← Nederland

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007 (Overijssel)

Kort samengevat

Dit besluit regelt de subsidies die de provincie Overijssel verstrekt, door definities te geven, het toepassingsbereik te bepalen, en regels te stellen voor subsidievormen, plafonds, stapeling van subsidies en subsidiabele kosten. Het doel is een duidelijke en consistente uitvoering van het subsidiebeleid.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Hoofdstuk 1, Algemeen Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: a. de verordening: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005; b. Awb: de Algemene wet bestuursrecht; c. cofinanciering: ten minste één andere partij dan de aanvrager en de provincie draagt bij in de kosten van de gesubsidieerde activiteit; d. prestatiesubsidie: de subsidie, waarbij de subsidieontvanger ten aanzien van de te subsidiëren activiteiten óf wordt gestuurd op prestaties, óf op een combinatie van prestaties, bedrijfsvoering of middelen en waartegenover geen rechtstreekse baat staat voor de provincie. e. stimuleringssubsidie: de subsidie die aan het bestaan van een organisatie bijdraagt of bepaalde activiteiten aanmoedigt of ondersteunt; f. subsidietijdvak: een aaneengesloten periode waarvoor een subsidieplafond of deelplafond is vastgesteld; g. bovengemeentelijk: de activiteiten vinden plaats in ten minste twee gemeenten; h. regionaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste drie gemeenten; i. provinciaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste zestien gemeenten. Artikel 1.2. Toepassingsbereik 1[Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 2 van de verordening. De bijdragen die OV-ondernemingen ontvangen voor het verrichten van personenvervoer zijn in de wet personenvervoer 2000 aangewezen als subsidie. Het is echter niet wenselijk dat daarop de regels uit dit uitvoeringsbesluit van toepassing zijn. De relatie tussen de provincie en de vervoersbedrijven is ‘tailor made' en wordt beheerst door het bestek waarop door de concessiehouder en diens concurrenten is ingeschreven in een openbare aanbestedingsprocedure. Daarin liggen ook de regels vast voor de hoogte van de subsidie, bevoorschotting, de vaststelling etcetera.In het kader van het Investeringsbudget landelijk gebied (ILG) zijn de rijkssubsidieregelingen uit Programma Beheer, de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer en de Subsidieregeling Natuurbeheer, per 1 januari 2007 overgeheveld naar de provincie. De provincie heeft met het Rijk afspraken gemaakt over deze overdracht. Vanwege de aard en de complexiteit (o.a. op gebied van staatssteun, systematiek en uitvoeringsorganisatie) van deze subsidieregelingen heeft de provincie deze regelingen voor de komende twee jaar beleidsneutraal overgenomen. Dit betekent dat Provinciale Staten deze rijksregelingen, in afwijking van de systematiek van de verordening en dit uitvoeringsbesluit, zullen vaststellen in bijzondere subsidieverordeningen. Na deze twee (overgangs-)jaren zal worden bezien op welke wijze deze subsidieverordeningen kunnen worden ingepast in de provinciale subsidiestructuur. Tot dat moment zijn de regels uit dit uitvoeringsbesluit niet van toepassing op de subsidies voor (agrarisch) natuurbeheer. ] Dit besluit is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van de subsidies voor de exploitatie van het openbaar vervoer en de Programma Beheer subsidies. Artikel 1.3. Subsidievormen 2 [Toelichting: In het project Stroomlijning en sturing subsidierelaties is gedachtegoed ontwikkeld over de wijze waarop de provincie om wil gaan met organisaties waaraan zij subsidie verstrekt. Dit heeft geresulteerd in verschillende sturingsmodellen; te weten het stimuleringsmodel aan de ene kant en het (vergelijkend) prestatiemodel en het directief model aan de andere kant. Het directief model is een opschaling van het prestatiemodel. Dit betekent dat bij dat sturingsmodel niet alleen gestuurd wordt op prestaties maar ook op bedrijfsvoering en/of middelen.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als prestatiesubsidie of als stimuleringssubsidie. 2. Tenzij anders bepaald verstrekken Gedeputeerde Staten subsidie als prestatiesubsidie. Artikel 1.4. Subsidieplafond en wijze van behandelen van aanvragen 3 [Toelichting: Artikel 5 van de verordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. In de meeste gevallen zullen Gedeputeerde Staten voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidies een subsidieplafond vaststellen dat een heel kalenderjaar geldt. Aanvragen kunnen dan ook, in afwijking van artikel 1.13., gedurende dat kalenderjaar worden ingediend. Dat is in de diverse paragrafen expliciet geregeld. Omdat de artikelen over het subsidieplafond, de indieningstermijn en de wijze van behandelen van aanvragen een drie-eenheid moeten vormen, vloeit uit deze keuze automatisch voort dat (volledige) aanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst.] Indien Gedeputeerde Staten een subsidieplafond vaststellen, worden subsidieaanvragen behandeld in volgorde van ontvangst. Hierbij geldt dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag geldt. Artikel 1.5. Stapeling 1. Indien voor een activiteit subsidie kan worden verstrekt op grond van twee of meer paragrafen van dit uitvoeringsbesluit, dan kunnen Gedeputeerde Staten besluiten tot stapeling van de deelbijdragen. 4[Toelichting: Niet zelden worden provinciale bijdragen aan activiteiten van aanvragers ‘gestapeld’ met subsidies van andere overheden. Stapeling kan ook bínnen de provincie, bijvoorbeeld omdat er overlap zit tussen onderdelen van provinciaal beleid. Kulturhusen zijn daarvan een goed voorbeeld. Op grond van het beleid voor ‘vitaliteit kleine kernen’ kan daarvoor subsidie worden verleend. Leefbaarheid van het platteland is echter ook één van de doelstellingen in het reconstructiebeleid en ook in dat kader kan subsidie worden verleend voor de bouw van een kulturhus. Daarnaast kan stapeling zich voordoen als een activiteit bijdraagt aan meerdere provinciale beleidsdoelstellingen bijvoorbeeld als een waterschap een werk uitvoert dat bijdraagt aan de capaciteit voor waterberging en tegelijk ‘natte natuur’ realiseert.] 2. Indien voor één van de deelbijdragen een maximum geldt omdat een bepaald aandeel in de financiering wordt verlangd van de aanvrager zelf of derden, dan kan de totale provinciale bijdrage niet hoger zijn dan dat maximum. 5[Toelichting: Dit lid heeft betrekking op stapeling uit regelingen waar dezelfde beleidsdoelstelling onder ligt of waarvan de doelstellingen min of meer in elkaars verlengde liggen. In de toelichting op het eerste lid worden kulturhusen genoemd als voorbeeld. Artikel 7.37. bepaalt de maximale bijdrage voor kulturhusen op 50%. De reden daarvoor is dat we het belangrijk vinden dat ook de gemeente en andere derden bijdragen. Als de gestapelde bijdrage groter zou zijn dan 50% wordt dit beleidsuitgangspunt doorkruist. Daarnaast geldt een maximale bijdrage van € 100.000,--. Dat maximum heeft te maken met het beschikbare budget voor kulturhusen vanuit het programma Cultuur en maatschappelijke ontwikkeling. Dat bedraagt in 2006 circa € 500.000,--. Als er een aanvraag komt van een gemeente waarin de bouw meer dan € 1.000.000,-- één miljoen euro kost zou je het hele budget in één keer kwijt kunnen zijn. Om ervoor te zorgen dat er uit dat budget meerdere kulturhusen kunnen worden ondersteund, is er een absoluut maximum opgenomen. Dit maximum laat echter onverlet dat uit andere budgetten wordt gestapeld boven het genoemde bedrag van € 100.000,--. Stapeling is dus mogelijk. Kortom, er kan een totale provinciale bijdrage worden verleend die hoger is dan € 100.000,-- zolang die niet groter is dan 50%. Eén van de budgetten waaruit kan worden gestapeld is het reconstructiebudget (mits het kulturhus past in het Uitvoeringsprogramma reconstructie). In de betreffende paragraaf is bepaald dat het maximum uit die regeling eveneens € 100.000,-- is. Daarmee komt de totale gestapelde bijdrage op maximaal 50% tot maximaal € 200.000,--.] 3. Het tweede lid is niet van toepassing als de activiteit bijdraagt aan meerdere provinciale beleidsdoelstellingen. In dat geval is stapeling van de provinciale bijdrage boven een gesteld maximum mogelijk voorzover een extra prestatie wordt geleverd om ook aan andere beleidsdoelen bij te dragen. 6[Toelichting: Waar het tweede lid betrekking heeft op stapeling uit regelingen waar dezelfde beleidsdoelstelling onder ligt, gaat het derde lid over stapeling uit regelingen met onderscheiden beleidsdoelstellingen. Stel dat een waterschap een werk wil uitvoeren dat bijdraagt aan de capaciteit voor waterberging (40% subsidiabel op grond van artikel 6.10) en tegelijk ‘natte natuur’ realiseert (50% subsidiabel op grond van artikel 4.8., mits het past in de gebiedsuitwerking van het reconstructieplan). Om te bepalen of stapeling in dit geval mogelijk is en tot welk percentage zullen Gedeputeerde Staten bij de beoordeling van de aanvraag kijken naar de extra inspanning die moet worden geleverd gelet op de aanvullende doelstelling. Stel dat het project van het waterschap is begroot op € 1.000.000,--. Zou het waterschap zich alleen richten op waterberging dan zou het project kunnen worden uitgevoerd voor € 800.000,--. Dan kan 40% van € 800.000,-- uit de waterparagraaf worden gesubsidieerd. Stapeling uit het natuurbudget is mogelijk maar niet meer dan 50% van € 200.000,--. De totale bijdrage is derhalve € 420.000,--. Bij een theatervoorstelling waarin diverse minderheden meedoen en die (dus) zou kunnen worden gesubsidieerd vanuit cultuur en/of vanuit minderheden betekent de betrokkenheid van allochtonen in de meeste gevallen geen extra inspanning of kosten. In dat geval moet worden gekozen voor één van de regelingen en is stapeling geen optie.] 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing bij cofinanciering uit de Europese structuurfondsen. 7[Toelichting: Voor bijdragen uit de Europese structuurfondsen is een voorwaarde dat er cofinanciering komt uit de lidstaat. Het is niet gewenst dat de normale regels daarop van toepassing zijn. Met de Europese bijdrage komt het totaal dikwijls boven het maximum in een provinciale regeling uit. In sommige gevallen is in dit uitvoeringsbesluit overigens een bijzondere regeling opgenomen voor stapeling met Europees geld. Voor kulturhusen geldt bijvoorbeeld in de regel dat de provincie maximaal 50% bijdraagt maar inclusief Europese middelen bedraagt de subsidie maximaal 75%.] 5. Voorzover de voorschriften die gelden ten aanzien van de deelbijdragen van elkaar verschillen bepalen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening welke voorschriften van toepassing zijn. 8[Toelichting: De voorschriften met betrekking tot bevoorschotting, verantwoording, enz. zijn niet bij alle subsidies hetzelfde. Om te voorkomen dat een aanvrager met verschillende regimes wordt geconfronteerd – hetgeen tot extra inspanningen en kosten zou leiden – dienen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening te vermelden welke voorschriften van toepassing zijn. Daarbij kan derhalve worden afgeweken van de regels die normaal gelden voor de verschillende deelbijdragen. Overigens speelt naast het belang van de aanvrager ook het gelijkheidsbeginsel een rol bij de toepassing van dit artikel. Als een aanvrager aanzienlijke voordelen geniet in vergelijking met een aanvrager die geen gestapelde bijdrage ontvangt, dan zal terughoudend worden omgegaan met het afwijken van de normale voorschriften.”] Artikel 1.6. Subsidiabele kosten 1. Subsidiabele Kosten zijn de voor de activiteiten of het project noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de door de aanvrager te leveren prestatie. 9[Toelichting: Dit artikellid is de logische kapstok om in de subsidiegrondslag alleen redelijke kosten mee te nemen. Uiteraard gaat het ons er in eerste instantie om dat de afgesproken prestatie wordt geleverd door de subsidieontvanger, maar gemeenschapsgeld is niet bedoeld om standaard organisatiekosten mee te betalen. Voorbeelden van kosten die over het algemeen niet rechtstreeks zijn toe te rekenen aan een prestatie zijn: a. interne kosten; b. personele kosten; c. verrekenbare heffingen, belastingen of lasten; d. rente-, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; e. afschrijvingskosten; f. dat deel van de kosten dat niet noodzakelijk is voor de realisatie van de activiteit.] 2. De kosten van activiteiten zijn niet subsidiabel voorzover deze door de aanvrager van een subsidie kunnen worden teruggevorderd op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds, de Wet op de omzetbelasting 1968, of op grond van enige andere voorziening. 10[Toelichting: De Wet op het BTW-compensatiefonds stelt overheden in staat om in rekening gebrachte BTW voor een groot deel te compenseren. In relatie daarmee is op de algemene uitkeringen gekort. De bedoeling is dat deze korting door de ontvangsten uit het BTW-compensatiefonds gecompenseerd worden. De vraag of overheden taken in eigen beheer uitvoeren of uitbesteden wordt dan niet meer beïnvloed door de kosten van BTW. Ook gemeenten die van de provincie subsidie ontvangen kunnen een beroep doen op het BTW-compensatiefonds, maar ook andere organisaties, indien zij op gelijke voet als de overheid opereren. Het is uiteraard niet de bedoeling dat terugvorderbare bedragen ook nog eens gesubsidieerd worden. Om dat duidelijk te markeren is deze bepaling opgenomen, waarin dat gedeelte niet-subsidiabel verklaard wordt. De bepaling is algemeen geredigeerd, zodat alle potentiële terugvorderbare BTW eronder valt. Met de bepaling wordt de verantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk terugvorderen bij de subsidieontvanger gelegd. Er is geen sprake van een (verkapte) vermindering van subsidies. Ook onder werking van de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was verrekenbare BTW niet subsidiabel.] Artikel 1.7. Subsidieverplichtingen 11 [Toelichting: In afdeling 4.2.4 Awb staan bepalingen over verplichtingen van de subsidieontvanger. De categorieën van verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval verbinden aan de subsidieverlening. Deze standaardverplichtingen behoeven in verband met het voorkomen van herhaalde normstelling geen herhaling in dit uitvoeringsbesluit. Daarnaast kunnen ook andere verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd. Het betreft andere doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en oneigenlijke verplichtingen (artikel 4:39 Awb). Voor beide geldt dat als de subsidie berust op een wettelijke grondslag die verplichtingen ook op een wettelijke grondslag moeten berusten. De in artikel 1.6 opgenomen verplichting is aan te merken als een oneigenlijke verplichting. Vanuit Europese regelgeving geldt voor subsidieontvangers eveneens de soortgelijke verplichting om bij projecten die met subsidie vanuit Europa mogelijk worden gemaakt hiervan ter plaatse van het project melding te maken.] Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot de wijze waarop bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten bekend wordt gemaakt dat de provincie Overijssel daarvoor subsidie heeft verstrekt. Paragraaf 2. Stimuleringssubsidie 12[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.7.. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb). ] Artikel 1.8. Hoogte stimuleringssubsidie De subsidie bedraagt ten hoogste € 30.000,--. Artikel 1.9. Indieningstermijn aanvraag om stimuleringssubsidie Een aanvraag om stimuleringssubsidie kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. Artikel 1.10. Gegevens en bescheiden bij aanvraag stimuleringssubsidie De aanvrager van een stimuleringssubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval: a. de statuten in het geval de aanvrager een rechtspersoon is, voorzover deze niet al eerder zijn overgelegd; b. een werkplan met of een verslag van de activiteiten die de aanvrager gebruikelijk uitvoert om haar doel te bereiken. Artikel 1.11. Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidievaststelling binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. Paragraaf 3. Prestatiesubsidie Artikel 1.12. Prestatiesubsidie 13[Toelichting: Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren, waarbij een boekjaar gelijk staat aan een kalenderjaar. Deze bepaling is een uitwerking van de artikelen 4:32 en 4:67 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat meerjarige subsidies kunnen worden verstrekt. Wordt een meerjarige subsidie verstrekt dan moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:34 Awb biedt om bij de subsidieverlening een begrotingsvoorbehoud te maken. Dit is de oplossing voor het probleem dat het bij meerjarige subsidies onvermijdelijk is om subsidies te verlenen ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde begroting. Door een begrotingsvoorbehoud te maken, kunnen Gedeputeerde Staten op de subsidieverlening terugkomen. Een begrotingsvoorbehoud is een aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden opschortende of ontbindende voorwaarde. De keuze voor de soort voorwaarde is afhankelijk van de vraag of al voor de vaststelling of goedkeuring van de begroting voorschotten moeten worden uitbetaald. Is dat het geval dan moet gekozen worden voor de vorm van de ontbindende voorwaarde. Willen Gedeputeerde Staten het begrotingsvoorbehoud inroepen en daadwerkelijk terugkomen op de subsidieverlening dan moet dat binnen de in de Awb genoemde termijn expliciet gebeuren. De leden 4 en 5 van artikel 4:34 Awb geven aan op welke wijze dat moet gebeuren. Als een subsidie wordt verstrekt voor een periode van drie jaar of langer voor steeds min of meer dezelfde activiteiten is het van belang te weten dat de subsidie dan niet zonder meer kan worden beëindigd (artikel 4:51 Awb). ] Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren. Subparagraaf 3.1. Niet per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies 14 [Toelichting: Met het verstrekken van subsidie via het prestatiemodel wordt de gedachtegang uit het Onderhandelingsakkoord en de statenmotie van juni 2004 (ingediend bij de Perspectievennota 2005) tot uitdrukking gebracht. “Met maatschappelijke organisaties en instellingen willen wij outputgerichte prestatieafspraken maken, die volstrekt recht doen aan ieders verantwoordelijkheid en het maatschappelijke resultaat dat wij willen bereiken.” Subsidieverstrekking wordt gestuurd op rendement. Daarbij hoort per definitie verantwoording achteraf. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoording zich richt op de geleverde prestaties en activiteiten en de manier waarop die aansluiten bij het provinciaal beleid. Dat kan ook, omdat vooraf (bij subsidieverlening) afspraken tussen subsidieontvanger en provincie zijn gemaakt over wat en waaraan de subsidieontvanger bij gaat dragen en wat zij daarvoor gaat doen. Daarbij wordt tevens bepaald waarover en hoe en wat de mate van verantwoording nadien moet zijn. De uitwerking van het prestatiemodel biedt ruimte om flexibel en naar instelling gedifferentieerd om te kunnen gaan met het concretiseren van prestaties en daarmee met de verantwoording achteraf.] Artikel 1.13. Indieningstermijn aanvraag tot verlening prestatiesubsidie Een aanvraag om prestatiesubsidie wordt ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel 1.14. Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening prestatiesubsidie 1. De aanvrager van een prestatiesubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval:15[Toelichting: In dit artikellid wordt de aanzet gegeven voor het opschalen van prestatiesubsidie naar een prestatiesubsidie met directieve elementen, waarbij in grotere mate wordt gestuurd op bedrijfsvoering en/of middelen. Vaak zijn de statuten en het prestatieplan voldoende om een aanvraag te kunnen beoordelen. Het kan echter ook voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende documenten worden gevraagd. In de hoofdstukken 2 t/m 7 van dit uitvoeringsbesluit zal dan ten aanzien van diverse subsidies verdergaande opschaling plaatsvinden. Vanuit het gedachtegoed van het project Stroomlijning en sturing subsidierelaties zijn overwegingen om hiertoe over te gaan het financiële en juridische risico voor de provincie, de kenmerken en eigenschappen van de subsidieontvanger, contextvariabelen waaronder de maatschappelijke aandacht en het op doelgerichte en doelmatige wijze inzetten van de middelen door de provincie.] de statuten voorzover deze niet al eerder zijn overgelegd, tenzij de aanvrager een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon is; een plan van de te leveren (deel)prestaties waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee na te streven effecten die bijdragen aan het realiseren van de provinciale beleidsdoelstellingen, alsmede de hoogte van de gevraagde subsidie en de onderbouwing daarvan; een begroting voorzover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd. 2. De aanvrager maakt op verzoek bij de aanvraag melding van subsidies of andere vormen van staatssteun die de subsidieontvanger, alsmede het eventuele moederconcern en/of dochters van de onderneming of het eventuele moederconcern hebben ontvangen in de drie jaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag. Tevens wordt melding gemaakt van eventuele andere aanvragen die in behandeling zijn op het moment van de aanvraag voor subsidie op grond van dit uitvoeringsbesluit.16[Toelichting: Indien de vrijstelling voor ‘de minimis’-steun (steun aan een onderneming die een waarde van € 100.000,-- in drie jaar niet overstijgt hoeft niet te worden gemeld bij de commissie) niet van toepassing is, zal het concrete subsidiebesluit aan de Europese Commissie moeten worden voorgelegd. In artikel 5, tweede lid van de verordening is geregeld dat onze provinciale regels wijken voor de kaderregelingen of richtsnoeren van de commissie, zodat wordt voorkomen dat een situatie ontstaat waarin de samenloop van EG-regels en provinciale regels ertoe leidt dat helemaal geen subsidie kan worden verleend. Aangezien het ‘de minimis’-bedrag per onderneming geldt, kan zonder medewerking van de aanvrager niet worden vastgesteld of sprake is van ‘de minimis’-steun. In het tweede lid is daarom bepaald dat op de aanvrager de verplichting rust melding te maken van eerdere subsidies of andere steunmaatregelen. Gedeputeerde Staten zullen de aanvragers hierbij hulp bieden in de vorm van een modelverklaring bij het aanvraagformulier. Met deze verklaring wordt ook zeker gesteld dat de subsidie achteraf kan worden gewijzigd, indien na de subsidieverlening blijkt dat de vrijstelling voor ‘de minimis’-steun (toch) niet van toepassing was. Zie de artikelen 4:48, eerste lid, onder c en 4:49, eerste lid, onder b Awb.] Artikel 1.15. Subsidieverplichtingen 17 [Toelichting: De situatie kan zich voordoen dat wij subsidie willen verlenen, waarbij wij alleen op prestaties willen sturen en de subsidieontvanger die prestaties naar genoegen realiseert. In dit artikel wordt geregeld dat wij de subsidieontvanger kunnen verplichten een positief exploitatieresultaat uit te geven binnen dezelfde doelstelling als waarvoor subsidie wordt verstrekt.] Indien het bedrag van de subsidie niet afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, kunnen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger een eventueel positief exploitatieresultaat besteedt in het verlengde van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend. Artikel 1.16. Beslistermijn verlening prestatiesubsidie 18[Toelichting: In dit artikel staat het uitgangspunt vermeld dat de beslistermijn van dertien weken begint op het moment van ontvangst van een aanvraag. Voor een niet-volledige aanvraag geldt artikel 4:5 Awb. Op grond van dat artikel kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager een termijn geven waarbinnen hij zijn aanvraag alsnog kan aanvullen. Doet hij dat niet, dan kan de aanvraag na die termijn buiten behandeling worden gelaten. Worden de ontbrekende gegevens wel tijdig ingezonden, dan volgt behandeling van de aanvraag volgens de normale procedure. Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb). In dit algemene deel van het uitvoeringsbesluit zijn geen weigeringsgronden opgenomen. Artikel 4:35 Awb bevat een aantal niet-limitatieve algemeen geldende gronden om subsidieverlening te weigeren. Deze kunnen in de hoofdstukken 2 t/m 7 worden aangevuld met specifieke op de betreffende subsidie betrekking hebbende weigeringsgronden. Artikel 4:36 Awb maakt het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst (eerste lid) of afdwingovereenkomst (tweede lid) mogelijk. De afdwingovereenkomst verschaft Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om in rechte nakoming te vorderen van het verrichten van de gesubsidieerde activiteit c.q. prestatie. Het geeft zekerheid over het daadwerkelijk verrichten van de activiteit/prestatie door de subsidieontvanger. Op grond van artikel 4:33, aanhef en onder a Awb, mag in de beschikking tot subsidieverlening als voorwaarde worden opgenomen dat de subsidieontvanger verplicht is mee te werken aan het sluiten van een uitvoerings- of afdwingovereenkomst. ] Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidieverlening binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag om prestatiesubsidie, tenzij een uiterste termijn voor de indiening van de aanvraag geldt. De termijn van dertien weken begint in dat geval op de dag, nadat die uiterste termijn is verstreken. Artikel 1.17. Voorschotverlening 19 [Toelichting: De betaling van het subsidiebedrag en de verleende voorschotten en de terugvordering daarvan zijn geregeld in afdeling 4.2.7 Awb. De bevoegdheid tot voorschotverlening, waarmee vooruit wordt gelopen op de betaling van het subsidiebedrag zelf, moet een wettelijke grondslag hebben. Hiertoe strekt artikel 1.17.. Het maximale percentage van 90% dat tot nu toe werd gehanteerd, is verlaagd naar 80% om subsidieontvangers meer te prikkelen tijdig een aanvraag om subsidievaststelling in te dienen.] Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag. Artikel 1.18. Indieningstermijn aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie De subsidieontvanger dient binnen vier maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in. Artikel 1.19. Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie 20 [Toelichting: De in dit artikel genoemde documenten zijn de verantwoordingsvarianten van de documenten genoemd in artikel 1.13., eerste lid. Als onderbouwing van het financiële verslag kunnen deugdelijke kopieën van facturen, bankafschriften, kwitanties en overige betalingsbewijzen gelden.] 1. De aanvrager van een prestatiesubsidie overlegt bij de aanvraag een verslag van de geleverde (deel)prestaties en op verzoek de kosten daarvan. 2. Indien de werkelijke kosten van de activiteiten van belang zijn voor het bepalen van het subsidiebedrag overlegt de aanvrager tevens een financieel verslag of de jaarrekening als bedoeld in artikel 2:361 van het Burgerlijk Wetboek, mits daaruit de financiële status blijkt van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend. 3. Gedeputeerde Staten kunnen bij subsidieverlening aan gemeenten nadere voorschriften stellen in verband met Single Information Single Audit (SISA). Artikel 1.20. Accountantsverklaring 1. Indien artikel 1.19, tweede lid, van toepassing is én de verleende subsidie € 25.000,-- of meer bedraagt overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een accountantsverklaring ten aanzien van het financiële verslag of de jaarrekening, 21[Toelichting: Dit artikel verplicht de subsidieontvanger in bepaalde gevallen tot het laten verrichten van een accountantscontrole. Voor publiekrechtelijke rechtspersonen wordt een uitzondering gemaakt voor het overleggen van een accountantsverklaring in verband met het verplichte accountantsonderzoek op basis van de Provincie- of Gemeentewet en het Besluit accountantscontrole provincies en gemeenten.] 2. Het eerste lid is niet van toepassing op publiekrechtelijke rechtspersonen. 3. De accountantsverklaring betreft een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag c.q. de jaarrekening. 22[Toelichting: De verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag c.q. de jaarrekening behelst de uitslag van het onderzoek of het financiële verslag c.q. de jaarrekening voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen en of het prestatieverslag, voorzover hij dat kan beoordelen, daarmee verenigbaar is.] 4. Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten, overeenkomstig artikel 4:79 Awb, bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. 23[Toelichting: Dit lid maakt het mogelijk om bij subsidieverlening aan de accountant van de subsidieontvanger tevens de taak te geven controle uit te oefenen op de naleving van de subsidieverplichtingen. Wordt dit toegepast dan zal daarbij een aanwijzing moeten worden gegeven over de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole. Omdat accountants werken conform de richtlijnen voor de accountantscontrole sluiten wij voor het voorschrijven van het soort onderzoek daarbij aan. De richtlijnen onderscheiden de beoordelingsopdracht (over de betrouwbaarheid van stukken) en de controleopdracht (over de getrouwheid van stukken).] Artikel 1.21. Lagere vaststelling 24[Toelichting: In een situatie dat binnen een prestatiesubsidie de kosten een rol spelen bij de hoogte van de subsidie, is het niet gewenst dat de subsidieontvanger ‘winst' maakt op een activiteit. Artikel 4:46 Awb bepaalt daarom onder meer dat subsidie lager kan worden vastgesteld als de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden. In aanvulling daarop bepaalt artikel 1.21. dat subsidie ten opzichte van de subsidieverlening lager vastgesteld wordt als de gesubsidieerde activiteiten meer opbrengen of minder kosten dan van te voren begroot. De subsidieontvanger zou anders immers gemeenschapsgeld overhouden (‘ongerechtvaardigde verrijking'). Aan de andere kant is het niet zo dat wij het subsidiebedrag verhogen als de gesubsidieerde activiteiten minder opbrengen of meer kosten dan van te voren begroot. Dit risico is voor rekening van de subsidieontvanger. Als de werkelijke kosten van activiteiten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, dan worden op grond van artikel 4:46, derde lid Awb, overigens ook kosten die redelijkerwijze als niet noodzakelijk kunnen worden beschouwd, niet in aanmerking genomen. Dat betekent dat ook bij verlening de aanvraag moet worden ‘gecorrigeerd' voor kosten die bij vaststelling als redelijkerwijs niet noodzakelijk zullen worden beschouwd. De oude subsidieregelingen kenden een aantal bepalingen waarin situaties werden geschetst waarin sprake is van redelijkerwijs niet noodzakelijke kosten (artikelen 18 en 19 van de Algemene subsidieverordening 1997). Die situaties zullen wij in ieder geval blijven hanteren bij het beoordelen van de aanvraag tot vaststelling. Het gaat dan om: ] lasten die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht waarvoor op de begroting van de subsidieontvanger voor dat jaar geen post is opgenomen, of lasten zonder noodzaak tot een onevenredig hoog bedrag die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht, of • lasten die in de exploitatierekening zijn opgenomen met het kennelijke doel van kapitaal- of reservevorming. Voorzover het exploitatieresultaat bepalend is voor het bedrag van de subsidie en de activiteiten meer opbrengsten genereren danwel de kosten daarvan lager zijn dan begroot, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld. Artikel 1.22. Beslistermijn vaststelling prestatiesubsidie Gedeputeerde Staten beslissen omtrent vaststelling van de prestatiesubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Subparagraaf 3.2. Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen Artikel 1.23. Toepasselijkheid andere bepalingen 1. Afdeling 4.2.8 Awb is van toepassing op door Gedeputeerde Staten per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen, waarbij in de wetstekst voor de begrippen activiteiten en activiteitenplan prestaties respectievelijk prestatieplan moet worden gelezen. 25[Toelichting: Dit artikel regelt dat de artikelen 4:60 t/m 4:80 Awb van toepassing zijn op per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen. Deze artikelen zijn een uitwerking van en een aanvulling op de andere bepalingen van de subsidietitel. Steeds zijn naast afdeling 4.2.8 Awb ook die andere bepalingen van toepassing. Het gros van de bepalingen van afdeling 4.2.8 Awb geeft Gedeputeerde Staten rechtstreeks bepaalde bevoegdheden en legt subsidieontvangers rechtstreeks bepaalde verplichtingen op. Enkele bepalingen gelden echter pas als dat uitdrukkelijk in een wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Het betreft de artikelen: • 4:64, derde lid (vrijstelling/ontheffing accountantsverklaring bij aanvraag); • 4:68 (definitie boekjaar); • 4:71 (rechtshandelingen waarvoor voorafgaande toestemming van Gedeputeerde Staten • 4:72 (egalisatiereserve); • 4:77 (inhoud financieel verslag als subsidieontvanger in overwegende mate zijn inkomsten ontleent aan de subsidie); • 4:78, vijfde lid (vrijstelling/ontheffing accountantscontrole); • 4:79, eerste en tweede lid (uitbreiding accountantscontrole tot naleving subsidieverplichtingen) Awb. In de volgende twee artikelen worden de artikelen 4:72 en 4:79, eerste en tweede lid Awb, uitgewerkt. De overige onderwerpen kunnen indien gewenst in de hoofdstukken 2 t/m 7 of in een beschikking tot subsidieverlening worden uitgewerkt.] 2. De artikelen 1.16, 1.19 lid 3 en 1.22 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing. 26[Toelichting: Omdat in afdeling 4.2.8 Awb niets wordt geregeld ten aanzien van de beslistermijnen op aanvragen om subsidieverlening en -vaststelling, wordt aangesloten bij de bepalingen in dit besluit voor ‘niet per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies’.] Artikel 1.24. Egalisatiereserve 27[Toelichting: Een egalisatiereserve werkt als buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar, zodat een doelmatige besteding en beheer van subsidiegelden kan worden bereikt. Gelet op artikel 4:72, tweede lid van de wet, komt het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve. Tot de werkelijke kosten worden niet gerekend niet-toegestane reserveringen en dotaties aan voorzieningen. Bij de vaststelling van de egalisatiereserve worden, naast de subsidie-inkomsten, ook alle inkomsten betrokken die mede ten doel hebben bij te dragen aan het realiseren van de prestatieafspraken met Gedeputeerde Staten. Te denken valt onder meer aan eigen bijdragen van afnemers van producten, incidentele en structurele subsidies van derden en sponsorbijdragen. Inkomsten van derden ten behoeve van niet-gesubsidieerde activiteiten worden buiten beschouwing gelaten. In de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was gelet op artikel 4:71, eerste lid, onder g Awb, opgenomen dat de subsidieontvanger toestemming nodig heeft van Gedeputeerde Staten voor het vormen van andere reserves en voorzieningen dan een egalisatiereserve. In de subsidiepraktijk werd zo'n verzoek om toestemming echter vrijwel nooit gedaan, terwijl er wel reserves en voorzieningen werden aangelegd. Omdat het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving regels geven voor het hanteren van reserves en voorzieningen, waaraan subsidieontvangers toch al moeten voldoen, is de toestemmingsverplichting niet in dit uitvoeringsbesluit opgenomen. ] 1. Tenzij Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening anders bepalen, vormt de subsidieontvanger een egalisatiereserve overeenkomstig artikel 4:72 Awb. 2. Per 31 december van enig subsidietijdvak mag de stand van de egalisatiereserve niet meer bedragen dan tien procent van de in het betreffende tijdvak verleende subsidie en de daarmee samenhangende inkomsten. 3. Het bedrag waarmee de egalisatiereserve wordt overschreden, wordt in mindering gebracht op de vast te stellen subsidie over het in het tweede lid bedoelde subsidietijdvak. Artikel 1.25. Uitbreiding accountantscontrole 28 [Toelichting: Zie toelichting op artikel 1.20., vierde lid.] Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tot subsidievaststelling tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 4:79 Awb is van toepassing. Artikel 1.26. Voorschotverlening 1. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag. 2. De voorschotten worden per midden van de maand beschikbaar gesteld. Subparagraaf 3.3. Vergelijkingsprocedure 29[Toelichting: De vergelijkingspocedure is van toepassing op het op basis van vergelijking verstrekken van subsidie aan één of meer subsidieontvanger voor het gedurende een subsidietijdvak uitvoeren van dezelfde of in hoofdzaak dezelfde prestaties die bijdragen aan één of meer doelen van provinciaal beleid. Een transparant en vergelijkingsgerichte subsidieprocedure strekt ertoe dat een breder scala van potentiële subsidieaanvragers wordt aangetrokken en dat economisch-voordelige prestaties aan provinciale doelen bijdragen. Gedeputeerde Staten staan hiermee een zo efficiënt mogelijk gebruik van provinciale gelden voor. Deze procedure beoogt een vereenvoudigde evenknie te zijn van de welbekende (europese) aanbestedingsprocedure. Het voordeel van deze analogie is dat er bij het volgen van de vergelijkingsprocedure sprake zal zijn van marktconformiteit, waardoor staatssteun niet aan de orde zal zijn. Bij het plaatsen van uitvragen zullen Gedeputeerde Staten de door het Europese Hof van Justitie ontwikkelde basisnormen voor het plaatsen van overheidsopdrachten analoog toepassen. Dit betekent dat Gedeputeerde Staten zich verplichten tot transparantie, non-discriminatie en gelijke behandeling en evenredigheid. ] Artikel 1.27. Toepasselijkheid Deze subparagraaf is van toepassing indien dat in dit uitvoeringsbesluit of bij besluit van Gedeputeerde Staten is bepaald. Artikel 1.28. Uitvraag 1. Gedeputeerde Staten stellen ten behoeve van de vergelijkingsprocedure een uitvraag vast. 2. Een uitvraag bestaat uit een programma van eisen en een beoordelingsprocedure. Artikel 1.29. Kennisgeving 30[Toelichting: De transparantieverplichting houdt in dat een passende mate van openbaarheid wordt gegarandeerd aan elke potentiële aanvrager om subsidie. Potentiële subsidieaanvragers moeten toegang kunnen hebben tot alle relevante informatie over een uitvraag om desgewenst belangstelling te kunnen tonen. Daarom zal voor iedere uitvraag onderzocht moeten worden welk medium het meest geschikt is voor de bekendmaking van die betreffende uitvraag. Hierbij zullen gedeputeerde Staten zich laten leiden door de omvang van het belang van de uitvraag voor de samenleving. Hoe groter dat belang, hoe meer ruchtbaarheid aan de uitvraag gegeven zal worden. Passende en algemeen gebruikte media zijn bijvoorbeeld internet, het Provinciaal Blad en regionale kranten. De inhoud van de kennisgeving moet voldoende transparant zijn en mag dus beperkt blijven tot een korte beschrijving van de essentiële gegevens van de uitvraag en de beoordelingsprocedure. Dit kan zo nodig worden aangevuld met informatie die beschikbaar is via internet en/of opvraagbaar is bij de provincie. Van belang is dat de kennisgeving en eventuele aanvullende documentatie die informatie zullen bevatten die organisaties en instellingen redelijkerwijs nodig hebben om te beslissen of zij een subsidieaanvraag zullen indienen. ] Gedeputeerde Staten geven op geschikte wijze kennis aan de uitvraag. Artikel 1.30. Programma van eisen Het programma van eisen bevat in elk geval: a. een beschrijving van de provinciale doelstellingen; b. een beschrijving van de te leveren prestaties; c. de eisen waaraan de aanvrager moet voldoen; 31[Toelichting: Met het opnemen van selectiecriteria kan op voorhand het aantal instellingen en organisaties worden beperkt, die mogelijk zullen reageren op de uitvraag. Gedacht kan worden aan objectieve criteria als bijvoorbeeld ervaring in de desbetreffende sector, omvang en infrastructuur van de organsisatie, technische en professionele vaardigheden. Een andere mogelijkheid is het opstellen van een lijst van gekwalificeerde organisaties en instellingen voor bijvoorbeeld een specifiek onderdeel van provinciaal beleid. Gedeputeerde Staten kunnen vervolgens uit deze lijst specifieke organisaties en instellingen selecteren en uitnodigen te reageren op een bepaalde uitvraag.] d. de criteria waaraan de te leveren prestaties moeten voldoen; e. de termijn voor het indienen van aanvragen, die in ieder geval zes weken bedraagt; f. het subsidieplafond; g. het aantal te subsidiëren partijen; h. de looptijd van de prestatiesubsidie; i. de wijze van subsidieverstrekking. Artikel 1.31. Beoordelingsprocedure 32 [Toelichting: Het is van belang dat het uiteindelijke besluit over het vertrekken van subsidie in overeenstemming is met de vooraf vastgestelde procedurevoorschriften en dat volledig de hand wordt gehouden aan de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling. Dit betekent dat alle subsidieaanvragers voor een bepaalde uitvraag altijd toegang hebben tot dezelfde hoeveelheid informatie en geen van die subsidieaanvragers op ongerechtvaardigde wijze wordt bevoordeeld.] 1. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen op basis van de in het programma van eisen opgenomen eisen en criteria als bedoeld in artikel 1.30., onderdeel c en d, in een prioriteitsvolgorde. 2. Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in volgorde van de vastgestelde prioriteit aan het aantal partijen als bedoeld in artikel 1.30., onderdeel g. 3. In afwijking van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten in de uitvraag bepalen dat de subsidie wordt verstrekt aan het aantal partijen als bedoeld in artikel 1.30., onderdeel g, die de gevraagde prestaties tegen de laagste prijs kunnen leveren. Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen Bestuurlijke Aangelegenheden Paragraaf 1. Integrale veiligheid [ingetrokken] Paragraaf 2. Jeugd en veiligheid 33[Toelichting: Het specifieke veiligheidsaspect ligt in het voorkomen en bestrijden van jeugdcriminaliteit. Omdat de provincie hierin geen wettelijke taak heeft, moet zij in samenspraak met politie, justitie, openbaar ministerie en gemeenten op zoek naar haar bijdrage aan dit thema. De provincie Overijssel ziet dit als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de drie overheden om zorg te dragen voor een adequate samenhangende sociale infrastructuur, waarbinnen de doelstellingen, geformuleerd in het Uitvoeringsprogramma Jeugd en Veiligheid, gerealiseerd kunnen worden.] Artikel 2.6. Criterium 34[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen binnen de grenzen van veiligheidsbeleid en in het bijzonder van het Uitvoeringsprogramma Jeugd en Veiligheid 2004 - 2007 van de provincie Overijssel nader bepalen welke activiteiten wel en welke niet voor subsidie in aanmerking komen, alsmede de criteria voor subsidiëring. Concreet betekent dit dat projecten worden gevonden op het snijvlak van het preventief jeugdbeleid (gemeente) met de jeugdzorg (provincie) en het strafrecht (politie /justitie). Hierbij streven wij naar een verdeling van de middelen tussen projecten die zich richten op: 1. het voorkomen van jeugdcriminaliteit en 2. projecten die zich richten op de aanpak van jeugdcriminaliteit] Een subsidieaanvraag voor jeugd en veiligheid moet voldoen aan de volgende criteria: a. het project draagt aantoonbaar bij aan de realisatie van het provinciale veiligheidsbeleid in het algemeen en aan het provinciale jeugd en veiligheidsbeleid in het bijzonder; b. de aanvraag is afkomstig van een gemeente of privaatrechtelijke rechtspersoon in de provincie Overijssel, die vanuit een non-profittaak betrokken is bij de uitvoering van het jeugd en veiligheidsbeleid. Artikel 2.7. Indieningstermijn aanvraag 35[Toelichting: Een aanvraag om subsidie is niet afhankelijk van een indieningstermijn.] In afwijking van artikel 1.13. kan de subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend. Artikel 2.8. Voorschotverlening 36[Toelichting: Het te verlenen voorschot bedraagt 80% van het verleende subsidiebedrag.] In afwijking van artikel 1.17. verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening een voorschot van 80% van de verleende subsidie. Artikel 2.9. Verplichting subsidieontvanger De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie. Paragraaf 3. Samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) 37[Toelichting: De provincie stimuleert samenwerkingsverbanden tussen partners in Overijssel en in Kurzeme (Letland). Voor dat doel is een stimuleringssubsidie in het leven geroepen, die betrekking heeft op twee vormen van samenwerking. Partners die uitsluitend of met name gericht zijn op het bieden van humanitaire hulpverlening kunnen op jaarbasis een stimuleringssubsidie van € 700 tegemoet zien. Dit bedrag moet worden gezien als een tegemoetkoming in reis-, verblijf- en transportkosten die met de activiteiten zijn gemoeid. Partners die zich uitsluitend of met name richten op het uitwisselen van kennis of ervaring kunnen voor een project een stimuleringssubsidie van maximaal € 400 per persoon aanvragen.] Artikel 2.10. Criterium Een aanvraag voor een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager dient voor te komen in het Werkplan samenwerking Overijssel-Kurzeme (Letland) 2006; b. het project of de activiteit moet concreet bijdragen aan de uitwisseling van kennis en ervaring of onderdeel zijn van bredere activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening. Artikel 2.11. Stimuleringssubsidie In afwijking van artikel 1.3., tweede lid, verstrekken Gedeputeerde Staten een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) in de vorm van een stimuleringssubsidie. Artikel 2.12. Grondslag subsidie De subsidie bedraagt maximaal € 400,-- per persoon die deelneemt aan een kennisuitwisselingsproject of op jaarbasis € 700,-- voor activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening. Hoofdstuk 3. Bijzondere bepalingen Economie, Milieu en Toerisme Paragraaf 1. Europese programma's Doelstelling 2 en LEADER+ 38[Toelichting: In het Bestuursakkoord 1999-2003 hebben Gedeputeerde Staten de ambitie uitgesproken om de tegenstelling tussen milieu en economie om te bouwen naar synergie. In het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+ wordt dit nader uitgewerkt. De daarin opgenomen uitgangspunten over ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid, ontwikkeling duurzame energie en energiebesparing en beheersing van de afvalproblematiek zijn de ankerpunten voor het beleid gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Overijssels Midden- en Kleinbedrijf. De beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB werkt dit beleid verder uit. In dit hoofdstuk geven wij in de volgende paragrafen subsidiëringsmogelijkheden aan: 1in paragraaf 1 subsidies voor Europese programma's; 2in paragraaf 2 subsidies voor bedrijvigheid en werkgelegenheid; 3in paragraaf 3 subsidies voor het programma Leren voor duurzame ontwikkeling, vermindering van afvalstoffen en schoner produceren. Europese programma's Doelstelling 2 en LEADER+ De subparagraaf Doelstelling 2 en LEADER+ betreft subsidiebepalingen voor de besteding van de Europese, rijks- en provinciale cofinancieringsmiddelen bij de Europese programma's Doelstelling 2 en LEADER+. Doelstelling 2 is een programma, dat op grond van artikel 4 van Verordening (EG) 1260/1999 en Verordening (EG) 1783/1999 door de Europese Commissie voor Oost-Nederland is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006. Het provinciebestuur van Overijssel onderscheidt hierin drie deelprogramma's: a. Doelstelling 2-programma Plattelandsontwikkeling voor de regio's Salland, Twente, Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek; b. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 2 voor de regio Twente; c. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 5B Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek. LEADER+ is een programma voor Oost-Nederland dat op basis van artikel 20 van Verordening (EG) 1260/1999 en Mededeling van de Europese Commissie 2000/C 139 door de Europese Commissie is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006. Gedeputeerde Staten hebben gekozen voor één regeling die de wettelijke basis biedt voor de subsidiëring van activiteiten die bijdragen ontvangen uit één van de Europese Structuurfondsen en uit provinciale of rijksmiddelen. Hiermee wordt bereikt dat de subsidieontvanger voor het hele subsidiebedrag aan dezelfde voorwaarden en verplichtingen moet voldoen, ongeacht de herkomst van (een deel van) de subsidie. Uiteraard geldt hierbij dat zowel aan communautaire als aan nationale en provinciale regelgeving moet worden voldaan. De bedoelde Europese en rijkscofinancieringsmiddelen worden aan Overijssel verstrekt voor de uitvoering van die Europese programma's, waarvoor de provincie Overijssel door het Rijk in de periode 2000-2006 als betalingsautoriteit is aangewezen. Het Doelstelling 2-programma is opgenomen in het Enkelvoudig Programmeringsdocument voor Oost-Nederland (EPD Oost).Na consultatie van diverse betrokken partijen biedt het programma een vertaling van en nadere invulling aan de regels van de Europese Unie voor de besteding van middelen. De beleidsprioriteiten van de Europese Unie houden onder meer in, dat subsidiëring alleen mogelijk is binnen vooraf geselecteerde en op kaart vastgelegde regio's. Deze regio's kampen in vergelijking met andere regio's in de Europese Unie met vormen van (sociaal-economische) achterstand en/of probleemsituaties. Het LEADER+-programma is eveneens na consultatie van diverse lokale betrokken partijen totstandgekomen. Het programma is een uitwerking van Richtlijnen van de Europese Unie en de Mededeling betreffende LEADER+ van de Europese Commissie. In tegenstelling tot het Doelstelling 2-programma zijn de betrokken plattelandsgebieden geselecteerd door een selectiecommissie, op kaart vastgelegd en daarna door Gedeputeerde Staten vastgesteld. De Doelstelling 2- en LEADER+-programma's bestrijken ook delen van de provincies Gelderland en Utrecht. Beide programma's zijn in nauw overleg met het provinciaal bestuur van Gelderland en Utrecht totstandgekomen. Regelgeving van de Europese Unie De criteria op grond waarvan een gebied voor Europese subsidie in aanmerking kan komen, de te financieren prioriteiten, de hoogte van de subsidie en andere uitvoeringsbepalingen zijn neergelegd in Europese regelgeving. Hieronder vallen o.a.: 1het Europees Verdrag; 2meerdere Europese verordeningen; 3de programmadocumenten en -complementen van Doelstelling 2 en LEADERr+; 4De ontwikkelingsplannen van de plaatselijke groepen.| Met name de volgende Europese verordeningen zijn van belang in de relatie tussen de provincie Overijssel en de subsidieontvanger: Verordening (EG) nrs: 11260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen (Pb L 161); 21783/1999 van de Raad van 12 juli 1999 met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (Pb L 213); 31159/2000 van de Commissie van 30 mei 2000 inzake door de lidstaten uit te voeren voorlichtings- en publiciteitsacties met betrekking tot de bijstandsverlening uit de structuurfondsen (Pb L 130); 1448/2004 van de Commissie van 10 maart 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van uitgaven voor door de structuurfondsen mede gefinancierde verrichtingen (Pb L 193); 2438/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor uit de structuurfondsen toegekende bijstand (Pb L 63); 3448/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de procedure inzake financiële correcties betreffende uit de structuurfondsen toegekende bijstand (Pb L 64); Daarnaast is van belang de mededeling van de Commissie aan de Lidstaten van 14 april 2000 tot vaststelling van de richtsnoeren voor het communautaire initiatief voor plattelandsontwikkeling (LEADER+) (Pb 2000/C139). Staatssteun Op grond van het Europese recht mag er geen sprake zijn van verboden staatssteun. Deze bepaling is vastgelegd in artikel 87 van het Europees verdrag. Samengevat komt het erop neer dat steun aan bepaalde ondernemingen de mededinging niet mag verstoren, voorzover de steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Als een onderneming wordt beschouwd: "Iedere eenheid die economische activiteiten ontplooit, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd." (Höfner-arrest). Op het verbod van staatssteun zijn enkele uitzonderingen van toepassing. Artikel 87, tweede en derde lid van het Europees Verdrag geven de belangrijkste uitzonderingen. Daarnaast heeft de Europese Commissie enkele vrijstellingsverordeningen vastgesteld en in enkele beschikkingen aangegeven dat in sommige gevallen staatssteun onder bepaalde voorwaarden is toegestaan. De meest bekende vrijstellingsverordening is de zogenaamde ‘De minimis'-regeling. (Vo (EG) nr. 69/2001). Deze regel houdt in dat individuele bedrijfssteun is vrijgesteld van aanmelding bij de Europese Commissie indien wordt voldaan aan de voorwaarde, dat de steun over drie aaneengesloten jaren in totaal maximaal € 100.000,-- mag bedragen. Iedere subsidieaanvrager moet in het aanvraagformulier opgeven hoeveel steun hij/zij in de afgelopen drie jaren heeft ontvangen. Op 23 december 2003 heeft de Europese Commissie de Landbouwverordening vastgesteld (Vo (EG) nr. 1/2004). Deze vrijstellingsverordening is specifiek van toepassing op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten. Alle steun aan landbouwbedrijven moeten aan deze regeling worden getoetst. Iedere subsidieaanvraag wordt door de provincie getoetst op verboden staatssteun. Indien blijkt dat er sprake is van verboden staatssteun, waarvoor de uitzonderingen niet van toepassing zijn, is subsidieverlening niet toegestaan. De aanvraag kan echter ter beoordeling aan de Europese Commissie worden voorgelegd. 'Aanvraagformulier Voor de indiening van een verzoek om Europese subsidies wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Het formulier is enerzijds het document waarin de aanvragers hun gegevens moeten invullen, anderzijds geeft het aan hoe Gedeputeerde Staten met verschillende aspecten van de subsidieverstrekking omgaan. De Toelichting per kostencategorie van de projectbegroting wordt hierin uitgebreid belicht. ] Artikel 3.1. Criteria 1. Subsidie kan worden verleend aan projecten die voldoen aan de criteria uit het Enkelvoudig Programmeringsdocument voor Oost-Nederland 2000-2006 (Doelstelling 2) zoals vastgesteld door de Europese Commissie op 6 augustus 2001. Geen subsidie wordt verleend voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten minder bedragen dan € 50.000,--. 2. Subsidie kan worden verleend aan projecten die voldoen aan de criteria uit het Programma LEADER+ Oost-Nederland voor de periode 2000-2006 (LEADER+), zoals vastgesteld door de Europese Commissie op 30 juli 2001. Artikel 3.2. Indieningtermijn aanvraag 1. In afwijking van artikel 1.13 wordt de aanvraag vóór 1 november of 1 mei ingediend. Gedeputeerde Staten kunnen andere data vaststellen voor het indienen van een aanvraag. 2. Een subsidieaanvraag kan worden ingediend voor activiteiten die reeds zijn gestart, voor zover deze activiteiten niet vóór het besluit tot subsidieverlening van Gedeputeerde Staten zijn afgerond. 3. Gedeputeerde Staten kunnen van het bepaalde in het tweede lid afwijken indien de activiteiten zijn afgerond na de datum waarop de programma’s Doelstelling 2 en LEADER+ door de Europese Commissie zijn goedgekeurd. Artikel 3.3. Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens: a. documenten waaruit blijkt dat de bekostiging van de medefinanciers is verzekerd; b. een financiële uitgavenplanning in perioden van vier maanden; c. de benodigde vergunningen; het ontbreken van de vergunningen staat niet in de weg aan het afgeven van een advies door de plaatselijke groep/stuurgroep; d. alle stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Europese subsidies. Artikel 3.4. Wijze van behandeling van de aanvragen 1. In afwijking van artikel 1.4 wordt een aanvraag om subsidie overeenkomstig de Administratieve Organisatie van de in deze paragraaf genoemde Europese programma’s behandeld. Hierbij wordt bij de subsidieverlening voorrang gegeven aan activiteiten die: de gelijkheid van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt bevorderen, of de kwaliteit van het milieu bevorderen door: • het ontwikkelen van milieutechnologie, of • het verminderen van de negatieve gevolgen van economische investeringen voor het milieu, of • het verbeteren of herbestemmen van de functie van gebieden, of passen binnen een strategische (gebieds)visie, of worden gedragen door de relevante lokale of regionale autoriteiten, instanties of sociaaleconomische partners, of kunnen leiden tot substantiële private investeringen. 2. Bij de weging van aanvragen in het kader van het Doelstelling 2-programma spelen de volgende factoren een rol: de financiële eisen; met name de financiële dekking in verhouding tot de Europese bijdrage; de beleidsinhoudelijke eisen van organen van de Europese Unie; de bijdrage aan de indicatoren. 3. Bij de weging van aanvragen in het kader van het LEADER+-programma spelen de volgende factoren een rol. de mate waarin een bijdrage wordt geleverd aan de inhoudelijke doelstelling van het programma en het ontwikkelingsplan; financiële dekking in verhouding tot de Europese bijdrage; de mate van: • innovativiteit; • draagvlak voorkomend uit de 'van onderop totstandkoming'; • het voorbeeldkarakter; kosteneffectiviteit, de verhouding tussen de inzet van middelen van de Europese Unie en de inhoudelijke bijdragen aan het programma; de mate waarin het project, danwel de effecten van het project na afloop van de subsidieverlening zullen worden voortgezet, danwel voortduren. Artikel 3.5. Beslistermijn In afwijking van artikel 1.16 beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken na ontvangst van het advies van de desbetreffende stuurgroep of plaatselijke groepen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd. Artikel 3.6. Verlening van voorschot 1. In afwijking van artikel 1.17 wordt bij de beschikking tot subsidieverlening een initiële bijdrage van 5% van de subsidie overgemaakt. Voor projecten met een maximale subsidieverlening van € 100.000,-- wordt de initiële bijdrage verhoogd tot 20% van de subsidie. 2. Nadien zal, op basis van de voortgangsrapportage, naar rato van de aangetoonde gemaakte en betaalde kosten tot maximaal 90% van het budgettotaal worden uitbetaald. In bijzondere gevallen zal, ter beoordeling van Gedeputeerde Staten, de maximale bevoorschotting kunnen worden verhoogd tot 100% van het budgettotaal. Artikel 3.7. Verplichtingen van de subsidieontvanger 1. De activiteiten dienen binnen twee maanden na de subsidieverlening te zijn gestart, in die zin dat de subsidieontvanger daadwerkelijk uitgaven ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten verricht. 2. De activiteiten dienen te zijn uitgevoerd uiterlijk binnen 24 maanden na de subsidieverlening. 3. De activiteiten dienen overeenkomstig de aanvraag en de daarbij behorende financiële planning te worden uitgevoerd. 4. De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren op grond waarvan adequate tussentijdse rapportages kunnen worden opgesteld en tevens controles kunnen worden uitgevoerd door personen die door Gedeputeerde Staten zijn aangewezen, danwel door controleurs die bij of krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap hiertoe bevoegd zijn. Artikel 3.8. Rapportage 1. De subsidieontvanger rapporteert schriftelijk drie keer per jaar aan Gedeputeerde Staten over de inhoudelijke en financiële voortgang van de activiteiten. Deze rapportages worden overgelegd binnen twee weken na 1 januari, 1 mei en 1 september van het desbetreffende jaar en hebben betrekking op de aan die datum voorafgaande periode van vier maanden. Bij deze rapportages worden tevens overgelegd de boekingsbescheiden over die periode en een overzicht van de in die periode voldane facturen. 2. De subsidieontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten over alle feiten en omstandigheden, waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij invloed kunnen hebben op het voortbestaan van het recht op subsidie, alsmede van een verzoek aan de rechtbank tot verlening van surseance van betaling of tot faillietverklaring van de ontvanger. Artikel 3.9. Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling In afwijking van artikel 1.18 dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na afloop van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij Gedeputeerde Staten bij de subsidieverlening een andere termijn hebben aangegeven. Artikel 3.10. Terugvordering Indien de bijdrage(

  1. n)uit de Europese middelen of de bijdrage uit de provinciale of rijksmiddelen als gevolg van een beslissing van de Commissie moet(
  2. en)worden aangepast, kunnen Gedeputeerde Staten de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling ten nadele van de ontvanger wijzigen en het eventueel betaalde terugvorderen. Artikel 3.11. Vervreemding Indien de subsidieontvanger de met de subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na subsidievaststelling wenst te vervreemden of aan derden ter beschikking te stellen, dient hij hiertoe een verzoek bij Gedeputeerde Staten in. Artikel 3.12. tot en met 3.15 [vervallen] Paragraaf 2. Overijssel werkt! Subparagraaf 2.1. Bedrijfsverplaatsingen [vervallen per 1 januari 2008] Subparagraaf 2.2. Algemeen Artikel 3.22. Toepasselijkheid Deze subparagraaf is van toepassing op de subparagrafen 2.3 tot en met 2.12. Artikel 3.23. Subsidiabele activiteiten 39[Toelichting: Dit artikel is bedoeld als vangnet voor de beleidslijnen binnen het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief. Wanneer Gedeputeerde Staten van oordeel zijn, dat de te subsidiëren activiteit niet wordt beoogd onder de hierna volgende subparagrafen 2.4 tot en met 2.7, maar wel past binnen het MEUP, dan kunnen Gedeputeerde Staten een aanvraag honoreren. Overigens beoogt het provinciebestuur met het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel (MEUP) uitdrukkelijk een verbinding te leggen met andere beleidsvelden die kunnen bijdragen aan het thema. Bijvoorbeeld met cultuur, zorg, wonen, platteland. Deze integraliteit willen wij bij de uitvoering vasthouden.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de thema’s van Overijssel werkt! en plaatsvinden in Overijssel. Artikel 3.24. Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie voor de in een uitvraag als bedoeld in paragraaf 1.3.3 genoemde prestaties aan in ieder geval die organisaties die integraal uitvoering geven aan het economische beleid van de provincie. Subparagraaf 2.3. Verbeteren vestigingsklimaat bedrijfsleven 40[Toelichting: Een korte toelichting op de in deze subparagrafen gebruikte begrippen: Parkmanagement is het in een publiek-private samenwerking sturen van vorm, voorzieningen en beheer van een bedrijventerrein, met als doel het structureel op peil houden van het gewenste kwaliteitsniveau van de bedrijfsomgeving. Parkmanagement geeft sturing aan de inrichting en het beheer van het (bebouwde) terrein, de initiatie en de exploitatie van zowel collectieve als individuele voorzieningen en diensten. Daarnaast analyseert en organiseert parkmanagement samenwerkings-mogelijkheden, met als doel het verkrijgen en behouden van een hoog kwaliteitsniveau van zowel de openbare als de private ruimte. Belemmeringen zijn bijvoorbeeld administratieve lasten voor ondernemers. Een bedrijventerrein is een terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door één of meer bedrijven uit de sectoren industrie, nijverheid en/of commerciële en niet-commerciële dienstverlening, daaronder niet begrepen een terrein dat in overwegende mate bestemd is voor kantoren, detailhandel of horeca. Een masterplan is een plan waarin op basis van kansen- en knelpuntenanalyse is vastgelegd (
  3. a)hoe kansrijk de herstructurering voor het betrokken bedrijventerrein is, (
  4. b)hoe betrokken ondernemers en overheden gezamenlijk de aanpak van de herstructurering vorm willen geven, (
  5. c)hoe daarvoor de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden verdeeld en (
  6. d)op basis waarvan besluiten daartoe kunnen worden genomen. Een herstructureringsproject is een samenhangend geheel van activiteiten, zijnde alle eenmalige ingrepen in het bedrijventerrein die niet onder regulier onderhoud vallen, die tot doel hebben de veroudering van het terrein als geheel te bestrijden en gericht is op de verbetering van het vestigingsklimaat op het bedrijventerrein. Herstructurering is een koepelbegrip voor vier typen van maatregelen die genomen kunnen worden om de veroudering van bedrijventerreinen tegen te gaan: 1beperkte herstructurering: grote opknapbeurt van veelal de openbare ruimte bij fysieke veroudering; 2revitalisering: forse integrale verbetering van het terrein waarbij de huidige economische functiesbehouden blijven; 3herprofilering: herstructurering waarbij de economische functie van het terrein een andere wordt; 4transformatie: herstructurering waarbij de economische functie verdwijnt en hier bijvoorbeeld woningbouw voor in de plaats komt. In dit geval wordt het terrein onttrokken aan de voorraad bedrijventerreinen. Als opbrengst wordt in aanmerking genomen de opbrengst uit uitgifte, verhuur en verpachting van grond en de opbrengst uit verhuur en verkoop van gebouwen. Met een draagvlakverklaring wordt een document bedoeld waaruit blijkt dat alle betrokken partijen de noodzaak van uitvoering van de subsidiabele activiteit onderschrijven. Bij zorgvuldig ruimtegebruik wordt de grond en opstallen zodanig benut, dat het grondbeslag per eenheid economische activiteit of werknemer wordt beperkt en de bedrijfseconomische positie en de kwaliteit van het bedrijventerrein gelijk blijft of verbetert. Zorgvuldig ruimtegebruik kan plaatsvinden in vier dimensies: a. intensivering van ruimtegebruik/verdichten; b. functiemenging; c. verticaal bouwen, de hoogte of de diepte in; d. tijd. Zorgvuldig ruimtegebruik is eng verweven met onderwerpen als herstructurering, duurzaamheid, parkmanagement, criminaliteitsbestrijding en architectuur.] Artikel 3.25. Subsidiabele activiteiten 1. Binnen het thema Verbeteren vestigingsklimaat bedrijfsleven ligt de prioriteit op het ondersteunen van activiteiten gericht op de ontwikkeling van bedrijventerreinen in een regionale samenhang en het voorkomen van herstructurering van bedrijventerreinen in de toekomst. In dat kader kan subsidie worden gevraagd voor: strategische planvorming ten aanzien van bovenlokale en bovenregionale bedrijventerreinen; activiteiten gericht op verduurzaming van bedrijventerreinen, zoals parkmanagement, zorgvuldig ruimtegebruik, veiligheid, energie, hergebruik afvalstoffen en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. 2. Verder kan subsidie worden gevraagd voor: activiteiten gericht op het wegnemen van belemmeringen voor bedrijven om te ondernemen; activiteiten die zijn gericht op het promoten en versterken van het Overijssels ondernemingsklimaat en het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid. Artikel 3.26. Grondslag voor de subsidie 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,--. 2. De volgende kosten zijn niet subsidiabel: interne kosten; verrekenbare belastingen, heffingen of lasten; rente, bank, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; afschrijvingskosten; kosten van planschade; kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering. Subparagraaf 2.4. Herstructurering van bedrijventerreinen Artikel 3.27. Subsidiabele activiteiten Binnen het thema Herstructurering van bedrijventerreinen kan subsidie worden gevraagd voor: a. het opstellen van masterplannen voor een duurzame herstructurering van bestaande bedrijventerreinen; b. het oplossen van knelpunten bij de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen; c. de uitvoering van herstructurering van bestaande bedrijventerreinen. Artikel 3.28. Criteria 1. Aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub b, moeten voldoen aan de volgende criteria: het betreft een knelpunt op organisatorisch vlak, op het gebied van kennis of op juridisch gebied; het ontstaan van het knelpunt is aantoonbaar onvoorzien; het knelpunt belemmert de herstructurering, waardoor op korte termijn een oplossing is geboden. 2. Aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub c, moeten voldoen aan de volgende criteria: de aanvraag is afkomstig van een gemeente in de provincie Overijssel; het betreft een bedrijventerrein ouder dan tien jaar, gemeten vanaf het moment van eerste bedrijfsvestiging op het betreffende bedrijventerrein; de financiering van het herstructureringsproject is na de verlening van de subsidie sluitend; er is draagvlak bij de betrokken partijen; het door het herstructureringsproject bereikte kwaliteitsniveau van het bedrijventerrein blijft ook na afloop van de subsidieperiode in stand. Artikel 3.29. Grondslagen voor de subsidie 41[Toelichting: De provincie wil maximaal € 1.000.000,-- bijdragen aan de 'grotere' herstructureringsprojecten, zoals revitalisering en herprofilering. Dit kunnen bijvoorbeeld projecten zijn die van de minister van Economische Zaken een subsidie hebben ontvangen op grond van het Besluit subsidies topprojecten herstructurering bedrijventerreinen (Staatsblad 200, 629). Bij revitalisering en herprofilering gaat het ook om verwerving en herontwikkeling van kavels. Onder beperkte herstructurering verstaan wij een grote opkanpbeurt van met name de openbare ruimte van een bedrijventerrein.] 1. De subsidie als bedoeld in artikel 3.27, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,--. 2. De subsidie als bedoeld in artikel 3.27, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,--. 3. De subsidie als bedoeld in artikel 3.27, onder c, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 1.000.000,--, met dien verstande dat: marktconforme opbrengsten die gedurende de looptijd van het project worden gerealiseerd, worden van de kosten afgetrokken; ingeval dat gebouwen of grond op het moment van subsidievaststelling nog niet zijn verkocht, verpacht of verhuurd, worden de verwachte opbrengsten uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het moment van indiening van de aanvraag om subsidievaststelling door een onafhankelijke taxateur vastgesteld; ingeval sprake is van een beperkte herstructurering bedraagt de subsidie maximaal € 500.000,--. 4. De volgende kosten zijn niet subsidiabel: interne kosten; verrekenbare belastingen, heffingen of lasten; rente, bank, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; afschrijvingskosten; kosten van planschade; kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering. Artikel 3.30. Vaststelling subsidie In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub b, geen besluit tot subsidieverlening vooraf. Artikel 3.31. Aanvullende stukken bij de aanvraag 42[Toelichting: Met een draagvlakverklaring wordt een document bedoeld waaruit blijkt dat alle betrokken partijen de noodzaak van uitvoering van de subsidiabele activiteit onderschrijven.] 1. In afwijking van artikel 1.19 overlegt de aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub b, bij de aanvraag tevens een offerte voor het oplossen van het ontstane knelpunt. 2. In afwijking van artikel 1.19 overlegt de aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub c, bij de aanvraag tevens: een door het gemeentebestuur vastgesteld masterplan; een draagvlakverklaring; een plan van aanpak hoe na afloop van het herstructureringsproject het bereikte kwaliteitsniveau van het bedrijventerrein wordt gewaarborgd. Subparagraaf 2.5. Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie Artikel 3.32 Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. "detachering": tijdelijke indienstneming van personeel door een begunstigde gedurende een bepaalde periode, waarna het personeel het recht heeft naar zijn vorige werkgever terug te keren; b. "experimentele ontwikkeling": het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schema's of ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procédés of diensten. Hieronder kan tevens de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, procédés of diensten worden verstaan. Deze activiteiten kunnen ook het maken van ontwerpen, tekeningen, plannen en andere documentatie omvatten, mits zij niet voor commercieel gebruik zijn bestemd. De ontwikkeling van commercieel bruikbare prototypes en proefprojecten valt eveneens onder experimentele ontwikkeling indien het prototype het commerciële eindproduct is en de productie ervan te duur is om alleen voor demonstratie- en validatie doeleinden te worden gebruikt. Bij commercieel gebruik van demonstratie- of proefprojecten worden eventuele inkomsten die hieruit voortvloeien, op de in aanmerking komende kosten in mindering gebracht. c. "fundamenteel onderzoek": experimentele of theoretische activiteiten die voornamelijk worden verricht om nieuwe kennis te verwerven over de fundamentele aspecten van verschijnselen en waarneembare feiten, zonder dat hiermee een rechtstreekse praktische toepassing of gebruik wordt beoogd; d. "grote ondernemingen": ondernemingen die niet onder de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen vallen; e. "hooggekwalificeerd personeel": universitair geschoolde onderzoekers, ingenieurs, ontwerpers en marketingmanagers met een tertiaire opleiding en ten minste vijf jaar relevante beroepservaring. Doctoraatsopleidingen kunnen meetellen als relevante beroepservaring; f. "industrieel onderzoek": planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procédés of diensten, of om bestaande producten, procédés of diensten aanmerkelijk te verbeteren (zie ook artikel 3.32 k). Het omvat de vervaardiging van onderdelen van complexe systemen, die noodzakelijk is voor industrieel onderzoek, met name voor algemene validering van technologieën, met uitzondering van prototypes als bedoeld in punt b); de kosten van de experimentele ontwikkeling en het testen van producten, procédés en diensten komen eveneens in aanmerking, voor zover deze niet voor industriële toepassing of commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt of geschikt gemaakt. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan de routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden (zie ook 3.32 k); g. "innovatieclusters": groeperingen van onafhankelijke ondernemingen — innovatieve starters, kleine, middelgrote en grote ondernemingen, maar ook onderzoeksorganisaties — die in een bepaalde sector en regio actief zijn en die tot doel hebben innovatieve activiteiten te stimuleren door het bevorderen van intensieve kruisbestuiving, het delen van faciliteiten en de uitwisseling van kennis en deskundigheid, en door daadwerkelijk bij te dragen aan technologieoverdracht, netwerking en informatieverspreiding tussen de ondernemingen binnen het cluster. Nederland streeft er naar om een goed evenwicht tot stand te brengen tussen het MKB en grote ondernemingen binnen het cluster, een bepaalde kritische massa te bereiken, met name via specialisatie in een bepaald OO&I gebied, en rekening te houden met bestaande clusters in Nederland en op Gemeenschapsniveau. h. "kleine en middelgrote ondernemingen" of "MKB", "kleine ondernemingen" en "middelgrote ondernemingen": ondernemingen in de zin van Verordening (EG) nr. 70/2001, of een verordening die deze verordening vervangt; i. "onderzoeksorganisatie": een entiteit, zoals een universiteit of kennisinstelling, ongeacht haar rechtsvorm (publiek- of privaatrechtelijke organisatie) of financieringswijze, die zich in hoofdzaak bezighoudt met het verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en het verspreiden van de resultaten daarvan door middel van onderwijs, publicaties of technologieoverdracht. Alle winst wordt opnieuw geïnvesteerd in die activiteiten, in de verspreiding van de resultaten daarvan, of in onderwijs. Ondernemingen die invloed over een dergelijke entiteit kunnen uitoefenen door middel van bijvoorbeeld aandeelhouders of leden, genieten geen preferente toegang tot de onderzoekscapaci teit van een dergelijke entiteit of tot de resultaten van haar onderzoek; j. "organisatie-innovatie": de toepassing in een onderneming van een nieuwe organisatiemethode in de bedrijfsvoering, in de organisatie op de werkvloer of in de externe betrekkingen. De volgende activiteiten vallen nadrukkelijk niet onder organisatie-innovatie: veranderingen in de bedrijfsvoering, in de organisatie op de werkvloer of in de externe betrekkingen die sterk gelijken op organisatiemethoden die in de onderneming reeds in gebruik zijn, veranderingen in de managementstrategie, fusies en acquisities, het niet meer gebruiken van een procédé, eenvoudige vervangings- en uitbreidingsinvesteringen, veranderingen die louter het gevolg van prijswijzigingen voor productiefactoren zijn, aanpassingen op maat, gebruikelijke seizoens- of andere cyclische veranderingen en het verhandelen van nieuwe of sterk verbeterde producten; k. "procesinnovatie": de toepassing van een nieuwe of sterk verbeterde productie- of leveringsmethode (met inbegrip van aanzienlijke veranderingen in technieken, uitrusting en/of software). In de “Oslo manual ” 1 wordt de definitie van procesinnovatie nader gespecificeerd. De volgende activiteiten vallen nadrukkelijk niet onder procesinnovatie: geringe veranderingen of verbeteringen, een verhoging van de productie- of dienstverleningscapaciteit door de toevoeging van productie- of logistieke systemen die sterk gelijken op die welke reeds in gebruik zijn, het niet meer gebruiken van een procédé, eenvoudige vervangings- en uitbreidingsinvesteringen, veranderingen die louter het gevolg van prijswijzigingen voor productiefactoren zijn, aanpassingen op maat, gebruikelijke seizoens- of andere cyclische veranderingen en het verhandelen van nieuwe of sterk verbeterde producten; l. "steunintensiteit": het totale steunbedrag, uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten van het project. Alle cijfers die worden gebruikt, zijn de cijfers vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Wordt steun in een andere vorm dan een subsidie verleend (bijvoorbeeld een zachte lening), dan is het steunbedrag het subsidie-equivalent van de steun. Van steun die in tranches wordt uitgekeerd, wordt door discontering de waarde op het ogenblik van de verlening ervan berekend. De rentevoet die voor discontering en voor de berekening van het steunbedrag bij een zachte lening moet worden gehanteerd, is de referentierentevoet die geldt op het ogenblik van de steunverlening. De steunintensiteit wordt per begunstigde berekend; m. "terugbetaalbaar voorschot": een lening voor een project die in één of meer tranches wordt betaald en waarbij de voorwaarden voor terugbetaling afhangen van de uitkomst van het project; Artikel 3.33 Criteria Subsidie kan worden verleend aan projecten die passen binnen de doelstellingen van de volgende modules zoals opgenomen in de “Omnibus Decentraal” (goedgekeurd door de Europese Commissie op 3 april 2008): Module 1: Onderzoek en Ontwikkeling Module 2: Technische haalbaarheidsstudies Module 3: Industriële eigendomsrechten voor het MKB Module 4: Innovatieve starters Module 5: Proces en organisatie innovatie in dienstverlening Module 6: Innovatie advies en innovatieondersteuning Module 7: Inhuur van hoog gekwalificeerd personeel Module 8: Innovatieclusters De bijbehorende steunplafonds voor deze modules zijn als volgt: Tabel steunplafonds Bedrijfsgrootte Steun- plafond: Klein Steun- plafond: Medium Steun- plafond: Groot Module 1 Industrieel ondezoek Industrieel onderzoek met: - samenwerking ondernemingen (bij grote onderneming geldt grensoverschrijdend of samenwerking met MKB) - samenwerking onderneming en onderzoeksorganisatie Experimentele ontwikkeling Experimentele ontwikkeling met: - samenwerking ondernemingen (bij grote onderneming geldt grensoverschrijdend of samenwerking met MKB) - samenwerking onderneming en onderzoeksorganisatie 70% 80% 45% 60% 60% 75% 35% 50% 50% 65% 25% 40% Module 2 Technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van industrieel onderzoek Technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van experimentele ontwikkeling 75% 50% 75% 50% 65% 40% Module 3 Steun aan MKB voor kosten van verkrijging en validering van octrooien en andere industriële eigendomsrechten Conform module 1 Conform module 1 n.v.t. Module 4 Steun voor innovatieve starters € 1 mlj n.v.t. n.v.t. Module 5 Steun voor proces en organisatie innovatiediensten 35% 25% 15% Module 6 Steun voor innovatie adviesdiensten en voor diensten inzake innovatieondersteuning € 200 k of 50% € 200 k of 50% n.v.t. Module 7 Uitlenen van hooggekwalificeerd personeel vanuit een onderzoeksorganisatie of grote onderneming bij MKB 50% 50% n.v.t. Module 8 Investeringssteun ten behoeve van het opzetten, uitbreiden en aansturen van innovatieclusters 35% 25% 15% Subparagraaf 2.5.1 Module 1: Onderzoek en ontwikkeling Artikel 3.34 Subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.6 komen de volgende kosten voor subsidiëring in aanmerking: a. personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; b. kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd; c. kosten van gebouwen en grond voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of daadwerkelijk gemaakte investeringskosten in aanmerking; d. kosten van contractonderzoek, technische kennis en octrooien die tegen marktprijzen worden verworven bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, mits de transactie conform het arm's length-beginsel 2 plaatsvond en er geen sprake is van collusie3. Voorts ook kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor de onderzoeksactiviteiten worden gebruikt; e. extra algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het onderzoeksproject voortvloeien; f. andere exploitatiekosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit de onderzoeksactiviteit voortvloeien. Artikel 3.35 Grondslag voor de subsidie 1. De subsidie bedraagt maximaal: 50% van de totale subsidiabele kosten voor industrieel onderzoek 25% van de totale subsidiabele kosten voor experimentele ontwikkeling 2. De maximale percentages kunnen als volgt worden verhoogd: ingeval van middelgrote ondernemingen met 10 procentpunten en ingeval van kleine ondernemingen met 20 procentpunten. een verhoging met 15 procentpunt tot een maximum steunintensiteit van 80% (in het geval van een kleine onderneming) is mogelijk wanneer aan minstens één van de volgende voorwaarden is voldaan (zie ook tabel bij artikel 3.33): 43[Toelichting: Voor de toepassing van de punten
  7. i)en
  8. ii)geldt uitbesteding niet als daadwerkelijke samenwerking. Bij samenwerking tussen een onderneming en een onderzoeksorganisatie zijn de in deze omnibusregeling bepaalde maximum steunintensiteiten en verhogingen niet van toepassing op de onderzoeksorganisatie.] i. Het project behelst daadwerkelijke samenwerking tussen ten minste twee onderling onafhankelijke ondernemingen. Dergelijke daadwerkelijke samenwerking wordt geacht aanwezig te zijn wanneer: - geen van de ondernemingen meer dan 70% van de in aanmerking komende kosten van het samenwerkingsproject voor haar rekening moet nemen, - het project samenwerking behelst met ten minste één MKB of er sprake is van grensoverschrijdende samenwerking, d.w.z. dat de O&O activiteiten in ten minste twee verschillende lidstaten plaatsvinden, ii. het project behelst daadwerkelijke samenwerking tussen een onderneming en een onderzoeksorganisatie, met name in het kader van coördinatie van nationaal O&O beleid. Dergelijke daadwerkelijke samenwerking wordt geacht aanwezig te zijn wanneer: - de onderzoeksorganisatie minstens 10% van de in aanmerking komende projectkosten draagt, en - de onderzoeksorganisatie het recht heeft de resultaten van de onderzoeksprojecten te publiceren voor zover deze afkomstig zijn van het door die organisatie uitgevoerde onderzoek; iii. het project ziet op industrieel onderzoek en de projectresultaten worden ruim verspreid via technische en wetenschappelijke conferenties of worden gepubliceerd in wetenschappelijke en technische tijdschriften of op open access repositories (databases waarin iedereen ruwe onderzoekgegevens vrij kan raadplegen), of via free of open source software. Subparagraaf 2.5.2 Module 2: Technische haalbaarheidsstudies Artikel 3.36 Subsidiabele kosten De volgende kosten komen voor subsidiëring in aanmerking: a. kosten voor technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van industrieel onderzoek; b. kosten voor technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van experimenteel onderzoek. Artikel 3.37 Grondslag voor de subsidie De subsidie bedraagt maximaal: a. 75% voor technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van industrieel onderzoek en 50% voor studies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van experimentele ontwikkeling voor kleine en middelgrote ondernemingen b. 65% voor technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van industrieel onderzoek en 40% voor studies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van experimentele ontwikkeling voor grote ondernemingen. Subparagraaf 2.5.3 Module 3: Industriële eigendomsrechten Artikel 3.38 Subsidiabele kosten De volgende kosten komen voor subsidiëring in aanmerking: a. alle kosten die worden gemaakt vóór de verlening van het recht in het eerste rechtsgebied (bijvoorbeeld Nederland, Europa of de VS) met inbegrip van de kosten met betrekking tot de voorbereiding, indiening en verdere afhandeling van de aanvraag, alsmede de kosten van een hernieuwde aanvraag voordat het recht is verleend; b. vertaalkosten en andere kosten die worden gemaakt met het oog op de verkrijging of validering van het recht in andere rechtsgebieden; c. kosten ter verzekering van de geldigheid van het recht tijdens de officiële afhandeling van de aanvraag en mogelijke oppositieprocedures, zelfs indien dergelijke kosten worden gemaakt na de verlening van het recht. Artikel 3.39 Grondslag voor de subsidie De subsidie bedraagt maximaal de percentages zoals opgenomen in artikel 3.33 voor kleine en middelgrote ondernemingen. Subparagraaf 2.5.4 Module 5 Proces- en organisatie-innovatie in dienstverlening Artikel 3.40 Subsidiabele kosten De volgende kosten komen voor subsidiëring in aanmerking: a. De kosten zoals opgenomen in artikel 3.34. b. In het geval van organisatie-innovatie betreffen de kosten voor apparatuur en uitrusting enkel de kosten voor ICT apparatuur en -uitrusting. c. Routinematige of periodieke wijzigingen van bestaande producten, productielijnen, productie-procédés, bestaande diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen zijn, komen niet voor staatssteun in aanmerking. Artikel 3.41 Grondslag voor de subsidie 1. De subsidie bedraagt maximaal: 15% van de totale subsidiabele kosten voor grote ondernemingen 25% van de totale subsidiabele kosten voor middelgrote ondernemingen 35% van de totale subsidiabele kosten voor kleine ondernemingen 2. Grote ondernemingen komen alleen voor dit soort steun in aanmerking indien zij bij de gesteunde activiteit samenwerken met het MKB en de samenwerkende MKB partner(
  9. s)tenminste 30% van de totale in aanmerking komende kosten draagt. Daarbij moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: organisatie-innovatie houdt steeds verband met het gebruik en de exploitatie van informatie- en communicatietechnologie (hierna ICT genoemd) om de organisatie te veranderen; de aanvrager voldoende kwalificatie van projectmedewerkers kan aantonen; het gesteunde project resulteert in de ontwikkeling van een norm, businessmodel, methodologie of concept die systematisch kunnen worden gereproduceerd en eventueel kunnen worden gecertificeerd en geoctrooieerd; de proces- of organisatie-innovatie is nieuw of sterk verbeterd ten opzichte van de state-of-the-art in de betrokken sector in de Gemeenschap. Dat het om vernieuwing gaat, kunnen de provincies en gemeenten bijvoorbeeld aantonen op basis van een precieze beschrijving van de innovatie, door deze te vergelijken met state-of-the-art processen of –organisatietechnieken zoals die door andere ondernemingen in dezelfde bedrijfstak worden gebruikt; het proces- of organisatie-innovatieproject houdt een duidelijke vorm van risico in. De provincies en gemeenten kunnen het risico bijvoorbeeld aantonen op basis van de verhouding projectkosten/ondernemingsomzet, de benodigde tijd om het nieuwe proces te ontwikkelen, de van de procesinnovatie verwachte baten ten opzichte van de projectkosten, het risico op mislukking. Subparagraaf 2.5.5 Module 6 innovatieadvies en innovatieondersteuning Artikel 3.42 Subsidiabele kosten De volgende kosten komen voor subsidiëring in aanmerking: a. voor innovatieadviesdiensten de kosten voor: management advies; technologische bijstand; diensten inzake technologieoverdracht; opleiding; consultancy in verband met de verwerving, de bescherming en het verhandelen van intellectuele eigendomsrechten en in verband met licentiering overeenkomsten; consultancy in verband met het gebruik van normen; b. Voor innovatieondersteuning de kosten voor: kantoorruimte; databanken; technische bibliotheken; marktonderzoek; laboratoriumgebruik; diensten in verband met kwaliteitslabels, testen en certificeren. c. Is de dienstverlener een non-profit entiteit, dan mag de steun worden verleend aan de dienstafnemer als het verschil tussen de betaalde prijs en de marktprijs (of een prijs die de volledige kosten plus een redelijke marge weergeeft). Artikel 3.43 Grondslag voor de subsidie Steun voor innovatieadviesdiensten en voor diensten inzake innovatieondersteuning is mogelijk wanneer elk van de volgende voorwaarden zijn vervuld: 1. De begunstigde is een MKB; 2. de steun bedraagt maximaal € 200.000 per begunstigde over een periode van drie jaar. Naast deze steun bestaat ook de mogelijkheid om voor andere activiteiten de minimis steun te ontvangen of: de steun bedraagt maximaal 50% van de totale subsidiabele kosten, waarbij de diensten niet van permanente of periodieke aard zijn, noch tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming behoren (reguliere activiteiten) maar een additioneel karakter hebben; 3. de dienstverlener is nationaal of Europees gecertificeerd. Is dat niet het geval, dan mag de steun niet meer bedragen dan 75% van de in aanmerking komende kosten tot een maximum van € 150.000. Subparagraaf 2.5.6 Module 7 Het inhuren van hooggekwalificeerd personeel Artikel 3.44 Subsidiabele kosten De volgende kosten komen voor subsidiëring in aanmerking: Alle personeelskosten voor het inhuren van hooggekwalificeerd personeel, met inbegrip van de kosten voor het inzetten van een wervings- en selectiebureau, alsmede een mobiliteitspremie voor de gedetacheerde werknemers. Artikel 3.45 Grondslag voor de subsidie Steun voor het inhuren van hooggekwalificeerd personeel dat vanuit een onderzoeksorganisatie of een grote onderneming bij een MKB wordt gedetacheerd is mogelijk indien: a. De gedetacheerde werknemers geen andere werknemers vervangen, maar werken in een nieuw gecreëerde functie binnen de begunstigde onderneming en b. ten minste twee jaar in dienst zijn bij de onderzoeksorganisatie of de grote onderneming die de werknemers detacheert. Deze gedetacheerde werknemers moeten binnen de begunstigde MKB op OO&I gebied actief zijn. De maximum steunintensiteit bedraagt 50% van de in aanmerking komende kosten, gedurende maximaal drie jaar per onderneming en per ingeleende werknemer. Subparagraaf 2.5.7 Module 8 Innovatieclusters Artikel 3.46 Subsidiabele kosten De volgende kosten komen voor subsidiëring in aanmerking: 1. De kosten van de investeringen in grond, gebouwen, machines en uitrusting voor het gebruik van: opleidingsfaciliteiten en onderzoekscentra open access onderzoeksinfrastructuur infrastructuur voor breedbandnetwerken 2. De personeels en administratiekosten van de exploitant van een cluster voor een maximale periode van 5 jaar in verband met: marketing van het cluster om nieuwe ondernemingen aan te trekken beheer van open access-faciliteiten van het cluster organisatie van opleidingsprogramma’s workshops en conferenties om kennisdeling en netwerking tussen de clusterleden te bevorderen. Artikel 3.47 Grondslag voor de subsidie De maximale steunintensiteit voor investeringen bedraagt 15% van de totale subsidiabele kosten. Het maximale percentage kan ingeval van middelgrote ondernemingen met 10 procentpunten en ingeval van kleine ondernemingen met 20 procentpunten worden verhoogd. .De maximale steunintensiteit voor de exploitatie bedraagt 50% van de totale subsidiabele kosten. Subparagraaf 2.6. Economische innovatie Artikel 3.48. Criteria 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan activiteiten die bijdragen aan het realiseren en uitvoeren van de opgaven in de economische innovatieprogramma's van Zwolle, Kampen Netwerkstad/regio IJsselvecht en van het stedelijk netwerk Stedendriehoek;44[Toelichting: Netwerkstad Zwolle-Kampen bestaat uit de gemeenten Zwolle en Kampen. Noordwest-Overijssel bestaat uit de gemeenten Steenwijkerland en Zwartewaterland. Noordoost-Overijssel bestaat uit de gemeenten Dalfsen, Hardenberg, Ommen en Staphorst. Salland bestaat uit de gemeenten Raalte en Olst-Wijhe. Voor de Stedendriehoek zijn alleen de activiteiten die in de gemeente Deventer plaatsvinden subsidiabel.] 2. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan activiteiten en projecten die bijdragen aan de actielijnen in het Uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta Oost- Nederland (PIDON), die een bijdrage leveren aan de uitvoering van projecten uit de Twentse Innovatieroute en de Innovatieagenda Oost-Nederland. 45[Toelichting: Voor afstemming met de Stuurgroep Innovatie van de Stedendriehoek en de Stuurgroep Kennispoort Zwolle kunt u contact opnemen met mevr. A. Esselink van de provincie Overijssel.] 3. Activiteiten als bedoeld in het eerste lid, komen voor subsidie in aanmerking als zij gericht zijn op het stimuleren van innovatieve processen of het versterken van de regionale infrastructuur, zoals verwoord in hoofdstuk 2 Economische Innovatie van het meerjarig EconomischUitvoeringsprogramma 2008-2011 Overijssel werkt!. 46[Toelichting: Het uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta Oost-Nederland is verkrijgbaar bij: Ministerie van Economische Zaken, regiokantoor Oost Postbus 324 6800 AH Arnhem Telefoon 026 352 58 88] 4. Aanvragen van bedrijven voor individuele steun komen niet in aanmerking. Artikel 3.49. Grondslag subsidie Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid en tweede lid zijn de volgende modules uit het O&O&I kader (zie subparagraaf 2.5) van toepassing: - Module 1: Onderzoek en Ontwikkeling - Module 2: Technische haalbaarheidsstudies - Module 3: Industriële eigendomsrechten voor het MKB - Module 7: Inhuur van hoog gekwalificeerd personeel - Module 8: Innovatieclusters Artikel 3.49a. Indieningstermijn aanvraag In afwijking van artikel 1.13 dient de aanvraag uiterlijk twee weken voor de start van de eerste projectactiviteit(
  10. en)te zijn ingediend. Subparagraaf 2.7. Kennispark Twente Artikel 3.50. Criteria 47[Toelichting: Of een activiteit subsidiabel is of niet hangt ervan af of de activiteit past binnen het kader van het Programmaplan Kennisparkt Twente. Dit plan is opvraagbaar bij het Europaloket van de provincie Overijssel.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor activiteiten en projecten die zijn omschreven binnen het programma Gebiedsontwikkeling Kennispark Twente 2008-2011. 2. De ingediende activiteiten en projecten zoals omschreven in lid 1 worden ter advisering voorgelegd aan de Stuurgroep Kennispark Twente. Artikel 3.51. Grondslag subsidie 1. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.50 zijn de volgende modules uit het O&O&I kader (zie subparagraaf 2.5) van toepassing: - Module 1: Onderzoek en Ontwikkeling - Module 2: Technische haalbaarheidsstudies - Module 3: Industriële eigendomsrechten voor het MKB - Module 7: Inhuur van hoog gekwalificeerd personeel - Module 8: Innovatieclusters 2. Voor activiteiten en projecten als bedoeld in als bedoeld in artikel 3.50 bedraagt de subsidie maximaal € 750.000,--. Artikel 3.51a. Indieningstermijn aanvraag 48[Toelichting: Er kunnen diverse redenen zijn om af te wijken van artikel 1.13. ter illustratie twee redenen (er kunnen echter ook andere redenen zijn). 1. Een aanvraag kan pas bij de provincie worden ingediend nadat de Stuurgroep Kennispark daar een positief advies over heeft gegeven. Vanuit de voortgang van het project is het wenselijk dat vanaf dat moment kosten kunnen worden gemaakt. 2. Binnen Kennispark komen projecten voor die te maken hebben met intellectuele rechten en geheimhouding. Sommige projectuitvoerders mogen pas een aanvraag indienen als met de geheime gegevens naar buiten mag worden getreden. Toch worden voor deze projecten al wel activiteiten uitgevoerd en kosten gemaakt. Ook in deze gevallen kunnen kosten met terugwerkende kracht meegenomen worden.] In afwijking van artikel 1.13 kunnen Gedeputeerde Staten op advies van de Stuurgroep Kennispark Twente andere eisen stellen aan de indieningstermijn van een aanvraag. Subparagraaf 2.8. Programma Diensteninnovatie Artikel 3.52. Criteria 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor activiteiten en projecten die zijn omschreven binnen het programma Diensteninnovatie 2008-2011. 2. Ingediende activiteiten en projecten zoals omschreven in lid 1 worden ter advisering voorgrlegd aan de Stuurgroep Diensteninnovatie. 3. Projectaanvragen kunnen worden ingediend door gemeenten, non-profit instellingen en ondernemingen voorzover deze passen binnen in het programma vastgestelde toepassingsdomeinen. 4. Aanvragen van bedrijven voor individuele steun komen niet in aanmerking. Artikel 3.53. Grondslag subsidie 1. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.52 zijn de volgende modules uit het O&O&I kader (zie subparagraaf 2.5) van toepassing: - Innovatieclusters Module 1: Onderzoek en Ontwikkeling - Module 2: Technische haalbaarheidsstudies - Module 3: Industriële eigendomsrechten voor het MKB - Module 5: Steun voor proces en organisatie innovatiediensten - Module 7: Inhuur van hoog gekwalificeerd personeel - Module 8: Innovatieclusters 2. Voor activiteiten en projecten als bedoeld in artikel 3.52 bedraagt de subsidie maximaal € 750.000,--. Artikel 3.53a. Indieningstermijn aanvraag In afwijking van artikel 1.13 dient de aanvraag uiterlijk twee weken voor de start van de eerste projectactiviteit(
  11. en)te zijn ingediend. Subparagraaf 2.9. Kennisintensieve Maakindustrie (KIMI) Artikel 3.54 Criteria Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor activiteiten die gericht zijn op het stimuleren van innovatieve processen in de kennisintensieve maakindustrie of het versterken van de regionale innovatie-infrastructuur voor de kennisintensieve maakindustrie in Noordwest- en Noordoost Overijssel, Salland en deventer, zoasl verwoord in hoofdstuk 2 Economische Innovatie van het Meerjarig Economisch uitvoeringsprogramma 2008-2011 Overijssel Werkt! Artikel 3.55. Grondslag subsidie 1. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.54 zijn de volgende moudles uit het O&O&I kader (zie subparagraaf 2.5) van toepassing: - Module 1: Onderzoek en Ontwikkeling - Module 6: Steun voor innovatieve adviesdiensten en voor diensten inzake innovatieondersteuning - Module 8: Innovatieclusters 2. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.54 bedraagt de subsidie maximaal € 50.000,--. Artikel 3.55a. Indieningstermijn aanvraag In afwijking van artikel 1.13 dient de aanvraag uiterlijk twee weken voor de start van de eerste projectactiviteit(
  12. en)te zijn ingediend. Subparagraaf 2.10 Nano4vitality Artikel 3.56 Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: • Adviescommissie: commissie van deskundigen, niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten, met als opdracht voornoemd bestuursorgaan te adviseren inzake te nemen besluiten. • MKB: de MKB-definitie zoals gehanteerd in de aanbeveling van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, nr. 2003/361/EG. • Onderzoeksinstelling: Nederlandse universiteit of een aan de universiteit verbonden onderzoekscentrum. Artikel 3.57 Criteria 49[Toelichting: Het programma Nano4Vitality richt zich op het versterken van industrieel onderzoek en product-ontwikkeling op het snijvlak van nanotechnologie, voeding en gezondheid in Oost-Nederland. Samengewerkt wordt met bedrijven en de universiteiten van Nijmegen, Wageningen en Twente. Overijssel is uitvoerder van de tenderregeling namens Gelderland. ook het Ministerie van Economische Zaken draagt financieel bij aan het programma.] 1. Subsidie kan worden verleend aan projecten die voldoen aan inhoudelijke doelstellingen van het Nano4Vitality Programma, het programma dat zich richt op Industrieel Onderzoek en Ontwikkeling op het gebied van nanotechnologie en food & health toepassingen zoals vastgesteld door het Ministerie van Economische Zaken op 6 juli 2007. 2. Elk projectvoorstel is voorzien van een zorgvuldige risico-inschatting van de product-, milieu- en consumentenveiligheid (‘knock out criterium’). 3. Aanvragen kunnen worden ingediend door ondernemingen binnen en buiten Oost-Nederland. Zij dienen in het project samen te werken met onderzoeksinstellingen op vlak van nano-technologie, food en/of health uit de provincies Gelderland en Overijssel. Artikel 3.58 Grondslag voor de subsidie 1. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.56 is module 1: Onderzoek en Ontwikkeling uit het O&O&I kader (zie subparagraaf 2.5) van toepassing. De maximale subsidiepercentages zijn echter lager, te weten: 60% van de totale subsidiabele kosten voor industrieel onderzoek; 35% van de totale subsidiabele kosten voor experimentele ontwikkeling. 2. Projectbegrotingen variëren tussen minimaal € 300.000,-- en € 1,2 miljoen. Artikel 3.59 Indieningtermijn aanvraag In afwijking van artikel 1.13 wordt de aanvraag op een vooraf door Gedeputeerde Staten vastgestelde datum ingediend. Een subsidieaanvraag kan niet worden ingediend voor activiteiten die reeds zijn gestart. Artikel 3.60 Aanvullende stukken bij de aanvraag 1. In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens alle gegevens en stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Nano4Vitality. 2. De aanvrager dient aan te geven tot welke stimulerende effecten de subsidieverlening zal leiden. Hierbij moet het significante effect op minimaal één van de volgende factoren worden aangetoond: • Verruiming van de projectomvang; • Uitbreiding van de reikwijdte (wat betreft kennisgebieden of economisch effect); • Verhoging van de snelheid tot marktintroductie; • Stijging van de totale O&O&I – uitgaven (economisch effect). Artikel 3.61 Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen twee maal per jaar een subsidieplafond vast. Artikel 3.62 Subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.6 komen de volgende kosten voor subsidiëring in aanmerking: 1. personeelskosten (onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden); 2. kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd; 3. kosten van gebouwen voor zover en voor zolang zij voor het onderzoeksproject worden gebruikt. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd; 4. kosten voor contractonderzoek, technische kennis en octrooien die tegen marktprijzen worden verworven bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, mits de transactie conform het arm’s length-beginsel plaatsvond en er geen sprake is van collusie. Voorts ook kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor de onderzoeksactiviteiten worden gebruikt; 5. extra algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het onderzoeksproject voortvloeien; 6. andere exploitatiekosten, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit de onderzoeksactiviteit voortvloeien. Artikel 3.63 Wijze van behandeling van de aanvraag Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 3.57 genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde. Beoordelings- en rankingscriteria voor in te dienen projecten zijn: • private bijdrage: de mate waarin private partijen (in relatieve en absolute zin) financieel in het project bijdragen; • continuering: de kans op continuering van de projectresultaten na afloop van het project, blijkend uit een implementatieplan voor het vervolg; • doelmatigheid: de bijdrage aan programma in verhouding tot kosten project; • doeltreffendheid: bijdrage aan verwezenlijking van het programma; • economisch effect: de mate waarin het project nieuwe bedrijvigheid in Oost-Nederland (Gelderland en Overijssel) stimuleert in de vorm van werkgelegenheid, omzet en investeringen; • kennisgebieden: de mate waarin een project bijdraagt aan meer kennisgebieden door (keten)samenwerking tussen de relevante partijen uit nano en food/health. Artikel 3.64 Adviescommissie Een subsidieaanvraag wordt om advies voorgelegd aan de adviescommissie, dat binnen zes weken advies uitbrengt aan Gedeputeerde Staten. Artikel 3.65 Verplichtingen van de subsidieontvanger 1. De subsidieontvanger maakt in al haar communicatie-uitingen en schriftelijke stukken bekend dat het project onderdeel is van het programma Nano4Vitality. De provincies Overijssel, Gelderland en het ministerie van Economische Zaken verschaffen de middelen voor dit programma. 2. De subsidieontvanger rapporteert schriftelijk twee maal per jaar aan Gedeputeerde Staten over de inhoudelijke en financiële voortgang van de activiteiten. 3. De subsidieontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten over alle feiten en omstandigheden, waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij invloed kunnen hebben op het voortbestaan van het recht op subsidies, alsmede van een verzoek aan de rechtbank tot verlening van surseance van betaling of tot faillietverklaring van de ontvanger. Subparagraaf 2.11. Onderwijs en arbeidsmarkt 50[Toelichting: Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART’is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen arbeidsmarkt en tijdgebonden. De projectaanvragers dienen ook in de aanvraag aandacht te besteden aan de overdaagbaarheid van het project. ] Artikel 3.66. Criteria 1. Binnen het thema Onderwijs en arbeidsmarkt kan subsidie worden aangevraagd voor: activiteiten die de samenwerking tussen arbeidsmarktpartijen bevorderen en transparantie van de arbeidsmarkt vergroten; activiteiten die de aansluiting tussen arbeidsmarkt en onderwijs verbeteren. 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: de activiteit wordt bovenlokaal/regionaal in samenwerking gerealiseerd; de activiteit is gericht op het bevorderen van een betere aansluiting tussen vraag en aanbod van arbeid; de activiteit is gericht op het verhogen van de arbeidsparticipatie, met speciale aandacht voor kwetsbare groepen op de regionale arbeidsmarkt; de activiteit is voorwaardenscheppend; ten minste één andere partij dan de aanvrager draagt bij in de kosten van de gesubsidieerde activiteit. Artikel 3.67. Grondslag voor de subsidie 51[Toelichting: De volgende kosten worden als niet subsidiabel aangemerkt: a. interne kosten; b. dat deel van de kosten dat niet noodzakelijk is voor de realisatie van de activiteit; c. verrekenbare heffingen, belastingen of lasten; d. rente-, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetse en sanctiekosten; e. afschrijvingskosten; f. winstoplagen bij transacties binnen een groep van ondernemingen; g. de aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting. ] De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. De subsidiabele kosten bedragen ten minste € 25.000,--. Subparagraaf 2.12. Toerisme en recreatie Artikel 3.68. Criteria 52[Toelichting: Onder openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur wordt verstaan de gerealiseerde recreatieve fietspaden op het provinciale Raamplan fietspaden. Verder de gerealiseerde subsidiabele recreatieve voorzieningen en infrastructuur in het werkgebied van de Regio IJssel-Vecht, de Regio Twente, de Recreatiegemeenschap Salland en het Waterschap Reest en Wieden. Dit is inclusief de onderhoudskosten van de LAW's, LF's en het provinciale fietsroute-, paardrijroute- en kanoroutenetwerk en de gerealiseerde dagrecreatieparken het Hulsbeek, het Rutbeek, het Arboretum Poort-Bulten, het Lageveld, de Wythmenerplas en de passantenhaven Wijhe. Onder recreatieve routestructuren wordt verstaan de routestructuren voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen. Initiatieven dienen bij te dragen aan een samenhangend geheel van routes. Recreatieve fietspaden zijn die fietspaden die als zodanig zijn opgenomen op het provinciale Raamplan fietspaden. Tevens worden inbegrepen de ondersteunende voorzieningen zoals picknicktafels, bankjes, informatieborden en voorzieningen (ook digitaal), toeristische parkeerfaciliteiten e.d. Incidenteel kunnen ook ontbrekende schakels in regionale wandelnetwerken worden ondersteund. Voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen geldt dat de subsidie is gebaseerd op het principe van ten hoogste 50% provinciale bijdrage in het niet door derden gedekte deel van de subsidiabele kosten. Van de subsidieaanvrager wordt verlangd dat een maximale inspanning wordt verricht om subsidie van derden (bijvoorbeeld Rijk of EU) te verkrijgen. Bij subsidies voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur geldt het principe van gedeelde verantwoordelijkheid. Een en ander op basis van de in het verleden gemaakte afspraken tussen de provincie en projectpartners. ] 1. Binnen het thema Toerisme en recreatie kan subsidie worden aangevraagd voor: activiteiten in het kader van de toeristische infrastructuur in Overijssel; te weten: activiteiten voor het beheer en onderhoud van openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur in Overijssel; ii activiteiten die bijdragen aan de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen; activiteiten in het kader van de bevordering van toerisme in Overijssel; te weten: activiteiten van die organisaties die uitvoering geven aan de bevordering en vermarkting van het toerisme in de provincie Overijssel met daarin provinciebrede aandacht voor regionale toeristische merken, regio-overschrijdende thema’s, ontwikkeling en innovatie van producten, onderzoek en kennisoverdracht; ii activiteiten die de promotie en marketing van recreatief en toeristisch Overijssel stimuleren; iii activiteiten die het innovatief vermogen van ondernemers stimuleren. 2. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid, sub a, onderdeel ii, en sub b, moet voldoen aan de volgende criteria: de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd; de activiteit is nieuw voor Overijssel; de activiteit is bovengemeentelijk gericht; de subsidieaanvraag heeft geen betrekking op individuele bedrijfssteun; Het recreatief fietspad is als zodanig opgenomen op het actuele raamplan fietspaden. 3. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid, sub a, onderdeel i, moet voldoen aan de volgende criteria: de aanvraag wordt gedaan door een gemeentebestuur of een samenwerkingsverband van gemeenten in Overijssel; de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd; openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur moet vóór 1 januari 1998 tot stand gebracht zijn. Artikel 3.69. Grondslag voor de subsidie 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten van een project. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidies voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen, alsmede voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur, ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. 3. De subsidiabele kosten van een project bedragen ten minste € 25.000,--. 4. De subsidiabele kosten van een kilometer recreatief fietspad dat als zodanig is opgenomen op het actuele raamplan fietspaden bedragen ten hoogste € 105.000,-- per kilometer. Voor veengebieden en overige bijzondere gebieden kan het bedrag verhoogd worden met € 45.000,-- per kilometer. 5. De kosten van ‘Onvoorzien’ boven het maximum van 5% van de totale subsidiabel gestelde kosten worden als niet-subsidiabel aangemerkt. Hierbij is tevens een absoluut maximum van € 10.000,-- van toepassing. Deze aanvulling is niet van toepassing op het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur. Artikel 3.70. Verbod vervreemding 1. Gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de uit te voeren werken zijn opgeleverd, behoudt de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 3.68, lid 1, sub a, onderdeel ii, en sub b, de onroerende zaak waarop de werken worden uitgevoerd in eigendom of erfpacht, danwel het recht van opstal. 2. Gedurende deze termijn van vijf jaar mag aan de onroerende zaken of werken geen andere bestemming worden gegeven dan die welke zij hadden ten tijde van de subsidieverlening. Door middel van een voorafgaande schriftelijke toestemming kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken. Paragraaf 3. Duurzame ontwikkeling Artikel 3.73. Stimuleren milieukwaliteit Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan organisaties die integraal uitvoering geven aan het stimuleren van de belangen voor de beleidsterreinen natuur, milieu en landschap met aandacht voor educatie en burgerparticipatie en die een samenwerkingsverband vormen van lokale en regionale vrijwilligersorganisaties op deze beleidsterreinen. Subparagraaf 3.1. Leren voor duurzame ontwikkeling 53[Toelichting: Rijk en decentrale overheden zijn in het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling overeengekomen, dat zij gezamenlijk uitvoering aan dit programma zullen gaan geven. De provincie Overijssel heeft het beleid vastgelegd in het Provinciaal Ambitiestatement Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007 (PAS). In dit kader kunnen Gedeputeerde Staten subsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen. Het provinciebestuur is voor het ontvangen van de rijksbijdrage gebonden aan de voorwaarden van het landelijke uitvoeringskader.] Artikel 3.74. Criteria 54[Toelichting: Het PAS geeft dwingend richting aan de besteding van de subsidie. De provincie

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.