Bouwverordening gemeente Schiedam (Schiedam)
Waar gaat deze regeling over?
Deze wet regelt de bouw, het gebruik en de sloop van bouwwerken in de gemeente Schiedam, met als doel de veiligheid, gezondheid en leefbaarheid te waarborgen. Het stelt regels vast voor onder andere bouwvergunningen, brandveiligheid en de staat van erven en terreinen.
Voor wie: Iedereen die bouwwerken wil bouwen, gebruiken of slopen in de gemeente Schiedam; Eigenaren en gebruikers van bouwwerken, open erven en terreinen in Schiedam.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 193
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De aanvraag en behandeling van bouwvergunningen.
- Voorschriften van stedenbouwkundige aard, zoals rooilijnen en bouwhoogtes.
- Eisen voor brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen.
- De aansluiting van bouwwerken op nutsvoorzieningen.
Voor wie geldt deze regeling?
- Iedereen die bouwwerken wil bouwen, gebruiken of slopen in de gemeente Schiedam.
- Eigenaren en gebruikers van bouwwerken, open erven en terreinen in Schiedam.
Wat zijn de kernpunten?
- Bouwen op verontreinigde bodem is verboden, tenzij aan specifieke voorwaarden wordt voldaan.
- Er zijn regels voor de bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer en gehandicapten.
- De wet stelt maximale hoogtes vast voor bouwwerken en afstanden tot rooilijnen.
- Voor bepaalde bouwwerken is een gebruiksvergunning vereist en er zijn voorschriften voor brandveilig gebruik.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (193)
- Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 9
- Artikel 1.2 Termijnen (vervallen) 9
- Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente 9
- Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen) 10
- Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen) 10
- Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden (vervallen) 10
- Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
- Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek 10
- Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
- Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen) 10
- Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
- Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen) 11
- Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening (vervallen) 11
- Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen) 11
- Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
- Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen) 11
- Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning 11
- Artikel 2.3.1 Welstandstandscriteria (vervallen) 11
- Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem 11
- Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning 11
- Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
- Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling 12
- Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer
- Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten 12
- Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn 12
- Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn 13
- Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn 13
- Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn 13
- Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg 13
- Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn
- Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn 14
- Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn 15
- Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn 15
- Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn 15
- Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen 15
- Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen 16
- Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken 16
- Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen 16
- Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
- Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn 17
- Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn 17
- Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn 18
- Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen 18
- Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken 18
- Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen 18
- Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken 18
- Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte 18
- Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte 18
- Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten
- Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen 19
- Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties 19
- Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties 20
- Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties 20
- Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties 20
- Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties 20
- Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties 21
- Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties 21
- Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen 21
- Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen 21
- Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen 21
- Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid 21
- Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding 22
- Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet 22
- Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet 22
- Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering 22
- Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering 23
- Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
- Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
- Artikel 3.1 Gereserveerd 24
- Artikel 3.2 Gereserveerd 24
- Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
- Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden 25
- Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen) 25
- Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw 25
- Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
- Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen 25
- Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten 25
- Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein 26
- Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein 26
- Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder 26
- Artikel 4.11 Bouwafval 26
- Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden 27
- Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen 27
- Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming 27
- Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen 28
- Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer
- Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten 28
- Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
- Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen, niet zijnde
- Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van
- Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en
- Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen
- Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding 29
- Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektricteitsnet 29
- Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet 29
- Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering 29
- Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering 30
- Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
- Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
- Artikel 5.4.1 Preventie 30
- Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk 31
- Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning 31
- Artikel 6.1.3 In behandeling nemen 32
- Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing 312
- Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning 32
- Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning 32
- Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden 32
- Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken 33
- Artikel 6.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben 33
- Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen 33
- Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen 33
- Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen 33
- Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid 33
- Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen 34
- Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen 34
- Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid 34
- Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
- Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen 34
- Artikel 7.3.1 (Vervallen). Zie toelichting 34
- Artikel 7.3.2 Hinder 35
- Artikel 7.4.1 Preventie 35
- Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water 35
- Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties 35
- Artikel 8.1.1 Sloopvergunning 36
- Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning 36
- Artikel 8.1.3 In behandeling nemen 37
- Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing 38
- Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen 38
- Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning 38
- Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning 38
- Artikel 8.2.1 Sloopmelding 38
- Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning 39
- Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein 39
- Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden 39
- Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning 39
- Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt 40
- Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest 40
- Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen 40
- Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen 40
- Artikel 9.3 Samenstelling van de commissie 41
- Artikel 9.4 Benoeming en zittingsduur van de commissie 41
- Artikel 9.5 Jaarlijkse verantwoording 42
- Artikel 9.7 Besluit- en adviesvormvereiste 42
- Artikel 9.8 Vooroverleg 42
- Artikel 9.9 Termijn van advisering 43
- Artikel 9.10 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 43
- Artikel 9.11 Afwijkingsbevoegdheid 43
- Artikel 9.12 Vergoeding 43
- Artikel 10.3 Overdragen vergunningen 44
- Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen) 44
- Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
- Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
- Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw 45
- Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming 45
- Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen 45
- Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen) 45
- Artikel 12.1 Strafbare feiten 46
- Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek 46
- Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
- Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning 46
- Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen) 46
- Artikel 12.6 Slotbepaling 46
- Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten 48
- Artikel 2 Verlichting/elektrische installatie 48
- Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden 48
- Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rook 48
- Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur 48
- Artikel 6 Droge blusleiding 49
- Artikel 7 Brandweerlift 49
- Artikel 8 Brandmeldinginstallatie 49
- Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie 49
- Artikel 10 Automatische brandblusinstallatie 49
- Artikel 11 Pompinstallaties t.b.v. brandslaghaspels (hydrofoor) 49
- Artikel 12 Automatisch werkende vluchtdeuren 50
- Artikel 12a Vluchtdeuren van overdruktrappenhuizen 50
- Artikel 13 Kwaliteit van transparanten 50
- Artikel 14 Flessengasinstallatie 50
- Artikel 15 Rookbeheersingssysteem 50
- Artikel 16 Overdrukinstallatie (vervallen) 50
- Artikel 17 Luchtbehandelinginstallatie 50
- Artikel 18 Brandweeringang (vervallen) 50
- Artikel 19 Logboek 50
- Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsuitoefening 50
- Artikel21 Rookmelders in woningen 50
- Artikel 22 Roltrap 51
- Artikel 23 Garantiecertificaat 51
- Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes 51
- Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein 51
- Artikel 2.6.12
- Artikel 21
- Artikel 352
- Art. 7 H. 8, Toelichting Algemeen
- Artikel 9.6
Bouwverordening gemeente SchiedamGeconsolideerde tekst van de regeling BOUWVERORDENING Gemeente Schiedam Gemeente Schiedam Vastgesteld bij raadsbesluit : 1 juni 1993 (VR 91/1993) Gewijzigd bij raadsbesluit : 18 september 1995 (VR 137/1995, 1e en 2e serie wijzingen), Gewijzigd bij raadsbesluit : 28 oktober 1996 (VR 152/1996, 3e serie wijzigingen), Gewijzigd bij raadsbesluit : 7 februari 2000 (VR 004/2000, 4e serie wijzigingen), Gewijzigd bij raadsbesluit : 7 februari 2000 (VR 004/2000, 5e serie wijzigingen), Gewijzigd bij raadsbesluit : 7 februari 2000 (VR 004/2000, 6e serie wijzigingen) Gewijzigd bij raadsbesluit : 11 december 2000 (VR 123/2000, 7e serie wijzigingen) Gewijzigd bij raadsbesluit : 17 december 2002 (8e serie wijzigingen) Gewijzigd bij raadsbesluit : 6 april 2004 (VR 29/2004 9e serie wijzigingen) Gewijzigd bij raadsbesluit : 20 juni 2005 (VR 81/2005 10e serie wijzigingen) Gewijzigd bij raadsbesluit : 12 februari 2007 (VR 14/2007 11e serie wijzigingen) Gewijzigd bij raadsbesluit : 21 juni 2007 (VR 56 /2007 12e serie wijzigingen) INHOUDSOPGAVE Bouwverordening gemeente Schiedam HOOFDSTUK1Inleidende bepalingen 9
Artikel 1.1Begripsomschrijvingen 9
Artikel 1.2Termijnen (vervallen) 9
Artikel 1.3Indeling van het gebied van de gemeente 9
HOOFDSTUK2De aanvraag bouwvergunning 10 Paragraaf1Gegevens en bescheiden 10
Artikel 2.1.1Aanvraag bouwvergunning (vervallen) 10
Artikel 2.1.2In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen) 10
Artikel 2.1.3Bij de aanvraag in te dienen bescheiden (vervallen) 10
Artikel 2.1.4Gegevens met betrekking tot het coördineren van
vergunningaanvragen (vervallen) 10
Artikel 2.1.5Bodemonderzoek 10
Artikel 2.1.6Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
bouwvergunning (vervallen) 10
Artikel 2.1.7Bouwregistratie (vervallen) 10
Artikel 2.1.8Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
woonwagens en standplaatsen (vervallen) 10 Paragraaf2Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning 11
Artikel 2.2.1Ontvangst van de aanvraag (vervallen) 11
Artikel 2.2.2Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening (vervallen) 11
Artikel 2.2.3Bekendmaking van termijnen (vervallen) 11
Artikel 2.2.4In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
(vervallen) 11
Artikel 2.2.5In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen) 11
Artikel 2.2.6Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning 11
Paragraaf3Welstandstoetsing 11
Artikel 2.3.1Welstandstandscriteria (vervallen) 11
Paragraaf4Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem 11
Artikel 2.4.1Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem 11
Artikel 2.4.2Voorwaarden bouwvergunning 11
Paragraaf5Voorschriften van stedenbouwkundige aard 12
Artikel 2.5.1Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
stedenbouwkundige bepalingen (vervallen) 12
Artikel 2.5.2Anti-cumulatiebepaling 12
Artikel 2.5.3Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer
Brandblusvoorzieningen 12
Artikel 2.5.4Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten 12
Artikel 2.5.5Ligging van de voorgevelrooilijn 12
Artikel 2.5.6Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn 13
Artikel 2.5.7Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn 13
Artikel 2.5.8Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn 13
Artikel 2.5.9Bouwen op de weg 13
Artikel 2.5.10Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn
Afschuining van straathoeken 14
Artikel 2.5.11Ligging achtergevelrooilijn 14
Artikel 2.5.12Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn 15
Artikel 2.5.13Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn 15
Artikel 2.5.14Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn 15
Artikel 2.5.15Erf bij woningen en woongebouwen 15
Artikel 2.5.16Erf bij overige gebouwen 16
Artikel 2.5.17Ruimte tussen bouwwerken 16
Artikel 2.5.18Erf- en terreinafscheidingen 16
Artikel 2.5.19Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
Hoofdtransportleidingen 16
Artikel 2.5.20Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn 17
Artikel 2.5.21Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn 17
Artikel 2.5.22Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn 18
Artikel 2.5.23Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen 18
Artikel 2.5.24Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken 18
Artikel 2.5.25Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen 18
Artikel 2.5.26Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken 18
Artikel 2.5.27Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte 18
Artikel 2.5.28Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte 18
Artikel 2.5.29Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten
bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid 19
Artikel 2.5.30Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen 19
Paragraaf6Voorschriften inzake brandbeveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen 19
Artikel 2.6.1Beginsel inzake brandmeldinstallaties 19
Artikel 2.6.2Aanwezigheid van brandmeldinstallaties 20
Artikel 2.6.3Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties 20
Artikel 2.6.4Kwaliteit van brandmeldinstallaties 20
Artikel 2.6.5Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties 20
Artikel 2.6.6Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties 21
Artikel 2.6.7Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties 21
Artikel 2.6.8Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen 21
Artikel 2.6.9Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen 21
Artikel 2.6.10Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen 21
Artikel 2.6.11Gelijkwaardigheid 21
Paragraaf7Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen 22
Artikel 2.7.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding 22
Artikel 2.7.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet 22
Artikel 2.7.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet 22
Artikel 2.7.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering 22
Artikel 2.7.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering 23
Artikel 2.7.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
en terreinen 23
Artikel 2.7.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
net van de nutsvoorzieningen 23 HOOFDSTUK3Licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken 24
Artikel 3.1Gereserveerd 24
Artikel 3.2Gereserveerd 24
HOOFDSTUK4Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouwen bij ingebruik- neming van een bouwwerk 25
Artikel 4.1Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
staking van bouwwerkzaamheden 25
Artikel 4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden 25
Artikel 4.3Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen) 25
Artikel 4.4Het uitzetten van de bouw 25
Artikel 4.5Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
bouwwerkzaamheden 25
Artikel 4.6Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen 25
Artikel 4.7Bemalen van bouwputten 25
Artikel 4.8Veiligheid op het bouwterrein 26
Artikel 4.9Afscheiding van het bouwterrein 26
Artikel 4.10Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder 26
Artikel 4.11Bouwafval 26
Artikel 4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden 27
Artikel 4.13Melden van werken bij lage temperaturen 27
Artikel 4.14Verbod tot ingebruikneming 27
HOOFDSTUK5Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidinstallaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijke en hinderlijke gedierte 28 Paragraaf1Staat van open erven en terreinen 28
Artikel 5.1.1Staat van onderhoud van open erven en terreinen 28
Artikel 5.1.2Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer
Brandblusvoorzieningen 28
Artikel 5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten 28
Paragraaf2Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen 28
Artikel 5.2.1Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
vluchtrouteaanduidingen 28
Artikel 5.2.2Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen, niet zijnde
woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen) 28
Artikel 5.2.3Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van
bijzondere aard (vervallen) 29
Artikel 5.2.4Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en
logiesgebouwen (vervallen) 29
Artikel 5.2.5Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen
(vervallen) 29 Paragraaf3Aansluiting op de nutsvoorzieningen 29
Artikel 5.3.1Eis tot aansluiting aan de waterleiding 29
Artikel 5.3.2Eis tot aansluiting aan het elektricteitsnet 29
Artikel 5.3.3Eis tot aansluiting aan het aardgasnet 29
Artikel 5.3.4Eis tot aansluiting aan de openbare riolering 29
Artikel 5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare riolering 30
Artikel 5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
terreinen 30
Artikel 5.3.7Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
net van de nutsvoorzieningen 30 Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid 30
Artikel 5.4.1Preventie 30
HOOFDSTUK6Brandveilig gebruik 31 Paragraaf1Gebruiksvergunning 31
Artikel 6.1.1Vergunning gebruik bouwwerk 31
Artikel 6.1.2Aanvraag gebruiksvergunning 31
Artikel 6.1.3In behandeling nemen 32
Artikel 6.1.4Termijn van beslissing 312
Artikel 6.1.5Weigeren gebruiksvergunning 32
Artikel 6.1.6Intrekken gebruiksvergunning 32
Artikel 6.1.7Verplicht aanwezige bescheiden 32
Paragraaf2Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar 33
Artikel 6.2.1Gebruikseisen voor bouwwerken 33
Artikel 6.2.2Verbod stoffen aanwezig te hebben 33
Artikel 6.2.3Opslag en verwerking stoffen 33
Paragraaf3Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand 33
Artikel 6.3.1Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen 33
Artikel 6.3.2Gebruik middelen en voorzieningen 33
Paragraaf4Hinder in verband met de brandveiligheid 33
Artikel 6.4.1Hinder in verband met de brandveiligheid 33
HOOFDSTUK7Overige gebruiksbepalingen 34 Paragraaf1Overbevolking 34
Artikel 7.1.1Overbevolking van woningen 34
Artikel 7.1.2Overbevolking van woonwagens en woonketen 34
Paragraaf2Staken van het gebruik 34
Artikel 7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid 34
Artikel 7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
hygiëne 34
Artikel 7.2.3Staken van het gebruik van een woonwagen 34
Paragraaf3Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen 34
Artikel 7.3.1(Vervallen). Zie toelichting 34
Artikel 7.3.2Hinder 35
Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinder gedierte. Reinheid 35
Artikel 7.4.1Preventie 35
Paragraaf5Watergebruik 35
Artikel 7.5.1Verboden gebruik van water 35
Paragraaf6Installaties 35
Artikel 7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties 35
HOOFDSTUK8Slopen 36 Paragraaf1Sloopvergunning 36
Artikel 8.1.1Sloopvergunning 36
Artikel 8.1.2Aanvraag sloopvergunning 36
Artikel 8.1.3In behandeling nemen 37
Artikel 8.1.4Termijn van beslissing 38
Artikel 8.1.5Samenloop van slopen en bouwen 38
Artikel 8.1.6Weigeren sloopvergunning 38
Artikel 8.1.7Intrekking sloopvergunning 38
Paragraaf2Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning 38
Artikel 8.2.1Sloopmelding 38
Artikel 8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning 39
Paragraaf3Verplichtingen tijdens het slopen 39
Artikel 8.3.1Veiligheid op sloopterrein 39
Artikel 8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden 39
Artikel 8.3.3Plichten van de houder van de sloopvergunning 39
Artikel 8.3.4Plichten van degene die sloopt 40
Artikel 8.3.5Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest 40
Artikel 8.3.6Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen 40
Paragraaf4Vrij slopen 40
Artikel 8.4.1Sloopafval algemeen 40
HOOFDSTUK9Welstand 41 Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie 41 Artikel 9.2 De taken van de commissie 41
Artikel 9.3Samenstelling van de commissie 41
Artikel 9.4Benoeming en zittingsduur van de commissie 41
Artikel 9.5Jaarlijkse verantwoording 42
Artikel 9.6 De werkwijze 42
Artikel 9.7Besluit- en adviesvormvereiste 42
Artikel 9.8Vooroverleg 42
Artikel 9.9Termijn van advisering 43
Artikel 9.10Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 43
Artikel 9.11Afwijkingsbevoegdheid 43
Artikel 9.12Vergoeding 43
HOOFDSTUK10Overige adminstratieve bepalingen 44 Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning 44 Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbare verklaarde woning of woonwagen 44
Artikel 10.3Overdragen vergunningen 44
Artikel 10.4Overdragen mededeling (vervallen) 44
Artikel 10.5Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
Woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen 44
Artikel 10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
voorschriften 44 HOOFDSTUK11Handhaving 45
Artikel 11.1Stilleggen van de bouw 45
Artikel 11.2Overtreding van het verbod tot ingebruikneming 45
Artikel 11.3Stilleggen van het slopen 45
Artikel 11.4Onderzoek naar een gebrek (vervallen) 45
HOOFDSTUK12Straf-, overgangs- en slotbepalingen 46
Artikel 12.1Strafbare feiten 46
Artikel 12.2Overgangsbepaling bodemonderzoek 46
Artikel 12.3Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
terreinen 46
Artikel 12.4Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning 46
Artikel 12.5Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen) 46
Artikel 12.6Slotbepaling 46
Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen) 47 Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning 47 Artikel 1 47 Artikel 2 47 Artikel 3 47 Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken 48
Artikel 1Vrijhouden van terreingedeelten 48
Artikel 2Verlichting/elektrische installatie 48
Artikel 3Installaties voor verwarming en kookdoeleinden 48
Artikel 4Voorzieningen voor de afvoer van rook 48
Artikel 5Verbod voor roken en open vuur 48
Artikel 6Droge blusleiding 49
Artikel 7Brandweerlift 49
Artikel 8Brandmeldinginstallatie 49
Artikel 9Ontruimingsalarminstallatie 49
Artikel 10Automatische brandblusinstallatie 49
Artikel 11Pompinstallaties t.b.v. brandslaghaspels (hydrofoor) 49
Artikel 12Automatisch werkende vluchtdeuren 50
Artikel 12aVluchtdeuren van overdruktrappenhuizen 50
Artikel 13Kwaliteit van transparanten 50
Artikel 14Flessengasinstallatie 50
Artikel 15Rookbeheersingssysteem 50
Artikel 16Overdrukinstallatie (vervallen) 50
Artikel 17Luchtbehandelinginstallatie 50
Artikel 18Brandweeringang (vervallen) 50
Artikel 19Logboek 50
Artikel 20Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsuitoefening 50
Artikel21Rookmelders in woningen 50
Artikel 22Roltrap 51
Artikel 23Garantiecertificaat 51
Artikel 24Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes 51
Artikel 25Bluswaterwinplaats op eigen terrein 51
Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken niet zijnde een- en meergezins- huizen woonwagens, behalve voor een- en meergezinshuizen en woonwagens waarin sprake is van een verminderde zelfredzaamheid van bewoners in combinatie met permanent toezicht op en begeleiding van de bewoners (4e serie wijzigingen) 52Artikel 1 Uitgangen en vluchtwegen 52
Artikel 2Stoffering en versiering 52
Artikel 3Elektrische Verlichting 52
Artikel 4Aanduiding van blusmiddelen 52
Artikel 5Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw 52
Artikel 6Opstellingsplannen 53
Artikel 7Afval (vervallen) 53
Artikel 8Periodieke controle van draagbare blustoestellen 53
Artikel 9Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal 53Artikel 10 Glas 53
Artikel 11Textiel in horizontale toepassing 54
Artikel 12
Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier, of fotopapier 54 Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen 55Tabel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen 55 Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen 56 (Vervallen)Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen 57Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest 57 (Vervallen)Bijlage 9 Welstand 57 (vervallen)Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties) 58Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsinstallaties) 61Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding) 62Artikel B Overgangsbepalingen 63 Artikel C Inwerkingtreding 63 TOELICHTING OP BOUWVERORDENING 64 HOOFDSTUK 1 Inleidende bepalingen
Artikel 1.1Begripsomschrijvingen1 In deze verordening wordt verstaan onder
asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel I, letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning en openbaar bouwregister als bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet; besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van de Woningwet; bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet; bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100a, eerste lid van de Woningwet belast zijn met het bouw- en woningtoezicht; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grónd, bedoeld om ter plaatse te functioneren; deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit; hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;
NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;
NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm; -straatpeil: a voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. woonruimte: besloten ruimte, die al dan niet samen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning 2 In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een gebouw.
Artikel 1.2
Termijnen(Vervallen)Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente(Vervallen)HOOFDSTUK 2 De aanvraag bouwvergunningParagraaf 1 Gegevens en bescheidenArtikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning(Vervallen)Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens(Vervallen)Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden(Vervallen)Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen(Vervallen)Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid van de Woningwet bestaat uit: a.de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993); b.de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het Protocol Nader onderzoek Deel 1 (SDU uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU uitgave oktober 1994) in het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader onderzoek als bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is; c.indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.
2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5. onderdeel e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit Bouwwerken.
3.Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5, onderdeel e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.
Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5, onderdeel e van de Bijlage bij het Besluit indienings-vereisten, voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het in NVN 5725, uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen.
Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.
Artikel 2.1.6
Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning(Vervallen)Artikel 2.1.7 Bouwregistratie(Vervallen)Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen(Vervallen)Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunningArtikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag(Vervallen)Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening(Vervallen)Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen(Vervallen)Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening(Vervallen)Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek(Vervallen)Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunningIn de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt aangegeven a de naam van de aanvrager; b de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk; c de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd wordt; d de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene wet bestuursrecht.
Paragraaf 3 WelstandstoetsingArtikel 2.3.1 Welstandscriteria(Vervallen)Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodemArtikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem1 Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist,. en c 1 dat de grond raakt, of 2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.
2 Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid bepaalde, in die situaties waarin, gelet op de aard van de werkzaamheden of de aard en de functie van het bouwwerk in relatie tot het doel van het verbod, een toets aan de verbodsbepaling niet redelijk is.
Artikel 2.4.2Voorwaarden bouwvergunningIn afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 4 van het
Besluit indieningsvereisten en letter e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisenArtikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen(Vervallen)Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepalingTerrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.
Artikel 2.5.3
Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen1 Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, met meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s en het overig te verwachten verkeer;
2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld: a een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over een breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m; b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.
3 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.
4 Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.
6 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.
Artikel 2.5.3
A Brandweeringang1 Indien een automatische doormelding van brand naar de alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het gebouw over meerdere toegangen beschikt, in overleg met de brandweer ten minste één van de toegangen als brandweeringang aangewezen;
2 Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald;
Artikel 2.5.4Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten1 Tussen de toegang van enerzijds
a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.
2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: a tenminste 1,10 m breed moeten zijn; b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.
Artikel 2.5.5Ligging van de voorgevelrooilijnDe voorgevelrooilijn is
a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; . b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
Artikel 2.5.6Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijnOnverminderd het bepaalde in artikel 2.5. 7 is het verboden een bouwvergunningplichtig bouwwerk
te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
Artikel 2.5.7Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijnHet verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op
a onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het aftonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel3, eerste lid, onder c, van het Besluit bouwwerken; b andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder c, van het Besluit bouwwerken, te weten:
1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;
2 stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.
Artikel 2.5.8
Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn1 Burgemeester en wethouders kunnen -met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid ontheffing verlenen van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil; b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder f, van de Woningwet, die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn; c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg overschrijden; d erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden; e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7; f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken. g bouwwerken aan of bij een monument -als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening- voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.
2Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan
Artikel 2.5.9Bouwen op de wegBurgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot bouwen met
overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het bouwen op de weg van: a gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatie-verkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder h, van het Besluit bouwwerken; b bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energie-voorziening of het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het Besluit bouwwerken; c vrijstaande winkel- of reclamevitrines; d reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; e andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.
Artikel 2.5.10
Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining vanstraathoeken1 Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn geplaatst 2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: a de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend; b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst; c in de gevallen, bedoeld in het derde lid.
3 Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken -over een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil -worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.
4 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor: a gebouwen behorende tot een complex van gebouwen; b gebouwen op handels- en industrieterreinen; c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; d bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen. e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende woningen; f gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; g gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat.
Artikel 2.5.11Ligging achtergevelrooilijn1 De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt zich
a in een aan alle zijden bebouwd ofte bebouwen driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste; b in een aan alle zijden bebouwd ofte bebouwen bouwblok van een andere dan ondera genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; c in een slechts aan drie zijden bebouwd ofte bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 114 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; d in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 114 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; e in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.
2 Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing -in het belang van de toetreding van daglicht- over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.
3 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
Artikel 2.5.12Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijnOnverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwvergunningplichtige bouwwerken
te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
Artikel 2.5.13Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijnHet verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op
a buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; b buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; c onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk, die bij het aftonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw als bedoeld in artikel2, onder a, van het Besluit bouwwerken; d onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel3, eerste lid, onder c, van het Besluit bouwwerken; e andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder c, van het besluit Bouwwerken, te weten:
1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;
2 terrassen, bordessen en bordestreden; f antennes, anders dan bedoeld in artikel3, eerste lid, onder f en g, van het Besluit bouwwerken.
Artikel 2.5.14Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijnBurgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot bouwen met
overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: a buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; b binnen de bebouwde kom gelegen kassen; c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; d gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; e gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; f bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit Bouwwerken; g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of industrieterrein omvattend; h bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde; i ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; j erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, bedoeld in artikel2, onder a, van het Besluit Bouwwerken; k trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; l bouwwerken aan of bij een monument- als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.
Artikel 2.5.15Erf bij woningen en woongebouwen1 Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat die
a over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en b voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.
De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven.
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in: a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot de bewoning bestemd is: b het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
1 een gunstige, andere indeling van het erf aanwezig is;
2 het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;
3 bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.
Artikel 2.5.16
Erf bij overige gebouwen1 Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte daarvan 2 Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid: a indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen; b indien, voor zover nodig, vrijstelling is verleend van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.
Artikel 2.5.17
Ruimte tussen bouwwerken1 De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn; b niet toegankelijk zijn.
Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
2 Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.
Artikel 2.5.18Erf- en terreinafscheidingen1 Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onder e van het Besluit Bouwwerken zijn
niet toegelaten;
2 Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.
Artikel 2.5.19
Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen 1 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van boven-grondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1000 volt of meer 2 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.
3 Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van: a het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert; b het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.
Artikel 2.5.20
Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met a éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.
2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.
3 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.
4 Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.
Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.
Artikel 2.5.21
Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van een bouwvergunning-plichtig bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
2 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.
Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de achtergevel-rooilijnen.
Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.
3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
4 Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.
Artikel 2.5.22
Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn1 Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 -de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21 , tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen 2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid- mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel.
Artikel 2.5.23
Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 -maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen van a 45 graden in de bebouwde kom; b 37 graden buiten de bebouwde kom.
2 Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de -krachtens artikel 2.5.22 -maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.
Artikel 2.5.24Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken1 De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer bedragen dan 15 meter
2 Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst gelegen weg.
Artikel 2.5.25
Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen1 De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat -uitgaande van een goothoogte van genoemde maat -daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is 2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen .
Artikel 2.5.26
Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken1 De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil 2 De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebbelt, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, jen k, moeten -voor zover zij de maximale hoogte overschrijden -buiten beschouwing worden gelaten.
Artikel 2.5.27
Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogteHet bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op: a onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel3, eerste lid, onder c, van het Besluit bouwwerken; b het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken anders dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel3, eerste lid, onder c, van het Besluit Bouwwerken; c topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter plaatse; d plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.
Artikel 2.5.28Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogteBurgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste
lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 ten behoeve van: a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; b gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat; c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en industrieterrein; d agrarische bedrijfsgebouwen; e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel3, eerste lid, onder c, van het Besluit bouwwerken, en indien:
1 de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;
2 bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande; f bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel3, derde lid, van het Besluit bouwwerken; g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke aard; h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter; i dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1, 75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren; j draagconstructies voor een reclame; k vrijstaande schoorstenen; l bouwwerken op een monument -als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.
Artikel 2.5.29
Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogtein geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid1 In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5:8,2.5.14 en 2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte 2 De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester en wethouders worden verleend indien: a de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20 Bro; b de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid van de provincie inzake artikel 19, lid 2 WRO; c het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.
3 Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat: a gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kan inbrengen; b indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere bouwvergunning met ten hoogste zes weken kunnen verdagen. c gedurende de termijn van ter inzage legging eenieder schriftelijk zijn zienswijzen omtrent de aanvraag kan inbrengen; d indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere bouwvergunning kunnen verdagen en vervolgens beslissen binnen 6 weken.
Artikel 2.5.30
Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen1 Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet over bemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer 2 De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's.
Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 2,35 m bij 6,00 m bedragen; b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst -ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.
3 Indien de bestemming van een gebouwaanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
4 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het derde lid: a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingenArtikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties1 Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk kan worden ontdekt en gemeld.
2 Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het tweede lid, indien de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft;
Artikel 2.6.2Aanwezigheid van brandmeldinstallaties1 Een gebruiksfunctie
waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen op een in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven waarde boven het meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit; waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven grenswaarden; waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven grenswaarde; die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer bouwlagen dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn aangegeven, is voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002.
2 In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte waardoor dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de betreffende vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd, voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van de volgende situaties: a de loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte en een punt vanwaar in meerdere richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer dan 10 meter; b het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte waardoor slechts in één richting kan worden gevlucht alsmede de op dit gedeelte aangewezen verblijfsruimten is groter dan 200 m²; c het aantal verblijfsruimten dat is aangegeven op de betreffende ruimte bedraagt meer dan 2;
Artikel 2.6.3
Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties1 De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002, is uitgevoerd als: a niet-automatische bewaking; of b gedeeltelijke bewaking; of c volledige bewaking; zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening, of d ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes en risicoruimten.2 Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1 , a, b en c, in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door naar de alarmcentrale van de brandweer, voor zover dit voor een gebruiksfunctie staat aangegeven in tabal 2.6.1. van bijlage 10 van deze verordening
Artikel 2.6.4
Kwaliteit van brandmeldinstallaties1 Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002 2 Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen als bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.
3 Een op grond van artikel 2.6.2. in een bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie, welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2 rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van de brandweer, is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002;
Artikel 2.6.5
Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties1 Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit het bouwwerk kunnen vluchten 2 Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage 11 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het tweede lid, indien de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft;
Artikel 2.6.6Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties1 Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2. is voorzien van een brandmeldinstallatie, is voorzien
van een ontruimingsinstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004;
2 In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2., tweede lid, van toepassing is, dienen de betreffende verblijfsruimten te zijn voorzien van een automatische ontruimingsinstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004;
Artikel 2.6.7Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties1 Een op grond van artikel 2.6.6. in een bouwwerk aanwezige ontruimingsinstallatie voldoet aan het
gestelde in NEN 2575, uitgave 2004;
2 Een op grond van artikel 2.6.6. in een bouwwerk aanwezige ontruimingsinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstige een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen, als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004;
Artikel 2.6.8Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen1 Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige aanduiding dat gebruikers op veilige wijze uit het
bouwwerk kunnen vluchten.
2 Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
Artikel 2.6.9Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen1Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze verordening, is voorzien van
vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in NEN 6088, uitgave 2002.
Artikel 2.6.10
Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen1 Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088, uitgave 2002 2 Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende herkenbaar aangebracht.
3 De in artikel 2.6.9. vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor wat betreft de zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2. tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999;
4Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in geval van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet van toepassing;
Artikel 2.6.11
Gelijkwaardigheid1 Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.4 van overeenkomstige toepassing 2 Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.7 van overeenkomstige toepassing.
3 Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding aanwezig is, is artikel 2.6.10 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.6.12
Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdienstenIndien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het goed kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een installatie die mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners binnen en buiten dat bouwwerk mogelijk maakt Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningenArtikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleidingDe in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
Artikel 2.7.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnetDe in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen
elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.
Artikel 2.7.3
Eis tot aansluiting aan het aardgasnet1 De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 mafstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor bejaarden.
2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid: a voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; b voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd; c voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet).
Artikel 2.7.3
A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarmingIndien een deel van de gemeente een publieke voorziening voor verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet) aanwezig is, moet een aldaar te bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtstbijzijnde leiding van die publieke leiding is gelegen: of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van die leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
Artikel 2.7.4
Eis tot aansluiting aan de openbare riolering1 De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid: a in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; b voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.
2 Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: a op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw danwel de grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen; b of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden tussen geschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater, faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.
3 Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussen geschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft.
4 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is: a voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn gelegen; b voor agrarische bedrijven.
Artikel 2.7.5
Aansluiting anders dan aan de openbare riolering1 Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen a leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort; b leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput met overstort; c leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede over storten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; d leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is.
Artikel 2.7.6
Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen1 Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt 2 De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bijenige zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.
3 In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouwen de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen.
4 Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn.
Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.
5 Onverminderd niet bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125 mm.
6 Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend zijn.
Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7.
Artikel 2.7.7
Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van denutsvoorzieningenDe in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
HOOFDSTUK 3 Licht-bouwvergunningplichtige bouwwerkenArtikel 3.1 GereserveerdArtikel 3.2 GereserveerdHOOFDSTUK 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouwen bij ingebruikneming vaneen bouwwerkArtikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking vanbouwwerkzaamhedenBurgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel 59 van de Woningwet de bouwvergunning intrekken, indien: a binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de bouwwerk-zaamheden is gemaakt; b tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen; en/of c binnen 12 maanden na onherroepelijk worden van de bouwvergunning eerste fase geen aanvraag om bouwvergunning tweede fase is ingediend.
Artikel 4.2Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheidenOp het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en op
verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven: a de bouwvergunning; b andere vergunningen en ontheffingen; c het bouwveiligheidsplan; d een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.
Artikel 4.3
Wijzigingen in gegevens bouwregistratie(Vervallen)Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouwMet het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag -onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde -niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders voor zover nodig: a het straatpeil is aangegeven; b de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet.
Artikel 4.5
Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) debouwwerkzaamheden1 Het bouwtoezicht dient -voor zover het betreft bouwwerken waarvoor bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van de bouwvergunning –ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld a de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen; b de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen; c de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.
2 Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden gesteld van het storten van beton.
3 De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.
Artikel 4.6
Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingenZolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.
Artikel 4.7Bemalen van bouwputtenBij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van
bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.
Artikel 4.8
Veiligheid op het bouwterrein1 Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers 2 Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten, wanneer er niet wordt gewerkt -rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet inbegrepen: a de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is; b machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;
3 Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.
4 Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of andere veiligheids-maatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn.
Artikel 4.9
Afscheiding van het bouwterrein1 Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is 2 De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere lopenbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.
3 Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.
Artikel 4.10
Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder1 Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren 2 Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving optreedt.
3 Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden.
4 Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een werk te gebruiken krachtwerktuig: a uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of b de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of c het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden gebruikt.
5 Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is.
Artikel 4.11Bouwafval1 Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de volgende fracties
a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9); b steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt; c glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt; d overig afval.
2 Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, ben c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden.
3Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.
Artikel 4.12Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden1 Van het gereedkomen
van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil; van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de thermische isolatie in andere besloten constructies moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.
2 Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving.
3 Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.
4 Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de bouwvergunning, betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.
5 De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.
Artikel 4.13
Melden van werken bij lage temperaturen1 Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van a het niet verwerken van bevroren materialen; b het verkrijgen van een goede binding en verharding; c de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is.
2 De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.
Artikel 4.14
Verbod tot ingebruikneming(Vervallen)HOOFDSTUK 5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidinstallaties, aansluiting opde nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierteParagraaf 1 Staat van open erven en terreinenArtikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen1 Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden 2 Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van: a drassigheid; b stank; c verontreiniging; d aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte; e aanwezigheid van begroeiing.
Artikel 5.1.2
Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen1 Tussen de toegang van een gebouw en een openbare weg moet een verbindingsweg zijn, die geschikt is voor het te verwachten verkeer en die het gebouw onder alle omstandigheden bereikbaar maakt voor het noodzakelijke brandweermaterieel, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.
2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de des-betreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld: a een breedte hebben van tenminste 4,5 m en over een breedte van tenminste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin hebben van tenminste 4,2 m; b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.
3 het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw, voor zover dit niet voor bewoning is bestemd, maar wel tot een hoofdgebouw behoort, dat op hetzelfde terrein is gelegen;
4 Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.
5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.
Artikel 5.1.3Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten1 Tussen de toegang van enerzijds
a een woning of woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.
2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: a ten minste 1,10 meter breed moeten zijn; en b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 meter; en c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 meter, tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in artikelen 2.30 en 2.40 van het Bouwbesluit.
Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingenArtikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingenVoor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1. tot en met 2.6.12 van overeenkomstige toepassing;
Artikel 5.2.2Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen
(Vervallen)Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard (Vervallen)Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen(Vervallen)Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen(Vervallen)Paragraaf 3Aansluiting op de nutsvoorzieningenArtikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleidingDe in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.
Artikel 5.3.2Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnetDe in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening
moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 mafstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m.
Artikel 5.3.3
Eis tot aansluiting aan het aardgasnet1 De in artikel2. 72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 mafstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluitingvoor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m.
2 Niet van toepassing is voorgaande eis op: a woningen voor bejaarden; b woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; c woningen die niet worden verhuurd; d woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.
Artikel 5.3.4
Eis tot aansluiting aan de openbare riolering1 De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool 2 Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: a in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; b op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn gelegen; c voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd; d op agrarische bedrijven waarin de fecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is.
Artikel 5.3.5Aansluiting anders dan aan de openbare rioleringIndien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen
a voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn, tenzij de fecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt; b voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; c leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder fecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; d leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
Artikel 5.3.6Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinenArtikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing
Artikel 5.3.7
Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van denutsvoorzieningenDe in de artikelen 5.3.1,5.3.2,5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.
Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. ReinheidArtikel 5.4.1 PreventieHet normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.
HOOFDSTUK 6 Brandveilig gebruikParagraaf 1 GebruiksvergunningArtikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk1 Het is verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin: a meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een één- of meergezinshuis; b aan meer dan vier personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft; c aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan tien lichamelijk en/of verstandelijk gehandicapten dagverblijf zal worden verschaft; d aan meer dan vier personen woonverblijf in een woonruimte zal worden verschaft, anders dan één huishouden per woonruimte.
2 Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand;
Hieronder worden begrepen voorwaarden met betrekking tot: stoffering en versiering; uitgangen en vluchtwegen; installaties; standbouw, podia, kramen e.d.; verbrandingsmotoren; verbod voor open vuur en vuurwerk; bewaking en controle; ventilatie en werkzaamheden; brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen; opstellingsplannen; afval; doorlopend toezicht; brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande interne organisatie; het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een gebouw of in een gebouw met het oog op de brandveiligheid; de plaats van, alsmede het aantal en het type draagbare blustoestellen en/of minihaspels; vluchtwegaanduidingen.
3 Onverminderd het bepaalde in het tweede lid en artikel 7.1.1 kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van de in het eerste lid onder c en e genoemde bouwwerken aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met betrekking tot het maximum aantal bewoners per verblijfsruimte of per bouwwerk.
4 Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken.
Artikel 6.1.2Aanvraag gebruiksvergunning1 Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden overgelegd als genoemd in bijlage 2 van deze verordening
2 Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en bescheiden moeten voldoen aan de eisen van De in het eerste lid genoemde bijlage;
3 De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud worden ingediend.
4 De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld.
5 De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen.
6 De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend dan wel worden gewaarmerkt.
7 Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.
8 De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.
Artikel 6.1.3In behandeling nemenBij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6.1.2 gestelde eisen, alsmede aan de eisen die
gelden ingevolge de artikelen 4: 1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.
Artikel 6.1.4Termijn van beslissing1 Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag
2 Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.
3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan indien: a voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en zij over die vergunning nog niet hebben beslist; b voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet is genomen wegens strijd met de voorschriften van het Bouwbesluit, als bedoeld in artikel 1b van de Woningwet en deze binnen de in het eerste lid vermelde termijn is verzonden, doch aan dit besluit nog niet is voldaan; c aan het beoogde gebruik van het bouwwerk schriftelijke voorwaarden zijn gesteld en aan deze voorwaarden nog niet is voldaan.
4 De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is beslist op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder letter a van het derde lid, dan wel nadat is voldaan aan het besluit als bedoeld onder letter b van het derde lid en burgemeester en wethouders hiervan in kennis zijn gesteld.
5De in het derde lid onder c bedoelde aanhouding eindigt nadat de voorwaarden ten genoegen van burgemeester en wethouders zijn uitgevoerd.
Artikel 6.1.5Weigeren gebruiksvergunningEen gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de volgende omstandigheden zich
voordoet: a de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het bouwwerk kan in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht worden een brandveilig gebruik te zijn en door het stellen van voorwaarden kan geen voldoende brandveilig gebruik worden bereikt; b de bouwvergunning, dan wel de vrijstelling tot gebruikswijziging is geweigerd.
Artikel 6.1.6Intrekken gebruiksvergunning1 Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning intrekken indien
a blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens hebben verleend; b blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorwaarde van de vergunning; c van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning; d van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt; e het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te beschermen.
2 Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.
Artikel 6.1.7Verplicht aanwezige bescheidenIn het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de gebruiksvergunning betrekking heeft
moet deze vergunning aanwezig zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.
Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaarArtikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken1 Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 bij deze verordening.
2 Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een bouwwerk, met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties, te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 4 van deze verordening;
Artikel 6.2.2Opslag brandgevaarlijke stoffenIn, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen brandgevaarlijke stof aanwezig
Het eerste lid is niet van toepassing indien: a de in de bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stoffen niet wordt overschreden, met dien verstande dat de totale toegestane hoeveelheid van de eerste zes rijen honderd kilogram of liter is, b de betreffende stof zodanig is verpakt dat de verpakking tegen normale behandeling bestand is, en van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen, en de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduiding (R- en S-zinnen).
3Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing op: a de brandstof in het reservoir bij een verbrandingsmotor; b de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmteontwikkelend toestel; c voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken, en d het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stof voor zover dat bij of krachtens de Wet milieubeheer is toegestaan.
4bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof die in bijlage 5 als brandgevaarlijk is aangemerkt.
Artikel 6.2.3
Opslag en verwerking stoffen(Vervallen)Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brandArtikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen(Vervallen)Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningenHet is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen ofte hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van: a middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding van brand; b middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en dieren bij brand.
Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheidArtikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheidOnverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en met 6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken waardoor: op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; brandgevaar wordt veroorzaakt; het vluchten wordt belemmerd.
Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft hinder, terzake waarvan de Wet Milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing HOOFDSTUK 7 Overige gebruiksbepalingenParagraaf 1 OverbevolkingArtikel 7.1.1 Overbevolking van woningenHet is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m² gebruiksoppervlakte.
Artikel 7.1.2Overbevolking van woonwagens en woonketenHet is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te bewonen met of toe te staan dat een
woonwagen, respectievelijk een woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m² gebruiksoppervlakte.
Paragraaf 2 Staken van het gebruikArtikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheidHet is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: a bouwvalligheid van het bouwwerk; b bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.
Artikel 7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëneIndien tengevolge van het niet functioneren -hieronder begrepen het afgesloten zijn -van de
ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.
Artikel 7.2.3Staken van het gebruik van een woonwagenIndien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is bepaald dat het gebruik
van een gebouw op of behorende bij een standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde voorzieningen niet functioneren.
Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinenArtikel 7.3.1 (Vervallen)
artikel 352 van de bouwverordening, zoals laatstelijk gewijzigd op 8 april 1988 (VR 61/1988), blijft onverkort van kracht. Deze bepaling luidt als volgt: artikel 352 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in afwijking van de bestemming1 Zolang bij een bestemmingsplan, tot stand gekomen als uitbreidingsplan of als voorschriften ex artikel 43 van de Woningwet 1901, hetzij vóór, hetzij na inwerkingtreding van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 286 van 1962) geen voorschriften zijn gegeven omtrent het gebruik van de in die plannen of voorschriften begrepen bouwwerken, open erven of terreinen en geen aanpassing aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft plaatsgevonden, is het verboden die bouwwerken, open erven of terreinen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of een doel strijdig met de uit dat plan of die voorschriften voortvloeiende bestemming, nadat de bij het bestemmingsplan aangegeven bestemming is verwezenlijkt.
2 Het is verboden niet in een bestemmingsplan begrepen bouwwerken en hun aanhorigheden te gebruiken in strijd met de bestemming, die zij blijkens hun constructie dan wel inrichting hebben.
3 Niet van toepassing is het bepaalde in de leden 1 en 2 voor een gebruik dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet onwettig was en zolang in dat gebruik geen wijziging wordt gebracht.
4 Vrijstelling kan worden verleend van het bepaalde in de leden 1 en 2. (citaat voornoemd artikel 352 bouwverordening) (raadsbesluit 1 juni 1993/nr. 91)
Artikel 7.3.2
HinderHet is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken waardoor overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein; instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.
Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet Milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.
Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. ReinheidArtikel 7.4.1 Preventie1 Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.
2 Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken.
Paragraaf 5 WatergebruikArtikel 7.5.1 Verboden gebruik van waterHet is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en wethouders schriftelijk is
medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.
Paragraaf 6 InstallatiesArtikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installatiesInstallaties in een gebouw, waarvan het Bouwbesluit en/of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.
HOOFDSTUK 8 SlopenParagraaf 1 SloopvergunningArtikel 8.1.1 Sloopvergunning1 Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).
2 De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Burgemeester en wethouders kunnen aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.
3 Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning slechts voorschriften over: a de veiligheid tijdens het slopen; b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; c het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval; d het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.
4 De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.
5 de vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een seizoensgebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45 van de Woningwet.
Artikel 8.1.2
Aanvraag sloopvergunning1 Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld formulier 2 De aanvraag moet inhouden: a correspondentieadres van de aanvrager in Nederland; b indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en adres; c naam en adres van degene, die met het slopen zal worden belast; d de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich het te slopen bouwwerk bevindt en het huisnummer van het bouwwerk; Indien de sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het kader van hetzelfde project, wordt een lijst met bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst ingevolge het negende lid gewaarmerkt is e een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt gesloopt; f het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd; g mededeling of een bouwvergunning is of zal worden aangevraagd voor een op het perceel van het te slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op te richten of te veranderen of uit te breiden bouwwerk; h een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal plaatsvinden; en voorts, indien van toepassing: i het sloopveiligheidsplan.
3 In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen bouwwerk asbest bevat.
Asbest wordt niet vermoed aanwezig te zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt overgelegd: a een afschrift van het asbestinventarisatierapport, uitgevoerd door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt; b een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 30 oktober 1997 (= datum van verwerking in de gemeentelijke bouwverordening van de vierde serie wijzigingen van de Modelbouwverordening d.d. 1 juli 1997) dat voldoet aan de eisen in BRL 5052, uitgave 1998, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt; indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld vóór 1 juli 1993, dient tevens een schriftelijke verklaring van de aanvrager te worden overgelegd dat er geen veranderingen van het te slopen bouwwerk hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn toegepast; c een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk is gebouwd na 1 januari 1994; d bij woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot bewoning bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een schriftelijke verklaring van de bouwer van het te slopen bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft toegepast,alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er sinds het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudendematerialen zijn toegepast; e bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke verklaring van de fabrikant of de leverancier dat het te slopen materiaal geen asbest bevat, alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het materiaal van deze fabrikant of leverancier afkomstig is;
Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt overgelegd, wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij de aanvrager in vergelijkbare situaties andere gegevens verstrekt die dit vermoeden naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende weerleggen.
4 Indien –gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten dat zich in het bouwwerk asbest bevindt, wordt met een asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf aangetoond of dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien geen asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf wordt overlegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden overlegd waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien: a de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft op het verwijderen van asbest op in de aanvraag aangeduide plaatsen, of b een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in het derde lid, onder b bij de aanvraag is bevoegd.
5 Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij de regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning worden gevoegd.
6 De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in viervoud worden ingediend.
7 De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld.
8 De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen dan wel indien zij betrekking heeft op asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het kader van hetzelfde project;
9 De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan wel gewaarmerkt worden.
10 Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.
11 De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.
12 Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op asbest.
13 Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld in artikel 8.2.1.
Artikel 8.1.3
In behandeling nemen1 Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan.de bij of krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4: 1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen binnen een door hen te stellen termijn 2 Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.
Artikel 8.1.4
Termijn van beslissing1 Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning binnen 4 weken na de dag waarop de aanvraag om een sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend bedoeld is om asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk te verwijderen.
3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een vergunning krachtens artikel 11 of artikel 37 van de Monumentenwet 1988, een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening, een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning voor het slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog niet is beslist. De aanhouding eindigt zes weken na bedoelde beslissing. Bij samenloop van vergunningen wordt uitgegaan van de datum van de laatst genomen beslissing.
Artikel 8.1.5
Samenloop van slopen en bouwen1 Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd, kan bij de aanvraag om sloopvergunning -voor zover voor beide aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd -worden verwezen naar die bescheiden en gegevens die zijn ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde bescheiden niet nogmaals te worden ingediend 2 In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de beslissing op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.
Artikel 8.1.6Weigeren sloopvergunningEen sloopvergunning moet worden geweigerd indien
a de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; c een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend; d een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend; e een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.
Artikel 8.1.7Intrekking sloopvergunning1 Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken indien
a de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens; b binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt; c tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.
2 Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.
Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunningArtikel 8.2.1 Sloopmelding1 In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen sloopvergunning vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van: a geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;