← Nederland

Provinciale omgevingsverordening Drenthe (Drenthe)

In het kort

Deze verordening van de provincie Drenthe regelt diverse aspecten van de leefomgeving, waaronder waterbeheer, bodembescherming en ruimtelijke ordening, door middel van definities en algemene bepalingen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Deel I, Algemeen Hoofdstuk 1, Begripsbepalingen Artikel 1.1 In deze verordening wordt verstaan onder: a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van een waterschap in de provincie Drenthe; b. beheerpla

bodemkwaliteit. Hoofdstuk 2, Inspraak Artikel 2.1 Bij wijzigingen van deze verordening wordt de Algemene Inspraakverordening Drenthe toegepast. Deel II, Ruimtelijke ordening DEEL II, RUIMTELIJKE ORDENING Hoofdstuk 3, RUIMTELIJKE ORDENING Surf voor het kaartmateriaal naar http://www.ruimtelijkeplannen.nl/. Selecteer vervolgens het tabblad ''Algemene Regels Overheden''. Kies de ''i'' knop boven de kaart en vervolgens de locatie waarover u informatie wilt. U zult dan rechts in uw scherm een keuzemenu vinden waarin ook de verordening ruimtelijk omgevingsbeleid is opgenomen, inclusief een directe link naar het bijbehorend kaartmateriaal. Titel 1, Algemeen Artikel 1, Begripsbepalingen 1.

  1. In deze verorde ning en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: agrarisch bedrijf: bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren; ab. beschermingszones radioastronomie: zones rond de Dwingeloo radiotelescoop, de Westerbork synthese radiotelescoop en het centrale gebied van de LOFAR radiotelescoop ter voorkoming van elektromagnetische storing aangegeven op kaart 12 en zoals bepaald in paragraaf 4.3.1 van de Omgevingsvisie; b. bedrijvenregio:binnen Drenthe bestaan de regio's Groningen - Assen en de Drentse Zuidas; c. bedrijventerrein: cluster van aaneengesloten percelen met een minimumoppervlakte van ten minste 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van terreinen voor agrarische doeleinden en terreinen voor afvalstort; d. beeldkwaliteitsplan:plan dat eisen en aanbevelingen bevat:
  2. met betrekking tot inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied;
  3. met betrekking tot stedenbouwkundige en architectonische vorm, massa en (wegen)structuur van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen; met het oogmerk de kwaliteit van ruimtelijke ontwikkelingen te waarborgen alsmede de wijze waarop deze in hun omgeving worden ingepast, en dat juridisch deel uitmaakt van het ruimtelijk plan waarop het betrekking heeft; e. bestaande bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden op grond van een bouwvergunning/omgevingsvergunning, met uitzondering van bebouwing die gebouwd is zonder bouwvergunning/ omgevingsvergunning en in strijd is met het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan, wijzigingsplan of vrijstellingsbesluit ex artikel 19 WET RUIMTELIJKE ORDENING, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van genoemde planvormen; f. bestaand gebruik: gebruik van grond en bebouwing dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestond, met uitzondering van gebruik dat op dat tijdstip in strijd was met het geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan. fa. bestaand stedelijk gebied: het bestaand stedelijk gebied komt neer op het feitelijke stedelijk gebied, aangevuld met verleende bouwrechten in onherroepelijk geworden bestemmingsplannen en inpassingsplannen. Tot het stedelijk gebruik wordt gerekend woon- en bedrijfsbebouwing, waartoe ook gerekend worden openbare voorzieningen en verkeersinfrastructuur, van een stad, dorp of kern; g. complex van recreatiewoningen: een terrein of een plaats van enige omvang, al dan niet geheel of gedeeltelijk met gemeenschappelijke voorzieningen ingericht, en blijkens die inrichting en juridische bestemming bedoeld om meerdere recreatiewoningen te plaatsen of geplaatst te houden en bedrijfsmatig te exploiteren; h. ecologische hoofdstructuur:een samenhangend netwerk van gebieden, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen; i. glastuinbouwbedrijf: een agrarisch bedrijf gericht op de teelt of veredeling van gewassen geheel of nagenoeg geheel met behulp van kassen; j. grondgebonden agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan aanwezige gronden; ja. informatiewaarde: de betekenis van een kernkwaliteit als bron van kennis over het verleden; k. intensieve veehouderij:agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en die gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkveehouderij en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet; l. kantoor:inrichting voor de bedrijfsmatige uitoefening van administratieve diensten; m. kassen: gebouwen van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de teelt of veredeling van tuinbouwgewassen, fruitteelt of sierteelt; n. kernkwaliteiten:de mate waarvan in een concrete situatie sprake is van
  4. stilte en duisternis;
  5. openheid van het landschap;
  6. natuur binnen de ecologische hoofdstructuur;
  7. diversiteit en gaafheid van het landschap;
  8. cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden;
  9. sociale, externe en verkeersveiligheid;
  10. leefbaarheid, kleinschaligheid, alleen waar deze zijn aangeduid op kaart 2, Kernkwaliteiten, van de Omgevingsvisie; o. kernwaarde bedrijvigheid: de economische dynamiek binnen of in de directe omgeving van het plangebied, voor zover deze zich vertaalt in een bijdrage aan de vitaliteit, waaronder mede begrepen de werkgelegenheid; p. landgoed: een landgoed is een landschappelijk ontwikkeld gebied met 1 wooneenheid, eventueel in combinatie met ondergeschikte functies, die het voornamelijk door architectonische verbintenis met een landgoedontwerp allure en uitstraling verkrijgt, waarbij geldt dat:
  11. het landgoed minimaal 5 hectare bos bevat;
  12. het landgoed past in het bosclusteringsgebied zoals aangegeven in de paragraaf 4.3.3 van de Omgevingsvisie;
  13. het landgoed openbaar toegankelijk is;
  14. het landgoed een ecologische, economische en esthetische eenheid vormt;
  15. het landgoed past in het aanwezige landschap en houdt rekening met de cultuurhistorie en bodemgesteldheid; q. landschappelijk inpassingsplan:juridisch bindend plan dat aangeeft op welke wijze inpassing van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt. Tot deze inpassing behoren situering van de opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap. Het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap. Een en ander uit zich in een ontwerpgerichte benadering waarin de karakteristieken en kwaliteiten verder worden versterkt; r. locatie voor kantoren:perceel of cluster van aaneengesloten percelen waarop gebouwen gerealiseerd dan wel te realiseren zijn met een minimale bruto vloeroppervlakte van 3.000 m2 uitsluitend of hoofdzakelijk voor kantoren en daarbij behorende voorzieningen; s. lokale werklocatie: een bedrijventerrein dat:
  16. plaats biedt aan bedrijven met een lokale oriëntatie om reden van de sociale binding aan de kern en haar directe omgeving (veelal doordat de eigenaar daar in de buurt woonachtig is) vooral qua arbeidsmarkt en qua toelevering- en afnemersrelaties;
  17. bedrijven huisvest die kleinschalig zijn;
  18. plaats biedt aan bedrijfsbebouwing die qua kwaliteit, volume en kavelgrootte aansluiten bij de kwaliteit van de directe omgeving;
  19. geen ruimte biedt voor significant milieubelastende activiteiten (maximaal categorie 3 volgens VNG-uitgave Handreiking bedrijven en milieuzonering). Op basis van duidelijk gemotiveerd uitzonderingsbeleid is de vestiging van categorie-4-bedrijven eventueel ook mogelijk; sa. maatschappelijk belang: een belang is maatschappelijk wanneer het educatief, sociaal-medisch, sociaaleconomisch, sociaal-cultureel, recreatief of levensbeschouwelijk van aard is, de duurzaamheid bevordert, dan wel gerelateerd is aan sport of aan openbare dienstverlening; t. multifunctionele gebieden:gebieden waar meerdere provinciale functies en ambities samenkomen en waarbij geen duidelijke hoofdfunctie valt te onderscheiden. Het gaat om combinaties van landbouw, natuur, water, recreatie en landschap; u. neventak: aan de agrarische hoofdactiviteit ondergeschikte activiteiten die niet rechtstreeks tot de bedrijfsvoering van die hoofdactiviteit behoren; v. Omgevingsvisie: de Omgevingsvisie Drenthe, zoals vastgesteld door provinciale staten op 2 juni 2010 en gepubliceerd op 11 augustus 2010, inclusief bijbehorend kaartmateriaal (waarvan de visiekaart op 7 juli 2010 door provinciale staten bij besluit 2010-441-1 met een aanpassing gewijzigd is vastgesteld); w.permanente bewoning:gebruik van een recreatiewoning als feitelijk hoofdverblijf; x. recreatiewoning: woning ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf; y. regionale werklocatievisie:een werklocatievisie is regionaal wanneer deze tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio is afgestemd en minimaal de onderwerpen planningsbehoefte en fasering, de kwantitatieve verdeling, de herstructureringsopgave, mogelijkheden voor lokale en regionale segmentatie en de inpassing van milieuhinderlijke bedrijven met betrekking tot de regionale werklocatie omvat; z. regionale werklocatie: een bedrijventerrein of locatie voor kantoren die plaats biedt aan bedrijven met een bovenlokale oriëntatie, zowel qua arbeidsmarkt als qua toelevering- en afnemersrelaties, en die is gelegen in 1 van de 2 stedelijke netwerken (Groningen-Assen of de Drentse Zuidas), dan wel het VAM/MERA-terrein te Wijster betreft; aa. robuust systeem:een systeem is robuust als een verstoring door een ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor het functioneren van het systeem als zodanig. Het gaat in Drenthe om stedelijke netwerken, watersysteem, landbouw en natuur, zoals globaal weergegeven op kaart 1 (Visie 2020) behorende bij de Omgevingsvisie; bb. rood-voor-groen

:

waarbij nieuwe bebouwing gekoppeld is aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige kwaliteiten van natuur, water of landschap of de recreatieve mogelijkheden van omgeving, waartoe mede het in de Omgevingsvisie (paragraaf 4.3.1) bepaalde voor landgoederen wordt gerekend; cc. ruimtelijk plan: bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een besluit zoals genoemd in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een beheersverordening zoals bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, een beheersverordening zoals bedoeld in artikel 3.22 van de Wet ruimtelijke ordening of een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de CHW; dd. ruimte-voor-ruimteregeling:

ter verbetering van ruimtelijke kwaliteit in landelijk gebied door het verwijderen van landschapsontsierende voormalige agrarische bebouwing waarbij de agrarische functie definitief wordt beëindigd en waarbij ter compensatie voor de verwijderde bebouwing de bouw van een of meerdere woningen wordt toegestaan, zoals vastgelegd in de door gedeputeerde staten vastgestelde beleidsregel d.d. 18 januari 2011; ee. SER-ladder: een methode om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik bij het inpassen van ruimtebehoefte langs de volgende stappen:

  1. gebruik de ruimte die al beschikbaar is gesteld voor een bepaalde functie of door herstructurering beschikbaar gemaakt kan worden;
  2. maak optimaal gebruik van de mogelijkheden om door meervoudig ruimtegebruik de ruimteproductiviteit te verhogen;
  3. indien het voorgaande onvoldoende soelaas biedt, is de optie van uitbreiding van het ruimtegebruik buiten bestaand stedelijk gebied aan de orde. Daarbij dienen de verschillende relevante waarden en belangen goed te worden afgewogen in een gebiedsgerichte aanpak. Door een zorgvuldige keuze van de locatie van de ruimtebehoevende functie en door investeringen in kwaliteitsverbetering van de omliggende groene ruimte moet worden verzekerd dat het meerdere ruimtegebruik de kwaliteit van natuur en landschap respecteert en waar mogelijk versterkt; gg. perifere detailhandel: winkelformules die onder andere vanwege hun omvang of aard veelal gevestigd zijn op werklocaties buiten bestaande winkelconcentraties in de stedelijke, dorps- of wijkwinkelcentra, zoals tuincentra, bouwmarkten en wooninrichtingszaken; hh. vrijkomende agrarische bebouwing: bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel dat door (gedeeltelijke) beëindiging van het agrarische bedrijf vrij komt voor invulling met een niet-agrarische functie, dan wel gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een voormalige overeenkomstige bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn geweest, maar inmiddels een niet-agrarische functie hebben; ii. weidewinkel:zelfstandige detailhandelverkoop buiten het bestaand stedelijk gebied; jj. werklocatie: bedrijventerrein of een locatie voor kantoren; kk. wezenlijke kenmerken en waarden: voor gebieden met een agrarische bestemming de aanwezige waarden en voor gebieden met een andere bestemming de aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, neergelegd in de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, de mate van stilte donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde; ll. windturbine:door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit; nn. woonregio:binnen Drenthe bestaan de woonregio's Noord-Drenthe (gemeenten Aa en Hunze, Assen, Noordenveld, Tynaarlo en Midden-Drenthe), Zuidoost-Drenthe (gemeenten Borger-Odoorn, Coevorden en Emmen) en Zuidwest-Drenthe (gemeenten Hoogeveen, De Wolden, Meppel en Westerveld). oo. regionale woonvisie:een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een woonregio afstemming plaatsvindt over minimaal de onderwerpen demografie, ontwikkelingen op de woningmarkt, invulling van de ruimtevraag (bundelingsbeleid, zorgvuldig ruimtegebruik en de kernenstructuur), doelgroepenbenadering (kwalitatieve afstemming) en monitoring (uitvoering en effecten van de regionale woonvisie) omvat. Deze visie is basis voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen. Artikel 1.2, Adviescommissie voor de Fysieke Leefomgeving Drenthe (AFLO) 1.2.
  4. Er is een Adviescommissie voor de Fysieke Leefomgeving (AFLO), hierna te noemen de commissie. 1.2.
  5. De commissie vervult de advies- en overlegtaken inzake het provinciaal beleid zoals bepaald in artikel 2.41 van de Wet milieubeheer, artikel 8, tweede lid, van de Wet op de waterhuishouding, artikel 20, eerste lid, van de Grondwaterwet en artikel 9.1 van de Wet ruimtelijke ordening. 1.2.
  6. De commissie wordt vooraf door het provinciebestuur gehoord over maatregelen, plannen en verordeningen die van betekenis zijn voor het provinciaal omgevingsbeleid. 1.2.
  7. De commissie is bevoegd het provinciebestuur uit eigen beweging van advies te dienen over algemene vraagstukken betreffende het provinciaal omgevingsbeleid. 1.2.
  8. De commissie stelt, onder goedkeuring van provinciale staten en gedeputeerde staten, nadere regels aangaande de werkwijze van de commissie. Artikel 1.3, Samenstelling AFLO 1.3.
  9. In de commissie hebben zitting: a. 1 voorzitter; b. de inspecteur regio Noordoost van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu; c. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, directie gebiedsontwikkeling; d. de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat, Directie Noord-Nederland; e. de regiodirecteur Noord van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; f. het hoofd van de Regio Noord van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; g. de eerstaangewezen ingenieur-directeur van de Directie Noordoost-Nederland van het Ministerie van Defensie; h. het hoofd van de Regio Noord van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; i. 2 leden op voordracht van de Vereniging van Drentse Gemeenten; j. 2 leden op voordracht van de waterschappen Hunze en Aa's, Noorderzijlvest, Reest en Wieden en Velt en Vecht; k. 1 lid op voordracht van de LTO Noord; l. 1 lid op voordracht van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Drenthe; m. 1 lid op voordracht van de Natuur en Milieufederatie Drenthe; n. 1 lid op voordracht van de erkende particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties; o. 1 lid op voordracht van de NV Waterleidingmaatschappij Drenthe; p. 1 lid op voordracht van de recreatiesector; q. 1 lid op voordracht van de ANWB. 1.3.
  10. Leden van provinciale staten, leden van gedeputeerde staten, ambtenaren en arbeidscontractanten van de provincie Drenthe kunnen geen lid zijn van de commissie. 1.3.
  11. De leden van de commissie kunnen zich laten vervangen door een plaatsvervanger. Artikel 1.4, Benoemingen AFLO 1.4.
  12. Provinciale staten benoemen op voordracht van gedeputeerde staten de voorzitter van de commissie voor een periode van 4 jaar. 1.4.
  13. De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan. 1.4.
  14. De leden van de commissie, genoemd in artikel 1.3.1, onder b tot en met i, zijn ambtshalve lid van de commissie. 1.4.
  15. Provinciale staten benoemen de leden van de commissie, genoemd in artikel 1.3.1, onder b, c, d en e en onder j, k en l. 1.4.
  16. Gedeputeerde staten benoemen de leden van de commissie, genoemd in artikel 1.3.1, onder f, g, h en i en onder m, n, o, p, q en r. Artikel 1.5, Subcommissies AFLO 1.5.1 Provinciale staten dan wel gedeputeerde staten kunnen voor de behandeling van bepaalde onderwerpen subcommissies instellen. 1.5.2 De commissie en de subcommissies kunnen zich doen bijstaan door deskundigen. 1.5.3 Gedeputeerde staten voorzien in het secretariaat van de commissie en de subcommissies. Artikel 1.6, Openbaarheid vergaderingen AFLO 1.6.
  17. De vergaderingen van de commissie en de subcommissies zijn openbaar. 1.6.
  18. Een vergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen waarin de in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur genoemde belangen op de in dat artikel bedoelde wijze kunnen worden geschaad. Titel 2, Ruimtelijke kwaliteit Artikel 2.1, Kernkwaliteiten 2.1.
  19. Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn: a. wordt in het ruimtelijk plan uiteengezet dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform de provinciale ontwikkelingsvisie zoals uiteengezet in de Omgevingsvisie en de uitwerkingen ervan; b. maakt het desbetreffende ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die deze kernkwaliteiten significant aantasten. 2.1.
  20. Artikel 2.1.1 is niet van toepassing voor zover de desbetreffende gemeente in een ruimtelijk plan: a. zorgvuldig onderbouwt dat behoud en/of ontwikkeling van kernkwaliteiten niet samengaat met behoud en/of ontwikkeling van de kernwaarde bedrijvigheid; en b. tussen behoud en/of ontwikkeling van kernkwaliteiten en behoud en/of ontwikkeling van de kernwaarde bedrijvigheid een zorgvuldige afweging maakt; en c. en, voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk behouden blijft, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet; en d. in de onderbouwing van een ruimtelijke plan waarbij kernkwaliteiten zijn betrokken, worden de voor die kernkwaliteiten van toepassing zijnde sturingsniveaus betrokken, zoals wij die in de Omgevingsvisie en uitwerkingen hebben neergelegd. 2.1.
  21. Artikel 2.1.1 is niet van toepassing binnen gebieden die op de bij de Omgevingsvisie behorende kaart 5, Landbouw als 'Robuuste landbouw' zijn aangeduid, voor zover de gemeente in een ruimtelijk plan zorgvuldig onderbouwt dat: a. de ontwikkeling van robuuste landbouw, nieuwe intensieve veehouderij als gevolg van verplaatsing uitgezonderd, niet kan samengaan met de bij het plan betrokken kernkwaliteiten; b. en, voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk behouden blijft, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet. 2.1.
  22. De in artikel 2.1.3 vervatte uitzondering voor intensieve veehouderijen geldt niet wanneer in hetzelfde ruimtelijk plan sprake is van het beëindigen dan wel het samenvoegen van een of meer bestaande intensieve veehouderijen die is gekoppeld aan de uitbreiding van de desbetreffende bestaande intensieve veehouderij. 2.1.
  23. Artikel 2.1.1 is niet van toepassing voor zover de gemeente in het desbetreffende ruimtelijk plan aantoont dat het niet mogelijk is een of meerdere van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten in het plan met elkaar te verenigen op een manier die aan behoud en ontwikkeling van ieder van die kernkwaliteiten afzonderlijk ten goede komt, mits: a. de gemeente in het desbetreffende ruimtelijk plan tussen die kernkwaliteiten een zorgvuldige planologische afweging maakt; b. en, voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk behouden blijft, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet. 2.1.
  24. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 2.1.1 indien het niet mogelijk blijkt een ontwikkeling uit te voeren met behoud van bestaande kernkwaliteiten, indien: a. sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang; en b. onderzoek heeft aangetoond dat er geen gelijkwaardige alternatieve locaties voorhanden zijn; en c. de ontwikkeling landschappelijk goed wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan; en d. het verlies aan kernkwaliteiten dusdanig gecompenseerd wordt, dat geen sprake is van een nettoverlies aan kernkwaliteiten; en e. en, voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waar wenselijk en mogelijk behouden blijft, op een wijze zoals minimaal passend op grond van de Monumentenwet. 2.1.
  25. Gedeputeerde staten kunnen kaart 2, Kernkwaliteiten van de Omgevingsvisie wijzigen: a. op grond van feitelijke informatie die nader inzicht verschaft in de waarden die op de kaart zijn vastgelegd en die tot een correctie van die kaart noopt; of b. om de kaart aan te passen aan de feitelijke situatie die ontstaat doordat de onder artikel 2.1.2, 2.1.3 of 2.1.5 beschreven situatie zich voordoet op het moment dat het desbetreffende ruimtelijk plan onherroepelijk is geworden; of c. om de kaart aan te passen aan de feitelijke situatie die ontstaat doordat ontheffing op basis van artikel 2.1.6 is verleend en dat besluit onherroepelijk is geworden. Artikel 2.2, Milieu- en leefomgevingkwaliteit 2.
  26. Voor zover bij een ruimtelijk plan milieueffecten en externe veiligheidseffecten aan de orde zijn die gemeentegrenzen overschrijden of samenhangen met provinciale verantwoordelijkheden, wordt in dat ruimtelijk plan verantwoord op welke wijze deze aspecten in het ontwerpen en inrichten van de fysieke leefomgeving van het plangebied, vertaald zijn. Artikel 2.3, Zorgvuldig ruimtegebruik (SER-ladder) 2.3.
  27. Een ruimtelijk plan kan slechts in ruimtevragende ontwikkelingen voorzien op het gebied van woon- en werklocaties en infrastructuur indien uit het desbetreffende ruimtelijk plan blijkt dat dit op basis van de SER-ladder gerechtvaardigd is. 2.3.
  28. Artikel 2.3.1 is niet van toepassing op functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing, waaronder in ieder geval begrepen agrarische bedrijfsbebouwing, bebouwing voor natuurbeheer, voor waterbeheer, voor veiligheid en hulpdiensten de opsporing en winning van delfstoffen als aardgas en aardolie of voor de levering van gas, water of elektriciteit. 2.3.
  29. Artikel 2.3.1 is niet van toepassing op ontwikkelingen die vallen onder een rood-voor-groen dan wel ruimte-voor-ruimteregeling. Titel 3, Bruisend Drenthe Algemene bepalingen Artikel 3.1, Aanwijzing bestaand stedelijk gebied 3.1.
  30. Het bestaand stedelijk gebied is het gebied begrensd op de kaart Bestaand stedelijk gebied. 3.1.
  31. Gedeputeerde staten kunnen de kaart Bestaand stedelijk gebied wijzigen wanneer via onherroepelijk geworden ruimtelijke plannen of een inpassingsplan nieuwe bebouwingsmogelijkheden zijn gecreëerd en voorts ter correctie van feitelijke onjuistheden. Artikel 3.2, Basisbepalingen Bruisend Drenthe 3.2.
  32. Op een ruimtelijk plan dat voorziet in ontwikkelingen zoals omschreven in deze titel zijn de in titel 2 van dit hoofdstuk opgenomen bepalingen rondom kernkwaliteiten, milieu- en leefomgevingkwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik onverminderd van toepassing. 3.2.
  33. In een ruimtelijk plan wordt uiteengezet: a. hoe de met het plan beoogde ontwikkelingen zich verhouden tot de kernwaarde bedrijvigheid; en b. hoe de met het plan beoogde ontwikkelingen passen binnen het ontwikkelingsperspectief - voor zover van provinciaal belang - dat in de Omgevingsvisie voor het desbetreffende gebied is neergelegd. Artikel 3.3, Robuuste systemen 3.
  34. Een ruimtelijk plan waarop het in de Omgevingsvisie verwoorde beleid voor de robuuste systemen (sociaal-economisch systeem, watersysteem, natuursysteem en landbouwsysteem) zoals globaal verbeeld op kaart
  35. Visie 2020, draagt bij aan ontwikkeling van de hoofdfunctie (wonen, werken, water, natuur of landbouw) in het desbetreffende robuuste systeem. Het bevat geen ontwikkelingen die de robuustheid van het systeem schaden. Artikel 3.4, Multifunctionele gebieden 3.
  36. Een ruimtelijk plan dat voorziet in nieuwe ontwikkelingen in gebieden die op de visiekaart (kaart 1, Visie 2020) als Multifunctioneel zijn aangeduid, veroorzaakt zo weinig mogelijk negatieve gevolgen voor de daar van oudsher bestaande en/ of dominante functie. Thematische bepalingen Artikel 3.
  37. Ondergrond 3.6.
  38. In een ruimtelijk plan waarin realisering van woningen, bedrijventerreinen en/ of glastuinbouw zijn voorzien, wordt aangegeven hoe dat plan bijdraagt aan de provinciale beleidsdoelen voor Warmte- en Koude Opslag en geothermische energie. 3.6.
  39. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van afvalstoffen in de ondergrond, met uitzondering van de mogelijkheid tot de injectie van formatiewater uit gas- en oliewinning. 3.6.
  40. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van gevaarlijk en radioactief afval in de ondergrond. 3.6.
  41. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de injectie van CO2 in aquifers of met de injectie van CO2 in 'lege' gasvelden met als oogmerk permanente opslag voor zover die niet als zodanig aangegeven zijn op de 'Voorkeurskaart toekomstig gebruik Drentse (diepe) ondergrond (bijlage IV uit de Structuurvisie)'. 3.6.
  42. Een ruimtelijk plan laat geen ontwikkelingen toe die de winning van aardgas en aardolie aantoonbaar kunnen belemmeren. Artikel 3.7, Agrarische bedrijvigheid 3.7.
  43. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op locaties die op de visiekaart (kaart 1, Visie 2020) zijn aangeduid als landbouwgebieden, voorziet niet in ontwikkelingen die een structureel negatief effect op het functioneren van de agrarische sector in het gebied hebben. Randvoorwaarde blijft wel dat waar op kaart
  44. Oppervlakte een locatie als 'Beekdal' is aangeduid, ruimte voor water behouden moet blijven, de waterhuishoudkundige inrichting niet mag leiden tot wateroverlast benedenstrooms en tot een vermindering van de grondwatervoorraad. 3.7.
  45. a. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat op de visiekaart (kaart 1, Visie 2020) als 'multifunctioneel gebied' is aangeduid, kent aan een grondgebonden agrarisch bedrijf een bouwblok van maximaal 1,5 hectare toe, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan. b. In afwijking van artikel 3.7.2, onder a, kan een ruimtelijk plan in een ruimer bouwblok voorzien, mits: - een dergelijke ontwikkeling landschappelijk acceptabel wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan; of - wanneer blijkens het desbetreffende ruimtelijk plan met de ontwikkeling een aantoonbaar ander provinciaal beleidsdoel is gediend. 3.7.
  46. a. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwvestiging van intensieve veehouderijen en evenmin in het omschakelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij. b. Een ruimtelijk plan geeft een intensieve veehouderij een bouwblok een omvang van maximaal 1,5 hectare, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan. c. Een ruimtelijk plan kan het bouwblok voor een intensieve veehouderij vergroten tot maximaal 2 hectare, mits dit samengaat met winst voor milieu/ dierenwelzijn en een dergelijke ontwikkeling landschappelijk acceptabel wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan. d. Een ruimtelijk plan kan voorzien in verplaatsing van intensieve veehouderijen naar robuuste landbouwgebieden in het geval sprake is van sanering, samenvoeging of het oplossen van een knelpunt binnen Drenthe, waarbij geldt dat:
  47. het bouwblok voor een intensieve veehouderij maximaal 1,5 hectare bedraagt, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan;
  48. het bouwblok voor een intensieve veehouderij bij maatwerk en landschappelijke inpassing blijkens een landschappelijk inpassingsplan tot maximaal 2 hectare kan worden vergroot.
  49. de bedrijfsbouwing uit één bouwlaag bestaat. 3.7.
  50. Een ruimtelijk plan, behalve voor de in de Omgevingsvisie benoemde glastuinbouwlocaties in de gemeente Emmen, voorziet niet in nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven. 3.7.
  51. Een ruimtelijk plan kan, onverminderd het gestelde in bepaling 3.9.9, alleen voorzien in alternatieve gebruiksmogelijkheden voor vrijkomende agrarische bebouwing als in dat ruimtelijk plan wordt aangetoond dat: a. de nieuwe activiteit aan de in de Omgevingsvisie aan het desbetreffende gebied toegekende hoofdfunctie niet schaadt; en b. de nieuwe bedrijfsactiviteit niet milieubelastendvan aard is; en c. de woonfunctie van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing gehandhaafd blijft. 3.7.
  52. Een ruimtelijk plan voorziet slechts in realisering van vergistinginstallaties bij agrarische bedrijven wanneer uit het ruimtelijk plan blijkt dat die ontwikkeling zich positief verhoudt tot het Beleidskader co-vergisting. Artikel 3.8, Woningbouw 3.8.
  53. Een ruimtelijk plan laat geen nieuwe woningbouw toe die buiten de afspraken vallen die de woonregio en de provincie hebben gemaakt over de woningbouwprogrammering en het gestelde in de woonvisie. 3.8.
  54. Artikel 3.8.1 is niet van toepassing op bedrijfswoningen, een tweede woning bij een agrarisch bedrijf, recreatiewoningen, het splitsten van boerderijen in 2 of meer woningen en nieuwbouw die past binnen de kaders van de provinciale rood-voor-groen dan wel de ruimte-voor-ruimteregeling. Artikel 3.9, Bedrijvigheid 3.9.
  55. Een ruimtelijk plan laat geen nieuwe regionale werklocaties of uitbreiding van een bestaande regionale werklocatie toe anders dan via een regionale werklocatievisie. 3.9.
  56. Een ruimtelijk plan dat niet betrekking heeft op het stedelijk gebied van de plaatsen Hoogeveen, Emmen, Meppel, Assen en Coevorden laat geen nieuwe lokale werklocaties toe en kan slechts voorzien in de uitbreiding van een lokale werklocatie wanneer het desbetreffende ruimtelijk plan vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan en wanneer de locatie wordt bestemd voor kleinschalige en lokaal georiënteerde bedrijvigheid. 3.9.
  57. Een ruimtelijk plan voorziet niet in vestiging of significante uitbreiding van een solitair buiten bestaand stedelijk gebied gelegen regionaal georiënteerd bedrijf (met uitzondering van agrarische bedrijven, bedrijven binnen de Sector Recreatie en Toerisme en overige functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijvigheid). 3.9.
  58. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 3.9.3 indien zwaarwegende argumenten dit rechtvaardigen en het bedrijf belangrijk is voor de lokale werkgelegenheid. 3.9.
  59. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwe bedrijvigheid die volgens de VNG systematiek Handreiking bedrijven en milieuzonering zou vallen in de milieucategorieën 4, 5 en 6, tenzij op regionale werklocaties. 3.9.
  60. In afwijking van artikel 3.9.5 kan een ruimtelijk plan voorzien in nieuwe bedrijvigheid die volgens de VNG systematiek Handreiking bedrijven en milieuzonering valt in de categorie 4 voor zover dit gebeurt via door de desbetreffende gemeente vastgesteld uitzonderingsbeleid. 3.9.
  61. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwe locaties voor detailhandel, voor zover deze ten koste gaan van de bestaande detailhandelsstructuur in winkelcentra en binnensteden. 3.9.
  62. Een ruimtelijk plan kan in perifere detailhandel op een werklocatie voorzien wanneer dit in de toelichting daarop wordt gemotiveerd vanuit een integrale visie op de (boven)lokale (of regionale) detailhandelsstructuur en het bepaalde in 3.9.7 voldoende wordt gewaarborgd. 3.9.
  63. Een ruimtelijk plan voorziet niet in de mogelijkheid tot het realiseren van weidewinkels. 3.9.
  64. Een ruimtelijk plan dat voorziet in de ontwikkeling van een nieuwe werklocatie dient vergezeld te gaan van een beeldkwaliteitsplan dat juridisch is verbonden aan het betreffende ruimtelijke plan. Artikel 3.9a, Mobiliteit 3.9a. Ruimtelijke plannen met woningbouwlocaties, voorzieningen, kantoren, dagrecreatieve voorzieningen of bedrijven, die verkeersbewegingen kunnen veroorzaken die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur, geven in de plantoelichting inzicht in: a. de afstemming tussen bereikbaarheidseisen van functies en ontsluitingskwaliteiten van locaties; b. de mogelijkheden van bestaande verkeers- en vervoersvoorzieningen om de extra mobiliteit veilig en adequaat op te vangen; c. het al of niet noodzakelijk zijn van nieuwe verkeers- en vervoersvoorzieningen; d. de effecten op het openbaar vervoer netwerk. Artikel 3.10, Verblijfsrecreatie 3.10.1 Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwe verblijfsrecreatie voor zover gelegen binnen de begrenzing van de kKaart Concretisering ecologische hoofdstructuur of in gebied dat op de bij de Omgevingsvisie behorende kaart 5, Landbouw als robuuste landbouw is aangeduid. 3.10.2 In afwijking van artikel 3.10.1 kan een ruimtelijk plan voorzien in nieuwe verblijfsrecreatie wanneer het gaat om ver-/uitplaatsing van bestaande bedrijven uit kwetsbare gebieden als het desbetreffende ruimtelijk plan voorziet in een locatie aan de rand van natuurgebieden. 3.10.3 Een ruimtelijk plan kent geen gebruiksbepalingen die permanente bewoning van recreatieverblijven toestaan. 3.10.4 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het gestelde in artikel 3.10.3 wanneer: a. is voldaan aan de voorwaarden die de VROM-Inspectie stelt in de brochure Onrechtmatige bewoning van recreatieverblijven; handreiking voor gemeenten; en b. de legalisatie betrekking heeft op complexen en niet op losse recreatieverblijven; en c. het recreatiecomplex aansluit op bestaand stedelijk gebied; en d. de legalisatie past binnen het woonplan van de desbetreffende gemeente; en e. de integratie met het naastgelegen bestaand stedelijk gebied blijkens het ruimtelijk plan een blijvende ruimtelijke kwaliteitsslag oplevert. Artikel 3.11, Windenergie 3.11.1 Een ruimtelijk plan voorziet, onverminderd het bepaalde in bepaling 3.11a, niet in de toepassing van windenergie anders dan via realisering van windturbineparken in gebieden die als Zoeklocatie grootschalige windenergie zijn aangeduid op kaart 8a behorende bij de Omgevingsvisie en waarbij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het vermogen van een windturbine dient ten minste 3 MW te bedragen; en b. windturbines dienen ten minste in een cluster van 5 te worden gerealiseerd; en c. in het ruimtelijk plan wordt aangetoond dat rekening is gehouden met laagvliegroutes en laagvlieggebieden. 3.11.2 In afwijking van artikel 3.11.1 kan een ruimtelijk plan wanneer het gaat om kleine installaties voorzien in de toepassing van windenergie binnen en buiten de op kaart 8a behorende bij de Omgevingsvisie aangeduide gebieden die niet voldoet aan de er onder a en b gestelde voorwaarden wanneer deze wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied en bovendien uit het desbetreffende ruimtelijk plan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die past bij de bestaande bebouwings- en/of beplantingshoogte. Artikel 3.11a, Radioastronomie 3.11a.1 Een ruimtelijk plan, voor zover dat gebieden bestrijkt die op kaart 12, Overige aanduidingen van de Omgevingsvisie zijn aangeduid als Zonering radiotelescoop (binnenste ring, zone I) en Zone I LOFAR, voorziet niet in nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden waarbij elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden. 3.11a.2 Een ruimtelijk plan, voor zover dat gebieden bestrijkt, die op kaart 12, Overige aanduidingen van de Omgevingsvisie zijn aangeduid als Zonering radiotelescoop (buitenste ring, zone II) en Zone II LOFAR, laat geen bedrijfsvestiging, -uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten toe waarbij elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden. Artikel 3.12, Nationaal Landschap Drentsche Aa 3.12.1 Het Nationaal Landschap Drentsche Aa betreft het gebied zoals begrensd op de kaartNationaal Landschap Drentsche Aa met als voornaamste kenmerken: - een zeer kleinschalig laaglandbeek- en esdorpenlandschap; - met vrij meanderende beken; en - een samenhangend complex van essen, bossen, heides en moderne ontginningen. Deze kernkwaliteiten zijn uitgewerkt in de Landschapsvisie Drentsche Aa. 3.12.2 Een ruimtelijk plan dat (mede) betrekking heeft op gebied dat deel uitmaakt van het Nationaal Landschap Drentsche Aa: a. voorziet alleen in nieuwe ontwikkelingen als is onderbouwd dat die bijdragen aan behoud en versterking van de kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa conform het Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap Drentsche Aaen het Cultuurhistorisch Kompas; en b. voorziet in elk geval niet in ontwikkelingen die leiden tot realisering van grootschalige stads- of dorpsontwikkeling dan wel tot realisering van grootschalige werklocaties of infrastructuur. 3.12.3 In afwijking van artikel 3.12.2 kan een ruimtelijk plan toch in nieuwe ontwikkelingen voorzien wanneer in het desbetreffende ruimtelijk plan wordt aangetoond dat: a. er sprake is van een groot openbaar belang; en b. er geen reële andere mogelijkheden zijn; en c. de nadelige effecten op het behoud of de versterking van de kenmerken van het Nationaal Landschap Drentsche Aa waar mogelijk worden gemitigeerd en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij:
  65. de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de kenmerken; en
  66. de compensatie plaatsvindt: - aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij het aangetaste gebied; of - door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; - op financiële wijze, indien voornoemde opties niet mogelijk worden geacht; en d. de aard van de effectbeperkende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied en de compensatie duurzaam zijn verzekerd. 3.12.4 Een ruimtelijk plan dat (mede) betrekking heeft op gebied dat deel uitmaakt van het Nationaal Landschap Drentsche Aa voorziet niet in meer wooncapaciteit dan nodig is om te kunnen voldoen aan de woningbehoefte welke wordt berekend op basis van de natuurlijke bevolkingsontwikkeling en een evenwicht tussen het aantal personen dat zich binnen het Nationaal Landschap vestigt en dat daaruit vertrekt. 3.12.5 Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het gestelde in artikel 3.12.4 voor het creëren van extra wooncapaciteit wanneer uit een ruimtelijk plan blijkt dat: a. sprake is van een substantieel negatieve natuurlijke bevolkingsontwikkeling; en b. de bevolkingsafname niet op andere wijze kan worden gekeerd; en c. het plan realisering van niet meer dan een beperkt aantal woningen mogelijk maakt; en d. de kenmerken van het Nationaal Landschap worden behouden of versterkt. Artikel 3.13, Ecologische hoofdstructuur 3.13.1 Tot de ecologische hoofdstructuur behoort het gebied dat op de tot de verordening behorende kaart EHS Concretisering 2010 begrensd is met de aanduiding Provinciale EHS actualisatie
  67. 3.13.2 Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing zoals bedoeld in artikel 3.13.1 wijzigen: a. voor zover door een ecologische onderbouwing is vastgesteld dat de wijziging leidt:
  68. tot een verbetering voor de samenhang in de ecologische hoofdstructuur óf tot een betere inpassing van de ecologische hoofdstructuur in de planologische omgeving, en
  69. tenminste de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen van de ecologische hoofdstructuur in het desbetreffende gebied worden behouden; b. voor kleinschalige ontwikkelingen waarin het vermelde onder artikel 3.13.2, onder a, niet voorziet, en voor zover:
  70. de aantasting van de wezenlijke waarden en van de samenhang van de ecologische hoofdstructuur als gevolg van de ontwikkeling beperkt is; en
  71. de ecologische hoofdstructuur in het desbetreffende gebied kwantitatief of kwalitatief met de ontwikkeling versterkt wordt; en
  72. de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur als gevolg van de ontwikkeling niet afneemt; en
  73. deze zorgvuldig is onderbouwd, waarbij blijkens het ruimtelijk plan alternatieven zijn overwogen; en
  74. de ontwikkeling landschappelijk en natuurlijk blijkens het ruimtelijk plan goed wordt ingepast. 3.13.3 Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebied dat deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur en een wijziging inhoudt ten opzichte van het daaraan voorafgaande ruimtelijk plan maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur significant aantasten. 3.13.4 In afwijking van artikel 3.13.3 kan een ruimtelijk plan nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maken indien: a. er sprake is van een groot openbaar belang; en b. er geen reële andere mogelijkheden zijn; en c. uit het ruimtelijk plan blijkt dat en hoe negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij:
  75. de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke waarden en kenmerken; en
  76. de compensatie plaatsvindt: - aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij de ecologische hoofdstructuur; of - door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; of - op financiële wijze;en d. het ruimtelijk plan inzicht biedt in de aard van de effectbeperkende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied en de wijze waarop die compensatie duurzaam is verzekerd. 3.13.5 In afwijking van artikelen 3.13.3 en 3.13.4 kan een ruimtelijk plan een activiteit of een combinatie van activiteiten mogelijk maken indien uit een in een provinciale of intergemeentelijke structuurvisie neergelegde gebiedsvisie blijkt dat die activiteit of combinatie van activiteiten mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van de ecologische hoofdstructuur per saldo te verbeteren, waarbij in samenhang met een of meer andere ruimtelijke plannen die eveneens behoren tot de desbetreffende structuurvisie: a. de kwaliteit van de ecologische hoofdstructuur verbetert, waarbij de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur niet afneemt; of b. het areaal van de ecologische hoofdstructuur wordt vergroot, ter compensatie van het gebied dat door de ontwikkeling verloren gaat, indien daarmee een beter functionerende ecologische hoofdstructuur ontstaat; en c. in dat ruimtelijk plan verantwoord wordt waaruit de aard, wijze en het tijdstip van realisatie van de kwaliteits- of kwantiteitswinst bestaat. 3.13.6 Een ruimtelijk plan dat met toepassing van artikelen 3.13.4 en 3.13.5 tot stand komt, wordt niet vastgesteld dan nadat gedeputeerde staten hebben aangegeven gebruik te maken van hun bevoegdheid tot herbegrenzing van de ecologische hoofdstructuur. Artikel 3.14, Water 3.14.1 Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebieden die op kaart 9, Oppervlaktewater van de Omgevingsvisie als Beekdal zijn aangeduid, voorziet voor de desbetreffende gebieden niet in nieuwe kapitaalintensieve functies. 3.14.2 In afwijking van artikel 3.14.1 kan een ruimtelijk plan in nieuwe kapitaalintensieve functies voorzien wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van een zwaarwegende maatschappelijk belang; en b. er zijn geen reële alternatieven; en c. de functie vormt op die locatie geen feitelijke belemmering om in de toekomst de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem te vergroten; en d. het negatieve effect op het watersysteem wordt in het desbetreffende ruimtelijke plan gecompenseerd. 3.14.3 Een ruimtelijk plan dat gebied bestrijkt dat op kaart 9, Oppervlaktewater van de Omgevingsvisie als Bergingsgebied is aangeduid, strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. 3.14.4 Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gebied dat een grondwaterwinningfunctie heeft, strekt mede tot bescherming van die functie als grondwaterwingebied. Titel 4, Tegemoetkoming in schade Artikel 4.1, Aanwijzing adviseur(s) 4.1.
  77. Gedeputeerde staten kunnen 1 of 3 adviseurs voor de voorbereiding van een besluit inzake toekenning van een tegemoetkoming in schade als bedoeld in afdeling 6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening aanwijzen. 4.1.
  78. Indien gedeputeerde staten 3 adviseurs aanwijzen, vormen deze 3 adviseurs een schadebeoordelingscommissie. In dat geval wijzen gedeputeerde staten eveneens de voorzitter van genoemde commissie aan. 4.1.
  79. De aan te wijzen adviseurs mogen niet uit anderen hoofde verbonden zijn met belangen van de provincie of van een andere belanghebbende. Gedeputeerde staten waken tegen de schijn van belangenverstrengeling. 4.1.
  80. Aan te wijzen adviseurs zijn op grond van opleiding, kennis en ervaring gekwalificeerd om te adviseren over een besluit inzake de toekenning van een tegemoetkoming in schade. 4.1.
  81. Het voornemen tot de aanwijzing van de adviseur of de adviseurs wordt bekendgemaakt aan de aanvrager en aan andere belanghebbenden. Binnen 2 weken na de bekendmaking kunnen de aanvrager en de andere belanghebbenden hun zienswijzen schriftelijk aan gedeputeerde staten kenbaar maken. 4.1.
  82. Indien gedeputeerde staten na ontvangst van een zienswijze hun voornemen herzien, zijn de artikelen 4.1.2 tot en met 4.1.5 van overeenkomstige toepassing. Artikel 4.2, Werkwijze bij 1 adviseur 4.2.
  83. De adviseur hoort de aanvrager, de eventueel betrokken bestuursorganen en in voorkomend geval de belanghebbende, bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening over de aanvraag. 4.2.
  84. De adviseur bepaalt de dag, tijd en plaats van de hoorzitting en bepaalt tevens de wijze waarop deze zal plaatsvinden. 4.2.
  85. De adviseur draagt er zorg voor dat van de hoorzitting een verslag wordt gemaakt. Het verslag maakt deel uit van het definitieve rapport met bevindingen en advies. 4.2.
  86. Alvorens de adviseur zijn advies uitbrengt, dient hij de aanvrager en in voorkomend geval de belanghebbende als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op het verslag van de hoorzitting en op het ontwerpadvies. 4.2.
  87. Gedeputeerde staten voegen een afschrift van het advies bij hun besluit op de aanvraag. Artikel 4.3, Werkwijze schadebeoordelingscommissie 4.3.
  88. Indien een aanvraag wordt voorgelegd aan een schadebeoordelingscommissie is het gestelde onder 4.2.1 tot en met 4.2.5 van overeenkomstige toepassing. Titel 5, Slotbepalingen Artikel 5.1, Algemene bepalingen ontheffingen 5.1.
  89. Een ontheffing op grond van dit hoofdstuk uit deze verordening kan, behoudens het onder 5.1.1a gestelde, alleen worden afgegeven als een bepaling daarin expliciet voorziet en met inachtneming van het gestelde in dit artikel. 5.1.1a Een ontheffing op grond van dit hoofdstuk uit deze verordening kan worden afgegeven voor ruimtelijke plannen die voortvloeien uit en passen binnen afspraken en/of toezeggingen die gedeputeerde staten hebben gedaan in de periode tot 11 november 2010, dit voor zover een gemeente deze afspraken en/of toezeggingen schriftelijk aantoont. 5.1.
  90. Een ontheffing op grond van dit hoofdstuk uit deze verordening kan alleen worden aangevraagd door de gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente. 5.1.
  91. Een aanvraag voor een ontheffing bevat minimaal: a. een beschrijving van de activiteit waarvoor om een ontheffing wordt verzocht; b. een omschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd; c. een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden. 5.1.
  92. Bij beoordeling van een aanvraag om een beschikking wordt in elk geval rekening gehouden met de geldende provinciale structuurvisie(s). 5.1.
  93. Voorafgaand aan een besluit over de aanvraag wordt de AFLO in de gelegenheid gesteld er schriftelijk advies over uit te brengen. 5.1.
  94. Een ontheffing van een bepaling van deze verordening kan in het belang dat beschermd wordt door die bepaling onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing worden de voorschriften verbonden, die ter bescherming van dat belang nodig zijn. 5.1.
  95. Een ontheffing op grond van dit hoofdstuk wordt niet verleend indien door het stellen van beperkingen of voorschriften niet voldoende kan worden tegemoetgekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd. 5.1.
  96. Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken indien binnen 3 jaar na inwerkingtreding van het besluit waarbij de ontheffing is verleend, geen gebruik is gemaakt van de ontheffing. Artikel 5.2, Inwerkingtreding 5.
  97. Dit hoofdstuk van de Provinciale omgevingsverordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum waarop zij bekend is gemaakt, met uitzondering van de bepalingen 3.8.1 en 3.9.1 die in werking treden per 1 juli
  98. Artikel 5.3, Overgangsbepaling 5.
  99. De bepalingen van dit hoofdstuk in deze verordening zijn niet van toepassing op bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht, vrijstellings- danwel ontheffingsbevoegdheid zijn opgenomen in een ruimtelijk plan dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening als formeel ontwerp ter inzage heeft gelegen. Artikel 5.4, Aanpassingstermijn bestemmingsplan, beheersverordening 5.
  100. In afwijking van artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening wordt het tijdstip waarop bestemmingsplannen en beheersverordeningen in overeenstemming met dit hoofdstuk moet zijn vastgesteld, gesteld op het tijdstip bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening. II. TOELICHTING OP HOOFDSTUK 3 VAN DE PROV INCIALE OMGEVINGSVERORDENING 1, ALGEMEEN Met dit hoofdstuk van de Provinciale omgevingsverordening vertaalt de provincie Drenthe zijn Omgevingsvisie (deels) door naar een verordening voor zover het planologisch relevante aspecten betreft. De Omgevingsvisie als structuurvisie bindt alleen de provincie zelf. De Wet ruimtelijke ordening kent de provincie een scala van instrumenten toe om haar beleid daarnaast extern te laten doorwerken. Vaststelling van een verordening ex artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening is een van die instrumenten. Het is vanuit de AMvB Ruimte - of beter: wordt vanuit de AMvB Ruimte (deze is nog niet in werking getreden) - verplicht de verordening voor erin opgesomde thema's te hanteren. De AMvB Ruimte bevat geen nieuw rijksbeleid, het is een 'beleidsneutrale' vertaling van de Nota Ruimte. Drenthe wil zijn visie realiseren op een manier die recht doet aan de provinciale sturingsfilosofie. Hierin gaat de provincie uit van gelijkwaardigheid en samenwerking met haar partners 'in het veld'. Dit betekent tevens dat de provincie terughoudend omgaat met het neerleggen van provinciale ruimtelijke belangen in een verordening. De voorliggende verordening beperkt zich echter niet tot slechts hetgeen het Rijk via de AMvB Ruimte voorschrijft. Er zijn ook provinciale belangen opgenomen waarvoor geen ministeriële verplichting tot doorvertaling in een verordening bestaat. In de verordening treft u ook bepalingen aan over provinciale belangen waarover: - wij op voorhand volstrekte helderheid over ons standpunt willen geven; - wij willen verankeren welke belangen in elk geval bij een afweging op gemeentelijk niveau moeten worden betrokken alvorens een gemeente een ruimtelijk plan in procedure brengt. Vanuit onze provincie voegen wij inhoudelijke voorschriften en procedurele voorschriften aan de verplicht gestelde onderwerpen vanuit de AMvB Ruimte toe. Een voorbeeld van een inhoudelijke uitspraak is het verbod op weidewinkels. Een voorbeeld van een procedureel voorschrift betreft de verplichting voor gemeenten om in regionaal verband afspraken over woningbouw te maken. Binnen de verordening komt aan gemeenten een belangrijke rol toe. Inhoudelijke bepalingen zijn veelal als verantwoordingsplicht ingericht en niet normstellend. Evenmin wil de provincie in details treden. Menig bepaling laat daartoe interpretatieruimte. Aan gemeenten komt dus ruimte toe om inhoudelijk - tot op zekere hoogte - een eigen invulling te geven, mits deugdelijk onderbouwd. Hetzelfde geldt voor een deel van het kaartmateriaal waaraan in deze verordening wordt gerefereerd. De kaarten voor Bestaand stedelijk gebied, Nationaal Landschap Drentsche Aa en die voor de ecologische hoofdstructuur zijn bijzonder precies. Op perceelsniveau is weergegeven of een locatie binnen de desbetreffende thematische begrenzing valt of niet. Dit betekent dat deze kaarten met enige regelmaat zullen moeten worden herzien om als toetsingskader te kunnen blijven dienen. Dit geldt niet voor de andere kaarten, die uitwerking op gemeentelijk niveau behoeven. Dit geldt bijvoorbeeld voor Robuuste systemen en Multifunctionele gebieden, maar deels ook voor de Visiekaart en kaart Kernkwaliteiten. Binnen de contouren van de verordening en de Omgevingsvisie kan een gemeente dan eigen afwegingen maken. Gedeputeerde Staten zullen die nadrukkelijk volgen en reageren als zij die niet dragend of onzorgvuldig achten, maar primair is eerst de gemeente aan zet. Bij procedurele regels leggen wij niet vast wát een uitkomst van een planologische overweging moet zijn, maar wel de afwegingen die daarbij betrokken moeten worden. Hierbij zij opgemerkt niet uit te sluiten valt dat, ook al onderbouwt een gemeente een plan conform de eisen, gedeputeerde staten de gemaakte belangenafweging niet dragend achten, in welk geval eventueel het verdere Wet ruimtelijke ordening-instrumentarium wordt aangesproken. De provincie beoogt niet uitputtend te zijn in het vastleggen van provinciale belangen in een verordening. Dit betekent ook dat niet alle thema's uit de Omgevingsvisie een plek hebben gekregen. Dat geldt slechts voor die onderwerpen van provinciaal belang waarin voor vastlegging in een verordening een duidelijke meerwaarde bestaat. Het al dan niet voorkomen van een thema in de verordening vormt evenmin een indicatie voor het gewicht dat een beleidsthema heeft. De criteria leggen daarmee dan ook geen relatie. Het is dus niet uit te sluiten dat wij het formeel Wet ruimtelijke ordening-instrumentarium wordt aangewend voor provinciale belangen die niet zijn neergelegd in deze verordening. Dat zal in principe niet gebeuren dan nadat alle mogelijkheden om in onderling overleg met de betrokken partner(s) tot overeenstemming te komen, verbruikt zijn. Zo blijft de provinciale sturingsfilosofie uitgangspunt voor het handelen. Uitwerking van beleid voor een aantal thema's uit de Omgevingsvisie is in ontwikkeling. Het is dan een optie om binnen de geldende kaders verdere beleidsregels op te stellen. Naast het bekende 'co-vergisten' valt daarbij te denken aan windenergie. Dit hoofdstuk van de verordening kent een opbouw die bestaat uit begripsbepalingen, bepalingen over ruimtelijke kwaliteit en een titel waarin wij regels geven over ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor wij staan, of die wij juist afwijzen, en de rol die ruimtelijke kwaliteit bij ontwikkelingen toekomt. Het hoofdstuk kent eveneens een titel over de wijze van afdoening van verzoeken om een tegemoetkoming in schade. Enige afrondende bepalingen zijn noodzakelijk. In het hiernavolgende vindt u de verordening titel- en artikelsgewijs toegelicht. De uitleg van alle bepalingen, en vooral het beleid er achter, is allerminst uitputtend. Het is niet de bedoeling de Omgevingsvisie hier over te nemen. Een verwijzing naar onderliggend beleid kan vaak volstaan. Waar in de verordening begrippen worden gehanteerd die niet gedefinieerd zijn in de begripsbepalingen of in de Omgevingsvisie, kan worden teruggevallen op de andere door provinciale staten vastgestelde beleidsdocumenten, Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening danwel, in tweede instantie, geldende jurisprudentie. Ook de AMvB Ruimte biedt soms aanvullende inzichten, met name daar waar de verordening hiervan een doorvertaling vormt. Mogelijk ten overvloede wijzen wij nog op de verhouding van de verordening tot (inter)nationale wet- en regelgeving. Dit kan van belang zijn voor bijvoorbeeld de wijze waarop met kernkwaliteiten moeten worden omgegaan. Het is niet waarschijnlijk maar wel mogelijk dat voldaan wordt aan deze verordening, maar niet aan (inter)nationale wet-/regelgeving. Die geldt dan uiteraard onverkort. 2, TOELICHTING TITEL 1, ALGEMEEN In Titel 1 vindt u een aantal inleidende bepalingen terug, noodzakelijk voor een goed begrip van en het goed kunnen werken met de verordening. Begripsbepalingen (artikel 1.1) Gewoontegetrouw start een verordening met diverse begripsbepalingen. Termen vindt u met name gedefinieerd daar waar deze noodzakelijk zijn voor een goed begrip van de verordening (bijvoorbeeld de SER-ladder) en daar waar ze specifiek zijn voor de Drentse situatie (bijvoorbeeld kernkwaliteiten) of noodzakelijk in het kader van een verderop opgenomen bepaling (bijvoorbeeld de definitie van lokale en regionale werklocatie, van ruimtelijk plan en van een woonvisie). Zo veel mogelijk is met de begripsomschrijvingen aangesloten bij de terminologie in de Omgevingsvisie. Adviescommissie voor de Fysieke Leefomgeving Drenthe (artikelen 1.2 tot en met 1.6) De Adviescommissie voor de Fysieke Leefomgeving Drenthe vervult al lange tijd een rol in de advisering rondom ruimtelijke plannen. Met de toevoeging van het voorliggende hoofdstuk aan de POV is het logisch om deze rol niet langer te beschrijven via een afzonderlijk reglement, maar deze op te nemen in dit hoofdstuk. Aan rol van de commissie verandert niets. De bepalingen zijn overgenomen van het huidige reglement. Dit wordt momenteel geëvalueerd. 3, TOELICHTING TITEL 2, RUIMTELIJKE KWALITEIT Titel 2 handelt over de ruimtelijke kwaliteit van Drenthe. Deze funderen wij in onze Omgevingsvisie op 3 aspecten: kernkwaliteiten, SER ladder en milieu- en leefomgeving. Elk van de 3 elementen is terug te vinden in de bepalingen van de verordening. Hierna worden ze afzonderlijk toegelicht. Overigens zal blijken dat deze 3 - voor ons - basiselementen van ruimtelijke kwaliteit ook een rol in Titel 3 Bruisend Drenthe hebben, want ruimtelijke kwaliteit willen we behouden en versterken, zeker ook wanneer nieuwe ontwikkelingen worden ontplooid. Kernkwaliteiten en kernwaarde bedrijvigheid (artikel 2.1)

Kernkwaliteiten In de begripsbepalingen vindt u de kernkwaliteiten gedefinieerd. Op kaart 2, Kernkwaliteiten van de Omgevingsvisie vindt u de kernkwaliteiten weergegeven.

en kaart 2, Kernkwaliteiten zijn soms nog globaal. Voor zover dat zo is, ligt bij gemeenten de opdracht deze bij planontwikkeling te concretiseren. Hoewel dat niet uit de kaart blijkt, ligt binnen bestaand stedelijk gebied de verantwoordelijkheid voor kernkwaliteiten bij de gemeente. Een uitzondering hierop wordt gemaakt voor archeologie (kaart 2E) en in specifieke gevallen voor cultuurhistorie. Het provinciaal belang voor cultuurhistorie geldt alleen binnen bestaand stedelijk gebied als de kern is opgenomen op de kaart cultuurhistorie hoofdstructuur (kaart 2F). Provinciale belangen voor alle kernkwaliteiten vindt u ook afzonderlijk op kaart gepresenteerd (kaarten 2A-2F). Provinciale staten stelden de kaart Kernkwaliteiten vast. Om praktische redenen komt aan gedeputeerde staten de bevoegdheid toe om deze te wijzigen. Het is aan de gemeente om als eerste een ruimtelijke visie op een gebied te formuleren. Dat een gebied een 'witte vlek' is voor wat betreft aanwezigheid van kernkwaliteiten, maakt een locatie niet tot een gebied zonder ruimtelijke kwaliteit. Het is slechts de afwezigheid van kernkwaliteiten c.q. ruimtelijke kwaliteiten van provinciaal belang, die geconstateerd kan worden. Vanuit een monitorende rol ziet de provincie erop toe dat gemeenten in de 'witte vlekken' in elk geval een basisniveau aan ruimtelijke kwaliteit bereiken. Onze beleidsdoelen voor de diverse kernkwaliteiten, zoals voor bijvoorbeeld landschap verwoord in paragraaf 4.2.1 van de Omgevingsvisie, gelden in die gebieden onverkort en de provincie volgt de wijze waarop gemeenten hiermee omgaan. Bijdragen aan behoud en ontwikkeling (hiermee wordt bedoeld: versterking) van kernkwaliteiten is wat met de

in de voorliggende verordening wordt beoogd. De bepalingen voor kernkwaliteiten zijn niet in beton gegoten. De regels zijn als verantwoordingsplicht ingericht. Gemeenten zullen binnen de kaders van de Omgevingsvisie de kernkwaliteiten ook moeten uitwerken naar hun ruimtelijke plannen. Ze zijn daarbij gebonden aan de kaders van het provinciaal beleid. Dat is neergelegd in de Omgevingsvisie en uitwerkingen zoals het Cultuurhistorisch Kompas en de beleidsnota Aardkundige waarden* die beiden onder andere een verbijzondering bevatten voor de beschermingsniveaus van de desbetreffende kernkwaliteiten. * Deze komt onder de naam 'wAardevol Drenthe' in rapportvorm uit; reden waarom die naam ook wordt gehanteerd. Het begrip informatiewaarde is omschreven in de begripsbepalingen. Informatiewaarde van een kernkwaliteit speelt ingevolge de bepalingen in de verordening bij de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden. Informatiewaarde wordt bepaald door de mate waarin (een opgraving van) een kernkwaliteit een bijdrage kan leveren aan nieuwe kennisvorming over het verleden. De informatiewaarde wordt mede bepaald door de ensemblewaarde*. De informatiewaarde wordt gebaseerd op een analyse van kennislacunes en actuele vraagstellingen. In eerste instantie is bepalend de huidige stand van kennis over vergelijkbare monumenten uit dezelfde periode in de provincie. * 'Ensemblewaarde' is de waarde van een samenhangende hoeveelheid kernkwaliteiten (of objecten). Wanneer een onderdeel van de samenhang wegvalt, gaat mogelijk alle informatie verloren. Er zijn verschillende soorten kennislacunes te onderscheiden, die al dan niet gecombineerd kunnen voorkomen:

  1. geografische kennislacunes: gebieden waarvan relatief weinig gegevens bekend zijn;
  2. chronologische kennislacunes: perioden waarover wij nog relatief slecht geïnformeerd zijn;
  3. inhoudelijke of thematische kennislacunes: deze hebben betrekking op uiteenlopende aspecten van de geschiedenis van Nederland. Als de zeldzaamheid 'hoog' is beoordeeld, is de informatiewaarde veelal ook 'hoog'. De andere scores kunnen verschillen: ook bij veel voorkomende typen van kernkwaliteiten kunnen kennishiaten bestaan terwijl anderzijds een kernkwaliteit dat op zeldzaamheid gemiddeld scoort, kan behoren tot een categorie waarover veel informatie voorhanden is. Kernwaarde bedrijvigheid Naast ons beleid voor kernkwaliteiten zetten wij in onze Omgevingsvisie de kernwaarde bedrijvigheid. Deze hebben wij in het voorliggende stuk afgebakend en via een verbijzonderingsbepaling op een lijn met kernkwaliteiten geplaatst. Van streven naar behoud en versterking van kernkwaliteiten kan in deze verordening dus worden afgezien als kernkwaliteiten het 'afleggen' tegenover de kernwaarde bedrijvigheid (artikel 2.1.2) die even zwaar weegt als kernkwaliteiten. Zo'n keuze moet wel zorgvuldig - en dus ook dragend - onderbouwd worden. Een ruimtelijk plan kan voor het overige geen nieuwe activiteiten toestaan die kernkwaliteiten significant aantasten. Wat 'significant' (een term uit artikel 2.1.1) is, wordt in principe bepaald door de contouren die de Omgevingsvisie voor de omgang met kernkwaliteiten stelt. Significant is een ontwikkeling dus niet wanneer omgegaan wordt met de kernkwaliteiten conform de Omgevingsvisie en uitwerkingen als het Cultuurhistorisch Kompas. Wordt buiten ons beleid getreden, dan is in principe wél sprake van een significante aantasting. Te denken valt aan een ingreep die de samenhang van een robuust natuursysteem aantast, of een onomkeerbare ingreep in gebied met grote cultuurhistorische waarde. Wij verwachten dat een gemeente dan in overleg met Gedeputeerde Staten treedt om een gezamenlijk gedragen oplossing te vinden binnen de kaders van het provinciaal beleid. De provincie schrijft in deze verordening niet rechtstreeks voor hoe kernkwaliteiten behouden en versterkt moeten worden. Het doel staat voorop en gemeenten moeten daaraan een eigen invulling geven. Doorgaans is een

van kernkwaliteiten in de voorschriften hiervoor onontbeerlijk. Als nuancering op de basisregel gelden naast hetgeen hiervoor is gesteld over de kernwaarde bedrijvigheid de opgenomen uitzonderingsbepalingen. Deze zien onder andere op onderlinge strijdigheid van kernkwaliteiten en op de situatie waarbij kernkwaliteiten een belemmering vormen voor ontwikkeling van robuuste landbouw. Ook bij ontheffing kan afgeweken worden van artikel 2.1.1 in het geval sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waarbij voor compensatie wordt gezorgd (artikel 2.1.6). Bij ontwikkelingen van zwaarwegend maatschappelijk belang kan onder andere worden gedacht aan de noodzakelijke uitbreiding van een bestaand recreatiebedrijf gericht op het waarborgen van een duurzame bedrijfseconomische grondslag met als oogpunt het bewerkstelligen van een kwalitatieve impuls van het toeristisch-recreatieve product. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een uitbreiding in de geest van het project Natuurlijke recreatie. In alle situaties willen wij dat de informatiewaarde van eventueel verloren gaande kernkwaliteiten behouden blijft als dit volgens het beleid voor de desbetreffende kernkwaliteit wenselijk en mogelijk is. Soms kan dit door documentatie, soms is een opgraving noodzakelijk. Het veilig stellen speelt bij de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden. Tot slot wordt gewezen op de potentiële spanning tussen de

voor kernkwaliteiten en die voor het Nationaal Landschap Drentsche Aa en de ecologische hoofdstructuur (zie de toelichting op de artikelen 3.12 en 3.13). Achtergrond Bij de totstandkoming van de Omgevingsvisie haalde de provincie onder een zo breed mogelijk publiek die aspecten op die volgens hen de ruimtelijke identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe vormen. Deze 'Kernkwaliteiten' worden in paragraaf 2.4.1 van de Omgevingsvisie geïntroduceerd. Ze vormen voor de provincie Drenthe de belangrijkste basis voor het begrip ruimtelijke kwaliteit. In paragraaf 4.1.1 van onze Omgevingsvisie worden de kernkwaliteiten uiteengerafeld. Het gaat om stilte en duisternis, openheid van het landschap, natuur binnen de ecologische hoofdstructuur, diversiteit en gaafheid van landschappen, cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden, sociale externe en verkeersveiligheid, leefbaarheid en een maat passend bij Drenthe. Deze kwaliteiten worden in paragraaf 4.2.1 tot en met 4.2.4 uitgewerkt. Het daar gestelde is uitgangspunt van het provinciaal handelen. De kaart 2, Kernkwaliteiten van de Omgevingsvisie is van groot belang. De provincie voelt zich verantwoordelijk voor behoud en ontwikkeling van de op deze kaart aangeduide kwaliteiten. Enige nuanceringen op de kaart moeten wel worden aangebracht, zoals hiervoor al toegelicht. Kortheidshalve wordt hier verder verwezen naar paragraaf 4.1.1 in de Omgevingsvisie. Het belang van het Cultuurhistorisch Kompas als uitwerking van de kernkwaliteiten cultuurhistorie en archeologie moet benadrukt worden. De provinciale visie op deze aspecten vindt u erin uitgewerkt. Deze visie geeft veel verdieping bovenop de Omgevingsvisie, zowel qua sturingsfilosofie op dit punt als waar het de karakteristiekbeschrijvingen betreft, en zal in de praktijk veelal als basis voor beoordeling en begeleiding van nieuwe initiatieven dienen. De erin opgenomen sturingsniveaus (respecteren, voorwaarden stellen, eisen stellen) werken door via de Omgevingsvisie. Het is de bedoeling om het Cultuurhistorisch Kompas ook zelfstandig als structuurvisie vast te stellen. Meer achtergrondinformatie over onze visie op het Drentse landschap vindt u in de Nota Landschap. Deze nota stamt uit 1998 en zal geactualiseerd gaan worden. In paragraaf 7.2 (Sturingsprincipes) van de Omgevingsvisie wordt toegelicht hoe het provinciebestuur behoud en ontwikkeling van kernkwaliteiten in de praktijk zal nastreven. Het compensatiebeginsel uit artikel 2.1.6 is in paragraaf 7.5 verwoord. Hieraan wordt onder andere een kwaliteitstoeslag gekoppeld. De AMvB Ruimte vereist niet letterlijk een

op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Wel vereist de AMvB (artikel 2.5, vijfde lid) regels voor landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing buiten het bestaand stedelijk gebied. Indirect is een

over ruimtelijke kwaliteit onvermijdelijk bij gebruik van het instrument verordening. Milieu- en leefomgevingkwaliteit (artikel 2.2)

Met de bepaling in de voorliggende verordening verzekeren wij de verantwoording van gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen met gemeentegrensoverschrijdende effecten. Wij verwachten niet dat dit leidt tot beperkingen boven regels die op basis van landelijke regelgeving toch al gelden, maar gezien het grote belang dat wij en ook de Drentse bevolking hecht aan aspecten van milieu- en leefomgevingkwaliteit is dit in de voorliggende

verankerd. Achtergrond Aspecten van milieu- en leefomgevingkwaliteit moeten op basis van nationale regelgeving welhaast onvermijdelijk hun vertaling krijgen in gemeentelijke plannen. Dit geldt onder andere voor water, luchtkwaliteit, lichthinder, geluid, geur, bodem, externe veiligheid en buisleidingen. De provincie ziet een rol voor onszelf weggelegd waar deze aspecten gemeentegrensoverstijgend zijn dan wel op een andere manier samenhangen met provinciale verantwoordelijkheden, zoals in paragraaf 4.1.3 van de Omgevingsvisie uiteengezet. Met de kernkwaliteiten en zorgvuldig ruimtegebruik geeft dit aspect invulling aan ons begrip van ruimtelijke kwaliteit. Ook daarom kan het niet weggelaten worden. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.3)

In de begripsbepalingen van de verordening wordt omschreven wat de SER-ladder voor ons betekent. Wat artikel 2.3 daaraan toevoegt, is de situaties vastleggen waarin de SER-ladder in elk geval wordt toegepast en de situaties waarin dat bij wijze van uitzondering niet hoeft. Achtergrond Een belangrijk uitgangspunt van ons omgevingsbeleid is om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte in onze provincie. In paragraaf 4.1.2 is dat principe nadrukkelijk verwoord. Het relatief bescheiden percentage bestaand stedelijk gebied in onze provincie is een van de aspecten die Drenthe maakt tot wat het is. Wij verankeren via deze verordening daarom dat gemeenten de SER-ladder toepassen. Kort gezegd zorgt deze ervoor dat inbreiding voor uitbreiding gaat en er niet nodeloos gebouwd wordt los van bestaande bebouwingsconcentraties. De SER-ladder moet worden toegepast voor wonen, bedrijvigheid en infrastructuur. Ook de AMvB Ruimte schrijft dit overigens voor. Wij willen de SER-ladder tevens hanteren voor recreatie en toerisme en in de landbouwsector. Bij ontwikkelingen in deze sectoren gaat het vooral om het denkmodel dat gehanteerd moet worden, reden waarom in artikel 2.3 deze thema's niet expliciet worden genoemd. 4, TOELICHTING TITEL 3, BRUISEND DRENTHE Waar Titel 2 van dit hoofdstuk zich richt op dat wat het huidige Drenthe bijzonder maakt, verwoordt Titel 3 randvoorwaarden die van provinciewege gelden voor nieuwe ontwikkelingen. Aanwijzing bestaand stedelijk gebied (artikel 3.1)

Bij de verordening is de kaart Bestaand stedelijk gebied vastgelegd. Door ontwikkelingen zal het nodig zijn met enige regelmaat de begrenzing aan te passen. Dat gebeurt zo vaak als nodig maar minimaal eens per 4 jaar. De begrenzing heeft direct geen, maar indirect zeker wel consequenties doordat andere bepalingen uit de verordening deze gebruiken (zie bijvoorbeeld artikel 2.3 of 3.9.3). In de begripsbepalingen is een definitie van het Bestaand stedelijk gebied opgenomen. Achtergrond De provincie moet algemene regels formuleren gericht op bundeling van nieuwe bebouwing en zorgvuldig ruimtegebruik buiten het Bestaand stedelijk gebied. Deze algemene regels richten zich op de inhoud van of toelichting bij bestemmingsplannen die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe bebouwing kan toestaan binnen het Bestaand stedelijk gebied, aansluitend op het Bestaand stedelijk gebied of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten. De in dit artikel vastgelegde begrenzing dient primair als geografische referentie voor de uitvoering van regels met betrekking tot bouwen in landelijk gebied, de Wadden en het kustfundament. Om geen onduidelijkheid te laten ontstaan over wanneer er sprake is van regels die gelden binnen het Bestaand stedelijk gebied of daarbuiten, verplicht de AMvB de provincie om het gebied geometrisch in kaart te brengen. Het Bestaand stedelijk gebied moet in ieder geval binnen een periode van 4 jaar, gerekend vanaf de dagtekening van het desbetreffende aanwijzingsbesluit telkens worden geactualiseerd. Overigens is het vastleggen van het bestaand stedelijk gebied in de verordening een opdracht die de provincie heeft vanuit de AMvB Ruimte. De AMvB Ruimte bevat zelf geen uitgebreid afwegingskader waarmee kan worden bepaald of een bebouwingscluster wel of niet tot het Bestaand stedelijk gebied moet worden gerekend. Hiervoor is in opdracht van het Ministerie van VROM de (concept)handreiking bestaand stedelijk gebied (26 maart 2010) opgesteld door de TU Delft*. De daarin neergelegde criteria voor aanwijzing van het Bestaand stedelijk gebied zien op een stappenplan met inhoudelijke afwegingen waarmee tot een zorgvuldige begrenzing kan worden gekomen. Dit houdt eveneens in dat niet elke bebouwing automatisch tot het stedelijk gebied wordt gerekend. Genoemde concepthandreiking blijft de provincie in de toekomst hanteren wanneer de vraag of nieuwe bebouwing tot het Bestaand stedelijk gebied moet worden gerekend voorligt. * Voorheen werd de terminologie Bestaand bebouwd gebied gehanteerd. Deze is verlaten voor de in deze verordening gehanteerde term. Basisbepalingen (artikel 3.2)

Artikel 3.2.1 is van groot belang voor de dagelijkse praktijk.

Het schetst het basisprincipe dat de bepalingen uit Titel 2, Ruimtelijke Kwaliteit moeten worden meegenomen wanneer ruimtelijke ontwikkelingen worden beoogd. Deze bepaling wil buiten twijfel stellen dat ruimtelijke kwaliteit bewaard en - zo mogelijk - versterkt moet worden als ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Artikel 3.2.2 daagt gemeenten uit om na te denken over de wijze waarop een ruimtelijk plan bijdraagt aan de in onze Omgevingsvisie gestelde thematische beleidsdoelen (hoofdstuk 4), maar ook over de wijze waarop het plan bijdraagt aan de erin geschetste gebiedsperspectieven (hoofdstuk 5). Hieronder verstaan wij mede de bijdrage aan vitaliteit en kwaliteit van de groene ruimte, in elk geval waar het de mogelijkheden voor herbestemming van bestaande bebouwing betreft. Achtergrond De eisen waaraan voor ruimtelijke kwaliteit moet worden voldaan, zijn bij de toelichting op Titel 2 reeds verwoord. Deze verwijst deels weer door naar de tekst van de structuurvisie(s), waarin de diverse kernkwaliteiten worden toegelicht. Voor meerdere kernkwaliteiten gelden beschermingsregimes die gelijken aan het gedachtegoed van het Cultuurhistorisch Kompas. Naast het voorgaande geldt dat de AMvB Ruimte (artikel 2.5, vijfde lid) vereist dat de provincie regels stelt die ertoe leiden dat nieuwe bebouwing buiten het bestaand stedelijk gebied landschappelijk verantwoord worden ingepast. Koppelbepaling 3.2.1 geeft aan dat vereiste mede invulling. De AMvB vereist ook een

voor bestaande bebouwing in de groene ruimte (artikel 2.6 van de AMvB Ruimte), meer in het bijzonder voor herbestemming van bestaande bebouwing aldaar. Robuuste systemen (artikel 3.3)

De bepaling voor Robuuste systemen wil bewerkstelligen dat de in de Omgevingsvisie aan een bepaald gebied toegekende hoofdfunctie als zodanig blijft functioneren en liefst versterkt wordt. De bepaling is in vrij brede bewoordingen vervat. Er ligt meer een opgave in de bepaling verscholen dan dat sprake is van directe normstelling. De bepaling sluit niet alle ontwikkelingen uit die anders zijn dan de functie van het robuuste systeem dat ter plaatse is aangeduid, zo lang de robuustheid van het systeem als zodanig maar niet in het geding komt. Achtergrond De Omgevingsvisie (paragraaf 3.1) hanteert 4 robuuste systemen die elk als drager voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden. De robuuste systemen zijn het sociaal-economisch systeem, het watersysteem, het natuursysteem en het landbouwsysteem. Binnen robuuste systemen staat de ontwikkeling van de hoofdfunctie voorop. Waar robuuste systemen samenkomen, is maatwerk nodig. Het watersysteem valt altijd samen met andere systemen. Multifunctionele gebieden (artikel 3.4)

De bepaling voor Multifunctionele gebieden wil bewerkstelligen dat waar blijkens de (kaart bij de) Omgevingsvisie in een bepaald gebied meerdere functies voorkomen zonder er een dominant is, de van oudsher bestaande en/of dominante functie bij planontwikkeling ontzien wordt. De bepaling is in vrij brede bewoordingen vervat. Er ligt meer een opgave in de bepaling verscholen dan dat sprake is van directe normstelling. Multifunctionele gebieden zijn gedefinieerd in de begripsbepalingen. Achtergrond In paragraaf 3.1 en 4.4 vindt u onze beleidsprincipes voor Multifunctionele gebieden verwoord. Ondergrond (artikel 3.6)

In de Structuurvisie ondergrond zetten wij uitgebreid uiteen hoe onze provincie aan ambities voor de ondergrond invulling gaat geven. Drenthe is ambitieus waar het WKO en geothermische energie betreft. Wij willen gemeenten uitdagen om op dit gebied ambities te vormen en achten het in dat kader gepast om voor deze thema's een verantwoordingsplicht in dit hoofdstuk neer te leggen. Onze Structuurvisie ondergrond is terughoudend waar het opslag van allerhande afvalstoffen in de ondergrond betreft. In zijn algemeenheid wijst de provincie dit af en in het bijzonder geldt dit voor gevaarlijk en radioactief afval. Dat is in deze verordening opgenomen. Bij 'gevaarlijke afvalstoffen' gaat het om de stoffen die onder de in de Wet milieubeheer opgenomen definitie worden begrepen. De provincie spant zich met gemeenten in om de emissie van CO2 te reduceren, duurzame energie te ontwikkelen en te besparen op het gebruik van fossiele brandstoffen. In artikel 3.6.5 gaat het om ruimtelijke ontwikkelingen die aan de thans in uitvoering zijnde winning van olie en gas in de weg kunnen kan staan. Achtergrond Onze Omgevingsvisie gaat slechts summier in op onze ambities voor de ondergrond. Uit paragraaf 4.1.3 van de Omgevingsvisie blijkt wel onze terughoudendheid bij opslag van afvalstoffen in de ondergrond. In de Structuurvisie ondergrond 'Met Drenthe de diepte in' leggen wij onze beleidskeuzes voor de ondergrond alomvattend neer. De ondergrond wordt daarbij onderscheiden naar de occupatielaag, contactlaag, de waterlaag en de diepe ondergrond. Het beleidsstuk richt zich op warmte- en koudeopslag (WKO), verband houdend met ruimtegebruik van de contactlaag en de waterlaag, en de diepe ondergrond (dat is vanaf 500 meter tot kilometers diep onder het aardoppervlak). Ons beleid voor de contactlaag en waterlaag is voor het overige in beleidsdocumenten als de Omgevingsvisie verwoord. De structuurvisie behelst de thema's: - winning en opslag van energie via open of gesloten WKO; - (verbeterde) winning van gas uit huidig producerende velden; - nieuwe gaswinning uit een aantal nog te exploiteren kleine gasvelden; - verbeterde oliewinning uit het veld Schoonebeek; - winning van zout uit zoutkoepels; - winning van geothermische energie in de vorm van elektriciteit en/ of warmte; - strategische (= tijdelijke) opslag van aardgas en opslag van biogas of industriële gassen in lege gasreservoirs of zoutcavernes; - (tijdelijke) opslag van energie in de vorm van perslucht in zoutcavernes; - permanente opslag van gasvormige of vloeibare afvalstoffen in lege gasreservoirs; - permanente opslag van gas (CO2) in diepe zoutwaterlagen (aquifers). De in de Structuurvisie ondergrond gemaakte beleidskeuzes zijn bijzonder helder en voor elk van de deelonderwerpen in concrete opgaven vertaald. Een aantal van de in de Structuurvisie neergelegde keuzes heeft bovendien duidelijke ruimtelijke ordening componenten. Waar dit het geval is, zijn ze in de voorliggende verordening vertaald. Ook hier blijft de voorliggende verordening dus beleidsneutraal van aard. De verordening blijft ook voor de ondergrond terughoudend in de wijze waarop regels aan ontwikkelingen worden gesteld. U vindt een aantal thema's dat op zich ruimtelijk te vertalen is op dit moment daarom niet terug in deze verordening. Een en ander hangt ermee samen dat de provincie primair inzet op het 'zachte instrumentarium'. Een provinciaal belang is hier nadrukkelijk aanwezig zodat de provincie ter behartiging ervan eventueel op het verdere Wet ruimtelijke ordening-instrumentarium terugvalt. Agrarische bedrijvigheid (artikel 3.7)

Landbouw krijgt maximale speelruimte daar waar gebieden op de visiekaart (kaart 1, Visie 2020) als landbouwgebieden zijn aangeduid. Bepaling 3.7.1 stelt buiten kijf. Tegelijkertijd moet deze bepaling in redelijkheid gelezen worden. Bij elke ontwikkeling die een andere is dan landbouw kan een vorm van beperkend effect worden verondersteld. Het gaat hier om effecten die het huidige functioneren en de toekomstbestendigheid van landbouwbedrijven ter plaatse aantoonbaar aantasten. Bepaling 3.7.3 over agrarische bedrijvigheid sluit nieuwvestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij uit. Het is belangrijk om te duiden dat dit óók betekent dat het opstarten van een nieuwe intensieve neventak niet mogelijk is. Uitbreiding van een bestaande intensieve neventak is wel mogelijk. Wil sprake zijn van een neventak, dan blijft de hoofdfunctie altijd bestaan uit grondgebonden agrarische bedrijvigheid. De definitie van een landschappelijk inpassingsplan vindt u in de begripsbepalingen. Deze kan niet slechts een vrijblijvend karakter hebben. Nieuwe glastuinbouw is beperkt mogelijk. 'Ondersteunend glas' is wel in principe toegestaan. In bepaling 3.7.5 gaat het om het gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. In de bepaling, onder a, wordt gerefereerd aan de hoofdfunctie. Daaronder vallen ook voorziene toekomstige ontwikkelingen. 'Niet milieubelastend' refereert aan de ruimtelijke impact. Activiteiten die vallen onder de categorieën 1 en 2 van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' vormen sowieso geen beletsel. Verkeersaantrekkende werking en buitenopslag spelen voor de ruimtelijke impact ookmee. Uitgangspunt is dat het gebruik niet met extra bebouwing gepaard gaat. Dit is echter niet in de verordening neergelegd, daar wij vinden dat ruimte moet blijven voor lokaal maatwerk binnen de door ons in bepaling 3.7.5. gestelde randvoorwaarden. Achtergrond In de Omgevingsvisie (paragraaf 4.3.4) wordt uitvoerig ingegaan op het beleid voor de Robuuste landbouw. Hetgeen u in deze verordening vindt, vormt een doorvertaling van de beleidskeuzes. In de paragraaf vindt u ook de locaties in Emmen (Klazienaveen, het Rundedal en Erica) voor concentratie van glastuinbouw benoemd. De AMvB Ruimte (artikel 2.6, tweede lid) vereist regels voor herbestemming van bestaande bebouwing in het buitengebied (vrijkomende agrarische bedrijvigheid). Woningbouw (artikel 3.8)

Met de bepalingen voor woningbouw wil de provincie garanderen dat gemeenten gelegen in eenzelfde woonregio hun plannen voor woningbouwontwikkeling op dit gebied onderling afstemmen en vervolgens met de provincie afspraken maken over onder andere de programmering. De basis daarvoor is de regionale woonvisie. Met 'afstemmen' wordt in principe overeenstemming bedoeld. In de begripsbepalingen van dit hoofdstuk van de verordening zijn de relevante definities terug te vinden over de regio's en inhoud van de regionale woonvisie. De afstemmingsbepalingen treden per 1 juli 2012 in werking (zie toelichting op bepaling 5.1). Conform het gestelde in de AMvB Ruimte geven wij gemeenten de mogelijkheid om rood-voor-groen- en ruimte-voor-ruimteregelingen te effectueren die buiten voornoemde afstemmingsplicht vallen. Achtergrond In de Omgevingsvisie (paragraaf 4.3.1) zetten wij onze visie op het wonen uiteen. In de verordening is vooralsnog slechts het principe neergelegd dat de provincie geen bemoeienis heeft met het gemeentelijk woonplan zelf, maar wil sturen op de regionale afstemming in een woonregio. Bundeling- en doelgroepprincipes en kwantitatieve plafonds zijn in deze verordening evenmin vastgelegd. Voor de kwantitatieve plafonds zijn bestuurlijke afspraken leidend waarmee wordt kan worden ingespeeld op wijzigende (markt)omstandigheden waardoor bijstelling van plafonds noodzakelijk is. Het ligt in de rede om in een cyclus van 2 jaar programmeringsafspraken te evalueren op actualiteit en eventuele bijstelling. Eventueel worden voor hiervoor andere Wet ruimtelijke ordening-instrumenten gehanteerd. Nieuwbouw binnen de kaders van de ruimte-voor-ruimteregeling en rood-voor-groenbeleid valt buiten de provinciale woningbouwbepalingen. Voor deze verordening geldt het beleid voor landgoederen als rood-voor-groenbeleid. Voornoemd beleid is geen zelfstandige grondslag voor een bouwvergunning/omgevingsvergunning. De gemeente moet het doorvertalen naar eigen ruimtelijke plannen om er concreet gebruik van te kunnen maken. Bedrijvigheid (artikel 3.9)

Met de bepalingen voor bedrijvigheid wil de provincie garanderen dat gemeenten gelegen in eenzelfde stedelijk netwerk hun plannen voor regionale bedrijvigheid onderling afstemmen. Met 'afstemmen' wordt overeenstemming bedoeld. Om het voornoemde te concretiseren, kunt u in de begripsbepalingen de relevante definities terugvinden, zoals voor een regionale werklocatie. Deze afstemmingsbepalingen treden per 1 juli 2012 in werking (zie de toelichting op bepaling 5.3). Dit laat overigens onverlet dat het beleid zoals neergelegd in de Omgevingsvisie onverkort van toepassing is. Zie ook de toelichting op titel 5. Naast bepalingen over de afstemming zijn bepalingen opgenomen die zien op lokale werklocaties, inpassing (of uitsluiting) van milieuhinderlijke bedrijvigheid, alsmede bepalingen die zien op de mogelijkheid bedrijven te vestigen of uit te breiden buiten bestaand gebied. De bepalingen voor detailhandel zijn een doorvertaling uit de AMvB Ruimte. Het beleid voor Agroparken (Omgevingsvisie, pagina 50) valt vooralsnog nadrukkelijk buiten het gestelde in deze verordening. Het eerste lid van bepaling 3.9.3 geeft weer op welke wijze een lokale werklocatie dient te worden getypeerd. De genoemde elementen vormen geen harde sturingscriteria. Wel dient beleidsmatig te worden gewaarborgd dan wel te worden bespoedigd dat de ontwikkeling van een lokale werklocatie zoveel mogelijk aansluit bij deze typering. De randvoorwaarden zoals gesteld in het tweede tot en met het vierde lid dienen daarbij onvoorwaardelijk in acht te worden genomen en eventueel te worden geconcretiseerd binnen het desbetreffende ruimtelijke plan. Die randvoorwaarden geven op het niveau van het provinciaal belang een goede aanzet tot waarborging van de kenmerken 'kleinschalig en lokaal georiënteerd'. 'Kleinschaligheid en lokale oriëntatie' hangt vooral samen met de zwaarte van bedrijvigheid (in elk geval categorie 1 tot en met 3 van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering', en op basis van gemotiveerd uitzonderingsbeleid is eventueel ook vestiging van categorie-4-bedrijven mogelijk) en de ruimtelijke impact ervan. 'Regionaal georiënteerd' is een bedrijf wanneer deze boven de criteria van een lokaal georiënteerd bedrijf uitstijgt. Het gaat hier niet om sociaaleconomische elementen die als sturingscriteria worden gebruikt, maar om criteria met betrekking tot de ruimtelijke impact, met name in termen van aard en omvang. Het gaat hier niet om bedrijven uit de agrarische sector, de sector recreatie en toerisme en functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijven, zoals loonbedrijven en grondverzetbedrijven. Wat een 'zwaarwegend' argument is, valt op voorhand niet sluitend te duiden. De term geeft wel een duidelijke gradatie aan. Hetzelfde geldt de factor werkgelegenheid. Achtergrond In onze Omgevingsvisie ligt veel nadruk op de betekenis van bedrijvigheid voor onze provincie. Het is een kernwaarde, die even zwaar weegt als de kernkwaliteiten (paragraaf 2.4.1 van de Omgevingsvisie). Van provinciewege zetten wij, zo blijkt uit onze Omgevingsvisie, in op een dynamische, vitale en zichzelf vernieuwende regionale economie. In paragraaf 4.3.1 van de Omgevingsvisie is dit doel uitgewerkt. Een robuuste sociaaleconomische is het doel waarbij het onderscheid stedelijke en groene omgeving centraal staat. Qua regulering van de bedrijfsmatige activiteiten in deze verordening stellen wij ons terughoudend op. De regels verankeren primair de afstemming tussen gemeenten over de regionale werklocatievisie. Het is denkbaar dat gemeenten onderling niet tot een vergelijk komen over afstemming van de visie. In dat geval zal de provincie met de desbetreffende gemeente overeenstemming moeten bereiken. Voor het handelen van gedeputeerde staten is het Convenant bedrijventerreinen 2010-2020 verder uitgangspunt. De AMvB Ruimte (artikel 2.7 en volgende) verplicht de provincie regels op te stellen over de wijze waarop nieuwe werklocaties en uitbreiding van bestaande werklocaties tot stand kunnen komen. Deze AMvB schrijft eveneens voor dat de provincie regels oplegt over bestemmingsplannen waar het detailhandel betreft. Daaraan hebben is in algemene termen invulling gegeven. Daarin hebben we op dit thema meer vertrouwen dan in het slaan van harde 'piketpaaltjes'. De provincie gaat er overigens van uit dat gemeenten in ruimtelijke plannen de VNG-uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' toepassen. Dat betekent overigens óók dat waar een bedrijf volgens die uitgave in een bepaalde categorie valt, doch de gemeente kan onderbouwen dat die feitelijk in een lagere categorie thuishoort, de gemeente van die lagere categorie mag uitgaan. De uitgave voorziet daarin. Voor de volledigheid merken wij tot slot op dat onder 'weidewinkel' niet wordt verstaan verkoop bij de boer. Het moet dan in hoofdzaak gaan om de verkoop van diens zelf geproduceerde producten. Mobiliteit (artikel 3.9a)

Artikel 3.9a regelt een 'mobiliteitstoets'.

Onder verkeersbewegingen die 'van wezenlijke invloed op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur' wordt een zodanige toename van de verkeersintensiteit en/of wijziging van de verkeerssamenstelling verstaan, dat zonder extra maatregelen of voorzieningen problemen kunnen optreden met betrekking tot de doorstroming, de (verkeers)veiligheid of de milieusituatie (luchtkwaliteit, geluidhinder). Het gaat dus om aanzienlijke verandering en niet om veranderingen die zonder problemen in de reguliere stroom van verkeersafwikkeling kunnen worden opgenomen. Achtergrond De Nota Ruimte en de AMvB Ruimte beogen dat bedrijven en dienstverlening met omvangrijke goederenstromen of een grote verkeersaantrekkende werking terecht komen op plekken met goede verkeer en vervoersverbindingen van bij voorkeur verschillende modaliteiten. Arbeid- of bezoekersintensieve functies dienen bij voorkeur een plek te krijgen in de nabijheid van openbaar vervoerknooppunten met een goede ontsluiting. Verblijfsrecreatie (artikel 3.10)

Drenthe zet primair in op verbetering van de bestaande accommodaties. Nieuwvestiging is niet uitgesloten, behalve waar het kwetsbare gebieden betreft. Hiertoe behoren volgens de toelichting op de AMvB Ruimte EHS-gebieden, Vogel-Habitatrichtlijngebieden, Natuurbeschermingswetgebieden en overige door de provincie aldus aangewezen gebieden. Bij het laatste gaat het in elk geval om Natura-2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten. Bepaling 3.10.2 staat onder voorwaarden nieuwe verblijfsreactie toe. Toepassing van het denkmodel van de SER-ladder is hierbij voorgeschreven. Dat betekent wij focussen op de kwaliteitsverbetering van het bestaande aanbod en op optimaal ruimtegebruik door bestaande ondernemers passend binnen de gewenste bedrijfsexploitatie. Achtergrond Verblijfsrecreatie is een van de dragers voor de sociaaleconomische ontwikkeling van Drenthe. Wij zetten in op versterking, uitbreiding en vernieuwing van bestaande bedrijven in samenhang met de omgeving. Hierbij passen we de systematiek van de SER-ladder toe (paragraaf 4.3.1 van de Omgevingsvisie). Wij zijn geen voorstander van permanente bewoning van recreatieverblijven. Alleen onder strikte voorwaarden komt bestaande permanente bewoning van recreatieverblijven voor legalisering in aanmerking. Gedeputeerde staten zijn in gesprek over legalisering van de complexen Breistroeken in Nieuw-Balinge, Blanckenberg in Havelte en De Wiedelanden in Nijeveen. Het opnemen van bepalingen over recreatiewoningen - nieuwbouw of herbestemming,

naar kwetsbare gebieden - in een verordening als deze is een verplichting vanuit de AMvB Ruimte. Windenergie (artikel 3.11)

Met de

uit het eerste lid wordt beoogd dat grootschalige windturbineparken daar totstandkomen waar ze zich het beste verhouden tot het bestaande landschap. Onze Omgevingsvisie is hierover heel helder. Het tweede lid handelt over de toelaatbaarheid van kleinere installaties in bestaand stedelijk gebied. Die beoordeling vinden wij niet van provinciaal belang en laten wij aan de gemeenten, met die aantekening dat die positief moet verhouden tot de bestaande beplantings-/bebouwingshoogte. Achtergrond Uit paragraaf 4.6 van de Omgevingsvisie blijkt dat de provincie zwaar inzet op duurzame energievoorziening en CO2-reductie. De inpassing in het landschap van - zeker - windenergie vraagt om een zorgvuldige benadering. Drenthe bracht geschikte locaties in beeld en legde deze op de 'Zoeklocatie grootschalige windenergie' vast. De realisering van een windturbinepark is gekoppeld aan heldere voorwaarden. Hoewel niet in regels te vervatten, zet Drenthe daarbij in op organisatievormen waarbij ook bewoners zijn betrokken. Binnen de landbouwsector kan windenergie een kansrijke tweede tak blijken. Radioastronomie (artikel 3.11a)

Met de bepalingen voor de radioastronomie wil de provincie garanderen dat de radioastronomie zich kan blijven ontwikkelen en dat verstoring van activiteiten die daarmee samenhangen wordt voorkomen. Omdat te bewerkstellingen, liggen er beschermingszones rondom de radiotelescoop in Dwingeloo en Hooghalen en de LOFAR-radiotelescoop in Oost-Drenthe, waar beperkingen gelden inzake de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden ter voorkoming van elektromagnetische straling. In de 'storingsvrije zone' (zone I) wordt, buiten de verharde wegen Eursinge-Lhee en Hooghalen-Amen, slechts bij uitzondering gemotoriseerd verkeer en activiteiten die elektromagnetische straling opwekken toegelaten. Noodzakelijk landbouwverkeer wordt daartoe gerekend. Zone II geldt als 'overlegzone'. In principe geldt daar eveneens het uitgangspunt dat elektromagnetische straling die de waarneming door middel van de radiotelescopen verstoord, moet worden voorkomen. Er kan natuurlijk onduidelijkheid bestaan over de vraag wanneer van dergelijke verstoring sprake is. Wij verwachten daarom dat wanneer ruimtelijk plan binnen deze zone voorziet in nieuwe bebouwings- of gebruiksmogelijkheden er in een vroeg stadium overleg wordt gepleegd met het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie (ASTRON) om hierover helderheid te verkrijgen en te bezien op welke wijze de ontwikkeling kan worden ingepast. Een ruimtelijk plan dat een gebied bestrijkt dat valt binnen zone I en II (respectievelijk de binnenste en buitenste ring) van de zonering radiotelescoop en zone I en II LOFAR als aangeduid op kaart 12. Overige aanduidingen van de Omgevingsvisie dient te worden voorzien van een advies van ASTRON. Dit geldt eveneens voor ruimtelijke plannen die voorzien in ontwikkelingen binnen een straal van twee kilometer rondom een LOFAR-buitenstation. Achtergrond In de Omgevingsvisie hebben wij aangegeven veel waarde te hechten aan de ontwikkeling van de radioastronomie in Drenthe. De economische spin-off van de radioastronomie voor de economie van Drenthe is groot. Wij willen de ontwikkelingen die daarmee samenhangen dan ook volop de ruimte geven en verstoringen van waarnemingen voorkomen. De bepalingen opgenomen in deze verordening moeten dat bewerkstelligen. In paragraaf 4.3.1 (pagina 34 en 35) van de Omgevingsvisie hebben wij onze visie hieromtrent uitgewerkt. Deze visie en de bepalingen in deze verordening waarborgen consistentie van het beleid omtrent de radioastronomie. Nationaal Landschap Drentsche Aa (artikel 3.12)

Het gehele stroomgebied van de Drentsche Aa is als Nationaal Landschap aangewezen, inclusief het Groningse deel in de gemeente Haren. Onze begrenzing (artikel 3.12.1) sluit op de Groningse aan. Doel van een Nationaal Landschap is de kwaliteiten te behouden, duurzaam te beheren en te versterken. Uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid is behoud door ontwikkeling. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, mits de kwaliteiten worden behouden of versterkt. Het is verder belangrijk om de verhouding van deze bepaling tot het gestelde in Titel 2, Ruimtelijke Kwaliteit te verhelderen. Die bepalingen zijn immers onverkort van toepassing op Titel 3 (artikel 3.2.1). Het gebied kenmerkt zich bovendien door aanwezigheid van veelal zeer waardevolle kernkwaliteiten. Dit kan voor regelgeving met betrekking tot het Nationaal Landschap Drentsche Aa tot verwarring leiden. De bepalingen voor Nationaal Landschap Drentsche Aa gelden bovenop de bepalingen uit Titel 2 en hebben - bij strijdigheid - voorrang daarop. Nationaal Landschap Drentsche Aa en ecologische hoofdstructuur vallen ook deels samen. Beide bepalingen gelden in dat gebied. Kernachtig zijn in artikel 3.12.1 de voornaamste kenmerken van Nationaal Landschap Drentsche Aa opgesomd. Deze kernkwaliteiten zijn uitgewerkt in de Landschapsvisie Drentsche Aa.De opsomming komt voort uit de rijksomschrijving. Daarenboven hechten wij eraan de cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden van het gebied te benadrukken. Dit Nationaal Landschap is een gebied met een grote cultuurhistorische tijddiepte, zoals ook blijkt uit de kaart Kernkwaliteiten. De beekdalen zelf kenmerken zich door, met vaak door wallen en singels omzoomde, weiden en hooilanden. Op de hogere gronden bevinden zich de essen en dorpen, omgeven door grotere ontginningen en de vroegere woeste gronden in de vorm van bossen en heides. De agrarische geschiedenis is goed te herkennen in dit landschap door de samenhang tussen verschillende elementen. Zeer bijzonder zijn de opvallend lineair gegroepeerde grafheuvels langs prehistorische wegen. In artikel 3.12.3 wordt gerefereerd aan een 'groot openbaar belang'. Hiertoe wordt volgens de AMvB Ruimte in elk geval gerekend: de veiligheid, de drinkwatervoorziening, de plaatsing van installaties voor de winning, opslag of transport van aardgas of de plaatsing van installaties voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie. Dit laatste is op grond van ons beleid voor windturbines overigens niet mogelijk. Een 'openbaar' belang betreft een minder brede afbakening dan wanneer gesproken zou zijn over bijvoorbeeld een 'maatschappelijk' belang. Het eveneens genoemde compensatiebeginsel vindt u in paragraaf 7.5 van de Omgevingsvisie verwoord. Compensatie moet bij vaststelling van een ruimtelijk plan 'hard' geregeld. Vast moet staan dat deze daadwerkelijk uitgevoerd wordt. Achtergrond Sinds de vaststelling van de Nota Ruimte door de Eerste Kamer op 17 januari 2006 is de Drentsche Aa officieel een Nationaal Landschap. De AMvB Ruimte vereist dat de provincie regels stelt voor nationale landschappen (artikel 3.15 en volgende). Datgene wat in deze verordening is neergelegd, vormt een doorvertaling van de AMvB Ruimte, en dan een minimale variant ervan. Onze provincie legt de regels in principe uit conform de Nota Ruimte. Op verzoek van het Rijk hebben gedeputeerde staten het Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap Drentsche op 12 juni 2007 vastgesteld. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Drentsche Aa zijn vanuit het Beheer-, Inrichtings- en Ontwikkelingsplan (BIO-plan) uitgewerkt in de Landschapsvisie Drentsche Aa voor het gehele stroomgebied. Het BIO-plan blijkt in combinatie met de landschapsvisie in de praktijk een goed kader te bieden voor beoordeling van activiteiten in het gehele Drentsche Aa-gebied. Door ook de 'Integrale Kansenkaart' en het 'Plan van Aanpak Levend Bezoekersnetwerk' te gebruiken is in het Uitvoeringsprogramma de totale visie op het Drentsche Aa-gebied uitgewerkt. Genoemde plannen vormen het fundament voor uitvoering en beoordeling van plannen in het nationaal landschap en passen binnen de beleidsmatige kaders. Als basisfilosofie geldt 'kwaliteit in ontwerp'. Een ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie. In de aanloop naar de oprichting van het nationaal beek- en esdorpenlandschap is als een van de uitgangspunten een basisfilosofie ontwikkeld, die er op neer komt dat het behoud van het gebied gebaat is bij een verdere ontwikkeling in plaats van conservering. Het bestaande landschap is in deze filosofie het vertrekpunt voor het nieuwe. Ontwikkelingen zijn toegestaan en zelfs gewenst, maar moeten in het verlengde liggen van de ontstaansgeschiedenis en de onderliggende structuren. De kenmerken van het landschap worden versterkt in plaats van afgevlakt door een vermenging met oneigenlijke elementen. Wij verwachten ook van gemeenten dat ze opkomen voor de doelen die voor het gebied zijn gesteld. De voorliggende bepalingen kunnen daaraan bijdragen. Ecologische hoofdstructuur (artikel 3.13)

Qua opzet van het artikel voor de ecologische hoofdstructuur hebben wij gekozen voor een systeem van bepalingen met motiveringsvereisten. Dat biedt betere mogelijkheden voor 'maatwerk', hetgeen in de ecologische hoofdstructuur (ook wel: EHS) van essentieel belang moet worden geacht. Inherent hieraan is dat de betrokkenheid van de provincie bij bescherming en realisering van de EHS in het ruimtelijk spoor niet eindigt met vaststelling van de verordening, maar een vervolg krijgt in de praktijk. Het is belangrijk om de verhouding duidelijk te maken tot het gestelde in Titel 2, Ruimtelijke Kwaliteit. De bepalingen uit Titel 2 zijn immers onverkort van toepassing op Titel 3 (artikel 3.2). Dit kan voor wat betreft de Ecologische Hoofdstructuur tot verwarring leiden. De EHS-gebieden maken immers ook deel uit van de kernkwaliteiten. De bepalingen voor de EHS gelden bovenop de bepalingen uit Titel 2 en hebben - bij strijdigheid - voorrang daarop. EHS en Nationaal Landschap Drentsche Aa vallen ook deels samen. Beide bepalingen gelden in die situatie. De begrenzing van de EHS is vastgelegd via artikel 3.13.1. Onze provincie heeft een actuele Omgevingsvisie met als beleidsdoel een Robuuste ecologische hoofdstructuur en een bijbehorende kaart (kaart 4 bij de Omgevingsvisie; Robuuste EHS 2020/2040) met globale gebiedsaanduiding. Deze kaart voldoet niet aan de wettelijk vereiste 'geometrische bepaalbaarheid'. Bij deze verordening houden wij de kaart EHS Concretisering 2010 aan. Via daarop neergelegde aanduiding 'Provinciale EHS actualisatie 2010' worden de gebieden begrensd. Binnen de EHS-begrenzing vallen gronden die praktisch als, bijvoorbeeld, landbouwgebied in gebruik zijn. Wij benadrukken dat dit feit voor de praktijk geen extra belemmeringen creëert. Landbouwgrond binnen de EHS kan aldus gebruikt blijven worden. De in het in het Natuurbeheerplan ('Beheertypekaart') voor deze gebieden gestelde natuurdoelen sluiten ook grotendeels bij het agrarische gebruik aan. Voor het overige deel geldt dat het geformuleerde natuurdoel agrarisch gebruik niet uitsluit. Als op grond van deze verordening aan 'wezenlijke kenmerken en waarden' moet worden getoetst, ontstaan voor bijvoorbeeld agrarisch gebruik dus geen nieuwe beperkingen, tenzij dat gebruik al in strijd is met bestaande bestemmingsplannen. Een en ander kan veranderen als een natuurbeherende instantie de gronden verwerft of de gronden onder particulier natuurbeheer komen te vallen. Praktische afspraken over het beheer blijven gedeputeerde staten via subsidiebeschikkingen met gebruikers maken. Artikel 3.13.2 maakt het mogelijk de begrenzing van de EHS te wijzigen. Het vaststellen van de begrenzing van de EHS is, gelet op de betrokken belangen en (rechts)gevolgen, primair de bevoegdheid van provinciale staten. Om praktische redenen is - in afwijking van de AMvB Ruimte - aan gedeputeerde staten de bevoegdheid gegeven om de grenzen van de EHS te wijzigen. Gedeputeerde staten zullen deze bevoegdheid binnen het door provinciale staten vastgestelde beleid voor realisering van de EHS gebruiken. Wijziging van de begrenzing anders dan daar waar op de kaart EHS Concretisering 2010 gebieden als 'zoekgebiedEcologische verbindingszone' en 'Robuuste verbinding' zijn aangeduid, geschiedt alleen om de EHS beter af te ronden. Dit laatste betreft in principe relatief beperkte aanpassingen van de kaart. Gedeputeerde staten achten zich bij herbegrenzing verder gebonden aan de opgave voor realisering van de EHS. Meer specifiek gaat het om de met het Rijk afgesloten bestuursovereenkomst ILG 2007-2013 voor realisering van de ecologische hoofdstructuur. Artikel 3.13.3 bevat de basisbepaling voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur. Nieuwe activiteiten zijn niet toegestaan voor zover deze de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS significant schaden. Op voorhand is niet uitputtend aan te geven wanneer sprake is van een 'significante' invloed. Dit is afhankelijk van het soort bedrijvigheid waar het om gaat, de plek in de EHS en de natuurwaarden ter plaatse. In de Nota Ruimte zijn voorbeelden opgesomd van ruimtelijke initiatieven die significante gevolgen kunnen hebben: - aanleg van nieuwe en uitbreiding van bestaande woningbouw; - aanleg van nieuwe infrastructuur of uitbreiding van bestaande infrastructuur; - vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven; - nieuwe voorzieningen voor en omvangrijke uitbreiding van permanente verblijfsrecreatie; - ontgrondingen ten behoeve van oppervlaktedelfstofwinning; - aanleg en bouw van afvalstort; - bouw of uitbreiding van drijvende objecten; - opstelling van windturbines; - nieuwvestiging of toevoeging van recreatieverblijven. De beoordeling over 'significantie' moet van geval tot geval worden gemaakt. Wanneer beoordeling van een voorgenomen ingreep leidt tot de conclusie dat deze significante negatieve effecten heeft, maar tóch doorgang moet vinden, is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor realisatie van maatregelen om de nadelige effecten weg te nemen of te ondervangen, en waar dit niet volstaat, de dan nog resterende effecten te compenseren. Per saldo moet de EHS er beter van worden. Artikel 3.13.3 is op gronden die als zoekgebied 'Ecologische verbindingszone' en 'Robuusteverbinding' zijn aangeduid niet van toepassing. Deze gronden vallen (nog) buiten de EHS-begrenzing. Dat zal in de toekomst deels - met vastgestelde plannen voor invulling van de verbindingen - deels echter wel zo zijn. Wij verwachten dat gemeenten deze wetenschap bij hun ruimtelijke planontwikkeling betrekken en daaraan zo nodig consequenties verbinden. Waar in de genoemde gebieden plannen ontstaan die uitvoering van het vastgestelde EHS beleid onmogelijk maken, kan de provincie zijn overige Wet ruimtelijke ordening-instrumentarium aanspreken. Hetzelfde geldt wanneer in gebieden rondom de EHS ruimtelijke plannen ontstaan die een significant negatieve invloed op het als EHS begrensde gebied hebben. In artikel 3.13.4 wordt gerefereerd aan een 'groot openbaar belang'. Hiertoe wordt volgens de AMvB Ruimte in elk geval gerekend: de veiligheid, de drinkwatervoorziening, de plaatsing van installaties voor de winning, opslag of transport van aardgas of de plaatsing van installaties voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie. Dit laatste is op grond van ons beleid voor windturbines overigens niet mogelijk. Een 'openbaar' belang betreft een minder brede afbakening dan wanneer gesproken zou zijn over bijvoorbeeld een 'maatschappelijk' belang. Het eveneens genoemde compensatiebeginsel vindt u in paragraaf 7.5 van de Omgevingsvisie verwoord. Achtergrond In de AMvB Ruimte is bepaald dat de provincie regels moet stellen voor de ecologische hoofdstructuur (artikel 3.9 en verder). Datgene wat hierover in deze verordening is neergelegd, is een directe doorvertaling van de AMvB Ruimte en dan de minimale variant ervan. Wij leggen de

in principe uit conform de Nota Ruimte. Zoals mede blijkt uit de bepalingen, acht de provincie zich bij het ontwikkelen van de EHS tevens gebonden aan de 'Spelregels ecologische hoofdstructuur', zoals door de provincies en het Rijk gezamenlijk zijn overeengekomen. Deze spelregels, de doelen en EHS-gebieden zijn door gedeputeerde staten vastgelegd in een beleidsregel die per 11 december 2007 in werking is getreden. Gedeputeerde staten blijven deze beleidsregel hanteren. Paragraaf 4.3.3 van de Omgevingsvisie handelt over ontwikkeling van robuuste natuur. Uiteindelijk doel voor dit thema is om gebieden met een bijzondere natuurkwaliteit onderling te verbinden tot een ecologische hoofdstructuur en zo biodiversiteit te behouden en waar mogelijk te herstellen. Voor de ruimtelijke begrenzing van de ecologische hoofdstructuur zijn als uitgangspunten gehanteerd samenhang, ecologisch belang en milieukwaliteit. Het streven in onze provincie voor de langere termijn is om de EHS voldoende robuust te maken. Bij de Omgevingsvisie is daartoe kaart 4, Robuuste EHS 2020/2040 gevoegd. De AMvB Ruimte vereist dat de EHS begrenzing 'geometrisch bepaalbaar' is. Daarvoor moet een meer gedetailleerde kaart bij deze verordening worden gevoegd. Volgens de toelichting op de AMvB Ruimte zou de begrenzing, zoals voortvloeiend uit het Provinciaal omgevingsplan II, moeten worden aangehouden. Die kaart is niet meer actueel. Drenthe hanteert de kaart 'EHS Concretisering 2010'. Deze kaart betreft een geactualiseerde versie van de door gedeputeerde staten vastgestelde beleidsregel waarin de kaart EHS is opgenomen. De bij de verordening gevoegde kaart correspondeert dus met de

die de AMvB Ruimte vereist. Niet alle gebieden die op termijn tot de EHS gaan behoren vallen op dit moment daardoor binnen de EHS-begrenzing. Actualisering van de kaart vindt jaarlijks plaats. De verordening richt zich op de ruimtelijke bescherming van met name bestaande natuur en gerealiseerde nieuwe natuur. Voor deze categorieën geldt een stringent beschermingsregime en zijn ontwikkelingen alleen toegestaan door maatwerkbepalingen. Ontwikkelingen in nieuw te ontwikkelen natuur, beheers- en zoekgebied blijven mogelijk, voor zover deze geen onomkeerbare (negatieve) of anderszins significante effecten op ons beleid voor de EHS hebben. Niet alleen het behouden, herstellen en beschermen van bestaande waarden in de EHS is belangrijk: er moet ook ruimte zijn voor ontwikkelingen, omdat juist daarmee ook kansen ontstaan voor realisering en versterking van de EHS. Hiertoe zijn bij de Nota Ruimte de meerdere instrumenten ontwikkeld. De provincie Drenthe hanteert deze dienovereenkomstig. Het betreft: - mitigeren en compenseren; - herbegrenzen; - salderen. Voor al deze zaken geldt dat bij vaststelling van een ruimtelijk plan 'hard' geregeld moet zijn dat deze daadwerkelijk uitgevoerd worden. Water (artikel 3.14)

Artikel 3.14.1 en 3.14.2 geven bescherming aan belangrijke beekdalen.

Kapitaalintensieve functies worden daar geweerd. Als voorbeelden van kapitaalintensieve functies zijn in de Omgevingsvisie expliciet woon- en werkgebieden, glastuinbouw, intensieve veehouderij en kwekerijen genoemd. Deze opsomming is niet limitatief. Uitzonderingen op het vrijwaren van het gebied van kapitaalintensieve functies kunnen gemaakt worden in geval van zwaarwegende maatschappelijke belangen en een drietal andere voorwaarden. Op voorhand is niet te benoemen wanneer sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang. De definitie beperkt zich in elk geval niet tot veiligheids- en gezondheidsafwegingen. De verordening dwingt via artikel 3.14.3, voor

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.