← Nederland

Integraal Horecabeleid en Coffeeshopbeleid (Leerdam)

Kort samengevat

Deze nota beschrijft het integrale horecabeleid van Leerdam uit 2005, dat tot stand kwam door samenwerking tussen diverse partijen. Het beleid heeft als doel een evenwicht te vinden tussen de economische en recreatieve belangen van de horeca en de openbare orde en leefomgeving.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Integraal Horecabeleid en CoffeeshopbeleidHoofdstuk 1 De Horecanota 1.1 Introductie Voor u ligt de Leerdamse nota Integraal Horecabeleid

  1. Deze nota is het resultaat van een vruchtbare samenwerking tussen Koninklijk Horeca Nederland (KHN) - afdeling Leerdam, de LOV, politie, Brandweer en diverse gemeentelijke afdelingen. Deze nota vervangt de eerder vastgestelde nota Horeca- en coffeeshopbeleid uit
  2. Tijdens het overleg over deze Horecanota benadrukten alle partners nogmaals het belang van een integraal horecabeleid. Voor het bewaren van een goed horecaklimaat in de stad is een goede verstandhouding en open uitwisseling van informatie tussen gemeente, politie, horeca en omwonenden van grote betekenis. Een en ander draagt tevens bij aan een breed maatschappelijk draagvlak voor het horecabeleid. Samenwerking tussen alle partners op voet van gelijkwaardigheid is hiervoor een absolute voorwaarde. Met enige tevredenheid kan worden vastgesteld dat Leerdam daarin succesvol is. Willen we deze samenwerking tussen de verschillende partners handhaven, dan zullen allen zich hiervoor moeten inspannen. Deze inspanningsverplichting is tot nu toe een zeer duurzame investering gebleken die veel vruchten afwerpt. Iedereen kan vanuit zijn discipline zowel positieve als negatieve zaken signaleren in de horeca. Daardoor kan, als dat nodig is, in een vroeg stadium worden bijgestuurd. Zo ontstaat een nog beter Leerdams horecaklimaat. Bewust is gekozen om de nota losbladig uit te brengen. Nieuw (deel)beleid kan dan op eenvoudige wijze worden ingevoegd zodat een 'verzamelband' van bestaand horecabeleid ontstaat. Wijzigingen en aanvullingen op deze nota kunt u via Internet bekijken: www.Leerdam.nl. 1.2 Leeswijzer Bij de samenstelling van deze nota staat de gedachte van een geïntegreerd horecabeleid centraal. De gemeente Leerdam mag niet blijven steken in louter overlastbestrijding. De Horecanota is opgesteld door de politie, KHN, LOV en de gemeente Leerdam. Uitgangspunt was dat de wijze van totstandkoming net zo belangrijk is als de inhoud. Bij een complex beleidsterrein als de horeca is het van belang dat er bij het gemeentelijk apparaat, de horecabranche en de burgers voldoende draagvlak is voor het ontwikkelde beleid. De opzet van de nota is als volgt: Hoofdstuk 1: beschrijft de status van deze nota en geeft een samenvatting van de verschillende hoofdstukken. Tevens worden de verschillen tussen het horecabeleid uit 1998 en het nieuwe beleid toegelicht; Hoofdstuk 2 t/m 8: beschrijft het wettelijk instrumentarium en de nationale en gemeentelijke regelgeving op het gebied van de horeca; Hoofdstuk 9: heeft betrekking op de verkeers- en parkeerproblematiek; Hoofdstuk 10: geeft het coffeeshopbeleid weer; Hoofdstuk 11: gaat over het veiligheidsklimaat in de Leerdamse horeca; Hoofdstuk 12: gaat in op de handhavingsinstrumenten; Hoofdstuk 13: gaat in op de gemeentelijke organisatie met betrekking tot de horecasector; Hoofdstuk 14: hierin staan alle te nemen besluiten nogmaals opgesomd. Tevens zijn de beslispunten gemakshalve uitgesplitst naar verantwoordelijk bestuursorgaan. Deze nota bevat niet alleen beleidsmatige aanvullingen en wijzigingen ten opzichte van het horecabeleid uit het jaar 1998, maar bevat tevens allerlei toelichtingen op wet- en regelgeving. Tevens bevat de nota diverse standaardformulieren voor vergunningen/meldingen, berekeningsstaten ter bepaling van de hoogte van leges, voorbeeld Bestuursreglementen en dergelijke. Deze nota kan dan ook tevens worden beschouwd als handboek/naslagwerk voor een ieder die informatie wenst over de horecaregelgeving in Leerdam. 1.3 Horecavestigingsbeleid In verband met het behoud van de levendigheid van het centrum is de aanwezigheid van horeca onontbeerlijk. Wel moet zorgvuldig worden omgegaan met deze functie gelet op de mogelijke overlast, met name in relatie tot de in het centrumgebied aanwezige woonfunctie. Deze aspecten zijn uitgewerkt in het Beleidsplan (behorend bij het Bestemmingsplan Centrum) in de vorm van categorisering van horecabedrijven. Bij de categorisering speelt niet alleen overlast een rol, maar is ook aandacht nodig voor de indeling in horecabedrijven die ondersteunend zijn aan de detailhandelsfunctie in een centrumgebied (complementaire horeca, zoals een lunchroom, brasserie e.d.) en horecabedrijven die daar juist verstorend werken. In het vastgestelde Beleidsplan wordt niet gekozen voor concentratie van horecavestigingen op één of enkele locaties. Dit zou leiden tot meer overlast en de versterking van de ontwikkeling van het centrumgebied geen goed doen. Principieel koos de gemeenteraad voor spreiding van horecavestigingen, maar wel binnen een daarvoor aangewezen gebied. Op basis van het Beleidsplan zijn in het bestemmingsplan gebieden aangewezen waar bepaalde soorten horecavestigingen kunnen worden toegelaten. Door horecafuncties toe te laten binnen de gebieden met een verblijfsfunctie kan de kwaliteit van de verblijfsfunctie worden verhoogd. Uit gebieden waar horecavestigingen een conflict opleveren met de overige functies moeten deze vestigingen worden geweerd. Dit verhoogt in die gebieden de leefbaarheid. Genoemd horecavestigingsbeleid blijft in deze nota verder inhoudelijk buiten beschouwing. Deze nota Integraal Horecabeleid gaat uit van het bestaande vestigingsbeleid en beoogt daar geen verandering in aan te brengen. 1.4 Aanleiding In het jaar 1998 is de notitie Horeca- en coffeeshopbeleid vastgesteld. Doel van deze notitie destijds was “het bereiken van evenwicht tussen het economisch en recreatief belang van horeca enerzijds en openbare orde en woon- en leefomgeving in de nabijheid van horeca-inrichtingen anderzijds”. In de notitie is met name beschreven welke regelgeving noodzakelijk werd geacht om te komen tot een evenwichtig horecabeleid en de adequate uitvoering van dit beleid. In de afgelopen jaren is hieraan uitvoering gegeven. Wet- en regelgeving gericht op de horeca is niet alleen divers en ingewikkeld, maar ook constant aan verandering onderhevig. Wijzigingen in maatschappelijke inzichten ten aanzien van het voorkomen en/of beperken van overlast of aantasting van het woon- en leefklimaat, gewijzigde visies op de exploitatie van horecabedrijven en gewijzigde behoeften van de klanten in de horeca leiden tot een constante aanpassing en actualisatie van gemeentelijk beleid. Derhalve wordt het horecabeleid zoals dat in het jaar 1998 door het gemeentebestuur is vastgesteld, heden geactualiseerd. De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van Leerdam willen voorts een actief horecabeleid voeren. Dit kan onder meer bereikt worden door beleidsregels die op de horeca betrekking hebben in één integrale nota op te nemen. Dit schept voor horeca-exploitanten duidelijkheid over welke regels voor hun branche gelden en op welke wijze deze worden toegepast en gehandhaafd. Op 21 januari 2004 is vervolgens een Horecaconvenant Leerdam ondertekend. In dit convenant heeft het gemeentebestuur zich onder meer vastgelegd een inspanningsverplichting te leveren om in het jaar 2004 een integraal horecabeleid op te stellen. Daartoe is op 20 april 2004 een aanzet gedaan door vaststelling door het college van de Startnotitie integraal horecabeleid “UITGAAN IN DE GLASSTAD”. In deze notitie is uiteengezet waarom het bestaande beleid moest worden geactualiseerd, zijn de uitgangspunten, doelstellingen, beschikbare instrumenten, beoogde resultaten en de conceptinhoud van het nieuwe beleid beschreven en is de vervolgprocedure nader uiteengezet. Op 8 februari 2005 heeft het college en de burgemeester vervolgens ingestemd met het Plan van Aanpak Ontwikkeling horecabeleid. Dit Plan van Aanpak betrof een nadere uitwerking van de hiervoor genoemde Startnotitie en vormt de directe basis voor dit nieuwe integrale horecabeleid. Op 28 april 2005 zijn de leden van de raadscommissie ABZ zowel schriftelijk als mondeling geïnformeerd over de inhoud en planning van de ontwikkeling van het nieuwe integrale horecabeleid. 1.5 Evaluatie huidige beleid Voor de ontwikkeling van het nieuwe beleid is het van belang te onderzoeken waar knelpunten zijn ontstaan in de uitvoering van het huidige horeca- en coffeeshopbeleid en het afgesloten horecaconvenant, wat de verbeterpunten zijn en welke onderwerpen moeten worden toegevoegd en/of worden aangepast en wat de effectiviteit daarvan is geweest. Daartoe hebben diverse onderzoeken plaatsgehad. De resultaten zijn betrokken bij de uitwerking van het nieuwe beleid. 1.6 Doelstelling en uitgangspunten nieuw horecabeleid Mede op basis van deze evaluatie en de politieke en maatschappelijke visies op het vakgebied stelt het gemeentebestuur zich de volgende doelstellingen met de uitvoering van dit beleid: vergroten leefbaarheid en zorg voor veiligheid in het centrumgebied eenduidigheid in horecabeleid waar mogelijk afstemming van wettelijke regelingen duidelijkheid verschaffen over het regulerend optreden van de verschillende afdelingen binnen de gemeente ten aanzien van de horeca-inrichtingen; consistentie en éénheid in dit optreden aanbrengen; de aan horecagerelateerde overlast verder terugbrengen; Scheppen van kaders waarbinnen de kwaliteit en ontwikkelingsmogelijkheden van de horeca kan worden gewaarborgd het door middel van locatiebeleid bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit versterking kwaliteit horeca verhogen dienstverlening aan horecaondernemers (accountmanagement / informatieverstrekking, integrale benadering van horecagerelateerde.vragen en aanvragen Om deze doelstellingen te realiseren zijn de volgende uitgangspunten vastgesteld: de gemeente draagt samen met de andere partijen zorg voor de ontwikkeling van een integraal horecabeleid; de gemeente vervult de regiefunctie; alle betrokken partijen zijn bereid om mee te werken; de huidige situatie is het uitgangspunt; het horecabeleid dient uitvoerbaar en handhaafbaar te zijn; de versterking van kwaliteit van de horeca is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid voor de ondernemers, het gemeentelijk horecabeleid is hierbij voorwaardenscheppend en regulerend; de uitvoering van het beleid dient consistent en in overleg met alle betrokkenen te gebeuren; het voorkomen van financiële en juridische risico’s 1.7 Definitie horeca Onder horeca wordt in deze nota verstaan: hotels, restaurants, cafés, cafetaria's, snackbars, discotheken en aanverwante inrichtingen waar – al dan niet tegen vergoeding - dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden bereid en/of verstrekt, nachtverblijf wordt verschaft, alsmede een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden. Deze definitie sluit aan bij de omschrijving van het begrip 'horeca' in de APV en is ruimer dan de definitie van het Bedrijfschap Horeca omdat ook buurthuizen, bioscopen en theaters tot de horeca worden gerekend. 1.8 Betekenis voor Leerdam De horeca vervult binnen de gemeente een belangrijke maatschappelijke en economische functie die als zodanig niet meer weg te denken is. De horecasector is een belangrijk onderdeel van het geheel aan voorzieningen. De sector is er in de eerste plaats voor de inwoners, maar ook voor bezoekers zoals toeristen, zakenmensen en winkelend publiek dat van buiten de stad komt. De horeca maakt onderdeel uit van de centrumfunctie.Zonder horeca zou het verblijfsklimaat sterk aan kwaliteit inboeten. Een goed ontwikkelde horecasector staat garant voor levendigheid en verblijfskwaliteit. Zeker nu de vrije tijd, de belangstelling voor het bezoek aan binnensteden en cultuurtoerisme toenemen, vervult de horeca een belangrijke rol in de binnenstad. Van een goed functionerende horeca profiteren inwoners, toeristen, zakenmensen en het winkelend publiek. Als gevolg van deze horeca-activiteiten kan het woon- en leefklimaat evenwel op onaanvaardbare wijze worden aangetast door bijvoorbeeld verstoringen van de openbare orde, geluids-, stank-, en parkeeroverlast. Om te voorkomen dat deze negatieve aspecten de overhand krijgen boven het plezier dat mensen aan de horeca kunnen beleven, is het gewenst te komen tot één geïntegreerd horecabeleid waarin rekening wordt gehouden met elkaars wensen en belangen. Het is belangrijk daarin duidelijk richting te geven aan wat kan en mag, waar niet en waar wel, welke regelgeving van toepassing is en wat de betrokken partners van elkaar mogen en moeten verwachten. 1.9 Evaluatie nieuwe beleid Na een periode van vier jaar zal dit herziene integrale horecabeleid weer worden geëvalueerd

(2010), waarna bij gewijzigde inzichten of eventuele nieuwe ontwikkelingen het beleid opnieuw zal worden aangepast. 1.10 Bevoegdheidstoedeling Het integrale horecabeleid zal ter kennisname worden aangeboden aan de gemeenteraad. Dat betekent dat de gemeenteraad het nieuwe horecabeleid niet direct vaststelt. Vaststelling vindt plaats, na bespreking in de commissie ABZ, door de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders, ieder voor hun eigen bevoegdheden. Het feit dat het nieuwe horecabeleid niet wordt vastgesteld door de gemeenteraad vindt zijn oorsprong in de Gemeentewet. Op basis van artikel 149 van de Gemeentewet wordt de gemeentelijke APV door de gemeenteraad vastgesteld. In deze APV zijn, in hoofdstuk 2, afdeling 3 van hoofdstuk 2, bepalingen opgenomen ten aanzien van horecabedrijven. De uitvoering van deze bepalingen is opgedragen aan de burgemeester als bestuursorgaan (artikel 174, lid 3 Gemeentewet). Op basis van de artikelen 170 (De burgemeester ziet toe op een tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten), 172 (de burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde) en 174 Gemeentewet (de burgemeester is belast met het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven) vindt de ontwikkeling van het nieuwe Integrale Horecabeleid plaats. Het nieuwe beleid wordt vervolgens vastgesteld door twee bestuursorganen, te weteAAn het college van burgemeester en wethouders (o.g.v. artikel 160, lid 1 onder a Gemeentewet (het college voert het dagelijks bestuur van de gemeente, voor zover niet bij of krachtens de wet de raad of de burgemeester hiermee is belast)) én de burgemeester, ieder voor de eigen bevoegdheden. Bij de collegebevoegdheden betreft het met name de inrichting en het beheer van de openbare buitenruimte (reclame, welstand, verlichting, beheer wegen, verkeer, parkeren, jeugdzaken, economie, toerisme, detailhandel, alcoholverboden e.d.). Bij de burgemeestersbevoegdheden gaat het dan om de handhaving van de openbare orde en/of aantasting van het woon- en leefklimaat, het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven en de uitvoering van de APV, voor zover deze betrekking hebben op het burgemeesterstoezicht. Wanneer, in het kader van een alcoholmatigingsbeleid, een Drank- en Horecaverordening wordt ingesteld, of wanneer hoofdstuk 2, afdeling 3 van hoofdstuk 2 (Toezicht op horecabedrijven) van de APV moet worden aangepast, betreft dat uiteraard de uitdrukkelijke bevoegdheid van de gemeenteraad (o.g.v. artikel 149 Gemeentewet). Voor zover dergelijke zaken aan de orde komen, zijn deze hiertoe opgenomen in het nieuwe horecabeleid en zullen deze, na bespreking in de commissie ABZ, ter besluitvorming worden voorgelegd aan de gemeenteraad. 1.11 Samenvatting In deze paragraaf wordt een samenvatting gegeven van de inhoud van deze nota waarbij, voor zover van toepassing, tevens wordt aangegeven wat de relevante beleidswijzigingen of aanvullingen zijn ten opzichte van het in het jaar 1998 vastgestelde horecabeleid. In het horecabeleid 1998 werd het uitgangspunt gehanteerd dat evenwicht moest worden bereikt tussen het economisch en recreatief belang van horeca enerzijds en de openbare orde en woon- en leefomgeving in de nabijheid van horeca-inrichtingen anderzijds. Ter bereiking van dit evenwicht moest een bestuurlijk-juridisch instrumentarium, gericht op het voorkomen en bestrijden van overlast veroorzaakt door de horeca en haar bezoekers, worden ontwikkeld en worden ingezet. De navolgende onderwerpen werden daarbij betrokken: overlast sluitingstijden terrassen festiviteiten paracommercie coffeeshopbeleid Op basis van de ervaringen in de achterliggende periode van de horecaondernemers, winkeliers, Koninklijk horeca Nederland, politie en gemeentelijke afdelingen is gebleken dat het beleid aanvulling behoefde in visie en regelgeving. Na 7 jaar werd het dan ook tijd voor actualisering van het horecabeleid
  1. Ad 1 Overlast Oud: In het beleid van 1998 wordt voorgesteld een exploitatievergunningenstelsel te introduceren voor de regulering van ongewenste negatieve beïnvloeding van het woon- en leefklimaat. De raad heeft de APV vervolgens aangepast en de exploitatievergunning voor horecabedrijven geïntroduceerd. Echter, ter nadere uitwerking van dit stelsel en ter voorkoming van vormen van willekeur, hadden diverse aspecten moeten worden uitgewerkt (zoals onder meer: geldigheidsperiode van een vergunning, legesbedragen, welke vergunningsvoorschriften, wanneer is sprake van onaanvaardbare overlast of slecht levensgedrag, wanneer wordt een horecabedrijf (tijdelijk) gesloten, wanneer moeten veiligheidsplannen worden ingediend, hoe zit het met de regelgeving voor portiers, relatie met bestemmingsplannen, additionele horeca). Nieuw: Omdat dat niet gebeurd is, zijn deze aspecten heden in het nieuwe beleid integraal uitgewerkt en opgenomen in hoofdstuk
  2. Ad 2 Sluitingstijden Oud: In het beleid uit 1998 wordt de situatie van het (nog steeds) geldende vrije sluitingstijdenbeleid beschreven en werd voorgesteld daar geen verandering in aan te brengen. Ook in het nieuwe beleid wordt voorgesteld om dit vrije-sluitingstijdenbeleid voort te zetten, echter met één aanpassing daarin, en wel de introductie van de “venstertijden”. Nieuw: Gelet op de uitkomsten uit de gehouden enquêtes onder ondernemers, bewoners en politie is gebleken dat in de late uren (omstreeks 04.00 uur) overlast ontstaat door horecabezoekers. Om te voorkomen dat horecabezoekers de gehele nacht diverse horecabedrijven bezoeken en daarbij overlast op straat veroorzaken, kan een venstertijd worden ingesteld. Dat betekent dat de vrije sluitingstijden blijven gehandhaafd, maar dat het niet meer is toegestaan om bezoekers in een horecabedrijf toe te laten ná 04.00 uur. Deze maatregel zal na één jaar worden geëvalueerd en zonodig worden bijgesteld. Een en ander is nader uitgewerkt in paragraaf 4.
  3. Ad 3 Terrassen Oud: In het beleid uit 1998 werden slechts eisen gesteld aan de openings- en sluitingstijden van een terras bij een horecabedrijf (07.00 uur - 23.00 uur). Echter, een nadere uitwerking van aspecten die relaties hebben met de exploitatie van een terras (uiterlijk aanzien, vrije doorloopruimte, relatie met de Drank- en Horecawet, milieuwetgeving, APV, maatvoering, terrasmeubilair, afvalzorg, opslag terrasmeubilair, brandvertragendheid meubilair, e.d.) heeft niet plaatsgehad. Nieuw: Deze aspecten zijn in dit nieuwe beleid nader uitgewerkt in paragraaf 4.
  4. Ad 4 Festiviteiten Oud: In het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (op basis van de Wet Milieubeheer) is de mogelijkheid opgenomen om via een gemeentelijke verordening (een aantal) dagen aan te wijzen waarop de geluidsnormen van het Besluit niet gelden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in collectieve festiviteiten (bijvoorbeeld jazzfestival, Koninginnedag, jaarwisseling e.d.) en incidentele (levende muziek in één of enkele horeca-inrichtingen). Het aantal incidentele festiviteiten per inrichting bedraagt volgens het Besluit maximaal 12 (de ondernemer heeft daarbij een meldingsplicht). Het aantal collectieve evenementen is in het nieuwe Besluit niet beperkt, maar moet door burgemeester en wethouders in overleg met horecaondernemers per jaar worden vastgesteld. In de toen geldende APV was deze zogenaamde 12-dagen regeling niet opgenomen. Voorgesteld werd om deze regeling wel als zodanig op te nemen. De incidentele festiviteiten werden beperkt tot zes. Nieuw: In het nieuwe beleid wordt voorgesteld om, gelet op het verzoek van de horecavertegenwoordiging en het feit dat er nagenoeg geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat heeft plaatsgehad door gebruikmaking van deze regeling, het aantal dagen waarop een incidentele festiviteit mag worden georganiseerd van 6 te wijzigen in
  5. Omdat dit gepaard gaat met aanpassing van de APV, betekent dit dat de gemeenteraad daarover een besluit moet nemen. Een en ander is nader uitgewerkt in hoofdstuk 8.
  6. Ad 5 Paracommercie Ter voorkoming van oneerlijke mededinging (met de commerciële horeca) kunnen aan instellingen die zich richten op activiteiten van educatieve, recreatieve, sociaal-culturele, sportieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard voorschriften worden verbonden aan de drank- en horecavergunning waarbij de verstrekking van alcoholhoudende dranken wordt beperkt in tijd en activiteit. Oud: In het beleid van 1998 zijn de voor- en nadelen daarvan beschreven. Dat heeft veel (politieke) stof doen opwaaien. Het beperken van (alcoholhoudende) drankverstrekking kan ertoe leiden dat de inkomsten uit deze paracommerciële activiteiten afnemen, hetgeen zou kunnen leiden tot beëindiging van de verenigingsactiviteiten. Daarnaast hebben verenigingen investeringen gepleegd die, bij stopzetting van de paracommercie de verenigingen in financiële problemen kunnen brengen. De vraag werd derhalve gesteld of na een verbod op paracommercie de gemeente bereid is de verenigingen middels extra subsidie te compenseren voor gederfde inkomsten. De horecavereniging Leerdam en Horeca Nederland drongen aan op aanpak van de paracommercie en wezen het gemeentebestuur erop dat het hierbij ging om een wettelijke verplichting. Na veel discussie is dit onderwerp “van de agenda afgevoerd” en zijn derhalve geen beleidsregels vastgesteld ter regulering van deze vorm van oneerlijke concurrentie. Nieuw: Gelet echter op het grote aantal paracommerciële inrichtingen met horeca-activiteiten, de druk van Koninklijk Horeca Nederland, de maatschappelijke relevantie daarvan voor zowel de commerciële als de paracommerciële horecabedrijven, de relatie met het gemeentelijke alcoholmatigingsbeleid en de uitgangspunten van de Drank- en Horecawet op dit aspect, is in dit nieuwe horecabeleid een paragraaf (3.4) gewijd aan deze problematiek. Wij stellen dan ook voor om, ter voorkoming van oneerlijke mededinging, voorschriften op te leggen aan paracommerciële instellingen ter beperking van alcoholverstrekking. Dat betekent dat in een drank- en horecavergunning voor een paracommerciële instelling het voorschrift wordt opgenomen dat: de vergunning niet geldig is tijdens in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen; er geen openlijk aanprijzingen mogen worden gedaan over de mogelijkheid tot het houden van bijeenkomsten van persoonlijke aard; van de vergunning uitsluitend gebruik mag worden gemaakt één uur vóór, tijdens en één uur na de activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard. Voorts wordt in de drank- en horecavergunning voor jeugd-, sport-, en onderwijsorganisaties/of –instellingen de bepaling opgenomen dat de vergunning niet geldt voor het verstrekken van sterke dranken. Dit wordt nader uitgewerkt paragraaf 3.4 en in de door de gemeenteraad vast te stellen Drank- en Horecaverordening (bijlage 9). Ad 6 Coffeeshopbeleid Oud: In het beleid van 1998 is het coffeeshopbeleid beschreven. Hierin werd vermeld dat het coffeeshop beleid regionaal is ontwikkeld hetgeen voor Leerdam tot gevolg had dat er één coffeeshop mocht worden gevestigd. Aan deze vestiging werd een aantal voorwaarden gekoppeld, de zogenaamde gedoogvoorwaarden. De gedoogvoorwaarden zijn opgesteld door het College van Procureurs-generaal en zijn vervolgens vastgesteld door het gemeentebestuur van Leerdam. Tevens is een aantal aanvullende eisen gesteld aan de ondernemer en de inrichting. Nieuw: In het nieuwe beleid zijn deze aanvullende eisen aangescherpt omdat een tweetal voorwaarden onjuist zijn gesteld. Voorts zijn gedoogvoorwaarden uitgebreid en is, in tegenstelling tot het oude coffeeshopbeleid een regeling opgenomen met betrekking tot de verplaatsing van een reeds gevestigde coffeeshop. Eveneens is vastgelegd wanneer de gedoogstatus komt te vervallen en op welke wijze een aanvraag voor een nieuwe vestiging van een coffeeshop wordt beoordeeld in de situatie dat de bestaande exploitatie van een coffeeshop is beëindigd en er tegelijkertijd meerdere aanvragen worden gedaan voor de exploitatie van een nieuwe coffeeshop. Een en ander is nader uitgewerkt in hoofdstuk
  7. Nieuwe onderdelen Naast de hiervoor beschreven onderwerpen, zijn in het nieuwe horecabeleid tevens diverse aanvullende onderwerpen uitgewerkt, deels gericht op de verhoging van efficiency met betrekking tot de vergunningsaanvraag, het creëren van eenduidigheid in uitvoering van regelgeving, deels als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen, gewijzigde inzichten en gewijzigde of nieuwe wetgeving. Hieronder wordt daarop kort ingegaan. In hoofdstuk 2 wordt voorgesteld aanvraagformulieren vast te stellen voor horecagerelateerde vergunningen. Dit komt de efficiency van de vergunningsaanvragen ten goede. Voorts wordt in dit hoofdstuk aangegeven op welke wijze een vergunningsaanvraag wordt behandeld en hoe wordt omgegaan met het, vooruitlopende op de vergunningsverlening, gedogen van de exploitatie van een nieuw horecabedrijf. Tevens wordt aangegeven wat de huidige leges bedragen zijn en wat de leges zouden zijn in het geval dat kostendekkend in rekening wordt gebracht. In hoofdstuk 3 vindt een nadere uitwerking plaats van de uitvoering van de per 1 november 2000 gewijzigde Drank- en Horecawet. Daarbij wordt uitgelegd wanneer sprake is van detailhandelsactiviteiten in horecabedrijven (is nl. verboden), wordt ingegaan op het alcoholmatigingsbeleid en de reeds genoemde paracommercie en worden regels gesteld met betrekking tot het verstrekken van tijdelijke ontheffingen om op de openbare weg zwak-alcoholhoudende dranken te verstrekken bij evenementen. In hoofdstuk 4 wordt het exploitatiestelsel uitgewerkt. Zoals eerder opgemerkt is in het jaar 1998 wel een exploitatiestelsel ingevoerd, echter, er is geen uitvoeringsbeleid vastgesteld en coördinatieregeling ontwikkeld met andere betrokken wet- en regelgeving (wet ruimtelijke ordening, bestemmingsplannen). Tevens wordt ingegaan op het nut en de noodzaak van het eisen van veiligheidsplannen en het inschakelen van portiers bij nachtgelegenheden en wordt stilgestaan bij het instellen van alcoholverboden. In hoofdstuk 5 wordt beschreven in welke soorten horecabedrijven kansspelautomaten (gokkasten) en behendigheidsautomaten (flipperkasten e.d.) mogen worden opgesteld. Tevens wordt daarbij uitgelegd wanneer sprake is van in de Wet op de kansspelen genoemde hoog- en laagdrempelige inrichtingen. Deze beschrijving is gewenst omdat op 1 juni 2000 de Wet op de kansspelen op deze onderdelen zijn gewijzigd. In hoofdstuk 6 wordt gerefereerd aan de per 1 juni 2003 ingevoerde Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (kortweg: wet Bibob). Deze wet geeft bestuursorganen een instrument in handen om zich tegen het risico, dat zij ongewild criminele activiteiten faciliteren, te beschermen. De Wet BIBOB geeft namelijk een extra weigerings- en/of intrekkinggrond, op grond waarvan vergunningen of subsidies kunnen worden geweigerd of ingetrokken. Ter uitvoering van deze wet moet een Bibobbeleid worden ontwikkeld. Deze beleidsontwikkeling vindt momenteel in regioverband plaats en zal medio 2006 aan het gemeentebestuur worden voorgelegd. Hoofdstuk 7 heeft betrekking op de relatie van horecabedrijven met bestemmingsplantechnische zaken (waar mogen welk soort horecabedrijven zich vestigen, hoe wordt omgegaan met horeca in bedrijven met een andere hoofdfunctie (bijvoorbeeld een restaurant in een tuincentrum). In hoofdstuk 8 wordt nader ingegaan op uitvoering van regelgeving die betrekking heeft op de Wet milieubeheer en het daarbij behorende uitvoeringsbesluit (aanpak geluidsoverlast, collectieve en incidentele festiviteiten, muziek op terrassen). Hoofdstuk 9 geeft een nadere omschrijving van de verkeers- en parkeerproblematiek in relatie tot de horeca. In hoofdstuk 10 wordt, zoals hiervoor reeds beschreven, het Leerdamse coffeeshopbeleid beschreven, aangescherpt en aangevuld. Hoofdstuk 11 beschrijft de aspecten die relatie hebben met het veilig uitgaan in horecabedrijven. In hoofdstuk 12 wordt het handhavingsbeleid geïntroduceerd. Leerdam beschikt niet over een op de horeca toegesneden handhavingsbeleid. Bestuursrechtelijk optreden kan dan leiden tot vormen van willekeur. Dat is zeer ongewenst. Door het vaststellen van een horecasanctiebeleid is op voorhand voor een ieder duidelijk (de horecaondernemer, bewoners, politie, gemeente en overige belanghebbenden) hoe handhavend wordt opgetreden bij welk soort overtredingen van wet- en regelgeving. In hoofdstuk 13 wordt beschreven op welke wijze de gemeentelijke organisatie is ingericht ten behoeve van de vergunningsaanvragen en wordt voorgesteld de horecaondernemers een vergunningenmap uit te reiken waarin niet alleen de (originele) vergunningen in kunnen worden bewaard, maar waarin ook diverse gemeentelijke documentatie is verzameld. Dit faciliteert het vergunningenbeheer door de ondernemer en verhoogt de efficiency tijdens controles door politie, brandweer, bouw- en woningtoezicht of de VWA/Keuringsdienst van Waren. In hoofdstuk 14 wordt dan vervolgens een opsomming gegeven van alle in deze nota beschreven beslispunten, uitgesplitst naar bestuursorgaan. Hoofdstuk 2 Algemene regels ten aanzien van vergunningen 2.1 De aanvraagformulieren Op het gebied van horecaregelgeving zijn diverse vergunningen vereist. Voor zover de vereiste vergunningen door het gemeentebestuur worden verleend, kunnen op grond van de Algemene wet bestuursrecht documenten en/of aanvullende gegevens worden gevraagd om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. In het kader van eenduidigheid en een efficiënte beoordeling van de aanvraag, kunnen aanvraagformulieren worden vastgesteld. In dat kader worden, ten behoeve van de aanvraag om vergunning, de navolgende formulieren vastgesteld: Aanvraagformulier (zie bijlage 1); Aanvraagformulier aanwezigheidsvergunning (bijlage 2); Kennisgevingsformulier incidentele festiviteit (bijlage 3); Meldingsformulier oprichten/veranderen van een inrichting (bijlage 4); Aanvraagformulier gebruiksvergunning voor bouwwerken (bijlage 5). De aanvraagformulieren voor een drank- en horecavergunning voor een commercieel horecabedrijf (model A), een paracommercieel horecabedrijf (model B) en een tijdelijke tapontheffing (model C) zijn wettelijk voorgeschreven (in de Regeling aanvraaggegevens en formulieren Drank- en Horecawet, behorende bij de Drank- en Horecawet). Voorstel 1: Te besluiten in het kader van eenduidigheid en een efficiënte beoordeling van aanvragen de formulieren zoals genoemd onder de punten a t/m e vast te stellen. 2.2 De aanvraaggegevens Afhankelijk voor de soort vergunning die wordt aangevraagd, moeten diverse bescheiden worden overgelegd. In het schema zoals is weergegeven in bijlage 6 staan per vergunningsaanvraag de over te leggen bescheiden opgesomd. De opgesomde bescheiden maken een zorgvuldige en efficiënte beoordeling van de vergunningsaanvraag mogelijk. Voorstel 2: Te besluiten dat voor het indienen van een ontvankelijke vergunningsaanvraag, de bescheiden moeten worden ingediend zoals omschreven in bijlage
  8. 2.3 Onvolledige aanvraag Een aanvraag kan onvolledig zijn wanneer bijvoorbeeld het aanvraagformulier niet volledig is ingevuld en/of niet alle gevraagde gegevens bij de aanvraag zijn gevoegd. Bij een onvolledige aanvraag kan het bestuursorgaan op grond van artikel 4:5 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) besluiten om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Voordat hiertoe wordt overgegaan, wordt de aanvrager, op grond van het bepaalde in artikel 4.5, lid 1 onder c van de Algemene wet bestuursrecht, eerst schriftelijk in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te leveren binnen een daarbij gestelde (redelijke) termijn. Wanneer de ontbrekende bescheiden niet binnen de hiervoor genoemde termijn zijn ingeleverd, kan de aanvraag op grond van artikel 4:5, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling worden gesteld. 2.4 Opschorting beslistermijn Op het moment dat het bestuursorgaan de aanvrager de uitnodiging verzendt om de aanvraag aan te vullen, wordt de termijn voor het geven van een beschikking naar aanleiding van de aanvraag van rechtswege opgeschort (art. 4:15 Awb). Dit betekent dat de periode die wordt gebruikt of gesteld voor het aanleveren van ontbrekende gegevens door de aanvrager niet mee telt voor de berekening van de lengte van de beslistermijn. 2.5 Afhandeltermijn exploitatievergunning Een exploitatievergunning is, zoals reeds eerder genoemd, benodigd voor het exploiteren van een horecabedrijf. Dat is geregeld in artikel 2.3.1.2 van de APV. In artikel 1.2 van deze APV is geregeld dat op een aanvraag voor een vergunning binnen 8 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen, een besluit wordt genomen. De burgemeester kan deze termijn, bijvoorbeeld voor gecompliceerde aanvragen waarbij vele zienswijzen zijn ingediend, voor ten hoogste acht weken verdagen. Heeft de burgemeester na deze 8, of na verdaging 16 weken, geen besluit genomen, dan is géén sprake van een fictief verleende vergunning, maar is sprake van een fictieve weigering. Tegen deze fictieve weigering, kan de aanvrager in beroep bij de bestuursrechter. 2.6 Vervolg termijn De beslistermijn begint weer vanaf de dag dat de aanvraag wordt aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Als de gestelde termijn ongebruikt is verstreken of het bestuursorgaan meent dat de aanvraag onvoldoende is aangevuld, dan kan worden besloten de aanvraag buiten behandeling te laten (art. 4:5 Awb). 2.7 De overname van een horecabedrijf In artikel 2.3.1.2, lid 8 van de APV is bepaald dat een vergunning wordt gesteld op naam van de exploitant en niet overdraagbaar is. Dat impliceert dat bij overname van een horecabedrijf een nieuwe exploitatievergunning moet worden aangevraagd. Strikt formeel kan derhalve pas worden geëxploiteerd als alle benodigde vergunning zijn verleend. De vergunningsprocedure beslaat 8 en bij verdaging tot maximaal 16 weken. Wanneer gedurende deze periode niet geëxploiteerd kan worden, brengt dit aanzienlijk financieel en economisch nadeel met zich mee voor de horecaondernemer. Om hieraan tegemoet te treden zijn inmiddels beleidsregels vastgesteld. Samengevat behelst deze regeling het volgende: Als de rechtsopvolger van een horeca-inrichting binnen 2 weken na de feitelijke overdracht een exploitatievergunning heeft aangevraagd en de houder van de (oude) vergunning deze overdracht binnen 1 week na de feitelijke overdracht heeft gemeld aan de burgemeester, dan kan de rechtsopvolger tot het moment dat op de aanvraag is beschikt (met een maximum van 3 maanden), het overgenomen horecabedrijf exploiteren zonder de benodigde exploitatievergunning. De burgemeester zal dan, behoudens bijzondere gevallen, niet overgaan tot bestuurlijke handhaving. Er moet wel aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. In bijlage 7 zijn deze toepasselijke beleidsregels beschreven. 2.8 De gedoogsituatie – aantasting van het woon- en leefklimaat De situatie kan zich voordoen dat hangende de gedoogsituatie (= de situatie waarbij de rechtsopvolger (koper) van de (vergunning)houder binnen vier weken na de feitelijke overdracht van het horecabedrijf een aanvraag heeft ingediend voor een exploitatievergunning) het woon- en leefklimaat ernstig wordt aangetast of de openbare orde wordt verstoord door de wijze van exploiteren van het (nieuwe) horecabedrijf. In een dergelijke situatie wordt de gedoogsituatie per direct beëindigd door op basis van de op dat moment beschikbare gegevens, feiten en omstandigheden, een beslissing te nemen op de aanvraag voor de exploitatievergunning. 2.9 Leges Voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning worden leges in rekening gebracht. De geraamde baten van de leges mogen niet uitgaan boven de geraamde gemeentelijke lasten ter zake. Dat betekent dat de legesverordening maximaal kostendekkend is. Dit is geregeld in artikel 229b van de Gemeentewet. In de Tarieventabel behorende bij de Legesverordening zijn tarieven opgenomen voor de navolgende horecagerelateerde vergunningen: Commerciële drank- en horecavergunning Paracommerciële drank- en horecavergunning Wijziging van een drank- en horecavergunning (wijziging leidinggevende) Wijziging van een drank- en horecavergunning (wijziging inrichting) Artikel 35-ontheffing Exploitatievergunning Wijziging van een exploitatievergunning (wijziging leidinggevende) Wijziging van een exploitatievergunning (wijziging inrichting) Terrasvergunning Aanwezigheidsvergunning De in voornoemd tarievenblad opgenomen leges zijn voor een aantal onderdelen niet kostendekkend en/of onjuist. In bijlage 8 zijn de diverse berekeningsstaten vermeld op basis waarvan wordt geconcludeerd dat de huidige leges voor de hiervoor genoemde vergunningen niet kostendekkend zijn. Hieronder wordt een samenvatting gegeven van de huidige bedragen en de bedragen op basis van kostendekkendheid: Kostendekkendheid of niet ? De vraag doet zich heden voor of de tarieven voor de hierboven genoemde vergunningen al dan niet op een kostendekkend niveau moeten worden gebracht. Het voordeel van kostendekkende tarieven is evident; de kosten die worden gemaakt door de ambtelijke organisatie voor behandeling van de betreffende vergunningsaanvraag, worden gedekt door de kosten die bij de betreffende aanvrager in rekening worden gebracht voor deze werkzaamheden. De kosten die worden gemaakt voor specifieke werkzaamheden komen op deze wijze niet ten laste van de gehele gemeenschap, maar worden in rekening gebracht bij diegenen die gebruik maakt van de specifieke vorm van dienstverlening. De nadelen van kostendekkende tarieven: de aanvrager wordt geconfronteerd met sterk stijgende tarieven; stijgende tarieven staat haaks op de door de minister van binnenlandse zaken voorgestane administratieve lastenverlichting voor (horeca)ondernemers; Een algehele heroriëntatie van de leges moet nog plaatsvinden. Derhalve wordt voorgesteld op dit moment geen besluit te nemen over het verhogen van de hiervoor genoemde tarieven, maar de discussie over de kostendekkendheid van deze vergunningen te voeren bij de genoemde heroriëntatie. Voorstel 3: Te besluiten de discussie over het al dan niet verhogen van de leges voor de horecagerelateerde vergunningen/ontheffingen tot een kostendekkend tarief te voeren bij de heroriëntatie op de gemeentelijke leges die nog moet plaatsvinden op een later moment. 2.10 Schema vestiging horecabedrijf De ondernemer die een horecabedrijf wil beginnen weet lang niet altijd met welke wet- en regelgeving hij/zij dan te maken krijgt. Het is te kort door de bocht om de ondernemer een aantal aanvraagformulieren mee te geven met het verzoek een en ander in te vullen om nadien tot de conclusie te komen dat de vestiging van het gewenste horecabedrijf om bijvoorbeeld planologische motieven sowieso niet mogelijk is. Daarom wordt tezamen met de ondernemer vroegtijdig onderzocht of de gewenste vestiging en exploitatie van het horecabedrijf mogelijk en/of wenselijk is. In het schema op de volgende pagina wordt dit onderzoek nader verduidelijkt: Hoofdstuk 3 Drank- en Horecawet 3.1 Drank- en Horecawet Voor het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse in een horecabedrijf,is een drank- en horecavergunning vereist op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Ook voor het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen handelingen, is een drank- en horecavergunning vereist (slijtersbedrijf). De geldigheidstermijn De drank- en horecavergunning kent geen vaste termijn waarvoor de vergunning geldt. De vergunning blijft geldig tot het moment dat er een wijziging plaatsvindt van één of meerdere van de op de vergunning vermelde gegevens. Het betreft dan wijzigingen in: de natuurlijke of rechtspersoon of -personen aan wie de vergunning is verleend; de leidinggevenden; de bedrijfsuitoefening tot welke de vergunning strekt; de plaats waar de inrichting zich bevindt; de situering en de oppervlakten van de horeca- of slijtlokaliteiten en terrassen; voorschriften of beperkingen welke aan de vergunning zijn verbonden. Wanneer deze wijzigingen niet binnen 30 dagen worden gemeld aan het college, kan dit leiden tot intrekking van de drank- en horecavergunning. De eisen De Drank- en Horecawet stelt feitelijk zes eisen ter verkrijging van een drank- en horecavergunning: Het uitoefenen van een horeca- of slijtersbedrijf mag alleen plaatsvinden in een inrichting; De betreffende leidinggevenden van het horeca- of slijtersbedrijf moeten voldoen aan bepaalde zedelijkheids- en moraliteitseisen; zij mogen niet onder curatele staan; zij mogen niet uit de ouderlijke macht ontzet zijn; zij mogen niet uit de voogdij ontzet zijn; zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; zij moeten de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. De betreffende leidinggevenden van het horeca- of slijtersbedrijf moeten beschikken over voldoende kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne; De inrichting moet voldoen aan de wettelijke inrichtingseisen; Er bestaat geen gevaar bestaan dat de beschikking mede gebruikt zal worden voor: het benutten van voordelen uit strafbare feiten het plegen van strafbare feiten Er bestaat voorts geen redelijk vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd; Er zijn geen andere gronden aanwezig om de vergunning te weigeren. 3.2 Detailhandel Het is verboden een slijtlokaliteit gelijktijdig in gebruik te hebben voor het verrichten van andere bedrijfsactiviteiten dan die welke tot het slijtersbedrijf behoren dan wel toe te laten dat daarin zodanige activiteiten worden uitgeoefend. De wel toegestane bedrijfsactiviteiten staan opgesomd in het Besluit aanvulling slijtersbedrijf. Voorts is het verboden een horecalokaliteit of een terras tevens in gebruik te hebben voor het uitoefenen van de kleinhandel of zelfbedieningsgroothandel of het uitoefenen van een van de hieronder genoemde activiteiten: het bedrijfsmatig aan particulieren verkopen van goederen in het kader van een openbare verkoping, als bedoeld in artikel 1 van de Wet ambtelijk toezicht bij openbare verkopingen; het bedrijfsmatig aanbieden van diensten; het bedrijfsmatig verhuren van goederen; het in het openbaar bedrijfsmatig opkopen van goederen. Ook is het niet toegestaan om toe te laten dat in een horecalokaliteit of op een terras zodanige handel wordt of zodanige activiteiten worden uitgeoefend. De verkoop van etenswaren die voor consumptie gereed zijn, is wél toegestaan. Met deze verboden wordt beoogd te voorkomen dat het winkelend publiek in verleiding wordt gebracht tot het consumeren van alcoholhoudende drank. Wanneer is kleinhandel wél toegestaan ? Horecabedrijf Kleinhandel in een lokaliteit behorende tot een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, is wél toegestaan in de situatie waarbij het publiek slechts toegang heeft tot die lokaliteit zonder een lokaliteit te betreden waar alcoholhoudende drank aanwezig is. De publieksingang van een ruimte, waaronder bijvoorbeeld de zaalruimte van een horecabedrijf, waarin goederen worden verkocht, mag dus niet worden bereikt via een lokaliteit of andere ruimte waar alcoholhoudende drank aanwezig is. Een en ander houdt voorts in dat de horecalokaliteit van een afsluitbare toegang moet worden voorzien, zodat ook de toegang tussen het kleinhandelgedeelte en de horecalokaliteit afgesloten moet kunnen worden. Slijterij Een slijtlokaliteiten mag niet rechtstreeks in verbinding staan met ruimten waarin bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. Er moet dus altijd een verkoopvrije ruimte als sluis tussen zitten. Wat is kleinhandel ? Kleinhandel is in beginsel de verkoop van waren om mee te nemen. Echter, het verstrekken van etenswaren om ter plaatse te nuttigen behoort tot de uitoefening van het horecabedrijf en kan niet worden aangemerkt als kleinhandel in andere goederen. Ook als dienstverlening wordt beschouwd het verstrekken van rookwaren, ook door middel van automaten, al wordt het desbetreffende pakje later mee naar huis genomen. Criterium hierbij is, dat dit soort artikelen dient voor de onmiddellijke bevrediging ter plaatse van de behoefte der gasten. Verkoop van sloffen sigaretten valt echter wel onder kleinhandelsactiviteiten. Ook het ter plaatse verstrekken van condooms en damesverband valt niet onder de definitie van kleinhandel. Uitgezonderd van het verbod van kleinhandel voor horecabedrijven is de verkoop van etenswaren die voor consumptie gereed zijn. Hier wordt met name gedacht aan de verkoop van afhaalmaaltijden. Zoals hiervoor al is opgemerkt is de verstrekking van voor ter plaatse te nuttigen etenswaren geen kleinhandel in andere goederen. Bij de voor consumptie gerede etenswaren gaat het daarbij om waren die ter consumptie geen nadere bereiding nodig hebben (zoals opwarming). Dienstverlening / Internetfaciliteiten Het aan bezoekers beschikbaar stellen van enkele faciliteiten, als telefoon, fax en biljarttafel moet niet onder het verbod van dienstverlening worden begrepen. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat het in beperkte mate aanbieden van toegang tot het internet ook daartoe kan worden gerekend. Wanneer in een cafébedrijf internetfaciliteiten worden aangeboden, moet aannemelijk blijven dat het cafébezoek in de lokaliteit op zichzelf staat en de aangeboden internetdiensten geen zelfstandige stroom van bezoekers trekken. Wanneer een zelfstandige bezoekersstroom ontstaat, gericht op deze internetfaciliteiten, is er sprake van een vorm van dienstverlening die artikel 14, lid 3 onder b van de Drank- en Horecawet verbiedt. 3.3 Het verstrekken van alcoholhoudende dranken In artikel 18 van de wet is geregeld in welke soorten bedrijven het is toegestaan zwak-alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse aan particulieren te verstrekken. Allereerst mag dit uiteraard in de slijtersbedrijven. Het is slijtersbedrijven toegestaan om sterke drank en zwak alcoholhoudende dranken te verkopen. Daarnaast mogen nog een aantal bedrijven zwak-alcoholhoudende dranken verkopen. Het betreft de navolgende bedrijven: een winkel waarin in overwegende mate levensmiddelen of tabak en aanverwante artikelen of uitsluitend zwak-alcoholhoudende dranken al dan niet tezamen met alcoholvrije dranken worden verkocht. Het betreft hier de supermarkten, de poeliers, de delicatessenzaken, de slagers, de viswinkels, tabakszaken en melk- en groentezaken. Verder behoren tot deze categorie de speciaalzaken in bier of wijn, al dan niet in combinatie met alcoholvrije drank; een winkel waarin een gevarieerd assortiment aan levensmiddelen of tabak en aanverwante artikelen wordt verkocht. Het betreft hier de warenhuizen met een afdeling waarin een gevarieerd assortiment levensmiddelen wordt verkocht; een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin hoofdzakelijk gerede eetwaren voor gebruik ter plaatse en elders dan ter plaatse plegen te worden verkocht, niet zijnde een horecalokaliteit. Het betreft hier de cafetaria's, snackbars en dergelijke. Het betreft hier nooit horecabedrijven (ook niet als het gaat om een cafetaria of snackbar met vergunning), omdat horecabedrijven geen alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse mogen verstrekken (art. 13, eerste lid). 3.4 Paracommercie Inleiding Commerciële horecaondernemers worden regelmatig geconfronteerd met verenigingen en stichtingen die horeca-activiteiten ontplooien, los van hun hoofddoelstelling. Commerciële horecaondernemers ervaren dit als concurrerend en doen een beroep, al dan niet via de Koninklijk Horeca Nederland of het Bureau Eerlijke Mededinging, op de gemeente om hiertegen op te treden. Daarnaast missen veel horecaondernemers, zowel de commerciële als de paracommerciële, een duidelijk beleid van de gemeente rondom het hierboven beschreven probleem: wat zijn nu precies de beperkende voorwaarden, wat mag wel en wat mag niet, bij wie kunnen we aankloppen als er problemen zijn etc. Dit alles heeft ertoe geleid dat het verschijnsel paracommercie in het jaar 1998 op de politieke agenda is geplaatst. Daarbij is direct een wezenlijk knelpunt gesignaleerd. Het bestrijden van paracommercie heeft mogelijk consequenties voor het voortbestaan van verschillende paracommerciële instellingen. Kantineopbrengsten worden in paracommerciële instellingen dikwijls gebruikt voor het organiseren van verenigingsactiviteiten. Bovendien garanderen deze inkomsten het voortbestaan van de instelling Het beperken van horeca-activiteiten zal kunnen leiden tot verzoeken om (extra) subsidie: geen inkomsten meer uit paracommercie leidt automatisch tot een roep om een hogere gemeentelijke bijdrage (subsidie). Echter, de vrees voor nieuwe en/of hogere subsidieverzoeken mag nooit het uitgangspunt zijn bij het inkaderen van paracommerciële activiteiten. Uitgangspunt moet (volgens de Drank- en Horecawet) zijn dat aan een drank- en horecavergunning ten behoeve van een paracommerciële instellingen voorschriften en beperkingen worden opgelegd die nodig zijn ter voorkoming van mededinging door het verstrekken van alcoholhoudende drank die uit het oogpunt van een ordelijk economisch verkeer als onwenselijk moeten worden beschouwd. Ook de laatste wijziging van de Drank- Horecawet van november 2000 geeft aanleiding de bestaande gemeentelijke regelgeving en beleid op te stellen.Het doel van deze paragraaf is: te komen tot een duidelijke definiëring van het begrip paracommercie. Het is de bedoeling om helderheid en duidelijkheid te scheppen over wanneer er nu precies sprake is van paracommercie, ofwel oneerlijke concurrentie; te komen tot regulering van het verschijnsel paracommercie door middel van het vaststellen en opleggen van voorschriften en beperkingen ingevolge artikel 4, eerste lid van de Drank- en Horecawet; aan te geven hoe de handhaving aangepakt zal worden. Definiëring Onder het begrip ‘paracommercialisme’ wordt in deze notitie verstaan: een vorm van oneerlijke concurrentie door stichtingen en verenigingen die buiten hun hoofddoelstelling om, horecadiensten aanbieden aan het publiek waarbij gebruik wordt gemaakt van directe of indirecte voordelen zoals subsidiëring, fiscale vrijstellingen, het werken met vrijwilligers etc. Onder ‘horecadiensten’ wordt verstaan: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse. Uit de definitiebepaling volgt dat in de meeste gevallen sprake zal zijn van een op enigerlei wijze gesubsidieerde instelling, in die zin dat er sprake is van een subsidieverstrekking, direct dan wel indirect, door bijvoorbeeld de gemeente Leerdam of door het Rijk, die (mede) de prijsstelling van de horecadiensten die aangeboden worden, kan beïnvloeden. Er zijn meerdere elementen die de prijsstelling van de aangeboden horecadiensten van paracommerciële instellingen kunnen beïnvloeden, waardoor oneerlijke concurrentie kan ontstaan, te weten: het direct of indirect verkrijgen van subsidies; het niet als bedrijf ingeschreven staan in het Handelsregister; het in beginsel niet-inschrijfplichting zijn bij het Bedrijfschap Horeca en catering, met als gevolg dat men zich niet behoeft te houden aan de horeca-cao; het regelmatig en vaak structureel werken met c.q. gebruik maken van vrijwilligers; het van toepassing zijn van fiscaal gunstiger voorwaarden. het verkrijgen c.q. huren van accommodaties tegen niet marktconforme (vaak symbolische) voorwaarden en prijzen; de versoepelde eis van het bezit van een diploma Sociale Hygiëne die voor paracommerciële instellingen is beperkt tot 2 leidinggevenden; Artikel 4 van de Drank- en Horecawet bepaalt dat alle rechtspersonen niet zijnde naamloze vennootschappen of besloten vennootschappen, in beginsel paracommerciële instellingen zijn indien deze instellingen zich richten op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard. Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat verenigingen en stichtingen die zich richten op de genoemde activiteiten, in beginsel aangemerkt worden als paracommerciële instellingen. Ingevolge het bepaalde in dit artikel dient het college van burgemeester en wethouders bij de verlening van horecavergunningen aan genoemde niet-commerciële instellingen, te waken tegen mogelijke oneerlijke concurrentie. De mogelijkheden tot het voeren van beleid De mogelijkheden tot het voeren van beleid met betrekking tot het voorkomen en/of beperken van het verschijnsel paracommercialisme: Het gebruik maken van de artikelen 4 tot en met 6 van de Drank- en Horecawet. Het verbinden van voorschriften aan een beschikking tot het verlenen van een subsidie. Het opnemen van bepalingen in overeenkomsten van gronden en gebouwen. Overige mogelijkheden tot het voeren van beleid Ad 1 Drank- en Horecawet Artikel 4, eerste lid van de Drank- en Horecawet bepaalt dat burgemeester en wethouders aan de horecavergunning van zogenaamde paracommerciële instellingen een of meer voorschriften of beperkingen verbinden die, gelet op de plaatselijke of regionale omstandigheden, nodig zijn ter voorkoming van mededinging door het verstrekken van alcoholhoudende drank, die uit een oogpunt van ordelijk economisch verkeer als onwenselijk moet worden beschouwd. Dit is dus niet van toepassing op een vergunning, die wordt verleend aan een natuurlijke persoon (eenmanszaak) of aan twee of meer natuurlijke personen (vennootschap onder firma). Ook is dit niet van toepassing op een vergunning, die wordt verleend aan een rechtspersoon in de vorm van een naamloze vennootschap (NV) of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BV). In de praktijk houdt dit in dat artikel 4 slechts van betekenis is voor een vereniging, stichting of kerkelijke instelling, die zich op de genoemde activiteiten richt. Wordt een NV of BV opgericht door een of meer van deze organisaties, met als enig of belangrijkste aannemelijk doel, een vergunning zonder beperkingen of voorschriften te krijgen, dan is er sprake van een schijnconstructie. Daaraan wordt geen medewerking verleend. De bedoelde voorschriften en beperkingen kunnen op geen andere onderwerpen betrekking hebben dan: In de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen. Het openlijk aanprijzen van de mogelijkheid tot het houden van dergelijke bijeenkomsten. De tijden gedurende welke in de betrokken inrichting alcoholhoudende dranken wordt verstrekt. Artikel 4, vierde lid van de Drank en Horecawet bepaalt: ‘door burgemeester en wethouders worden, indien dit in verband met een wijziging in de plaatselijke of regionale omstandigheden nodig is, aan reeds verleende vergunningen als bedoeld in het eerste lid voorschriften of beperkingen als in dat lid bedoeld verbonden of aan een zodanige vergunning verbonden voorschriften of beperkingen gewijzigd of ingetrokken”. Er moeten dus plaatselijke of regionale omstandigheden aanwezig zijn, die een wijziging van de te verbinden voorschriften en beperkingen rechtvaardigen. Deze omstandigheden zijn aanwezig, zoals ook al in de inleiding is aangegeven. De “plaatselijke of regionale omstandigheden” kunnen zowel kwantitatief als kwalitatief worden getoetst. Met andere woorden: bepalend is het aantal (kwantiteit) in de omgeving van de paracommerciële instelling aanwezige horecabedrijven en de mate waarin deze over faciliteiten beschikken (kwaliteit) om aan de bestaande vraag naar horecadiensten (zaalruimte voor bijeenkomsten) te voldoen. Het handhaven van een redelijk voorzieningenniveau voor de consumenten speelt daarbij een rol. Wanneer in de omgeving van de paracommerciële instelling één of meer horecabedrijven aanwezig zijn, die aan de vraag naar zaalruimte voor het houden van bijeenkomsten kunnen voldoen, moet die paracommerciële instelling al geacht kunnen worden paracommercieel te (kunnen) handelen. Het hangt dan van de mate van de onwenselijkheid van dat handelen af welke voorschriften of beperkingen aan de vergunning worden verbonden. Bij de ‘kwalitatieve’ toets moet worden gelet op de doelgroepen en de beschikbare faciliteiten. Wanneer een paracommerciële instelling, gelet op de beschikbare zaalruimte, niet in staat is om zich op de klantenkring van de horecabedrijven te richten of zich ook niet feitelijk daarop richt, is die paracommerciële instelling geen mogelijke concurrent. Persoonlijke voorkeuren van consumenten, bijvoorbeeld op grond van hun religieuze overtuiging in relatie tot die van horecaondernemers of het religieuze karakter van hun bedrijven, blijven echter buiten beschouwing. De vraag of aan een vergunning van een paracommerciële instelling voorwaarden of beperkingen moeten worden verbonden om ongewenste mededinging te voorkomen, moet niet alleen worden beantwoord aan de hand van het reguliere aanbod in de desbetreffende woonkern. Ook gemeentegrenzen zijn niet bepalend voor de plaatselijke of regionale marktsituatie. De regionale omstandigheden moeten volgens rechtspraak worden bepaald in een straal van 10 à 15 kilometer rond de paracommerciële instelling. Er zijn in de gemeente Leerdam de laatste jaren een groot aantal stichtingen en verenigingen bijgekomen die als nevenactiviteit alcoholhoudende dranken zijn gaan verstrekken. Momenteel zijn er 25 paracommerciële instellingen in Leerdam die alcoholhoudende dranken verstrekken en daarvoor een horecavergunning hebben of zouden moeten hebben. Deze paracommerciële instellingen zitten verspreid over heel Leerdam. Ons bereiken duidelijke signalen, via Politieregio Zuid-Holland Zuid, de Koninklijk Horeca Nederland en de Milieudienst, dat de horeca-activiteiten van een aantal instellingen zijn geïntensiveerd. De inkomsten die gegenereerd worden uit de aangeboden horecadiensten, zijn een extra bron van inkomsten voor de verenigingen en stichtingen. Door de toename en de intensivering van de horeca-activiteiten, is de druk op het college van burgemeester en wethouders om op te treden tegen (beoogde) oneerlijke mededinging toegenomen. Deze druk komt onder andere van de commerciële horecabedrijven, die klagen dat er sprake is van omzetverlies door de handelwijze van een aantal paracommerciële instellingen. Ook heeft de Koninklijk Horeca Nederland per 1 januari 2000 de Stichting Bevordering Eerlijke Mededinging horeca-activiteiten opgericht. Deze stichting heeft vervolgens het Bureau Eerlijke Mededinging ingesteld om oneerlijke concurrentie in de horeca te bestrijden. Deze stichting constateert ook binnen de gemeente Leerdam een toename van paracommercie. Toestingscriteria De noodzaak tot het verbinden van beperkende voorschriften zal (mede) worden getoetst aan de hand van de volgende criteria: worden in de betreffende bedrijven (feestelijke) bijeenkomsten van persoonlijke aard gehouden, waarbij alcoholhoudende drank genuttigd wordt en die geen direct verband houden met de activiteiten van de rechtspersoon; de functie van de resterende horecabedrijven (blijft het Leerdamse voorzieningenniveau voor de consument gehandhaafd bij het verbinden van voorschriften of beperkingen ?); klachten ontvangen van de reguliere horeca over ongewenste mededinging bij het verstrekken van alcoholhoudende dranken door instellingen; controle op activiteitenomschrijving in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel; onderzoek naar ingediende subsidieverzoeken door de instelling; informatie naar aanleiding van controles uitgevoerd door andere gemeentelijke diensten, zoals bijvoorbeeld de brandweer; worden advertenties / berichten in kranten of folders geplaatst voor activiteiten die geen direct verband houden met de activiteiten van de rechtspersoon; Voorschriften en beperkingen Zoals hierboven reeds vermeld, is besloten de voorschriften en beperkingen aan te scherpen en te verduidelijken, die vervolgens opgelegd zullen worden aan alle drank- en horecavergunningen van instellingen als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en Horecawet. Bescherming van de reguliere horeca tegen oneerlijke concurrentie valt of staat immers bij het afgeven van de vergunningen. Voorgesteld wordt, aansluitend bij de limitatieve opsomming van onderwerpen die zijn opgenomen in artikel 4, tweede lid van de Drank- en Horecawet, om de volgende voorschiften en beperkingen vast te stellen: Voorschrift 1: “Deze vergunning is niet geldig tijdens in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen” Korte uitleg: Met ‘bijeenkomsten van persoonlijke aard’ wordt volgens de Memorie van Toelichting die behoort bij de Drank- en Horecawet, gedoeld op bijeenkomsten met een veelal feestelijk karakter, waarbij alcoholhoudende drank pleegt te worden genuttigd, die geen direct verband houden met de activiteiten van de betreffende rechtspersoon of de hoofddoelstelling (bron:statuten). Daarbij moet dan worden gedacht aan bruiloften, recepties bij jubilea, verjaardagsfeesten, barbecueavond, feestavond, koffietafels, condoleancebijeenkomsten, carnaval en dergelijke. Voor zover deze bijeenkomsten tevens een zakelijk karakter hebben die direct verband houden met de activiteiten van de instelling, zoals het afscheid van de voorzitter van de vereniging, vallen deze niet onder het bereik deze bepaling. Bijbehorend te verbinden voorschrift: Deze drank- en horecavergunning geldt niet bij bijeenkomsten met een veelal feestelijk karakter die geen verband houden met de hoofddoelstelling van de stichting of vereniging. Dat wil zeggen dat er gedurende bijeenkomsten van persoonlijke aard geen alcoholhoudende drank mag worden verstrekt in of vanuit de inrichting. De horecavergunning geldt daarom (onder andere) niet voor het houden van recepties, bruiloften, feesten en andere bijeenkomsten zoals condoleancebijeenkomsten die geen verband houden met de hoofddoelstelling van de vereniging of stichting. Hieronder is een (niet-limitatieve) checklist vermeld die gebruikt kan worden door paracommerciële instellingen om te bepalen of de activiteiten die zij voornemens zijn te organiseren, passen binnen de voorschriften van de verleende drank- en horecavergunning. Activiteiten die door een paracommerciële instelling mogen worden georganiseerd en waarbij tevens alcoholhoudende dranken mogen worden verstrekt: Sportieve instellingen / Recreatieve instellingen: Jubileumfeest van het bestuur Kampioenschap Afscheidsfeest van het bestuur / een bestuurslid Feestavond voor vrijwilligers (max. 1 à 2 keer per jaar) Jaarfeest of afsluiting seizoen (max. 1 keer per jaar) Toernooi Overige strikt clubgerelateerde feesten voor leden Nieuwjaarsborrel (alleen voor leden) Sociaal-culturele instellingen: Bijeenkomsten/vergaderingen/feesten van en voor verenigingen en stichtingen die gebruik maken van het pand (dus alleen toegankelijk voor de leden van de vereniging of stichting op wiens naam de Drank- en Horecawetvergunning staat); Sociaal-culturele evenementen (ook voor publiek toegankelijk) Jaarvergaderingen Kerstviering Nieuwjaarsborrel Educatieve instellingen: Lessen/cursussen Afstudeerbijeenkomst/ diploma-uitreiking Schoolfeesten voor leerlingen Ouderavond Laatste schooldag Sportdag voor leerlingen en leraren Instellingen van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard: Alle activiteiten die te maken hebben met levensbeschouwelijke of godsdienstige zaken, zoals bijeenkomsten, cursussen, kerstviering etc. Voorschrift 2: “Er mogen geen openlijk aanprijzingen worden gedaan over de mogelijkheid tot het houden van bijeenkomsten van persoonlijke aard” Korte uitleg: Hiermee wordt niet alleen gedoeld op een artikel in een krant, tijdschrift of wijkblad, maar ook op de verspreiding van bijvoorbeeld posters of brochures. Kanttekening hierbij is dat het inhoudelijk wel betrekking moet betrekking hebben op het onder de aandacht brengen danwel aanprijzen van de mogelijkheid tot het houden van bijeenkomsten van persoonlijke aard in de betreffende inrichting waarbij alcoholhoudende drank verstrekt zal worden. Bijbehorend te verbinden voorschrift: Het is verboden om de mogelijkheid tot het houden van bijeenkomsten van persoonlijke aard in of vanuit de inrichting openlijk onder de aandacht te brengen dan wel aan te prijzen. Voorschrift 3: “Van de vergunning uitsluitend gebruik mag worden gemaakt twee uur vóór, tijdens en twee uur na de activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard” Bijbehorend te verbinden voorschrift: Alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse mogen alleen worden verstrekt tijdens het gebruik van de inrichting overeenkomstig de statutaire doelstellingen of bestemming van de inrichting. Hieronder wordt tevens verstaan de tijd die vereist is voor een adequate afsluiting van de (sportieve) handeling. Uitzonderingen op grond van jurisprudentie Aan de horecavergunning van een stichting of vereniging worden de hierboven omschreven voorschriften in ieder geval niet verbonden, indien: de stichting of vereniging op gelijke wijze en onder gelijke voorwaarden als een regulier horecabedrijf op de markt opereert. Hiervan is sprake indien: De stichting of vereniging kan aantonen de laatste 10 jaar voor de vergunningsaanvraag geen directe dan wel indirecte subsidie te hebben ontvangen; De stichting of vereniging is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken en in die zin heffingen afdraagt aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken; De stichting of vereniging staat ingeschreven bij het Bedrijfschap Horeca en Catering in verband met de gebondenheid aan o.a. de horeca-CAO; Aangetoond kan worden (bijvoorbeeld middels een accountantsverklaring) dat alle leidinggevenden en werknemers in loondienst zijn en er derhalve de gebruikelijke inhoudingen plaatsvinden; De stichting te goeder trouw kan verklaren dat op geen enkele wijze gebruik gemaakt zal worden van vrijwilligers, ook niet op incidentele basis; Alle bestuursleden van de stichting voldoen aan de eisen gesteld in artikel 8 van de Drank- en Horecawet (bezit diploma Sociale Hygiëne, geen slecht levensgedrag etc.); De instelling belastingplichtig is en geen fiscale vrijstellingen geniet (zoals BTW, maar ook, voor zover van toepassing, vennootschapsbelasting); De onderneming wordt gedreven voor rekening en risico van de ondernemer (dus geen enkele NV of BV onder de stichting of vereniging; die worden als schijnconstructies beschouwd); De onderneming past binnen het ter plaatse vigerende bestemmingsplan; Er een reële huur- of pachtprijs, c.q. koopprijs is overeengekomen conform de marktwaarde, of er sprake is van een aangepaste prijs in relatie tot het primaire doel van de exploitatie. De stichting of vereniging zich niet richt op de in artikel 4, eerste lid van de Drank- en Horecawet, gestelde activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de opgesomde activiteiten als limitatief moeten worden aangemerkt (AbRS, 6-9-1999, no. HO1.98.1692). Drank- en Horecaverordening Ter nadere uitwerking van het beleid om voorschriften en beperkingen op te leggen aan paracommerciële instellingen kan een Drank- en Horecaverordening worden vastgesteld. Deze verordening wordt door de gemeenteraad vastgesteld. Een conceptverordening is als bijlage 9 bijgevoegd. Voorstel 4: Te besluiten aan paracommerciële instellingen in de drank- en horecavergunning de navolgende voorschriften op te nemen: Deze vergunning is niet geldig tijdens in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen; Er mogen geen openlijk aanprijzingen worden gedaan over de mogelijkheid tot het houden van bijeenkomsten van persoonlijke aard; van de vergunning uitsluitend gebruik mag worden gemaakt twee uur vóór, tijdens en twee uur na de activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard; Voorstel 5: In te stemmen met de inhoud en strekking van de Drank- en Horecaverordening zoals bijgevoegd in bijlage 9; en deze ter vaststelling voor te leggen aan de gemeenteraad. Ad 2 Subsidies De Algemene wet bestuursrecht regelt in titel 4.2 (artikelen 4.21 tot en met 4.80) subsidies, dat wil zeggen: aanspraken op financiële middelen, door het bestuursorgaan verstrekt, met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. Het verlenen van een subsidie onder voorwaarden is mogelijk. Deze voorwaarden moeten dan wel in de beschikking worden vermeld. Uitgangspunt van het gemeentelijke subsidiebeleid moet zijn dat te verlenen subsidies betrekking hebben op de activiteiten die overeenstemmen met de doelstellingen van de aanvrager (bijvoorbeeld een vereniging of stichting, die functioneert als paracommerciële instelling). Indien een instelling feitelijk wordt geëxploiteerd als een volwaardig horecabedrijf, kan dat aanleiding zijn om de subsidieverlening geheel te heroverwegen. Voorstel 6: Ermee in te stemmen dat het uitgangspunt van het gemeentelijke subsidiebeleid moet zijn dat te verlenen subsidies betrekking hebben op de activiteiten die overeenstemmen met de doelstellingen van de aanvrager (bijvoorbeeld een vereniging of stichting, die functioneert als paracommerciële instelling). Indien een instelling feitelijk wordt geëxploiteerd als een volwaardig horecabedrijf, dan kan dat aanleiding zijn om de subsidieverlening geheel te heroverwegen. Ad 3 Privaatrechtelijke regelingen Overeenkomsten op privaatrechtelijke basis tussen de eigenaar (veelal de gemeente) van de accommodatie (grond en/of gebouw en de paracommerciële instelling bieden eveneens een mogelijkheid om paracommercieel handelen te voorkomen en/of te beperken. Het gaat dan om erfpachtovereenkomsten en (ver)huurovereenkomsten, waarin bepalingen over paracommercialisme kunnen worden opgenomen. Privaatrechtelijke regelingen op dit vlak kunnen echter niet in de plaats van toepassing van de artikelen 4 tot en met 6 DHW treden. Dan zouden privaatrechtelijke regelingen immers het publiekrechtelijke regime doorkruisen. Het publiekrechtelijke regime biedt namelijk bescherming aan derden, met name horecaondernemers. Met het oog daarop moeten derden in de eerste plaats de mogelijkheid hebben het gemeentebestuur te verzoeken om handhaving van beperkingen of voorschriften die aan paracommerciële instellingen zijn opgelegd. In de tweede plaats voorziet artikel 6 van de Drank- en Horecawet in een openbare voorbereidingsprocedure ten aanzien van beslissingen omtrent toepassing van artikel 4 van de Drank- en Horecawet. Deze procedure zou worden omzeild indien uitsluitend privaatrechtelijke beperkingen zouden worden gehanteerd. Ad 4 Overige mogelijkheden tot het voeren van beleid Andere mogelijkheden tot het voeren van beleid om paracommercialisme te voorkomen en te beperken, zijn het geregeld informeren van alle paracommerciële instellingen over het verschijnsel paracommercialisme en het doen van een beroep op hen om paracommercialisme te voorkomen en/of te beperken door het naleven van: de voorschriften verbonden aan de drank- en horeca- en exploitatievergunning de voorwaarden verbonden aan de subsidiebeschikking de bepalingen in de erfpacht- c.q. (ver)huurovereenkomst; Een basis voor deze mogelijkheden wordt uiteraard gevormd door eigen waarnemingen van paracommerciële activiteiten, het ontvangen van klachten van horecaondernemers, al dan niet door middel van het periodieke overleg in de Kwaliteitskring en/of de LOV en het verkrijgen van informatie van het Bureau Eerlijke Mededinging (BEM!). Verhuuractiviteiten Ten aanzien van verhuuractiviteiten door paracommerciële instellingen, waarbij de verstrekking van alcoholhoudende drank door de huurders zelf wordt geregeld, geldt het volgende. Artikel 25 van de Drank- en Horecawet verbiedt het aanwezig c.q. in voorraad hebben van alcoholhoudende drank als de ruimte openstaat voor het publiek, en wanneer op dat moment niet het slijtersbedrijf of horecabedrijf rechtmatig (dus met vergunning) wordt uitgeoefend. De ruimte kan volgens rechtspraak worden geacht open te staan voor het publiek wanneer bij regelmatige verhuur wisselende groepen gasten aanwezig zijn, zonder dat de verhuurder actief en daadwerkelijk toezicht houdt op het besloten karakter van de bijeenkomsten. Tijdelijke ontheffing In artikel 4, lid 5 van de Drank- en Horecawet wordt bepaald dat, wanneer aan een vergunning voorschriften of beperkingen zijn verbonden, het college van burgemeester en wethouders daarvan bij bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard ontheffing kan verlenen. Hierbij kan worden gedacht aan bijzondere festiviteiten of attracties. Niet alleen de commerciële horeca vraagt al geruime tijd om duidelijker voorwaarden en beperkingen waar paracommerciële instellingen zich aan moeten houden, ook voor paracommerciële instellingen zelf is het vaak onduidelijk wat ze nu wel mogen en wat niet. Derhalve is besloten om een beleidsregel vast te stellen waarin aangegeven wordt op welke wijze zal worden omgegaan met de vrijstellingsmogelijkheden die genoemd worden in artikel 4, vijfde lid en artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Voorstel 7: In te stemmen met de beleidsregel zoals bedoeld in bijlage 10, waarin staat aangegeven op welke wijze wordt omgegaan met de vrijstellingsmogelijkheden die genoemd worden in artikel 4, vijfde lid en artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Bestuursreglement Op grond van artikel 9 van de Drank- en Horecawet moet het bestuur van een niet-commerciële instelling een reglement vaststellen dat ervoor zorgdraagt en dat waarborgt dat de verstrekking van alcoholhoudende drank in de inrichting gedurende de openingstijden vanuit het oogpunt van sociale hygiëne te allen tijde geschiedt door op dit gebied gekwalificeerde personen (leidinggevenden of IVA-gecertificeerde personen). De kwalificatienormen hiervoor worden eveneens in genoemd reglement vastgesteld. Het reglement geeft in ieder geval aan op welke dagen en tijdstippen bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt. Deze dagen en tijdstippen moeten duidelijk zichtbaar in de horecalokaliteit worden aangegeven. Het reglement voorziet voorts in de wijze waarop wordt toegezien op de naleving. Ten aanzien van voornoemd bestuursreglement hanteert het college van burgemeester en wethouders het modelbestuursreglement zoals dat door het NOC*NSF is opgesteld, als uitgangspunt ten behoeve van de beoordeling of een vergunning op grond van artikel 4 kan worden verleend. Dit voorbeeldreglement is als bijlage 11 opgenomen. Voorstel 8: Te besluiten om het modelbestuursreglement zoals dat door het NOC*NSF is opgesteld, als uitgangspunt te hanteren ten behoeve van de beoordeling of een vergunning op grond van artikel 4 kan worden verleend. 3.5 Alcoholmatigingsbeleid Het overmatig gebruik van alcohol tijdens de uitgaansuren levert veiligheidsrisico’s op. Met name van groepen jongeren die te veel drinken gaat veel dreiging uit. Daarnaast zorgen mensen die te veel hebben gedronken in de regel ook voor plas-, glas- en geluidsoverlast. De gemeente heeft een belangrijke taak in het tegengaan van alcoholmisbruik. Dit kan binnen de gemeente een begin krijgen door de twee belangrijkste invalshoeken van alcoholbeleid te integreren in de taakvelden van: gezondheidsbeleid en jeugdbeleid enerzijds en openbare orde en veiligheid anderzijds. Beide beleidsterreinen hebben, ondanks de verschillende gezichtspunten ten aanzien van de alcoholproblematiek, belang bij het terugdringen van de nadelige gevolgen van alcoholmisbruik. De genoemde beleidsterreinen kunnen geïntegreerd een basis vormen voor effectief alcoholmatigingsbeleid. Ad a. Openbare gezondheid en jeugdbeleid De gemeentelijke taak in het lokaal jeugd- en gezondheidsbeleid biedt vele mogelijkheden voor alcoholmatigingsactiviteiten. De gemeente zorgt onder andere voor het preventie- en gezondheidsbeleid op grond waarvan ze op alcoholpreventie gerichte voorlichtingsactiviteiten kan initiëren en sturen. Haar belangrijkste partners, zoals de GGD en de regionale instelling voor verslavingszorg (Bouwman GGZ) beschikken op dit terrein over veel kennis en ervaring. De bovengenoemde partijen kunnen concrete invulling geven aan preventieactiviteiten voor de jeugd die kennis en inzicht vergroten over de risico’s van alcoholmisbruik. Hierbij kan gedacht worden aan een voorlichtingsmiddag op basis- en middelbare scholen. Ook subsidieert de gemeente welzijnsvoorzieningen en sportactiviteiten en is ze verhuurder en beheerder van accommodaties. Naar aanleiding hiervan zou de gemeente in samenspraak met deze instellingen mogelijkheden kunnen zoeken voor richtlijnen voor de beschikbaarheid van alcohol en activiteiten stimuleren die gericht zijn op het matigen van alcohol. Voorstel 9: Te besluiten om in samenspraak met de GGD en de regionale instelling voor verslavingszorg (Bouman GGZ) waar mogelijk en gewenst mogelijkheden te zoeken voor richtlijnen voor de beschikbaarheid van alcohol en waar mogelijk en gewenst activiteiten te stimuleren die gericht zijn op het matigen van alcohol. Ad b. De openbare orde en veiligheid Alcoholbeleid heeft middels de APV en de Drank- en Horecawet een plaats binnen het beleidsterrein van de openbare orde en veiligheid. Binnen dit beleidsterrein wordt veelal gekeken naar de problematiek rondom het uitgaan. Gemeenten hebben de APV en de Drank- en Horecawet tot hun beschikking als het gaat om een juridisch kader voor het lokaal alcoholmatigingsbeleid. De APV In de APV kan de gemeente een lokaal juridisch kader scheppen voor de horecasector. In de huidige APV is opgenomen dat een exploitatievergunning vereist is voor het exploiteren van een horeca-inrichting. In deze exploitatievergunning worden allerlei voorwaarden opgenomen, die tot doel hebben om overlast te beperken. Drank- en Horecawet De artikelen 4 lid 3, 20 lid 5 en 23 lid 1 en 3 Drank- en Horecawet bieden de gemeente de mogelijkheid om aanvullende voorwaarden voor de vergunningverlening vast te leggen. Deze voorwaarden en de ontheffingsmogelijkheid ex. artikel 35 Drank- en Horecawet geven het gemeentebestuur de mogelijkheid om tijdens een evenement (zoals een braderie of wedstrijd) beperkingen op te leggen aan alcoholverkoop en –gebruik. Convenant Behalve deze juridische maatregelen heeft het gemeentebestuur in januari 2004 afspraken gemaakt met de horeca in de vorm van een convenant. In dit convenant kunnen gedragsregels worden opgenomen, waaraan alle partijen (gemeente, horeca, LOV, politie) zich verbinden. Op deze manier is een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een verantwoord alcoholgebruik ontstaan. In het convenant zijn reeds de volgende afspraken gemaakt wat betreft directe en indirecte alcoholmatigingsaspecten. Het gebruik van alcohol op of aan de openbare weg is in de Algemene Plaatselijke Verordening strafbaar gesteld voor enkele gebieden/locaties; Ondernemers dragen zorg voor het opstellen van regels, hierna te noemen “huisregels”; die worden bekendgemaakt door ze op duidelijk zichtbare plaats(en) in de inrichting op te hangen. De horecaondernemers dragen zorg voor de daadwerkelijke naleving van de huisregels. De horeca houdt zich strikt aan de Code voor alcoholhoudende dranken. (geen happy-hours of soortgelijke activiteiten). De ondernemers dragen zorg voor dat de wettelijke bepalingen ten aanzien van de verstrekking van alcoholhoudende drank aan minderjarigen consequent worden nageleefd. De ondernemers weren consequent personen uit hun zaak die reeds in kennelijke staat van dronkenschap zijn. Reeds in de zaak aanwezige personen, wordt geen alcoholhoudende drank meer geschonken wanneer deze in kennelijke staat van dronkenschap dreigen te raken. De politie reageert zo snel mogelijk op klachten ter zake van overmatig alcoholgebruik in en buiten de horecagelegenheden. De politie treedt consequent op tegen het gebruik van alcohol op de openbare weg. Verstrekking sterke drank In het kader van het alcoholmatigingsbeleid is het voorts mogelijk verdere beperkingen op te leggen met betrekking tot het verstrekken van alcoholhoudende dranken. Zo kan het verstrekken van sterke drank aan beperkingen worden gebonden in inrichtingen in de zin van de Drank- en Horecawet, waar veel jongeren komen. Deze bevoegdheid vindt zijn oorsprong in artikel 23, lid 3 van de Drank- en Horecawet. Op basis daarvan kan de raad in de meergenoemde Drank- en Horecaverordening de bepaling opnemen dat het verboden is (tenzij om niet) bedrijfsmatig sterke drank voor gebruik ter plaatste te verstrekken in inrichtingen: waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of hoofdzakelijk gerede eetwaren voor gebruik ter plaatse en elders dan ter plaatse plegen te worden verkocht; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een jeugdorganisatie of -instelling; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een sportorganisatie of -instelling; waarin onderwijs wordt gegeven. Voorstel 10: In te stemmen met het opnemen in de Drank- en Horecaverordening zoals bedoeld in bijlage 9 van een verbod op de verstrekking van sterke drank zoals hiervoor omschreven. Drankverkoop in winkels e.d. In artikel 18, lid 2 onder c van de Drank- en Horecawet is vermeld dat géén drank- en horecavergunning benodigd is voor een bedrijf (een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte) waarin hoofdzakelijk gerede eetwaren voor gebruik ter plaatse en elders dan ter plaatse plegen te worden verkocht, niet zijnde een horecalokaliteit. Dat betekent dat cafetaria's, snackbars en dergelijke zonder deze vergunning zwakalcoholhoudende dranken (bier, wijn e.d.) mogen verkopen, voor zover die dranken NIET in het bedrijf zelf worden geconsumeerd. Is dat namelijk het geval, dan is vanzelfsprekend WEL een drank- en horecavergunning benodigd. De Drank- en Horecawet stelt met name regels die zijn gericht op sociaalhygiënische en sociaal-economische aspecten van het verstrekken van alcoholhoudende drank. Bescherming woon- en leefklimaat In alcoholvrije bedrijven (cafetaria’s, snackbars en dergelijke zonder Drank- en Horecawetverordening) worden meer en meer zwakalcoholische dranken, met name bier in blik, voor gebruik elders dan ter plaatse verkocht. Deze alcoholvrije bedrijven hebben een laagdrempelig karakter en hebben een aantrekkingskracht op jongeren en low-budgetbezoekers. De verkoop van alcoholhoudende drank vanuit dergelijke bedrijven kan het drankgebruik op straat in de hand werken. Dit kan vervolgens leiden tot overlast en hinder voor omwonenden, tot vervuiling van de omgeving door weggeworpen blikjes en andere rommel, en tot vermindering van de gevoelens van veiligheid in de buurt. Daarnaast is het, met het oog op het beteugelen van het uitgaansgeweld van belang dat in alcoholvrije inrichtingen geen alcoholhoudende drank voor gebruik op straat kan worden verkregen. In de exploitatievergunning kan daarom, voor zover daartoe aanleiding bestaat, in afwijking van het bepaalde in voornoemd artikel 18 en dus in afwijking van nationale wetgeving, toch het voorschrift worden opgenomen dat het is verboden in het bedrijf zwakalcoholische dranken voor gebruik elders dan ter plaatse te verkopen, ten verkoop aan te bieden, dan wel voorradig te hebben. Voor zover de burgemeester dit voorschrift opneemt vanuit sociaalhygiënische en/of sociaal-economische motieven, wordt gehandeld in strijd met de Drank- en Horecawet (artikel 40). Echter, de burgemeester heeft met het opleggen van dit voorschrift een ander motief voor ogen. Het voorschrift wordt opgelegd in het belang van de openbare orde en de woon- en leefsituatie. Op deze wijze wordt niet in strijd gehandeld met voornoemd artikel 40 van de Drank- en Horecawet. Indien de burgemeester besluit tot het opnemen van dit voorschrift wordt voorkomen dat de in een snackbar gekochte alcoholhoudende dranken worden geconsumeerd in de openbare buitenruimte, hetgeen kan leiden tot vervuiling van de openbare ruimte (rondslingerende of kapotte flessen, blikjes) en verstoring van het leefklimaat door overmatig alcoholgebruik. 3.6 Tapontheffingen Bij evenementen worden dikwijls zwak-alcoholhoudende dranken verkocht buiten horecabedrijven, dus op straat, in het park of in het plantsoen. Dat mag niet zomaar. Naast de evenementenvergunning, benodigd voor het organiseren van een evenement, moet daarvoor tevens een ontheffing worden aangevraagd om buiten (een horecabedrijf) zwak-alcoholhoudende dranken te verstrekken. Deze ontheffing is benodigd op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Volgens de Drank- en Horecawet van voor 1-11-2000 kon een dergelijke ontheffing slechts worden verleend aan een horecaondernemer. Met het inwerking treden van de nieuwe wet (1-11-2000) kan dit aan iedereen, mits de verstrekking geschiedt onder de onmiddellijke leiding van een persoon die voldoet aan de navolgende eisen; Deze persoon mag niet onder curatele staan; Deze persoon mag niet uit de ouderlijke macht zijn ontzet; Deze persoon mag niet uit de voogdij zijn ontzet; Deze persoon mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; Deze persoon moet de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt. Deze persoon moet in het bezit is van een Verklaring sociale hygiëne (of een daaraan gelijkgesteld bewijsstuk (zie hoofdstuk Sociale Hygiëne). De ontheffing wordt verstrekt door de burgemeester, kan voor een aaneengesloten periode van ten hoogte 12 dagen worden verleend, en geldt alleen voor de verstrekking van zwak-alcoholhoudende drank. Het verstrekken van sterke drank is dus verboden. Aan een ontheffing kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden, bijvoorbeeld over het toezicht dat een ondernemer moet uitoefenen. Op de aanvraag voor een dergelijke ontheffing wordt beslist binnen acht
(8)weken na ontvangst van de aanvraag. Een langere periode Wanneer meerdere malen door dezelfde of verschillende personen een ontheffing voor de duur van 12 dagen wordt aangevraagd voor een evenement dat langer duurt als de door de wetgever genoemde "aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen", wordt geen ontheffing ex artikel 35 van de Drank- en Horecawet verleend. Immers, uit het doel en de strekking van de wet volgt duidelijk dat wordt beoogd om voor een aaneengesloten periode van maximaal 12 dagen ontheffing te verlenen, als uitzondering op het vereiste van de reguliere vergunning als bedoeld in artikel 3 van de wet. Ware dit anders geweest, dan zou telkens voor aaneengesloten perioden van 12 dagen ontheffing kunnen worden verleend, waardoor de wet zou kunnen worden omzeild. Voor evenementen die langer duren dan 12 dagen moet dus een reguliere vergunning worden aangevraagd. Doeleinden Drank- en Horecawet Bij de aanvraag om een ontheffing worden de doeleinden van de Drank- en Horecawet afgewogen, te weten, de sociale hygiëne, de sociaal-economische belangen en de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid. Deze aspecten komen hieronder aan de orde. Het belang van de sociale hygiëne In verband met het sociaal-hygiënisch karakter van de wet, wordt nagegaan of de situatie uit sociaal-hygiënisch oogpunt bezien "onschuldig" is. Wanneer de plaats van de verstrekking hoofdzakelijk zal worden bezocht door jeugdige personen die zonder geleide ook niet in een horeca-inrichting mogen worden toegelaten, of indien leidinggevenden en verkopers te jong zijn dan wel om hun levensgedrag niet gunstig bekend staan, wordt geen ontheffing verleend. De aanvrage kan ook worden afgewezen, indien de verkoopplaats, wegens gebrek aan overzichtelijkheid, te weinig lichtinval en dergelijke, gezien in verband met het geheel (aantal bezoekers, tijdsduur enz.), te wensen overlaat. De economische belangen Geen ontheffing wordt verleend als er feitelijk sprake is van bedrijfsvestiging, ook niet als de inrichting slechts op bepaalde tijden, of onder bepaalde omstandigheden, bij voorbeeld bij een bepaalde weersgesteldheid, is geopend. Een exploitant van een tijdelijke inrichting, bijvoorbeeld een ijsbaankantine, waarin alcoholhoudende drank wordt verkocht, ook al is dit beperkt tot bepaalde seizoenperiode, moet beschikken over een vergunning ex artikel 3. Kan voor een bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard ook een ontheffing worden verleend als er voldoende horeca-inrichtingen gevestigd zijn in de directe omgeving? Uit de geschiedenis van de onderhavige bepaling blijkt, dat bij "een bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard" slechts is gedacht aan feesten, vermakelijkheden enz. Daarbij kwam het al of niet bestaan van horeca-inrichtingen in de naaste omgeving niet ter sprake. Het ligt overigens voor de hand dat de burgemeester zulks mede afweegt bij het hanteren van zijn bevoegdheid. Het belang van de openbare orde, enz. Aspecten, die tenslotte worden afgewogen zijn de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid. Daarmee wordt beoogd een nadere waarborg te scheppen, dat het tappen en slijten van alcoholhoudende drank op verantwoorde wijze plaatsvindt. Artikel 21 verbiedt het verstrekken van alcoholhoudende drank indien redelijkerwijs moet worden vermoed, dat dit tot verstoring van het een of ander zal leiden. Gegronde vrees voor gevaar ter zake is volgens artikel 31, eerste lid, onder d, een grond voor intrekking van de vergunning, welke intrekkingsgrond ingevolge het derde lid van artikel 35 van overeenkomstige toepassing is verklaard op de ontheffing. Zodanige vrees zal dan ook eveneens een grond kunnen zijn om een ontheffing ex artikel 35, eerste lid, te weigeren. Ook verkeersveiligheid wordt meegewogen bij het al dan niet verlenen van een artikel 35-ontheffing. Tenslotte is van belang dat alleen ontheffing wordt verleend wanneer de verstrekking van zwak-alcoholhoudende drank geschiedt onder onmiddellijke leiding van een persoon die voldoet aan artikel 8, tweede (goed levensgedrag) en vierde lid (kennis en inzicht in sociale hygiëne). Wanneer wordt ontheffing verleend ? Ten behoeve van onderstaande gebeurtenissen wordt een ontheffing verleend: Bij buurtgebonden evenementen: het moet hierbij gaan om een kleinschalig evenement dat voornamelijk is gericht op de bewoners van de betreffende buurt; In het kader van een manifestatie, bv. Koninginnedag. Op Koninginnedag wordt alleen ontheffing verleend voor de verkoop van drank tegenover de horeca-inrichting van de ondernemer die de ontheffing aanvraagt. Dit is om te voorkomen dat horecaondernemers die elders gevestigd zijn met een horecabedrijf of van buiten Leerdam met een tap een standplaats innemen. Bovendien worden zo concentraties van tap-plaatsen tegengegaan; Bij een 10-jarig jubileum en elk daaropvolgend lustrum van een horecabedrijf, dat wil zeggen dat het bedrijf in die periode onafgebroken in het betreffende perceel is geëxploiteerd; Overige incidentele festiviteiten, ter beoordeling aan de burgemeester. Voorstel 11: Ermee in te stemmen dat een ontheffing op grond van artikel 35 Drank- en Horecawet kan worden verleend in de situaties zoals genoemd onder de hiervoor genoemde punten a, b c en d. Voorschriften Hieronder worden de voorschriften vermeld die worden opgenomen in de ontheffing. U geeft op duidelijk leesbare en zichtbare wijze kennis aan het publiek dat aan personen beneden de leeftijd van 16 jaar geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt; U stelt geen personen beneden de leeftijd van 16 jaar aan het werk voor de verstrekking van alcoholhoudende dranken; U weert personen die kennelijk onder de invloed van alcoholische drank verkeren of die door hun gedrag aanstoot geven; Voor het publiek zijn steeds alcoholvrije dranken aanwezig; Deze ontheffing is tijdens de verstrekking aanwezig; Ter plaatse van de verstrekking is geen sterke drank aanwezig; U verlicht en ventileert de ruimte zo lang er publiek aanwezig is, behoorlijk en zorgt dat deze van alle kanten goed te overzien is; U verstrekt alleen drank in plastic bekers. Het gebruik van glas is niet toegestaan Voorstel 12: In te stemmen met de hiervoor genoemde voorschriften die aan een ontheffing op grond van artikel 35 Drank- en Horecawet worden verbonden. Bescheiden Voor het aanvragen van een ontheffing voor het verstrekken van zwak-alcoholische dranken moeten de volgende bescheiden worden overgelegd: een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie van de personen onder wiens onmiddellijke leiding de verstrekking zal plaatsvinden. Het uittreksel moet de situatie weergeven van dat moment. een kopie legitimatiebewijs van de aanvrager en de personen onder wiens onmiddellijke leiding de verstrekking zal plaatsvinden; een kopie van de verklaring Sociale Hygiëne van de personen onder wiens onmiddellijke leiding de verstrekking zal plaatsvinden. een situatietekening (schaal 1:100
  1. cm)van de locatie, waarop tevens de tappunten staan aangegeven. Voorstel 13: Ermee in te stemmen dat ter verkrijging van een ontheffing op grond van artikel 35 Drank- en Horecawet de hiervoor genoemde documenten 1 t/m 4 moeten worden overgelegd. 3.7 Winkeltijdenwet Wanneer een inrichting zoals bedoeld in artikel 18, lid 2 onder c van de Drank- en Horecawet (snackbars) ter plaatse geen alcoholhoudende dranken verstrekken voor gebruik ter plaatse maar slechts verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse is zoals eerder genoemd géén drank- en horecavergunning benodigd. Naast het feit dat deze snackbar een horecabedrijf is in de zin van artikel 2.3.1.1 van de APV is hier tevens sprake van een winkel. Deze vorm van horeca valt vervolgens tevens onder de bepalingen van de Winkeltijdenwet. Het verstrekken voor directe consumptie geschikte eetwaren, is een vorm van horeca-activiteit die valt onder het begrip “winkel”. Een winkel is volgens deze wet een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin goederen aan particulieren plegen te worden verkocht. De Winkeltijdenwet (artikel 2) bepaalt vervolgens dat het verboden is een winkel voor het publiek geopend te hebben: op zondag; op Nieuwjaarsdag, op Goede Vrijdag na 19 uur, op tweede Paasdag, op Hemelvaartsdag, op tweede Pinksterdag, op 24 december na 19 uur, op eerste en tweede Kerstdag en op 4 mei na 19 uur; op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur. In artikel 10 van het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet is vervolgens bepaald dat winkels, waar uitsluitend maaltijden, voor directe consumptie geschikte eetwaren, alcoholvrije dranken en, door middel van een automaat, tabak en tabaksproducten, middelen ter voorkoming van zwangerschap en damesverband plegen te worden verkocht, wél op zon- en feestdagen geopend mogen zijn. Het verstrekken van zwak-alcoholhoudende dranken voor gebruik elders dan ter plaatse is, op grond van artikel 18, lid 2 onder c van de Drank- en Horecawet, niet aan een vergunningsplicht onderhevig. Zouden in deze typen winkels dus wél alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik elders dan ter plaatse, dan zijn de openingstijden zoals die zijn vermeld in de Winkeltijdenwet van toepassing. Winkels met restaurant of lunchroom Steeds vaker ontstaan er horecalokaliteiten in winkels, zoals bijvoorbeeld een lunchroom in een bakkerij. In de onderstaande tekening wordt deze situatie schetsmatig weergegeven. Achter één voordeur doen zich nu twee verschillende functies voor (bakkerij en horeca). Nog los van de vraag of dit bestemmingsplantechnisch allemaal wel is toegestaan, doet zich hier tevens de vraag voor welk sluitingstijdenregime nu van toepassing is, het APV-regime (vrije sluitingstijden voor de horeca) of het Winkeltijdenregime (voor de bakkerij). Zoals vermeld bepaalt de Winkeltijdenwet in artikel 2 dat het verboden is een winkel voor het publiek geopend te hebben op zondag, feestdagen en op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur. In artikel 11, lid 1 van het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet is bepaald dat het verbod om op zon- en feestdagen een winkel voor het publiek geopend te hebben, niet geldt ten aanzien van winkels, waarin zich een restaurant of lunchroom bevindt, voor zover het laten betreden van de winkel noodzakelijk is voor het bezoeken van het restaurant of de lunchroom. Op deze dagen geldt dus het APV-regime voor de in de bakkerij gesitueerde horecalokaliteit (een winkel voor het publiek geopend te hebben). Echter, het verbod om een winkel voor het publiek geopend te hebben op werkdagen voor 6 uur en na 22.00 uur, blijft van kracht. Het restaurant of de lunchroom moet dus van maandag tot en met zaterdag om 22.00 uur worden gesloten. Hoofdstuk 4 De exploitatievergunning 4.1 De exploitatievergunning Op grond van artikel 2.3.1.2, lid 1 van de APV is het verboden, zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren (exploitatievergunning). Dit betekent dat de vergunning onder meer moet worden aangevraagd bij: een nieuw bedrijf; overname van een bestaand bedrijf; wijziging in de ondernemingsvorm wijziging in de bedrijfsvoering. Onder horecabedrijf wordt in dit verband verstaan restaurants, cafés, cafetaria, snackbars, discotheken, koffiehuizen, evenals aanverwante inrichtingen waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt, met uitzondering van inrichtingen op staanplaatsen voor de ambulante handel. Onder het begrip “horecabedrijf” worden ook verstaan de bij dit bedrijf behorende terrassen en de andere aanhorigheden. Deze exploitatievergunning is primair een vergunning ter bescherming van het woon- en leefklimaat en ter voorkoming of beperking van aantasting van het woon- en leefklimaat: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf zich al dan niet verdraagt met het woon- en leefklimaat en de openbare orde ter plaatse. Daarbij is het niet alleen van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast te duchten is, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zal aantasten. Op grond van de APV kan overlast worden tegengegaan die de openbare orde betreft en zich buiten het bedrijf afspeelt. Omdat die overlast groot kan zijn, is een vergunningstelsel ingesteld opdat de openbare orde en het woon en leefklimaat in de omgeving van een horecabedrijf door middel van een preventieve toetsing kunnen worden beschermd. Voorschriften en beperkingen Om te voorkomen dat het woon- en leefklimaat wordt aangetast of dat de openbare orde en veiligheid wordt verstoord, worden aan de exploitatievergunning op grond van artikel 1.4 van de APV voorschriften en beperkingen opgelegd. Uiteraard kan de burgemeester, afhankelijk van de betreffende situatie, aan een exploitatievergunning ook aanvullende en/of gewijzigde voorschriften en beperkingen opleggen ter voorkoming van aantasting van het woon- en leefklimaat of verstoring van de openbare orde en veiligheid. In bijlage 11A staan mogelijke voorschriften en beperkingen opgesomd die in de exploitatievergunning kunnen worden opgenomen. Weigeren vergunning De burgemeester kan een exploitatievergunning weigeren wanneer: de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan. moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Daarbij houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf en de wijze van bedrijfsvoering van de beheerder in deze of in andere inrichtingen, alsmede hun antecedenten. Intrekken vergunning De burgemeester trekt de vergunning in wanneer: de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend; Wanneer de aanvrager van een exploitatievergunning verkeerde gegevens verstrekt, op grond waarvan de gemeente ten onrechte heeft aangenomen, dat aan alle vereisten van vergunningverlening was voldaan, dan wordt de vergunning weer ingetrokken. Een dergelijk geval kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer met één of meer stromannen wordt gewerkt, die wel "papieren" hebben en voldoen aan de zedelijkheidseisen, maar in feite geen algemene of onmiddellijke leiding aan de onderneming of inrichting geven. Men spreekt dan van een schijnconstructie. de exploitant de voorschriften behorende bij de vergunning, overtreedt; Wanneer de vergunninghouder zich niet houdt aan de in de vergunning vermelde voorschriften en/of beperkingen kan dat (uiteindelijk) leiden tot intrekking van een vergunning. Daarbij moeten uiteraard de beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen en ook de belangen in verband waarmee het vergunningsvereiste is gesteld. de exploitant de bepalingen van afdeling 3 van hoofdstuk 2 van de APV (Toezicht op openbare inrichtingen) overtreedt; aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; Deze intrekkingsgronden betreffen de gevaren voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat als de exploitant of beheerder zelf betrokken is bij harddrugs, heling, illegaal gokken en andere activiteiten, die de openbare orde bedreigen. De bepaling is op het gedrag van de exploitant en de beheerder zelf toegespitst. De betrokkenheid moet "aannemelijk" zijn. Dit kan blijken uit een analyse van de bevindingen van de Politie. Hetzelfde geldt voor ernstige nalatigheid. Het komt namelijk voor dat de houder of beheerder de bedrijfsvoering geheel uit de hand heeft laten lopen, door niet of nauwelijks aanwezig te zijn, niet of nauwelijks in te grijpen of normale voorzorgsmaatregelen te treffen, enzovoort. De bepaling kan niet worden gebruikt als de houder wel heeft getracht de bedoelde activiteiten te voorkomen, maar daarin niet is geslaagd. In dat geval kan overigens wel een sluiting als bedoeld in art. 2.3.1.5 van de APV aan de orde zijn. De toepassing daarvan, die een spoedeisend karakter heeft en in beginsel een beperkte duur heeft, staat los van de vraag, of de exploitant persoonlijk betrokken is bij de bedoelde activiteiten de exploitant toestaat dan wel gedoogt dat in zijn horecabedrijf strafbare feiten worden gepleegd; de exploitant zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid of andere vormen van discriminatie zoals bedoeld in artikel 1 van de Grondwet; zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat schorsing, intrekking of wijziging wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist; de exploitatie van het horecabedrijf voor een periode van langer dan drie maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is van gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; de vergunninghouder de inrichting niet langer exploiteert. Wijzigen Er kunnen zich uiteraard situaties voordoen dat door de wijze van exploiteren van het horecabedrijf de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- en leefklimaat wordt verstoord, maar deze aantasting/verstoring niet van een dusdanige omvang of ernst is dat op grond daarvan de vergunning moet worden ingetrokken. In een dergelijke situatie kan de burgemeester de vergunning wijzigen, bijvoorbeeld door het stellen van aanvullende voorschriften en/of beperkingen, het beperken van de geldigheidsduur of het opleggen van sluitingstijden. Schorsen In de praktijk doet zich bij gemeenten de behoefte voelen aan een instrument om adequaat ‘op maat’ op situaties te reageren. Zo kan de burgemeester zoals hiervoor aangegeven op diverse gronden de vergunning van een ondernemer intrekken of wijzigen, maar de ervaring heeft geleerd dat dit in concrete situaties nogal eens een zodanig drastisch middel wordt gevonden, dat het niet vaak wordt gebruikt. Daarom bestaat de mogelijkheid voor de burgemeester om een horecabedrijf tijdelijk te sluiten, door de vergunning voor een bepaalde periode te schorsen. De schorsing van een exploitatievergunning zal ten hoogste drie maanden duren. Het schorsingsinstrument leidt tot een meer flexibele inzet van sancties en derhalve tot een betere handhaving van afdeling 3 van hoofdstuk 2 van de APV. Persoonsgebonden De vergunning is gebonden aan de persoon van de exploitant, niet aan de horeca-inrichting. Bij elke wisseling van exploitant beoordeelt de gemeente of ook aan de opvolger een exploitatievergunning kan worden verleend. De exploitatievergunning wordt aangevraagd bij de burgemeester op een speciaal formulier. Daarop moeten de essentiële gegevens worden vermeld, zoals het karakter van de zaak en de beoogde sluitingstijden. Zo kan de te verwachten overlast worden beoordeeld. Belanghebbenden kunnen tegen het besluit een bezwaarschrift indienen. Bij spoedeisende belangen kunnen zij ook een verzoek tot schorsing van de verleende vergunning aanvragen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. Het is mogelijk dat aan de exploitatievergunning voorschriften en/of beperkingen worden verbonden. Zij wordt dan wel verleend, maar bijvoorbeeld met een beperking van het sluitingstijdstip of voor een beperkte periode. Heeft de burgemeester aan een bedrijf vergunning verleend, dan kan hij alsnog nadere eisen stellen. Hij zal dat bijvoorbeeld doen bij vrees voor ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat en de openbare orde. De slijterij Een slijterij is een bedrijf waar aan particulieren sterke drank, zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter plaatse, worden verstrekt en waar een aantal aan een slijterij gelieerde producten worden verkocht (zoals bijvoorbeeld kurkentrekkers, wijnrekjes, wijnkoelers, onderzetters e.d.). Een dergelijk bedrijf valt daarom NIET onder de exploitatievergunningsplicht. 4.2 Geldigheidsduur In de APV was geen regeling opgenomen voor een beperkte geldigheidsduur van exploitatievergunningen. Ten tijde van de wijziging van de APV (1 september 2004) is in artikel 6.5 de regeling opgenomen dat vergunningen (uiteraard inclusief de daarbij behorende voorschriften) nog gedurende 2 jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe APV van kracht blijven. Dat betekent dat verleende exploitatievergunningen nog geldig zijn tot 1 juli 2006. Voor de periode daarna moeten horecaondernemers nieuwe vergunningen aanvragen. In de nieuwe APV is geen regeling opgenomen voor de geldigheidsperiode. Voorgesteld wordt om een geldigheidsperiode in te voeren van 5 jaar. Door invoering van een dergelijke geldigheidsperiode ontstaat de mogelijkheid om controle te houden op mogelijke wisselingen in de exploitatie. Wisselingen (in personeelsbestand, bestuur, vennoten, eigendom) komen in de horeca frequent voor. In verband hiermee moet de beëindiging of overdracht worden gemeld aan de burgemeester (artikel 2.3.1.3.B, lid 6 APV). Op deze verplichting staat een strafrechtelijke sanctie (artikel 6.1, lid 1 APV). Het is overigens in het belang van de ondernemer om de overdracht goed af te wikkelen. Na mededeling is de opvolger aansprakelijk en aanspreekbaar voor de exploitatie. Het nadeel van invoering van een geldigheidsperiode is dat de ondernemer in ieder geval eens per vijf jaar een nieuwe exploitatievergunning moet aanvragen en daarvoor leges moet betalen. Dat staat haaks op de door het rijk gewenste administratieve lastenverlichting voor horecaondernemers. Echter, de zorg voor de kwetsbaarheid van de horeca voor mogelijke activiteiten die kunnen leiden tot verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat of infiltratie van criminelen, is van een groter belang dan het op dit onderdeel voorstaan van administratieve lastenverlichting. In de APV zal een extra artikel moeten worden opgenomen die luidt als volgt: Artikel 2.3.1.2 A De vergunning als bedoeld in art. 2.3.1.2 vervalt vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de vergunning, tenzij door de Burgemeester in bijzondere gevallen een kortere looptijd is vastgesteld. Voorstel 14: Ermee in te stemmen dat de geldigheidsperiode van een exploitatievergunning wordt gesteld op 5 jaar. In te stemmem met het doen aanpassen van de APV door toevoeging van voormeld artikel. 4.3 Koppeling aan de drank- en horecavergunning Lastenverlichting kan overigens voor een deel wel worden gevonden door een administratieve koppeling te bewerkstelligen tussen de opgave van de leidinggevenden van een horecabedrijf in een exploitatievergunning en de drank- en horecavergunning. Wat betekent dat? Een drank- en horecavergunning wordt opgesteld volgens een model zoals vastgesteld in de Regeling aanvraaggegevens en formulieren Drank- en Horecawet (zie artikel 3 van die regeling). Volgens dit model moeten alle leidinggevenden in/van een horecabedrijf op de vergunning worden vermeld met naam, voornaam, geboortedatum en geboorteplaats. De APV kent geen vergelijkbare regeling. Het is echter logisch dat de namen van de leidinggevenden in de exploitatievergunning worden vermeld in verband met helderheid over de persoon van vergunninghouder en aanwezige bedrijfsleiders en beheerders. Dit zijn immers de personen die kunnen worden aangesproken op de wijze van exploiteren van het horecabedrijf. Ook vraagt een effectieve en efficiënte controle om vermelding van de gegevens van de leidinggevenden in de exploitatievergunning. Dat betekent in de praktijk dan wel dat een wijziging in de exploitatie van een alcoholverstrekkend bedrijf leidt tot de aanvraag van een nieuwe drank- en horecavergunning en een nieuwe exploitatievergunning. Voor beide vergunningsaanvragen moeten leges worden betaald. Dit aspect kan worden ondervangen door in de exploitatievergunning voor een alcoholverstrekkend bedrijf de passage op te nemen: “Als leidinggevenden van het horecabedrijf treden op de personen zoals vermeld op de voor deze inrichting verleende rechtsgeldige drank- en horecavergunning”. Het spreekt voor zich dat deze koppeling alleen wordt toegepast bij alcoholschenkende bedrijven omdat dergelijke bedrijven moeten beschikken over een drank- en horecavergunning. In exploitatievergunningen van alcoholvrije horecabedrijven worden de voormelde gegevens van de leidinggevenden wél vermeld in de exploitatievergunning. In de omstandigheid dat de drank- en horecavergunning wordt ingetrokken en er geen nieuwe drank- en horecavergunning kan of zal worden verleend, wordt, voor zover er geen omstandigheden aanwezig zijn om ook de exploitatievergunning in te trekken, een gewijzigde exploitatievergunning verstrekt met de persoonlijke gegevens van de betreffende leidinggevenden. Naast de hier beschreven koppeling wordt bij gelijktijdige aanvraag van een exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning niet twee keer gevraagd dezelfde gegevens in te vullen. Door een verwijzing wordt voorkomen dat al bekende gegevens opnieuw worden gevraagd. Voorstel 15: In te stemmen met de koppeling van de drank- en horecavergunning met de exploitatievergunning met betrekking tot de opgave van de leidinggevenden. Ongewijzigde voortzetting Na afloop van de geldigheidsperiode (5 jaar) moet door de horecaondernemer een nieuwe exploitatievergunning worden aangevraagd. Ter beperking van de administratieve lasten wordt voorgesteld om voor de hernieuwde exploitatievergunning een lager legesbedrag in rekening te brengen, voor zover wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden: de exploitatiewijze, inrichting, rechtsvorm en werkzame personen. 8 weken voor afloop van de geldende exploitatievergunning is een nieuwe en ontvankelijke aanvraag voor een (hernieuwde) exploitatievergunning ingediend; de exploitatiewijze, inrichting, rechtsvorm en werkzame leidinggevenden zijn in geen enkel opzicht gewijzigd ten opzichte van de laatst afgegeven exploitatievergunning; er zijn in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de nieuwe vergunningsaanvraag geen bestuursrechtelijke maatregelen getroffen tegen de ondernemer en/of de exploitatiewijze van dit horecabedrijf; er zijn in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de nieuwe vergunningsaanvraag géén gegronde klachten ontvangen over de wijze van exploiteren van dit horecabedrijf door de ondernemer of diens leidinggevenden; er zijn geen indicaties op basis waarvan een bibobonderzoek zal worden opgestart. In een dergelijke situatie kan worden volstaan met een beperkte beoordeling van de nieuwe aanvraag. De (kostendekkende) leges voor een dergelijke situatie staan vermeld in bijlage 8. 4.4 Strijd met bestemmingsplan In de praktijk komt het regelmatig voor, dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraag noch de openbare orde noch het woon en leefklimaat zich tegen vergunningverlening verzetten, terwijl het geldende bestemmingsplan de vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is dan moeilijk uit te leggen dat de exploitatievergunning moet worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden omdat de vestiging in strijd is met het bestemmingsplan. Daarom is in artikel 2.3.1.3.B, lid 1 van de APV de bepaling opgenomen dat de vergunning niet wordt verleend als de vestiging in strijd is met een geldend bestemmingsplan. De vraag is natuurlijk wat de betekenis is van deze weigeringsgrond. Het gaat bij deze weigeringsgrond niet om een zelfstandige weigeringsgrond, maar slechts om een coördinatieregeling. Wanneer deze bepaling zou worden gebruikt als zelfstandige weigeringsgrond, dan zou de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad worden gebruikt ter behartiging van planologische belangen. En dat is in strijd met artikel 10 en 72 van de Wet op de ruimtelijke ordening. Het uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening (dus vanuit planologische motieven) vaststellen van gebruiksvoorschriften mag slechts geschieden in het kader van een bestemmingsplanprocedure die met vele waarborgen is omkleed. Blijkens jurisprudentie is deze coördinatieregeling aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt deze regeling met zich mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake. Als de in de APV omschreven weigeringsgrond nl. zo wordt uitgelegd dat reeds het gebruik van een perceel dat niet past binnen de bestemming sec wordt beschouwd als “strijd met het bestemmingsplan”, dan zou dat betekenen dat deze bepaling (buiten de bestemmingsplanprocedure
  2. om)de functie gaat vervullen van een planologisch gebruiksvoorschrift. Dat is strijdig met de Wet op de ruimtelijke ordening. 4.5 Aantasting van het woon- en leefklimaat In artikel 2.3.1.3.B, lid 2 van de APV is bepaald dat de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk kan weigeren, wanneer naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Daarbij houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf en de wijze van bedrijfsvoering van de beheerder in deze of in andere inrichtingen, Bij het al dan niet verlenen van een exploitatievergunning moet daarom worden gekeken naar de effecten van de horecavestiging op het woon- en leefklimaat in de omgeving. Daartoe is binnen de vigerende bestemmingsplannen een onderscheid gemaakt tussen 3 verschillende categorieën horecabedrijven die qua karakter vanuit orde en handhaving en/of vanuit ruimtelijke ordeningsaspecten een aparte benadering vergen. Naast de beoordeling op basis van het bestemmingsplan, worden de navolgende typen horecabedrijven onderscheiden, een en ander op basis van de inschatting van de verschillende mate van (directe en indirecte) overlast ten aanzien van het woon- en leefklimaat, beoordeeld op basis van de belangen die strekken tot bescherming van de openbare orde en veiligheid en/of aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse (van geen naar veel overlast). Uitgangspunt bij de verschillende typen is dat het onderscheiden van verschillende soorten horeca alleen zinvol is, als die soorten ook tijdig en met de toetsingsmiddelen die in dit kader ter beschikking staan, herkend kunnen worden (onder meer bij de bouwaanvraag). Het gaat om verschillende mate van (directe en indirecte) overlast ten aanzien van het woon- en leefklimaat. Daarbij zijn diverse aspecten relevant: openingstijden, benodigde vergunningen, mate van geluidsproductie, mogelijkheid tot vuil/rommel op straat, mate van stank, mate van geluidsoverlast van terrasbezoekers en vertrekkende klanten. Er is een taxatie' gemaakt van de mate van mogelijke overlast per categorie. Binnen het brede scala aan horecabedrijven zijn er enkele soorten die op bepaalde plaatsen niet goed samengaan met andere gewenste functies. Dit is afhankelijk van de functionele context van een gebied. Typen horecabedrijven De volgende soorten horecaondernemingen worden onderscheiden: 1. Alcoholvrij / alcoholarm Dit zijn onder andere lunchrooms, tearooms, ijssalons, koffie- en eethuizen. Het verschil met andere categorieën is het niet mogen verstrekken van alcoholische drank (of alleen zwak-alcoholische dranken) en het niet hebben van een restaurant vergunning. In het algemeen is de verstoring van het woon- en leefmilieu door deze categorie gering. 2. Additionele horeca De laatste jaren is een toenemende vraag te zien naar het realiseren van additionele horeca met een horecadeel. In een mengformule worden meerdere, uiteenlopende activiteiten gecombineerd in één onderneming. Hierbij wordt in een winkel of in consumentverzorgende dienstverlening een deel van het vloeroppervlak gebruikt voor het tegen vergoeding schenken van dranken en/of verstrekken van spijzen voor directe consumptie (koffie, thee, fris, alcoholhoudende dranken, broodjes en dergelijke). Voorbeelden van dergelijke additionele horeca zijn softijsverkoop in een speciaalzaak met zoetwaren, een koffiehoek in een (banket)bakkerswinkel, verkoop van belegde broodjes in een slagerswinkel, een koffiehoek in een meubelzaak, een café in een warenhuis of een restaurant in een tuincentrum.. In deze categorie vallen tevens jongerencentra, recreatieve en sportieve inrichtingen en verenigingen, zoals: sporthallen, musea en sauna's. 3. Restaurants Restaurants zijn eetgelegenheden met een resta

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.