← Nederland

Car-Uwo gemeente Asten 2017 (Asten)

In het kort

Deze regeling, genaamd "Car-Uwo gemeente Asten 2017 met lokaal beleid", stelt de arbeidsvoorwaarden vast voor ambtenaren die werkzaam zijn bij de gemeente Asten. Het omvat algemene bepalingen en definities die van toepassing zijn op het dienstverband.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Car-Uwo gemeente Asten 2017Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Asten; gelet op: de instemming van de ondernemingsraad van Asten op 8 februari 2017; BESLUIT: De Car-Uwo 2017 met lokaal beleid vast te stellen. Deze regeling treedt in werking de eerste dag na bekendmaking en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2017. Deze regeling kan worden aangehaald als “Car-Uwo gemeente Asten 2017 met lokaal beleid” . Algemene bepalingen 1 ALGEMENE BEPALINGEN Begripsomschrijvingen Artikel 1:1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder: ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; functie: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1; pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; vervallen; arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; dienstverband: een aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst; overwerk: werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; uurloon: 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een volledig dienstverband herberekende - salaris van de ambtenaar per maand; Zvw: de Zorgverzekeringswet CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; UWO: Uitwerkingsovereenkomst; Vervallen; Vervallen; LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; Wazo: Wet arbeid en zorg; SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; WPA: de Wet privatisering ABP; Vervallen; vervallen; volledig dienstverband: een dienstverband waarvan de arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een deeltijd dienstverband bedraagt de arbeidsduur minder dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur minder dan 36 uur per week ZW: de Ziektewet; ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. Salaris: maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens formele arbeidsduur. Salaristoelagen: de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend. Deze werden tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging gerekend. Voor de medewerker in dienst vóór 1 januari 2016, geldt de Toelage Overgangsrecht (TOR) op grond van hoofdstuk 3 paragraaf 6, ook als een salaristoelage; Functieschaal: de salarisschaal die bij een functie hoort; Periodiek: het maandbedrag in een salarisschaal; Salarisschaal: een reeks maandbedragen als opgenomen in de bijlage bijdit hoofdstuk; Achterblijvende Partner: weduwe, weduwnaar, geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar. Vakantietoelage: jaarlijkse toelage van 8% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), hetgeen met ingang van 1 januari 2017 een vast onderdeel van het Individueel Keuze Budget vormt. Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd. Geen ambtenaar Artikel 1:2 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening; de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg. Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist is in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad. Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing. Artikel 1:2:1 Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26, en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing. Artikel 1:2a Stageplaats Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een stage-overeenkomst. Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4. De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de duur afhankelijk is van de leerdoelen van de stagiair. De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding. Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald. De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP. Artikel 1:2a:1 Lokaal beleid Namens het college wordt een stagebegeleider aangewezen. De stagebegeleider heeft onder andere als taken: de kennismaking van de stagiair met de organisatie, het aangeven van een concreet takenpakket, tussentijdse werkbesprekingen, het beschikbaar stellen van informatie voor studieopdrachten en het beoordelen van de stagiair. Ook draagt de stagebegeleider praktische kennis en vaardigheden over op de deelnemer conform de eindtermen van de desbetreffende (deel)kwalificatie. Er moet in onderling overleg tussen de stagebegeleider van de organisatie en de begeleider van de onderwijsinstelling vastgelegd worden: hoe de stagiair wordt begeleid; hoe de onderlinge afstemming plaatsvindt; hoe de evaluatie wordt geregeld. Dit alles wordt vastgelegd in een stageovereenkomst, die veelal door de onderwijsinstelling wordt aangeleverd. Artikel 1:2a:2 Lokaal beleid De hoogte van de stagevergoeding bedraagt: maximaal € 50,00 in de vorm van een attentie bij snuffelstages (afhankelijk van periode en prestatie) dit ter beoordeling van de leidinggevende. € 75, - bruto per maand voor een 1e en 2e jaars student op Mbo-niveau voor een fulltime dienstverband. € 125, - bruto per maand voor een 3e en 4e jaars student op Mbo-niveau voor een fulltime dienstverband. € 250, - bruto per maand voor een student op Bachelor en/of Master-niveau voor een fulltime dienstverband. Deeltijdstages krijgen een vergoeding naar rato. Het college kan in incidentele gevallen afwijken wanneer de vergoeding in de gegeven situatie niet redelijk of billijk lijkt. Artikel 1:2b Werkervaringsplaats Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervaringsplaats aanbieden op basis van een werkervaringsovereenkomst. Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4. De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, voor een periode van maximaal 6 maanden. De werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal 6 maanden. De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de medewerker waarbij het leerproces van de medewerker centraal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding. Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald. De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP. Artikel 1:2b:1 Lokaal beleid Een werkervaringsplaats is bedoeld voor het opdoen van werkervaring met behoud van een eventuele uitkering sociale verzekeringswetten. Mogelijke verstoring van de concurrentieverhoudingen of mogelijke verdringing van reguliere arbeid kan een reden zijn om een verzoek af te wijzen. Het college wijst een begeleider aan. In een overeenkomst wordt tenminste vastgelegd: het doel van de werkervaringsplaats, het aantal uren per week dat de activiteiten worden verricht, wat deze activiteiten inhouden en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Betrokkene ontvangt desgewenst een onkostenvergoeding van € 4,50 per uur tot maximaal € 150,- per maand, , tot maximaal € 1500,- per jaar overeenkomstig de maximaal vrijgestelde vrijwilligersvergoeding. op 1:2b:1:e Betrokkene kan afzien van de vergoeding. Een vergoeding van eventuele andere onkosten zoals reiskosten, wordt fiscaal gezien, opgeteld bij de algemene onkostenvergoeding. Tezamen kan de maandelijkse vergoeding nooit meer dan € 150,- bedragen en jaarlijks kan de vergoeding nooit meer dan € 1500,- zijn. Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage van het salaris lager dan het wettelijk minimumloon, dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon. Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 1 gelden niet de in artikel 3:28 lid 2, onderdelen a , b en c genoemde minimumbedragen. Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 2 gelden als minimumbedragen, de bedragen genoemd in artikel 3:28 lid 2, onderdelen a, b en c naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor. Indien het college voor de in lid 2 genoemde ambtenaar loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen. Artikel 1:2c:1 Lokaal beleid Het college van de gemeente Asten stelt salarisschaal A vast voor de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Schaal A is een aparte schaal, die alleen geldt voor deze doelgroep. De laagste periodiek is het wettelijk minimumloon. De hoogste periodiek is 120% van het wettelijk minimumloon. Het LOGA past schaal A één keer per jaar, op 1 januari, aan het wettelijk minimumloon aan. Schaal A staat niet in de salaristabel in CAR-UWO bijlage IIA. Schaal A staat in plaats daarvan op de webpagina car-uwo.nl. Als een medewerker onder schaal A valt, gelden niet de minimale bedragen voor de vakantietoelage, eindejaarsuitkering en levensloopbijdrage. NB. Schaal A is gebaseerd op het wettelijk minimumloon. Dit geldt ook voor medewerkers onder de 23 jaar — voor deze groep geldt dus niét het jeugd-WML. Na eventuele aanvullende besluitvorming door het college is het mogelijk om voor de Wajonger bij uitzondering de functieschaal te hanteren en een loonwaardemeting aan te vragen. Zie: http://caruwo.nl/onderwerpenindex/banenafspraak#Schaal_A per 1-1-2016 A 0 1.524,60 1 1.552,32 2 1.580,04 3 1.607,76 4 1.635,48 5 1.663,20 6 1.690,02 7 1.718,64 8 1.746,36 9 1.774,08 10 1.801,80 11 1829,52 Toepassing Artikel 1:3 De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze. Artikel 1:3a Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. Voorschriften en instructies Artikel 1:4:1 Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Uitreiking van CAR en UWO Artikel 1:4:2 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in her vorige lid bedoelde stukken: de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt. Artikel 1:4:3 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen. Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. Voordragen van belangen Artikel 1:4:4 De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen. Omvang van de betrekking Artikel 1:5 Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd. Vrijstelling Artikel 1:6 In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstuk 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van even genoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is. De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. Artikel 1.7 Lokaal beleid inzake elektronische berichtgeving 1. Salarisstroken en de jaaropgave aan de ambtenaar zijn elektronisch te raadplegen in het door het college bekend te maken loket. 2. De salarisstrook en de jaaropgave worden schriftelijk toegezonden: als de ambtenaar geen mogelijkheid heeft om kennis te nemen van een elektronisch bericht; bij ontslag of overlijden van de ambtenaar; op verzoek van de ambtenaar in het geval deze een zwaarwegend belang heeft bij incidentele verzending op andere wijze. De salarisstrook wordt niet elektronisch verzonden als de medewerker bijvoorbeeld geen beschikking heeft over een computer of als de medewerker vanwege ziekte niet in staat is de strook te raadplegen. Ook vanwege de gevoeligheid van de situatie kan ervoor worden gekozen de salarisstrook te overhandigen of per post te verzenden. De medewerker dient dit verzoek schriftelijk en met redenen omkleed te doen. Bestuurlijke achtergrond Sinds juni 2011 is in artikel 125, sub n van de Ambtenarenwet een bepaling opgenomen dat het uitsluitend elektronisch verzenden van rechtspositionele besluiten mogelijk maakt als daarvoor een regeling in de rechtspositieregeling is opgenomen. 2 AANSTELLING EN ARBEIDSOVEREENKOMST Aanstelling: het bevoegd gezag Artikel 2:1 Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college. Aanstelling in algemene dienst Artikel 2:1A De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van dit artikel. De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van de gemeente. Artikel 2:1A:1 Regeling aanstelling in algemene dienst gemeente Asten Medewerkers in algemene dienst zijn in principe inzetbaar binnen de gehele organisatie op passende structurele en -tijdelijke functies en op projecten met passende werkzaamheden. Gesprekken over de inzetbaarheid van de medewerker binnen de gemeentelijke organisatie worden gevoerd binnen het kader van de Jaarplancyclus. De afdeling P&O ondersteunt de leidinggevende en de medewerker bij het opstellen en het realiseren van een loopbaanplan. Medewerkers die zich willen oriënteren op een vervolgfunctie, worden in de gelegenheid gesteld een loopbaantest conform het gestelde in de artikelen 17:5 en 17:5:1 af te leggen. Medewerkers in algemene dienst die in overleg met hun leidinggevende een loopbaanplan hebben opgesteld, hebben na herplaatsingskandidaten (als gevolg van reorganisatie of arbeidsongeschiktheid) een voorkeurspositie bij het vervullen van vacatures, mits zij voldoen aan de functie-eisen. In die gevallen waarin (de toepassing van) deze regeling voor de medewerker onbedoeld tot een onbillijke of onredelijke situatie leidt, kan het College van deze regeling afwijken. Artikel 2:1B De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de ambtenaar verplicht om: a. tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen; b. tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden; c. beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken. 3.Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt. Aanstelling: onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid Artikel 2:2 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. Artikel 2:2:1 Lokaal beleid Indiensttreding bij de gemeente Asten geschiedt onder voorbehoud van het inleveren van een actuele, positieve, Verklaring omtrent gedrag (VOG). Als geen positieve VOG kan worden ingeleverd dan komt de aanstelling niet tot stand. lokaal beleid Stagiaires en uitzendkrachten ondertekenen een geheimhoudingsovereenkomst. Als de uitzendkracht op een gevoelige en/of sleutelpositie wordt geplaatst wordt een VOG gevraagd. Payroll-krachten en ambtenaren met een tijdelijke aanstelling worden altijd om een VOG gevraagd. Aanstelling: geneeskundig onderzoek Artikel 2:3 Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. Duur van de aanstelling Artikel 2:4 De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd. Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang van die dag als een aanstelling voor onbepaalde tijd. Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden, geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde tijd. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. Bericht van aanstelling Artikel 2:4:1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993,635); de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar; de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; in een aanstelling bij wijze van proef; voor een project met een eenmalig en uniek karakter; hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; als vakantiekracht; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen; als werkzoekende in tijdelijke dienst. Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld. De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos. Vacatures Artikel 2:4:2 De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet. Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. Arbeidsovereenkomst Artikel 2:5 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten. Artikel 2:5:1 Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing. Minimum-urengarantie bij oproepkrachten Artikel 2:5:2 De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt. Inhoud oproepovereenkomst Artikel 2:5:3 De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13. Betaling bij ziekte van de oproepkracht Artikel 2:5:4 De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende salaristoelage(

  1. n)van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2. Het salaris en de toegekende salaristoelage(
  2. n)tezamen vermeerderd met 8%, worden uitgedrukt in een bedrag per uur. Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht. Overgangsrecht Artikel 2:6 Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling. Aanpassing arbeidsduur Artikel 2:7 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht op de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie. Artikel 2:7a Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat: - de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; - het salaris evenredig wordt verhoogd; - de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; - de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; - het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, evenredig wordt verhoogd; - het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel b evenredig wordt verhoogd; - instemming van de ambtenaar is vereist; - de verkoop van vakantieuren op grond van artikel 3:36 voor de duur van de verruiming niet is toegestaan. Wanneer lid 1 van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. 3 SALARIS, VERGOEDINGEN, TOELAGEN EN UITKERINGEN § 1 Algemene bepalingen Artikel 3:1 Functies en functiewaardering Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed. Elke functie wordt beschreven op basis van een functiewaarderingssysteem. Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op basis van een functiewaarderingssysteem. Artikel 3:1:1 Lokaal beleid Het college maakt gebruik van het sectorale functiewaarderingssysteem HR21. De gekozen normfuncties uit het systeem zijn vastgelegd in de gemeentelijke functiematrix. Het college stelt een procedureregeling op waarin staat hoe functies worden bepaald, gewijzigd en/of gewaardeerd. Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofdstuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten. De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en de uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling anders is bepaald. Artikel 3:2:1 Lokaal beleid Wanneer het salaris of een salaristoelage moet worden berekend over een gedeelte van de maand, dan wordt het bedrag vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal kalenderdagen van die maand. Het salaris en de salaristoelagen van een ambtenaar met een parttime aanstelling wordt vastgesteld op een evenredig van het salaris en salaristoelagen dat voor de ambtenaar zou gelden bij een fulltime aanstelling (36 uur per week). § 2 Salaris Artikel 3:3 Vaststelling salaris Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de functieschaal. Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de functieschaal worden vastgesteld. Artikel 3:3:1 Lokaal beleid Als een medewerker niet voldoet aan de voor de op basis van de voor de functie gestelde eisen op het gebied van opleiding, ervaring en bekwaamheid wordt de aanloopschaal toegepast. Toetsing van het voldoen aan de voor functie geldende eisen gebeurt tijdens een beoordelingsgesprek. Een medewerker die is ingepast in de aanloopschaal heeft minimaal jaarlijks een beoordelingsgesprek om vast te stellen of het functioneren voldoet aan de gestelde eisen. Zo lang een medewerker niet voldoet aan de gestelde eisen blijft de medewerker in de aanloopschaal. Artikel 3:4 Salarisverhoging Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: de ambtenaar functioneert voldoende; de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet bereikt; er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie. Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen. Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging toekennen. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum vaststellen. Artikel 3:4:1 Lokaal beleid Het salaris van de ambtenaar die voldoende functioneert, wordt binnen de voor hem geldende salarisschaal periodiek verhoogd tot het naast hogere bedrag (eerstvolgende periodiek in de voor de ambtenaar geldende schaal is bereikt tot het maximum is bereikt). De periodieke verhoging wordt voor de eerste maal toegekend in de maand waarin zijn aanstelling 1 jaar is verstreken en nadien telkens na 1 jaar. Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een grond aanwezig is. In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het salaris. In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het salaris. In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal plan of sociaal statuut. Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris. Artikel 3:6:1 Lokaal Beleid Bij inpassing in een hogere functieschaal gaat de ambtenaar er tenminste 75% van één periodiek uit de oude voor hem geldende schaal op vooruit (met als maximum de hoogste periodiek in de nieuwe schaal). Artikel 3:7 Uitloopschaal Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal. Artikel 3.7.1 Lokaal beleid Asten hanteert geen uitloopschalen. § 3 Salaristoelagen Artikel 3:8 Functioneringstoelage Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage toekennen. De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze opnieuw worden toegekend. De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris. Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan personeel De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld, met een maximum van 3 jaar. De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris. Artikel 3:10 Waarnemingstoelage Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen functie. Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij de start van de waarneming in de hogere schaal zou zijn ingedeeld. Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid toegekend. Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst 1.De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week: • maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20% • maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur: 40% • zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% • zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65% Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 6. De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt. Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel 3:18) worden uitbetaald. Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op een buitendagvenstertoelage. De buitendagvenstertoelage bedraagt: • 50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur; • 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag; • 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid. 3.De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaarheidsdienst. De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid. Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 7. Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke arbeid. Artikel 3:14:1 Lokaal beleid De toelage bedraagt € 300 bruto per jaar voor de fulltimer waarin niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke arbeid moet worden verricht. De toelage wordt toegekend aan medewerkers in schaal 5 of lager werkzaam in uitvoerende functies. Onder niet vermijdbaar zwaar, onaangenaam of gevaarlijk werk wordt in ieder geval verstaan: –werken langs de openbare weg; –werken met bestrijdingsmiddelen (rupsenbestrijding); – werken met maaigereedschap, in het bijzonder bosmaaiers (handmaaiers); – werken aan bestaande riolen (door rioolverstoppingen contact met faecaliën); –werken in ruimten met mogelijk draaiende delen (rioolpompputten); –werken zonder schuilmogelijkheid tijdens slechte weersomstandigheden. d.Het college kan andere werkzaamheden dan hierboven genoemd aanwijzen. Artikel 3:15 Garantietoelage Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen. Artikel 3:16 Afbouwtoelage 1.De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien • hij de toelage(
  3. n)zonder onderbreking van meer dan twee maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én • met de verlaging of beëindiging van de toelage(
  4. n)een bedrag is gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris. 2.Het eerste lid is niet van toepassing: • op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d of 9e) van toepassing is, of • indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een sociaal plan. De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen bedrag. Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(
  5. n)aan wisselingen onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande 12 maanden. Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging. § 4 Overige vergoedingen en uitkeringen Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht. De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar. Artikel 3:17:1 Lokaal beleidBHV, EHBO en interventieteam Indien de ambtenaar die door het college van de gemeente Asten als BHV’er of EHBO’er is benoemd, langer dan zes weken aaneengesloten niet aanwezig is, komt hij naar rato van de wel aanwezige tijd voor de vergoeding in aanmerking. Indien de ambtenaar, als bedoeld onder a., een gedeelte van het jaar niet over de vereiste kwalificaties beschikt, dan komt hij naar rato van de tijd dat hij wel over de vereiste kwalificaties beschikt in aanmerking voor de vergoeding. Artikel 3:18 Overwerkvergoeding De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald. De overwerkvergoeding bestaat uit: verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar: • 100% voor overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur; • 75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur; • 75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur; • 50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur; • 50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur; • 25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur. Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede lid onder b. De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een overwerkvergoeding. De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding. Artikel 3:19 Ambtsjubileum Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever. Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(
  6. n)over de maand van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(
  7. n)over de maand van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%. Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:3 of 8:4 CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de maatgevende maand aangemerkt. Artikel 3:19:1 Lokaal beleid De invoering van hoofdstuk 3 per 1-1-2016 betekent dat er voor een groep medewerkers overgangsrecht ontstaat in relatie tot het ambtsjubileum. De gemeente Asten kent voor medewerkers die voor 1 januari 1995 in dienst zijn getreden een ruimere toepassing van de CAR/UWO. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht hebben op een ambtsjubileumgratificatie, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de lokale regeling die op 31 december 2015 gold. De regeling is als volgt: “Wanneer een 25 respectievelijk 40 –en 50 jarige diensttijd in dienst van de gemeente zijn doorgebracht, wordt een gratificatie toegekend, gelijk aan het dubbele bedrag, berekend overeenkomstig lid 1 (artikel 3:5:1 CAR/UWO). Bij niet samenvallen van dit jubileum wegens dezelfde diensttijd bij de overheid, zal op de gratificaties, toe te kennen wegens ambtsjubileum bij de gemeente, in mindering worden gebracht, de gratificatie toegekend wegens eenzelfde diensttijd bij de overheid”. Oud: artikel 3:5:1 car-uwo “Artikel 3:5:1 Ambtsjubileumgratificatie 1. Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met de helft van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt. Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen: a. op grond van artikel 8:3 ; b. op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; c. op grond van artikel 8:10 of 8:11 indien en voorzover het een volledig ontslag betreft; en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend. Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. 2. Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend.” Deze regeling, evenals een uitdraai van CAR/UWO artikel 3:5:1, wordt als bijlage toegevoegd bij de vaststelling van hoofdstuk 3. Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere prestaties. Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding. Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse tarief. Artikel 3:21:1 Lokaal beleid Regeling dienstreizen en verblijfskosten 3:21:1:1 Begripsomschrijving a.Dienstreis: een reis ten behoeve van het werk en met goedkeuring of op verzoek van de leidinggevende, anders dan woon-werkverkeer; Studiereis: een dienstreis ten behoeve van het volgen van een opleiding/studie conform een afgesloten studieovereenkomst; Reisafstand: de door het systeem te genereren aantal kilometers als gevolg van het invoeren van vertrekpunt en eindbestemming op basis van postcodes; Reisregeling Binnenland: de door de minister van Binnenlandse Zaken opgestelde regeling ten behoeve van het rijkspersoneel. 3:21:1:2 Algemene bepalingen De medewerker vraagt vóór het maken van een dienstreis of studiereis toestemming aan zijn leidinggevende. De medewerker en de leidinggevende zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de meest doelmatige wijze van vervoer naar de bestemming. Daarbij dient rekening te worden gehouden met: -reistijd (zo min mogelijk verlies van productieve uren); -reiskosten; -eventuele samen-reis-mogelijkheid; -beschikbaarheid dienstauto; - de voorkeur tot gebruik van openbaar vervoer (gemeentelijke openbaar vervoerskaart). De declaratie van reis- en verblijfkosten vindt onder overlegging van originele bewijsstukken, zo spoedig mogelijk plaats, maar uiterlijk binnen 3 maanden volgend op de maand waarin de kosten gemaakt zijn. Uitbetaling van geaccordeerde reis-en verblijfskostendeclaraties vindt binnen 2 maanden plaats tezamen met de salarisverwerking. Verkeersovertredingen worden niet aangemerkt als reiskosten. De leidinggevende kan met de medewerker periodieke afspraken maken over dienstreizen of studiereizen (denk aan frequentie en vervoermiddel). 3:21:1:3 Vergoeding reiskosten dienstreis Indien gereisd wordt met eigen vervoer: € 0,28 netto per kilometer. Parkeer, stalling- en brug/pontgelden maken onderdeel uit van de vergoeding per kilometer en worden niet afzonderlijk vergoed. Aanvullend op de vergoeding genoemd onder lid a., omdat deze niet toereikend wordt geacht ter compensatie van slijtage en onderhoud, ontvangen Handhavers een autokostenvergoeding van € 30,- netto per maand. 3:21:1:4 Vergoeding reiskosten bij studie Indien gereisd wordt met eigen vervoer: € 0,19 netto per kilometer. Parkeer, stalling- en brug/pontgelden maken onderdeel uit van de vergoeding per kilometer en worden niet afzonderlijk vergoed. 3:21:1:5 Vergoeding verblijfkosten De Reisregeling binnenland artikel 5 geeft het kader en het maximum aan waarbinnen de naar oordeel van de leidinggevende akkoord bevonden werkelijke verblijfskosten voor kleine uitgaven overdag en ’s avonds, maaltijden en overnachting vergoed worden. Uitbetaling vindt plaats onder overlegging van bewijsstukken. Tenzij sprake is van overmacht, wordt door de medewerker vooraf toestemming gevraagd aan de leidinggevende voor de te maken kosten in verband met een overnachting. 3:21:1:6 Buitenlandse reizen De onkosten van een buitenlandse reis worden alleen vergoed als voorafgaand aan de reis het college toestemming heeft verleend voor de reis. Het college neemt een afzonderlijk besluit over de kosten die vergoed worden en de maximale hoogte van de kostenvergoeding. 3:21:1:7 Fiscale voorschriften Wijzigingen in de fiscale voorschriften werken onverkort door in de uitvoering van deze regeling wanneer dat nodig is om naheffing en boete te vermijden. 3:21:1:8 Onvoorziene gevallen In gevallen waarin de Regeling dienstreizen en verblijfkosten niet of niet in redelijkheid voorziet, kan het college afwijkend beslissen. Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer toekennen. Artikel 3:22:1 Lokaal beleid De gemeente Asten kent geen vergoeding woon-werkverkeer. Een tweede of volgende maal woonwerkverkeer op één werkdag in verband met een oproep/alarmering kan gedeclareerd worden als dienstreis. Zo lang het fiscale regime toestaat dat de fiscale uitruilmogelijkheid van een bruto salarisonderdeel (eindejaarsuitkering en/of vakantietoelage) mogelijk is zal deze fiscale mogelijkheid worden toegepast. Artikel 3:23 Overlijdensuitkering Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de ambtenaar. Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen — een overlijdensuitkering, die bestaat uit driemaal het laatst genoten salaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%. Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige kinderen. De uitkering bedraagt één jaarsalaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden. Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid genoemde uitkering. Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag) De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of Extra Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn Keuze 4 bij Zilveren Kruis Achmea heeft, heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten. De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december uitbetaald. Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten. Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering (niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en Den Haag) De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar. De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6. De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest. De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest. §5 Individueel keuzebudget Artikel 3:27 Algemeen De ambtenaar heeft recht op een Individueel Keuzebudget, hierna te noemen: IKB. Het college is beheerder van het IKB. Het IKB is een maandelijks, in geld uitgedrukt budget dat de ambtenaar naar keuze kan gebruiken voor de doelen genoemd in artikel 3:29, op de wijze zoals vastgelegd is in deze paragraaf. Artikel 3:28 Opbouw IKB Het IKB wordt per maand opgebouwd en bestaat uit een deel waarover pensioen wordt opgebouwd en een deel waarover geen pensioen wordt opgebouwd. Het deel van het IKB waarover pensioen wordt opgebouwd bedraagt: 8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris vermeerderd met de salaristoelagen genoemd in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en 6% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 145,83 bij een volledig dienstverband, en 1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig dienstverband. Het deel van het IKB waarover geen pensioen wordt opgebouwd bedraagt: 0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, en indien en voor zolang hoofdstuk 9a van toepassing is op de ambtenaar, 1% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit voor maximaal 20 jaar geldt, tenzij artikel 9a:9 lid 1, onderdeel b van toepassing is. Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(
  8. n)gedeeltelijk zijn uitbetaald dan wordt het IKB in die maand berekend op basis van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde salaristoelage(n). Ontvangt de ambtenaar in een maand geen salaris dan wordt in die maand geen IKB opgebouwd. Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(
  9. n)gedeeltelijk zijn uitbetaald op grond van artikel 7:3 lid 2 tot en met 4 dan wordt, in afwijking van lid 4 van dit artikel, het IKB in die maand berekend op basis van het volledige salaris en toegekende salaristoelage(n). Het college kan bronnen toevoegen aan het IKB. Een bron kan zijn een persoonlijk budget, voor zover dat in de gemeente bestaat en niet is opgenomen in de TOR zoals omschreven in paragraaf 7 van hoofdstuk 3. Op de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:1 is lid 2, onderdeel c van dit artikel niet van toepassing. De vorige volzin geldt niet voor de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:50. Artikel 3:28:1 Lokaal beleid IKB bronnen De gemeente Asten kent een persoonsgebonden budget van € 500 voor de fulltimer. Het persoonsgebonden budget wordt naar rato van de aanstellingsomvang, toegekend en als bron aan het IKB toegevoegd. Tijdelijke urenuitbreiding of –vermindering met een bepaalde einddatum, heeft geen invloed op de hoogte van het persoonsgebonden budget. Per maand wordt 1/12 e deel van het persoonsgebonden budget opgebouwd in het IKB. Jaarlijks kan de hierboven genoemde lokale bron en de lokale bestedingen zoals genoemd in artikel 3:29:1 geëvalueerd worden teneinde te besluiten tot wijziging. Artikel 3:29 Doelen IKB De ambtenaar kan het IKB gebruiken voor: het kopen van vakantie-uren, tot een maximum van vier maal de aanstellingsduur per week gedurende het kalenderjaar; extra inkomen door uitbetaling van het IKB tot een maximum van het tot aan de datum van uitbetaling opgebouwde IKB; het financieren van een opleiding, indien en voor zover deze niet door de gemeente wordt vergoed en de geldende fiscale regelgeving de besteding van het IKB aan dit doel belastingvrij mogelijk maakt. Het college kan de bestedingsdoelen zoals omschreven in lid 1 aanvullen. Artikel 3:29:1 Lokaal beleid doelen IKB De gemeente Asten heeft de volgende lokale bestedingsdoelen: Vakbondscontributie tot een maximum van € 200 per jaar fiscaal vrijgesteld doordat de werkgever vrije ruimte onder de werkkostenregeling hiervoor ter beschikking stelt. Voor start van de besteding wordt een bewijsstuk ingeleverd. Eenmaal in de drie jaar een fiets met eventueel accessoires en verzekering voor woon-werkverkeer tot een maximum van € 750 fiscaal vrijgesteld doordat de werkgever vrije ruimte onder de werkkostenregeling hiervoor ter beschikking stelt. De medewerker dient te verklaren dat hij de fiets op meer dan de helft van zijn werkdagen gebruikt. Gebruik voor woon-werkverkeer wordt aannemelijk geacht indien de woonwerkafstand 15 kilometer of minder bedraagt. Jaarlijks kunnen 15 medewerkers deelnemen. Voor start van de besteding wordt een bewijsstuk (factuur en betalingsbewijs) ingeleverd. Vergoeding woon-werkverkeer. Voor zover de medewerker geen vergoeding woon-werkverkeer van de werkgever ontvangen heeft, kan de medewerker zijn IKB besteden aan een vergoeding woon-werkverkeer. De vergoeding bedraagt € 0,19 per kilometer voor maximaal 214 reisdagen per jaar voor degene die op 5 dagen werkt. Voor het sparen in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling zoals vermeld in hoofdstuk 6a. De medewerker overlegt de onderliggende levensloop-overeenkomst voor inleg op zijn levenslooprekening of –verzekering. Waarna de gemeente uit zijn IKB de inleg overmaakt. ABP Extra pensioen voor zover de medewerker over voldoende fiscale ruimte beschikt. De medewerker overlegt een verklaring van de fiscale ruimte van het ABP. Waarna de gemeente uit zijn IKB de inleg overmaakt. Wijzigingen in de fiscale voorschriften werken direct en onverkort door in het lokale beleid, zie daarvoor ook artikel 3:33. Artikel 3:30 De ambtenaar kan elke maand een keuze maken om zijn IKB te gebruiken voor een of meerdere van de in artikel 3:29 genoemde doelen. Hij heeft voor deze keuze geen toestemming nodig. Het college wijst in verband met de salarisverwerking voor elke maand een uiterste datum aan waarop de ambtenaar zijn keuze kenbaar moet maken. Als de ambtenaar geen keuze maakt, of bij zijn keuze slechts een deel van zijn IKB gebruikt, dan wordt het IKB over die maand, of het resterende deel daarvan, gereserveerd. De ambtenaar kan het gereserveerde IKB op een later moment in het lopende kalenderjaar besteden. Heeft de ambtenaar na de sluitingsdatum van de salarisverwerking in december nog een resterend IKB dan wordt dit bij de salarisbetaling van die maand uitbetaald. Besteding van het IKB kan alleen voor zover het beschikbare budget toereikend is. De keuze voor een doel heeft uitsluitend betrekking op hetzelfde kalenderjaar. Bedragen die uit het IKB zijn gebruikt, kunnen niet meer worden teruggestort in het IKB. Artikel 3:31 Waarde van een vakantie-uur Als de ambtenaar kiest voor het kopen van vakantie-uren dan wordt het IKB per vakantie-uur verlaagd met het voor de ambtenaar geldende uurloon in de maand waarin hij de vakantie-uren koopt. Artikel 3:32 Uitbetaling IKB bij einde dienstverband Bij beëindiging van het dienstverband wordt het resterende IKB bij de laatste salarisbetaling aan de ambtenaar uitbetaald. Bij overlijden van de ambtenaar wordt in aanvulling op de overlijdensuitkering het resterende IKB uitbetaald aan de nagelaten betrekkingen zoals omschreven in artikel 3:23, lid 2 en 3. Artikel 3:33 Wet- en regelgeving Het gebruik van het IKB kan gevolgen hebben voor loonheffingen, pensioen en sociale verzekeringen. De ambtenaar wordt geacht deze gevolgen te kennen. Als blijkt dat een bedrag uit het IKB ten onrechte belastingvrij is uitgekeerd doordat de ambtenaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, verhaalt het college de verschuldigde loonheffing of eventuele boetes op de ambtenaar. Als een netto voordeel voor de ambtenaar vervalt door wijzigingen van wet- en regelgeving dan wordt dat niet gecompenseerd door het college. Alle transacties in het IKB moeten in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving. Artikel 3:34 Vakantietoelage 2016 De vakantietoelage die de ambtenaar heeft opgebouwd in de periode van juni 2016 tot en met december 2016 op grond van artikel 6:3 zoals dat gold op 31 december 2016 wordt uitbetaald bij de salarisbetaling van mei 2017. Dit bedrag maakt geen onderdeel uit van het IKB. Indien de ambtenaar ontslag verleend wordt voor 1 mei 2017 dan wordt de opgebouwde vakantietoelage over 2016 uitbetaald bij de laatste salarisbetaling. Artikel 3:35 Overige bepalingen Voor de ambtenaar die werkzaam is in de kunsteducatie en op wie artikel 19b:10 van toepassing is, is artikel 3:28, lid 3, niet van toepassing. § 6 Overige individuele keuzemogelijkheden Artikel 3:36 Verkoop van vakantie-uren De ambtenaar kan elk kalenderjaar een verzoek doen om ten hoogste 72 uren bovenwettelijk vakantieverlof te verkopen. Bij een deeltijd dienstverband wordt dit aantal naar rato vastgesteld. Vakantie-uren die de ambtenaar heeft gekocht op grond van artikel 3:29 lid 1, sub a kunnen niet worden verkocht op grond van dit artikel. Een verzoek als bedoeld in lid 1 wordt toegewezen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Het college kan regels stellen over de aanvraagprocedure. Het bepaalde in artikel 3:31 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3:36:1 Lokaal beleid De medewerker van de gemeente Asten kan maximaal twee keer per jaar een verzoek tot verkoop indienen middels een aanvraagformulier. §7 Overgangsrecht Artikel 3:37 Overgangsrecht hoofdstuk 3 met toelichting per 1 januari 2016 Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend. Lokale financiële arbeidsvoorwaarden die op al het personeel binnen een gemeente worden toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling, vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze omgezet in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 1. Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere relevante factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald: hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang geldende regels voor toelagen/vergoedingen hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe systematiek. Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2. Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de loonontwikkelingen. Er zijn geen anticumulatiebepalingen. Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december. De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar. Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd. Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de toelage overgangsrecht H3 naar rato. Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen effect. Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of betaling in termijnen gemaakt worden. Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zouden hebben op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3. 4 VAKANTIE EN VERLOF Artikel 4:1 Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. § 1. Standaardregeling voor de werktijden Artikel 4:2 U201300476 De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster. Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur. De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken. over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar. Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat: hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het college; de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven; de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken. Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijden aangepast worden. De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden. Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof. de ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12 . Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing. Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk. Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in artikel 3:12 . Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken. Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden. Artikel 4:2:1 Lokaal beleid Bedrijfstijd: de bedrijfstijd is op maandag tot en met vrijdag tussen 07.00 uur en 19.00 uur. Tussendag: de dag aangewezen door de Directie waarop de gemeentelijke gebouwen gesloten zijn voor het publiek maar waarop wel gewerkt kan worden. Brugdag: een dag gelegen tussen een feestdag en een zaterdag of zondag die door de Directie, met instemming van de Ondernemingsraad, aangewezen kan worden als een dag waarop de gemeentelijke gebouwen gesloten zijn voor het publiek én medewerkers. De medewerker mag die dag naar keuze thuis werken, indien dit tot de mogelijkheden behoort, of moet verlof opnemen of uren van het positieve urensaldo afschrijven. Een Tussendag kan aangewezen worden als een Brugdag. Tijdregistratie: Elektronische tijdregistratie is verplicht en geschiedt door de werknemer persoonlijk, dagelijks telkens bij het begin en het einde van de werkzaamheden. Indien echter door bijzondere omstandigheden de werkzaamheden buiten het gebouw aanvangen of worden beëindigd en geen elektronische tijdregistratie mogelijk is, dan dienen de tijden van aanvang en einde door de medewerker, zo spoedig mogelijk, in de tijdregistratie te worden gewijzigd. Ten opzichte van het aantal te werken uren mag het saldo van de werktijdenregistratie maximaal 72 uur positief of 10 uren negatief zijn aan het einde van het kalenderjaar. Voor deeltijders gelden de genoemde aantallen naar rato van het vastgestelde aantal arbeidsuren. Als het dienstbelang zich daartegen niet verzet, is het toegestaan om “verlof” op te nemen ten laste van het positieve urensaldo werktijdenregistratie. Bij een negatief urensaldo groter dan 10 op 31 december van het lopende jaar, worden de meerdere uren in mindering gebracht op het saldo verlofuren of de nog toe te kennen verlofuren voor het volgende kalenderjaar. Bij een urensaldo groter dan 72 op 31 december van het lopende jaar, vervallen de meerdere uren zonder dat daarvoor compensatie wordt gegeven, tenzij aan het ontstaan van dit surplus het dienstbelang ten grondslag heeft gelegen. Dit laatste is ter beoordeling van de leidinggevende. Pauzes: de medewerker die tussen de 5,5 uur en 10 uur per dag werkt, dient ten minste een half uur pauze te nemen. De pauze kan ineens of in twee delen worden opgenomen. Als de medewerker meer dan 10 uur per dag werkt, moet hij ten minste 45 minuten pauze, in tenminste twee delen, opnemen. Thuis werken: de medewerker die thuis wil werken, kan daartoe een schriftelijk verzoek indienen bij de leidinggevende. De leidinggevende bepaalt, in overleg met de medewerker, of en zo ja, welke werkzaamheden de medewerker op de thuiswerkplek mag uitvoeren en aan welke randvoorwaarden het thuiswerken moet voldoen. Voor medewerkers die thuiswerken is er ICT ondersteuning tijdens de openingstijden van het gemeentehuis. Om in te kunnen loggen op het netwerk wordt een token (of app) ter beschikking gesteld door de werkgever. De medewerker zorgt dat de thuiswerkplek voldoet en blijft voldoen aan de eisen die worden gesteld in de Arbo wetgeving. Het verzoek kan schriftelijk gemotiveerd worden afgewezen. Doktersbezoek: doktersbezoek, tandartsbezoek, ziekenhuisbezoek, e.d. dient in eigen tijd plaats te vinden. Wanneer de werktijden eenzijdig worden vastgesteld en het niet mogelijk is om een bezoek in eigen tijd plaats te laten vinden, overleggen leidinggevende en medewerker met elkaar om tot een passende oplossing te komen. § 2. Bijzondere regeling voor de werktijden Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid Artikel 4:3 Werkingssfeer Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt vastgesteld door het college. Bijzondere regeling Artikel 4:4 Vaststelling werktijden Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college deze vast in een rooster. Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen: De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar. De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken. Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd. Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten. Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend. Artikel 4:6 Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11 , arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend. Artikel 4:7 Nadere regels Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen. Artikel 4:7:1 Lokaal beleid 1.Het college acht het in het kader van dienstbelang noodzakelijk om eenzijdig de werktijden vast te stellen van de volgende functies: de werfbeheerder; de medewerk(st)ers van de uitvoeringsdienst openbare ruimte; de bodes; de medewerk(st)ers van de sporthal/zwembad “De Schop” de BOA. De “overeenstemming” waaraan gerefereerd wordt in artikel 4:1 lid 10 wordt daardoor geacht niet bereikt te zijn. Voor deze functionarissen gelden de volgende werktijden: de werfbeheerder en medewerk(st)er van de uitvoeringsdienst openbare ruimte Asten-Someren. Zomerrooster (van 1 maart tot 1 november) ‘) maandag tot en met donderdag van 07.30 tot 12.00 uur van 12.30 tot 16.00 uur vrijdag van 07.30 tot 12.00 uur *) Winterrooster (van 1 november tot 1 maart) maandag tot en met donderdag van 08.00 tot 12.30 uur van 13.00 tot 16.30 uur vrijdag van 08.00 tot 12.00 uur *) de bodes van de afdeling Interne Dienstverlening. Hun werktijden worden bij rooster vastgesteld. de medewerk(st)ers van de sporthal/zwembad “De Schop” van de afdeling Maatschappelijke Ontwikkeling. De werktijden van deze medewerk(st)ers worden bij rooster vastgesteld. de BOA: de werktijden van de BOA worden bij rooster vastgesteld. § 3. Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters Artikel 4:8 De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster. Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit artikel een werktijdenregeling vast. Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden. § 4. Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid Artikel 4:9 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode. De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan. In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8, of 8:10 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed. In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid. In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed. Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. 5 SENIORENMAATREGELEN (vervallen) 6 VAKANTIE EN VERLOF Vakantie Artikel 6:1 In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n). Artikel 6:1:1 De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6. De vakantie wordt verleend door het college. Artikel 6:2 De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 144 uur per kalenderjaar. Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Artikel 6:2:1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie. De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd. Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is. De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13 , indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust. In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast. Artikel 6:2:2 De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend. De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing. De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst , berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar. Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid Artikel 6:2:3 De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn functie vervult. Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast: gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling; gedurende afwezigheid wegens ziekte Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest. Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur. Artikel 6:2:4 Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend. Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd. Artikel 6:2:5 Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantieuren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren. Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed. Artikel 6:2:6 Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend: op verzoek van de ambtenaar; als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten of als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren. De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te vervullen. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2 lid1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist. Artikel 6:2:7 Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend. Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen , vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest. Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen. Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat kalenderjaar. Vakantietoelage Artikel 6:3 vervallen per 1 januari 2017 bij invoering van het IKB Buitengewoon verlof Artikel 6:4 De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(
  10. n)kan worden verleend. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie. In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd. Artikel 6:4:1 Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(
  11. n)op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken. De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden. Langdurend zorgverlof Artikel 6:4:1a De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend zorgverlof, heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats. De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof. Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd. Vakbondsverlof Artikel 6:4:2 Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder: Centrales van overheidspersoneel; de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP); de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs personeel (CCOOP); de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF). Verenigingen van ambtenaren de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(
  12. n)verleend aan de ambtenaar: voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad; voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(
  13. n)verleend: om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen. om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar; als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers; als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een arbeidsvoorwaardenadviseur voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren. Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder de a en b, naar evenredigheid verminderd. Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a , nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten. lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a , nr.3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale. Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd. Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b. Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(
  14. n)verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld. Kortdurend zorgverlof Artikel 6:4:3 De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Wazo. Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd. Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar. Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk. Non-activiteit Artikel 6:4:4 Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(
  15. n)en vakantietoelage. Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
  16. n)over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven. Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen. Overige redenen buitengewoon verlof Artikel 6:4:5 Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende salaristoelage(
  17. n)en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar. Artikel 6:4:5a Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren. Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend. Buitengewoon verlof is geen vakantie Artikel 6:4:6 Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie. Ouderschapsverlof Artikel 6:5 De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt gesalarieerd volgens: schaal 1: 90% schaal 2: 85% schaal 3: 80% schaal 4: 70% schaal 5: 60% schaal 6 en hoger: 50% Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen. Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing. De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt opgeschort. Voorwaarden Artikel 6:5:1 Vervallen m.i.v. 1 juli 2015 Meerlingen Artikel 6:5:2 Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak betaald ouderschapsverlof. De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten. Ziekte Artikel 6:5:3 Vervallen m.i.v. 1 juli 2015 Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie De duur van de vakantie van een ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof. Terugbetaling Artikel 6:5:5 De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen. Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid: het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband bij een andere gemeente; en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen. De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een functie aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het salaris en de toegekende salaristoelagen, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen. De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde. Artikel 6:5:6 (vervallen) Artikel 6:5:7 Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen. Artikel 6:5:8 Lokale regeling betaald Ouderschapsverlof gemeente Asten De regeling betaald Ouderschapsverlof gemeente Asten waarnaar in artikel 6:5 lid 1 verwezen wordt, biedt de grondslag voor bepalingen die afwijken van of een aanvulling zijn op de Wazo. Deze bepalingen zijn te vinden in artikel 6:5 tot en met 6:5:7. Artikel 6:6 (vervallen) Zwangerschaps- en bevallingsverlof Artikel 6:7 De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). De Wazo-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft. De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Wazo-uitkering door de gemeente bij en door het UWV. Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht. Adoptie- en pleegzorgverlof Artikel 6:8 De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). De Wazo-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft. De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Wazo-uitkering door de gemeente bij en door het UWV. Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht. Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3, niet op. Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloopregeling Artikel 6:9 De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden. De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof. Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden. Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan. De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend. Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college. Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken. Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen. Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren. Artikel 6:9:1 Lokaal beleid: Generatiepact 60-jarigen regeling De regeling geldt voor ambtenaren die langer dan twee jaar in dienst zijn van de gemeente Asten die 60 jaar of ouder zijn. Degene die gebruik maakt van de regeling verplicht zich tot korter werken tot het moment waarop de datum van recht op AOW ingaat, met gedeeltelijke doorbetaling van verlof en met 100% pensioenopbouw. De regeling geldt tot 1 januari 2020 en kan na evaluatie verlengd worden. Voorwaarden: Het gebruik van de regeling moet kunnen worden gezien als een vorm van demotie, dus door minder te werken wordt langer doorwerken mogelijk gemaakt. Het is niet de bedoeling dat de medewerker elders gaat werken terwijl hij gebruik maakt van deze regeling. Tenzij het reeds bestaande werkzaamheden betreft; Voor het onbetaald verlof geldt hierbij dat geen sprake mag zijn van een cumulatie met pensioenopbouw elders. Wanneer de medewerker deels elders gaat werken, wordt de 100% pensioenopbouw bij ABP belemmerd; een verzoek om gebruik te mogen maken van deze regeling wordt gehonoreerd tenzij zwaarwegende belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De Astense 60-jarigen regeling wordt alleen toegepast en uitgevoerd voor zover passend binnen geldende wetten en voorschriften, ook als deze in de toekomst wijzigen. De medewerker dient bij zijn aanvraag te vermelden of hij van het ABP-keuzepensioen gebruik gaat maken. Inhoud van de regeling: De medewerker gaat 65% werken van zijn aanstellingsuren. Hem wordt buitengewoon verlof verleend voor 35% van zijn aanstellingsuren, waarvan 25% van de aanstellingsomvang onbetaald verlof is. Het minimum aantal te werken uren bedraagt 18 uren per week. De medewerker krijgt 75% van zijn salaris doorbetaald. In geval van ontslag en/of arbeidsongeschiktheid is na 18 maanden het sociaal verzekeringsloon van dat moment van toepassing. De pensioenopbouw bedraagt 100% van de aanstellingsomvang. De pensioenpremie, zowel het werkgevers- als het werknemersdeel, over het buitengewoon verlof waarover geen salaris wordt doorbetaald, komt voor rekening van de werkgever. Gedurende de periode waarin betrokkene gebruikt maakt van de regeling wordt het verlof teruggebracht tot 65% van het verlof dat hoort bij een aanstellingsomvang van 100%. Bij ziekte is artikel 7:4 car-uwo van toepassing. Indien zich boventalligheid voordoet tijdens gebruik van de regeling, wordt een maatwerkoplossing getroffen. Re-integratie bij ziekte en (her)plaatsing bij een reorganisatie vindt plaats op basis van het werkelijke aantal werkuren en niet op basis van de aanstellingsomvang. De aanvraag dient 3 maanden van te voren te zijn ingediend. De medewerker kan per de 1e van een maand starten met gebruik van de regeling. Van de regeling kan alleen gebruik worden gemaakt zolang de medewerker dezelfde functie bekleedt. Het is wel mogelijk dat de medewerker een lager ingeschaalde functie (demotie) gaat bekleden. : De ambtenaar die vervroegd wil uittreden en gebruik wil maken van het ABP keuzepensioen, kan dat doen in stappen van 10%, waarbij de ondergrens ligt op 10% van de aanstellingsomvang. Bij gebruik van het ABP keuzepensioen gelden voorwaarden of 100% pensioenopbouw kan plaatsvinden. Inhoud van de regeling punt 5 Tekst Artikel 7:4 De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(
  18. n)als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest. Gewijzigde fiscale regeling sinds 1 juli 2016 Voor de medewerker die met keuzepensioen wil voor zijn 62ste, of beter gezegd tussen zijn 60ste en vijf jaar vóór AOW-leeftijd, gelden vanaf 1 juli 2016 nieuwe regels. Dat kan alleen als de medewerker voor hetzelfde percentage dat hij pensioen opneemt, (minimaal) minder gaat werken. De medewerker moet dit bevestigen in een zogenoemde ‘intentieverklaring’. De medewerker moet ook verklaren dat hij niet van plan is om die uren in de toekomst weer te gaan werken. Deze intentieverklaring is opgenomen in het aanvraagformulier ‘Met pensioen gaan’. Deelnemers die via MijnABP pensioen aanvragen, moeten een vinkje plaatsen bij de verklaring. Zonder dat vinkje kan het pensioen niet worden aangevraagd. De Belastingdienst oefent controle uit op het niet ondertekenen van de verklaring en kan een boete opleggen aan de medewerker. Aanspraken tijdens het verlof Artikel 6:10 De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof. Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld. Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a. Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend. Samenloop met ziekte Artikel 6:11 Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag. Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering. Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof Artikel 6:12 Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof. 6a DE GEMEENTELIJKE LEVENSLOOPREGELING Begripsomschrijvingen Artikel 6a:1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964; levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal. Artikel 6a:2 Doel vervallen Verzoek tot deelname levensloopregeling Artikel 6a:3 De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college. Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. Artikel 6a:4 Verzoek tot deelname levensloopregeling De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverze

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.