodemsamenstelling De waterdiepte in het gehele (oorspronkelijk aangewezen) windenergiegebied IJmuiden Ver varieert van 16,8 tot 46,9 meter (lowest astronomical tide – LAT).21Voor meer informatie over de kenmerken van het gebied, zie de locatiestudies op offshorewind.rvo.nl/generalIJmuiden. De bodemeigenschappen zijn typerend voor een gebied met hoge getijde-energie en bevat zandruggen en zandgolven. Opmerkelijk zijn de zandruggen met een noord-zuid-oriëntatie met een hoogteverschil tot 30 meter. Deze zandruggen zijn tussen de 20–50 kilometer lang, 1–4 kilometer breed met een tussenliggende afstand van 5–10 kilometer. Deze zandruggen komen voor in gebieden waar de getijdesnelheid groter is dan 0,5 m/s. De zandgolven hebben een hoogte van ongeveer 3 meter, een lengte van honderden meters tot 5 kilometer en een oriëntatie loodrecht ten opzichte van de zandruggen. De bodem bestaat voornamelijk uit fijn tot gemiddeld zand met een korreldiameter tussen de 150 en 350 μm. Deze zandlagen zijn in sommige gedeelten zeer kalkrijk en bevatten schelpfragmenten. Op sommige plekken is het zand ingesloten door zeeklei of leem met een totale dikte tot 15 meter.22ARCADIS, in opdr. van RvO.nl, 2019, Geological Desk Study IJmuiden Ver Wind Farm Zone, ref.
  4. 4.1.3 Explosieven Aangezien zowel tijdens de Eerste als de Tweede Wereldoorlog is gevochten in en boven het gebied is het zeer waarschijnlijk dat er op onbekende locaties in het windenergiegebied nog niet gesprongen explosieven (UXO) aanwezig zijn. Uit een verkennend bureauonderzoek23REASeuro.
(2020). Desk Top Study Unexploded Ordnance (UXO) Wind Farm Zone IJmuiden Ver. RVO. Opgehaald van offshorewind.rvo.nl/file/download/80c86486-dae1-4a26-9b95-b743a9cc4576/1589543199ijv_20200515_reaseuro_uxo%20desk%20study_report-f.pdf blijkt dat het kan gaan om onder meer klein kaliber munitie (KKM), raketten, zeemijnen (zowel WOI als WOII), vliegtuigbommen, geschutmunitie en torpedo’s. In de voorbereiding van de aanleg van het windpark zal de vergunninghouder aandacht moeten hebben voor de eventuele aanwezigheid van explosieven op de plaats waar de funderingen worden geplaatst. Indien uit nader onderzoek blijkt dat op de plek van de te plaatsen fundering een niet-gesprongen explosief ligt, dan wordt dit gemeld aan de kustwacht. Zij schakelt de Koninklijke Marine in die zorg draagt voor het veilig opruimen van het betreffende object. Voor de vergunninghouder zijn voor deze inzet bij het opruimen van explosieven geen kosten verbonden. De mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven in het gebied vormt geen belemmering voor de realisatie van het windpark. Met goed risicomanagement van de vergunninghouder kan het risico tot een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht. 4.1.4 Natuurwaarden De natuurwaarden van het noordelijk deel van windenergiegebied IJmuiden Ver, waar kavel Gamma-B ligt, zijn in het MER in beeld gebracht. Het gebied ligt dermate ver weg van de kust dat de meeste kustbroedende soorten of verblijvende soorten van de kustzone, slechts in lage tot middelhoge aantallen voorkomen. Zeevogels zijn het talrijkst. Stormvogeltjes, kleine mantelmeeuwen, grote mantelmeeuwen, zilvermeeuwen, drieteenmeeuwen, zeekoeten, alken en jan-van-genten zijn met regelmaat in het windenergiegebied IJmuiden Ver aanwezig. Over de Nederlandse Noordzee migreren jaarlijks miljoenen vogels, waarvan een deel oost-west-trek betreft. Trekvogels kunnen dan over het windenergiegebied IJmuiden Ver trekken. Ook passeren trekkende vleermuizen het windenergiegebied IJmuiden Ver. Het is voorts leefgebied van benthos, vissen, bruinvissen en andere mariene zoogdiersoorten. Hoofdstuk 7 gaat nader in op de gevolgen voor deze soortgroepen. De kortste afstand tussen kavel Gamma-B en de noordelijke begrenzing van het Natura 2000-gebied Bruine Bank is ca. 32 kilometer. In de Bruine Bank gelden instandhoudingsdoelen voor een aantal vogelsoorten. Andere Natura 2000-gebieden in de Nederlandse Noordzee zijn onder andere Noordzeekustzone, Friese Front, Klaverbank, Voordelta en Vlakte van de Raan. Deze liggen op respectievelijk circa 51, 48, 92, 120 en 150 kilometer afstand van het noordelijk deel van windenergiegebied IJmuiden Ver. De Waddenzee, en de verschillende beschermde duingebieden op de Waddeneilanden zijn gelegen op een afstand van circa 70 kilometer.24In het Programma Noordzee is bepaald dat voor 2025 onafhankelijk wordt onderzocht welke aanvullende gebieden voldoen aan de selectiecriteria voor aanwijzing als Vogelrichtlijngebieden. Uit een rapport naar vogelconcentratiegebieden dat door de (toenmalige) Minister voor Natuur en Stikstof in april 2024 naar de Tweede Kamer is gestuurd, is gebruik gemaakt van een nieuw ontwikkelde methodiek waarin voor het eerst naar de Noordzee als geheel is gekeken. Op basis van bevindingen met deze nieuwe methodiek, die goed aansluit bij de werkwijze van de Vogelrichtlijn, blijkt dat de gebieden Centrale Oestergronden, Doggersbank en Klaverbank onderdeel uitmaken van een groter concentratiegebied. Daarom is besloten eerst nader te verkennen welke voor vogels relevante gebieden beschermd moeten worden. Deze verkenning zal begin 2025 afgerond zijn waarna verdere besluitvorming over het vervolg zal plaatsvinden. De voorbereiding van de aanwijzing van Hollandse Kust wordt daarnaast voortgezet. Hoofdstuk 7 gaat nader in op de gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden. 4.2 Verkaveling 4.2.1 Aantal gigawatt en oppervlakte kavel In de (aanvullende) routekaart 2030 is ervan uitgegaan dat windenergiegebied IJmuiden Ver ruimte biedt voor ongeveer 6 GW: 4 GW ten zuiden van de beoogde clearway en 2 GW ten noorden daarvan. Er is besloten om binnen het gebied ten noorden van de beoogde clearway twee kavels uit te geven van elk 1 tot 1,15 GW. Dit is een afwijking van het voornemen uit de NRD, waarin nog werd uitgegaan van één kavel van circa 2 GW. De keuze voor twee kavels van 1 GW is gemaakt op basis van recente inzichten in de marktomstandigheden voor windenergie op zee. Uit onderzoek blijkt dat dat kleinere kavels van circa 1 GW – ten opzichte van kavels van circa 2 GW – in de huidige marktomstandigheden voordelen met zich meebrengen. Kleinere kavels verminderen de waargenomen (financiële) risico’s van windparkontwikkelaars door een lagere benodigde investering.25Afry, in opdr. van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Offshore Wind Energy Market Study – Implications for Tenders IJmuiden Ver Gamma and Nederwiek I, 2024. De eerder beoogde kavel Gamma is daarom gesplitst in kavel Gamma-A en kavel Gamma-B. Figuur 1 in paragraaf 1.1 toont de verkaveling. Voor beide kavels wordt een afzonderlijk kavelbesluit genomen. 4.2.2 Kavelbegrenzing Zoals gesteld in de paragrafen 1.1 en 4.2.1 worden in afwijking van het voornemen als gepresenteerd in de NRD twee kavels van elk circa 1 GW uitgegeven in het noordelijk deel van windenergiegebied IJmuiden Ver. In de verkaveling is het uitgangspunt gehanteerd dat in de twee kavels een ongeveer gelijke opbrengst kan worden gerealiseerd. Daarbij is gelet op onder meer windafvangeffecten en waterdiepte. Daarnaast is rekening gehouden met belemmeringen en gebruiksfuncties die plaatsing van windturbines onmogelijk maken. Hierbij is te denken aan de aanwezige en mogelijk toekomstige kabels en leidingen en de daarbij horende onderhoudszones, en de bestaande en mogelijk toekomstige mijnbouwplatforms en de daarbij horende veiligheidszones en reserveringszones. De westelijke begrenzing van kavel Gamma-B wordt gevormd door (de bufferzone van) een scheepvaartroute. Dit wijkt af van de in het ontwerpkavelbesluit gehanteerde grens aan de westzijde die op een afstand van 500 meter parallel aan een pijpleiding liep. Het gaat om de bestaande pijpleiding van platform K17-FA-1 naar platform K14-FB-1. Door de verlegging van de westelijke kavelgrens (tot aan de westgrens van het windenergiegebied) is de betreffende pijpleiding binnen de contour van de kavel komen te liggen. In overeenstemming met Tenaz Energy Netherlands is een onderhoudszone opgenomen van 240 meter aan weerszijden van de leiding. Er zijn ten opzichte van het ontwerpkavelbesluit nieuwe ruimtes gereserveerd voor de veiligheid en bereikbaarheid van mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms, waar geen windturbines mogen worden geplaatst. Het gaat daarbij om reserveringen van zones rondom de mogelijk toekomstige mijnbouwplatforms ‘K’ en ‘L’, alsmede een corridor met een breedte van 1 NM waar ook een of meer mogelijk toekomstige pijpleidingen kunnen worden aangelegd. In deze veiligheids- en reserveringszones mogen geen windturbines worden geplaatst. In de veiligheidszones van 500 meter rondom de mogelijk toekomstige mijnbouwplatforms is het leggen van inter-array-kabels ook verboden. Het leggen van inter-array-kabels door de reserveringszones, waaronder de 1 NM corridor, is wel toegestaan. Kavel Gamma-B heeft een netto oppervlakte van circa 78,4 km2. Tussen de kavels Gamma-A en Gamma-B is een ruimte van 1.000 meter vrijgehouden. Het TenneT-platform bevindt zich in die ruimte tussen de kavels Gamma-A en Gamma-B. De vrije ruimte wordt door TenneT gebruikt om het platform per helikopter te bereiken. Daarnaast worden de kabels van het net op zee hier in de zeebodem begraven. Zoals gemotiveerd in de NRD is in het milieueffectrapport geen alternatieve verkaveling onderzocht. De coördinaten van de contourbegrenzing van kavel Gamma-B zijn weergegeven in voorschrift 2, eerste lid, bij dit besluit. De zuidelijke grens van kavel Gamma-B wordt gevormd door de voorgenomen ‘clearway’ ten behoeve van de ontsluiting van de zeehavens van IJmuiden en Amsterdam. De noordgrens van de beoogde kavel wordt gevormd door het gebied dat obstakelvrij wordt gehouden in verband met de helikopterbereikbaarheid van K14-FB-1 en door het defensie oefengebied EHD41. Er zijn ten noorden en oosten van windenergiegebied IJmuiden Ver platforms met een helikopterdek waarvoor een helicopter protection zone (HPZ) is ingesteld. Het gaat om HPZ Pentacon A die onder meer platform K14-FA-1 omvat.26Een Helicopter Traffic Zone (HTZ) is een zone van (in beginsel) 5 nautische mijl rondom een boor- of productieplatform met als doel om op lage hoogte tot maximaal 2.000 voet (circa 609 meter) veilig manoeuvres te kunnen uitvoeren, verbonden aan de nadering of het vertrek van een helikopter. Een HTZ wordt ingesteld ter verhoging van het vliegveiligheidsbewustzijn van de piloot en dient ter bescherming van het luchtverkeer onderling. Een Helicopter Protection Zone (HPZ) heeft dezelfde functie maar omvat twee of meer platforms. De helicopter main route (HMR) KY645 kruist het gebied ter plaatse van de kavel Gamma-B. Een HMR is een luchtverkeersroute waar civiele helikopters opereren op een geregelde basis, voornamelijk van en naar olie- en gasplatforms. 4.2.3 Doelmatige aansluiting van een windpark op een aansluitpunt Een gecoördineerde en gestandaardiseerde netaansluiting van windparken leidt tot lagere maatschappelijke kosten en een kleinere impact op de leefomgeving.27Kamerstukken II, 2014/15, 33 561, nr. 12. Het uitgangspunt van de routekaart 2030 is dat windenergie op zee in het windenergiegebied IJmuiden Ver kosteneffectief gerealiseerd kan worden door het realiseren van een net op zee, dat aansluit op het bestaande hoogspanningsnet op land. Het net op zee voor de kavel Gamma-B is Net op zee IJmuiden Ver Gamma, dat bestaat uit: • een TenneT-platform op zee; • ondergrondse elektriciteitskabels van het platform door de zeebodem naar een converterstation op de Maasvlakte; • een converterstation op de Maasvlakte; • een kabelsysteem vanaf het converterstation op land naar een nieuw te bouwen hoogspanningsstation op de Maasvlakte. TenneT is bij wet aangewezen als de beheerder van het net op zee voor het transport van met windenergie opgewekte elektriciteit naar het landelijke hoogspanningsnet. Het TenneT-platform IJmuiden Ver Gamma heeft een capaciteit van 2 GW. Inter-array-kabels van de windturbines in kavel Gamma-B worden op dit station aangesloten via het in voorschrift 2, tweede lid, aangewezen tracé voor de aansluitverbinding. In voorschrift 2, negende lid, is bepaald dat de vergunninghouder in het geval van onvoorziene omstandigheden kan afwijken van hetgeen is bepaald in het tweede lid. Het betreft onvoorziene omstandigheden die verband houden met het ontwerp en de situering van het net op zee (platform en kabels). Er moet in dat geval overeenstemming zijn met TenneT, en de afwijking moet in het belang zijn van een doelmatige aansluiting van kavel Gamma-B op het TenneT-platform IJmuiden Ver Gamma. Gezien de aard van de gelijkstroomapparatuur is het niet mogelijk om (tijdelijk) een hoger vermogen dan 2 GW in te voeden. Voor de gelijkstroomplatforms is het maximaal in te voeden vermogen dus gelijk aan de gegarandeerde transportcapaciteit, te weten 1 GW per kavel. Wel is het mogelijk om door middel van ‘overplanting’, binnen de bandbreedte van dit kavelbesluit, bij lagere windsnelheden meer elektriciteit te produceren en te transporteren, zolang de geproduceerde hoeveelheid elektriciteit die wordt ingevoed niet groter is dan de gegarandeerde transportcapaciteit. Doordat TenneT bij het ontwerp van de gelijkstroomplatforms en -kabels tevoren rekening moet houden met de mate waarin deze worden belast, is in het ‘Ontwikkelkader windenergie op zee’28Ontwikkelkader windenergie op zee, Kamerstukken II, 2023/24, 33 561, nr. 60. een maximaal overplantingspercentage van 15 procent vastgelegd. Dit betekent dat TenneT rekening houdt met een maximaal geïnstalleerd vermogen per platform van 2,3 GW per gelijkstroomplatform en de daaruit voortkomende hogere belasting (load factor). Het gaat dan om 1,15 GW per kavel. Het kunnen testen van de gelijkstroomverbindingen op vol vermogen is pas mogelijk wanneer het volledige windpark aangesloten en in bedrijf is. De opleveringen van het net op zee en het daarop aangesloten windpark zijn daarom sterk onderling afhankelijk. Een belangrijke afhankelijkheid is het moment waarop het TenneT-platform gereed is voor het ontvangen van 66 kV-kabels van het windpark. Dat geldt ook voor het moment waarop de vergunninghouder van het windpark alle 66 kV-kabels op het platform heeft ingetrokken en de aansluiting op het platform heeft afgerond. Vanaf deze datum dient het windpark het volledige vermogen te kunnen leveren. Pas dan kan het laatste deel van de test- en ingebruiknamefase starten, namelijk het testen bij vol vermogen. Overige aansluitpunten In dit kavelbesluit wordt de aansluiting van het windpark op het net op zee gereguleerd. Eventuele aansluiting van windturbines op andere aansluitpunten dan het net op zee zijn in dit kavelbesluit niet voorzien en niet gereguleerd. De plaatsing van aanvullende aansluitpunten, alsmede de aansluiting van windturbines op die aanvullende aansluitpunten, wordt derhalve vergunningplichtig op grond van de Omgevingswet geacht. 4.3 Beschrijving windpark Een windpark wordt in artikel 1 van de Wet windenergie op zee gedefinieerd als een samenstel van voorzieningen waarmee windenergie wordt geproduceerd. Met een samenstel van voorzieningen wordt bedoeld: alle aanwezige middelen die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van windenergie. Het betreft in dit kavelbesluit: • windturbines, bestaande uit een mast, een gondel, rotorbladen en eventuele meetapparatuur; • een fundering van de windturbine, en een eventueel transitiestuk; • erosiebescherming; • bekabeling die de individuele windturbines verbindt en aansluit op een aansluitpunt (inter-array-kabels). Windturbines Er zijn momenteel veel verschillende typen windturbines op de markt. De tendens is om windturbines te ontwikkelen met grotere rotoren en vermogens. Hierbij zijn de volgende ontwerpvariabelen te onderscheiden: • tiphoogte: bovenste stand van een individueel blad; • tiplaagte: laagste stand van een individueel blad; • rotordiameter; • aantal bladen per windturbine. Funderingen Turbines kunnen worden aangelegd met behulp van de volgende funderingstypen: • monopile: een stalen buis met een verschillende doorsnede afhankelijk van het gewicht van de windturbine en de grondsoort, waarop de turbine geplaatst wordt; • jacket: een open constructie die met vier palen in de bodem is verankerd; • tripod: een open constructie die met drie palen in de bodem is verankerd; • gravity based fundering: een betonnen voet bestaande uit een holle kegel die ter plaatse wordt afgezonken en op de bodem wordt geplaatst en gevuld wordt met zand; • suction bucket29Een suction bucket wordt geïnstalleerd door het op de zeebodem te plaatsen en vervolgens een pomp te activeren die water uit de bucket verwijdert, waardoor de bucket zich vastzuigt en in de bodem dringt. Bovenop de suction bucket wordt de turbinepaal gemonteerd.: een cilindrische constructie geplaatst onder een jacket waarvan de bovenkant is afgesloten. Ter bescherming van de funderingen wordt een erosiebescherming, doorgaans in de vorm van steenbestorting, aangebracht. Aan de bandbreedte en inrichting van het windpark zijn op grond van de resultaten van het milieueffectonderzoek nog nadere beperkingen verbonden. De belangrijkste beperking is het verplichte gebruik van een monopilefundering. Verder gaat het onder meer om zaken als de minimale onderlinge afstand tussen windturbines, het onderwatergeluidsniveau als gevolg van heiactiviteit, het maximaal aantal bruinvisverstoringsdagen, het totale rotoroppervlak en het toepassen van stilstandvoorzieningen. Deze beperkingen worden toegelicht in hoofdstuk 6 en 7. Daarnaast stelt de netbeheerder TenneT grenzen aan het in te voeden vermogen (zie par. 4.2.3). Gegeven deze bindende randvoorwaarden, maar bijvoorbeeld ook de windafvangeffecten, zal de vergunninghouder het windpark zo ontwerpen dat een optimum wordt bereikt. 4.4 Bouw en exploitatie 4.4.1 Vergunningduur Op grond van artikel 12 van de Wet windenergie op zee kan door de minister een vergunning worden verleend voor de bouw en exploitatie van een windpark op zee. Op grond van artikel 15, tweede lid, van de Wet windenergie op zee kan de vergunning voor ten hoogste veertig jaar worden verleend. Uit een informele consultatie van leveranciers van windturbines en een studie van DNV in opdracht van TKI Wind op zee30DNV, in opdr. van TKI Wind op zee, Lifetime Extension and Optimal Lifecycle Offshore Wind Turbines, 2022. volgt dat windturbines op de Noordzee, bij toepassing van een daarop gericht onderhoudsregime, een verwachte effectieve levensduur van ongeveer 35–40 jaar kunnen hebben. Gelet op de benodigde tijd voor aanleg en verwijdering, sluit een vergunningduur van 40 jaar aan bij de functionele levensduur van moderne windturbines. De vergunning wordt derhalve voor een termijn van 40 jaar verleend. Dit is in voorschrift 6 vastgelegd. In de vergunning wordt nader bepaald voor welk tijdvak de vergunning geldt. In de vergunning wordt voorts aangegeven binnen welke termijn na het onherroepelijk worden van de vergunning, (deel)activiteiten moeten worden verricht. Ter illustratie: in de vergunning kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat de exploitatietermijn kan aanvangen vanaf jaar 3 en kan duren tot en met jaar 39 en dat de verwijderingstermijn kan aanvangen vanaf jaar 35 en kan duren tot en met jaar 40. 4.4.2 Algemene regels In paragraaf 7.2.3 van het Bal zijn algemene regels opgenomen voor windparken op de Noordzee. Deze regels hebben betrekking op het verrichten van werkzaamheden in het kader van aanlegwerkzaamheden. Op grond van artikel 7.34 van het Bal dient de vergunninghouder bijvoorbeeld ten minste vier weken voor aanvang van de aanlegactiviteiten een melding in bij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, waarin plannen en gegevens zijn opgenomen die inzicht geven in de uitvoering van het windpark en de voorzieningen die worden getroffen om gevaar voor de omgeving te voorkomen. Hierbij wordt gerapporteerd over de te treffen veiligheidsvoorzieningen, zoals de vermelding van het werkgebied op zeekaarten, berichtgeving aan zeevarenden en de bebakening van het werkgebied met boeien. Daarnaast moeten de windturbines in het windpark voorzien worden van herkenningstekens en bakens ter waarborging van de veiligheid van het lucht- en scheepvaartverkeer. Paragraaf 7.2.3 van het Bal bevat tevens algemene regels gericht op de exploitatie en het verwijderen van een windpark. 4.4.3 Bouw Het bouwproces van een windpark is in grote mate afhankelijk van het gekozen type fundering en verloopt in grote lijnen als volgt. De bouw begint veelal met het aanbrengen van erosiebescherming in de vorm van steenbestorting. Vervolgens wordt de fundering geplaatst. Hierna wordt de bekabeling gelegd die de individuele windturbines verbindt met het TenneT-platform. Daarbij wordt eerst een aantal turbines met elkaar verbonden door een kabel, waarna de kabels worden verbonden met het platform. De volgende fase in het bouwproces bestaat uit het plaatsen van de mast, de gondel en de bladen. Als sluitstuk wordt de bekabeling verbonden met de generator en wordt de besturingsapparatuur geïnstalleerd. De windturbines kunnen dan elektriciteit gaan leveren. 4.4.4 Veiligheidszone In artikel 60, vierde lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee31Trb. 1983, 83. (Zeerechtverdrag) is bepaald dat een kuststaat, waar nodig, veiligheidszones kan instellen waarbinnen passende maatregelen kunnen worden genomen ter verzekering van de veiligheid van zowel de scheepvaart als van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen. De veiligheidszones reiken tot een afstand van maximaal 500 meter vanaf de buitenste rand van een kunstmatig eiland, een installatie of een inrichting. Omdat een windpark bestaat uit meerdere installaties die tezamen een eenheid vormen wordt de veiligheidszone ingesteld vanaf de buitengrenzen van het windpark zoals bepaald in voorschrift 2, eerste lid. De mogelijkheid die het internationale recht biedt om een veiligheidszone op zee rondom een werk in te stellen, is vastgelegd in artikel 2.40 van de Omgevingswet32De beleidsregel instelling veiligheidszone windparken op zee geeft invulling aan artikel 2.40 OWwetten.nl – Regeling – Beleidsregel instelling veiligheidszone windparken op zee – BWBR0042533 (overheid.nl).. Daarin wordt gerefereerd aan de mogelijkheid tot het instellen van een ‘toegangsverbod’, dat blijkens de wetsgeschiedenis mede betrekking heeft op het instellen van een veiligheidszone. Met een besluit tot instelling van een toegangsverbod stelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de geografische afbakening van het gebied vast en bepaalt welke beperkingen in het gebied gelden. Voor onderhoudsschepen van de vergunninghouder van het windpark, gerelateerde installaties (waaronder de platforms) en schepen van de Rijksoverheid kan een generieke uitzondering worden gemaakt om binnen een veiligheidszone van windparken te varen. In dat laatste geval kan het ook gaan om (particuliere) schepen die taken uitvoeren namens de Rijksoverheid. Daarnaast kan in het besluit geregeld worden dat andere schepen, zoals schepen die onderhoud aan pijpleidingen en (telecom)kabels willen uitvoeren in het gebied, onder voorwaarden toegang tot het windpark krijgen. In het Programma Noordzee 2022–2027is in het kader van het bevorderen van meervoudig ruimtegebruik, besloten tot het onder voorwaarden openstellen van windenergiegebieden voor doorvaart (in daartoe aan te wijzen passages) en/of medegebruik. Zoals beschreven in paragraaf 2.4 bevat het Programma Noordzee 2022–2027 beleids- en afwegingskaders voor doorvaart en medegebruik. Binnen kavel Gamma-B van windenergiegebied IJmuiden Ver wordt geen doorvaartpassage voorzien omdat het windpark naar verwachting slechts beperkte hinder oplevert voor de scheepvaart, mede omdat in windenergiegebied IJmuiden Ver een clearway beoogd is die een veilige doorvaart moet garanderen. Daarnaast is de verwachting dat binnen de kavelbegrenzing andere activiteiten onder voorwaarden kunnen worden toegestaan in het kader van het medegebruikbeleid (zie paragraaf 6.14). Het besluit tot instellen van een toegangsverbod als bedoeld in artikel 2.40 van de Omgevingswet zal hier rekening mee moeten houden. Het toegangsverbod wordt ingesteld op het moment dat wordt aangevangen met de bouw van het windpark. Tijdens de bouw- en verwijderingsfase van het windpark geldt een toegangsverbod met enkele uitzonderingen. Het besluit tot instelling van een toegangsverbod wordt indien nodig na afronding van de bouw aangepast op de situatie in de operationele fase. 4.4.5 Monitoring en evaluatie Omdat generieke kennisleemtes bestaan met betrekking tot de ecologische effecten tijdens de bouw, exploitatie en verwijdering van windparken op zee zal monitoring en evaluatie plaatsvinden. In paragraaf 7.4 wordt verder ingegaan op de geconstateerde kennisleemtes. Generieke kennisleemtes worden ingevuld via het door de Rijksoverheid ingestelde monitorings- en evaluatieprogramma dat verder is beschreven in paragraaf 7.8.6. Er worden in dit kavelbesluit voorschriften opgenomen over (het verlenen van medewerking aan) monitoringsonderzoek. 4.5 Verwijdering en financiële zekerheid Nadat de exploitatietermijn van het windpark is verlopen, moet het windpark op grond van artikel 7.45 van het Bal verwijderd worden. Dit geldt ook voor materiaal dat ter plaatse of in de directe omgeving terecht is gekomen gedurende de looptijd van de vergunning. In voorschrift 8 van dit kavelbesluit is een termijn verbonden aan de verwijdering. De vergunninghouder dient het windpark uiterlijk twee jaar nadat de exploitatie is gestaakt, doch uiterlijk binnen de looptijd van de vergunning, te hebben verwijderd. Aan het verwijderen van een windpark zijn kosten verbonden. In artikel 28 van de Wet windenergie op zee is de mogelijkheid van het opleggen van een financiële zekerheidsstelling opgenomen voor het geval een vergunninghouder na afloop van de exploitatietermijn of lopende deze termijn – vanwege faillissement – niet aan zijn verplichting tot verwijdering van het windpark kan voldoen. De hoogte van het bedrag moet voldoende zijn om het windpark inclusief kabels en eventuele erosiebescherming volledig te kunnen verwijderen. De verwijderingskosten bestaan onder andere uit de inzet van personeel, materieel en diverse risico-opslagen. Gelet op deze berekeningssystematiek, de huidige praktijk van financiële zekerheidsstelling bij andere windparken op zee en de te verwachten prijsstijging moet de vergunninghouder 120.000 euro per te realiseren MW als financiële zekerheid stellen. In het geval van een park met een totaal geïnstalleerd vermogen van 1 GW betreft dit een bedrag van 120 miljoen euro. De financiële zekerheid moet gesteld zijn voordat RVO bewijs heeft ontvangen dat Garanties van Oorsprong (GvO) zijn afgegeven over de geleverde stroom. Gedurende een periode van 12 jaar vanaf het moment dat het park elektriciteit levert wordt het bedrag jaarlijks geïndexeerd met 2 procent ten laste van de vergunninghouder. Op een aantal momenten tijdens de exploitatieperiode van het windpark wordt zowel de 120.000 euro per te realiseren MW als de indexatie opnieuw vastgesteld. Te weten: • na 12 jaar exploitatie; • na 24 jaar exploitatie; • 1 jaar voor start van de verwijdering van het windpark. De bankgarantie voor de verwijdering van het windpark wordt afgesloten met een Nederlandse systeembank of een bank die opgenomen is in de lijst van ‘Global Systematically Important Banks’ die gepubliceerd wordt door de Financial Stability Board (FSB). De bankgarantie wordt contractueel geregeld tussen de Staat en de vergunninghouder. Dit contract zal onder meer een voorwaarde bevatten die regelt dat na twaalf jaar exploitatie, na 24 jaar exploitatie en één jaar voor start van de verwijdering van het windpark een nieuwe bankgarantie wordt afgegeven tegen de opnieuw vastgestelde bedragen zoals hierboven genoemd. Mocht de vergunninghouder deze bankgarantie voor de verwijdering van het windpark niet tijdig vervangen dan vervalt het bedrag aan de Staat. Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet windenergie op zee is in dit kavelbesluit voorschrift 9 opgenomen dat regelt dat gedurende de exploitatie van het windpark de vergunninghouder zich garant stelt voor de kosten van verwijdering van het windpark met een financiële zekerheidstelling. 5 Milieueffectrapport (MER) 5.1 Inleiding In het MER voor de kavels Gamma-A en Gamma-B33Pondera, in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, MER kavel Gamma, windenergiegebied IJmuiden Ver, 2024. Dit MER heeft de kavels Gamma-A en Gamma-B tezamen onderzocht. zijn de effecten van de geplande windparken op het milieu in brede zin en de gevolgen voor de gebruiksfuncties in en om het windenergiegebied IJmuiden Ver onderzocht. 5.2 Onderzoek naar voorkeursverkaveling Een uitgangspunt van het Programma Noordzee 2022–2027 is dat Natura 2000-gebieden bij de aanwijzing van windenergiegebieden worden ontzien. Een tweede uitgangspunt van Programma Noordzee is dat binnen het aangewezen windenenergiegebied IJmuiden Ver een clearway beoogd is om een veilige doorvaart te garanderen voor de scheepvaart. Het gaat dan om de ferry-verbinding met Newcastle in het Verenigd Koninkrijk en meer in het algemeen de verbinding van drukke scheepvaartroutes met de havens van IJmuiden en Amsterdam. Een derde uitgangspunt is dat het meest noordelijke deel (Gamma) van het windenergiegebied IJmuiden Ver benut wordt voor circa 2 GW aan windenergie. Een vierde uitgangspunt van het Programma Noordzee 2022–2027 is dat om een windpark heen veiligheidsmarges worden gehanteerd volgens het ‘Ontwerpcriterium veilige afstanden tussen scheepvaartroutes en windparken op zee’ en dat in verkavelingen rekening wordt gehouden met onderhoudszones en veiligheidszones ten behoeve van andere infrastructuur. Gelet op deze uitgangspunten zijn in het milieueffectrapport voor de windenergiegebied Gamma de effecten van een voorkeursverkaveling in beeld gebracht. Er is geen alternatieve verkaveling onderzocht. Dit is nader toegelicht in de notitie reikwijdte en detailniveau (NRD). Hieronder wordt ingegaan op een aantal belangrijke bevindingen uit het MER. In het MER is een bandbreedte onderzocht voor de kavel Gamma-A en kavel Gamma-B afzonderlijk en voor de kavels tezamen. Onderstaande tabel geeft de onderzochte bandbreedte aan voor de twee kavels tezamen. In hoofdstuk 13 van het MER is aangegeven wat de effecten zijn van de splitsing van de eerder beoogde kavel Gamma in de kavels Gamma-A en Gamma-B. De alternatieven die in het MER zijn onderzocht bestaan uit twee basisalternatieven met 15 MW (rotordiameter 236
  1. m)en 20 MW (rotordiameter 280
  2. m)turbines. Voor beide basisalternatieven zijn overplantingscenario’s van circa 5 procent (2,1 GW) en circa 15 procent (2,3 GW) onderzocht. In het MER zijn (deel) conclusies beschreven over de diverse onderwerpen op basis van de verschillende varianten, met veel aandacht voor de meest ongunstige uitkomst van op het betreffende onderwerp. Met andere woorden, er is een worst-case-benadering gehanteerd. Alternatief 1a Alternatief 2a Alternatief 1b (overplanting 5%) Alternatief 2b (overplanting 5%) Alternatief 1c (overplanting 15%) Alternatief 2c (overplanting 15%) 134 x 15 MW-turbines Rotordiameter 236 m 100 x 20 MW-turbines Rotordiameter 280 m 140 x 15 MW-turbines Rotordiameter 236 m 106 x 20 MW-turbines Rotordiameter 280 m 153 x 15 MW-turbines Rotordiameter 236 m 115 x 20 MW-turbines Rotordiameter 280 m In dit kavelbesluit is een maximaal rotoroppervlak, maximaal aantal te plaatsen windturbines, minimale tiplaagte en maximale tiphoogte voorgeschreven op basis van deze bandbreedte. Hiermee wordt aangesloten bij de stand van de techniek. Uit het MER volgt dat de effecten van een windpark in de kavels Gamma-A en Gamma-B op de ecologie en andere gebruiksfuncties in algemene zin beperkt zijn. De cumulatieve effecten van de (internationale) windparkontwikkelingen op de ecologie nemen wel toe. Uit het MER volgt dat het windpark kan worden aangelegd indien bij heiactiviteit een onderwatergeluidsnormering in acht wordt genomen van 164 dB re 1 μPa2s SELss (op 750 meter van de geluidsbron) om negatieve effecten op de bruinvis te voorkomen. Hierbij is ook rekening gehouden met de ecologische effecten van toekomstige windparken. Uit het MER volgt voorts dat in het windpark slachtoffers kunnen vallen onder lokaal verblijvende niet-broedvogels (met name de grote mantelmeeuw), vogels tijdens de seizoenstrek (met name de spreeuw) en vogels uit (kolonies
  3. in)Natura 2000-gebieden (kleine mantelmeeuw). Zie in dit verband paragraaf 7.3.1 van deze toelichting. Uit het MER blijkt dat de kennisleemtes over met name vleermuizen op zee groot zijn. Desondanks kunnen effecten op de soortengroepen van migrerende vogels en vleermuizen (met name de ruige dwergvleermuis) beperkt worden. Mede gelet op de soortenbescherming, het voorzorgsbeginsel en de zorgplichten voor de natuur bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving34Artikelen 11.6 en 11.27 van het Bal. worden mitigerende maatregelen getroffen, waaronder de maatregel dat het aantal rotaties per minuut van de windturbines moet worden teruggebracht bij specifieke weersomstandigheden in de periodes met massale vogeltrek en vleermuizentrek op rotorhoogte. De toegestane bandbreedte aan inrichtingsmogelijkheden en de mitigerende maatregelen worden vastgelegd in de voorschriften bij het kavelbesluit. Zie deel III van dit besluit. Hiermee wordt rekening gehouden met de bevindingen van het MER en aangesloten bij de stand van de techniek. 6 Belangenafweging gebruiksfuncties 6.1 Inleiding In artikel 3, derde lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Wet windenergie op zee is bepaald dat de gevolgen voor de maatschappelijke functievervulling en de gevolgen voor derden betrokken worden in de belangenafweging. Dit komt in het onderhavige hoofdstuk aan de orde. Daarnaast moeten op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onderdelen d en e, van de Wet windenergie op zee het belang van de kosten voor het realiseren van een windpark en het belang van een doelmatige aansluiting van een windpark op een net worden afgewogen. Dit is in hoofdstuk 4 beschreven. Op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet windenergie op zee moet het milieubelang, waaronder het ecologisch belang, afgewogen worden. Dit komt met name in hoofdstuk 7 aan de orde. 6.2 Landschap, verlichting en zichtbaarheid 6.2.1 Beleid Windparken mogen ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet windenergie op zee alleen worden gebouwd in gebieden die daarvoor zijn aangewezen in het nationaal waterprogramma. In het Nationaal Waterplan 2009–2015 is het windenergiegebied IJmuiden Ver aangewezen. Deze aanwijzing is in het Nationaal Waterplan 2016–2021 gehandhaafd. In het Programma Noordzee 2022–2027 is het windenergiegebied IJmuiden Ver (in gewijzigde vorm) herbevestigd. Bij de aanwijzing van het windenergiegebied in het nationaal waterplan heeft de belangenafweging voor de realisatie van een windpark in relatie tot landschappelijke inpassing al plaatsgevonden. Verlichting op windturbines is noodzakelijk vanuit (aero)nautische veiligheid maar kan door sommigen uit landschappelijk oogpunt als hinderlijk worden ervaren. Artikel 7.40 van het Bal stelt eisen aan de verlichting en aanduiding van de windturbines. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft het informatieblad ‘Aanduiding van offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ in 2025 herzien.35Stcrt. 2025, nr. 6895. In dit informatieblad zijn de (internationale) eisen ten aanzien van de markering van windparken en individuele windturbines in relatie tot de luchtvaartveiligheid beschreven en in sommige gevallen nader uitgewerkt. Het gaat daarbij om onder meer eisen ten aanzien van kleurstelling, het type verlichting en de positionering daarvan. In dit kavelbesluit worden enkele voorschriften opgenomen om lichtuitstraling te beperken. Hiermee gelden voor specifieke aspecten inzake markering en verlichting bijzondere bepalingen, passend binnen de internationale eisen. Voor overige niet in het kavelbesluit gereguleerde aspecten blijven de algemene eisen onverminderd van kracht zoals deze voortvloeien uit artikel 7.40 van het Bal en het bovengenoemde informatieblad. 6.2.2 Gevolgen Zichtbaarheid vanaf de kust Kavel Gamma-B ligt op meer dan 70 kilometer uit de kust. De zichtbaarheid van een windpark binnen de kavel Gamma-B is in het MER aan de hand van kwalitatieve en kwantitatieve criteria in kaart gebracht. De afstand waarop een object nog kan worden waargenomen wordt het zichtbereik genoemd. Dit bereik hangt van een viertal factoren af: – eigenschappen van het object; – kromming van de aarde (kimduiking); – visus van het menselijke oog; – meteorologische omstandigheden. Uit het MER volgt dat het windpark overdag nauwelijks zichtbaar zal zijn vanaf het vasteland. Zichtbaarheid in de nacht Met het oog op de scheepvaart- en luchtvaartveiligheid worden windturbines voorzien van markering- en obstakellichten. Uit internationale richtlijnen36International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities (IALA) Guideline G1162, The marking of offshore man-made structures. volgt dat de verlichting op de windturbines voor scheepvaartveiligheid, bestaande uit een flitsend geel licht, tussen de zes en dertig meter boven het zeeniveau op de windturbines wordt geïnstalleerd. Deze verlichting is vanwege de kimduiking niet zichtbaar vanaf de kust. Uit internationale richtlijnen37Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart. De verlichtingsrichtlijnen zijn opgenomen in ICAO, Annex 14, chapter 6. voor de luchtvaartveiligheid volgt dat windturbines met een tiphoogte van meer dan 150 meter dienen te zijn voorzien van een flitsend licht voor de nacht en schemerperiode. De verlichting die in verband met luchtvaartveiligheid wordt aangebracht, wordt in ieder geval geïnstalleerd op de gondel van de windturbine. Gelet op de beperkte verlichtingssterkte van 2.000 candela in de nacht, de kimduiking en de meteorologische omstandigheden, is in het MER geconcludeerd dat de luchtvaartveiligheidsverlichting slechts in zeldzame gevallen ’s nachts zichtbaar kan zijn vanaf het vasteland. De aeronautische verlichting draagt echter bij aan de toenemende lichtvervuiling op de Noordzee, met name in de nacht. In de Europese Natuurherstelverordening (EU-verordening 2024/1991) wordt gewezen op de negatieve effecten van kunstlicht op ecosystemen. Kunstlicht heeft negatieve gevolgen voor de biodiversiteit. De Natuurherstelverordening roept lidstaten op om lichtvervuiling in ecosystemen te stoppen of zoveel mogelijk te verminderen. Ten aanzien van de nacht- en schemerverlichting op de windturbines is door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor het toepassen van dynamische verlichting. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het informatieblad ‘Aanduiding van offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’. De conclusie is dat indien de zichtomstandigheden voor de luchtvaart goed zijn, de lichtintensiteit van de op de gondel aangebrachte verlichting kan worden verminderd. Ook worden de windturbines op grond van het informatieblad voorzien van vastbrandende verlichting in plaats van flitsende verlichting. Daarmee is de verlichting afdoende in het kader van de luchtvaartveiligheid. Voorschrift 4, negende lid, bevat bijzondere bepalingen over de aeronautische verlichting in het windpark. Deze eisen dienen op het aspect van verlichting en markering door de vergunninghouder betrokken te worden in de onderbouwing van de melding bedoeld in artikel artikelen 7.34 van het Bal. 6.2.3 Afweging Hierboven is beschreven dat een windpark in kavel Gamma-B onder zeldzame omstandigheden ’s nachts vanaf het vasteland zichtbaar kan zijn. Gelet op het grote belang van windenergie, is de zeer beperkte zichtbaarheid van het windpark gedurende het jaar aanvaardbaar. Voor wat betreft de verlichting in de nacht bestaan bovendien mogelijkheden om de zichtbaarheid te beperken door de lichtintensiteit te verminderen. Het productieproces van windturbines is in het bijzonder gericht op de kleuren RAL 9010 (zuiver wit) en RAL 7035 (lichtgrijs).38De bestaande windparken Luchterduinen, Amalia en OWEZ zijn uitgevoerd in RAL 7035 (lichtgrijs) en de Gemini windparken in RAL 9010. Uit de publieksonderzoeken39Motivaction, in opdr. van RVO, Belevingsonderzoek kleurstelling windturbines; Onderzoek naar het verminderen van de zichtbaarheid van windturbines door kleurstelling, 2017; Motivaction, in opdr. van RVO, Zichtbaarheid en aantrekkelijkheid en van windparken op zee, 2017. volgt dat bij zonnig weer grijze windturbines het minst zichtbaar zijn en als minst hinderlijk worden ervaren. Bij bewolkt weer zijn witte windturbines het minst zichtbaar en minst hinderlijk. Omdat het windpark overdag niet zichtbaar is vanaf de kust, wordt in dit kavelbesluit geen kleur voorgeschreven. Dit neemt niet weg dat de regelgeving voor luchtvaartveiligheid als uitgangspunt stelt dat de mast, rotorbladen en gondel in de kleur wit worden uitgevoerd.40Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ICAO, Annex 14, chapter 6. Indien lichtgrijze windturbines (RAL 7035) worden gebruikt, kan op grond van de internationale eisen (ICAO) in sommige gevallen ter borging van de luchtvaartveiligheid een noodzaak bestaan om (een deel van
  4. de)turbines overdag te verlichten. In dat geval kan ook overdag rode vastbrandende verlichting worden gebruikt. De gevallen waarin dit nodig is en de daarbij gestelde eisen zijn uitgewerkt in het informatieblad ‘Aanduiding van offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’. 6.2.4 Toelichting voorschriften De minimale afstand van de windturbines tot aan de kust volgt uit voorschrift 2, eerste lid, waarin is bepaald binnen welke contour de windturbines geplaatst mogen worden. De maximale tiphoogte van de windturbines is vastgelegd in voorschrift 3, zesde lid. Aeronautische obstakellichten op de gondel van windturbines zijn op grond van het informatieblad vastbrandende (dat wil zeggen niet-flitsende) rode lichten. In voorschrift 4, negende lid, zijn bepalingen opgenomen om de uitstraling van verlichting van het windpark te beperken en het uniforme voorkomen van windparken binnen de Nederlandse EEZ te borgen. Indien de zichtbaarheid buiten de daglichtperiode meer bedraagt dan 5 kilometer, wordt de nominale lichtintensiteit van de aeronautische obstakellichten buiten de daglichtperiode tot 30 procent verlaagd, indien de zichtbaarheid buiten de daglichtperiode meer bedraagt dan 10 kilometer wordt de intensiteit buiten de daglichtperiode tot 10 procent verlaagd. Deze maatregel is beschreven in het informatieblad ‘Aanduiding van offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ en wordt middels voorschrift 4, negende lid, onderdeel a, bindend voorgeschreven. In voorschrift 4, negende lid, onderdeel d, is een uitzonderingsmogelijkheid op deze verplichting opgenomen, wanneer dat in het belang van de bescherming van vogels of in het belang van onderzoek naar de bescherming van vogels is. Deze uitzonderingsmogelijkheid maakt bijvoorbeeld het gebruik van Aircraft Detection Lighting System (ADLS) mogelijk. In afwijking van artikel 7.40 van het Bal, waarin thans nog verwijzingen zijn opgenomen naar de (verouderde) richtlijn CAP 764 en de IALA-aanbeveling O-13941Navigation and Lighthouse Authorities Recommendation O-139 Marking of Man-Made Offshore Structures., is in voorschrift 4, negende lid, onderdeel c, bepaald dat de melding ingevolge artikel 7.34, tweede lid, onderdeel d, van het Bal op het aspect van verlichting en markering wordt opgesteld in overeenstemming met het informatieblad ‘Aanduiding van offshore windturbines en offshore windparken in relatie tot luchtvaartveiligheid’ en de IALA richtlijn G1162.42Artikel 4, derde lid, van de Wet windenergie op zee biedt een grondslag voor de afwijking van artikel 7.40 van het Bal. Het is voorts van groot belang dat de vergunninghouder TenneT betrekt in het opstellen van de melding ingevolge artikel 7.34, tweede lid, onderdeel d, van het Bal (op het aspect van verlichting en markering), aangezien nog niet alle veiligheidsonderzoeken inzake de helikopteroperaties van TenneT zijn afgerond, en uit die onderzoeken aangaande vluchten van en naar het platform van TenneT bijzondere verlichtingseisen kunnen volgen. Het betreft de windturbines die nabij de aanvliegroute van het TenneT-platform gepositioneerd zijn. Daarnaast bevat voorschrift 4, negende lid, een bepaling over verlichting bij noodsituaties. 6.3 Recreatie en toerisme De kust is een geliefde plek voor verschillende soorten recreatie. De Noordzeebadplaatsen zijn onder toeristen uit binnen- en buitenland populaire bestemmingen. Daarnaast vinden aan de kust watersportactiviteiten, recreatievaart en sportvisserij plaats. 6.3.1 Gevolgen Zoals is vermeld in paragraaf 6.2.2 zal een windpark in kavel Gamma-B nauwelijks zichtbaar zijn vanaf de stranden. Het windenergiegebied IJmuiden Ver ligt ver buiten de gebieden die doorgaans voor recreatievaart worden gebruikt maar kan wel hinder veroorzaken voor passagiersschepen tussen Nederland en Engeland. Desondanks is sprake van een kans dat een windpark in kavel Gamma-B in beperkte mate resulteert in een noodzaak tot omvaren voor de recreatievaart. De aanwijzing van de clearway zal de noodzaak tot omvaren voor een groot deel kunnen beperken. Omdat steeds meer windturbines in zee worden geplaatst, zal de kans op aanvaringen van zeegaande recreatievaart, zeilvaart en sportvissers licht toenemen. Dat effect wordt verder in paragraaf 6.11.2 over scheepvaartveiligheid beschreven en beoordeeld. 6.3.2 Afweging Hierboven is beschreven dat een windpark in kavel Gamma-B nauwelijks effect zal hebben op de kustrecreatie en toerisme en beperkte hinder zal opleveren voor de recreatievaart. 6.3.3 Toelichting voorschriften Er is geen aanleiding om voor dit onderwerp voorschriften op te nemen in dit kavelbesluit, anders dan de voorschriften die al opgenomen zijn voor de landschappelijke inpassing (zie paragraaf 6.2.4). 6.4 Mijnbouwactiviteiten 6.4.1 Beleid In het Programma Noordzee 2022–2027 is vastgelegd dat mijnbouwactiviteiten, zoals olie- en gaswinning en CO2-opslag, activiteiten van nationaal belang zijn. Er zal zo veel mogelijk winning van aardgas en -olie uit de Nederlandse velden op de Noordzee worden gerealiseerd zodat het potentieel van voorraden wordt benut, binnen de grenzen van de afspraken van het Parijse Klimaatakkoord. Daarnaast stimuleert het kabinet de afvang van CO2 en opslag daarvan onder de Noordzee. Er wordt gestreefd naar vroegtijdige afstemming tussen het ruimtegebruik op de Noordzee ten behoeve van windenergie en mijnbouwactiviteiten. Gekoppeld aan het belang van de aanwezigheid van infrastructuur ten behoeve van de mijnbouwactiviteiten (zoals platforms en leidingen), speelt ook de helikopterbereikbaarheid van de platforms een rol bij de ruimtelijke inpassing van windparken. In het Programma Noordzee 2022–2027 is in dat kader opgenomen dat voor mijnbouwplatforms met een helikopterdek het vertrekpunt een obstakelvrije zone is van 5 nautische mijl rondom het platform.43In opdracht van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden nadere onderzoeken gedaan naar de houdbaarheid van dit beleidsvertrekpunt van 5 nautische mijl obstakelvrije zone en wordt een alternatief beleidskader verkend. Zie in dit verband Kamerstukken II, 2022/23, 34 682, nr. 161. In specifieke situaties, door toepassing van het ‘Ontwerpproces: afstand tussen mijnbouwlocaties en windparken’ wordt bezien of maatwerk mogelijk is. Het inpassingsproces behelst in elk geval afstemming met de relevante belanghebbenden, zoals de vergunninghouders en het bevoegd gezag. Daarnaast wordt expertise rondom luchtvaart- en arbeidsveiligheid betrokken. De luchtzijdige bereikbaarheid van mijnbouwplatforms komt verder in paragraaf 6.6.2 aan de orde. Verschillende mijnbouwinstallaties op de Noordzee zullen de komende jaren het einde van hun economische levensduur bereiken. Buiten gebruik gestelde mijnbouwplatforms worden op grond van artikel 44, tweede lid, van de Mijnbouwwet verwijderd, indien hergebruik (voor bijvoorbeeld CO2-opslag) niet mogelijk is. De wijze waarop een mijnbouwwerk wordt verwijderd, wordt beschreven in een verwijderingsplan. Het verwijderingsplan wordt ter instemming voorgelegd aan de minister. De vereiste maatregelen voor het buiten gebruik stellen van boorgaten en putten zijn vastgelegd in afdeling 8.5 van de Mijnbouwregeling. Op grond van artikel 8.5.1.3 van de Mijnbouwregeling moet een put op een effectieve en duurzame wijze worden afgesloten, waarmee moet worden voorkomen dat ondergrondse gassen en vloeistoffen door de sluitlaag naar andere gesteentelagen of naar het oppervlak kunnen stromen. Om putten permanent af te sluiten worden doorgaans pluggen van cement in de put aangebracht. De put wordt net onder het oppervlak afgesloten en de stalen behuizingen worden enkele meters onder de zeebodem doorgesneden. Het verwijderen van een pijpleiding kan meer milieuschade veroorzaken dan wanneer deze blijft liggen. In dat geval zorgt de vergunninghouder van de pijpleiding ervoor dat de leiding schoon en veilig wordt achtergelaten, en periodiek wordt gemonitord. De minister kan op grond van artikel 45, tweede lid, van de Mijnbouwwet wel bepalen dat de beheerder van een pijpleiding verplicht is om de pijpleiding te verwijderen na buitenwerkingstelling. 6.4.2 Gevolgen Kavel Gamma-B in het windenergiegebied IJmuiden Ver ligt in een gebied waarvoor vergunningen voor de winning van koolwaterstoffen zijn afgegeven. Een winningsvergunning verleent het alleenrecht om in een gebied de olie- of gasvoorraden te exploiteren. Voor de feitelijke exploitatie zijn nog andere vergunningen nodig. In kavel Gamma-B betreft het winningsvergunningen voor de gebieden K17a en K18a (zie figuur 4).44De vergunninghouder van een opsporings- of winningsvergunning zal vanaf het moment van bekendmaking van het voorbereidingsbesluit voor het kavelbesluit (artikel 9 van de Wet windenergie op zee) er wel rekening mee moeten houden dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een mijnbouwlocatieactiviteit te verrichten, in de zin van artikel 7.67, lid b, sub 3 van het Bal, in een gebied dat is aangewezen in een voorbereidingsbesluit of kavelbesluit. In besluitvorming over (thans niet voorziene) nieuwe winningen zal derhalve rekening moeten worden gehouden met de aanwezigheid van een windpark. In blok K17a is het platform K17-FA-1 gesitueerd. Dit platform ligt in de beoogde clearway, net ten zuiden van kavel Gamma-B, maar heeft geen helikopterdek. De winningsvergunningen voor K17a en K18a zijn onherroepelijk. Figuur 4: Vergunningen, velden en platforms in de omgeving van kavel Gamma-B. In kavel Gamma-B bevinden zich geen operationele mijnbouwwerken, maar wel buiten gebruik gestelde boorgaten. Gelet op de eisen die de Mijnbouwregeling stelt aan het buiten gebruik stellen van boorgaten, is geen lekkage van gassen of vloeistoffen te verwachten. Kavel Gamma-B wordt verder gekenmerkt door de aanwezigheid van enkele producerende en onontwikkelde gasvelden. Het actieve gasveld K17-FA en de onontwikkelde gasvelden K17-FB en K17-Zechstein bevinden zich (deels) in de diepe ondergrond van de kavel Gamma-B. Net ten zuiden van de kavel Gamma-B, buiten de kavelbegrenzing, bevindt zich wel een operationeel mijnbouwplatform (platform K17-FA-1) van Tenaz Energy Netherlands. In de begrenzing van kavel Gamma-B is rekening gehouden met dit platform alsmede de daarvoor benodigde veiligheidszone van 500 meter. De scheepvaartveiligheid rondom K17-FA-1 komt in paragraaf 6.11 aan de orde. Tenaz Energy Netherlands heeft recentelijk aangegeven binnen haar winningsvergunningen K17a en K18a mogelijk nieuwe gaswinningsactiviteiten te willen ontwikkelen in en rond kavel Gamma-B. Tenaz Energy Netherlands (en rechtsvoorganger NAM Offshore B.V.) heeft met het Ministerie van Klimaat en Groene Groei gesprekken gevoerd over hoe deze aanvullende gaswinningsactiviteiten kunnen worden ingepast, zowel in de ruimte als in de tijd, op de beoogde locaties. Uit onderzoek van Afry blijkt dat de aanvullende gaswinningsactiviteiten van Tenaz Energy Netherlands in en nabij kavel Gamma-B inpasbaar zijn met beperkte invloed op de businesscase van het windpark. De gevoeligheidsanalyse laat zelfs een verbetering zien van de jaarlijkse energieopbrengsten van het windpark in de aangepaste verkaveling (als beschreven in paragraaf 4.2.2) ten opzichte van de situatie met de kavelbegrenzing in het ontwerpkavelbesluit.45AFRY, in opdr. van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, Invloed van opties voor mijnbouw-inpassing op IJmuiden Ver Gamma-B, 2025. Er zijn reserveringszones voor verkeer naar en van de mogelijk toekomstige mijnbouwplatforms ‘K’ en ‘L’ opgenomen waar geen turbines mogen worden geplaatst. Het gaat hier om scheepsverkeer en bij bijzondere activiteiten rondom de platforms mogelijk ook helikopterverkeer. Binnen deze reserveringszone kunnen wel inter-array kabels worden gelegd. Binnen de veiligheidszone van 500 meter rondom de mogelijke mijnbouwplatforms ‘K’ en ‘L’ mogen geen windturbines en geen inter-array kabels worden geplaatst. In de toekomst is mogelijk sprake van CO2-opslag in gasvelden binnen of nabij het windenergiegebied IJmuiden Ver. Op dit moment zijn ontwikkelingen hieromtrent onvoldoende concreet. Indien te zijner tijd het voornemen bestaat om deze opslag te realiseren dan dient vooraf in een mer-procedure te worden onderzocht of Carbon Capture and Storage (CCS) veilig is te combineren met het windpark op zee. Binnen kavel Gamma-B liggen enkele buiten gebruik gestelde boorgaten. Nabij het gebied is nog overige mijnbouwinfrastructuur aanwezig die nog niet is verwijderd, of nog niet permanent veilig is achtergelaten. Dit betreft in ieder geval boorgaten die nog niet permanent zijn afgesloten. De afstand tussen deze niet permanent afgesloten boorgaten en de kavelgrens is minimaal 500 meter. Binnen kavel Gamma-B bevindt zich een pijpleiding die in gebruik is ten behoeve van het transport van aardgas. Op welke wijze er rekening wordt gehouden met pijpleidingen staat beschreven in paragrafen 4.2.2, 6.9.2 en 6.9.3. 6.4.3 Afweging Binnen de kavel Gamma-B zijn winningsvergunningen voor koolwaterstoffen verleend op grond van de Mijnbouwwet die een aanzienlijk deel van de kaveloppervlakte bestrijken. Daarnaast liggen er operationele en onontwikkelde gasvelden onder de kavel Gamma-B. Met het bestaande platform K17-FA-1, dat net ten zuiden van kavel Gamma-B ligt, en de daarvandaan lopende gaspijpleiding (richting platform K14-FB-1) is bij de vormgeving van kavel Gamma-B rekening gehouden. Ook is rekening gehouden met voorziene mijnbouwactiviteiten. Gelet op de vigerende winningsvergunningen en de aanwezigheid van operationele en onontwikkelde gasvelden, zijn gesprekken gevoerd tussen het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en Tenaz Energy Netherlands om te bezien hoe een windpark in de kavel kan worden gecombineerd met mogelijke nieuwe mijnbouwactiviteiten onder de vigerende winningsvergunning in en rondom deze kavel. Door maatwerkafspraken tussen Tenaz Energy Netherlands en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, en de daaruit vloeiende aanpassingen in de verkaveling, blijven nieuwe mijnbouwactiviteiten in de kavel mogelijk. Om deze toekomstige mijnbouwplatforms en infrastructuur te kunnen realiseren zullen deze nog een vergunningenprocedure moeten doorlopen. Twee nieuwe onbemande mijnbouwplatforms zullen mogelijk in en nabij de kavel worden geplaatst. Ook zullen mogelijk een of meer nieuwe pijpleidingen worden gelegd om de mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms te verbinden met andere (nieuwe dan wel bestaande) mijnbouwplatform(s). Om de nieuwe mijnbouwactiviteiten mogelijk te maken en voldoende ruimte voor windenergie te behouden, is de verkaveling aangepast zoals in paragraaf 4.2 is aangegeven. Er is ruimte gereserveerd voor de veiligheidszone rondom de mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms en voor de bereikbaarheid van de bestaande en mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms. Het tracé inclusief de onderhoudszone van de mogelijke nieuwe pijpleiding(
  5. en)die de mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms met andere (nieuwe dan wel bestaande) mijnbouwplatforms gaat/gaan verbinden zal binnen de zone(
  6. s)vallen die is/zijn gereserveerd voor de bereikbaarheid van de platform(s). De aanleg, het onderhoud en de verwijdering van het windpark en mijnbouwactiviteiten kunnen elkaar beïnvloeden. Het is aan de vergunninghouder van het windpark om de werkzaamheden in de kavel waar relevant af te stemmen met de vergunninghouder van de eventuele mijnbouwactiviteit. Hierbij valt te denken aan afstemming over helikopteroperaties, vaarbewegingen, bouwperiodes en het kruisen van leidingen met inter-array-kabels (of andersom) aangezien een deel van die inter-array-kabels bestaande en mogelijk nieuwe pijpleidingen zullen moeten kruisen om het TenneT-platform te bereiken. Dit komt ook terug in paragraaf 6.9. Eventuele gevolgen voor beide activiteiten kunnen worden beperkt door een goede afstemming tussen de vergunninghouders van beide activiteiten. Met de ruimtereserveringen voor de mogelijk toekomstige mijnbouwactiviteiten, vormt het windpark in kavel Gamma-B van windenergiegebied IJmuiden Ver geen onaanvaardbaar obstakel voor de bestaande en thans voorziene nieuwe mijnbouwactiviteiten. Op 7 maart 202446Stcrt. 2024, nr. 6862. is een voorbereidingsbesluit genomen als bedoeld in artikel 9 van de Wet windenergie op zee. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een mijnbouwlocatieactiviteit te verrichten, in de zin van artikel 7.67, lid b, sub 3 van het Bal, in een gebied dat is aangewezen in een kavelbesluit of voorbereidingsbesluit. In besluitvorming over (eventuele) nieuwe winningen zal ingevolge artikel 8.5, lid 2, aanhef en onder c, van het Bkl rekening moeten worden gehouden met de aanwezigheid van een windpark. 6.4.4 Toelichting voorschriften Er zijn ten aanzien van de mogelijke nieuwe mijnbouwactiviteiten reserveringszones opgenomen. Er worden geen turbines geplaatst in deze reserveringszones. Dit is opgenomen in voorschrift 2, vierde en vijfde lid. Daarnaast geldt rondom de locaties van mogelijke nieuwe mijnbouwplatforms een reservering voor een toekomstige veiligheidszone van 500 meter waarbinnen de vergunninghouder geen turbines mag plaatsen en ook geen inter-array-kabels mag leggen. Dit is opgenomen in voorschrift 2, zesde lid en zevende lid. In voorschrift 2, tiende lid, is bepaald dat de Minister van Klimaat en Groene Groei kan instemmen met een eventueel verzoek van de vergunninghouder om af te wijken van een of meer van de beperkingen die zijn gesteld in voorschrift 2, vierde tot en met zevende lid, alsmede de daaraan gerelateerde beperkingen gesteld in het achtste lid, indien vaststaat dat de betreffende gebieden niet worden gebruikt voor de mijnbouwactiviteiten van Tenaz Energy Netherlands. Op deze wijze is geborgd dat meer ruimte van het windenergiegebied kan worden benut voor windenergie indien vaststaat dat de mijnbouwactiviteiten niet worden uitgevoerd. In de beoordeling van een eventueel verzoek zal de Minister van Klimaat en Groene Groei moeten vaststellen dat de mijnbouwactiviteiten geen doorgang zullen vinden. Dit is bijvoorbeeld het geval indien Tenaz Energy Netherlands zelf aangeeft dat het de activiteiten niet zal uitvoeren, of als het tijdvak van de winningsvergunning verstrijkt en deze niet wordt verlengd, of indien andere benodigde vergunningen voor de toekomstige mijnbouwactiviteiten niet worden verleend en die besluiten onherroepelijk zijn. Een dergelijk ‘instemmingsbesluit’ is een besluit waarop de reguliere procedure van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Tegen een instemmingsbesluit of een weigering daarvan staat, na bezwaar, beroep open bij de bestuursrechter voor belanghebbenden, zoals de vergunninghouder van het windpark en de houder van de winningsvergunning die de mijnbouwactiviteiten wil uitvoeren. De vergunninghouder van het windpark mag in beginsel geen bodemberoerende activiteiten verrichten in een straal van 150 meter rond een (buiten gebruik gesteld) boorgat in verband met de borging van de technische integriteit van een boorgatafsluiting. Dit is vastgelegd in voorschrift 4, elfde lid. Voorbeelden van bodemberoerende activiteiten zijn het leggen van kabels, het plaatsen van windturbines of andere installaties en het verankeren van werkschepen. Overdraai van rotorbladen is wel toegestaan. Hoewel boorgaten op grond van de Mijnbouwregeling effectief en duurzaam worden afgesloten, kan in een zeldzaam geval een lekkage voorkomen. In dat geval biedt de uitsluitingszone van 150 meter ook de mogelijkheid om een mobiel boorplatform per schip naar de boorgatlocatie te slepen. Vanwege de minimale onderlinge afstand tussen turbines, die gelijk is aan viermaal de rotordiameter, is er in de meeste richtingen, bezien van de locatie van een boorgat, meer ruimte beschikbaar dan het minimum van 150 meter. De afstand van 150 meter van een boorgat, waarbinnen geen bodemberoering mag plaatsvinden door de vergunninghouder van het windpark, wijkt zekerheidshalve af van de in het ontwerpkavelbesluit gehanteerde afstand van 100 meter. Hiermee ontstaat meer ruimte voor de uitvoering van eventuele herstelwerkzaamheden per schip of mobiel platform.47Vanwege de specifieke ruimtelijke eisen die gelden voor helikopteroperaties zal bij zeldzame herstelwerkzaamheden van een boorgat naar verwachting geen gebruik kunnen worden gemaakt van helikopters. Bij eventuele herstelwerkzaamheden is niet uitgesloten dat een mobiel boorplatform op kortere afstand van een turbine wordt gepositioneerd of schepen nabij een windturbine moeten manoeuvreren. Dit kan noodzakelijk zijn om herstelwerkzaamheden goed uit te kunnen voeren. Gelet hierop, kan de vergunninghouder in het ontwerp van het windpark uiteraard op basis van een eigen afweging uit voorzorg een grotere afstand dan 150 meter hanteren tussen de onderdelen van het windpark en het afgesloten boorgat. Indien een boorgat redelijkerwijs niet met een afstand van 150 meter gemeden kan worden door de vergunninghouder van het windpark, dient voorafgaand aan de bodemberoerende werkzaamheden een nader onderzoek te worden uitgevoerd om aan te tonen dat geen veiligheidsrisico’s kunnen optreden. Daarnaast moet instemming zijn verkregen van de beheerder van het betreffende boorgat. Dit is opgenomen in voorschrift 4, elfde lid. Om eventuele hinder voor uitvoerders

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.