← Nederland

Omgevingsverordening Overijssel 2009 (Overijssel)

In het kort

Deze verordening regelt de provinciale integrale visie voor de fysieke leefomgeving in Overijssel en stelt regels voor ruimtelijke plannen en de advisering hierover. Het doel is om ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid te bevorderen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Hoofdstuk

  1. Algemeen Titel 1.
  2. Algemene begrippen Artikel 1.1.
  3. In deze verordening wordt verstaan onder: a. Omgevingsvisie Overijssel: provinciale integrale visie voor de fysieke leefomgeving zoals vastgesteld door Provinciale Staten Overijssel op 1 juli 2009; b. bestemmingsplan: plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening; c. beheersverordening: verordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening; d. projectbesluit: besluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 1.1.
  4. Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van de inhoud van en de toelichting op bestemmingsplannen, moeten deze instructies ook geacht worden gericht te zijn op projectbesluiten en beheersverordeningen. Artikel 1.1.
  5. Waar in deze verordening instructies worden gegeven ten aanzien van de inhoud van bestemmingsplannen, zijn deze instructies gericht aan de gemeenteraad en werken deze niet rechtstreeks door bij de afgifte van bouwvergunningen, aanlegvergunningen en ontheffingen. Titel 1.
  6. Adviescommissie 1[Toelichting: Ten opzichte van de ‘oude' regeling in de verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel (VFLO) is de regeling beperkt tot de instelling van de commissie en een globale omschrijving van de taken. Verder is de (gezamenlijke) benoeming van de onafhankelijke voorzitter door PS en GS geregeld. Deze benoeming wordt in de Verordening geregeld omdat dit een gezamenlijk besluit van GS en PS vergt. Voor de overige leden van de commissie is bepaald welke instanties een vertegenwoordiger in de commissie hebben. Deze instanties zijn vervolgens vrij om te bepalen wie zij afvaardigen. Alle overige instructie-achtige bepalingen uit het VFLO worden ondervangen door bevoegdheid van PS en GS gezamenlijk om nadere regels te geven over de taak en werkwijze van de commissie. Deze nadere regels kunnen ook het besluit inhouden om deelcommissies in te stellen voor bepaalde taken die aan de commissie zijn toebedeeld. Daarmee is ook ondervangen dat er op dit moment sprake is van een subcommissie die zich met name bezighoudt met onderwerpen op lokaal niveau. Deze commissie wordt vooralsnog gehandhaafd, ondermeer met het oog op bestemmingsplannen die nog goedkeuring van GS behoeven op grond het overgangsrecht van de Wro. De commissie heeft een brede samenstelling met het oog op de gewenste integrale advisering op hoofdlijnen van provinciaal beleid. Het beleid in de Omgevingsvisie zal immers steeds geactualiseerd moeten worden om adequaat te kunnen inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. De commissie krijgt vooralsnog geen adviserende taak bij de behandeling van aanvragen om ontheffing, omdat dit gericht is op uitvoering van beleid. ] Artikel 1.2.
  7. Instelling en taken Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving
  8. Er is een Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving (PCFL), hierna te noemen de commissie. 2a. De commissie vervult de advies- en overlegtaken inzake het provinciaal beleid zoals bepaald in artikel 8, lid 2 van de Wet op de waterhuishouding, artikel 2.41 van de Wet milieubeheer en artikel 9.1 van de Wet ruimtelijke ordening. 2b. Daarnaast adviseert de commissie aan Provinciale Staten en/of Gedeputeerde Staten over aangelegenheden betreffende de waterhuishouding, het milieubeheer, de ruimtelijke ordening, de volkshuisvesting en de stedelijke vernieuwing in Overijssel, indien en voor zover in enig wettelijk voorschrift een dergelijk advies wordt voorgeschreven dan wel daarom door Gedeputeerde Staten dan wel Provinciale Staten wordt gevraagd.
  9. Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten kunnen gezamenlijk nadere regels geven omtrent de taak en werkwijze van de commissie. Artikel 1.2.
  10. Samenstelling van de commissie De commissie bestaat uit de volgende leden: a. een onafhankelijke voorzitter; b. een vertegenwoordiger van het Ministerie van VROM, Directoraat Generaal Ruimte; c. de VROM-inspecteur Oost; d. een vertegenwoordiger van Rijkswaterstaat, directie Oost-Nederland; e. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, directie Oost; f. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Economische Zaken; g. een vertegenwoordiger van het Ministerie van Defensie; h. een vertegenwoordiger van Het Oversticht, genootschap tot bevordering en instandhouding van het landelijk en stedelijk schoon in de provincie Overijssel; i. een vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschappen en Monumenten; j. twee vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse gemeenten, afdeling Overijssel, waarvan één lid uit de kring van de vijf grote gemeenten en één lid uit de kring van de overige gemeenten; k. een vertegenwoordiger van de gezamenlijke Overijsselse waterschappen (Overijssels Dijkgraven Overleg); l. een vertegenwoordiger van Vitens NV; m. een vertegenwoordiger van de LTO-Noord; n. een vertegenwoordiger van de samenwerkende Kamers van Koophandel in Overijssel; o. een vertegenwoordiger van de werkgevers- en werknemersorganisaties in Overijssel; p. een vertegenwoordiger van Natuur en Milieu Overijssel; q. een vertegenwoordiger van de besturen van de erkende particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties in Overijssel; r. een vertegenwoordiger van een organisatie die de zorg voor integrale veiligheid tot haar taak heeft; s. een vertegenwoordiger van de Recron; t. een vertegenwoordiger van de ANWB Oost; u. een vertegenwoordiger van het Overijssels Particulier Grondbezit; v. een vertegenwoordiger van de Universiteit Twente. Artikel 1.2.
  11. Benoeming en lidmaatschap van de commissie
  12. Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten bereiden gezamenlijk de benoeming voor van de onafhankelijke voorzitter van de commissie.
  13. De voorzitter van de commissie wordt benoemd door Gedeputeerde Staten.
  14. Benoeming op grond van het tweede lid geldt tevens als benoeming door Provinciale Staten.
  15. Gedeputeerde Staten stellen Provinciale Staten spoedig van elk benoemingsbesluit in kennis. Hoofdstuk
  16. Ruimtelijke ordening Titel 2.
  17. Sturen op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid 2[Toelichting: De provincie Overijssel wil met de Omgevingsvisie Overijssel 2009 nadrukkelijker sturen op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit wordt hierin gedefinieerd als het - bedoeld en onbedoeld - resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit is de optelsom van toekomstwaarden, gebruikswaarden en belevingswaarden. Ruimtelijke kwaliteit is niet alleen de waarden die objecten en gebieden hebben, maar ook de potenties die gebieden en objecten hebben om waarden tot ontwikkeling te brengen. Het zijn waarden die te maken hebben met eigenheid, identiteit, herkenbaarheid, bruikbaarheid en continuïteit. Ruimtelijke kwaliteit is niet alleen wat gebieden en objecten hebben, maar vooral hoe dit beleefd wordt. De provincie Overijssel is een rijke en gevarieerde provincie. In Overijssel is een brede waaier aan landschapstypen te vinden met kenmerkende eigenschappen. De provincie wil deze diversiteit aan gebiedskenmerken door middel van haar omgevingsbeleid graag laten zien, versterken en vernieuwen. DuurzaamheidDuurzaamheid is in de Omgevingsvisie Overijssel gedefinieerd als een duurzame ontwikkeling die voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Duurzaamheid vraagt om een transparante afweging van ecologische, economische en sociaal-culturele beleidsambities. Uit figuur 1 in paragraaf 2.2.
  18. van de Omgevingsvisie blijkt welke beleidsambities op provinciale schaal in relatie tot elkaar gebracht worden met als doel een toekomstvaste groei van welvaart met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke voorwaarden. Generieke regelsRuimtelijke kwaliteit en duurzaamheid zijn rode draden in het provinciaal beleid. De sturing daarop is in deze titel vertaald in generieke regels. Dit betekent dat alle andere onderdelen in de ruimtelijke verordening (hoofdstuk 2) altijd in combinatie met de bepalingen in titel 2.
  19. toegepast moeten worden. In de Omgevingsvisie Overijssel is een uitvoeringsmodel ontwikkeld voor het sturen op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid waarbij drie stappen worden onderscheiden: Allereerst moeten ontwikkelingen getoetst worden aan generieke beleidskeuzes. Deze stap stelt de vraag aan de orde of er wel een opgave is. De tweede stap is de toets van ontwikkelingen aan de ontwikkelingsperspectieven. Deze stap stelt de vraag aan de orde waar deze opgave een plek zou kunnen krijgen. In paragraaf 2.
  20. van de Omgevingsvisie Overijssel 2009 is de (richtinggevende) betekenis van de aanduidingen op de kaart Ontwikkelingsperspectieven benoemd. De derde stap is de toets van ontwikkelingen aan de gebiedskenmerken en stelt de vraag aan de orde hoe de opgave op een goede wijze kan worden ingepast. Integraliteit Het Besluit ruimtelijke ordening eist een integrale afweging van alle betrokken belangen bij de vaststelling van ruimtelijke plannen. Deze afweging moet inzichtelijk gemaakt worden in de toelichting op bestemmingsplannen. In deze afweging zullen ook de aspecten die samen de duurzaamheid van een ontwikkeling bepalen aan de orde moeten komen. In de verordening is de eis van integraliteit (een transparante en evenwichtige afweging tussen ecologische, economische en sociaal-culturele beleidsambities) daarom niet meer als zodanig opgenomen omdat dit een dubbeling met wettelijke eisen zou opleveren. Inbreiding gaat voor uitbreidingOm met name het onderscheid tussen de bebouwde stads- en dorpsomgeving en de onbebouwde groene omgeving scherp te houden, wordt sterker gestuurd op het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding'. Door middel van de SER-ladder wordt de verplichting opgelegd om eerst de mogelijkheden te benutten binnen gebieden die al een stedelijke functie hebben, voordat een claim mag worden gelegd op gebieden die nu nog een groene functie hebben. Op de SER-ladder is een variant ontwikkeld voor de groene omgeving om te bereiken dat de principes van zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik wordt toegepast op andere dan stedelijke ontwikkelingen die een claim leggen op de groene omgeving. In de verordening wordt bestaand bebouwd gebied in de eerste plaats gedefinieerd als de gronden die op grond van geldende bestemmingsplannen benut kunnen worden voor stedelijke functies. Daarnaast wordt daartoe gerekend die gebieden die in een voorontwerp-bestemmingsplan bestemd worden voor stedelijke functies voor zover daarover schriftelijk een positief advies is uitgebracht door de provinciale diensten. De wettelijk verplichte gemeentelijke structuurvisie leent zich er goed voor om de contour van het bestaand bebouwd gebied inzichtelijk te maken, zodat een totaalafweging gemaakt kan worden tussen potentiële inbreidingslocaties. Daarbij geldt dat aan de gemeenten de keuze wordt gelaten of zij stadsrandgebieden beschouwen als stedelijke omgeving dan wel groene omgeving. Vanzelfsprekend geldt voor de invulling van de stadsrandgebieden dat de ontwikkeling ervan op grond van artikel 2.1.
  21. in overeenstemming moet zijn met de uitspraken die hierover in de Omgevingsvisie Overijssel in de ontwikkelingsperspectieven en de Catalogus Gebiedskenmerken 2009 worden gedaan. In de gemeentelijke structuurvisie kan nadere invulling worden gegeven aan de ontwikkeling van deze gebieden. Overigens is het niet de bedoeling dat door toepassing van de SER-ladder al het bestaand stedelijke groen en sport- en spelvoorzieningen uit bestaand bebouwd gebieden zullen verdwijnen. Vandaar dat nadrukkelijk het criterium is gesteld dat het in redelijkheid niet mogelijk is om voor de opgave een locatie binnen het bestaande bebouwde gebied te vinden. De principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn een variant op de SER-ladder ten behoeve van de toepassing binnen de groene omgeving. Artikel 2.1.
  22. is gericht op alle ontwikkelingen dan stedelijke ontwikkelingen, zoals die gedefinieerd zijn in artikel 2.1.
  23. en die leiden tot extra ruimtebeslag op de groene omgeving. Ook hierbij geldt dat eerst bezien moet worden of door optimaal gebruik van bestaande erven niet tegemoet gekomen kan worden aan de wens voor meer ontwikkelingsruimte. Maatschappelijke behoefteHet voorkomen van onnodig ruimtebeslag op de Groene omgeving begint overigens al daarvoor, namelijk met het nadenken over de vraag of er wel een maatschappelijke behoefte is aan de beoogde ontwikkeling. Hiertoe zijn in de verordening specifieke motiveringseisen opgenomen ten aanzien van woningbouwprogrammering en de ontwikkeling van bedrijventerrein (zie titel 2.
  24. en titel 2.3.) Concentratie In het kader van sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt op deze plek in de verordening het principe van concentratie van stedelijke bebouwing vastgelegd. Dit houdt in dat stedelijke opgaven zoveel mogelijk geconcentreerd moeten worden in stedelijke netwerken. Daar mag gebouwd worden voor de bovenregionale behoefte. Daarbij wordt een uitzondering gemaakt voor die delen van het gemeentelijke grondgebied die vallen binnen een nationaal landschap. Hiermee is verzekerd dat binnen de nationale landschappen alleen voor de lokale behoefte wordt gebouwd en wordt dus voldaan aan de eis vanuit het Rijksbeleid van ‘migratiesaldo nul'. Voor de overige kernen geldt dat alleen voor de lokale behoefte en bijzondere doelgroepen gebouwd mag worden. Deze kernen mogen ruimte bieden aan lokaal gewortelde bedrijvigheid. Onder lokaal gewortelde bedrijvigheid wordt in dit verband verstaan: bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen en toegevoegde waarde bieden aan de sociaaleconomische structuur/voorzieningen.Voor de stedelijke netwerken en de streekcentra geldt dat de eis van lokaal geworteld zijn niet wordt gesteld. De streekcentra Hardenberg en Steenwijk vormen in zoverre een uitzondering, dat die gelet op hun streekfunctie ruimte krijgen voor extra mogelijkheden voor woningbouw, voorzieningen en werkgelegenheid. De verordening maakt verder nog een uitzondering op het principe dat alleen voor lokale behoefte gebouwd mag worden met het oog op situaties waarin samenwerkende gemeenten afspraken gemaakt hebben waarbij een gemeente in (een deel van) de behoefte van een buurgemeente voorziet. Voorwaarde daarbij is wel dat de afspraak past binnen de woonvisie of bedrijventerreinenvisie zoals bedoeld in artikel 2.2.
  25. respectievelijk artikel 2.3.
  26. Dit betekent dat zowel buurgemeenten als de provincie hebben laten weten dat zij kunnen instemmen met voorgestelde programmering, Gebiedskenmerken Om het spectrum aan verschillen hanteerbaar te maken, zijn de gebiedskenmerken gegroepeerd in vier lagen, elk met een eigen logica. De karakteristieken uit de laag van het natuurlijke landschap, de laag van het agrarisch cultuurlandschap, de laag van het stedelijke gebied en de laag van het lust- en leisurelandschap zijn geïnventariseerd en gewaardeerd op hun provinciaal belang. In de Catalogus Gebiedskenmerken 2009 is vervolgens voor alle gebiedstypen beschreven wat de kenmerken zijn, hoe het landschap zich ontwikkeld heeft, wat de provinciale ambities zijn ten aanzien van het gebiedstype en met welke sturing deze visie zal worden bewerkstelligd. Hiermee is gedefinieerd hoe aan het provinciaal belang in ruimtelijke kwaliteit invulling gegeven wordt en hoe deze belangen dienen door te werken in gemeentelijke bestemmingsplannen. MotiveringseisDe gemeenteraden wordt in deze verordening gevraagd om in elk bestemmingsplan te onderbouwen dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Aan deze onderbouwing wordt de eis gesteld dat inzichtelijk wordt gemaakt hoe is omgegaan met de provinciale vier-lagenbenadering en de bijbehorende Catalogus Gebiedskenmerken
  27. Daarbij geldt voor de normstellende uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken dat deze altijd ertoe leiden dat een bestemmingsregeling wordt toegekend conform deze normstellende uitspraak voor zover deze uitspraken zich lenen voor een vertaling in een bestemmingsplan. In artikel 2.1.
  28. lid 7 wordt de mogelijkheid geboden om af te wijken van normstellende uitspraken als er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke redenen en wanneer voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van de ruimtelijke kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken. Voor de richtinggevende uitspraken in de catalogus geldt dat een manier van omgang met kenmerken is weergegeven die de provincie zeer wenselijk vindt. Gemeenteraden kunnen hier echter gemotiveerd van afwijken mits aannemelijk gemaakt is dat de ruimtelijke kwaliteit door een andere benadering ook versterkt wordt. De inspirerende uitspraken in de catalogus hebben een strekking conform hun benaming: er worden ontwikkelingen vermeld die denkbaar zijn in het betreffende gebiedstype. OntwikkelingsperspectievenIn het kader van sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt de gemeenteraden gevraagd om in hun onderbouwing in te gaan op het ontwikkelingsperspectief dat van toepassing is. De provincie heeft in 6 ontwikkelingsperspectieven op hoofdlijnen haar beleidsambities neergelegd ten aanzien van de sociaaleconomische en maatschappelijke ontwikkelingen die leiden tot claims op de fysieke leefomgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven zijn globaal van aard en daarom wordt de mogelijkheid geboden om daarvan gemotiveerd van af te wijken. Daarbij wordt aangetekend dat op andere plekken in de verordening bescherming is geregeld van gebieden die gerekend worden tot de EHS en de landbouwontwikkelingsgebieden. Dit betekent dat in de praktijk weinig ruimte zal zijn om af te wijken van de beleidsambities die geschetst zijn voor de ontwikkelingsperspectieven ‘realisatie groene en blauwe hoofdstructuur' en ‘buitengebied accent productie'. De mogelijkheid om af te wijken van een ontwikkelingsperspectief geldt niet voor ontwikkelingen die volgens het bepaalde in de onderdelen C en D van het Besluit milieueffectrapportagge 1994 MER-plichting zijn. Voor deze gevallen geldt dat PS eerst moet overgaan tot aanpassing van de kaart met ontwikkelingsperspectieven voordat daaraan medewerking kan worden verleend. Voor de duidelijkheid: voor ontwikkelingen die passen binnen de ontwikkelingsperspectieven zoals beschreven in paragraaf 2.
  29. van de Omgevingsvisie, is voor toepassing van de verordening niet relevant of er sprake is van een MER-plicht op niet. Kwaliteitsimpuls Groene omgevingIn dit onderdeel van de verordening wordt tenslotte een regeling getroffen voor de beoogde kwaliteitsimpuls groene omgeving. De SER-ladder en de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik hebben tot doel om onnodig ruimtebeslag op de groene omgeving tegen te gaan. Toepassing van deze instrumenten zal ertoe leiden dat in principe geen nieuwvestigingen en grootschalige uitbreidingen in de groene ruimte zullen worden gerealiseerd, omdat daarvoor als regel binnen het stedelijk gebied en binnen bestaande erven in de groene omgeving ruimte gevonden kan worden. Voordat overgegaan wordt tot toepassing van de kwaliteitsimpuls zal dus altijd eerst nagegaan moeten worden of toepassing van de SER-ladder of de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik niet een oplossing biedt voor het ruimtelijk vraagstuk. Vanwege sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen kan er aanleiding zijn om een uitzondering te maken op de algemene regel ‘inbreiding voor uitbreiding' deze algemene regel mits het verlies van ecologisch en landschappelijk kapitaal in voldoende mate wordt gecompenseerd. Dat er voldoende wordt gecompenseerd moet blijken uit een ruimtelijke onderbouwing. Voor deze ruimtelijke onderbouwing kan een gemeente een kader opstellen, waarin het beoogde evenwicht tussen ontwikkeling van bebouwing en de investering in ruimtelijke kwaliteit is vastgelegd. Bij de ruimtelijke onderbouwing van het betreffende initiatief kan dan worden volstaan met een verwijzing naar dit kader en een toelichting hoe daaraan in dit geval invulling is gegeven. Beschikt de gemeente niet over een adequaat kader voor toepassing van de kwaliteitsimpuls, dan zal per geval onderbouwd moeten worden dat er sprake is van evenwicht tussen extra rood en de extra investering in ruimtelijke kwaliteit. Bij toepassing van de kwaliteitsimpuls zijn de eisen vanuit de bepaling over ruimtelijke kwaliteit (2.1.5.) onverkort van toepassing. De extra investeringen in ruimtelijke kwaliteit komen immers bovenop de normale eis dat elke ontwikkeling moet bijdragen aan het versterken van ruimtelijke kwaliteit. De kwaliteitsimpuls is niet bedoeld voor situaties van stadsuitleg. Daarbij wordt immers niet afgeweken van de SER-ladder, maar leidt het door lopen van de afwegingspunten tot de conclusie dat een uitbreiding van het bestaand bebouwd gebied noodzakelijk is omdat niet in de opgave kan worden voorzien binnen het bestaand bebouwd gebied. Om te voorkomen dat elke gemeente een eigen kader moet uitvinden, wil de provincie graag samen met de gemeenten een kader ontwikkelen voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls groene omgeving die als bouwsteen kan dienen voor de onderbouwing die voor de toepassing van de onderdeel van de verordening in individuele gevallen geleverd zal moeten worden. Verder zal de provincie de kwaliteitsimpuls ondersteunen met een stimuleringsbudget, opleiding en beschikbaarheid van expertise. Onder het toepassingsbereik van de kwaliteitsimpuls groene omgeving vallen ondermeer de volgende gevallen: ¿ Het toevoegen van nieuwe agrarische bouwpercelen buiten de landbouwontwikkelingsgebieden ¿ Uitbreidingen van bestaande agrarische bouwpercelen waardoor grotere bouwpercelen ontstaan dan 1,5 ha in gebieden buiten de landbouwontwikkelingsgebieden ¿ Nieuwe verblijfsrecreatieve verblijven en complexen ¿ Uitbreidingen van bestaande verblijfsrecreatieve complexen ¿ De bouw van nieuwe woningen ¿ Nieuwe bouwlocaties voor bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden ¿ Grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden. Onder bedrijvigheid die niet aan het buitengebied is gebonden worden niet-agrarische bedrijven verstaan die niet functioneel gebonden zijn aan de groene omgeving, zoals aannemersbedrijven, garagebedrijven, landbouwmechanisatiebedrijven, ambachtelijke bedrijven. Onder het toepassingsbereik van de kwaliteitsimpuls vallen ook die gevallen van hergebruik van vrijkomende agrarische bouwpercelen waarbij de nieuwe functie vraagt om ingrijpende aanpassing van de bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting. In die gevallen is de inpassing van de functie op basis van de gebiedskenmerken onvoldoende en wordt een extra investering verwacht in de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Daarnaast geldt dat bepaalde functies op zich al aanleiding kunnen zijn voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls, omdat deze als minder passend moeten worden beschouwd gelet op de ligging in de groene omgeving (vanwege de verkeersaantrekkende werking, industriële karakter en dergelijke). Het wijkersbeleid valt buiten het toepassingsbereik van de kwaliteitsimpuls groene omgeving, omdat in het geval van wijkersbeleid er sprake is van vervanging van bestaande woningen in de groene omgeving en niet van toevoegen van extra woningen. Onder het wijkersbeleid vallen de gevallen waarin bestaande burgerwoningen in het buitengebied moeten wijken voor stadsuitleg of infrastructuur. In afwijking van de algemene regel kan dan een vervangende woning worden toegestaan in de groene omgeving.De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving eist een extra investering in ruimtelijke kwaliteit als een bestemmingsplan voorziet in nieuwvestiging of grootschalige uitbreiding van bestaande functies in de groene omgeving. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in een nieuw agrarisch bouwblok, moet op grond van deze regeling een extra investering worden gedaan in ruimtelijke kwaliteit, naast de basisinspanning op dat punt die op grond van artikel 2.1.5 is vereist. Dit geldt ook als met het nieuwe agrarisch bouwblok de verplaatsing van een bestaand agrarisch bedrijf wordt gefaciliteerd. De provincie heeft op deze algemene regeling een uitzondering gemaakt voor die gevallen waarin de verplaatsing op zich al een maatschappelijk doel dient. Het gaat om gevallen waarin sprake is van verplaatsing die nodig is voor het realiseren van publieke belangen, bijvoorbeeld de aanleg van infrastructuur of stadsuitleg. Een extra investering in ruimtelijke kwaliteit wordt in dat geval niet nodig geacht.Een extra investering in ruimtelijke kwaliteit wordt ook niet nodig geacht in die gevallen waarin op de uitplaatsingslocatie het agrarische bouwperceel wordt opgeheven. Het opheffen van dat agrarische bouwperceel wordt gezien als voldoende tegenprestatie voor het leggen van een nieuw agrarisch bouwblok. Het verplaatsen van een (volwaardig) agrarische bedrijf van een locatie waar geen ontwikkelingsmogelijkheden meer zijn naar een locatie waar het bedrijf wel ruimte voor ontwikkeling heeft, draagt bij aan de structuurversterking van de landbouw. Ook wordt er daarbij vanuit gegaan dat door verplaatsing van het agrarische bedrijf situaties van milieuoverlast voor de omgeving worden opgelost. Het bij verplaatsing opheffen van het agrarische bouwperceel op de uitplaatsingslocatie draagt bij aan de doelstelling om per saldo het aantal agrarische bouwpercelen niet (onnodig) te laten toenemen.Met het oog op die doelstelling is in de regeling voorzien dat in sommige gevallen de uitplaatsingslocaties weliswaar niet meer geschikt is voor het bedrijf dat verplaatst wordt, maar wel voldoende ruimte kan bieden voor een ander volwaardig agrarisch bedrijf. In die gevallen wordt dan niet de eis van opheffing van het agrarische bouwblok gesteld, omdat herbenutting van een bestaand agrarisch bouwblok als voldoende tegenprestatie wordt gezien voor het leggen van een nieuw bouwblok. Voor de locatie die bij deze doorschuifactie vrijkomt, geldt dan wel weer de eis van saldering, tenzij deze ook weer duurzaam herbenut kan worden door een ander volwaardig agrarisch bedrijf.De eis van opheffing wordt ook niet gesteld als de verplaatsing feitelijk een splitsing oplevert in een gemengde bedrijfsvoering, waarbij de intensieve tak naar een landbouwontwikkelingsgebied gaat, maar de grondgebonden tak op de huidige locatie gehandhaafd wordt.Overigens blijft bij de toepassing van de kwaliteitsimpuls de regeling in titel 2.
  30. over reconstructie als generieke regeling onverkort van toepassing. Voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls groene omgeving kan onderscheid gemaakt worden tussen gevallen waarin de bouw van nieuwe woningen dient als financieringsbron voor ontwikkelingen gericht op versterking van de ruimtelijke kwaliteit en tussen gevallen waarbij bedrijven meer dan gewone uitbreidingsmogelijkheden worden geboden. Onder de kwaliteitsimpuls groene omgeving vallen in de eerste plaats situaties waarbij de bouw van nieuwe woningen als financieringsbron dient voor ontwikkelingen die de ruimtelijke kwaliteit een impuls geven die meer is dan wat normaal bereikt kan worden via inpassing conform de gebiedskenmerken. Het gaat dan om rood-voor-rood-constructies waarbij landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt en extra investeringen worden gedaan in de ruimtelijke kwaliteit van de locatie. Het kan ook gaan om rood-voor-groen-constructies waarbij extra investeringen worden gedaan in de ontwikkeling van natuur en landschap. Verder valt het VAB-beleid waarbij gezocht wordt naar nieuwe functies voor voormalige agrarische bedrijfsbebouwing om bebouwing die karakteristiek is voor de Groene omgeving te behouden en kapitaalvernietiging tegen te gaan, onder de werking van de kwaliteitsimpuls. Ruimte die in bepaalde landschappen kan worden geboden voor de ontwikkeling van knooperven valt wat betreft de provincie ook onder deze regeling van de kwaliteitsimpuls groene omgeving. De regeling stelt de eis dat onderbouwd wordt dat er een evenwicht is tussen het toevoegen van rood en de investering in ruimtelijke kwaliteit. De andere aanleiding om af te wijken van de algemene regel zijn de gevallen waarin (agrarische) bedrijven meer dan gewone uitbreidingsmogelijkheden zou kunnen worden geboden gelet op het belang daarvan voor de leefbaarheid van het platteland mits daar een substantiële investering in ruimtelijke kwaliteit buiten de eigen locatie tegenover zou staan waardoor de aantasting van de ruimtelijke kwaliteit op de eigen locatie tenminste gecompenseerd wordt. De regeling stelt de eis van een ruimtelijke onderbouwing (op basis van een gemeentelijke kader dan wel een specifiek ruimtelijk kwaliteitsplan) waarmee aangetoond wordt dat er een substantiële investering in de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt ter compensatie van het extra rood dat wordt toegestaan. In de verordening is bewust afgezien van een definitie wat onder grootschalig wordt verstaan omdat dit ongewenst uitgebreide en complexe bepalingen zou opleveren. In dit geval is de nadere invulling aan de praktijk overgelaten. Kleinschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving worden afgewogen via het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 2.1.4.). Daarvoor is het voldoende dat in de ruimtelijke onderbouwing aan de hand van de Catalogus Gebiedskenmerken 2009 duidelijk wordt gemaakt hoe de ontwikkeling wordt ingepast in het landschap. Voor nieuwvestigingen en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies worden vanwege de impact een meer gebiedsgerichte benadering gevraagd. In een ruimtelijk kwaliteitsplan dient dan een relatie te worden gelegd tussen de stijging van de grondwaarde en de bijzondere investering in de ruimtelijke kwaliteit. Er kan hierbij sprake zijn van een combinatie van private en publieke investeringen.Het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water is gericht op behouden en ontwikkelen van de natuur- en landschapskwaliteiten en de versterking van het watersysteem, in samenhang met economische ontwikkeling. De ambitie is een samenhangend netwerk van natuur en water met ecologische, hydrologische, economische en recreatieve kwaliteit. Voor zover gronden niet zijn aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur, geldt hier een ‘ja, mits-benadering'. Dit houdt in dat ontwikkelingsruimte wordt geboden onder de voorwaarde dat er bijgedragen wordt aan ruimtelijke kwaliteit. Deze benadering geldt in principe ook voor de andere ontwikkelingsperspectieven, maar daar kan de kwaliteitsinvestering breed worden ingezet. In het geval van het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water geldt dat de investeringen in ruimtelijke kwaliteit gericht moeten worden ingezet op het realiseren van wateropgaven en het versterking van natuur en landschap. Als ondernemers, burgers of organisaties nieuwe groene initiatieven ontplooien, zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van een nieuw landgoed, dient dat bij voorkeur in de zone Ondernemen met natuur en water plaats te vinden.Deze bijzondere verplichting om binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water de investering in extra kwaliteit gericht in te zetten voor natuur, landschap en water, wordt geregeld door in artikel 2.1.6 voor deze gebieden nadere voorwaarden op te nemen voor toepassing van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving voor wat betreft de investeringen in ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.Algemene sturingsprincipesVoor titel 2.
  31. geldt dat hierin de algemene sturingsprincipes van de provincie worden vastgelegd. Dit betekent dat dit onderdeel altijd van toepassing is en toegepast moeten worden in combinatie met de overige bepalingen in hoofdstuk 2.] Artikel 2.1.
  32. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is; b. gebiedskenmerken: de verschillende typen landschappen en hun kenmerkende eigenschappen zoals beschreven in de Catalogus Gebiedskenmerken, die als bijlage deel uitmaakt van deze verordening en aangegeven op de kaarten: • Gebiedskenmerkenkaart, Natuurlijke laag nr. 09295046; • Gebiedskenmerkenkaart, Laag van het agrarisch cultuurlandschap nr. 09295047; • Gebiedskenmerkenlaag, Stedelijke laag nr. 09295048; • Gebiedskenmerkenkaart, Lust- en leisurelaag nr. 09295049; c. ontwikkelingsperspectieven: de als zodanig op kaart Ontwikkelingsperspectieven nr. 09295055 aangegeven gebieden waarvoor in de Omgevingsvisie Overijssel 2009 beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities zijn geformuleerd op basis van voor deze gebieden geldende opgaven en kansen; d. versterken van ruimtelijke kwaliteit: het leggen van nieuwe verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen waarbij bestaande kwaliteiten worden benut en waar mogelijk nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd; e. kwaliteitsontwikkeling: is het proces waarbij elk project/elke ontwikkeling bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving; f. bestaand bebouwd gebied: de gronden die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/artikel 10 BRO; g. stedelijke functies: wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen, met de bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen; h. groene omgeving: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied; i. bestaande erven: bestaande en/of als zodanig bestemde bouwvlakken ten behoeve van woningen, voorzieningen en bedrijven in de groene omgeving, daarbij inbegrepen de bouwvlakken voor dergelijke functies die voorzien zijn in voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/ artikel 10 BRO; j. stedelijke ontwikkelingen: het realiseren van stedelijke functies zoals woningbouw, bedrijventerreinen, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve en religieuze voorzieningen met de daarbij behorende infrastructuur met bijbehorende groen en water en het hiertoe bouwrijp maken van gronden; k. niet aan de Groene omgeving gebonden bedrijvigheid: niet-agrarische bedrijvigheid die niet functioneel aan de Groene omgeving is gebonden; l. stedelijke netwerken: de Netwerkstad Zwolle Kampen, de Netwerkstad Twente en de Stedendriehoek; m. streekcentra: de kernen Steenwijk en Hardenberg. n. herstructurering: het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie van het terrein gehandhaafd blijft; o. transformatie: het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een andere functie; p. schuifruimte: nieuwe locaties voor wonen of bedrijventerreinen ten behoeve van de uitplaatsing van functies in het kader van herstructurering; q. lokaal gewortelde bedrijvigheid: bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaaleconomische structuur/voorzieningen. Artikel 2.1.
  33. Principe van concentratie
  34. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen.
  35. In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van stedelijke voorzieningen om te voldoen aan een bovenregionale behoefte voor zover deze bestemmingsplannen gebieden betreffen die onderdeel uitmaken van stedelijke netwerken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor gebieden die vallen binnen nationale landschappen als bedoeld in artikel 2.6.
  36. In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen van de streekcentra voorzien in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen en het realiseren van voorzieningen ter voldoening van een regionale behoefte.
  37. In afwijking van het gestelde onder 1 kunnen bestemmingsplannen voorzien in woningbouw en bedrijventerrein om te voldoen aan (een deel van) de behoefte van een buurgemeente op basis van afspraken die door samenwerkende gemeenten zijn gemaakt en die passen binnen een woonvisie als bedoeld in artikel 2.2.2 en/of een bedrijventerreinenvisie als bedoeld in artikel 2.3.
  38. Artikel 2.1.
  39. SER-ladder voor de Stedelijke omgeving Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Artikel 2.1.
  40. Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in andere dan stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: • dat (her)benutting van bestaande bebouwing in de groene omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Artikel 2.1.
  41. Ruimtelijke kwaliteit
  42. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
  43. In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagen-benadering die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing.
  44. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.
  45. Gemeenteraden mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer: • er sprake is sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen en • voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken. Deze afwijkingsmogelijkheid geldt niet voor gevallen waarin sprake is van ontwikkelingen die volgens het bepaalde in de onderdelen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 MER-plichtig zijn.
  46. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken normerende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze normerende uitspraken.
  47. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden waarvoor in de Catalogus Gebiedskenmerken richtinggevende uitspraken worden gedaan voorzien voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen, in een bestemmingsregeling conform deze richtinggevende uitspraken.
  48. Van het gestelde onder 5 mag gemotiveerd worden afgeweken wanneer: • er sprake is van zwaarwegende sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen en • voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de provinciale ambities zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken.
  49. Van het gestelde onder 6 mag worden afgeweken mits voldoende gemotiveerd is dat de kwaliteitsambitie zoals aangegeven in de Catalogus Gebiedskenmerken in gelijke mate gerealiseerd wordt. Artikel 2.1.
  50. Kwaliteitsimpuls Groene omgeving
  51. Bestemmingsplannen voor de groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
  52. In afwijking van het gestelde onder lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan de vestiging van nieuwe agrarische bouwpercelen worden toegestaan als: • een ondernemer zijn landbouwbedrijf verplaatst voor het realiseren van publieke belangen; • een ondernemer op de huidige locatie geen ontwikkelingsmogelijkheden meer heeft en een volwaardig agrarisch bedrijf verplaatst naar een locatie waar wel ontwikkelingsmogelijkheden zijn. Op voorwaarde dat het agrarisch bouwperceel als bestemming op de uitplaatsingslocatie(s) in Overijssel wordt opgeheven. Deze voorwaarde geldt niet als er sprake is van een verplaatsing van een intensieve tak van een gemengd landbouwbedrijf naar een Landbouwontwikkelingsgebied of als de uitplaatsingslocatie herbenut zal worden door een volwaardig agrarisch bedrijf.
  53. In aanvulling op het gestelde onder 1 geldt voor nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden op gronden die vallen binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water en die niet zijn aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur (EHS), de voorwaarde dat de compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap. Titel 2.
  54. Woningbouw 3[Toelichting: Provinciaal belang De provincie zet in op differentiatie in woonmilieus om nu en in de toekomst voldoende ruimte te kunnen bieden aan de huisvesting van alle doelgroepen. Voor het realiseren van de opgave van nieuwbouw en herstructurering is naast een sterke gemeentelijke regie, regionale afstemming nodig omdat de woningmarkt (boven)regionaal georiënteerd. De provincie ziet hierin voor zichzelf een rol weggelegd en zal erop toezien dat er afstemming plaatsvindt van de woningbouwprogrammering tussen gemeenten zodat vraag en aanbod op regionaal niveau in evenwicht zijn. De provincie voorziet een afname van groei van de bevolking en wijzigingen in de samenstelling van de bevolking (vergrijzing, huishoudensverdunning). Gemeenten zullen in gemeentelijke woonvisies moeten aangeven hoe zij in een teruglopende woningbouwmarkt, de regie voeren om de woningvoorraad ook in de toekomst te laten aansluiten op de behoeften van hun inwoners. De provincie stelt geen rechtstreekse eisen aan woonvisies, maar wel aan de onderbouwing van bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe woningbouwlocaties. In die onderbouwing spelen gemeentelijke woonvisies een wezenlijke rol vanwege hun functie voor integrale afweging van woningbouwontwikkelingen. Dit hoofdstuk van de verordening bevat regels voor bestemmingsplannen (en projectbesluiten) die voorzien in het realiseren van nieuwe woningbouwlocaties. Onder het begrip woningbouwlocatie wordt verstaan elke locatie waar nieuwe woningen worden gerealiseerd. Het ter zake geldende provinciale beleid ligt vast in de Omgevingsvisie Overijssel. De verordening is inhoudelijk in overeenstemming met de regels die het Rijk zal stellen in de AMvB Ruimte. SER-ladder In de Omgevingsvisie is het provinciale belang beschreven van zorgvuldige planning en regulering van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande woongebieden. De SER-ladder die in titel 2.
  55. is vastgelegd is erop gericht dat de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties allereerst moet plaatsvinden binnen het bestaand stedelijk gebied als daar nog voldoende ruimte beschikbaar is of naar verwachting door optimalisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden en herstructurering beschikbaar zal komen. Door de verplichte afstemming met buurgemeenten wordt ervoor gezorgd dat de toepassing van de SER-ladder in breder verband wordt geplaatst dan de schaal van de individuele gemeenten. Lokale behoefte In titel 2.
  56. is vastgelegd dat gemeenten in principe alleen voorzien in de lokale woningbehoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen. Alleen de stedelijke netwerken mogen voorzien in een bovenregionale behoefte. Voor de streekcentra Hardenberg en Steenwijk geldt dat zij mogen voorzien in een bovenlokale behoefte. Gemeenten mogen in afwijking van het principe dat alleen voor de lokale behoefte wordt gebouwd, ook voorzien in (een deel van) de woningbehoefte van buurgemeente, wanneer hierover door samenwerkende gemeenten afspraken zijn gemaakt (artikel 2.1.
  57. lid 4). Afstemming met buurgemeenten Een essentieel element in de verordening is dat de gemeenten verplicht zijn om hun woningbouwplannen af te stemmen met de buurgemeenten. Uitgangspunt van de provinciale visie op de woningbouwprogrammering is dat de woningbouwmogelijkheden worden bezien op een grotere schaal dan die van de individuele gemeenten. Afstemmen betekent dat buurgemeenten over en weer tot overeenstemming komen over de invulling van de woningbouwprogrammering. Buurgemeenten zijn de gemeenten waaraan een gemeente grenst, dus ook gemeenten aan de andere kant van de (provincie)grens. Deze afstemmingseis wordt gesteld gelet op de onderlinge relaties die er zijn binnen woningmarktregio's. Vanzelfsprekend is de eis van overeenstemming alleen van toepassing op aspecten die de buurgemeenten raken. Ook voor gemeenten die uitsluitend mogen voorzien in een lokale behoefte is onderlinge afstemming gewenst, gelet op de relatie die er is binnen de woningmarktregio in het aanbod voor (bijzondere) doelgroepen, soorten woonmilieus en de (fasering) van uitgifte. Basis voor deze afstemming zijn de woonvisies van de individuele gemeenten waarin zij vastleggen hoe het woningbouwprogramma binnen de gemeente zal worden ingepast. Deze woonvisie komt tot stand in samenwerking met de maatschappelijke partners en marktpartijen. Dat beleid zal als zodanig weer een van de thema's vormen voor de bredere gemeentelijke structuurvisie die op grond van de Wro verplicht is. In de verordening is een bijzondere regeling opgenomen voor die gevallen waarbij gemeenten verplicht zijn om af te stemmen met buurgemeenten buiten de provincie Overijssel (dus ook in Duitsland). Daarvoor is bepaald dat voldoende is dat wordt overlegd met deze buurgemeenten, maar dat daarbij niet de eis van overeenstemming wordt gesteld. Reden hiervoor is dat gemeenten buiten Overijssel in een ander stelsel van woningbouwprogrammering functioneren. Woonvisie Vervolgens wordt de woonvisie voorgelegd aan Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale visie op de woningbouwprogrammering. Ook hier geldt dat afstemming betekent dat provincie en gemeente tot overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de woonvisie die het provinciaal belang raken. Een woonvisie zal daartoe in ieder geval moeten ingaan op de volgende aspecten: ¿ De actuele inventarisatie van aard en omvang van bestaande woningvoorraad en het bestaande vraag en aanbod van woonmilieus; ¿ Een overzicht van de geldende en in voorbereiding zijnde plannen voor woningbouw; ¿ Een visie op de plannen en mogelijkheden voor herstructurering van bestaande woongebieden; ¿ De voorraad direct en op termijn uitgeefbare grond en het verwachte of voorgenomen tempo van uitgifte; ¿ De verwachte dan wel voorzienbare ontwikkelingen op de woonmarkt; ¿ De verwachte dan wel voorzienbare demografische ontwikkelingen en de effecten daarvan op de woningbouwbehoefte; Prestatieafspraken De woonvisie zal gebruikt worden voor het maken van prestatieafspraken met de gemeente over de woningbouw. Deze prestatieafspraken zijn erop gericht om de ambities die geformuleerd zijn in de woonvisie ten aanzien van het kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwprogrammering, het doelgroepenbeleid, woonmilieus, herstructurering en energiebesparing, enz. daadwerkelijk uit te voeren. Daarbij zal van de kant van de provincie de inzet daarbij van subsidies en fondsen uit bestaande en nieuwe programma's worden vastgelegd. Overeenstemming met provincie Indien ook Gedeputeerde Staten overeenstemmen met de gemeentelijke woonvisie dan is de vaststelling van bestemmingsplannen c.q. het nemen van projectbesluiten overeenkomstig die visie in overeenstemming met de verordening (artikel 2.2.2.). Deze instemming met de gemeentelijke woonvisie zal schriftelijk bevestigd worden in het kader van het vooroverleg dat hiertoe over deze bouwsteen van de gemeentelijke structuurvisie gevoerd zal worden. Bij het projecteren van de woningbouwlocaties zal overigens altijd nog rekening gehouden moeten worden met wat bepaald is ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid in titel 2.
  58. (ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken). Vervangende overeenstemming met provincie Het kan zijn dat aan de voorwaarden in artikel 2.2.
  59. (overeenstemming met buurgemeenten) ondanks de daartoe verrichte inspanningen niet kan worden voldaan. Om te voorkomen dat een gemeente in een patstelling terecht komt, is in de verordening voorzien in een constructie waarbij provinciale overeenstemming in de plaats kan treden van de verplichte overeenstemming van de buurgemeenten. Gedeputeerde Staten zullen dan nagaan of de woningbouw past binnen de provinciale visie op de woningbouwprogrammering conform het principe van concentratie zoals neergelegd in artikel 2.1.
  60. Op deze wijze wordt de regionale afstemming (met de buurgemeenten) vervangen door een rechtstreekse toets aan het plafond voor de totale woningbouw in Overijssel, waarbij ook de prestatieafspraken betrokken zullen worden die met de buurgemeenten zijn gemaakt. Uiteraard zullen Gedeputeerde Staten nagaan of wordt voldaan aan de SER-ladder. De provincie is van oordeel dat alleen in uiterste situaties de weg van vervangende overeenstemming gekozen moet worden. Gemeenten die een beroep doen op de constructie van vervangende overeenstemming zullen schriftelijk moeten onderbouwen waarom zij niet tot overeenstemming kunnen komen en dat zij alles hebben gedaan wat in redelijkheid mogelijk is om er met hun buurgemeenten uit te komen. Gelet op de sturingsfilosofie van de provincie is het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van gemeenten om in goed overleg te komen tot onderlinge afstemming van de woningbouwprogrammering. Als blijkt dat gemeenten vaak (in ongeveer een derde van de gevallen) een beroep doen op de constructie van vervangende overeenstemming, zal na bestuurlijke actie gericht op het versterken van onderlinge afstemming, deze constructie in de verordening opnieuw worden bezien. ] Artikel 2.2.
  61. Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: a. woonvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe het woningbouwprogramma binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in onderlinge afstemming met buurgemeenten. Artikel 2.2.
  62. Nieuwe woningbouwlocaties
  63. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien in de totstandkoming van nieuwe woningbouwlocaties voor zover de nieuwe woningbouwlocatie naar aard, omvang en locatie in overeenstemming is met een woonvisie waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en met Gedeputeerde Staten van Overijssel.
  64. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van overeenstemming met buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden. Artikel 2.2.
  65. Vervangende overeenstemming provincie
  66. In het geval dat schriftelijk is onderbouwd dat in redelijkheid geen overeenstemming kon worden bereikt met een buurgemeente, treedt de overeenstemming met Gedeputeerde Staten in de plaats van de verplichte overeenstemming met buurgemeenten zoals bepaald in artikel 2.2.
  67. Gedeputeerde Staten besluiten tot overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is aangetoond dat de woningbouw past binnen de provinciale visie op de woningbouwprogrammering. Artikel 2.2.
  68. Vervalt. Titel 2.
  69. Werklocaties (Bedrijventerreinen en kantoren(locaties)) 4[Toelichting: 2.3 Werklocaties2.3.
  70. BedrijventerreinenProvinciaal belangDit onderdeel van de verordening bevat regels voor bestemmingsplannen (en projectbesluiten) die voorzien in aanleg van nieuwe bedrijventerreinen. Onder nieuwe bedrijventerreinen wordt elke locatie verstaan die ontwikkeld wordt ten behoeve van de vestiging van bedrijven en bij die bedrijven behorende kantoren Het ter zake geldende provinciale beleid ligt vast in de Omgevingsvisie Overijssel. De verordening is inhoudelijk in overeenstemming met de regels die het Rijk gesteld heeft in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.In de Omgevingsvisie is het provinciale belang beschreven van zorgvuldige planning en regulering van nieuwe en herstructurering van bestaande bedrijventerreinen. Het beleid is erop gericht dat geen aanleg van nieuw bedrijventerrein mag plaatsvinden als op bestaande terreinen nog voldoende ruimte beschikbaar is of naar verwachting door optimalisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden en herstructurering beschikbaar zal komen. Dit beleid krijgt juridische doorwerking in de verordening in titel 2.
  71. (SER-ladder). In het kader van de herstructurering van de bedrijventerreinen is het vaak nodig dit proces samen te laten gaan met een (bescheiden) aanleg van nieuw bedrijventerrein, zodat de ruimte kan worden geboden voor uitplaatsing, waardoor herstructurering vlotter kan verlopen (schuifruimte). De provincie stelt geen rechtstreekse eisen aan bedrijventerreinenvisies, maar wel aan de onderbouwing van bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe bedrijventerreinen. In die onderbouwing spelen gemeentelijke bedrijventerreinenvisies een wezenlijke rol vanwege hun functie voor integrale afweging van de ontwikkeling van bedrijventerreinen.2.3.
  72. KantorenProvinciaal belang Dit onderdeel van de verordening bevat regels voor bestemmingsplannen (en projectbesluiten) die voorzien in aanleg van nieuwe zelfstandige kantoren en kantorenlocaties. Onder nieuwe kantoren(locaties) wordt elke locatie verstaan die ontwikkeld wordt ten behoeve van de vestiging van zelfstandige kantoren. Het ter zake geldende provinciale beleid ligt vast in de Omgevingsvisie Overijssel. Ons beleid richt zich niet op niet-zelfstandige kantoorruimte, zoals ondergeschikte kantoorruimte die binnen woningen is gerealiseerd voor aan huis-gebonden-beroepen. In de Omgevingsvisie is het provinciale belang beschreven van zorgvuldige planning en regulering van nieuwe kantoren(locaties). Het beleid is er op gericht dat geen bouw van nieuwe zelfstandige kantoren en aanleg van nieuwe kantorenlocaties mag plaatsvinden als in bestaande gebouwen en op bestaande locaties nog voldoende ruimte beschikbaar is of naar verwachting door optimalisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden en herstructurering beschikbaar zal komen. Dit beleid krijgt juridische doorwerking in de verordening in titel 2.
  73. (SER-ladder). De SER-ladder werkt te grof om de problemen van overaanbod van kantoren aan te pakken. Transitieprocessen binnen het bestaand stedelijk gebied, waarbij bestaande locaties of bestaande gebouwen benut worden voor het realiseren van nieuwe kantoorruimte, kan ertoe leiden dat het overaanbod nog verder vergroot wordt. Daarom is het nodig om in aanvulling op de SER-ladder nadrukkelijk te sturen op de programmering van het kantorenaanbod binnen het bestaand stedelijk gebied. Op de kantorenmarkt is sprake van een omvangrijke leegstand, die ver uitgaat boven een acceptabele frictie-leegstand. Om een verdere leegstand van kantoren te voorkomen acht de provincie een heroriëntatie op voorgenomen of reeds geplande uitbreiding (in plaats, kwaliteit en tijd) op zijn plaats. Uitgangspunt is dat er geen nieuwe plannen worden ontwikkeld tenzij de behoefte daaraan kan worden aangetoond aan de hand van een ruimtelijk-economische onderbouwing. Deze onderbouwing bestaat bij voorkeur uit een kantorenvisie of werklocatievisie. In verband met de situatie op de kantorenmarkt waar al sprake is van een overaanbod is gekozen voor een formulering met een verbod om bestemmingsplannen of projectbesluiten vast te stellen die voorzien in de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoorruimte. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt voor die gevallen waarin met een ruimtelijk-economische onderbouwing is aangetoond dat er sprake is van een behoefte waarin niet kan worden voorzien vanuit de bestaande capaciteit aan kantoorruimte. Onder totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoorruimte wordt ook de verbouw van bestaande panden gerekend die tot dan een andere functie hebben. Dit artikel vormt daarmee een aanscherping van de de algemeen geldende SER-ladder. Wij verwachten van gemeenten dat zij in de ruimtelijk-economische onderbouwing hebben afgewogen en kunnen aantonen dat in de gesignaleerde behoefte kwalitatief alleen op een nieuwe locatie kan worden voorzien. Daarbij moet zijn nagegaan of met renovatie en opwaardering van bestaand aanbod en van andere redelijkerwijs in aanmerking komende gebouwen (b.v. leegkomende scholen) niet de vereiste kwaliteit geleverd kon worden. Verder moet er zicht zijn op de invulling die wordt gegeven aan de leegstand die mogelijk ontstaat door nieuw aanbod. De onderbouwing moet dus zicht bieden op reële mogelijkheden van functieverandering of eventueel sloop van langdurig leegstaande kantoorpanden, of zicht op andere wijzen van onttrekking aan de voorraad zonder dat er ernstige effecten op de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit van gebieden optreden. Van belang is om daarbij ook ontwikkelingen in de richting van nieuwe werklandschappen en woon-werklandschappen in de beschouwingen te betrekken. Dit sluit aan op het pleidooi hiervoor in par. 2.5.1., om het palet aan woon-, werk- en voorzieningenmilieus te verbreden. Omdat bij het ontwikkelen van nieuwe kantoren het risico op een vergroting van de leegstand heel groot is, is het van belang dat de ruimtelijk-economische onderbouwing in goed overleg en samenwerking met marktpartijen wordt voorbereid. Omdat kantorenmarkten zich tot over gemeentegrenzen uitstrekken en de bouw van nieuwe kantoorruimte in de ene gemeente gevolgen kan hebben voor vraag en aanbod in de andere gemeente (zoals nog meer leegstand), stellen wij de eis dat buurgemeenten en het college van Gedeputeerde Staten moeten instemmen met de conclusie dat er inderdaad behoefte is aan extra kantoorruimte zoals voorzien in het bestemmingsplan of projectbesluit. Waar de ruimtelijk-economische onderbouwing wordt geleverd in de vorm van een kantorenvisie/werklocatievisie, wijzen wij er op dat de provinciegeen rechtstreekse eisen stelt deze beleidsdocumenten, maar wel aan de onderbouwing van bestemmingsplannen en projectbesluiten die voorzien in nieuwe kantoren(locaties).2.3.
  74. Aspecten bij de voorbereiding van de visiesLokale behoefteIn titel 2.
  75. is verder bepaald dat gemeenten uitsluitend mogen voorzien in de lokale behoefte aanstedelijke voorzieningen, waaronder bedrijventerreinen en kantoren. Een uitzondering daarop wordt gemaakt voor stedelijke netwerken die mogen voorzien in een (boven)regionale behoefte en de streekcentra Hardenberg en Steenwijk, die mogen voorzien in een bovenlokale behoefte. In de Omgevingsvisie wordt de lokale behoefte voor bedrijvigheid gedefinieerd vanuit het begrip van lokaal gewortelde bedrijven. Dit zijn bedrijven die hun oorsprong of verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar zij gevestigd zijn of zich vestigen en die een toegevoegde waarde bieden aan de lokale sociaaleconomische structuur/voorzieningenniveau.Gemeenten mogen in afwijking van het principe dat alleen voor de lokale behoefte wordt gebouwd, ook voorzien in (een deel van) de behoefte van buurgemeente aan bedrijventerrein en kantoren, wanneer hierover door buurgemeenten afspraken zijn gemaakt (artikel 2.1.
  76. lid 4). Afstemming buurgemeentenEen essentieel element in de verordening is dat de gemeenten verplicht zijn om hun plannen voor deontwikkeling van nieuw bedrijventerrein en kantoren af te stemmen met buurgemeenten. Uitgangspunt van de provinciale visie op de programmering van bedrijfsterreinen is dat de mogelijkheden van bedrijfsvestiging- en uitbreiding worden bezien op een grotere schaal dan die van de individuele gemeenten. Afstemmen betekent dat buurgemeenten over en weer tot overeenstemming komen over de invulling van de bedrijventerreinenprogrammering of de ontwikkeling van kantoren(locaties).Buurgemeenten zijn de gemeenten waaraan een gemeente grenst, dus ook gemeenten aan de anderekant van de (provincie)grens. Vanzelfsprekend is de eis van overeenstemming alleen van toepassing op aspecten die de buurgemeenten raken. Deze afstemmingseis wordt gesteld gelet op de onderlinge relaties die er zijn tussen buurgemeenten die functioneren binnen dezelfde markt voor bedrijventerreinen en kantoren. Ook voor gemeenten die uitsluitend mogen voorzien in een lokale behoefte is onderlinge afstemming gewenst, gelet op de relatie die er is tussen aangrenzende gemeenten in het aanbod van soorten bedrijventerreinen en de (fasering) van uitgifte. Voor kantoren is er sprake van vergelijkbare relaties.2.3.
  77. Beoordelingskader voor overeenstemming met college van GSBedrijventerreinenvisie Vervolgens wordt de bedrijventerreinenvisie voorgelegd aan Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale visie op de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Ook hier geldt dat afstemming betekent dat provincie en gemeente tot overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de bedrijventerreinenvisie die het provinciaal belang raken. Een bedrijventerreinenvisie zal daartoe in ieder geval moeten ingaan op de volgende aspecten: - Een inventarisatie van aard en omvang van bestaande bedrijventerreinen en de daarop gevestigde bedrijven; - Een overzicht van de geldende en in voorbereiding zijnde plannen voor bedrijventerreinen; - Een visie op de plannen en mogelijkheden voor herstructurering van bestaande bedrijventerreinen, waarbij ook in beeld wordt gebracht welke schuifruimte nodig is om te komen tot een optimale invulling van gebieden die voor herstructurering in aanmerking komen; - De voorraad direct en op termijn uitgeefbare grond en het verwachte of voorgenomen tempo van uitgifte; - De verwachte dan wel voorzienbare ontwikkelingen op de arbeidsmarkt; - De verwachte dan wel voorzienbare demografische ontwikkelingen en de effecten daarvan op de werkgelegenheid; - De mogelijkheden om de vestigingsvraag in een van de samenwerkende gemeenten in een of meer van de andere samenwerkende gemeenten te accommoderen. Overigens is bij de Omgevingsvisie een overzicht opgenomen van bedrijventerreinen die worden aangemerkt als pijplijnprojecten. Voor deze ontwikkelingen geldt dat de provinciale diensten in het kader van het vooroverleg over voorontwerp-bestemmingsplannen schriftelijk positief hebben geadviseerd over de voorgenomen aanleg van bedrijventerreinen.Prestatieafspraken De bedrijventerreinenvisie zal gebruikt worden voor het maken van prestatieafspraken met de gemeente over de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Deze prestatieafspraken zijn er op gericht om de ambities die geformuleerd zijn in de bedrijventerreinenvisie, o.a. ten aanzien van herstructurering, energiegebruik en uitgifteprotocollen, tot uitvoering te brengen. Van de kant van de provincie zal de inzet daarbij van subsidies en fondsen uit bestaande en nieuwe programma's worden vastgelegd.Ruimtelijk-economische onderbouwing kantorenDe ruimtelijk-economische onderbouwing wordt voorgelegd aan Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale visie op de ontwikkeling van de kantorenmarkt. Ook hier geldt dat afstemming betekent dat provincie en gemeente tot overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de onderbouwing die het provinciaal belang raken. Verwacht mag worden dat de inhoud en de diepgang van deze onderbouwing in verband staat met de omvang van de kantorenmarkt en leegstandsproblematiek. In andere gemeenten dan gemeenten met een regionale kantorenmarkt met leegstandsproblematiek kan waarschijnlijk worden volstaan met een meer bescheiden document dat is toegespitst op de locale situatie. Een ruimtelijk-economische onderbouwing zal in ieder geval moeten ingaan op de hieronder genoemde aspecten: - Een inventarisatie van aard en omvang van bestaande kantoren en kantorenlocaties en inzicht in de eventuele leegstand van deze kantoren en kantorencomplexen;- De mogelijkheden voor herstructurering van bestaande kantoren en andere gebouwencomplexen die zich mogelijk lenen voor kantorenontwikkeling of mengvormen van woon-, werk- en andere voorzieningen; - een confrontatie van vraag en aanbod waarbij wordt aangegeven hoe de plannen aansluiten op de - marktbehoefte, prioritaire kantorenlocaties en welke eisen aan duurzaamheid en flexibel gebruik worden gesteld; - De betrokkenheid van marktpartijen.Kantorenvisie/werklocatievisieDe kantorenvisie wordt voorgelegd aan Gedeputeerde Staten voor afstemming op de provinciale visie op de ontwikkeling van de kantorenmarkt. Ook hier geldt dat afstemming betekent dat provincie en gemeente tot overeenstemming moeten komen over die onderdelen van de kantorenvisie die het provinciaal belang raken. Het beleid voor de kantorenprogrammering is nog in ontwikkeling. In samenhang met het op te stellen Actieplan leegstand kantoren zal een handreiking voor kantorenvisies worden opgesteld met een uitwerking van de hier en in de Omgevingsvisie aangegeven randvoorwaarden. In het Actieplan zal worden bezien of er aanleiding is voor pilot-projecten.Een kantorenvisie zal daartoe in ieder geval moeten ingaan op de volgende aspecten:1Een inventarisatie van aard en omvang van bestaande kantoren en kantorenlocaties en de daarin gevestigde bedrijven; 2voor de regionale kantorenmarkt in de stedelijke netwerken verdient het aanbeveling daarbij onderscheid te maken in a. centrumlocaties (stadscentrum en stationsomgeving), b. (meer perifere) kantorenlocaties en c. overige kantoren; 3Een overzicht van de geldende en in voorbereiding zijnde plannen voor kantoren en kantorenlocaties, met informatie over initiatiefnemer en de hardheid van de plannen; 4het hieruit resulterende aanbod, direct en op termijn, aan kantoorruimte; 5inzicht in de eventuele leegstand van kantoren en kantorencomplexen in totaliteit, per marktsegment en de ontwikkeling van de leegstand; 6inzicht in de actuele en potentiele vraag naar kantoorruimte en de verwachte invloed daarvan op de leegstand; 7een confrontatie van vraag en aanbod waarbij wordt aangegeven hoe de plannen aansluiten op de marktbehoefte en welke eisen aan duurzaamheid en flexibel gebruik worden gesteld; 8Een visie op de plannen en mogelijkheden voor herstructurering van bestaande kantoren en andere gebouwencomplexen die zich mogelijk lenen voor kantorenontwikkeling of mengvormen van woon-, werk- en andere voorzieningen; 9de mogelijkheden om de vestigingsvraag in één van de samenwerkende gemeenten in een of meer van de andere samenwerkende gemeenten te accommoderen; 10Verwachte kwalitatieve en kwantitatieve vraagontwikkeling waarbij nadrukkelijk de verwachte dan wel voorzienbare ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de verwachte dan wel voorzienbare demografische ontwikkelingen en de effecten daarvan op de werkgelegenheid in kantoren worden betrokken; 11De betrokkenheid van marktpartijen bij de uitvoering van de kantorenvisie. De hierboven genoemde aspecten zijn vooral gericht op de kantorenvisies van gemeenten waar sprake is van een regionale kantorenmarkt met leegstandsproblematiek. Verwacht mag worden dat de inhoud en de diepgang van een kantorenvisie in verband staat met de omvang van de kantorenmarkt en leegstandsproblematiek. In andere gemeenten kan waarschijnlijk worden volstaan met een meer bescheiden document dat is toegespitst op de locale situatie.PrestatieafsprakenDe bedrijventerreinenvisie zal gebruikt worden voor het maken van prestatieafspraken met degemeente over de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Deze prestatieafspraken zijn er op gericht om de ambities die geformuleerd zijn in de bedrijventerreinenvisie, o.a. ten aanzien van herstructurering, energiegebruik en uitgifteprotocollen, tot uitvoering te brengen. Van de kant van de provincie zal de inzet daarbij van subsidies en fondsen uit bestaande en nieuwe programma's worden vastgelegd.Overeenstemming provincieIndien Gedeputeerde Staten overeenstemmen met de gemeentelijke bedrijventerreinenvisie en/of kantorenvisie dan is de vaststelling van bestemmingsplannen c.q. het nemen van projectbesluiten overeenkomstig die visie in overeenstemming met de verordening (artikel 2.3.
  78. en 2.3.3.). Deze instemming met de gemeentelijke bedrijventerreinenvisie en/of kantorenvisie zal schriftelijk bevestigd worden in het kader van het vooroverleg dat hiertoe over deze bouwsteen van de gemeentelijke structuurvisie gevoerd zal worden.Bij het projecteren van de bedrijventerreinen en kantoren zal overigens altijd nog rekening gehouden moeten worden met wat bepaald is ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid in titel 2.
  79. (ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken).Vervangende overeenstemming met provincieHet kan zijn dat aan de voorwaarden in artikel 2.3.
  80. en 2.3.
  81. (overeenstemming met buurgemeenten) ondanks de daartoe verrichte inspanningen niet kan worden voldaan. Om te voorkomen dat een gemeente in een patstelling terecht komt, is in de verordening voorzien in een constructie waarbij provinciale overeenstemming in de plaats kan treden van de verplichte overeenstemming van de buurgemeenten. Gedeputeerde Staten zullen dan nagaan of de ontwikkeling van bedrijventerrein past binnen de provinciale visie op de bedrijventerreinen-programmering conform het principe van concentratie zoals neergelegd in artikel 2.1.
  82. Op deze wijze wordt de regionale afstemming (met de buurgemeenten) vervangen door een rechtstreekse toets aan het plafond voor de totale de ontwikkeling van bedrijventerrein in Overijssel, waarbij ook de prestatieafspraken betrokken zullen worden die met de buurgemeenten zijn gemaakt. Uiteraard zullen Gedeputeerde Staten nagaan of wordt voldaan aan de SER-ladder.Voor de ontwikkeling van kantoren is de uitgangssituatie een andere. Zoals in de Omgevingsvisie is aangegeven, is er sprake van een overaanbod aan kantoorruimte en daarmee samenhangend een structurele leegstand. Deze treedt vooral op in de grote steden, waar sprake is van een regionale kantorenmarkt. Behoefte aan nieuwe kantoren zal hier alleen vanuit kwalitatieve eisen aan de orde zijn. De provincie is van oordeel dat alleen in uiterste situaties de weg van vervangende overeenstemming gekozen moet worden. Gemeenten die een beroep doen op de constructie van vervangende overeenstemming zullen schriftelijk moeten onderbouwen waarom zij niet tot overeenstemming kunnen komen en dat zij alles hebben gedaan wat in redelijkheid mogelijk is om er met hun buurgemeenten uit te komen. Gelet op de sturingsfilosofie van de provincie is het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van gemeenten om in goed overleg te komen tot onderlinge afstemming van de bedrijventerreinenprogrammering. Als blijkt dat gemeenten vaak (in ongeveer een derde van de gevallen) een beroep doen op de constructie van vervangende overeenstemming, zal na bestuurlijke actie gericht op het versterken van onderlinge afstemming, deze constructie in de verordening opnieuw worden bezien.] Artikel 2.3.
  83. Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: a. bedrijventerreinenvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe de bedrijfsterreinenprogrammering binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in onderlinge afstemming met buurgemeenten. b. bedrijventerrein: werklocaties voor bedrijvigheid en bij de bedrijven behorende kantoorruimte. c. kantorenvisie: gemeentelijk beleidsdocument waarin staat hoe de kantorenprogrammering binnen de gemeente zal worden ingevuld en dat tot stand komt in overleg en samenwerking met marktpartijen en in onderlinge afstemming met buurgemeenten. d. ruimtelijk-economische onderbouwing: gemeentelijk document waarin vanuit ruimtelijke-economische overwegingen een onderbouwing is gegeven van de behoefte met betrekking tot de realisering van nieuwe zelfstandige kantoren en dat tot stand komt in overleg en samenwerking met marktpartijen en in onderlinge afstemming met buurgemeenten. e. kantorenlocatie: werklocatie met zelfstandige kantoren. Artikel 2.3.2 Nieuwe bedrijventerreinenlocaties
  84. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien uitsluitend in de totstandkoming van nieuwe bedrijventerreinen indien de nieuwe bedrijventerreinen naar aard, omvang en locatie in overeenstemming zijn met de gemeentelijke bedrijventerreinenvisie waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en metGedeputeerde Staten van Overijssel.
  85. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van overeenstemming met buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.
  86. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op die bestemmingsplannen waarvoor geldt dat de provinciale diensten in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/10 BRO een positief advies hebben uitgebracht over het voorontwerp. 2.3.3 Nieuwe kantoren en kantorenlocaties
  87. Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien niet in de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoren en/of kantorenlocaties.
  88. In afwijking van het eerste lid kan met een bestemmingsplan of projectbesluit medewerking worden verleend aan de totstandkoming van nieuwe zelfstandige kantoren als in een ruimtelijk-economische onderbouwing is aangetoond dat: er behoefte is aan extra kantoorruimte waarin niet kan worden voorzien vanuit de bestaande capaciteit aan kantoorruimte; de buurgemeenten en Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben ingestemd met de conclusie dat er behoefte is aan extra kantoorruimte zoals voorzien in het bestemmingsplan of projectbesluit;
  89. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van instemming van buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.
  90. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op die bestemmingsplannen waarvoor geldt dat de provinciale diensten in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/10 BRO een positief advies hebben uitgebracht over het voorontwerp. 2.3.4 Vervangende overeenstemming provincie
  91. In het geval dat schriftelijk is onderbouwd dat in redelijkheid geen overeenstemming kon worden bereikt met een buurgemeente, treedt de overeenstemming met Gedeputeerde Staten in de plaats van de verplichte overeenstemming met buurgemeenten zoals bepaald in artikel 2.3.
  92. en 2.3.
  93. Gedeputeerde Staten besluiten tot overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is aangetoond dat de ontwikkeling van bedrijventerrein past binnen de provinciale visie op de bedrijventerreinenprogrammering.
  94. Gedeputeerde Staten besluiten tot overeenstemming als bedoeld in lid 1 indien genoegzaam is aangetoond dat de ontwikkeling van nieuwe kantoren past binnen de provinciale visie op de ontwikkeling van de (regionale) kantorenmarkt. Titel 2.
  95. Detailhandel 5[Toelichting: Provinciaal belang Binnensteden vormen het hart van Overijsselse steden en regionale centra. De kwaliteit van de binnensteden bepaalt de identiteit en het imago van de steden, maar ook de mate waarin Overijssel als geheel als aantrekkelijke en dynamische economische en culturele regio wordt gezien. De bundeling van detailhandelsvoorzieningen in binnensteden en wijkwinkelcentra draagt bij aan het creëren van aantrekkelijke winkelomgevingen en is belangrijk voor de aantrekkingskracht van binnensteden als woon/werklocaties en recreatieve bestemmingen. Dit element komt ook terug in de ontwikkelingsperspectief steden als motor en de gebiedskenmerken historische centra, binnensteden en landstadjes Volumineuze detailhandel Om te voorkomen dat de binnensteden door concurrentie van goedkopere locaties op bedrijfsterreinen ‘leeglopen', dient de uitoefening van detailhandel op bedrijventerreinen tot uitzonderingen beperkt te blijven. Er is alleen ruimte voor volumineuze detailhandel waarvoor binnen de reguliere winkelcentra geen ruimte kan worden gevonden. Deze bepaling ziet niet op detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit, zoals de verkoop van ter plekke gemaakte producten of de verkoop van goederen waarvan de verkoop aan particulieren onderdeel uitmaakt van de normale dienstverlening van het bedrijf. Grootschalige detailhandel (GDV) Voor grootschalige detailhandel geldt dat wanneer er sprake is van een regonale uitstraling, hiervoor alleen ruimte is in de stedelijke centra mits aangetoond is dat dit niet leidt tot ontwrichting van de bestaande detailhandelsstructuur. Met deze regeling wordt voldaan aan afspraken die met het Rijk zijn gemaakt over grootschalige detailhandel met regionale effecten gelet op de mogelijke gevolgen die dat soort vestigingen kunnen hebben voor het voorzieningenniveau in binnensteden. Weidewinkels Weidewinkels worden niet toegestaan gelet op de mogelijke gevolgen voor de positie van de reguliere winkelgebieden en vanwege de verkeerseffecten in het buitengebied. Weidewinkels zijn gedefinieerd als zelfstandige detailhandelsvestigingen aan de rand van bebouwde kommen of in de groene omgeving. Onder weidewinkels wordt niet verstaan detailhandel in de vorm van verkoop bij de boer. Dit betekent dat detailhandel in het buitengebied uitsluitend kan plaatsvinden als het gaat om ondergeschikte nevenactiviteiten, bijvoorbeeld in de vorm van streekproducten bij een agrarisch bedrijf of een landgoedwinkel. ] Artikel 2.4.
  96. Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: a. stedelijke centra: steden binnen de stedelijke netwerken Zwolle Kampen, Netwerkstad Twente en Stedendriehoek; b. volumineuze detailhandel: winkelformules die vanwege de omvang en aard van het assortiment een groot oppervlak nodig hebben, zoals bouwmarkten, tuincentra, wooninrichtingszaken; c. grootschalige detailhandel: winkelformules met een zeer groot winkelvloeroppervlak dat (hoog)-frequent wordt bezocht en waarin een aanbod plaatsvindt van niet-volumineuze goederen; d. weidewinkel: zelfstandige detailhandelsvestingen aan de rand van bestaand bebouwd gebied van steden en dorpen of in de groene omgeving. Onder weidewinkel wordt niet verstaan detailhandel in de vorm van ‘verkoop bij de boer’. Artikel 2.4.
  97. Volumineuze detailhandel
  98. Bestemmingsplannen voorzien niet in de nieuwe mogelijkheid om detailhandel uit te oefenen op bedrijventerreinen.
  99. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen de mogelijkheid worden geboden voor de vestiging van volumineuze detailhandel waarvoor in binnensteden en wijkwinkelcentra geen ruimte gevonden kan worden. Artikel 2.4.
  100. Grootschalige detailhandel
  101. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in nieuwe grootschalige detailhandelsvestigingen wanneer de locatie gelegen is in of aansluit op bestaande binnensteden en winkelcentra. Daarbij geldt dat grootschalige detailhandelsvestigingen met een regionale uitstraling uitsluitend mogen worden toegelaten in de stedelijke centra en nadat uit onderzoek is gebleken dat dit niet leidt tot een ontwrichting van de bestaande detailhandelsstructuur.
  102. In afwijking van het bepaalde in lid 1, eerste volzin, kan in bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen binnen de stedelijke centra een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub c Wro worden opgenomen ten behoeve van de vestiging van grootschalige detailhandel waarvoor in de binnensteden en wijkwinkelcentra geen ruimte gevonden kan worden.
  103. In afwijking van het bepaalde in lid 1, eerste volzin, kan in bestemmingsplannen voor locaties elders binnen de stedelijke centra een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub c Wro worden opgenomen ten behoeve van de vestiging van grootschalige detailhandel in geval de grootschalige detailhandel thematisch aan deze perifere locatie is gebonden. Artikel 2.4.
  104. Weidewinkels Bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid tot vestiging van nieuwe weidewinkels. Titel 2.
  105. Afvalstortlocaties radioactief afval 6[Toelichting: Provinciaal belang Het provinciale beleid voor afval is gericht op een zo duurzaam mogelijke afvalverwerking. De volgorde is: preventie, bevordering van hergebruik en als laatste mogelijkheid verbranden met energieterugwinning en storten van het niet-brandbare deel. Radioactief afval Berging en opslag van radioactief afval in de diepe ondergrond wordt niet toegestaan, tenzij daarvoor een onherroepelijk geworden vergunning op grond van de Kernenergiewet is verleend. Hetzelfde geldt voor bovengrondse opslag van hoog radioactief afval. Het onderscheid tussen opslagmogelijkheden voor hoogradioactief afval en laagradioactief afval is bewust gemaakt. In de diepe ondergrond is zelfs de opslag van laagradioactief afval niet toegestaan. Voor de bovengrondse opslag van radioactief afval geldt een genuanceerder standpunt omdat dit afval afkomstig is uit laboratoria, ziekenhuizen, meetinstellingen etc. Overigens wordt dit afval afgevoerd naar de COVRA in Borsele. ] Artikel 2.5.
  106. Bestemmingsplannen voorzien niet in het realiseren van nieuwe ondergrondse opslagmogelijkheden voor radioactief afval. Artikel 2.5.
  107. Bestemmingsplannen voorzien niet in het realiseren van nieuwe bovengrondse opslagmogelijkheden voor hoogradioactief afval. Titel 2.
  108. Nationale Landschappen 7[Toelichting: Provinciaal belang De Nationale Landschappen IJsseldelta en Noordoost-Twente zijn gebieden met (inter)nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Deze gebieden zijn aangewezen door het Rijk met de opdracht om de gebieden nader te begrenzen. Naast behoud en duurzaam beheer, wordt ingezet op het waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten. Daarbij moet de recreatieve toegankelijkheid worden vergroot. De begrenzing van de nationale landschappen is inmiddels vastgesteld en wordt door middel van deze verordening bevestigd. De regeling is erop gericht om grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen die in strijd zijn met de kernkwaliteiten van de nationale landschappen tegen te gaan. Er gelden hiervoor overigens geen specifieke inhoudelijke bepalingen: voor bv. de relatie met het woningbouwprogramma geldt het hiervoor van toepassing zijnde regime. Kernkwaliteiten Het Nationaal Landschap IJsseldelta wordt gekenmerkt door de volgende kernkwaliteiten: ¿ De grote mate van openheid, ¿ De historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek ¿ Het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen ¿ De kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap. Noordoost-Twente is aangewezen als nationaal landschap vanwege de volgende kernkwaliteiten: ¿ Samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen ¿ De grote mate van kleinschaligheid ¿ Het groene karakter. Deze kernkwaliteiten zijn voor beide nationale landschappen verder uitgewerkt in ontwikkelingsperspectieven, waarin de ambities zijn neergelegd om uitvoering te geven aan het principe ‘behoud door ontwikkeling' met als doel om waar mogelijk te komen tot versterking van de bijzondere kwaliteiten van de gebieden. De ontwikkelingsperspectieven zijn vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel, de raden van de betreffende gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen in samenwerking met belangenverenigingen en vertegenwoordigers van de ministeries van VROM en LNV. Provinciale Staten is overgegaan tot vaststelling van het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta op 15 februari
  109. Het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente is door PS vastgesteld op 13 december
  110. Bij de verordening zijn tabellen gevoegd waarin een nadere uitwerking conform deze ontwikkelingsperspectieven wordt geven van de kernkwaliteiten van zowel het Nationaal Landschap IJsseldelta als het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. In de verordening wordt hiernaar verwezen. Gebiedskenmerken Een groot deel van de bescherming van de kernkwaliteiten van de beide nationale landschappen wordt al bereikt via de regeling ten aanzien van de gebiedskenmerken zoals die in de Catalogus Gebiedskenmerken voor beide gebieden zijn benoemd. Zo is in de normstellende uitspraken ten aanzien van laagveenontginningen (2.5.) bepaald dat de polder Mastenbroek een beschermende bestemming een beschermende bestemming dient te krijgen, gericht op instandhouding van het grootschalig open karakter van zijn wegen- en lintengrid en aanliggende huisterpen en het patroon van dijken. De nationale landschappen omvatten echter meerdere typen gebiedskenmerken en niet alle onderdelen in de Catalogus Gebiedskenmerken zijn zo duidelijk toegespitst op de genoemde kernkwaliteiten. Vanwege de bijzondere status en de gewenste samenhang in benadering van het gebied, is er daarom voor gekozen om voor de nationale landschappen een aanvullende regeling op te nemen. Kern van deze regeling is dat nieuwe ontwikkelingen alleen mogelijk zijn als ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen. AMvB Ruimte De regeling in titel 2.
  111. komt overeen met de doelstellingen van het beleid van het Rijk ten aanzien van nationale landschappen. Het Rijk heeft aangekondigd in de AMvB Ruimte algemene bepalingen op te nemen voor nationale landschappen. Naast een regeling voor de begrenzing en de uitwerking van de kernkwaliteiten, zal er naar verwachting een getrapte regeling komen in de AMvB waarbij de provincie wordt opgedragen om in de provinciale verordening regels vast te stellen ten aanzien van de inhoud van bestemmingsplannen die gericht moeten zijn op de instandhouding en verdere ontwikkeling van de kernkwaliteiten van de nationale landschappen. De provinciale verordening zal een regeling opgenomen moeten worden die ertoe leidt dat wijzigingen van bestemmingen of grondgebruik alleen mogelijk zijn als de wijziging geen significant negatief effect heeft op de kernkwaliteiten. Vooruitlopend op de AMvB is hiertoe een regeling opgenomen in titel 2.
  112. Voor wat betreft het principe ‘migratiesaldo nul' dat voor de nationale landschappen van toepassing is, geldt dat de provinciale regeling ten aanzien van woningbouw (titel 2.2.) hieraan afdoende invulling geeft. ] Artikel 2.6.
  113. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. Nationaal Landschap: door het Rijk aangewezen en globaal begrensde gebieden met (inter)-nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee cultuurhistorische en natuurlijke kenmerken; b. kernkwaliteit: de essentiële landschappelijke of cultuurhistorische kenmerken van nationale landschappen of van een deel van een nationaal landschap die voor het Rijk aanleiding zijn geweest om over te gaan tot aanwijzing van het nationaal landschap; c. Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta: het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 15 februari 2006 (nr. PS/2005/1363); d. Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente: het Ontwikkelingsperspectief Noordoost-Twente zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 13 december 2006 (nr. PS/2006/867). Artikel 2.6.
  114. Begrenzing
  115. Als Nationaal Landschap IJsseldelta is nader begrensd het gebied dat op kaart EHS, Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050 is aangegeven.
  116. Als Nationaal Landschap Noordoost-Twente is nader begrensd het gebied dat op kaart EHS, Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050 is aangegeven. Artikel 2.6.
  117. Kernkwaliteiten
  118. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap IJsseldelta zijn: de grote mate van openheid; de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek; het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen; de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap. Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in tabel A in bijlage 7 van deze verordening.
  119. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; de grote mate van kleinschaligheid; het groene karakter. Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in tabel B in bijlage 7 van deze Verordening. Artikel 2.6.
  120. Nieuwe ontwikkelingen Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die in artikel 2.6.2 begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten als benoemd in artikel 2.6.3 en zoals nader uitgewerkt in tabel A en tabel B in bijlage 7 van deze verordening. Titel 2.
  121. Ecologische Hoofdstructuur 8[Toelichting: Provinciaal belangOverijssel wordt gekenmerkt door een grote variatie aan plant- en diersoorten (biodiversiteit). Het verlies van soorten verarmt de natuurwaarde en maakt ecosystemen kwetsbaar. Het behoud van biodiversiteit is nodig voor een duurzame toekomst. Om deze redenen willen wij achteruitgang van biodiversiteit voorkomen en zetten wij in op ontwikkeling, beheer en bescherming van de biodiversiteit in Overijssel.Natuur en landschap zijn niet alleen van betekenis voor het behoud en bescherming van biodiversiteit. Natuur en landschap zijn ook van belang voor de regionale economie en voor de kwaliteit van de leefomgeving en een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken. Om deze redenen zetten wij in op een duurzame ontwikkeling en bescherming van de natuurwaarden in Overijssel. Daartoe hebben wij gebieden aangewezen als Ecologische Hoofdstructuur waarvoor geldt dat het beleid is gericht op het behoud en de ontwikkeling van aanwezige en potentiële natuurwaarden. beleidsdoelstellingenDe Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een netwerk van natuurgebieden en bestaat ondermeer uit bossen, heidevelden, vennen, brongebieden, rivieren, oevers, houtsingels en struweel, maar ook kruidenrijk grasland. Voor het merendeel gaat het om bestaande natuur en natuur die in afgelopen tijd gerealiseerd is in het kader van het beleid voor de EHS. Daarnaast zijn er gebieden aangewezen waar de komende tijd nieuwe natuur ontwikkeld zal worden en gebieden waarvoor nog een uitwerking plaats moet vinden over de te nemen maatregelen. In de Omgevingsverordening is de begrenzing van de EHS vastgelegd. Het werkingsgebied van het beleid voor de EHS is aangegeven op een digitale kaart die onderdeel uitmaakt van de Omgevingsverordening (artikel 2.7.2)Wij willen binnen de EHS een netwerk van natuurgebieden realiseren met goede condities voor de biodiversiteit. Ons beleid is gericht op het behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van natuurgebieden die in de EHS zijn opgenomen. Deze natuurgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. Om de populaties gezond te houden en de genetische uitwisseling te bevorderen is het noodzakelijk dat deze gebieden zowel van voldoende omvang zijn als de mogelijkheid bieden om te migreren tussen deze gebieden. De EHS in Overijssel hangt samen met de EHS in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden. Dit Europese net van natuurgebieden staat bekend als "Natura 2000". De natuurwaarden in de Natura 2000 gebieden zijn van Europees belang en vallen onder het beschermingsregime van de natuurbeschermingswet. Het grootste deel van de Natura 2000 gebieden ligt in de EHS. Voor de mens is de EHS belangrijk om van de schoonheid van natuur en landschap te genieten, te recreëren en tot rust te komen. Daarom wil de provincie deze gebieden toegankelijk maken voor het publiek. Het beleid is er op gericht dit netwerk van samenhangende natuurgebieden in 2018 gereed te hebben.Het beleid voor de EHS is aan de ene kant gericht op het vrijwaren van de betreffende gebieden van ontwikkelingen die het realiseren van de beoogde natuurdoelen in de weg kunnen staan. Aan de andere kant richt het beleid zich op het toekennen van passende bestemmingen voor gronden die inmiddels zijn aangekocht voor het realiseren van natuur of waarvan de huidige economische waarden anderszins zijn afgeboekt.beschermingsregimeVanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor de gehele EHS. Voor de EHS geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kernmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Zolang een dergelijke aantasting niet plaatsheeft, is er vanwege de EHS geen grond om de betreffende ontwikkeling tegen te gaan. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van titel 2.
  122. van toepassing blijft (zoals de toepassing van de SER-ladder, ontwikkelingsperspectief en gebiedskenmerken). Met dit beschermingsregime voldoen wij aan de eisen van het Besluit Algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro bevat de randvoorwaarden die het rijk vanuit nationale belangen stelt aan de ruimtelijke bescherming van de EHS. Naast de ruimtelijke bescherming vanuit de EHS gelden mogelijk ook andere wet- en regelgeving voor de bescherming van natuurwaarden.Binnen het gebied dat aangewezen is als EHS worden gebiedscategorieën onderscheiden waarvoor een verschil in bestemmingsregime geldt. Het gaat om de volgende gebiedscategorieën:- Bestaand; - Te realiseren.Gebiedscategorieën Ecologische HoofdstructuurBestaandDe categorie ‘Bestaand' is van toepassing op gebieden waar de beoogde natuurwaarden aanwezig zijn zoals bestaande wateren, natuur - en bosgebieden. Verder vallen binnen deze categorie gebieden de gronden zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en die ingericht zijn conform de natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘wezenlijke kenmerken en waarde EHS'. Die gebieden moeten als natuur worden bestemd. Binnen de gebiedscategorie ‘Bestaand' vallen ook landbouwgronden die eigendom zijn van natuurbeschermingsorganisaties, die de gronden in het kader van landgoederen beheren. Deze cultuurgronden zijn meestal langjarig verpacht en zullen de komende jaren een landbouwkundig gebruik houden. Met het oog op de pachtconstructie moeten deze gronden een agrarische bestemming houden totdat de pachtsituatie is beëindigd. Hiervoor is in artikel 2.7.
  123. lid 5 een regeling getroffen op grond waarvan bestaand gebruik conform de geldende bestemming kan worden voortgezet.Te realiserenDe categorie ‘Te realiseren' is van toepassing op gebieden waar de beoogde natuurwaarden nog niet of niet geheel zijn gerealiseerd. Deze "te realiseren" gebieden kunnen al wel zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en deels zijn ingericht. Voor deze gebieden geldt dat zolang de gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd, de huidige bestemming vooralsnog gehandhaafd kan blijven. Op het moment dat de gronden worden aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van de EHS en ook beschikbaar zijn voor het realiseren van de beoogde natuurdoelen, moeten de gronden bestemd worden als natuur. Voor de inrichting van natuurgebieden is doorgaans een bestemmingsplanwijziging nodig. Artikel 2.7.3 lid 3 sub b is een vangnetbepaling op grond waarvan zonodig de planologische medewerking van de gemeenten aan de inrichting van natuurgebieden binnen de EHS kan worden afgedwongen. Wanneer gronden zijn aangekocht, kan nog niet in alle gevallen worden overgegaan tot inrichting omdat in sommige gevallen de gronden nog niet beschikbaar zijn voor de realisatie van de beoogde natuurwaarden. Binnen deze gebiedscategorie zijn 3 subcategorieën te onderscheiden: a. Netto begrensd;b. Bruto begrensd;c. Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000.De subcategorie ‘Netto begrensd' omvat gebieden die concreet zijn begrensd als gronden waarop nieuwe natuur gerealiseerd zal worden. De subcategorie ‘Bruto begrensd' omvat de gebieden die aangewezen zijn voor het realiseren van nieuwe natuur, maar waar de begrenzing ruimer is dan wat er als nieuwe natuur gerealiseerd zal worden. Dit is het geval bij een aantal inrichtingsprojecten. De opgave voor natuur (aantal hectare) ligt vast, maar de exacte plek is nog onduidelijk. De komende tijd wordt gebruikt om de opgave concreet te begrenzen. Dit proces zal zo spoedig mogelijk worden afgreond. Indien de concrete begrenzing duidelijk is, zal dit gewijzigd worden op de kaart.Binnen de EHS-begrenzing ligt het "Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000". In dit gebied worden maatregelen genomen die nodig zijn om de achteruitgang van natuurwaarden in Natura 2000 gebieden te voorkomen en op langere termijn de doelen voor de Natura 2000 gebieden te realiseren. Deze opgave vloeit voort uit de Natuurbeschermingswet 1998.De te nemen maatregelen zullen gericht zijn op het realiseren van de in de gebiedsanalyses beschreven na te streven effecten. De PAS richt zich op na te streven effecten voor de korte termijn (te realiseren binnen zes jaar na inwerkingtreding van de PAS) en langere termijn (te realiseren in de tweede en derde periode van zes jaar). Om de economische ontwikkelingsruimte die door uitvoering van de PAS beschikbaar komt te kunnen benutten zullen we de ons beschikbare instrumenten maximaal inzetten.Er zijn op voorhand geen natuurdoelen vastgesteld voor het Uitwerkingsgebied. Wel is de verwachting dat door de uitvoering van de Natura2000-beheerplannen en de PAS een deel van de begrensde hectares een meer natuur gerelateerde bestemming zal krijgen en hiervoor ingericht wordt. De overige hectares blijven agrarisch en worden uit de EHS gehaald. Het is op voorhand onmogelijk om dit in een exact percentage aan te geven of de exacte locaties te bepalen. In de gebiedsgerichte uitwerking van de PAS-opgaven wordt bepaald welke natuurwaarden op welke locatie nagestreefd worden opdat optimaal gebruik kan worden gemaakt van de kansen voor natuur en landbouw. Voor het realiseren van peilaanpassingen zullen we met de waterschappen bezien waar en hoe het instrument van Peilbesluiten ingezet zal worden. Zolang gronden binnen de Uitwerkingsgebieden Ontwikkelopgave Natura2000 niet zijn ingericht, blijft agrarisch gebruik mogelijk binnen gebiedskenmerken en binnen overige vigerende regelgeving.] Artikel 2.7.
  124. Begripsbepalingen 9[Toelichting: Bij de verordening is een (digitale) kaart opgenomen. Daarop is tot op perceelsniveau nauwkeurig aangegeven welk gebied behoort tot de provinciale ecologische hoofdstructuur van Overijssel. In de begripsbepalingen wordt onderscheid gemaakt tussen de gebiedscategorie ‘Bestaand' en de gebiedscategorie ‘Te realiseren'. Voor de gebiedscategorie ‘Bestaand' geldt dat de beoogde natuurdoelen inmiddels zijn gerealiseerd of de gebieden die zijn ingericht voor de natuurdoelen die zijn omschreven in de bijlage ‘Wezenlijke kenmerken en waarden EHS'. Voor de gebiedscategorie ‘Te realiseren' geldt dat de beoogde natuurwaarden nog niet of niet geheel zijn gerealiseerd. Deze gebieden kunnen al wel zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en deels zijn ingericht. Binnen de gebiedscategorie ‘Te realiseren' wordt vooralsnog rekening gehouden met de subcategorieën ‘Netto begrensd' , ‘Bruto begrensd' en ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000'. Voor de toelichting op dit onderscheid verwijzen wij naar wat hierover is opgemerkt in de algemene toelichting.In de begripsbepaling wordt een definitie gegeven van het begrip ‘wezenlijke kenmerken en waarden'. Daarbij wordt verwezen naar de bijlage ‘Wezenlijke kenmerken en waarden EHS' waarin voor de verschillende gebieden binnen de EHS de wezenlijke kenmerken en waarden zijn beschreven. Het gaat om een globale beschrijving van de actuele en potentiële natuurwaarden van de verschillende deelgebieden van de EHS. Bij deze bijlage hoort een kaart waarop de verschillende deelgebieden zijn aangegeven. Met deze beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden voldoen wij aan de eis die op dit punt in het Barro wordt gesteld. ] In deze verordening wordt verstaan onder: a. compensatieplan: plan waarin overeenkomstig de eisen van artikel 2.7.5 de maatregelen worden vastgelegd die noodzakelijk zijn om de impact van ontwikkelingen binnen de EHS te compenseren en mitigeren; b. Ecologische Hoofdstructuur (EHS): samenhangend netwerk van natuurgebieden met bestaande en potentiële natuurwaarden van (inter)nationaal belang met als doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, begrensd overeenkomstig artikel 2.7.2; c. gebiedscategorie: typering zoals aangegeven op de kaart van een deelgebied van de EHS, bestaande uit: Bestaand: gebieden getypeerd door de aanwezigheid van grote natuurwaarden en gebieden die zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en die zijn ingericht conform de natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘wezenlijke kenmerken en waarden EHS'; Te realiseren: gebieden getypeerd door de geschiktheid voor verdere ontwikkeling van aanwezige of in potentie aanwezige natuurwaarden, maar die nog niet of niet geheel kunnen worden ingericht als natuur conform de natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘wezenlijke kenmerken enwaarden EHS' omdat de gronden nog niet zijn aangekocht, nog niet zijn afgewaardeerd en/of nog niet beschikbaar zijn voor de realisering van de EHS, bestaande uit de volgende subcategorieën: ¿ - Netto begrensd: concreet begrensde nog te realiseren natuur; ¿ - Bruto begrensd: zoekgebied waarbinnen nog bepaald moet worden waar een vooraf vastgesteld aantal hectares natuur concreet zal worden gerealiseerd; 10[Toelichting: Inzet voor deze zoekgebieden is dat er bij vaststelling van de herijkte EHS duidelijk is wat er als EHS begrensd wordt.] ¿ - Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000: gebieden waar maatregelen genomen moeten worden om natuurwaarden in nabijgelegen N2000-gebieden te beschermen; 11[Toelichting: De precieze uitwerking van de vastgestelde maatregelen moet nog plaatsvinden (nader uitgewerkt in realisatiestrategie en vervolg proces van realisatie). Op basis hiervan kan de EHS te zijner tijd waar mogelijk verkleind worden.] d. wezenlijke kenmerken en waarden: actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied, zoals omschreven in de bijlage 10: Wezenlijke kenmerken en waarden EHS. Artikel 2.7.
  125. Werkingsgebied 12[Toelichting: Met dit artikel stellen Provinciale Staten vast welke gebieden tot de EHS worden gerekend en leggen zij dit digitaal op de bijbehorende kaart vast. Op grond van het Barro (artikel 2.10.5) moet de begrenzing van de EHS bij verordening worden vastgelegd. Dit betekent dat het niet langer mogelijk is om de bevoegdheid om de begrenzing van de EHS aan te passen aan Gedeputeerde Staten toe te kennen. Er kunnen diverse redenen zijn om de begrenzing van de EHS aan te passen. Een aanleiding om de begrenzing aan te passen kan zijn dat na een afwijking op grond van artikel 2.7.4 het niet meer reëel is om voor die locatie uit te gaan van het realiseren van de eerder beoogde natuurwaarden. Aanpassing van de begrenzing van de EHS is dan een logische vervolgstap op de afwijking die in het kader van een bestemmingstraject is toegepast en waarbij als regel sprake is van een compensatieplan. Provinciale Staten passen de begrenzing van de EHS niet direct na elke afwijking aan. De afwijkingen worden verzameld en de begrenzing van de EHS wordt hierop regelmatig (bijvoorbeeld jaarlijks) door Provinciale Staten aangepast. Verder kunnen Provinciale Staten de grenzen van de EHS aanpassen ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van de Ecologische Hoofdstructuur. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt als voorwaarde bij herbegrenzing dat het areaal van de EHS per saldo gelijk moet blijven. In artikel 2.7.2 lid 4 wordt hierop een uitzondering gemaakt voor aanpassing van de begrenzing van gebieden die zijn aangeduid als ‘Bruto begrensd' en ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000', omdat voorzien wordt dat delen van deze gebiedscategorieën uiteindelijk uit de EHS zullen worden gehaald.Doelstelling is om bij de definitieve vaststelling van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening duidelijkheid te kunnen bieden over de subcategorie ‘Bruto begrensd'. In dat geval kan deze subcategorie komen te vervallen. Mocht de benodigde duidelijkheid nog niet geboden kunnen worden, dan wordt het onderscheid voor alsnog gehandhaafd. Het nader begrenzen van de EHS-opgaven binnen gebieden die als ‘Bruto begrensd' zijn aangeduid, leidt er toe dat het uiteindelijke areaal aan EHS kleiner zal worden dan nu is aangegeven. Waar voor de concreet begrensde EHS de voorwaarde wordt gehanteerd dat bij herbegrenzing het areaal aan EHS gelijk moet blijven, geldt deze eis voor de subcategorie ‘Bruto begrensd' niet.Voor het gebied Otterhagen staatde exacte begrenzing nog niet vast. Daarom is voor dit gebied op de kaart een zoekgebied opgenomen, met daarbinnen een totale netto opgave van 111 ha. Op een later moment zal er duidelijkheid komen over de mogelijkheden om een landbouwfunctie te handhaven op gronden waarvoor een waterpeilverhoging zal worden doorgevoerd met het oog op de natuurdoelen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dit zal leiden tot herbegrenzing van de EHS op dit punt.Voor het ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000' geldt ook dat bij de uiteindelijke herbegrenzing niet de eis wordt gesteld dat het areaal aan EHS gelijk moet blijven.]
  126. Het werkingsgebied van titel 2.7 wordt begrensd door de geometrische plaatsbepaling van de EHS op de digitale kaart ‘EHS' horende bij deze verordening.
  127. Provinciale Staten passen de begrenzing van de EHS aan op ontwikkelingen waarvoor op grond van artikel 2.7.4 is afgeweken van het beschermingsregime van artikel 2.7.
  128. Bij de herbegrenzing als bedoeld in lid 2 geldt de voorwaarde dat het areaal van de EHS per saldo ten minste gelijk blijft.
  129. De voorwaarde als bedoeld in lid 3 geldt niet bij aanpassing van de begrenzing van gebieden die aangeduid zijn als ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000' en ‘Bruto begrensd'. Artikel 2.7.
  130. Beschermingsregime 13[Toelichting: BeheersverordeningHet instrument van de beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 Wro vinden wij geen geschikt instrument om gebieden die zijn aangewezen als ‘Te realiseren' van een passende regeling te voorzien. De huidige situatie in deze gebieden is immers niet het gewenste eindbeeld. Naar zijn aard is een beheersverordening slechts bedoeld voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien en waar kan worden volstaan met regeling van het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik. Een beheersverordening is in beginsel wel denkbaar voor de categorie ‘Bestaand', maar moet dus voor andere categorieën worden uitgesloten. Gebiedscategorieën Ecologische HoofdstructuurArtikel 2.7.3 lid 2 en 3 bevat de opdracht aan gemeenten om gebieden binnen de EHS conform de eisen van de gebiedscategorie te bestemmen. BestaandGemeenten moeten het beschermingsregime voor gronden met de aanduiding ‘Bestaand' afstemmen op de natuurdoelen die voor deze gronden zijn geformuleerd. Deze natuurdoelen zijn af te leiden uit de beschrijving van de wezenlijke waarden en kenmerken van de betreffende gebieden zoals die onderdeel uitmaakt van deze verordening. Gronden binnen de categorie ‘Bestaand' mogen uitsluitend worden bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden of de beoogde natuurwaarden. Te realiserenVoor de gebiedscategorie 'Te realiseren' geldt dat er wel actuele natuurwaarden aanwezig kunnen zijn, maar dat er nog andere functies binnen het gebied aanwezig zijn waarvan de geldende ontwikkelingsrechten (ontwikkelingsmogelijkheden op basis van het geldende bestemmingsplan) gerespecteerd moeten worden, zolang de gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd. Zodra de gronden zijn aangekocht en/of afgewaarderd ten dienste van de realisering van de EHS en ook als zodanig beschikbaar zijn, mogen deze gronden uitsluitend worden bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden of de beoogde natuurwaarden. Gemeenten dienen deze gronden als zodanig te bestemmen. Voor de subcategorie ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000' geldt een extra argument om de huidige bestemming vooralsnog te handhaven. Het zal nog enige tijd duren voordat precies duidelijk is wat de consequenties zullen zijn van de maatregelen die genomen zullen worden ter bescherming van nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Tot het moment dat duidelijk is of in deze gebieden nog andere functies mogelijk zijn dan natuur, kunnen deze gebieden in principe hun huidige bestemming houden. Om te voorkomen dat er in de tussentijd onomkeerbare ontwikkelingen plaatsvinden waardoor de natuurontwikkeling niet meer te realiseren is, zijn gemeenten verplicht om voor gebieden met de aanduiding ‘Te realiseren' een bestemmingsregeling te treffen die deze gebieden hiervan vrijwaart. Bestemmingen voor deze gebieden moeten mede strekken tot behoud, bescherming of duurzame ontwikkeling van de actuele natuurwaarden. De bestaande planologische rechten voor die functies worden daarbij gerespecteerd. Uitbreiding van die functies waarvoor het geldende bestemmingsplan moet worden aangepast en waardoor de ontwikkelingsmogelijkheden voor natuur zouden worden aangetast, mogen niet worden toegestaan.Het beschermingsregime van de EHS is niet alleen relevant voor de vaststelling van bestemmingsplannen en een beheersverordeningen. In artikel 2.7.3 lid 7 is bepaald dat het beschermingsregime ook relevant is voor ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met een omgevingsvergunning. In lid 8 is het principe vastgelegd dat de bestaande (agrarische) functies zoals die uitgeoefend kunnen worden op grond van het geldende bestemmingsplan binnen de EHS kunnen worden voortgezet, zolang de betreffende gronden niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van de realisering van de EHS en ook nog niet beschikbaar zijn voor het realiseren van de beoogde natuurdoelen. Deze bepaling doet niets af aan beperkingen of verplichtingen op basis van andere wetgeving die van toepassing is op dit soort (agrarische) activiteiten, zoals de Wet Ammoniak en Veehouderij, de Natuurbeschermingswet en het Reconstructieplan. Wij benadrukken nogmaals dat de EHS geen schaduwwerking heeft op naastliggende gronden. Voor deze gronden geldt geen beperkende bepalingen vanwege de ligging naast EHS. Er zijn echter andere wettelijke kaders die wel voor beperkingen kunnen zorgen. Zo geldt voor Natura 2000-gebieden een externe werking, die voortvloeit uit landelijke en internationale natuurwetgeving maar dus niet uit het beschermingsregime van de EHS. In bijlage 1 is een overzicht van wet en regelgeving opgenomen die - naast de regeling in deze verordening - van toepassing kan zijn op EHS-gebieden. In lid 9 is de (verbale) uitsluiting geregeld van bestaande functies die ook na de herijking van de EHS volgens het kaartbeeld vallen binnen de EHS, maar waarvoor aangenomen moet worden dat ze ter plekke gehandhaafd zullen blijven. Het gaat dan om agrarische bouwblokken, burgerwoningen, recreatiebedrijven en andere bedrijven die aan geldende bestemmingsplannen bepaalde rechten en ontwikkelingsmogelijkheden kunnen ontlenen. De regeling voor de EHS heeft niet de bedoeling om die bestaande rechten en ontwikkelingsrechten in te perken. De opdracht om een passende bestemming toe te kennen aan gronden die op de kaart de aanduiding krijgen van ‘bestaand' of ‘te realiseren' is daarom niet van toepassing op bestaande functies binnen de EHS, voor zover het gaat om bestaande bouwmogelijkheden of geldende mogelijkheden om terreinverhardingen aan te leggen. Een burgerwoning in de EHS kan dus zijn woonbestemming houden, net zoals een recreatieterrein binnen de EHS een bestemming voor verblijfsrecreatie kan houden. Bepalend voor de verbale uitsluiting is welke bestemming deze bestaande functies hadden op het moment van inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2.7.
  131. Deze bepaling doet niets af aan beperkingen of verplichtingen op basis van andere wetgeving die van toepassing is op dit soort (agrarische) activiteiten, zoals de Wet Ammoniak en Veehouderij, de Natuurbeschermingswet en het Reconstructieplan.]
  132. Het beschermingsregime voor gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als gebiedscategorie ‘Bestaand' wordt vastgelegd in een bestemmingsplan of in beheersverordening. Voor de overige gebieden binnen de EHS geldt dat het beschermingsregime uitsluitend vastgelegd kan worden in een bestemmingsplan.
  133. Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Bestaand' moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden.
  134. Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Te realiseren': moeten een bestemming krijgen die mede gericht is op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de actuele natuurwaarden van deze gebieden zolang deze gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd; moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden indien de gronden zijn aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van de realisering van de EHS en ook als zodanig beschikbaar zijn.
  135. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als EHS wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.
  136. De verplichtingen die voortvloeien uit lid 2 tot en met 4 houden in ieder geval in: behoud van areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden.
  137. GS kunnen nadere regels stellen aan de toelichting c.q onderbouwing van bestemmingsplannen en beheersverordeningen die betrekking hebben op gronden die vallen binnen de EHS en waaruit moet blijken op basis van welke gegevens, waarderingen en afwegingen tot vaststelling is besloten.
  138. De verplichtingen die voortvloeien uit voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op omgevingsvergunningen, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken.
  139. Daar waar op het moment van het van kracht worden van deze titel bestemmingen gelden die rechten en ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor bestaande functies binnen gebieden die aangeduid zijn als ‘Te realiseren', verplicht deze titel niet om deze bestaande rechten en ontwikkelingsmogelijkheden in te perken zolang de gronden niet zijn aangekocht of functiewijziging nog niet heeft plaatsgevonden.
  140. De verplichting op grond van lid 2 en 3 van dit artikel om een passende bestemming toe te kennen geldt niet voor bestaande functies waarvoor het bestemmingsplan dat geldt op het moment van inwerkingtreding van dit artikel, ontwikkelingsmogelijkheden toekent voor wat betreft bouwen en het aanbrengen van terreinverhardingen Artikel 2.7.
  141. Afwijkingsmogelijkheden 14[Toelichting: Het ruimtelijk beleid van de EHS is gericht op het behoud en de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden die als EHS zijn aangewezen. Om te voorkomen dat aanwezige en potentiële natuurwaarden worden aangetast, zijn in principe geen ontwikkelingen toegestaan die significante effecten hebben op deze waarden. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Dit ‘nee, tenzij-beleid' is vastgelegd in artikel 2.7.3 in combinatie met artikel 2.7.4 (voorwaarden waaronder afwijking van het beschermingsgregime mogelijk is). In artikel 2.7.4 lid 1 is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen ten behoeve van ontwikkelingen die van groot openbaar belang zijn. In artikel 2.7.4 lid 3 is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor kleinschalige ontwikkelingen die weinig impact hebben op wezenlijk kenmerken en waarden. Wanneer een ontwikkeling geen effect heeft op de EHS voor wat betreft kwaliteit, areaal en samenhang, is afwijking niet nodig. In dat geval staat het beschermingsregime van de EHS de ontwikkeling immers niet in de weg.De mogelijkheid om af te wijken van het beschermingsregime van de EHS is niet langer als een ontheffingsconstructie in de verordening opgenomen, omdat de Spoedwet Wro geen ontheffingsconstructies toestaat voor voorzienbare ontwikkelingen. Afwijkingsmogelijkheid 1 - Groot openbaar belangDe gemeenteraad is op grond van artikel 2.7.4 lid 1 bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan af te wijken van het beschermingsregime dat op grond van artikel 2.7.3 van toepassing is. De gemeente moet dan wel aangetoond hebben dat er sprake is van groot openbaar belang én dat er geen reële alternatieven voor de betreffende ingreep zijn. Ook dient de gemeente te verzekeren dat de gevolgen van de ingreep zoveel mogelijk beperkt worden (mitigatie) en de overblijvende effecten voldoende gecompenseerd worden (compensatie). Bij ontwikkelingen van groot openbaar belang kan gedacht worden aan veiligheid, drinkwatervoorziening en plaatsing van installaties voor winning, opslag of transport van gas. De mitigerende maatregelen moeten ervoor zorgen dat de negatieve effecten van de beoogde activiteit die niet kunnen worden voorkomen wel zoveel mogelijk beperkt worden gehouden. De compenserende maatregelen moeten ervoor zorgen dat de overblijvende optredende schade of negatieve effecten op een toereikende, tenminste op een gelijkwaardige wijze worden gecompenseerd. Na uitvoering van de compensatie moet er een duurzame situatie ontstaan. Om te borgen dat de compensatie binnen redelijke termijn gerealiseerd wordt, zal de compensatie geregeld moeten worden in hetzelfde plan dat de beoogde ontwikkeling mogelijk maakt. Als de compensatie plaatsvindt buiten het plangebied, moet de planologische regeling voor de compensatie zoveel mogelijk gelijktijdig in procedure worden gebracht met het bestemmingsplan waarin de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Wij benadrukken dat aan alle voorwaarden in artikel 2.7.4 lid 1 moet worden voldaan, voordat meegewerkt kan worden aan een afwijking. Ook hier geldt dat er vanuit andere wet- en regelgeving beperkingen kunnen gelden die toepassing va

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.