← Nederland

Nota bodembeheer en oplegnotitie 2023-2033 (Voorschoten)

In het kort

Deze wet regelt het beheer van bodemkwaliteit en het hergebruik van grond en baggerspecie in de regio, met als doel duurzaamheid en efficiëntie te bevorderen en de overgang naar de Omgevingswet te waarborgen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst
Obsah (4)§ 4§ 1§ 2§ 6

wet, het besluit bodemkwaliteit, de regeling bodemkwaliteit en de richtlijn bodemkwaliteitskaarten; Besluit De regionale nota bodembeheer (met de daar in opgenomen lokale maximale waarden en de keuzes

§ 4.3).

De gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart (

kaartbijlage N2). De ontgravings- en toepassingskaarten (gebiedsspecifiek kader Besluit bodemkwaliteit;

de kaartbijlagen N6). Het stellen van strengere eisen aan de bijmenging van bodemvreemd materiaal (steenachtige materialen en onbewerkt hout;

§ 4.4).

De acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten als bewijsmiddel bij grondverzet (

§ 4.2).

De bodemkwaliteitskaart van de gemeenten is voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder het Besluit bodemkwaliteit bestuurlijk vastgesteld. Deze kaart kan ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet als bewijsmiddel worden gebruikt voor de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit. Na bestuurlijke vaststelling verliest de bodemkwaliteitskaart na 5 jaar haar geldigheid, moet worden geactualiseerd en opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. In een transponeringstabel (

bijlage 7) wordt aangegeven welke beleidsregel in deze nota bodembeheer waar terugkomt in de (toekomstige) Omgevingswet. Ook wordt aangegeven hoe een beleidsregel onder de (toekomstige) Omgevingswet wordt of moet worden geregeld: overgangsrecht, maatwerkregel, decentrale regel, beleidsregel, instructieregel. Met de transponeringstabel wordt aangegeven hoe het gemeentelijke grondstromenbeleid wordt aangepast in het licht van de Omgevingswet en daarmee beleidsneutraal over gaat als gevolg van de komst van de Omgevingswet. GEMEENTELIJK BELEID In de onderstaande tabel is het (gebiedspecifieke) beleid weergegeven waarbij is aangegeven of het beleid een voortzetting of een aanpassing van het tot nu toe gevoerde beleid dan wel nieuw beleid is. MANDATEREN BEVOEGDHEDEN Het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid en eventuele toekomstige wijzigingen op dit beleid moeten, conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit, worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om praktische redenen worden besluiten met een uitvoerend karakter gemandateerd aan het college van burgemeester en wethouders. Het betreft besluiten voor: wijzigingen van de bodemfunctieklassenkaart; het toevoegen van aanvullende gegevens aan de bodemkwaliteitskaart die geen invloed hebben op het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid; het onder voorwaarden accepteren van een bodemkwaliteitskaart van een andere gemeenten als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond; het opnieuw bestuurlijk vaststellen van een gewijzigde bodemfunctieklassenkaart en/of bodemkwaliteitskaart onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gebiedsspecifieke grondstromenbeleid. Het vaststellen van nieuw of gewijzigd gebiedsspecifiek beleid (Lokale Maximale Waarden of afwijkende percentages bijmenging bodemvreemd materiaal) kan conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit niet worden gemandateerd. FINANCIËN EN BEOOGD EFFECT Het beleid heeft voor de gemeenten geen nadelige financiële gevolgen. Met het vaststellen van dit grondstromenbeleid wordt gefaciliteerd dat: de gemeenten duurzaam bodembeleid in uitvoering brengt dat praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant is; meer toepassingslocaties beschikbaar komen om vrijkomende grond duurzaam te hergebruiken; het gebruik en de aankoop van primaire én secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) wordt verminderd; de druk op het wegennet, de uitstoot van uitlaatgassen, stikstof en fijnstof en het gebruik van energie wordt verminderd (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker). meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder dat voorafgaand de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Voor de gemeenten en derden kunnen hierdoor besparingen worden gerealiseerd in uitvoeringstijd en kosten. COMMUNICATIE De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, worden door de gemeenten en de Omgevingsdienst West-Holland digitaal inzichtelijk gemaakt op hun websites. Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet. De kaarten van deze nota bodembeheer zijn ook raadpleegbaar op de website van het Bodemloket: http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1 INLEIDING In de teksten zijn blauw gekleurde literatuurverwijzingen opgenomen. Deze zijn opgenomen bij de bronvermeldingen op de bladzijden 97 en 98 van deze nota bodembeheer. 1.1 ALGEMEEN De gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude (

bijlage N1 en figuur 1.1) willen duurzaam omgaan met grondstoffen en dus ook met te hergebruiken grond door hiervoor meer en betere toepassingsmogelijkheden te creëren. Figuur 1.1 Ligging 11 gemeenten waar de gezamenlijke nota bodembeheer voor wordt opgesteld Deze nota bodembeheer is bedoeld voor professionele partijen. Deze nota bodembeheer is een gemeenschappelijke nota van de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude (hierna aangeduid als ‘de gemeenten’). In deze nota bodembeheer staat welke mogelijkheden er zijn voor het toepassen en hergebruiken van grond en baggerspecie. De nota bodembeheer geeft regels en richtlijnen voor iedereen die bij het voorbereiden van projecten of het uitvoeren van bodemwerken rekening moet houden met de kwaliteit van de bodem. Deze nota bodembeheer heeft 2 doelen: Het stellen van regels voor duurzaam en efficiënt hergebruik van vrijkomende grond in de regio. De Omgevingswet richt zich op het duurzaam en efficiënt beheren en gebruiken van de bodem en de ondergrond. Met deze nota bodembeheer wordt hierop ingespeeld. Door niet meer per gemeente naar de bodem te kijken, maar in de grotere regio, vinden grondstromen soepeler en dus efficiënter hun weg. Dit levert als bijkomstig voordelen op dat wordt bijdragen aan de circulaire economie. Verder verminderen de administratieve en de financiële lasten voor burgers, bedrijfsleven en overheid. Het beleidsmatig verankeren van bodembeleid. Het beleidsmatig verankeren van het bodembeleid komt erop neer dat de activiteiten grondverzet en bodemsanering zo eenduidig mogelijk worden beoordeeld. Dit maakt het beleid helder voor burgers en bedrijven in de regio en voor bedrijven die binnen de regio werkzaamheden in de bodem uitvoeren. Voordat werkzaamheden of maatregelen op of in de bodem worden uitgevoerd, is een milieuhygiënische verklaring nodig. Een milieuhygiënische verklaring is een bewijsmiddel dat de kwaliteit van de grond aantoont. Deze nota bodembeheer is vastgesteld voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet, Aanvullingswet Bodem en diverse besluiten (o.a Aanvullingsbesluit Bodem, Besluit activiteiten leefomgeving), en Algemene maatregelen van bestuur (Aanvullingsregeling bodem), vervallen de huidige wet- en regelgeving voor bodemsanering en het functioneel en nuttig toepassen van grond en gerijpte baggerspecie. Bodem wordt daarmee een integraal deel van de Omgevingswet. De Aanvullingswet bodem regelt overgangsrecht voor: De gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (

§ 4.3).

De gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart (

kaartbijlage N2). De ontgravings- en toepassingskaarten (gebiedsspecifiek kader Besluit bodemkwaliteit;

de kaartbijlagen N6). Het stellen van strengere eisen aan de bijmenging van bodemvreemd materiaal (steenachtige materialen en onbewerkt hout;

§ 4.4).

De acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten als bewijsmiddel bij grondverzet (

§ 4.2).

De bodemkwaliteitskaart van de gemeenten[1] is voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder het Besluit bodemkwaliteit bestuurlijk vastgesteld. Deze kaart kan ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet als bewijsmiddel worden gebruikt voor de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit. Na bestuurlijke vaststelling verliest de bodemkwaliteitskaart na 5 jaar haar geldigheid, moet worden geactualiseerd en opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld (

§ 1.5).

In een transponeringstabel (

bijlage 7) wordt aangegeven welke beleidsregel in deze nota bodembeheer waar terugkomt in de (toekomstige) Omgevingswet. Ook wordt aangegeven hoe een beleidsregel onder de (toekomstige) Omgevingswet wordt of moet worden geregeld: overgangsrecht, maatwerkregel, decentrale regel, beleidsregel, instructieregel. Met de transponeringstabel wordt aangegeven hoe het gemeentelijke grondstromenbeleid wordt aangepast in het licht van de Omgevingswet en daarmee beleidsneutraal (blijven materieel gelijk aan het huidige recht) over gaat als gevolg van de komst van de Omgevingswet. In de Omgevingswet is het een doelstelling dat informatie over milieuwet- en regelgeving makkelijker en digitaal wordt ontsloten. De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, worden door de gemeenten en de Omgevingsdienst West-Holland digitaal inzichtelijk gemaakt op hun websites. Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet. De kaarten van deze nota bodembeheer zijn ook raadpleegbaar op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1.2 FORMULEREN DUURZAAM EN EFFICIËNT GRONDSTROMENBELEID Om deze doelen te realiseren hebben de gemeenten de bodemfunctieklassenkaarten aangepast[1], nieuwe bodemkwaliteitskaarten[1] gemaakt en deze nota bodembeheer opgesteld. Met de aangepaste bodemfunctieklassenkaarten, de nieuwe bodemkwaliteitskaarten en deze nota bodembeheer worden de eerder bestuurlijk vastgestelde bodemfunctieklassenkaarten, bodemkwaliteitskaarten en nota’s bodembeheer voor de gemeentelijke grondgebieden[2] vervangen. Bij allerlei graafwerkzaamheden en bewerkingen van de (water)bodem komt grond en baggerspecie vrij. De regelgeving voor het tijdelijk opslaan en het hergebruik of toepassen van grond en baggerspecie valt onder het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit[3][4] (hierna aangeduid als 'het Besluit' en 'de Regeling'). Het grondstromenbeleid moet praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant zijn. Hiermee wordt vorm gegeven aan het milieuvriendelijk en verantwoord hergebruiken, toepassen en tijdelijk opslaan van grond en baggerspecie in de gemeenten. Er zijn vier motieven voor het duurzaam en verantwoord grondstromenbeleid: Een ‘standstill’ voor de bodemkwaliteit op het niveau van het bodembeheergebied (

§ 4.1).

Beperking van het gebruik en aankoop van primaire en secundaire grondstoffen (aanvoer en gebruik van zand uit zandwinputten of grond van een grondbank). Substantieel minder grondtransportbewegingen en energiebesparing (minder druk op het wegennet, minder uitstoot van stikstof -NOx- fijnstof en CO2 en minder grondverwerking). Kostenbesparing (minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond). Deze nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond en baggerspecie op en in de landbodem van de gemeenten kan en mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast. De bodemfunctieklassen- en bodemkwaliteitskaarten zijn de instrumenten bij de uitvoering van het duurzame en efficiënte grondstromenbeleid. Op de bodemfunctieklassenkaarten zijn de functies ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’ weergegeven. Ook is oppervlaktewater op de kaart weergegeven. Op de ontgravingskaarten wordt de te verwachten diffuse milieuhygiënische ontgravingskwaliteit op de gemeentelijke grondgebieden weergegeven. Op de toepassingskaarten is weergegeven aan welke kwaliteit de toe te passen grond of gerijpte baggerspecie moet voldoen. De gemeenten hebben binnen de mogelijkheden van het Besluit, gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Bij het gebiedsspecifieke beleid is een afweging gemaakt tussen enerzijds de risico’s voor bodemverontreiniging en behoud van de bestaande bodemkwaliteit en anderzijds de mogelijkheden voor hergebruik of toepassing van grond binnen de gemeenten. De kaarten en de nota bodembeheer zijn niet afzonderlijk van elkaar te gebruiken. 1.3 BELEIDSMATIGE VERANKERING Bij bodembeleidsonderdelen zoals het hergebruik van grond, bodemsanering en activiteiten zoals bouwen en ruimtelijke planvorming wordt, zoveel als mogelijk binnen de wet- en regelgeving gestreefd naar één uniform ambitieniveau en eenzelfde bodemkwaliteitsdoelstelling. Een dergelijk beleid is helder en eenduidig. In de voorgaande jaren hebben gemeenten al bodembeleid in uitvoering gehad dat ingaat op de voornoemde bodembeleidsonderdelen. Hierbij is zoveel als mogelijk binnen de wet- en regelgeving één uniform ambitieniveau en eenzelfde bodemkwaliteitsdoelstelling nagestreefd. Een dergelijk beleid is helder en eenduidig voor de burgers en bedrijven. In deze nota bodembeheer is aansluiting gezocht met andere beleidsterreinen: de Wet bodembescherming[5], Het Besluit en de Regeling uniforme saneringen[6], het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit, de Wet milieubeheer[7], het Activiteitenbesluit[8] en de Algemene wet bestuursrecht[9]. Vanwege andere wet- en regelgeving kunnen bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) nog aanvullende voorwaarden worden gesteld. In de volgende hoofdstukken en paragrafen wordt het beleid in deze nota bodembeheer, waar nodig, nader toegelicht. 1.4 AFBAKENING NOTA BODEMBEHEER 1.4.1 BEVOEGD GEZAG In de meeste situaties zijn bij het hergebruik/toepassen van grond op of in de landbodem, de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming de gemeenten voor hun eigen grondgebied het bevoegd gezag. Binnen inrichtingen die onder de Wet milieubeheer vallen, reguleert het voor deze Wet aangegeven bevoegd gezag het grondverzet. Voor toepassingen op of in de waterbodem en in een oppervlaktewaterlichaam is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag. Voor de rijkswateren is dat Rijkswaterstaat en voor de overige wateren zijn dat het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (gemeente Nieuwkoop), het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (gemeente Nieuwkoop) en het Hoogheemraadschap van Rijnland (gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude). Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. De gemeente Leiden is voor haar eigen grondgebied meestal hiervoor het bevoegd gezag. De gemeente Leiden heeft deze taken gemandateerd aan de Omgevingsdienst West-Holland (hierna aangeduid als ‘ODWH’. Voor de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude is de provincie Zuid-Holland. De provincie Zuid-Holland heeft deze taken gemandateerd aan de ODWH. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de gemeenten voor hun eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet waaronder beschikte spoedlocaties, locaties met ingediende (deel)saneringsplannen, locaties met een maximaal 12 maanden oude ingediende BUS-melding, locaties waar sprake is van een nieuw geval van bodemverontreiniging (ontstaan in de periode 1 januari 1987 en 31 december 2023, dus vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) en locaties met nazorgsmaatregelen zoals bijvoorbeeld geregistreerde restverontreinigingen, leeflaagsaneringen, monitoringsverplichtingen. Voor deze locaties in de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude blijft de provincie Zuid-Holland, de ODWH (gemandateerd), bevoegd gezag. Bij een nieuwe verontreiniging (veroorzaakt op of na 1 januari 1987) binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting, toetst de vergunningsverlener Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van de desbetreffende inrichting of zijzelf dan wel de provincie Zuid-Holland als het bevoegd gezag optreedt. Voor de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming binnen de (toekomstige) Omgevingswet, de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn de gemeenten voor hun eigen grondgebied het bevoegd gezag. Voor de gemeenten wordt bij besluiten die het watersysteem raken, maar waar de gemeente het bevoegd gezag is, per situatie de bodemproblematiek afgestemd met het bevoegd gezag Waterwet[10]. Alleen op deze manier wordt bereikt dat de eisen die de gemeente stelt, aansluiten op de wensen/eisen die de waterbeheerder heeft ten aanzien van het watersysteem. 1.4.2 REIKWIJDTE Deze nota bodembeheer heeft betrekking op: Het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem en het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op het grondgebied van de gemeente. Grondverzet bij bodemsanering. De landbodem tot aan de grens van de oeverlijn. Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij bodemverontreinigende activiteiten. Beoordelingen op grond van het in deze nota geformuleerde bodembeleid vinden plaats bij nieuwe ontwikkelingen (dynamische situaties, zoals grondverzet). Op locaties waar geen ontwikkelingen plaatsvinden (statische situaties) is het bodembeleid niet van toepassing. Toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem en het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie Voor alle toepassingen van grond geldt dat deze functioneel, nuttig, moeten zijn (

§ 2.1.1 van bijlage 2).

Als dat niet zo is, wordt de grond niet nuttig hergebruikt en wordt de grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Een voorbeeld hiervan is het creëren van overhoogte op een geluidswal zonder dat dit vanwege geluidswering noodzakelijk is. Voor het ontgraven en tijdelijk opslaan van grond in het kader van gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming. Als de Omgevingswet in werking treedt, vervalt de Wet bodembescherming. Diverse onderwerpen uit de Wet bodembescherming komen in de Aanvullingswet en -besluit bodem Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving aan de orde. Ook moeten bepaalde onderwerpen worden opgenomen in het Omgevingsplan en/of de Omgevingsverordening. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder kader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Waterwet en de Keur van waterschappen. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet in de gemeenten een omgevingsvergunning (vroeger aanlegvergunning) worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan. Het in deze nota bodembeheer geformuleerde grondstromenbeleid heeft geen betrekking op toepassingen van grond in een oppervlaktewaterlichaam tenzij het om een demping van een oppervlaktewaterlichaam gaat waardoor feitelijk een landbodem ontstaat. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen de desbetreffende waterkwaliteitsbeheerder1Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (gemeente Nieuwkoop), het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (gemeente Nieuwkoop) en het Hoogheemraadschap van Rijnland (gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude). en de gemeente. Grondverzet bij bodemsanering Een bodemsanering moet worden uitgevoerd als er sprake is van een spoedeisend geval van ernstige bodemverontreiniging of als bodemkwaliteit op de locatie niet voldoet aan de bodemkwaliteit die hoort bij de toegekende functie. Bij een bodemsanering wordt (sterk) verontreinigde grond ontgraven en eventueel de saneringsput opgevuld met grond. Ook kan een bodemsanering plaatsvinden door het aanbrengen van een isolatielaag, een ophooglaag of een leeflaag met grond. Afhankelijk van het type bodemsanering kan de bodemfunctieklassenkaart of de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt om de terugsaneerwaarde(n) te bepalen (

§ 4.15.1).

Het aanvullen van een saneringsput of het aanbrengen van een isolatielaag, ophooglaag of leeflaag als sanerende maatregel is in het kader van het Besluit een nuttige toepassing. Afhankelijk van de ligging van de saneringslocatie gelden hierbij de toepassingseisen die in deze nota bodembeheer zijn geformuleerd (

hoofdstuk 4). De landbodem tot aan de grens van de oeverlijn De definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem is aangegeven in artikel 1 van de Waterwet: “Oppervlaktewaterlichaam: 'samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna'.” De ligging van het beheergebied van Rijkswaterstaat zijn inzichtelijk gemaakt op de website van Rijkswaterstaat: https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/waterwet/kaarten/kaart-waterregeling/. Ter plaatse van de overige wateren in het beheergebied zijn de ‘Keur’ van toepassing van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (gemeente Nieuwkoop), het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (gemeente Nieuwkoop) en het Hoogheemraadschap van Rijnland (alle gemeenten). De Keur is alleen van toepassing op waterstaatswerken. Dat wil zeggen oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en op de daarlangs gelegen beschermingszones (

figuur 1.2). Deze gebieden zijn inzichtelijk gemaakt op de ‘Legger’ van elke waterkwaliteitsbeheerder. De legger is op de volgende websites inzichtelijk gemaakt: Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden: https://www.hdsr.nl/werk/leggers-watergangen/. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht: https://www.agv.nl/onze-taken/legger/. Hoogheemraadschap van Rijnland: https://www.rijnland.net/regels-op-een-rij/legger/legger-oppervlaktewateren/. Figuur 1.2. Zonering oppervlaktewateren (bron: Keur van Delfland. Schematische tekening zonering watergangen). Voor situaties waar de overgang onduidelijk is, zal overleg plaatsvinden tussen het waterschap en de gemeente. Retentievoorzieningen maken onderdeel uit van het watersysteem. Noodoverlopen en inundatiegebieden zijn echter gericht op landgebruik en vallen dus onder het bevoegd gezag van de gemeente. Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij bodemverontreinigende activiteiten Eén van de doelen van de Omgevingswet is dat de bodemkwaliteitskaart voor meer doelen dan het toepassen/ hergebruik van grond wordt ingezet. De gemeenten willen de bodemkwaliteitskaart onder voorwaarden gaan gebruiken bij de interpretatie van eindsituatie-onderzoeken bij bodemverontreinigende activiteiten als geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd (

§ 4.19).

1.5 GELDIGHEID Deze nota bodembeheer wordt door elke gemeente vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar. De bodemkwaliteitskaarten worden maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling in 2028, geactualiseerd (

artikel 4.3.5 van de Regeling). Voor een bodemfunctieklassenkaart geldt geen wettelijke houdbaarheidstermijn. Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn. Met de actualisatie van de bodemkwaliteitskaarten worden ook de bodemfunctieklassenkaarten geëvalueerd. Als de bodemfunctieklassenkaarten moeten worden aangepast, moeten deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Op basis van de geactualiseerde bodemfunctieklassenkaarten en de bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld of aanpassing van deze nota noodzakelijk is of dat de nota in de huidige vorm nog een volgende 5 jaar kan worden gebruikt. Alleen als het gebiedsspecifieke beleid (artikel 44 van het Besluit) moet worden aangepast, moet ook de nota opnieuw door elke gemeenteraad bestuurlijk worden vastgesteld. 1.6 VERANTWOORDELIJKHEID De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een eigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener. De initiatiefnemer voor de grondtoepassing, of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), is dan ook verplicht om het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond te melden. In § 7.2.2 is een aantal situaties beschreven waarbij het toepassen van grond niet gemeld hoeft te worden. De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het ontgraven, het tijdelijk opslaan en/of het toepassen van grond en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht: Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): een ieder die handelingen verricht, die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen. Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van

  1. In de Wet milieubeheer wordt hierop ingegaan in de artikelen 10.1 en 10.
  2. Bij bodemsanering gaat het dan om verontreinigd puin, sintels, teerresten et cetera. Zorgplicht uit het Besluit (artikel 7): een ieder die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover van hem kan worden gevergd. De zorgplicht wordt overgenomen in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, kan geen beroep worden gedaan op de gedane melding voor het Besluit bodemkwaliteit of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond/bagger van een onjuiste kwaliteit. 1.7 AANSPRAKELIJKHEID De bodemfunctieklassenkaarten, de bodemkwaliteitskaarten en deze nota bodembeheer zijn met grote zorgvuldigheid opgesteld. De bodemkwaliteitskaarten bieden geen harde garanties voor de kwaliteit van een partij grond. De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De eindverantwoordelijkheid voor de toepassing van grond blijft bij de initiatiefnemer en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie. Als twijfel bestaat over de kwaliteit van de grond, wordt geadviseerd een onderzoek te laten uitvoeren. 1.8 LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de te verwachten bodemkwaliteit in de gemeenten waarna in hoofdstuk 3 een toelichting wordt gegeven op de maatschappelijke opgave over het toepassen van grond in de gemeenten. Het beleid voor de toepassing van grond wordt in hoofdstuk 4 nader uitgewerkt. Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel komt in hoofdstuk 5 aan de orde. Hoofdstuk 6 gaat in op de onderzoeksinspanning die moet worden verricht voorafgaand aan het ontgraven en toepassen van grond. De te volgen procedures rondom het toepassen van grond worden in hoofdstuk 7 beschreven. In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op toezicht en handhaving bij grondverzet. Deze nota wordt afgesloten met een hoofdstuk over enkele mandaten van bevoegdheden door de gemeenteraad naar het college van burgemeester en wethouders en een overzicht van de in de teksten aangegeven bronvermeldingen. De in deze nota gebruikte begrippen worden in bijlage 1 uiteengezet. In bijlage 2 wordt ingegaan op de Wet- en regelgeving voor bodem en verantwoordelijkheden bij bodemtaken, onder andere bij het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond. In bijlage 3 wordt de statistische onderbouwing van de ontgravingskaarten opgenomen. De onderbouwing van de Lokale Maximale Waarden in het toemaakdekgebied is onderbouwd in bijlage
  3. De mogelijkheden voor het toepassen van grond binnen de gemeenten, zonder dat bodemonderzoek uitgevoerd hoeft te worden, worden weergegeven in een grondstromenmatrix dat in bijlage 5 is opgenomen. De provinciale verwachtingswaardenkaart PFAS-is integraal opgenomen in bijlage
  4. In bijlage 7 een transponeringstabel opgenomen met hoe de in deze nota bodembeheer opgenomen beleidsregels waar terugkomen in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving en op welke wijze de beleidsregels in het gemeentelijke omgevingsplan komen. Op de kaartbijlagen N2 en N3 worden respectievelijk de bodemfunctieklassenkaarten en een kaart met de ligging van de bodemkwaliteitszones weergegeven. Op de kaartbijlagen N4 worden de te verwachten ontgravingsklassen weergegeven. De toepassingseisen voor grond in de gemeenten worden voor het generieke kader en het gebiedsspecifieke beleid opgenomen in respectievelijk de kaartbijlagen N5 en N
  5. 2 DE TE VERWACHTEN BODEMKWALITEIT IN DE GEMEENTEN Als gevolg van de gebruikshistorie, de ontwikkeling van de wijken, en de belasting door emissies van bedrijven en voertuigen, kan de bodem diffuus belast zijn met verontreinigende stoffen. In het algemeen geldt: hoe langer een gebied door mensen in gebruik is, des te meer een gebied belast is. In verband hiermee heeft een indeling plaatsgevonden op basis van bodemgebruik, historie en vastgestelde bodemkwaliteit. Bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaarten[1] zijn de grondgebieden van de gemeenten op basis van de bovengenoemde criteria verdeeld in bodemkwaliteitszones in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte, bodemkwaliteitszones in de bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2,0 meter diepte onderscheiden en ook 2 bodemkwaliteitszones voor de PFAS-verbindingen2Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die al decennia worden gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS-verbindingen aangetoond dat ze toxisch zijn. (bodemlagen 0-0,5 m-mv en 0,5-1,0 m-mv). Voor de gemeente Voorschoten is de bodemkwaliteitskaart niet voor PFAS-verbindingen vastgesteld. Binnen een bodemkwaliteitszone wordt dezelfde gebiedseigen chemische bodemkwaliteit verwacht (

tabel 2.1 en de kaartbijlagen N3). Hierbij is rekening gehouden dat de bovenste halve meter van de bodem doorgaans meer belast is met verontreinigende stoffen dan de onderliggende bodemlaag. De volgende uitgesloten locaties en gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart: Rijkswegen, provinciale wegen, spoorgebonden gronden inclusief de (spoor)wegbermen (andere beheerorganisatie). Defensieterreinen (andere beheerorganisatie). Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging als gevolg van een lokale bron, inclusief: locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende en verwerkende bedrijven, inzet blusschuim en secundaire bronnen). (Voormalige) stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). Rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) en afvalwaterzuiveringsinstallaties (AWZI) (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart). Noordse Buurt (gemeente Nieuwkoop). De bodemlaag 0-1 m-mv van een deel van het duingebied is verdacht voor diffuus verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen als gevolg van een effect dat wordt omschreven als ‘Global Sea Spray’. Waterbodems: ander bevoegd gezag Rijkswateren: Rijkswaterstaat, met uitzondering van de drogere oevergebieden die zijn gedefinieerd en aangewezen in de Waterregeling[12]; overige wateren: Hoogheemraadschap van Rijnland (binnen gemeente Nieuwkoop: tevens Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht). De bodemlaag dieper dan 2,0 meter onder het maaiveld. Het grondwater. Voor het grondgebied van de gemeente Voorschoten zijn de achtergrondwaarden voor PFAS niet vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[13]. Voor PFAS-verbindingen is aangesloten bij het Model Beleid toepassen PFAS houdende grond[14] en aanvullende eisen van de gemeenten. Met uitzondering van de gemeente Voorschoten zijn alle bodemkwaliteitszones vastgesteld voor PFAS-verbindingen. De bodemkwaliteitskaart is vastgesteld voor de stoffen barium (

ook bijlage 1 met de Begrippen onder het kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). barium (

bijlage 1 kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Hierbij zijn de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte en de bodemlaag vanaf 0,5 tot en met 2,0 meter diepte onderscheiden. De (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen3Bijvoorbeeld bloem(bollen)percelen, fruitteeltpercelen, glastuinbouw etc. in de gemeenten zijn ook vastgesteld voor bestrijdingsmiddelen (OCB). Hierbij zijn de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte en de bodemlaag vanaf 0,5 tot en met 2,0 meter diepte en de bodemlaag vanaf 0,5 tot en met 2,0 meter diepte onderscheiden*. Alle bodemkwaliteitszones zijn vastgesteld voor PFAS-verbindingen. Hierbij zijn de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte en de bodemlaag vanaf 0,5 tot en met 1,0 meter diepte onderscheiden*. * De onderscheiden dieptelagen voor PFAS-verbindingen hebben geen invloed op de bodemkwaliteitszones voor de andere stoffen. In tabel 2.1 staat voor de onderscheiden bodemkwaliteitszones en bodemlagen een totaaloverzicht van de voorkomende bodemfunctieklassen, verwachte ontgravingsklassen en toepassingseisen. De bodemkwaliteitszones zijn op basis van de gemiddelde waarden (

de bijlagen 3 (kolom ‘Gem’)). De kwaliteit is ingedeeld volgens de landelijk vastgestelde klassen voor ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. De kleuren in tabel 2.1 komen overeen met de gebruikte kleuren op de bodemfunctieklassen, ontgravings- en toepassingskaart (respectievelijk de kaartbijlagen N2, N4 en N5). Uit tabel 2.1 blijkt dat volgens het generieke kader van het Besluit het nuttig hergebruik van gebiedseigen licht verontreinigde grond beperkt mogelijk is. In de gemeenten zijn relatief veel gebieden waar alleen schone grond toegepast mag worden; kwaliteitsklasse “Landbouw/natuur”. Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Het Besluit biedt de gemeenten de mogelijkheid om beleid te formuleren waardoor meer licht verontreinigde grond kan worden hergebruikt dan mogelijk is in het generieke kader van het Besluit zónder dat dit tot risico’s voor het (toekomstig) bodemgebruik leidt. Dit gemeentelijke/regionale beleid is in hoofdstuk 4 van deze nota bodembeheer beschreven. Tabel 2.1: Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen bij de voorkomende bodemfunctie conform het Besluit bodemkwaliteit en het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie. Bodemkwaliteitszone Voorkomende Bodemfuncties Ontgravingsklasse (obv gemiddelde) Toepassingseis generiek kader @ Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte # B

  1. Historische bebouwing Leiden Wonen Industrie * Wonen B
  2. Oude uitbreidingen Leiden Industrie Industrie Wonen Wonen B
  3. Historische woon-bebouwing Kaag en Braassem, Nieuwkoop en Zoeterwoude Industrie Industrie Wonen Wonen B
  4. Overige historische woonbebouwing Industrie Wonen Wonen Wonen B
  5. Oudere woonbebouwing, sport en recreatie Industrie Wonen Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur B
  6. Recente woonbebouwing, sport en recreatie Industrie Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen B
  7. Bedrijventerreinen Industrie Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen B
  8. Buitengebied met toemaakdek Wonen Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur B
  9. Buitengebied overig Industrie Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur B
  10. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Oegstgeest en Teylingen Industrie Industrie Industrie Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur B
  11. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Nieuwkoop en Zoeterwoude Industrie Industrie Industrie Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte # B
  12. PFAS-verbindingen # Industrie Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Plangebied Offem-Zuid fase 1 en 3, bovengrond Wonen Industrie Wonen Plangebied Offem-Zuid fase 2, bovengrond Wonen Industrie Wonen Plangebied Bronsgeest, bovengrond Wonen Industrie Wonen Gemeente Voorschoten: VS1 Vooroorlogse bebouwing Voorschoten, bovengrond Industrie Industrie * $ Industrie Wonen Wonen Gemeente Voorschoten: VS2 Naoorlogse wijken Voorschoten 1A, bovengrond Industrie Landbouw/natuur $ Landbouw/natuur Wonen Gemeente Voorschoten: VS3 Naoorlogse wijken Voorschoten 1B, bovengrond Industrie Landbouw/natuur $ Landbouw/natuur Wonen Gemeente Voorschoten: VS4 Naoorlogse wijken Voorschoten 2, bovengrond Industrie Wonen $ Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Gemeente Voorschoten: VS5 Bedrijfsterrein Dobbewijk naoorlogs, bovengrond Industrie Landbouw/natuur $ Landbouw/natuur Gemeente Voorschoten: VS6 Buitengebied en bedrijvigheid zuidkant en oostkant Voorschoten, bovengrond Industrie Wonen $ Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Gemeente Voorschoten: VS7 Overige bedrijfsterreinen Voorschoten, bovengrond Industrie Industrie * $ Industrie Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Bodemkwaliteitszone Voorkomende Bodemfuncties Ontgravingsklasse (obv gemiddelde) Toepassingseis generiek kader @ Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte # Gemeente Voorschoten: VS8 Buitengebied tussen de strandwallen, bovengrond Industrie Landbouw/natuur $ Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2 meter diepte # $$ T1/O
  13. Historische bebouwing Leiden Wonen Wonen * Wonen T2/O
  14. Oude uitbreidingen Leiden Industrie Wonen Wonen Wonen T3/O
  15. Historische woon-bebouwing Kaag en Braassem, Nieuwkoop en Zoeterwoude Industrie Wonen Wonen Wonen T4/O
  16. Overige historische woonbebouwing Industrie Wonen Wonen Wonen T5/O
  17. Oudere woonbebouwing, sport en recreatie Industrie Wonen Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur T6/O
  18. Recente woonbebouwing, sport en recreatie Industrie Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen T7/O
  19. Bedrijventerreinen Industrie Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen T8/O
  20. Buitengebied met toemaakdek Wonen Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur T9/O
  21. Buitengebied overig Industrie Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur T10/O
  22. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Oegstgeest en Teylingen Industrie Industrie Industrie Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Bodemkwaliteitszone Voorkomende Bodemfuncties Ontgravingsklasse (obv gemiddelde) Toepassingseis generiek kader @ Bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2 meter diepte # $$ T11/O
  23. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Nieuwkoop en Zoeterwoude Industrie Industrie Industrie Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur T
  24. PFAS-verbindingen # Industrie Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Plangebied Offem-Zuid fase 1 en 3, ondergrond (0,5-4,1 m-mv) Wonen Industrie Wonen Plangebied Offem-Zuid fase 2, ondergrond zandlaag Wonen Industrie Wonen Plangebied Offem-Zuid fase 2, ondergrond kleilaag Wonen Industrie Wonen Plangebied Bronsgeest, ondergrond Wonen Industrie Wonen Gemeente Voorschoten: VS1 Vooroorlogse bebouwing Voorschoten, ondergrond Industrie Industrie $ Industrie Wonen Wonen Gemeente Voorschoten: VS2 Naoorlogse wijken Voorschoten 1A, ondergrond Industrie Landbouw/natuur $ Landbouw/natuur Wonen Gemeente Voorschoten: VS3 Naoorlogse wijken Voorschoten 1B, ondergrond Industrie Wonen $ Wonen Wonen Gemeente Voorschoten: VS4 Naoorlogse wijken Voorschoten 2, ondergrond Industrie Landbouw/natuur $ Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Gemeente Voorschoten: VS5 Bedrijfsterrein Dobbewijk naoorlogs, ondergrond Industrie Landbouw/natuur $ Landbouw/natuur Bodemkwaliteitszone Voorkomende Bodemfuncties Ontgravingsklasse (obv gemiddelde) Toepassingseis generiek kader @ Bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2 meter diepte # $$ Gemeente Voorschoten: VS6 Buitengebied en bedrijvigheid zuidkant en oostkant Voorschoten, ondergrond Industrie Landbouw/natuur $ Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur Gemeente Voorschoten: VS7 Overige bedrijfsterreinen Voorschoten, ondergrond Industrie Industrie $ Industrie Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Gemeente Voorschoten: VS8 Buitengebied tussen de strandwallen, ondergrond Industrie Landbouw/natuur $ Landbouw/natuur De 95-percentielwaarde van PAK, nikkel, zink en/of lood is hoger dan de interventiewaarde vastgesteld. Vrij grondverzet is niet mogelijk. NB. De bodemkwaliteitskaart kan wél gebruikt worden om de (indicatieve) veiligheidsklasse bij graafwerkzaamheden vast te stellen. De gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1 meter diepte zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit leidt mogelijk tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden en in een oppervlaktewaterlichaam. De bodemkwaliteitszone is voor de bodemlaag 0-1 m-mv niet vastgesteld voor PFAS-verbindingen. De bodemlaag 1-2 m-mv is niet verdacht op het voorkomen van verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen. De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond zijn: Toepassingseis Landbouw/natuur: Landelijke achtergrondwaarden. Toepassingseis Industrie en Wonen: PFOA: 7,0 µg/kg ds, en andere PFAS-verbindingen: 3,0 µg/kg ds 3 MAATSCHAPPELIJKE OPGAVE De gemeenten verwachten de komende 5 tot 10 jaar dat continu grond (tijdelijk) wordt ontgraven, opgeslagen en toegepast. Een voorbeeld hiervan is het regulier onderhoud aan weg(berm)en, rioleringen, kabels, leidingen, groenvoorzieningen en (vervangende) nieuwbouwprojecten. Uit de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten blijkt dat het nuttig hergebruik van licht verontreinigde grond uit de gemeenten beperkt wordt (

hoofdstuk 2, tabel 2.1). In de gemeenten zijn relatief veel gebieden waar alleen schone grond toegepast mag worden; kwaliteitsklasse “Landbouw/natuur”. Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Ook moet dan grond van elders worden aangekocht en aangevoerd die wel voldoet aan de toepassingseisen; bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank. De gemeenten willen invulling geven aan een milieuvriendelijker en efficiënter grondstromenbeleid. Grond vrijkomend uit het ene project willen de gemeenten kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er zijn dan minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond nodig. Er hoeft minder grond te worden aangekocht en ook de transportafstanden worden gereduceerd. De druk op het wegennet en de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals stikstof (NOx), fijnstof en CO2 en het gebruik van energie nemen substantieel af. Het gebiedsspecifieke en regionale grondstromenbeleid bij de toepassingen van grond is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen onacceptabele risico’s met zich mee. Het gemeentelijke grondstromenbeleid is in hoofdstuk 4 onderbouwd en beschreven. 4 UITWERKING VAN HET GRONDSTROMENBELEID 4.1 KWALITEITSDOELSTELLING BIJ HERGEBRUIK/TOEPASSEN VAN GROND Bij het nuttig toepassen van grond en baggerspecie hanteren de gemeenten het ‘standstill’ principe op het niveau van het bodembeheergebied (

§ 4.2).

Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit binnen het bodembeheergebied gelijk moet blijven en op termijn verbetert (

bijlage 1 onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem (Generiek kader Besluit bodemkwaliteit)’. Als de baggerspecie voldoet aan de toepassingseis van de ontvangende bodem, dan vinden de gemeenten het niet nodig om de kwaliteit van de baggerspecie na ontwatering/rijping nogmaals te bepalen (

§ 4.12).

De onderhoudsbaggerspecie mag worden verspreid/toegepast tot ten hoogste 10 kilometer van de plaats van herkomst als er op aangrenzende percelen geen ruimte of verspreidingsmogelijkheden zijn. Gemeentegrensoverschrijdend toepassen/verspreiden van onderhoudsbaggerspecie is dus mogelijk (

§ 4.17.2.1).

Op het niveau van bodembeheergebied is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar: met gebiedseigen grond, vrijgekomen bij grondverzet binnen het vastgestelde bodembeheergebied (

§ 4

.2); als de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (

§ 4

.3) niet worden overschreden; als elders in het bodembeheergebied een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. De Lokale Maximale Waarden voldoen aan de landelijke definitie voor ‘duurzaam geschikt voor het beoogde gebruik’. Er treden met de plaatselijke vermindering van de kwaliteit geen risico’s op voor het (toekomstig) bodemgebruik. Op gebiedsniveau wordt als volgt invulling gegeven aan het ‘standstill’ principe: Daar waar de grond wordt ontgraven treedt een lokale verbetering op van de bodemkwaliteit. In gebieden waar een strengere toepassingseis geldt dan de kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt een verbetering gerealiseerd. Voor grond van buiten het bodembeheergebied (

§ 4

.2) gelden bij Lokale Maximale Waarden meestal andere voorwaarden (

§ 4.10).

Naast het gebiedsspecifieke en regionale grondstromenbeleid is in dit hoofdstuk ook algemeen beleid voor het hergebruik en toepassen van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten uitgewerkt. 4.2 UITBREIDING VAN HET BODEMBEHEERGEBIED EN ACCEPTATIE BODEMKWALITEITSKAARTEN ALS BEWIJSMIDDEL BIJ TOEPASSEN GROND Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het ‘eigen’ gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied voor het te voeren beleid bij het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond. Om grondstromen tussen gemeenten mogelijk te maken en de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten te gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, moet het (generieke) gemeentelijke bodembeheergebied worden uitgebreid. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader. Met deze nota accepteren de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude elkaars bodemkwaliteitskaart[1]. Óók accepteren de gemeenten de volgende bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel bij het toepassen van grond: Bodemkwaliteitskaart gemeente Katwijk[19]. Het bodembeheergebied wordt hiermee vastgesteld als zijnde de grondgebieden van de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. De bodemkwaliteitskaarten van deze gemeenten mogen gebruikt worden als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit van de toe te passen, te hergebruiken grond. De projectgebieden in de gemeente Noordwijk waar recentelijk een bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheernota’s bestuurlijk zijn vastgesteld, zijn integraal weergegeven op de kaarten in deze nota bodembeheer. 4.3 DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN 4.3.1 INLEIDING De mogelijkheden voor hergebruik van gebiedseigen grond (

§ 4

.2) met de ontgravingskwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ worden vergroot door gebiedsspecifiek grondstromenbeleid op te stellen. Het beleid staat toe dat in relatief schone gebieden, gebiedseigen grond mag worden toegepast met bijvoorbeeld de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of ‘Wonen’. Voor deze gebieden worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. Met het gebiedsspecifieke beleid wordt voorkomen dat de gemeenten en derden onnodig hoge kosten moeten maken voor de afvoer van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’. Het generieke kader van het Besluit staat deze verslechtering niet toe. Alleen met gebiedsspecifiek beleid mag lokale verslechtering plaatsvinden zónder dat dit tot risico’s voor het (toekomstig) bodemgebruik leidt. In de hierna volgende paragrafen worden de verschillende Lokale Maximale Waarden gedefinieerd. Tot slot zijn strengere Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het toepassen van grond op terreinen met een gevoelig bodemgebruik en bij het toegestane percentage aan bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest. De in de hierna volgende paragrafen vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het bodembeheergebied én van gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart niet is geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond (

ook § 4.2 en § 4.10). Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (

§ 4

.3.2 Toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en) en het Handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (

§ 4.6 Toepassen PFAS-houdende grond en baggerspecie).

4.3.2 LOKALE MAXIMALE WAARDEN TOEPASSEN GROND OP ONVERHARDE KINDERSPEELPLAATSEN EN MOES-/VOLKSTUIN(COMPLEX)EN (BODEMLAAG 0-0,5 M-MV; LMW1) In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ toe te passen. De gemeenten stellen daarentegen bij onverharde kinderspeelplaatsen4Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij school, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen. en moes-/volkstuin(complex)en strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit om bij het (toekomstig) bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de gemeenten moet de grond die wordt toegepast in en op de bodemlaag 0-0,5 m-mv op bestaande onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en, bijvoorbeeld bij herinrichting of renovatiewerkzaamheden, voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Óók moet de toe te passen grond vrij zijn van asbest (zintuiglijk). De nieuw aan te leggen onverharde speelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en moeten zijn voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ wordt voor lood voldaan aan het aanvullend advies van de GGD GHOR Nederland over lood in de bodem en gezondheid met name van kinderen van 0-6 jaar. De kwaliteit van de toe te passen grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ moet worden aangetoond met een partijkeuring (

§ 6

.2.1) of een certificaat van een erkende instelling (bijvoorbeeld en grondbank die is erkend voor de BRL protocol 9335-1. Als er aanleiding is dat de grond verdacht is voor verhoogde gehalten met asbest, moet asbest ook in de partijkeuring worden meegenomen (historische gegevens, zintuiglijk en analytisch). De toe te passen grond op onverharde speelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en moet zintuiglijk vrij zijn van asbest. Ook mag maximaal 5 gewichtsprocent aan bijmenging van bodemvreemd materiaal (chemisch inert, zoals puinbrokjes, stukjes hout, stukjes ijzer, e.d.) en 0,1 volume- of gewichtsprocent aan ander bodemvreemd materiaal (bijvoorbeeld vuilnis, industrieafval, plastic, piepschuim, asfalt, slakken, sintels, grote stukken puin etc.) in de toe te passen grond aanwezig zijn (

§ 4.4).

De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). De Lokale Maximale Waarde voor de bodemlaag 0-0,5 m-mv voor bestaande onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en is in en op de bodemlaag 0-0,5 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. De nieuw aan te leggen onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/ volkstuin(complex)en moeten zijn voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. De kwaliteit van de toe te passen grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ moet worden aangetoond met een partijkeuring (

§ 6

.2.1).of een certificaat van een erkende instelling (bijvoorbeeld en grondbank die is erkend voor de BRL protocol 9335-1. De toe te passen grond op onverharde speelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en moet zintuiglijk vrij zijn van asbest. Ook mag maximaal 5 gewichtsprocent aan bijmenging van bodemvreemd materiaal in de toe te passen grond aanwezig zijn (

§ 4.4).

De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). 4.3.3 LOKALE MAXIMALE WAARDEN (RELATIEF) SCHONE GEBIEDEN MET DE BODEMFUNCTIE ‘INDUSTRIE’ OF ‘WONEN’ (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW2) Om de nu relatief beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ te vergroten, staan de gemeenten toe dat in de (relatief) schone gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’ of ‘Wonen’, grond met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’ en ‘Wonen’ mag worden toegepast (

de kaartbijlagen N6). De kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en ‘Landbouw/natuur’ is gelijk aan of beter dan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (Wonen/Industrie). Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5).

De Lokale Maximale Waarde voor de bodemlaag 0-2 m-mv voor (relatief) schone gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’ of ‘Wonen’ is voor de bodemlaag 0,0-2,0 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (LMW2). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5).

4.3.4 LOKALE MAXIMALE WAARDEN OP AANGEWEZEN INDUSTRIE- EN BEDRIJFSTERREINEN (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW3) Om de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ te vergroten, staan de gemeenten Kaag en Braassem, Leiden, Noordwijk en Teylingen toe dat in de hieronder aangewezen industrie- en bedrijfsterreinen (waar geen sprake is van bedrijfswoningen), grond met de kwaliteitsklassen ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’ mag worden toegepast (LMW3;

de kaartbijlagen N6): Drechthoek II (gemeente Kaag en Braassem). Industrieterrein de Hallen (gemeente Leiden). Industrieterrein Merenwijk (gemeente Leiden). Stationsplein en Schipholweg (gemeente Leiden). Akerboom Yacht Equipment (gemeente Leiden). Bedrijventerrein de Waard (gemeente Leiden). Bedrijventerrein Rooseveltstraat (gemeente Leiden). De Vlietzone naast de rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Voorschoterweg (gemeente Leiden). Bedrijventerrein Roomburg (gemeente Leiden). Industrieterrein Stevenshof Westwal (gemeente Leiden). Bedrijventerrein Delfweg (gemeente Noordwijk). Bedrijventerrein Oosthout (gemeente Teylingen). De kwaliteitsklassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Landbouw/natuur’, zijn gelijk aan of beter dan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (Industrie). Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5).

De Lokale Maximale Waarde voor de bodemlaag 0-2 m-mv voor de hieronder aangewezen industrie- en bedrijfsterreinen én waar niet gewoond mag worden, is voor de bodemlaag 0,0-2,0 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (LMW3): Drechthoek II (gemeente Kaag en Braassem). Industrieterrein de Hallen (gemeente Leiden). Industrieterrein Merenwijk (gemeente Leiden). Stationsplein en Schipholweg (gemeente Leiden). Akerboom Yacht Equipment (gemeente Leiden). Bedrijventerrein de Waard (gemeente Leiden). Bedrijventerrein Rooseveltstraat (gemeente Leiden). De Vlietzone naast de rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Voorschoterweg (gemeente Leiden). Bedrijventerrein Roomburg (gemeente Leiden). Industrieterrein Stevenshof Westwal (gemeente Leiden). Bedrijventerrein Delfweg (gemeente Noordwijk). Bedrijventerrein Oosthout (gemeente Teylingen). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5). 4.3.5 LOKALE MAXIMALE WAARDEN TOEPASSEN GROND UIT EN TER PLAATSE VAN ONVERHARDE (SPOOR)

WEGBERMEN MET DE BODEMFUNCTIE ‘INDUSTRIE’ (BODEMLAAG 0-0,5 M-MV; LMW4) 4.3.5.1 ONDERBOUWING EN DEFINIËRING LOKALE MAXIMALE WAARDEN Van onverharde (spoor)wegbermen is het bekend dat deze verontreinigd kunnen zijn als gevolg van: depositie uitlaatgassen (PAK, lood); afstromend regenwater (minerale olie, PAK en lood); funderingsmateriaal (zware metalen en PAK); toepassing van teerhoudend asfalt (PAK); uitloging vangrails (zink); slijtsel van bovenleidingen, stroomafnemers en slijtage van rails (cadmium, lood, koper, zink); toepassing van bestrijdingsmiddelen voor het vrijhouden van het spoor van onkruid. De onverharde (spoor)bermen met de bodemfunctie ‘Industrie’, zijn verdacht voor bodemverontreiniging en daarom uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Hierdoor bestaat er voor het toepassen van (spoor)bermgrond in bermen een dubbele onderzoeksinspanning. Van zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem moet met een onderzoek de kwaliteit worden vastgesteld. Omdat het bekend is dat onverharde bermgrond van drukke (spoor)wegen belast wordt met verontreinigende stoffen, wordt het niet milieuvriendelijk geacht dat bij de (meeste) onverharde bermen wordt uitgegaan van het generieke toetsingskader van het Besluit waarbij de mogelijkheid bestaat dat alleen schone grond mag worden toegepast. De gemeenten vinden het niet milieuvriendelijk dat eventueel toegepaste schonere grond als gevolg van het drukke (spoor)wegverkeer alsnog wordt verontreinigd. De gemeenten vinden het daarom aanvaardbaar om voor de onverharde (spoor)wegbermen die in de bodemfunctie ‘Industrie’ vallen, Lokale Maximale Waarden vast te stellen zonder dat hierbij risico’s optreden. Voor alle onverharde (spoor)wegbermen in de gemeenten met de bodemfunctie ‘Industrie’ mogen juridisch gezien geen Lokale Maximale Waarden worden opgesteld. Voor deze gebieden is namelijk de kwaliteit van de ontvangende bodem niet bekend . Maar om de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en ‘Industrie’ te vergroten, worden de volgende Lokale Maximale Waarden vastgesteld. De gemeenten staan lokale verslechtering toe in de onverharde (spoor)wegbermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ met gebiedseigen grond (

§ 4

.2) die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Door de gemeenten aangewezen wegen zijn: Rijkswegen en provinciale wegen inclusief de onverharde wegbermen (tot maximaal 10 meter vanaf de rand van de verharding). Uitzondering hierop is de provinciale weg Voorschoterweg (N206/N447) in de gemeente Leiden. Dit tracé valt in de bodemfunctieklasse ‘Wonen’. Spoorwegen inclusief de onverharde spoorbermen (tot maximaal 10 meter vanaf de rand van de spoorrails). De Lokale Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik van deze onverharde (spoor)wegbermen. Hierdoor treden er bij het bodemgebruik geen risico's op als grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ wordt toegepast. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5).

Met onverharde wegbermen wordt bedoeld de strook grond naast de (spoor- of asfalt en asfalt)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend uit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (

ook figuur B1. in bijlage 1): de erfgrens of de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor wegbermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden. Bij wegen langs dijken kan de Keur- en Uitvoeringsregels van Rijnland (Uitvoeringsregel 20 – grondverzet) van toepassing zijn: het is dan niet toegestaan is om in de kern- en of beschermingszone van een kering aanvullingen en of ophogingen met grond of andersoortige materiaal uit te voeren zonder vergunning of conform een erkende maatregel. De Lokale Maximale Waarde voor de bodemlaag 0-0,5 m-mv voor de onverharde bermen van de door de gemeenten aangewezen (spoor)wegen met de bodemfunctie ‘Industrie’, is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Uitzondering hierop is de provinciale weg Voorschoterweg (N206/N447) in de gemeente Leiden. Dit tracé valt in de bodemfunctieklasse ‘Wonen’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5). 4.3.5.2 TOEPASSEN GROND UIT ONVERHARDE BERM VAN DOOR DE GEMEENTEN AANGEWEZEN (SPOOR)

WEGEN MET DE BODEMFUNCTIE ‘INDUSTRIE’ Als het voornemen bestaat grond uit een onverharde berm van een door de gemeenten aangewezen (spoor)wegen met de functieklasse ‘Industrie’ toe te passen, gelden de volgende regels: Bij de toepassing in een onverharde (spoor)wegberm met de functieklasse ‘Industrie’ is alleen een historisch onderzoek (

§ 6.1) voldoende.

Voorwaarde hierbij is dat op de ontgravingslocatie geen verontreiniging kan zijn ontstaan als gevolg van een lokale bron. Bij toepassing naar alle andere locaties, moet een partijkeuring worden uitgevoerd (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast. Door het uitvoeren van historisch onderzoek bij een soort toepassingssituatie én het verplicht uitvoeren van onderzoek naar alle andere toepassingssituaties worden grondstromen die veel plaatsvinden in de praktijk gefaciliteerd en voorkomen dat (sterk) verontreinigde grond op gevoeliger bodemgebruik binnen de gemeenten wordt toegepast. Voorafgaand aan de toepassing van grond uit een onverharde berm van door de gemeenten aangewezen (spoor)wegen met de bodemfunctie ‘Industrie’ in onverharde (spoor)wegbermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ is alleen een historisch onderzoek voldoende. Bij toepassing van grond uit een onverharde berm van door de gemeenten aangewezen (spoor)wegen met de bodemfunctie ‘Industrie’ naar alle andere locaties moet een partijkeuring worden uitgevoerd (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast. 4.3.6 LOKALE MAXIMALE WAARDEN HERGEBRUIK VAN GROND IN DE BODEMKWALITEITSZONES ‘B1/T1/O

  1. HISTORISCHE BEBOUWING LEIDEN’, ‘B
  2. OUDE UITBREIDINGEN LEIDEN’, ‘B
  3. HISTORISCHE WOONBEBOUWING KAAG EN BRAASSEM, NIEUWKOOP EN ZOETERWOUDE’, ‘VS1 VOOROORLOGSE BEBOUWING VOORSCHOTEN’ EN ‘VS7 OVERIGE BEDRIJFSTERREINEN VOORSCHOTEN’ (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW5) De grond uit de bodemkwaliteitszones ‘B1/O
  4. Historische bebouwing Leiden’, B
  5. Oude uitbreidingen Leiden’, ‘B
  6. Historische woonbebouwing Kaag en Braassem, Nieuwkoop en Zoeterwoude’, ‘VS1 Vooroorlogse bebouwing Voorschoten(bovengrond)’ en ‘VS7 Overige bedrijfsterreinen Voorschoten (bovengrond)’ (

de kaartbijlagen N3) hebben een relatief slechtere bodemkwaliteit dan de andere bodemkwaliteitszones in de gemeenten. In de grond komen relatief vaak sterk verhoogde gehalten met nikkel, zink, PAK en/of lood voor die onderdeel vormen van de diffuse bodemkwaliteit. Ook is de vastgestelde ontgravingskwaliteit in deze bodemkwaliteitszones slechter dan de toepassingseis die voor de grootste delen van de betreffende zones geldt. Er komt hier namelijk grond met kwaliteitsklasse ‘Industrie’ vrij, maar het grootste gedeelte van deze zones betreft bodemfunctie Wonen. Vrijkomende grond kan dus in het generieke beleid niet in de eigen zone worden hergebruikt. Om het grondverzet binnen deze bodemkwaliteitszones niet onnodig te frustreren staan de gemeenten Leiden, Kaag en Braassem, Nieuwkoop, Voorschoten en Zoeterwoude toe dat grond uit de voornoemde bodemkwaliteitszones onder voorwaarden weer in dezelfde zone mag worden toegepast. Deze voorwaarden zijn: De grond moet afkomstig zijn uit de bodemkwaliteitszones ‘B1/T1/O1 Historische bebouwing Leiden’, B

  1. Oude uitbreidingen Leiden’, ‘B
  2. Historische woonbebouwing Kaag en Braassem, Nieuwkoop en Zoeterwoude’, ‘VS1 Vooroorlogse bebouwing Voorschoten(bovengrond)’ en ‘VS7 Overige bedrijfsterreinen Voorschoten (bovengrond)’. De vrijkomende grond mag alleen in dezelfde bodemkwaliteitszone worden toegepast onder wegverhardingen. In de gemeenten Kaag en Braassem, Leiden en Zoeterwoude is de toepassing óók toegestaan in wegbermen en in extensief gebruikte groenstroken. NB. Hergebruik van grond uit de bodemkwaliteitszones ‘B1/T1/O
  3. Historische bebouwing Leiden’, ‘VS1 Vooroorlogse bebouwing Voorschoten (bovengrond)’ en ‘VS7 Overige bedrijfsterreinen Voorschoten (bovengrond)’ moet voorafgaand aan het grondverzet worden gekeurd (

§ 4.7).

De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5).

De Lokale Maximale Waarde voor de bodemlaag 0-2 m-mv voor hergebruik van grond uit de bodemkwaliteitszones ‘B1/T1/O1 Historische bebouwing Leiden’, B

  1. Oude uitbreidingen Leiden’, ‘B
  2. Historische woonbebouwing Kaag en Braassem, Nieuwkoop en Zoeterwoude’, ‘VS1 Vooroorlogse bebouwing Voorschoten (bovengrond) en ‘VS7 Overige bedrijfsterreinen Voorschoten (bovengrond)’ in dezelfde zone onder wegverhardingen is bepaald op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. In de gemeenten Kaag en Braassem, Leiden en Zoeterwoude geldt deze Lokale Maximale Waarde óók bij het toepassen van grond in wegbermen en in extensief gebruikte groenstroken. NB. Hergebruik van grond uit de bodemkwaliteitszones ‘B1/T1/O
  3. Historische bebouwing Leiden’ Leiden’, ‘VS1 Vooroorlogse bebouwing Voorschoten (bovengrond)’ en ‘VS7 Overige bedrijfsterreinen Voorschoten (bovengrond)’ moet voorafgaand aan het grondverzet worden gekeurd (

§ 4.7).

De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5).

4.3.7 LOKALE MAXIMALE WAARDEN EN TOEPASSEN GROND VAN EN OP (VOORMALIGE) TUINBOUW- EN AKKERBOUWPERCELEN (LMW6 T/M LMW9) 4.3.7.1 INLEIDING Ter plaatse van (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen5Bijvoorbeeld bloem(bollen)percelen, fruitteeltpercelen, glastuinbouw etc. in de gemeenten is vastgesteld dat in de bodem licht verhoogde gehalten van organochloorbestrijdingsmiddelen voor komen. Deze verhoogde gehalten zorgen ervoor dat de grond in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. Dit heeft te maken dat bij een aantal individuele organochloorbestrijdingsmiddelen de Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ gelijk is gesteld aan de ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. De gemeenten willen de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ van en op de (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen vergroten. Voor het duurzame toepassen van grond met organochloorbestrijdingsmiddelen op (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen, zijn vanwege de (toekomstige) wisselteelt de risico's van mens van belang. In de gemeente Noordwijk is voor een aantal plangebieden gebiedsspecifiek beleid opgesteld[2]. Dit gebiedsspecifiek beleid is in deze nota bodembeheer integraal overgenomen. 4.3.7.2 ONDERBOUWING EN DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN OP (VOORMALIGE) BOLLENTEELTPERCELEN GEMEENTE NOORDWIJK: PLANGEBIEDEN OFFEM-ZUID FASE 1 EN FASE 3 (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW6) Onderbouwing Lokale Maximale Waarden In het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3)[15][16] zorgen organochloorbestrijdingsmiddelen (chloordaan, drins (som 3), β-HCH en heptachloorepoxide) ervoor dat de grond in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2 meter diepte, gemiddeld in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. De kans op het voorkomen van grond die leidt tot een overschrijding van het saneringscriterium (Wet bodembescherming) is dus nihil. Op basis van de beschikbare gegevens voor chloordaan, drins (som 3), β-HCH en heptachloorepoxide zijn er geen gezondheidsrisico’s te verwachten als grond, waarin licht verhoogde gehalten met deze stoffen voorkomen, in het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) wordt hergebruikt. Hieronder wordt dit onderbouwd. Chloordaan De humaan toxicologische maximale waarde voor chloordaan bedraagt 9 mg/kg ds6Voor chloordaan is geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM[20]. Voor deze stoffen zijn de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.. De interventiewaarde voor chloordaan bedraagt 4 mg/kg ds. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan in het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) bedraagt 0,1606 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan chloordaan. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan ligt dus ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 56) en de interventiewaarde (factor 25). Drins (som 3) De interventiewaarde voor de som drins bedraagt 4 mg/kg ds. De humaan toxicologische maximale waarde voor drins bedraagt 21 mg/kg ds[20] (scenario ‘Speelplaats met kinderen’) en 0,2 mg/kg ds[20] (scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ zonder consumptie van zelf geteelde gewassen). De gezondheidsrisico bij drins wordt met name bepaald door de consumptie van zelf geteelde gewassen en de concentratie aldrin. Het maximaal gehalte van drins is vastgesteld op 0,4305 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Uit de beschikbare analyseresultaten voor deze bodemkwaliteitskaart blijkt dat het maximaal gemeten gehalte van aldrin gelijk is aan 32,5 μg/kg ds, dus 0,0325 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan aldrin. De gehalten van aldrin hebben geen invloed op de vastgestelde gehalten van drins. Het maximaal vastgestelde gehalte van aldrin ligt ruim onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 6). Daarnaast ligt het maximaal vastgestelde gehalte van drins (0,4305 mg/kg ds; gestandaardiseerd) ver onder de humaan toxicologische maximale waarde -meest gevoelig scenario ‘wonen met tuin’- voor dieldrin (5,5 mg kg ds[20]; factor 13) en die van endrin (13 mg/kg ds[20]; factor 30). β-HCH De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (63%) en inhalatie binnenlucht (21%). De humaan toxicologische maximale waarde voor β-HCH bedraag 0,77 mg/kg ds[20]. Het maximaal vastgestelde gehalte van β-HCH in het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) bedraagt 0,0092 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan β-HCH. Het maximaal vastgestelde gehalte van β-HCH ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 84), de interventiewaarde (1,6 mg/kg ds; factor 174) en de maximale waarde voor de functie Industrie (0,5 mg/kg ds; factor 54). Heptachloorepoxide De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (79%) en inhalatie binnenlucht (18%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloorepoxide bedraagt 7 mg/kg ds7Voor heptachloorepoxide is geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM[20]. Voor deze stof is de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide in het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) bedraagt 0,0188 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloorepoxide. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 372), de interventiewaarde (4 mg/kg ds; factor 213) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (0,1 mg/kg ds; factor 5). Definiëren Lokale Maximale Waarden De gemeente Noordwijk wil de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van gebiedseigen grond vanaf en binnen het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor mens, staat de gemeente toe dat gebiedseigen grond die voldoet aan de onderstaande Lokale Maximale Waarden in het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) worden hergebruikt (

tabel 4.1). Voor de overige stoffen moet worden voldaan aan de generieke toepassingseisen ‘kwaliteitsklasse Wonen’ (

de kaartbijlage N5). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5).

NB. Hoewel gestreefd wordt naar een gesloten grondbalans, kan zich desondanks de situatie voordoen dat grond moet worden aangevoerd van buiten het plangebied Offem-Zuid (fase1 en 3). Grond van buiten het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (toepassingseis generiek kader van het Besluit (

de kaartbijlagen N5). De kwaliteit moet zijn aangetoond door een partijkeuring (

§ 6

.2.1), een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (

§ 4

.2) en/of een indicatief onderzoek als de grond afkomstig is van een (voormalig) tuinbouw- en akkerbouwperceel (

§ 4.3.7.7 en § 6.2.1).

Tabel 4.1: Lokale Maximale Waarden plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) Stof Maximaal vastgesteld gehalte Maximale Waarde voor Industrie Interventie-waarde Humaan Toxicologische Maximale Waarde Lokale Maximale Waarde Referentie (in mg/kg ds voor standaardbodem: 25% lutum en 10% organisch stof) Chloordaan 0,1606 0,1 4 9 4 Interventiewaarde Drins (som 3) Aldrin Dieldrin Endrin 0,4305 0,0325 0,46 0,0035 0,14 4 0,32 - - 0,2*/21** 0,2*/21** 5,5*/39** 13*/100** 4** (0,2*) 0,2 4 4 Interventiewaarde drins mits Aldrin <0,2 mg/kg ds@ Humaan toxicologische maximale waarde@ Interventiewaarde drins Interventiewaarde drins β-HCH 0,0092 0,5 1,6 0,77 0,5 Maximale waarde functie Industrie Heptachloor-epoxide 0,0188 0,1 4 7 0,1 Maximale waarde functie Industrie Scenario ‘Wonen met tuin’ (10% gewasconsumptie). Scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ (geen gewasconsumptie). Het maximaal vastgestelde gehalte aan Aldrin in het plangebied Offem-Zuid (fase 1 en 3) is 0,0325 mg/kg ds (gestandaardiseerd). De grond ter plaatse van het plangebied Offem Zuid (fase 1 en 3) voldoet daarom aan de Lokale Maximale Waarde voor Aldrin. 4.3.7.3 ONDERBOUWING EN DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN OP (VOORMALIGE) BOLLENTEELTPERCELEN GEMEENTE NOORDWIJK: PLANGEBIED OFFEM-ZUID FASE 2 (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW7) Onderbouwing Lokale Maximale Waarden In het plangebied Offem-Zuid (fase 2)[17] zorgen organochloorbestrijdingsmiddelen (chloordaan, drins, β-HCH, heptachloor en heptachloorepoxide) ervoor dat de grond in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2 meter diepte, gemiddeld in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. De kans op het voorkomen van grond die leidt tot een overschrijding van het saneringscriterium (Wet bodembescherming) is dus nihil. Op basis van de beschikbare gegevens voor chloordaan, drins, β-HCH, heptachloor en heptachloorepoxide zijn er geen gezondheidsrisico’s te verwachten als grond, waarin licht verhoogde gehalten met deze stoffen voorkomen, in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) wordt hergebruikt. Hieronder wordt dit onderbouwd. Chloordaan De humaan toxicologische maximale waarde voor chloordaan bedraagt 9 mg/kg ds8Voor chloordaan is geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM[20]. Voor deze stof is de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.. De interventiewaarde voor chloordaan bedraagt 4 mg/kg ds. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) bedraagt 0,825 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan chloordaan. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan ligt dus ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 11) en de interventiewaarde (factor 5). Drins De interventiewaarde voor de som drins bedraagt 4 mg/kg ds. De humaan toxicologische maximale waarde voor som drins bedraagt 21 mg/kg ds[20] (scenario ‘Speelplaats met kinderen’) en 0,2 mg/kg ds[20] (scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ zonder consumptie van zelf geteelde gewassen). De gezondheidsrisico bij som drins wordt met name bepaald door de consumptie van zelf geteelde gewassen én de concentratie aldrin. Het maximaal gehalte van drins is vastgesteld op 0,382 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Uit de beschikbare analyseresultaten voor deze bodemkwaliteitskaart blijkt dat het maximaal gemeten gehalte van aldrin gelijk is aan 11,5 μg/kg ds, dus 0,0115 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan aldrin. De gehalten van aldrin hebben geen invloed op de vastgestelde gehalten van drins. Het maximaal vastgestelde gehalte van aldrin ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 17) en de interventiewaarde (factor 10). Daarnaast ligt het maximaal vastgestelde gehalte van drins (0,382 mg/kg ds; gestandaardiseerd) ver onder de humaan toxicologische maximale waarde -meest gevoelig scenario ‘wonen met tuin’- voor dieldrin (5,5 mg kg ds[20]; factor 14) en die van endrin (13 mg/kg ds[20]; factor 34). β-HCH De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (63%) en inhalatie binnenlucht (21%). De humaan toxicologische maximale waarde voor β-HCH bedraag 0,77 mg/kg ds[20]. Het maximaal vastgestelde gehalte van β-HCH in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) bedraagt 0,009 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan β-HCH. Het maximaal vastgestelde gehalte van β-HCH ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 85), de interventiewaarde (1,6 mg/kg ds; factor 177) en de maximale waarde voor de functie Industrie (0,5 mg/kg ds; factor 55). Heptachloor De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (60%) en inhalatie binnenlucht (34%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloor bedraagt 7 mg/kg ds9Voor heptachloor en heptachloorepoxide zijn geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM[20]. Voor deze stoffen zijn de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloor in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) bedraagt 0,0085 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloor. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloor ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 823), de interventiewaarde (4 mg/kg ds; factor 470) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (0,1 mg/kg ds; factor 11). Heptachloorepoxide De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (79%) en inhalatie binnenlucht (18%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloorepoxide bedraagt 2 mg/kg ds15. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) bedraagt 0,0525 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloorepoxide. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 38), de interventiewaarde (4 mg/kg ds; factor 76) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (0,1 mg/kg ds; factor 2). Definiëren Lokale Maximale Waarden De gemeente Noordwijk wil de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van gebiedseigen grond vanaf en binnen het plangebied Offem-Zuid (fase 2) vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor mens, staat de gemeente toe dat gebiedseigen grond die voldoet aan de onderstaande Lokale Maximale Waarden in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) worden hergebruikt (

tabel 4.2 en de kaartbijlagen N6). Voor de overige stoffen moet worden voldaan aan de generieke toepassingseisen ‘kwaliteitsklasse Wonen’ (

de kaartbijlagen N5). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5).

NB. Hoewel gestreefd wordt naar een gesloten grondbalans, kan zich desondanks de situatie voordoen dat grond moet worden aangevoerd van buiten het plangebied Offem-Zuid (fase2). Grond van buiten het plangebied Offem-Zuid (fase 2) moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (toepassingseis generiek kader van het Besluit (

de kaartbijlagen N5). De kwaliteit moet zijn aangetoond door een partijkeuring (

§ 6

.2.1), een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (

§ 4

.2) en/of een indicatief onderzoek als de grond afkomstig is van een (voormalig) tuinbouw- en akkerbouwperceel (

§ 4.3.7.7 en § 6.2.1).

Tabel 4.2: Lokale Maximale Waarden plangebied Offem-Zuid (fase 2) Stof Maximaal vastgesteld gehalte Maximale Waarde voor Industrie Interventie-waarde Humaan Toxicologische Maximale Waarde Lokale Maximale Waarde Referentie (in mg/kg ds voor standaardbodem: 25% lutum en 10% organisch stof) Chloordaan 0,825 0,1 4 9 4 Interventiewaarde Drins Aldrin Dieldrin Endrin 0,382 0,0115 0,375 0,0035 0,14 - - - 4 0,32 - - 0,2*/21** 0,2*/21** 5,5*/39** 13*/100** 4** (0,2*) 0,2 4 4 Interventiewaarde drins mits Aldrin <0,2 mg/kg ds@ Humaan toxicologische maximale waarde@ Interventiewaarde drins Interventiewaarde drins β-HCH 0,009 0,5 1,9 0,77 0,5 Maximale Waarde functie Industrie Heptachloor 0,0085 0,1 4 7 0,1 Maximale Waarde functie Industrie Scenario ‘Wonen met tuin’ (10% gewasconsumptie). Scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ (geen gewasconsumptie). Het maximaal vastgestelde gehalte aan Aldrin in het plangebied Offem-Zuid (fase 2) is 0,0115 mg/kg ds (gestandaardiseerd). De grond ter plaatse van het plangebied Offem Zuid (fase 2) voldoet daarom aan de Lokale Maximale Waarde voor Aldrin. 4.3.7.4 ONDERBOUWING EN DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN OP (VOORMALIGE) BOLLENTEELTPERCELEN GEMEENTE NOORDWIJK: PLANGEBIED BRONSGEEST (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW8) Onderbouwing Lokale Maximale Waarden In het plangebied Bronsgeest[18] zorgen organochloorbestrijdingsmiddelen (chloordaan en heptachloorepoxide) ervoor dat de grond in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2 meter diepte, gemiddeld in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. De kans op het voorkomen van grond die leidt tot een overschrijding van het saneringscriterium (Wet bodembescherming) is dus nihil. Op basis van de beschikbare gegevens voor chloordaan en heptachloorepoxide zijn er geen gezondheidsrisico’s te verwachten als grond, waarin licht verhoogde gehalten met deze stoffen voorkomen, in het plangebied Bronsgeest wordt hergebruikt. Hieronder wordt dit onderbouwd. Chloordaan De humaan toxicologische maximale waarde voor chloordaan bedraagt 9 mg/kg ds10Voor chloordaan en heptachloorepoxide zijn geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM[20]. Voor deze stoffen zijn de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.. De interventiewaarde voor chloordaan bedraagt 4 mg/kg ds. De maximale waarde voor de functie Industrie voor chloordaan bedraagt 0,1 mg/kg ds. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan in het plangebied Bronsgeest bedraagt 0,0212 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan chloordaan. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan ligt dus ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 425), de interventiewaarde (factor 189) én ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (factor 5). Heptachloorepoxide De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (79%) en inhalatie binnenlucht (18%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloorepoxide bedraagt 2 mg/kg ds. De interventiewaarde voor heptachloorepoxide bedraagt 4 mg/kg ds. De maximale waarde voor de functie Industrie voor heptachloorepoxide bedraagt 0,1 mg/kg ds. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide in het plangebied Bronsgeest bedraagt 0,0119 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloorepoxide. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 168), de interventiewaarde (factor 336) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (factor 8). Definiëren Lokale Maximale Waarden De gemeente Noordwijk wil de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van gebiedseigen grond vanaf en binnen het plangebied Bronsgeest vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor mens, staat de gemeente toe dat gebiedseigen grond die voldoet aan de onderstaande Lokale Maximale Waarden in het plangebied Bronsgeest worden hergebruikt (

tabel 4.3 en de kaartbijlagen N6). Voor de overige stoffen moet worden voldaan aan de generieke toepassingseisen ‘kwaliteitsklasse Wonen’ (

de kaartbijlagen N5). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5).

NB. Hoewel gestreefd wordt naar een gesloten grondbalans, kan zich desondanks de situatie voordoen dat grond moet worden aangevoerd van buiten het plangebied Bronsgeest. Grond van buiten het plangebied Bronsgeest moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (toepassingseis generiek kader van het Besluit (

de kaartbijlagen N5). De kwaliteit moet zijn aangetoond door een partijkeuring (

§ 6

.2.1), een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (

§ 4

.2) en/of een indicatief onderzoek als de grond afkomstig is van een (voormalig) tuinbouw- en akkerbouwperceel (

§ 4.3.7.7 en § 6.2.1).

Tabel 4.3: Lokale Maximale Waarden plangebied Bronsgeest Stof Maximaal vastgesteld gehalte Maximale Waarde voor Industrie Interventie-waarde Humaan Toxicologische Maximale Waarde Lokale Maximale Waarde Referentie (in mg/kg ds voor standaardbodem: 25% lutum en 10% organisch stof) Chloordaan 0,0212 0,1 4 9 0,1 Maximale Waarde functie Industrie Heptachloor-epoxide 0,0119 0,1 4 2 0,1 Maximale Waarde functie Industrie 4.3.7.5 ONDERBOUWING EN DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN OP OVERIGE (VOORMALIGE) TUINBOUW- EN AKKERBOUWPERCELEN (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW9) Onderbouwing en definiëren Lokale Maximale Waarden Ter plaatse van de overige (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen in de gemeenten (percelen die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitszones “B10/T10/O

  1. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Oegstgeest en Teylingen” en “B11/T11/O
  2. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Nieuwkoop en Zoeterwoude” is vastgesteld dat in de bodemlaag 0-0,5 m-mv licht verhoogde gehalten van meerdere individuele organochloorbestrijdingsmiddelen voor komen. Deze licht verhoogde gehalten zorgen ervoor dat de grond in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. De Lokale Maximale Waarden zijn gebaseerd op de maximale gehalten in de dataset van de bodemkwaliteitskaart en de verschillende toetsnormen. Hierbij wordt ten opzichte van het maximale gehalte de meest streng mogelijke toetsnorm gebruikt zonder dat dat resulteert in onaanvaardbare risico’s voor het bodemgebruik. Op basis van de beschikbare gegevens voor α-endosulfaan, chloordaan, drins, α-HCH, β-HCH, heptachloor en heptachloorepoxide zijn er geen gezondheidsrisico’s te verwachten als grond van (vml) tuinbouw- en akkerbouwpercelen, waarin licht verhoogde gehalten met deze stoffen voorkomen, weer op percelen van tuinbouw- en akkerbouwpercelen wordt hergebruikt. Hieronder wordt dit onderbouwd en in tabel 4.4 weergegeven. α-endosulfaan De humaan toxicologische maximale waarde voor α-endosulfaan bedraagt 1.70011Voor α-endosulfaan is geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM[20]. Voor deze stof is de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.. De interventiewaarde voor α-endosulfaan bedraagt 4 mg/kg ds. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan bedraagt 1,8438 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan chloordaan. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan ligt dus ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 922) en de interventiewaarde (factor 2). Chloordaan De humaan toxicologische maximale waarde voor chloordaan bedraagt 9 mg/kg ds12Voor chloordaan is geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM[20]. Voor deze stof is de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.. De interventiewaarde voor chloordaan bedraagt 4 mg/kg ds. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan bedraagt 0,634 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan chloordaan. Het maximaal vastgestelde gehalte van chloordaan ligt dus ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 14) en de interventiewaarde (factor 6). Drins De interventiewaarde voor de som drins bedraagt 4 mg/kg ds. De humaan toxicologische maximale waarde voor som drins bedraagt 21 mg/kg ds[20] (scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ zonder consumptie van zelf geteelde gewassen) en 0,2 mg/kg ds[20] (scenario ‘Wonen met tuin’ waarbij ook 10% consumptie van zelf geteelde gewassen plaatsvindt). De gezondheidsrisico bij som drins wordt met name bepaald door de consumptie van zelf geteelde gewassen én de concentratie aldrin. Het maximaal gehalte van drins is vastgesteld op 2,0707 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Uit de beschikbare analyseresultaten voor deze bodemkwaliteitskaart blijkt dat het maximaal gemeten gehalte van aldrin gelijk is aan 7 μg/kg ds, dus 0,007 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico zijn te verwachten door blootstelling aan aldrin. De gehalten van aldrin hebben geen invloed op de vastgestelde gehalten van drins. Het maximaal vastgestelde gehalte van aldrin ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 10) en de interventiewaarde (factor 2). Daarnaast ligt het maximaal vastgestelde gehalte van drins (2,0703 mg/kg ds; gestandaardiseerd) ver onder de humaan toxicologische maximale waarde -meest gevoelig scenario ‘wonen met tuin’- voor dieldrin (5,5 mg kg ds[20]; factor 2,5) en die van endrin (13 mg/kg ds[20]; factor 6). α-HCH De humaan toxicologische maximale waarde voor α-HCH bedraag 20 mg/kg ds[20]. Het maximaal vastgestelde gehalte van α-HCH in de gemeenten bedraagt 0,0065 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan α-HCH. Het maximaal vastgestelde gehalte van α-HCH ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 3.075), de interventiewaarde (17 mg/kg ds; factor 2.154) en de maximale waarde voor de functie Industrie (0,5 mg/kg ds; factor 77). β-HCH De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (63%) en inhalatie binnenlucht (21%). De humaan toxicologische maximale waarde voor β-HCH bedraag 0,77 mg/kg ds[20]. Het maximaal vastgestelde gehalte van β-HCH in de gemeenten bedraagt 0,011 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan β-HCH. Het maximaal vastgestelde gehalte van β-HCH ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 70), de interventiewaarde (1,6 mg/kg ds; factor 145) en de maximale waarde voor de functie Industrie (0,5 mg/kg ds; factor 45). Heptachloor De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (60%) en inhalatie binnenlucht (34%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloor bedraagt 7 mg/kg ds13Voor heptachloor en heptachloorepoxide zijn geen humaan toxicologische maximale waarden gegeven in het rapport 711701053 van het RIVM[20]. Voor deze stoffen zijn de humaan toxicologische maximale waarden in CSOIL (versie 1, november 2008) berekend door het invoeren van een waarde die de helft bedraagt van het Maximaal Toelaatbaar Risico. Hiermee bedraagt de achtergrondblootstelling maximaal 50% van het Maximaal Toelaatbaar Risico.. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloor in de gemeenten bedraagt 0,0047 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloor. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloor ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 1.489), de interventiewaarde (4 mg/kg ds; factor 851) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (0,1 mg/kg ds; factor 21). Heptachloorepoxide De belangrijkste blootstellingsroutes zijn gewasopname (79%) en inhalatie binnenlucht (18%). De humaan toxicologische maximale waarde voor heptachloorepoxide bedraagt 2 mg/kg ds
  3. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide in de gemeenten bedraagt 0,0721 mg/kg ds (gestandaardiseerd). Dit betekent dat er geen gezondheidsrisico valt te verwachten door blootstelling aan heptachloorepoxide. Het maximaal vastgestelde gehalte van heptachloorepoxide ligt ver onder de humaan toxicologische maximale waarde (factor 28), de interventiewaarde (4 mg/kg ds; factor 55) en ruim onder de maximale waarde voor de functie Industrie (0,1 mg/kg ds; factor 1,5). Tabel 4.4: Lokale Maximale Waarden (vml) tuinbouw- en akkerbouwpercelen (percelen die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitszones “B10/T10/O
  4. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Oegstgeest en Teylingen” en “B11/T11/O
  5. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Nieuwkoop en Zoeterwoude” Stof Maximaal vastgesteld gehalte Maximale Waarde voor Industrie Interventie-waarde Humaan Toxicologische Maximale Waarde Lokale Maximale Waarde Referentie (in mg/kg ds voor standaardbodem: 25% lutum en 10% organisch stof) α-endosulfaan 1,8438 0,1 4 1.700# 4 Interventiewaarde Chloordaan 0,634 0,1 4 9 4 Interventiewaarde Drins Aldrin Dieldrin Endrin 2,0703 0,007 0,28 0,006 0,14 - - - 4 0,32 - - 0,2*/21** 0,2*/21** 5,5*/39** 13*/100** 4** (0,2*) 0,2 4 4 Interventiewaarde drins mits Aldrin <0,2 mg/kg ds@ Humaan toxicologische maximale waarde@ Interventiewaarde drins Interventiewaarde drins α-HCH 0,011 0,5 17 20* 0,5 Maximale Waarde functie Industrie (in mg/kg ds voor standaardbodem: 25% lutum en 10% organisch stof) β-HCH 0,0097 0,5 1,9 0,77 0,5 Maximale Waarde functie Industrie heptachloor 0,0047 0,1 4 7 0,1 Maximale Waarde functie Industrie Heptachloor-epoxide 0,0721 0,1 4 2 0,1 Maximale Waarde functie Industrie Scenario ‘Wonen met tuin’ (10% gewasconsumptie). Scenario ‘Speelplaats met kinderen’ en scenario ‘Wonen met tuin’ (geen gewasconsumptie). Waarde Humaan Toxicologische Maximale Waarde Het maximaal vastgestelde gehalte aan Aldrin in de gemeenten is 0,007 mg/kg ds (gestandaardiseerd). De in de gemeenten voldoet daarom aan de Lokale Maximale Waarde voor Aldrin. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.6, tabel 4.8, blz.

57/98). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.4 en § 4.5).

4.3.7.6 ONDERBOUWING EN DEFINIËREN LOKALE MAXIMALE WAARDEN GEMEENTE TEYLINGEN: PLANGEBIED NIEUW BOEKHORST IN VOORHOUT (BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW9) Voor het plangebied Nieuw Boekhorst in Voorhout (gemeente Teylingen) is op basis van recente bodemonderzoeken de bodemkwaliteit geanalyseerd. Uit het historische onderzoek blijkt, dat het gebied deels verdacht is op gehoogde gehalten aan organochloorbestrijdingsmiddelen (kassengebied). Het andere deel van het plangebied is niet verdacht op deze stofgroep (alleen in gebruikt geweest als weiland). Uit de analyseresultaten van de bodemonderzoeken blijkt, dat de bodemkwaliteit in het gehele plangebied (in de boven- én ondergrond) in de klasse ‘Industrie’ valt als gevolg van de gemeten gehalten aan één of meer individuele organochloorbestrijdingsmiddelen. Op basis van zware metalen, PAK, PCB en minerale olie valt de grond in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Landbouw/natuur’. Het gehele plangebied blijkt, ondanks de gebiedshistorie, belast te zijn met organochloorbestrijdingsmiddelen. Op basis van dat gegeven kan het gehele plangebied als onderdeel van de bodemkwaliteitszone (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen worden beschouwd: B10/T10/O10. (Voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Oegstgeest en Teylingen. Bij hergebruik van grond ter plaatse van het plangebied Nieuw Boekhorst mag daarom gebruik gemaakt worden van de Lokale Maximale Waarden voor organochloorbestrijdingsmiddelen die zijn gedefinieerd voor (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen (bodemlaag 0-2 m-mv; LMW9),

§ 4.3.7.5).

Dat betekent dat de grond in het hele plangebied hergebruikt mag worden. Ook grond van andere (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen uit de gemeenten binnen het beheergebied mag in het plangebied Nieuw Boekhorst worden toegepast, omdat dit ook grond is die in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt, alleen door de licht verhoogde aan organochloorbestrijdingsmiddelen. Grond die komt van andere percelen/ gebieden binnen het beheergebied moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Landbouw/natuur’. 4.3.7.7 UITWERKING GEBIEDSSPECIFIEK BELEID: TOEPASSEN GROND VAN ÉN OP (VOORMALIGE) TUINBOUW- EN AKKERBOUWPERCELEN Met de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (LMW6 t/m LMW8) is het grondverzet binnen de plangebieden in de gemeente Noordwijk zonder voorafgaand bodemonderzoek of partijkeuring mogelijk. Wordt grond van deze plangebieden niet in hetzelfde plangebied hergebruikt of wordt grond van andere (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen hergebruikt geldt het onderstaande beleid: De uitwerking van het gebiedsspecifiek beleid op de (voormalige) tuinbouw- en akkerbouwpercelen is als volgt: Als grond van de bodemlaag 0-2 m-mv van een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel weer op een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel wordt toegepast, moet de grond voorafgaand aan het ontgraven altijd indicatief onderzocht worden op organochloorbestrijdingsmiddelen én op alle andere op het (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel gebruikte bestrijdingsmiddelen (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond als volgt worden toegepast: De organochloorbestrijdingsmiddelen moeten voldoen aan de Lokale Maximale Waarden zoals die in § 4.3.7.5 (tabel 4.4) zijn weergegeven. Als een individueel bestrijdingsmiddel niet in tabel 4.4 is benoemd moet deze voldoen aan de landelijke achtergrondwaarde (AW2000), of de interventiewaarde Wet bodembescherming als er geen landelijke achtergrondwaarde (AW2000) is, dan wel de humaan toxicologische waarde als er geen interventiewaarde Wet bodembescherming of landelijke achtergrondwaarde (AW2000) bekend zijn. Kwaliteitsklasse ‘Niet toepasbaar’: de grond moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Als grond van de bodemlaag 0-2 m-mv van een (voormalige) tuinbouw- of akkerbouwperceel niet op een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel wordt toegepast, moet de grond voorafgaand aan de toepassing altijd gekeurd worden op organochloorbestrijdingsmiddelen én op alle andere op het (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel gebruikte bestrijdingsmiddelen (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast. Als grond van de bodemlaag 0-2 m-mv van een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel weer op een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel wordt toegepast, moet de grond voorafgaand aan het ontgraven altijd indicatief onderzocht worden (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast. Als grond van de bodemlaag 0-2 m-mv van een (voormalige) tuinbouw- of akkerbouwperceel niet op een (voormalig) tuinbouw- of akkerbouwperceel wordt toegepast, moet de grond voorafgaand aan het ontgraven altijd gekeurd worden (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast. 4.3.8 LOKALE MAXIMALE WAARDEN HERGEBRUIK VAN GROND IN DE GEBIEDEN MET TOEMAAKDEK (GEMEENTEN KAAG EN BRAASSEM, LEIDEN, LEIDERDORP, LISSE, NIEUWKOOP, TEYLINGEN, VOORSCHOTEN EN ZOETERWOUDE; BODEMLAAG 0-2 M-MV; LMW10) De gemeenten Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Teylingen en Zoeterwoude hebben in 2014-2015 Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het toemaakdek14Toemaakdek is een opgebrachte laag stadsvuil ter plaatse van met name veengebieden om laaggelegen, drassig gebied op te hogen en het land te bemesten. Ten gevolge van de samenstelling van de toemaakdekgrond kennen deze gebieden vaak sterk verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK. in het landelijk gebied[2]. In bijlage 1 is voor het begrip toemaakdek een nadere toelichting gegeven. Dit beleid wordt voortgezet. De gemeente Voorschoten sluit aan bij dit beleid. In de bodemkwaliteitszone ‘B8/T8/O

  1. Buitengebied met toemaakdek’ overschrijden de gemiddelde waarden van een aantal stoffen de landelijke achtergrondwaarde (AW2000). Daardoor wordt de grond geclassificeerd in de ontgravingsklasse ‘Wonen’. Het landelijk gebied valt in de bodemfunctieklasse ‘Landbouw/natuur’. Hierdoor kan met de generieke regels van het Besluit alleen grond worden toegepast met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. De toepassingseis in de bodemkwaliteitszone ‘B
  2. Buitengebied met toemaakdek’ is dus strenger dan de ontgravingskwaliteit. Gevolg is dat gebiedseigen grond niet kan worden hergebruikt. Om gebiedseigen grond te kunnen hergebruiken hebben de gemeenten Lokale Maximale Waarden gedefinieerd (

tabel 4.5). De Lokale Maximale Waarden zijn gebaseerd op de 95-percentielewaarde van de bodemkwaliteitszone voor het toemaakdekgebied uit 2014[2]. Uit de bodembeheer-nota’s[2] van de gemeenten blijkt het volgende: “De 95-percentiel overschrijdt bij onze gegevens voor geen van de parameters de Interventiewaarde uit de Wet bodembescherming. De kans op het aantreffen van ernstige gevallen van bodemverontreiniging in het buitengebied, veroorzaakt door toemaak, is dus erg klein. […] Een groot deel van deze gebieden is van oudsher in gebruik als agrarisch gebied, de bekende veenweiden. Van historische verontreiniging is bekend dat deze een ander risicoprofiel kan hebben dan recenter ontstane bodemverontreiniging. Zo is van bijvoorbeeld lood, door een mate van binding aan het bodemmateriaal, de biobeschikbaarheid in werkelijkheid vaak lager dan standaard wordt aangenomen. De modellen voor risicoberekening (‘worst case’) kunnen daardoor soms een negatiever resultaat opleveren dan in werkelijkheid aanwezig is. Dit sluit aan bij het beeld dat het gebruik van deze gebieden voor agrarische doeleinden, zoals beweiding, in de praktijk niet tot problemen heeft geleid. […] Omdat de verwachting bestaat dat de historische verontreiniging eigenlijk geen bezwaar is om die grond binnen het gebied her te gebruiken, is gebiedsspecifiek beleid opgesteld voor uitwisseling van grond binnen het toemaakgebied. […] Ten aanzien van grondverzet in het toemaakgebied gelden de volgende gebiedsspecifieke regels.: Van percelen met toemaak naar percelen met toemaak is (zonder bodemonderzoek) vrij grondverzet op basis van de bodemkwaliteit toegestaan. Van het ontvangende perceel moet worden vastgesteld dat het inderdaad om toemaak gaat. In beginsel volstaat daarvoor zintuiglijk onderzoek. Van percelen met toemaak naar percelen zonder toemaak is grondverzet niet vrij. Hier gelden de toepassingsregels uit het generieke beleid. Dat betekent dat aan de bodemfunctie getoetst moet worden.

daarvoor de bodemfunctieklassenkaart. In het algemeen zal dat voor agrarisch gebied Aw zijn. Ingeval een perceel of een partij grond van binnen het toemaakgebied onderzocht is, dient getoetst te worden aan de LMW (

tabel 4.5). Het toemaakbeleid geldt alleen voor agrarisch en extensief recreatief gebruikt landelijk gebied. Het is geen vrijstelling voor bodemonderzoek dat om specifieke redenen zoals aanvraag bouwvergunning voorgeschreven wordt. Daarvoor gelden de gangbare onderzoekseisen en beoordelingsregels. Grond die, zintuiglijk dan wel historisch, verdacht is om andere redenen dan toemaak valt buiten dit beleid. Daarvoor gelden de gangbare regels. In geval van saneringsnoodzaak geldt dan het gebruikelijke curatieve spoor uit de Wbb. Grond van buiten het toemaakgebied naar toemaakgebied dient te voldoen aan de Aw. (De onderbouwing van de LMW had immers specifiek betrekking op toemaakdek en niet op

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.