← Nederland

Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 (Zeeland)

Kort gezegd

Deze wet regelt de procedures en voorwaarden voor het aanvragen, verstrekken en vaststellen van subsidies door de provincie Zeeland, met specifieke regels afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

* Arrangement 1: voor subsidies tot en met € 10.000, met een voorschot van 100%.

* Arrangement 2: voor subsidies hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000, met een voorschot van maximaal 75%.

Wettekst

Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013Gedeputeerde staten van Zeeland Gelezen het voorstel van de afdeling FEZ, nr. FEZ A-01, stuknr. 12076926; Overwegende dat ter uitvoering van het door provinciale staten vastgestelde subsidiebeleid nadere regels dienen te worden gesteld voor het verstrekken van subsidies; Gelet op artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013; besluiten vast te stellen het navolgende Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen § 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.1.1 In dit uitvoeringsbesluit wordt verstaan onder: instelling: een rechtspersoon, een vennootschap of een eenmanszaak; arrangement: een vaste set van specifieke regels, voorwaarden en verplichtingen dat gerelateerd is aan de hoogte van het subsidiebedrag; prestatieafspraak: één of meerdere activiteiten geformuleerd in de beschikking tot subsidieverstrekking, die dienen te worden gerealiseerd om in aanmerking te komen voor subsidie of voor een deel daarvan; prestatiebewijs: een op basis van dit besluit dan wel in de beschikking tot subsidieverlening als zodanig aangeduid geheel van bewijsmiddelen waarmee onweerlegbaar wordt aangetoond dat de prestatieafspraak is gerealiseerd; accountant: een accountant, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 55 van de Wet op de registeraccountants, of een Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde lid, van die wet; financiële verantwoording: een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit en die zijn afgezet tegen de begrote kosten en opbrengsten; integrale kosten subsidie: een subsidie waarbij alle kosten van een instelling subsidiabel zijn. § 1.2 Algemene weigeringsgronden Artikel 1.2.1 Subsidie wordt slechts verstrekt aan een instelling. Subsidie wordt niet verstrekt indien: de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie is gerealiseerd; de subsidie is aangemerkt als ontoelaatbare staatssteun; of de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 2.500. § 1.3 Subsidiabele kosten Artikel 1.3.1 Subsidiabel zijn de voor de te subsidiëren activiteit noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de betreffende activiteit. De in rekening te brengen BTW die kan worden teruggevorderd of op enigerlei wijze wordt terugbetaald, komt niet voor subsidie in aanmerking. Artikel 1.3.2 Personeelskosten zijn subsidiabel: indien deze aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de activiteit en daartoe bij de instelling een door de accountant controleerbare urenadministratie wordt toegepast, tegen een uurtarief dat overeenkomt met ten hoogste 1,2 procent van het betreffende bruto maandsalaris, in welk uurtarief worden geacht te zijn verwerkt, vakantiegeld, bijzondere uitkeringen, werkgeverslasten, feestdagen, verlof, improductieve uren, opslagen en overige directe of indirecte personeelskosten, ingeval van een deeltijd dienstverband om te rekenen naar een maandsalaris bij een voltijds dienstverband, en tot een maximum van de in de begroting opgenomen personeelskosten. Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde systematiek. § 1.4 De aanvraag voor de subsidie Artikel 1.4.1 Tenzij in dit besluit anders is bepaald, wordt de aanvraag voor de subsidie tenminste acht weken voor het begin van de activiteit ingediend. Gedeputeerde staten kunnen in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde termijn. Artikel 1.4.2 De aanvraag voor de subsidie bevat ten minste: een concrete beschrijving van de activiteit, een uiteenzetting van de wijze waarop de activiteit bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen van de provincie Zeeland, de duur van de activiteit, het geografisch gebied waarop de activiteit betrekking heeft, een concrete beschrijving van het verwachte resultaat en het na te streven kwaliteitsniveau, een sluitende begroting van de activiteit, een verklaring van het bestuur of de directie van de instelling waaruit blijkt dat de instelling voldoet dan wel niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013, en een beschrijving van eventuele organisatorische verbanden met andere rechtspersonen en van eventuele banden van financiële aard die blijvend van invloed kunnen zijn op de hoogte van de kosten van subsidiabele activiteiten of op de opbrengsten daaruit. Gedeputeerde staten kunnen aanvullende informatie opvragen die zij relevant achten voor de beoordeling van de aanvraag van de subsidie. Artikel 1.4.3 De sluitende begroting als bedoeld in artikel 1.4.2, eerste lid, onder f, vermeldt: alle kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit, of en bij welke instanties en tot welke bedragen voorts subsidies, sponsorgelden of andere bijdragen worden aangevraagd, en welke inmiddels zijn verleend, tot welk bedrag men een beroep doet op de provincie Zeeland, ter zake van personeelskosten het aan de activiteit toe te rekenen aantal uren per personeelslid, en of de aanvrager van de subsidie wel of geen betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen. § 1.5 De beslissing op de aanvraag voor de subsidie Artikel 1.5.1 Gedeputeerde staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor de subsidie de met de instelling in het verleden opgedane ervaringen met betrekking tot de naleving van de subsidieverplichtingen. Artikel 1.5.2 Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag. Als de aanvraag voor de subsidie in verband met staatsteun aan de Europese Unie wordt voorgelegd, beschikken gedeputeerde staten daarop binnen acht weken na de beslissing van de Europese Unie. Artikel 1.5.3 Indien voor dezelfde activiteit een subsidie door het Rijk of de Europese Unie is verstrekt, dan sluit de provincie aan bij de voorwaarden, verplichtingen en de wijze van vaststelling van de hogere overheid. Indien voor dezelfde activiteit een hogere subsidie is verstrekt dan de subsidie van de provincie Zeeland door een andere dan in het eerste lid genoemde overheid kunnen gedeputeerde staten bepalen aan te sluiten bij de voorwaarden, verplichtingen en de wijze van bevoorschotting en vaststelling van de andere subsidieverstrekker. Gedeputeerde staten kunnen van het bepaalde in het eerste lid afwijken, indien: de provincie een hogere subsidie verstrekt dan de subsidie van het Rijk of de subsidie van de Europese Unie; of de provinciale subsidie wordt toegekend conform paragraaf 1.7: Arrangement 1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013. Artikel 1.5.4 Indien een subsidie wordt verstrekt aan een overheidsinstelling in het kader van een specifieke uitkering waarop de beginselen van Single information, Single audit van de artikelen 17a en 17b van de Financiële verhoudingswet van toepassing zijn, dan zijn verplichtingen en voorwaarden betreffende de subsidieverstrekking zoals bepaald in de artikelen 17a en 17b van de Financiële verhoudingswet van toepassing. § 1.6 Verplichtingen Artikel 1.6.1 De instelling besteedt de subsidie niet in strijd met op haar rustende wettelijke verplichtingen. Artikel 1.6.2 De instelling stelt gedeputeerde staten onverwijld schriftelijk in kennis zodra aannemelijk is dat: de activiteit of de prestatieafspraak waarvoor subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zal worden verricht; of niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden voorwaarden en verplichtingen zal worden voldaan. Artikel 1.6.3 Activa aangeschaft met een subsidie van de provincie Zeeland dient: de gehele economische gebruiksduur beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze is aangeschaft indien deze een economische gebruiksduur heeft van minder dan vijf jaar; gedurende vijf jaar na vaststelling van de subsidie beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze is aangeschaft indien deze een economische gebruiksduur heeft van meer dan vijf jaar. Artikel 1.6.4 Bij de subsidieverlening kunnen gedeputeerde staten de instelling ook andere verplichtingen tot verwezenlijking van het doel van de subsidie opleggen dan die bedoeld in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.6.5 Als een subsidie is aangemerkt als toelaatbare staatssteun, voldoet de instelling aan de daaraan door de Europese Unie gestelde verplichtingen. Artikel 1.6.6 Aan een subsidie verbinden gedeputeerde staten de verplichting dat de instelling in zijn bekendmakingen of publiciteitsuitingen de provincie als subsidieverstrekker vermeldt. Gedeputeerde staten kunnen gelet op de hoogte van het subsidiebedrag of de aard van de activiteit besluiten dat het eerste lid niet van toepassing is op de subsidieverstrekking. Indien niet of niet volledig is voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichting, kan het uiteindelijke subsidiebedrag ten hoogste worden verlaagd met vijf procent, met een maximum van € 5.000. § 1.7 Arrangement 1 Artikel 1.7.1 Op het verstrekken van subsidie tot en met € 10.000 zijn de regels van arrangement 1 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf. Artikel 1.7.2 Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 1 van toepassing is, vindt plaats in de vorm van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak. Artikel 1.7.3 Bij een subsidie waarop arrangement 1 van toepassing is verlenen gedeputeerde staten een voorschot van honderd procent van de maximale subsidie. Artikel 1.7.4 Op basis van een steekproef besluiten gedeputeerde staten of de instelling wel of niet een aanvraag tot vaststelling moet indienen en stellen de instelling binnen tweeëntwintig weken na afloop van de gesubsidieerde activiteit op de hoogte van dit besluit. Indien de instelling geen aanvraag tot vaststelling hoeft in te dienen, stellen gedeputeerde staten de subsidie binnen tweeëntwintig weken na afloop van de gesubsidieerde activiteit ambtshalve vast. Artikel 1.7.5 Uiterlijk vier weken na ontvangst van het in artikel 1.7.4 eerste lid bedoelde besluit dient de instelling de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling. Artikel 1.7.6 De aanvraag tot vaststelling bevat het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraak en de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden. Artikel 1.7.7 Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast. Artikel 1.7.8 De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaar alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het onderdeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling. Artikel 1.7.9 De subsidie wordt vastgesteld naar evenredigheid van de werkelijk gerealiseerde, uit het prestatiebewijs blijkende, prestatieafspraken. Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingsbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste lid wordt berekend. § 1.8 Arrangement 2 Artikel 1.8.1 Op het verstrekken van subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 zijn de regels van arrangement 2 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf. Artikel 1.8.2 Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 2 van toepassing is vindt plaats in de vorm van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak. Artikel 1.8.3 Gedeputeerde staten verlenen bij een subsidie waarop arrangement 2 van toepassing is een voorschot van ten hoogste vijfenzeventig procent van de maximale subsidie. Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat het voorschot wordt betaald in termijnen. Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie kunnen gedeputeerde staten afwijken van het in het eerste lid bepaalde. Artikel 1.8.4 De instelling dient binnen twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in. Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling. Artikel 1.8.5 De aanvraag tot vaststelling bevat het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraak en de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden. Artikel 1.8.6 Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast. Artikel 1.8.7 De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaar alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het oordeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling. Artikel 1.8.8 De subsidie wordt vastgesteld naar evenredigheid van de werkelijk, uit het prestatiebewijs blijkende, gerealiseerde prestatieafspraak. Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste lid wordt berekend. Artikel 1.8.9 Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen, op basis van een risicoafweging, besluiten om op een subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 arrangement 1 toe te passen. § 1.9 Arrangement 3 Artikel 1.9.1 Op het verstrekken van subsidie hoger dan € 50.000 zijn de regels van arrangement 3 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf. Artikel 1.9.2 Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 3 van toepassing is vindt plaats op basis van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak en een percentage van de door gedeputeerde staten subsidiabel geachte kosten. Artikel 1.9.3 Gedeputeerde staten verlenen bij een subsidie waarop arrangement 3 van toepassing is een voorschot van ten hoogste vijfenzeventig procent van de maximale subsidie. Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat het voorschot wordt betaald in termijnen. Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie kunnen gedeputeerde staten afwijken van het in het eerste lid bepaalde. Artikel 1.9.4 De instelling dient uiterlijk twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in. In geval de instelling een financiële verantwoording indient zoals bedoeld in artikel 1.9.5, tweede lid, dient de instelling uiterlijk twaalf weken na vaststelling van de jaarrekening een aanvraag tot vaststelling in. Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid en tweede lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling. Artikel 1.9.5 De aanvraag tot vaststelling bevat: het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraak, de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden, en een financiële verantwoording voorzien van een controleverklaring van de accountant. De financiële verantwoording zoals bedoeld in het eerste lid onder c kan onderdeel uitmaken van de vastgestelde jaarrekening van de instelling en hiervan worden gedeputeerde staten tijdig in kennis gesteld. Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen uit economisch-rationele overwegingen afzien van de vereiste controleverklaring van de accountant en bepalen dat de vaststelling kan geschieden aan de hand van een beoordelingsverklaring dan wel bewijsstukken zoals kopieën van facturen en betalingsbewijzen van de gesubsidieerde kosten. Artikel 1.9.6 Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast. Artikel 1.9.7 De accountant voert zijn controle uit mede overeenkomstig het in Bijlage A bij dit besluit opgenomen controleprotocol. Artikel 1.9.8 De financiële administratie van een instelling ten behoeve van de verantwoording van de subsidie dient op een inzichtelijke wijze te worden gevoerd. De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaren of accountant inzage te verlenen in de administratie en alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het oordeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling. In aanvulling op het in het tweede lid bepaalde kan de externe accountant van de provincie op verzoek van gedeputeerde staten bij de accountant van de gesubsidieerde instelling een accountantsreview instellen. Artikel 1.9.9 De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de ingediende verantwoording, waarbij: het maximale te ontvangen subsidiebedrag wordt bepaald aan de hand van de werkelijk gerealiseerde uit het prestatiebewijs blijkende prestatieafspraken, en waarbij de werkelijke subsidie niet meer kan bedragen dan het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde percentage van de totale werkelijk gemaakte subsidiabel geachte kosten. Extra opbrengsten op de activiteit ten opzichte van de begroting bij de aanvraag van de subsidie worden in mindering gebracht op de totale werkelijk gemaakte subsidiabele geachte kosten. Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste en tweede lid wordt berekend. Artikel 1.9.10 Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen, op basis van een risicoafweging, besluiten om op een subsidie hoger dan € 50.000 arrangement 2 toe te passen. § 1.10 Overige bepalingen Artikel 1.10.1 Indien na vaststelling van de subsidie blijkt dat de in artikel 1.6.3 genoemde activa is vervreemd en aldus de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de op basis van genoemd artikel aan de subsidie verbonden verplichting, kunnen gedeputeerde staten de beschikking tot subsidievaststelling ten nadele van de ontvanger wijzigen of intrekken. Indien de Europese Unie dat in verband met ontoelaatbare staatsteun vordert, wijzigen of trekken gedeputeerde staten de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling in. Hoofdstuk 2 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van integrale kosten subsidie § 2.1 Weigeringsgronden Artikel 2.1.1 In aanvulling op artikel 1.2.1 komt een instelling slechts in aanmerking voor een integrale kosten subsidie indien: wordt voldaan aan de maatstaven zoals gesteld in de subsidienota "resultaat met subsidie", en de instelling is opgenomen in een door gedeputeerde staten samengestelde lijst. De in het eerste lid onder b genoemde lijst met instellingen die in aanmerking komen voor een integrale kosten subsidie stellen gedeputeerde staten vast op basis van de subsidienota "resultaat met subsidie" en overig provinciaal beleid. Gedeputeerde staten publiceren de lijst met instellingen en een eventuele wijziging hiervan in het provinciaal blad. § 2.2 Subsidiabele kosten en subsidiabele periode Artikel 2.2.1 In afwijking van het bepaalde in artikel 1.3.1 eerste lid geldt ten aanzien van het verstrekken van een integrale kosten subsidie dat: de kosten die direct en indirect zijn toe te rekenen aan de te subsidiëren activiteit, subsidiabel zijn, de kosten op een realistische en transparante wijze worden toegerekend aan de te subsidiëren activiteit, de toevoeging aan een voorziening gerekend wordt tot de subsidiabele kosten, en de toevoeging aan een reserve niet gerekend wordt tot de subsidiabele kosten. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvraag van de subsidie, op gemotiveerd verzoek van de aanvrager, besluiten dat de toevoeging aan een reserve wordt beschouwd als subsidiabele kosten. Artikel 1.3.1 tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.2.2 Artikel 1.3.2 is niet van toepassing op een integrale kosten subsidie. Artikel 2.2.3 Een integrale kosten subsidie wordt verstrekt voor een periode van maximaal het boekjaar van de instelling. § 2.3 De aanvraag voor de subsidie Artikel 2.3.1 Een aanvraag voor integrale kosten subsidie wordt ingediend tenminste acht weken voor aanvang van het boekjaar van de instelling. Gedeputeerde staten kunnen in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde termijn. Artikel 2.3.2 In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.4.2 eerste lid bevat de aanvraag voor subsidie ten minste: een toelichting op de toerekening van de kosten en opbrengsten aan de te subsidiëren activiteiten, en de meest recente jaarrekening van de instelling voorzien van een controleverklaring van een accountant. Artikel 1.4.2 tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie. Artikel 2.3.3 In afwijking van het bepaalde in artikel 1.4.3. vermeldt de begroting als bedoeld in artikel 1.4.2 eerste lid onder f, bij een aanvraag voor een integrale kosten subsidie voor het boekjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd: alle kosten en opbrengsten van de instelling, een overzicht van de kosten en opbrengsten per te subsidiëren activiteit, tot welk bedrag men een beroep doet op de provincie Zeeland, en of de aanvrager van de subsidie wel of geen betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen. § 2.4 De beslissing op de aanvraag Artikel 2.4.1 De artikelen 1.5.1 en 1.5.2 zijn van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie. De artikelen 1.5.3 en 1.5.4 zijn niet van toepassing op een integrale kosten subsidie. Artikel 2.4.2 Bij de beoordeling van de aanvraag voor een integrale kosten subsidie wordt de financiële positie van de instelling betrokken. Indien de financiële positie van de instelling zo gunstig is dat de instelling over voldoende vrij besteedbare financiële middelen beschikt om activiteiten zelf te realiseren, kunnen gedeputeerde staten besluiten een lagere integrale kosten subsidie te verstrekken dan aangevraagd. § 2.5 Verplichtingen Artikel 2.5.1 Op een integrale kosten subsidie zijn de artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.6 van overeenkomstige toepassing. § 2.6 Arrangement 3 Artikel 2.6.1 Ter vervanging van paragraaf 1.9 zijn op een integrale kosten subsidie de regels van arrangement 3 (verstrekken van subsidies hoger dan € 50.000,--) van toepassing, zoals opgenomen in de paragrafen 2.6 tot en met 2.9. Paragrafen 1.7 (arrangement 1) en 1.8 (arrangement 2) zijn niet van toepassing op een integrale kosten subsidie. Artikel 1.9.2 is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie. § 2.7 Voorschotten Artikel 2.7.1 Gedeputeerde staten verstrekken op een integrale kosten subsidie een voorschot van ten hoogste honderd procent van de maximale subsidie. Het voorschot op een integrale kosten subsidie zoals bedoeld in het eerste lid wordt in termijnen uitbetaald. § 2.8 Aanvraag tot vaststelling Artikel 2.8.1 Bij een integrale kosten subsidie dient de instelling binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling in. Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling. Artikel 2.8.2 De aanvraag tot vaststelling voor een integrale kosten subsidie bevat: de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijzen, de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden, het jaarverslag over het boekjaar, een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen activiteiten als onderdeel van de jaarrekening, en de jaarrekening over het boekjaar van de instelling voorzien van een controleverklaring van de accountant. § 2.9 Vaststelling Artikel 2.9.1 De artikelen 1.9.6 tot en met 1.9.9 zijn van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie. Artikel 1.9.10 is niet van toepassing op een integrale kosten subsidie. § 2.10 Overige bepalingen Artikel 2.10.1 Artikel 1.10.1 is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie. Hoofdstuk 3 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor verkeersveiligheid § 3.1 Algemeen Artikel 3.1.1 Subsidie kan worden verleend voor activiteiten ter bevordering van de verkeersveiligheid in Zeeland, passend bij het vigerend Beleidsplan verkeersveiligheid. Artikel 3.1.2 De artikelen 1.2.1, eerste lid, en 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b zijn van toepassing op een subsidie voor verkeersveiligheid. In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c wordt een subsidie voor verkeersveiligheid niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 100. Artikel 3.1.3 De artikelen 1.3.1 tot en met 1.10.1 zijn van toepassing op een subsidie voor verkeersveiligheid. Artikel 3.1.4 Voor de beoordeling van de aanvraag voor de subsidie voor verkeersveiligheid wordt advies gevraagd aan het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Zeeland. § 3.2 Zeeuws Verkeersveiligheidslabel Artikel 3.2.1 Subsidie kan worden verleend voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel. Artikel 3.2.2 In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, wordt een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel slechts verstrekt aan een basisschool. Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en c, zijn niet van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel. Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel b is van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel. Artikel 3.2.3 Een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel bedraagt € 250 per behaald label. In afwijking van artikel 1.4.1, eerste lid, wordt een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel aangevraagd na ontvangst van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel-certificaat. Artikel 3.2.4 In afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel-certificaat. Artikel 3.2.5 Een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel wordt verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling. Artikel 3.2.6 De artikelen 1.3.1, 1.3.2, 1.4.1 tweede lid, 1.4.2 tweede lid, 1.4.3, 1.5.3, 1.5.4, 1.6.1 tot en met 1.6.6, 1.7.1, 1.7.3, 1.7.4, 1.7.5, 1.7.6, 1.7.7, 1.7.9 en 1.8.1 tot en met 1.10.1, eerste lid, zijn niet van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel. De artikelen 1.5.1, 1.5.2, , 1.7.2, 1.7.8 en 1.10.1, tweede lid, zijn van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel. Hoofdstuk 4 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het doen draaien van molens Artikel 4.1 Subsidie kan worden verleend voor het doen draaien van een windmolen, die in het register van beschermde rijksmonumenten is opgenomen als molen in de categorie Industrie- en poldermolen. Artikel 4.2 In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, wordt een subsidie voor het doen draaien van een windmolen verleend aan de eigenaar van de molen, ook indien dit een natuurlijk persoon betreft. Een subsidie voor het doen draaien van een windmolen wordt niet verleend aan een gemeente. Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en c is niet van toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen. Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder b is van overeenkomstige toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen. Artikel 4.3 In afwijking van de artikelen 1.3.1, 1.3.2 en 1.7.9 wordt een subsidie voor het doen draaien van een windmolen berekend op basis van het aantal omwentelingen van de bovenas tussen de voorlaatste tellerstand en de tellerstand op het moment van aanvraag geregistreerd door een goedgekeurde, functionerende telmachine, waarvan de verzegeling niet is verbroken. De subsidie voor het doen draaien van een windmolen bedraagt per jaar: bij duizend tot zestigduizend geregistreerde omwentelingen: € 100; of bij zestigduizend of meer geregistreerde omwentelingen: € 0,50 per 300 omwentelingen tot een maximum van € 2.000. Artikel 4.4 In afwijking van artikel 1.4.1 wordt de aanvraag voor de subsidie voor het doen draaien van een windmolen ingediend voor 1 februari na afloop van de periode waarin de omwentelingen zijn gemaakt. Artikel 4.5 In afwijking van artikel 1.4.2 eerste lid bevat de aanvraag voor de subsidie voor het doen draaien van een windmolen: het aanvraagformulier voor het doen draaien van een windmolen; naam en locatie van de molen; naam, adres en rekeningnummer van de aanvrager; de datum en hoogte van de voorlaatste tellerstand en de datum van de hoogte van de tellerstand op het moment van de aanvraag, en een foto waarop de tellerstand op het moment van de aanvraag duidelijk afleesbaar is. Artikel 1.4.2 tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen. Artikel 4.6 In afwijking van artikel 1.7.2 wordt een subsidie voor het doen draaien van een windmolen verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling. In afwijking van artikel 1.7.3 vindt de betaling van de gehele subsidie voor het doen draaien van een windmolen in één bedrag plaats. Artikel 4.7 De artikelen 1.4.3, 1.5.3, 1.5.4, 1.6.3, 1.6.6, 1.7.1, 1.7.4, 1.7.5, 1.7.6, 1.7.7 en 1.8.1 tot en met 1.10.1 eerste lid zijn niet van toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen. De artikelen 1.5.1, 1.5.2, 1.6.1, 1.6.2, 1.6.4, 1.6.5, 1.7.8 en 1.10.1 tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen. Hoofdstuk 5 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor restauratie rijksmonumenten § 5.1 Begripsbepalingen Artikel 5.1.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: rijksmonument: een zich in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; restauratie: het verrichten van die werkzaamheden, de normale instandhouding te boven gaand, die voor het herstel van een rijksmonument noodzakelijk zijn; herbestemming: het geven van een nieuwe functie aan een rijksmonument of het herstellen van de functie die het rijksmonument had voor een periode van leegstand; Sim: Subsidieregeling instandhouding monumenten; restauratieplan: een plan bestaande uit: een adequaat overzicht van aard en omvang van de werkzaamheden en beschrijving van de daarmee beoogde resultaten in de vorm van een bestek inclusief tekeningen van de huidige en nieuwe situatie, gecombineerd met een projectplan voor de bestemming of herbestemming; actuele overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het rijksmonument en zijn gebreken; en een begroting van de restauratiewerkzaamheden gespecificeerd in hoeveelheden, manuren, materialen, stelposten en onderaannemers en niet ouder dan 2 jaar; deskundig restauratiebedrijf: een bedrijf dat de restauratiewerkzaamheden uitvoert volgens de in de beroepsgroep geldende kwaliteitsrichtlijnen en normen, voor zover deze zijn vastgesteld door het College van Deskundigen Restauratiekwaliteit van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg. § 5.2 Subsidieverlening Artikel 5.2.1 Subsidie kan worden verleend voor de restauratie van een rijksmonument indien het rijksmonument vóór het einde van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het rijksmonument is gelegen bij gedeputeerde staten is voorgedragen voor restauratie. Artikel 5.2.2 Subsidie wordt verleend aan de eigenaar van het rijksmonument. Subsidie kan worden verleend aan een natuurlijke persoon. Artikel 5.2.3 Een subsidie voor de restauratie van een rijksmonument bedraagt maximaal zeventig procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 750.000,-. § 5.3 Weigeringsgronden Artikel 5.3.1 In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a, wordt subsidie niet verstrekt indien met de activiteiten, waarvoor subsidie wordt aangevraagd, is aangevangen voordat de subsidie is verleend. In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt: indien niet schriftelijk wordt aangetoond dat: een aanvullend geldbedrag boven het maximaal door het Nationaal Restauratiefonds te financieren leningsbedrag noodzakelijk is om te voorzien in de totale financieringsbehoefte van de restauratie; of financiering van de restauratie door het Nationaal Restauratiefonds niet mogelijk is; voor restauratie van: een woonhuis als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel j, van de Sim, tenzij het een aanvraag betreft van een professionele organisatie voor monumentenbehoud, gemeente, waterschap of openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen; een groen monument als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van de Sim; of een archeologisch monument als bedoeld in art 1.1 van de Erfgoedwet; indien naar het oordeel van gedeputeerde staten het reguliere onderhoud van het rijksmonument niet voor zes jaar na realisatie van de restauratie waarvoor subsidie wordt aangevraagd voldoende is gewaarborgd. Het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing wanneer de subsidie wordt aangevraagd door een overheid. In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 100.000,-, behoudens het geval een aanvullend geldbedrag boven het maximaal door het Nationaal Restauratiefonds te financieren leningsbedrag noodzakelijk is om te voorzien in de totale financieringsbehoefte van de restauratie, in welk geval subsidie niet wordt verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 50.000,- of minder bedraagt. § 5.4 Subsidiabele kosten Artikel 5.4.1 In afwijking van artikel 1.3.1 en artikel 1.3.2 zijn subsidiabel de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als zodanig zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Sim is opgenomen. Indien voor de instandhouding van het rijksmonument een subsidie in het kader van de Sim is verstrekt, komen de in de beschikking tot subsidieverstrekking subsidiabel geachte kosten niet in aanmerking voor subsidie op basis van dit hoofdstuk. § 5.5 De aanvraag voor de subsidie Artikel 5.5.1 Een subsidie voor restauratie rijksmonumenten kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie. Artikel 5.5.2 In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor restauratie rijksmonumenten: een volledig ingevuld aanvraagformulier subsidie restauratie rijksmonumenten Provincie Zeeland; een restauratieplan voor het rijksmonument; een sluitende begroting inclusief dekkingsplan, voorzien van stukken waaruit de toezegging van geldelijke bijdragen door derden aan de restauratie blijkt; een kopie van de (gedeeltelijke) toekenning dan wel de afwijzing door het Nationaal Restauratiefonds inzake de financieringsaanvraag een niet meer dan twee jaar oud inspectierapport dat de technische of fysieke staat van het rijksmonument beschrijft en dat is opgesteld door een ter zake deskundige en onafhankelijke persoon of instantie, zoals de Monumentenwacht Zeeland; een exploitatieplan waaruit tevens blijkt dat het reguliere onderhoud voor zes jaar na afronding van de restauratie is gewaarborgd; indien rijkssubsidie is ontvangen of is aangevraagd in het kader van de Sim, een kopie van de subsidiebeschikking dan wel de ontvangstbevestiging van de subsidieaanvraag; een door een erkend bureau opgestelde bouwhistorische verkenning, voor zover sprake is van herbestemming of herstel van de oorspronkelijke bestemming na leegstand, uitgevoerd conform de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek van de Rijksdiensten voor het Cultureel Erfgoed, 2009; een lijst van minimaal drie deskundige restauratiebedrijven die worden uitgenodigd om een offerte uit te brengen voor de uitvoering van het restauratieplan; een bewijs waaruit blijkt hoeveel leerling werkplekken ten behoeve van de opleiding van vakmensen in de restauratie worden gecreëerd; een toelichting op de openbare toegankelijkheid waarin wordt aangegeven hoe vaak het rijksmonument is opengesteld voor het publiek. Artikel5.5.3 Een onvolledige aanvraag voor een subsidie voor restauratie rijksmonumenten kan na het einde van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1, alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. § 5.6 Subsidieplafond en wegingsfactoren Artikel 5.6.1 Gedeputeerde staten stellen voor de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1, een subsidieplafond vast. Artikel 5.6.2 Indien de subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen door middel van het toekennen van punten op basis van de volgende criteria: de uniciteit van het rijksmonument, maximaal 25 punten; de bouwkundige urgentie, maximaal 30 punten; de herbestemming of herstel van de oorspronkelijke bestemming na leegstand, maximaal 10 punten; de mate waarin het rijksmonument aantoonbaar toegankelijk is voor het publiek, maximaal 10 punten; indien de aanvraag bijdraagt aan prioritaire provinciale beleidsdoelstellingen, namelijk instandhouding van kerkgebouwen, agrarisch erfgoed en industrieel erfgoed: 5 punten. Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten. Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag. Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen. § 5.7 De beslissing op de aanvraag voor de subsidie Artikel 5.7.1 In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag voor de subsidie binnen zestien weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1. Gedeputeerde staten kunnen de beslistermijn eenmalig met maximaal vier weken verlengen. Artikel 5.7.2 Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan een extern deskundige. § 5.8Verplichtingen Artikel 5.8.1 Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: voor de duur van de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, wordt een casco-all-risk verzekering afgesloten; de restauratiewerkzaamheden worden uitgevoerd volgens de in de beroepsgroep geldende normen, voor zover deze zijn vastgesteld door het College van Deskundigen Restauratiekwaliteit van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg; na afloop van de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, wordt het betreffende rijksmonument minimaal zes jaar bewaard en onderhouden in de staat waarin het door de werkzaamheden, waarvoor de subsidie is verleend, is gebracht; de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, worden binnen tien maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart; de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, worden binnen 36 maanden na afloop van de openstellingsperiode afgerond; Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder d en e. Hoofdstuk 6 Vervallen Hoofdstuk 7 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland Artikel7.1 Subsidie kan worden verleend voor MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland met toepassing van de als supplement bij dit besluit opgenomen Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025. Artikel7.2 De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing voorzover daarvan in de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 niet wordt afgeweken. Hoofdstuk 7 SupplementSubsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 Onderwerp Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland van 9 maart 2021, houdende regels omtrent subsidieverstrekking ten behoeve van MKB-ondernemingen door de Zuidelijke provincies van Nederland (Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025) Gedeputeerde Staten van Zeeland, Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, Gedeputeerde Staten van Limburg, Gelet op artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013; Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant; Gelet op artikel 5 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v.; Overwegende dat de 12 Nederlandse provincies, in landsdelig verband, op 11 november 2019 een Kennis- en Innovatieconvenant 2020-2023 hebben ondertekend tezamen met het Rijk, publiekrechtelijke wetenschappelijke organisaties en kennisinstellingen en Topsectoren waarin afspraken zijn gemaakt om de focus te leggen op de vier maatschappelijke thema’s van het missiegedreven kennis- en innovatiebeleid, de verdere ontwikkelingen van sleuteltechnologieën en het maatschappelijk verdienvermogen; Overwegende dat het Rijk middelen beschikbaar heeft gesteld voor een aantal gestandaardiseerde MKB-instrumenten die in alle regio’s van Nederland worden uitgevoerd; Overwegende dat beoogd wordt om op kwaliteit te sturen en hiertoe subsidieverstrekking op landsdelig niveau voor de drie Zuidelijke Provincies samen noodzakelijk is en dit een voorzetting is van de werkwijze in de afgelopen jaren; Besluiten vast te stellen de volgende regeling: § 1 Haalbaarheidsproject Artikel1.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg; haalbaarheidsproject: project dat geheel of grotendeels bestaat uit haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onder 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onder 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; innovatief product: technologisch nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product; innovatief productieproces: technologisch nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces; innovatieve dienst: technologisch nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst; KIA’s: kennis- en innovatieagenda’s als bedoeld in bijlage 1; MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening; project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat; projectsubsidie: subsidie in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen, verleend voor een eenmalig project van een subsidieaanvrager, ten behoeve van de gehele of gedeeltelijke dekking van de begroting van dat project; Provinciale Staten: Provinciale Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg; Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Artikel1.2Doelgroep Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door MKB-ondernemingen. Artikel1.3Subsidievorm Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag. Artikel1.4Subsidiabele activiteiten Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een haalbaarheidsproject. Artikel 1.5 Weigeringsgronden Subsidie op grond van deze paragraaf wordt geweigerd indien:de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 2.500; gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of de openbare orde; reeds voor de indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project; ten aanzien van de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; aan aanvrager voor dezelfde activiteiten reeds subsidie is verstrekt. Artikel1.6Subsidievereisten Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: aanvrager is gevestigd in Zuid-Nederland dan wel de subsidiabele activiteit komt ten goede aan Zuid-Nederland; het project moet passen binnen of uitvoering geven aan een KIA zoals uitgewerkt in bijlage 1 te weten: de KIA energietransitie en duurzaamheid; de KIA landbouw, water en voedsel; de KIA gezondheid en zorg; de KIA veiligheid; de KIA sleuteltechnologieën; de KIA maatschappelijk verdienvermogen in combinatie met een KIA genoemd in het eerste lid, onder b onderdeel 1 tot en met 5. de aanvraag betreft niet de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager; het project bestaat voor: tenminste 60 % van de subsidiabele kosten uit haalbaarheidsstudie; ten hoogste 40 % van de subsidiabele kosten uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; het project wordt uitgevoerd ter voorbereiding van de ontwikkeling van een innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst; het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of de innovatieve dienst waarop het project betrekking heeft, is in technische of financiële zin voldoende risicovol om het project te rechtvaardigen; het project geeft voldoende en realistisch inzicht in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of de innovatieve dienst. Aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen: op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten uit deze regeling; een begroting en sluitend financieringsplan; een samenvatting van het project ten behoeve van een voor eenieder toegankelijke publicatie. Artikel1.7Subsidiabele kosten Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de kosten voor het haalbaarheidsproject voor subsidie in aanmerking. In afwijking van artikel 1.3.2 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 zijn ten aanzien van de berekening van de subsidiabele kosten de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzen uurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de berekeningswijze van loonkosten op basis van kosten per kostendrager voor indirecte kosten, bedraagt het opslagpercentage voor de indirecte kosten, 50%. Voor de toepassing van een forfaitair vastgesteld uurtarief bedraagt het uurtarief voor loonkosten per gewerkt uur, € 60. Het forfaitair vastgesteld uurtarief, bedoeld in het vorige lid, wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten. Artikel1.8Niet subsidiabele kosten Onverminderd artikel 11 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, artikel 15 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. en artikel 1.3.1, tweede lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: kosten gemaakt voor de startdatum van het project; kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties. Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier. In afwijking van artikel 1.4.1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 worden subsidieaanvragen ingediend van 12 april 2022, vanaf 09.00 uur tot en met 9 september 2022, tot 17.00 uur. Artikel 1.10 Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode, genoemd in artikel 1.9, vast op € 3.424.000. Artikel 1.11 Subsidiehoogte De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 20.000. Artikel 1.12 Verdeelcriteria Subsidie op grond van deze paragraaf wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting. De subsidie wordt overeenkomstig de rangschikking verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden. Artikel 1.13 Beslistermijnen subsidieverlening In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 beslissen Gedeputeerde Staten op een aanvraag voor subsidie binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag. De termijn, genoemd in het eerste lid, kan met 12 weken worden verdaagd. Artikel 1.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger De subsidieontvanger start het project uiterlijk vier maanden na verlening van de subsidie; De subsidieontvanger realiseert het project uiterlijk 12 maanden na de start van het project. Artikel 1.6.6, derde lid en artikel 1.10.1, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijven buiten toepassing. Artikel 18 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant is van overeenkomstige toepassing op subsidies verleend voor de provincie Zeeland. Artikel 1.15 Verantwoording De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een rapport van het haalbaarheidsproject. Artikel 1.16 Betaling De betaling van het subsidiebedrag vindt in een keer plaats. Artikel 1.17 Vaststelling In afwijking van paragraaf 1.7 en paragraaf 1.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 en op basis van artikel 20, eerste lid onder a van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant en artikel 31 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. worden subsidies in deze paragraaf tot en met € 20.000 direct vastgesteld. Artikel 1.18 Evaluatie Gedeputeerde Staten zenden in 2023 en vervolgens elke twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid van de effecten van deze paragraaf in de praktijk. § 2 R&D samenwerkingsproject Artikel 2.1 Begripsbepalingen algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg; industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onder 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; innovatief product: technologisch nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product; innovatief productieproces: technologisch nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces; innovatieve dienst: technologisch nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst; KIA’s: kennis- en innovatieagenda’s als bedoeld in bijlage 1; MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening; project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat; projectsubsidie: subsidie in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen, verleend voor een eenmalig project van een subsidieaanvrager, ten behoeve van de gehele of gedeeltelijke dekking van de begroting van dat project; Provinciale Staten: Provinciale Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg; Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Artikel 2.2 Doelgroep Subsidie op grond van deze paragraaf kan uitsluitend worden aangevraagd door MKB-ondernemingen in een samenwerkingsverband. Artikel 2.3 Subsidievorm Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag. Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een R&D-samenwerkingsproject. Artikel 2.5 Weigeringsgronden Subsidie op grond van deze paragraaf wordt geweigerd indien: gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of de openbare orde; reeds voor de indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project; ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; aan aanvrager voor dezelfde activiteiten reeds subsidie is verstrekt. Artikel 2.6 Vereisten Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: aanvrager is gevestigd in Zuid-Nederland dan wel de subsidiabele activiteit komt ten goede aan Zuid-Nederland; het project moet passen binnen of uitvoering geven aan een KIA zoals uitgewerkt in bijlage 1 te weten: de KIA energietransitie en duurzaamheid; de KIA landbouw, water en voedsel; de KIA gezondheid en zorg; de KIA veiligheid; de KIA sleuteltechnologieën; de KIA maatschappelijk verdienvermogen in combinatie met een KIA genoemd in het eerste lid, onder b, onderdeel 1 tot en met 5. het samenwerkingsverband dient te bestaan uit ten minste twee MKB-ondernemingen; het samenwerkingsverband is opgericht ten behoeve van de uitvoering van het project; het samenwerkingsverband heeft geen rechtspersoonlijkheid; het project draagt de instemming van alle deelnemers aan het samenwerkingsverband; deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn niet anderszins met elkaar verbonden dan in het samenwerkingsverband; geen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband, neemt meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening; ten minste 50% van de subsidiabele kosten van het project worden gedragen door MKB-ondernemingen die zijn gevestigd in Zuid-Nederland; het project is gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; het project draagt bij aan het creëren van economische waarde voor: de deelnemers in het samenwerkingsverband; of, de Zuid-Nederlandse economie; het samenwerkingsverband is voldoende toegerust voor het uitvoeren van het project blijkend uit: complementariteit van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; capaciteiten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; de kwaliteit van de projectorganisatie; het project draagt bij aan: vernieuwing van producten, processen of diensten; of, wezenlijk nieuwe toepassing van bestaande producten, processen of diensten; het project heeft een positieve maatschappelijke impact op de onderwerpen genoemd in een of meerdere KIA’s uit bijlage 1; het project scoort ten minste 10 punten op de afzonderlijke verdeelcriteria, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a tot en met d; de totale score van het project op de verdeelcriteria, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, bedraagt ten minste 50 punten. Aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen: op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten uit deze regeling; een begroting en sluitend financieringsplan; een samenvatting van het project ten behoeve van een voor eenieder toegankelijke publicatie. Artikel 2.7 Subsidiabele kosten Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: loonkosten; kosten derden; afschrijvingskosten. In afwijking van artikel 1.3.2 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 zijn ten aanzien van de berekening van de subsidiabele kosten de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzen uurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de berekeningswijze van loonkosten op basis van kosten per kostendrager voor indirecte kosten bedraagt het opslagpercentage voor de indirecte kosten, 50%. Voor de toepassing van een forfaitair vastgesteld uurtarief bedraagt het uurtarief van loonkosten per gewerkt uur, € 60. Het forfaitair vastgesteld uurtarief, bedoeld in het vorige lid, wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten. Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten Onverminderd artikel 11 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, artikel 15 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. en artikel 1.3.1, tweede lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: kosten gemaakt voor de startdatum van het project; kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties. Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier. In afwijking van artikel 1.4.1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 worden subsidieaanvragen ingediend van 1 juni 2022, vanaf 09.00 uur tot en met 13 september 2022, tot 17.00 uur. Artikel 2.10 Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4 voor de tenderperiode genoemd in artikel 2.9 vast op € 7.989.333 met dien verstande dat maximaal 50% van het subsidieplafond beschikbaar is voor aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000. Artikel 2.11 Subsidiehoogte De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 350.000 per subsidiabele activiteit. De totale subsidie wordt niet verstrekt, indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat het deel van de subsidie dat aan een deelnemer aan het samenwerkingsverband toekomt: minder bedraagt dan € 25.000; of, meer bedraagt dan: € 100.000 indien het subsidiebedrag maximaal € 200.000 is; of € 175.000 indien het subsidiebedrag hoger is dan € 200.000. Artikel 2.12 Verdeelcriteria Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.10, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht, te waarderen met maximaal 25 punten; de mate waarin economische waarde wordt gecreëerd, te waarderen met maximaal 25 punten, voor: de deelnemers aan het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.6, de Zuid-Nederlandse economie; de mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.6, te waarderen met maximaal 25 punten, gezien de: complementariteit van de deelnemers; capaciteiten van de deelnemers; kwaliteit van de projectorganisatie; mate waarin maatschappelijke impact wordt gerealiseerd, te waarderen met maximaal 25 punten. Indien na toepassing van het eerste lid, en artikel 2.6, eerste lid, onder p, blijkt dat de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.10, te boven gaan, worden de aanvragen gerangschikt op volgorde van puntenaantal waarbij de aanvraag met de meeste punten bovenaan eindigt. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat meer dan 50% van het subsidieplafond wordt verstrekt aan aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000, wordt subsidie niet verstrekt aan aanvragen die het maximum van 50% van het subsidieplafond overschrijden. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting. De subsidie wordt overeenkomstig de rangschikking verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden. Artikel 2.13 Externe adviescommissie Gedeputeerde Staten leggen aanvragen voor subsidie voor advies over artikel 2.6, eerste lid, onder k, l, m, n, o en p en artikel 2.12, eerste en tweede lid, voor aan een door hen in te stellen adviescommissie als bedoeld in artikel 82 van de Provinciewet. Artikel 2.14 Beslistermijnen subsidieverlening In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 beslissen Gedeputeerde Staten op een aanvraag voor subsidie binnen 12 weken na afloop van de tenderperiode. De termijn, genoemd in het eerste lid, kan met 12 weken worden verdaagd. Artikel 2.15 Verplichtingen De subsidieontvanger: start het project uiterlijk zes maanden na het indienen van de volledige aanvraag; rondt het project uiterlijk 24 maanden na de start van het project af; overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt; houdt een administratie bij van de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten. Artikel 1.6.6, derde lid en artikel 1.10.1, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijven buiten toepassing. Artikel 18 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant is van overeenkomstige toepassing op subsidies verleend voor de provincie Zeeland. Artikel 2.16 Beslistermijnen vaststelling Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag tot vaststelling binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag. De termijn, genoemd in het eerste lid, kan met 12 weken worden verdaagd. Artikel 2.17 Verantwoording Bij subsidies tot € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van: een inhoudelijk eindverslag; bewijsstukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Bij subsidies boven de € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van: een inhoudelijk eindverslag; bewijsstukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; een controleverklaring. Artikel 2.18 Bevoorschotting Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies een voorschot van ten hoogste 75% op het verleende subsidiebedrag. Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte van de termijnen en de tijdstippen van betaling in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald. Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot als bedoeld in het tweede lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger. De bevoorschotting als bedoeld in de voorgaande leden, geschiedt ambtshalve en gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening. Artikel 2.19 Subsidievaststelling Gedeputeerde Staten stellen de subsidie op grond van deze paragraaf ingevolge artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening vast op basis van prestaties en gerealiseerde kosten. Overeenkomstig artikel 1.9.4 van het Asb Zeeland 2013 dienen aanvragen tot vaststelling binnen twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend te worden ingediend. Op de subsidies tot € 125.000, zijn de volgende artikelen van overeenkomstige toepassing: artikel 22 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant met uitzondering van het derde lid, vierde lid, zesde lid, zevende lid onderdeel a onder 2, zevende lid onderdeel b, achtste lid en twaalfde lid van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant; artikel 33 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. met uitzondering van het eerste lid onder c; artikel 1.9.5 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 met uitzondering van de accountantsverklaring genoemd in het eerste lid, onder c. Paragrafen 1.7 en 1.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijven buiten toepassing. Artikel 2.20 Evaluatie Gedeputeerde Staten zenden in 2023 en vervolgens elke twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid van de effecten van deze paragraaf in de praktijk. § 3 Slotbepalingen Artikel 3.1 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 3.2. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025. 9 maart 2021, Gedeputeerde Staten van Zeeland, de voorzitter, drs. J.M.M. Polman de secretaris, A.W. Smit Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, de voorzitter, mr. I.R. Adema de secretaris, drs. M.J.A. van Bijnen MBA Gedeputeerde Staten van Limburg, de voorzitter, drs. Th.J.F.M. Bovens de secretaris, drs. G.H.E. Derks MPA Bijlage 1 bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 In de verschillende regionale MIT-regelingen en de landelijke regeling wordt verwezen naar deze bijlage. Deze bijlage is juridisch maatgevend voor de onderwerpen (de KIA’

  1. s)waar een project zich op kan richten en voor de maatschappelijke impact waarop een R&D-Samenwerkingsproject mede wordt gerangschikt. Verderop wordt nader toegelicht waar de verschillende kennis- en innovatie-agenda’s zich op richten, en waar uw project zich dus op kan richten. In de algemene en artikelsgewijze toelichting op de Subsidieregeling wordt aangegeven hoe deze informatie dient te worden geinterpreteerd binnen de MIT-regeling en respectievelijk de aanvraag. Verdeelcriteria en score R&D-project R&D-Samenwerkingsprojecten kunnen op meerdere maatschappelijke gebieden impact hebben. Dit is een gevolg van het feit dat de missies en Kennis- en Innovatieagenda’s (KIA’
  2. s)op zichzelf en onderling overlap vertonen. Ook kan de oplossing voor de ene missie negatief uitwerken op een andere. Iets vergelijkbaars geldt voor de bevordering van sleuteltechnologieën. Bij de toedeling van punten op het onderdeel maatschappelijke impact weegt de beoordelende commissie het totaal aan maatschappelijke baten op de genoemde terreinen. Nadere informatie en voorbeelden Er is voor gekozen de informatie in deze bijlage zo beperkt mogelijk te houden. Nadere informatie over de achtergronden en context van de verschillende missies en over de verschillende onderzoeksprogramma’s in de KIA’s kunt u vinden via de relevante URL’s. In de achterliggende documenten kunt u ook voorbeelden vinden van recente innovaties. KIA 1. Energie en Duurzaamheid https://www.topsectoren.nl/publicaties/publicaties/2019-publicaties/oktober/161019/kia-energietransitie-en-duurzaamheid Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een klimaatneutraal energie- en grondstoffensysteem in 2050 of aan een circulaire economie in hetzelfde jaar. Ze dragen daarmee automatisch bij aan de tussendoelen voor 2030. Combinaties zijn logischerwijze mogelijk, daar waar deze thema’s elkaar overlappen. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op: Verlaging van het gebruik van fossiele energie c.q. van de uitstoot van CO2 of andere broeikasgassen. Verhoging van de productie of benutting van duurzame energie en de integratie en de integratie in het energiesysteem. Verlaging van het gebruik van primaire grondstoffen (rekening houdend met de ecologische voetafdruk). Vergroting van het hoogwaardig gebruik van circulaire materialen, onder meer door gebruik van gerecycleerde grondstoffen of duurzaam geproduceerde en verkregen bio-based componenten. Beperking van de uitstoot van schadelijke stoffen naar het milieu dan wel vervanging van deze schadelijke stoffen door stoffen die veel minder schadelijk of onschadelijk worden geacht. Vergroten van de efficiency van het mobiliteitssysteem, verkeersveiligheid, ladingveiligheid, cybersecurity, veilig datagebruik en databeheer en het beperken en mitigeren van geluidhinder, fijnstof en andere emissies, trillingen als gevolg van transportbewegingen of –systemen. De energie-, klimaat- en grondstoffen- gerelateerde aspecten van mobiliteit zijn onderdeel van de punten I t/m V. Punt VI verwijst naar de deel-KIA “Toekomstbestendige Mobiliteitssystemen”, voor het brede thema mobiliteit, waaronder alle milieu- en hinderaspecten naast CO2 voor landgebonden transport, innovaties in luchtvaart en maritiem transport, alsmede veiligheids- en bereikbaarheidsaspecten van alle verkeersmodaliteiten zijn opgenomen. KIA 2. Gezondheid en Zorg https://www.health-holland.com/sites/default/files/downloads/missiedocument-gezondheid-en-zorg.pdf Een samenvatting van het missiethema, de beleidscontext en de landelijke aanpak vindt u in deze flyer: https://www.health-holland.com/sites/default/files/downloads/flyer-gezondheid-en-zorg.pdf. Ook op https://www.health-holland.com/publications/useful-documentsgoed kan meer informatie gevonden worden over deze KIA. Projecten dienen binnen deze KIA bij te dragen aan de missie Gezondheid en Zorg. De centrale missie daarin is dat in 2040 alle Nederlanders tenminste vijf jaar langer in goede gezondheid leven, en dat de gezondheids¬verschillen tussen de laagste en hoogste sociaaleconomische groepen met 30% zijn afgenomen. Als uitwerking zijn onderliggende missies geformuleerd gericht op i. leefstijl & leefomgeving, ii. verplaatsing van de zorg naar de leefomgeving, iii. verhoging van de participatiegraad van mensen met een chronische ziekte of levenslange beperking en iv. verhoging van de kwaliteit van leven van mensen met dementie. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op: Preventie van ziektes of aandoeningen. Gezondheidswinst voor patiënten die lijden aan één of meer ziektes of aandoeningen. Verbetering van de opsporing of behandeling van ziektes of aandoeningen of van het herstel daarna. Verlaging van de kosten van de zorg, bij zorgverzekering of verzekerde. Innovaties, bijvoorbeeld hulpmiddelen, die het organiseren van zorg in de eigen leefomgeving in plaats van in zorginstellingen vergemakkelijken. Verhoging van deelname aan de samenleving van mensen met een chronische ziekte of levenslange beperking, naar wens en vermogen. Verbetering van de kwaliteit van leven van mensen met dementie. Veel innovaties breken niet door op de markt, zeker ook binnen de KIA gezondheid en zorg. Voordat wordt overgegaan op de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject onder de KIA Zorg en Gezondheid wordt de ondernemer aangeraden het instituut “Health Innovation NL” (HI-NL) te betrekken. HI-NL weet in een vroeg stadium aan te geven of de kans reëel is dat een project succesvol kan worden. Meer informatie over dit instituut is te vinden op https://www.healthinnovation.nl/ KIA 3. Landbouw, Water en Voedsel https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/ Projecten dienen bij te dragen aan het missiethema Landbouw, Water en Voedsel. Dit thema is onderverdeeld in zes deelmissies, voor elk daarvan is een KIA opgesteld. KIA 3.a. Kringlooplandbouw https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/kringlooplandbouw/ Doel is dat in 2030 in de land- en tuinbouw het gebruik van grondstoffen en hulpstoffen substantieel is verminderd en alle eind- en restproducten zo hoog mogelijk worden verwaard. De emissies naar grond- en oppervlaktewater zijn dan tot nul gereduceerd. Ecologische omstandigheden en processen vormen het vertrekpunt voor voedselproductie waardoor biodiversiteit zich herstelt en de landbouw veerkrachtiger wordt. Opgemerkt wordt dat deze KIA 3.a. kan worden gezien als een specifiek onderdeel van de bredere circulariteitsagenda onder missie 1. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op: Vermindering gebruik niet-organische meststoffen en de emissie van nutriënten naar bodem, water en lucht. Via terugwinning en hergebruik van nutriënten en water, betere benutting in de keten of bronmaatregelen. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/A1-Verminderen-fossiele-nutri%C3%ABnten-water-en-stikstofdepositie.pdf Het bevorderen van een gezonde, weerbare bodem en dito teeltsystemen door uit te gaan van ecologische processen en beperking van emissies. Bijv. weerbare plantaardige productiesystemen, precisieteelt en nieuwe vormen van gewasbescherming in de plantaardige productie, of vergroting weerbaarheid plantaardig materiaal in de keten, organismen in quarantaine, vroege signalering van en bescherming plant tegen schadelijke organismen. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/A2-Gezonde-weerbare-bodem-en-teeltsystemen-.pdf Optimaal hergebruik van zij- en reststromen voor voedsel, diervoeding of non-food toepassingen, inclusief cascadering. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/A3-Hergebruik-organische-zij-en-restromen.pdf Duurzame productie van eiwitrijke grondstoffen en biomassa. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/A4-Eiwitvoorziening-uit-nieuwe-plantaardige-bronnen.pdf KIA 3.b. Klimaatneutrale landbouw en voedselproductie https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/klimaatneutrale-productie/ Doel is een netto klimaatneutraal systeem van landbouw en natuur in 2050. Dit onderdeel is de sectorspecifieke invulling van het klimaatakkoord uit bovengenoemde missie 1. Specifiek voor de landbouw en voedselproductie en vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op: Het verminderen van de uitstoot van methaan en lachgas in de veehouderij, van het dier of uit de stal en mestopslag inclusief het opwaarderen van mest. Meer info is te vinden op : https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/B1-Emissiereductie-methaan-veehouderij.pdf Het realiseren van een energieneutraal landelijk gebied, door vermindering van naoogst energiegebruik in transport en opslag, beperking energie- en kwaliteitsverlies in de keten, kleinschalige eerste naoogst verwerkingstechnologie op veld of erf, en energiebesparing in de verwerking. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/B1-Emissiereductie-methaan-veehouderij.pdf Productie en gebruik van (aquatische) biomassa. Vaste biomassa als bouwmateriaal of inzet van biobased koolstof als grondstof. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2019/11/B6-E12B-Productie-en-gebruik-van-biomassa.pdf KIA 3.c. Klimaatbestendig landelijk en stedelijk gebied https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/klimaatbestendige-inrichting/ Klimaatbestendig landelijk gebied. Klimaatbestendig en waterrobuust maken van het landelijk gebied, via (ondersteuning van) gebiedsgerichte maatregelen. Regionale zelfvoorzienendheid in de watervoorziening als uitdaging. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/C1-Klimaatbestendig-landelijk-gebied.pdf Klimaatadaptieve land- en (glas)tuinbouwproductiesystemen. Klimaatbestendig en duurzaam gebruik maken van water, waarbij productie, verwerking, organisatie en consumptie in samenhang worden betrokken. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/C2-Klimaatadaptieve-land-en-tuinbouwproductiesystemen.pdf Waterrobuust en klimaatbestendig stedelijk gebied. Gericht op een systeemaanpak met efficiënter gebruik van water en grondstoffen, vasthouden en hergebruik van water en het maximaal benutten van het natuurlijk systeem in en rond de stad (natuurlijke klimaatbuffers, natuurontwikkeling). Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/C3-Waterrobuust-en-klimaatbestendig-stedelijk-gebied.pdf Verbeteren waterkwaliteit. Innovaties om de ecologische en chemische toestand van het (integrale) watersysteem (waterkwaliteit, Kaderrichtlijn Water) beter te kunnen meten. Daarnaast ‘zuivering van de toekomst’: veelal decentrale zuiveringstechnologieën om emissies van nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen, (dier)geneesmiddelen en opkomende stoffen naar het watersysteem te beperken, nutriënten terug te winnen en benutten, en stimuleren van het oplossend vermogen van het water- en bodemsysteem. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/C4-Verbeteren-waterkwaliteit.pdf KIA 3.d. Gewaardeerd, gezond en veilig voedsel https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/gewaardeerd-gezond-en-veilig/ Het doel is in 2030 gezond, veilig en duurzaam voedsel te produceren. Het voedselproductiesysteem is dan robuust en groene producten leveren een waardevolle bijdrage aan hun omgeving. Consumenten waarderen de sector en zijn bereid eerlijke prijzen te betalen. Innovaties dienen de volgende ontwikkelingen te ondersteunen: Vergroten van de waardering voor voedsel en van het bewustzijn ten aanzien van de verschillende maatschappelijke waarden die met de productie samenhangen, en verkleinen van de afstand tussen primaire producenten en andere ondernemers in het voedselsysteem met burgers. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/04/D1-Waardecreatie-en-Verdienvermogen.pdf Faciliteren dat de Nederlandse bevolking in gezondheid opgroeit en ouder wordt. Door bij te dragen aan het produceren en consumeren van een gezonder en duurzamer voedselaanbod en het creëren van een gezonde, groene woon-, werk- en leefomgeving. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/D2-De-consument-duurzame-en-gezonde-voeding-in-een-groene-leefomgeving.pdf Veilige productie via preventie en het wegnemen van risico's. Snelle(
  3. re)detectie van pathogenen en contaminanten en zorgen dat het systeem zelf verstorende invloeden van buiten kan opvangen. Doorontwikkelen van nieuwe stalsystemen, verdere emissiebeperkende toedieningsmethoden voor gewasbeschermingsmiddelen, en het stimuleren en realiseren van best practices. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/D3-Veilige-en-duurzame-primaire-productie.pdf Een substantieel duurzamer en veilige voedselketen in 2030. Betere detectie en beheersing van chemische en microbiële gevaren in de voedselketen en een transparante samenstelling van producten in verband met allergenen. Ketengerichte aanpak, gericht op reductie in zowel energie- als waterverbruik, en vergroten van grondstofflexibiliteit waarbij de voedselveiligheid en kwaliteit gewaarborgd blijft. Voedselverlies tegengaan door energie- en waterreductie in voedselverwerking, verbeteren grondstofefficiëntie en -flexibiliteit, ketenaspecten, verpakkingen, sensor- en detectietechnologie, circulaire voedselsystemen en het gebruik van nieuwe grondstoffen. Verduurzaming en voedselveiligheid dienen steeds samen op te gaan. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2020/03/D4-Duurzame-en-veilige-verwerking.pdf KIA 3.e. Duurzame en veilige Noordzee en andere wateren https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/duurzame-en-veilige-wateren/ Naar een Duurzame Noordzee. Duurzaam en veilig menselijk medegebruik binnen een veerkrachtig Noordzee ecosysteem en meer inzicht in de grenzen van de veerkracht van de Noordzee. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2019/11/E1-Duurzame-Noordzee.pdf Een natuur-inclusieve landbouw, visserij en waterbeheer in Caribisch Nederland. In 2030 visserij, landbouw, toerisme en waterbeheer in balans met de unieke Caribische natuur, en dragen ze structureler bij aan de lokale voedselvoorziening en economie. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2019/11/E2-Natuur-inclusieve-landbouw-visserij-en-waterbeheer-in-Caribisch-Nederland.pdf Voor duurzame rivieren, meren en intergetijdengebieden moet in 2050 een evenwichtige balans zijn bereikt tussen enerzijds ecologische draagkracht en waterbeheer (water¬veiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit en scheepvaart) en anderzijds de opgaven voor hernieuwbare energie, voedsel, visserij en andere economische activiteiten. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2019/11/E3-Duurzame-rivieren-meren-en-intergetijdengebieden.pdf De bronnen van de overige zeeën en oceanen duurzaam gebruiken. Innovaties die helpen economie en ecologie in balans te brengen. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2019/11/E4-Overige-zeeën-en-oceanen.pdf Ecologische én socio-economisch duurzame ontwikkeling van de kust- en zeevisserij sector op de Noordzee. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2019/11/E5-Visserij.pdf LNV Duurzame visserij en aquacultuur Aansluitend op KIA 3E is er binnen de MIT-regeling tevens een LNV programma Duurzame visserij en aquacultuur, waarin ondernemers in de visserij en aquacultuur ondersteuning krijgen bij de verdere verduurzaming met behoud van een gezonde bedrijfsvoering. Bij verduurzaming gaat het om gezonde visbestanden en het verlagen van de impact op het ecosysteem door verspilling, ongewenste bijvangst en bodemberoering zoveel mogelijk terug te dringen. Duurzame visserij vereist dat natuur en economie met elkaar in balans komen en blijven. Verduurzamen van de visserij is het vertrekpunt voor de inzet van de innovatiemiddelen via de topsector Agri&Food. De scope is de primaire visserij, inclusief de mossel- en oestervisserij/-kweek. Ook alternatieve vistechnieken en aquacultuur in windparken vallen binnen de scope. Projecten moeten bijdragen aan: Methoden of vistuigen om selectiever te vissen. Vismethoden of -tuigen die minder bodemberoering tot gevolg hebben dan de huidige boomkorvisserij. Minder impact op klimaat of milieu door visserijactiviteiten. Alternatieve duurzame vangst- of kweekmethoden van primaire visserij, inclusief de mossel- en oestervisserij/-kweek. KIA 3.f. Nederland is en blijft de best beschermde en leefbare delta https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/best-beschermde-delta/ Verduurzamen en kostenbeheersing uitvoeringsprojecten waterbeheer. Het doel is dat het grondverzet in 2030 energieneutraal is, de kosten per m3 tussen 2020 en 2030 aanzienlijk gedaald zijn en dat er in 2030 een gezonde slibeconomie is. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2019/11/F1-Verduurzamen-en-kostenbeheersing-uitvoeringsprojecten-waterbeheer.pdf Aanpassen aan versnelde zeespiegelstijging en toenemende weersextremen. In 2030 moet er duidelijkheid zijn over maatregelen die hiervoor op langere termijn genomen kunnen worden. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2019/11/F2-Aanpassen-aan-versnelde-zeespiegelstijging-en-toenemende-weersextremen.pdf Nederland Digitaal Waterland. Voorop (blijven) lopen bij digitalisering t.b.v. het waterbeheer, en het daarmee exporteren van Nederlandse kennis en kunde van de watersector. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2019/11/F3-Nederland-Digitaal-Waterland.pdf In 2030 is Energie uit water integraal onderdeel van het energie- en klimaatbeleid in Nederland. Oppervlaktewateren als bron van duurzame energie (alsook van warmte), als opslagmedium en voor infrastructuur voor duurzame energie. Het waterbeheer is energetisch efficiënt ingeregeld en levert met haar waterpeilbeheer een bijdrage aan klimaatmitigatie door het tegengaan van de uitstoot van broeikasgassen. Meer info is te vinden op https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/wp-content/uploads/2019/11/F4-Energie-uit-water.pdf KIA 4. Veiligheid https://www.hollandhightech.nl/sites/www.hollandhightech.nl/files/inline-files/KIA%20Veiligheid%20-%2020191015%20definitief_0.pdf Projecten dienen bij te dragen aan het missiethema Veiligheid. De missies zijn in nauwe samenwerking met de ministeries van Justitie en Veiligheid en Defensie opgesteld. De overkoepelende ambitie is (potentiële) tegenstanders steeds een stap vóór blijven: “always ahead of the threat’’ met slimme oplossingen in dienst van een veilige maatschappij. Deelprogramma’s Integrale aanpak van georganiseerde criminaliteit Interventies en organisatie Real time digitale observatie en ondersteuning Bruikbare data en handelingsperspectief Maritieme hightech voor een veilige zee Smart kill-chains - Radar en geïntegreerde sensorsuites Smart operations Smart manning & automation Zero emission and survivable warships Smart design and maintenance Smart concepts Veiligheid in en vanuit de ruimte Robuuste plaatsbepaling- en tijdsynchronisatiesystemen Nationale situational awareness, surveillance & tracking capaciteit Grondgebonden situational awareness capaciteit Laser voor veilige communicatie en vergrote transmissiecapaciteit (Gedeeltelijk) eigen satellietcapaciteit met tijdige en veilige toegang Cyberveiligheid Bestrijden cybercrime Bevorderen ontwikkeling cybercompetenties Defensieve cybertechnologie Offensieve cybertechnologie Ketenweerbaarheid en governance Genetwerkt optreden op land en vanuit de lucht Innovatie in ontwerp en aansturing van netwerken Informatie als wapen Aansturing van genetwerkte logistieke operaties Counter DRAM (Drone, Rocket, Artillery & Mortar) Smart service logistics Samen sneller innoveren voor een adaptieve krijgsmacht Toepassing van robots/autonome systemen/drones (RAS/RPAS) 3D-printen voor onderdelen, lokale bouw en materiaalontwikkeling Energiesystemen & circulariteit Data en intelligence Privacy-bestendige informatiedeling Beslissingsondersteuning De veiligheids-professional Qualified-self, Digitaal wapenen middels nieuwe (leer)methodes Quantified-self, Meetbare prestatie en vitaliteit van veiligheidsprofessionals Digitaal uitgerust - Waarneming en communicatie Reframing veiligheid KIA 5. Sleuteltechnologieën https://www.hollandhightech.nl/kia-sleuteltechnologieen Ook voor de aanpak van sleuteltechnologieën is een KIA geformuleerd. Sleuteltechnologieën worden gekenmerkt door een generiek karakter met een breed toepassingsgebied of bereik in innovaties en/of sectoren. Bij de projecten die voor de missies (KIA 1-4) worden ingediend zal dus veelal gebruik worden gemaakt van een of meer van die sleuteltechnologieën, waarbij sprake kan zijn van doorontwikkeling voor de specifieke toepassing. Projecten die specifiek voor de KIA Sleuteltechnologieën worden ingediend, moeten bijdragen aan de generieke ontwikkeling van (een of meer) sleuteltechnologieën, door: Een ondersteunende bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van kennis over sleuteltechnologieën, bijvoorbeeld ten behoeve van het onderzoek daarnaar. Een ondersteunende bijdrage te leveren aan verbrede of versnelde toepassing van een of meer sleuteltechnologieën, bijvoorbeeld door de integratie er van in producten, processen of diensten te vergemakkelijken. Hierbij wordt benadrukt dat onder optie I het doen van puur onderzoek naar sleuteltechnologieën en onder optie II het puur toepassen ervan in een willekeurige sector anders dan binnen de missies geen basis is voor toekenning van een subsidie. Gezocht wordt naar innovaties die de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van sleuteltechnologieën verbeteren, en die als product verkoopbaar zijn. De volgende groepen van Sleuteltechnologieën zijn vanuit het perspectief van de potentiële bijdrage van technologie aan maatschappelijke uitdagingen in Nederland aangewezen door het Ministerie van EZK: Chemical Technologies Digital Technologies Engineering and Fabrication Technologies Photonics and Light Technologies Advanced Materials Quantum Technologies Life science technologies Nanotechnologies Voor meer informatie over bovenstaande groepen en een verdere onderverdeling daarvan is te vinden op https://www.hollandhightech.nl/sites/www.hollandhightech.nl/files/inline-files/20191024%20KIA-ST%20Bijlage%20B%20-%20MJP%27s%20overzicht_0.pdf KIA 6. Maatschappelijk verdienvermogen https://www.clicknl.nl/kia-verdienvermogen-2020-2023/ Maatschappelijk verdienvermogen wordt versterkt, wanneer de (beoogde) innovaties bijdragen aan de doelstellingen van de maatschappelijke uitdagingen zoals beschreven in de KIA’s 1 t/m 5, deze oplossingen maatschappelijk gewenst zijn en tegelijk economisch rendabel en schaalbaar zijn. De waarschijnlijkheid dat dit kan worden bereikt, dient in het projectplan te worden onderbouwd. Projecten onder deze KIA dienen derhalve altijd te worden gekoppeld aan één van de KIA’s 1 t/m 5. Toelichting behorende bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 I. Algemeen De Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 sluit aan op de bestuurlijke keuze om het innovatiebeleid te richten op een viertal thematische missies, op ondersteunende sleuteltechnologieën en op maatschappelijk verdienvermogen. Deze aanpak is vastgesteld door het kabinet en is in grote lijnen overgenomen door alle provincies in hun economisch beleid en/of de Research and Innovation Strategies for Smart Specialisation (Regionale innovatiestrategieën; RIS3). Op nationaal niveau zijn de missies en de aanpak voor Sleuteltechnologieën door de topsectoren uitgewerkt in een zestal Kennis- en Innovatie-Agenda’s (KIA’
  4. s)waarnaar in bijlage 1 wordt verwezen. In november 2019 zijn deze agenda’s geconcretiseerd in het Kennis- en Innovatieconvenant (KIC), dat ook is ondertekend door de provincies: https://www.topsectoren.nl/binaries/topsectoren/documenten/kamerstukken/2019/november/12-11-19/kic-2020-2023/Kennis--en-Innovatieconvenant-2020-2023.pdf In de verschillende regionale MIT-regelingen en de landelijke regeling wordt verwezen naar bijlage 1, waar de KIA’s zijn vertaald naar zo concreet mogelijk doelen, die volgen uit de missies, de sleuteltechnologieënagenda en het beoogde verdienvermogen. Relevantie voor MKB en MKB-innovaties Missies omvatten een breed scala aan veranderingen en aanpassingen in ons dagelijks leven en ons patroon van produceren en consumeren. Zoals ook in de voorwaarden is aangegeven is de MIT-regeling gericht op het stimuleren van technologische innovaties. De KIA’s bevatten deels concrete vraagstukken binnen elk van de missies waarvoor technologische innovaties evident een bijdrage kunnen leveren. Andere vraagstukken beschrijven de noodzaak tot systeemveranderingen, een andersoortige aanpak of ander gedrag. Technologische innovaties zullen daar veelal een deeloplossing brengen of de veranderingen ondersteunen. Duidelijk moge zijn dat alleen subsidie wordt verstrekt voor het onderzoeken van de haalbaarheid van een innovatie respectievelijk het ontwikkelen ervan, met het bijbehorende innovatierisico, en niet voor het toepassen van een innovatieve werkwijze of een innovatief product in bijvoorbeeld het agrarisch bedrijf, in het stedelijk gebied, rivieren en zeeën of in de zorg. Aansluiting op bestaande kennis en op onderzoeksagenda’s Waar een innovatie is gericht op de missiethema’s zijn er geen verplichtingen ten aanzien van het gebruik van (sleutel)technologieën; de innovativiteit en de economische potentie zijn in dat opzicht doorslaggevend. Om vernieuwend en competitief te zijn is het in het algemeen relevant hoogwaardige actuele kennis en kunde in uw innovatie te benutten en/of te combineren. Om competitief te blijven is het een voordeel om aansluiting te (kunnen) vinden op verdere ontwikkeling van die kennis en kunde in eigen land of regio. Om die reden is het advies om goed kennis te nemen van recent binnen de topsectoren en KIA’s ontwikkelde kennis respectievelijk van lopende onderzoeksprogramma’s en -projecten. Waar de innovatie is gericht op doorontwikkeling of ondersteuning van de implementatie van een sleuteltechnologie, wordt verwezen naar de opsomming van sleuteltechnologieën in KIA 5 en de nadere informatie daar. Leeswijzer In deze toelichting wordt aangegeven hoe de informatie dient te worden geïnterpreteerd binnen de MIT-regeling respectievelijk de aanvraag. De regeling is vastgesteld door de drie colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft. Dit betekent dat de regeling moet passen binnen de kaders die bij de verschillende provincies zijn gesteld. Iedere provincie heeft eerder een eigen algemene subsidieverordening vastgesteld: Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 (Asv 2013), Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 (Asb 2013), Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv), Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. (Asv 2017). De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de genoemde Asv’s liggen ten grondslag aan de regeling. De Asv’s zijn kaderverordeningen. Deze beschrijven op hoofdlijnen voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt en bevatten verder delegatie- en bevoegdheidsbepalingen. Daarnaast geven de Asv’s van Limburg en Noord-Brabant algemene procedureregels voor subsidieverstrekking. In Zeeland is dit geregeld in het Asb 2013. De Asv’s verplichten de colleges van Gedeputeerde Staten om de inhoudelijke en beleidsmatige aspecten van het subsidiebeleid nader uit te werken in subsidieregelingen. Voor Zeeland is hiertoe het Asb 2013 aangewezen. Om die reden wordt deze regeling in Zeeland vastgesteld als supplement bij het Asb 2013. Voor zover mogelijk worden onderwerpen die worden geregeld in de afzonderlijke Asv’s niet herhaald in de regeling, behoudens die onderwerpen die niet in alle drie de Asv’s op dezelfde wijze zijn geregeld. Arrangementen De provincies Limburg en Noord-Brabant volgen het rijkssubsidiekader voor het systeem van verantwoording en financieel beheer van de subsidies. Beide Asv’s hanteren dezelfde standaardarrangementen voor wat betreft uitvoerings- en verantwoordingseisen. Ook aan de Asv van Zeeland heeft het gedachtegoed van het rijkssubsidiekader ten grondslag gelegen, met een andere verdeling van arrangementen. Voor wat betreft de verantwoording van de staatssteun wordt gebruikt gemaakt van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Steun onder die vrijstelling moet gestaafd zijn met actuele en specifieke bewijsstukken. Afrekening op basis van een eindverantwoording en werkelijke kosten voldoet daar helemaal aan. Subsidies op basis van paragraaf 1 worden verleend en direct vastgesteld, zonder eindverantwoording waarmee op andere wijze voorzien moet zijn in actuele en specifieke bewijsstukken. Vooraf wordt daarom vanuit de uitvoerbaarheid van het project nadrukkelijk toegezien op een realistische urenplanning en achteraf wordt steekproefsgewijs gecontroleerd op behaalde resultaten (ongeveer 10%). Daarmee wordt in hoge mate voldaan aan het criterium van actuele en specifieke bewijsstukken. Tegelijkertijd is het maximum steunpercentage op grond van de vrijstelling tussen de 60 en 70%, terwijl paragraaf 1 maar 40% vergoed, waarmee het risico op overcompensatie wordt verkleind. Voor de subsidies op grond van paragraaf 2 wordt afgerekend op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten om te verzekeren dat overcompensatie wordt uitgesloten. De noodzaak van het indienen van een controleverklaring is afhankelijk van de hoogte van de subsidie. II. Artikelsgewijs Artikel 1.5 Weigeringsgronden De weigeringsgronden gelden onverminderd de weigeringsgronden in artikel 4:25 (subsidieplafond) en 4:35 van de Awb en de weigeringsgronden in de drie Asv’s. Dit betekent dat de weigeringsgronden in de Asv’s onverkort gelden. Daar waar dit stroomlijning behoeft, is de weigeringsgrond opgenomen in artikel 1.4. Artikel 4:35 van de Awb bepaalt dat subsidie wordt geweigerd indien gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: De activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; De aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen De aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn; En voorts indien de aanvrager: in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid of Failliet is verklaard of aan hem surseance ven betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel daartoe een verzoek bij de rechtbank is ingediend. Onder c. Stimulerend effect Indien sprake is van staatssteun kan deze alleen worden vrijgesteld of anderszins gerechtvaardigd worden verstrekt, indien sprake is van een stimulerend effect. Stimulerend effect is aanwezig als door de subsidie het gedrag van de onderneming verandert. Er wordt bijvoorbeeld een project gerealiseerd dat niet van de grond zou komen zonder subsidie. Of de omvang van een project verandert door de subsidie. In artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de aanvraag om subsidie is ingediend voordat de activiteit aanvangt. Hiermee wordt niet uitgesloten dat activiteiten die eerder zijn aangevangen, ook een stimulerend effect hebben. Dit dient te worden aangetoond. Omdat de doelgroep van deze regeling MKB-ondernemingen zijn en hier snel sprake is van een onderneming in de zin van Europees recht, is de weigeringsgrond breed opgenomen. Onder d. Deggendorf clausule Een van de verplichtingen die gelden om gebruik te kunnen maken van een vrijstelling op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is het opnemen van de zogeheten Deggendorf clausule. Deze houdt in dat betaling van steun is uitgesloten aan een onderneming waarbij eerdere steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. Tegen de onderneming is in dat geval een terugvorderingsbevel gegeven. Onder e. Onderneming in moeilijkheden In artikel 2 onder 18 van de AGVV is aangegeven in welke gevallen een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. Bij het indienen van een aanvraag, dient hiervoor een verklaring te worden gevoegd waarin wordt verklaard dat aanvrager niet in financiële moeilijkheden verkeert. Artikel 1.6 Vereisten De vereisten (zowel algemeen als specifiek) gelden voor alle aanvragen op grond van deze paragraaf en onverminderd de algemene vereisten die in de drie Asv’s zijn opgenomen. Eerste lid onder b onderdeel 5 Ten aanzien van projecten gericht op de KIA sleuteltechnologieën is het doen van puur onderzoek naar sleuteltechnologieën en/of het puur toepassen ervan in een willekeurige sector anders dan binnen de missies geen basis voor toekenning van een subsidie. Gezocht wordt naar innovaties die de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van sleuteltechnologieën verbeteren, en die als product verkoopbaar zijn. Artikel 1.7 Subsidiabele kosten Eerste lid onder a Binnen een haalbaarheidsproject zijn de kosten die direct betrekking hebben op het project subsidiabel. Dit zijn loonkosten en kosten derden. Onder loonkosten worden verstaan de kosten van: onderzoekers, technici en ander personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden. Loonkosten kunnen worden berekend op twee manieren: ofwel via het forfaitair uurtarief van € 60 ofwel via het bruto jarsalaris opgeslagen met 50% voor overige lasten. Het forfaitair vastgestelde uurtarief wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen die in loondienst zijn bij de aanvragende organisatie en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten. Dit tarief kan ook toegepast worden indien personen van een verbonden onderneming (inclusief holding B.V. en management B.V.) betrokken zijn in de projectuitvoering. Ook eigenaren van ondernemingen die niet worden verloond op basis van een dienstverband kunnen gebruik maken van het forfaitair uurtarief van € 60. Voor een stagiair die een niet-marktconforme vergoeding ontvangt, is er sprake van fictieve dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief van € 60,- niet. Bij een marktconforme vergoeding is er wel sprake van dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief dus wel. Een marktconforme vergoeding is bijvoorbeeld het minimumjeugd- of cao-loon. De stagiair is bij zo’n stagevergoeding, net als bij gewone werknemers in ‘echte’ dienstbetrekking. Eerste lid onder b Kosten derden omvat alle kosten, gemaakt en betaald binnen de projectperiode, waar een factuur en betaal bewijs tegenover staat. Van belang is dat deze kosten op factuurbasis direct betrekking hebben op het project. Indirecte kosten, zoals overheadkosten, vallen niet onder kosten derden en worden meegenomen in de loonkosten. De kosten derden omvatten de kosten voor onderzoek, bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. Tweede, derde, vierde en vijfde lid In artikel 1.3 van het Asb2013 van Zeeland is bepaald op welke wijze personeelskosten subsidiabel zijn. Van deze regeling kan worden afgeweken. Voor Limburg en Noord-Brabant zijn gelijksoortige regels vastgesteld door Gedeputeerde Staten op grond van de Asv. Voor Limburg zijn dit de Nadere regels met betrekking tot berekeningswijzen uurtarieven en uniforme kostenbegrippen in het kader van het verstrekken van subsidies. Op grond van artikel 3 van de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzen uurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies, schrijft de subsidieverlener een standaardberekeningswijze en de wijze waarop deze berekeningswijze wordt uitgevoerd, voor. Voor Noord-Brabant is door Gedeputeerde Staten Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen uurtarieven subsidies Noord-Brabant vastgesteld. Voor de berekeningswijze van uurtarieven op basis van kosten per kostendrager voor indirecte kosten hanteren Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een opslagpercentage voor indirecte kosten van 25% op arbeidskosten en loonkosten. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan afwijken in een subsidieregeling. Voor berekeningswijze van uurtarieven op basis van een fortfaitair uurtarief hanteren Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een uurtarief van € 50. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant kunnen hiervan afwijken in een subsidieregeling. Door in dit artikel de Nadere regels van Limburg van toepassing te verklaren, bepalen Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in dit geval dat de Nadere regels voldoen aan hetgeen bepaald in de Asv van Noord-Brabant. In artikel 1.6 is hiertoe aangegeven welk opslagpercentage en welk forfaitair uurtarief een subsidieaanvrager dient te hanteren in zijn aanvraag. Er wordt in deze regeling uitgegaan van een opslagpercentage van 50% voor indirecte kosten en een uurtarief van € 60 gehanteerd. Artikel 1.8 Niet Subsidiabele kosten In de drie provincies is bepaald dat verrekenbare of compensabele BTW niet voor subsidie in aanmerking komt. Daarnaast is in artikel 15 van de ASV 2017 van Limburg bepaald dat niet subsidiabel zijn: kosten die samenhangen met financiële of contractuele verplichtingen die zijn aangegaan voordat een projectsubsidie is aangevraagd, tenzij sprake is van voorbereidingskosten of het ontwikkelen van plannen met betrekking tot de in de aanvraag genoemde activiteiten; kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd; kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties. Kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd, zijn ook al reeds uitgesloten op basis van staatssteunregelgeving (overcompensatieverbod, transparantiebeginsel en maximale steunpercentages). Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag In artikel 1.4.1 van het Asb2013 van Zeeland is bepaald dat aanvragen tenminste acht weken voor het begin van de activiteit worden ingediend. Op grond van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten in een individueel geval besluiten af te wijken van deze termijn. In artikel 10 van Asv 2017 Limburg is bepaald dat gedeputeerde staten in nadere regels een termijn of uiterlijke datum waarbinnen respectievelijk waarop een subsidieaanvraag moet zijn ingediend of ontvangen. Dit artikel bevat indieningsvereisten en is een aanvulling op hetgeen reeds is bepaald voor de drie provincies. In Zeeland zijn in artikel 1.4.2 van het Asb2013 de in te dienen gegevens opgesomd. Deze opsomming wordt in het aanvraagformulier opgenomen. Hetzelfde geldt voor de opsomming in artikel 11 van de ASV2017 van Limburg. Artikel 1.11 Subsidiehoogte De aanvraag is leidend bij de bepaling van de subsidiehoogte. Dit betekent dat een aanvrager minder ontvangt, indien hij minder aanvraagt. Dit volgt reeds uit de Algemene wet bestuursrecht. Het subsidiepercentage is als volgt tot stand gekomen: Het project bestaat voor tenminste 60% uit haalbaarheidsstudie. Op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening kan over dit deel van de kosten maximaal 50% subsidie worden verstrekt. Artikel 1.13 Beslistermijnen subsidieverlening De beslistermijnen voor subsidieverlening wijken onderling van elkaar af in de provincies. Omdat de subsidies uit een gezamenlijk plafond worden verstrekt, is het van belang gelijke termijnen te hanteren. De kortste termijn wordt gehanteerd door Zeeland. Dit is een termijn van acht weken en wordt niet haalbaar geacht voor subsidies uit deze paragraaf. Omdat de termijn is opgenomen in het Asb2013, kan hier gemotiveerd van worden afgeweken. Van de Asv’s van Noord-Brabant en Limburg kan echter niet worden afgeweken. Derhalve is de kortste termijn van deze twee provincies aangehouden: 12 weken. Er geldt dus voor deze paragraaf vanwege de verdeelsystematiek volgorde van binnenkomst dat er in principe binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing op wordt genomen. Artikel 1.14 Verplichtingen algemeen De provinciale regelgeving van alle drie de provincies geeft de colleges van Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om de verplichtingen uit de Asv’s of het Asb aan te vullen. Derde lid Artikel 1.6.6, derde lid van de Asb2013 van Zeeland bepaalt dat indien een instelling niet of niet volledig aan zijn plicht tot bekendmakingen of publiciteitsuitingen heeft voldaan door de provincie als subsidieverstrekker te noemen, de subsidie kan worden verlaagd met vijf procent, met een maximum van € 5.000. Ook wordt van artikel 1.10.1 van de Asv2013 van Zeeland afgeweken waarin is bepaald dat indien na vaststelling van de subsidie blijkt dat activa is vervreemd binnen 5 jaar en aldus de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de op basis van artikel 1.6.3 genoemde verplichting. De subsidievaststelling wordt in dat geval niet ten nadele van de ontvanger gewijzigd of ingetrokken. Deze verplichting kennen de Asv’s Limburg en Noord-Brabant niet. Het opleggen van een sanctie in één van de provincies schaadt de eenduidigheid en gelijke behandeling. Vanwege de uniformiteit tussen de drie provincies is ervoor gekozen om deze sanctie op geen enkele subsidie die wordt verleend in het kader van deze regeling toe te passen en buiten toepassing te verklaren. Vierde lid In de Asb2013 van Zeeland zijn geen bepalingen met betrekking tot vermogensvorming opgenomen. De bepalingen van de Asv’s van Limburg en Noord-Brabant zijn gelijkluidend. De bepaling van de Asv van Noord-Brabant is dan ook van toepassing verklaard op Zeeuwse subsidies. Artikel 1.16 Betaling In het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is voor subsidies tot € 10.000 bepaald dat een voorschot van 100% van de maximale subsidie wordt verleend. Een soortgelijke bepaling is opgenomen voor het eerste arrangement, dus tot € 25.000, in Limburg en Noord-Brabant. In het Asb2013 is in artikel 1.8.9 een mogelijkheid opgenomen om arrangement 1 toe te passen op subsidies hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 in individuele gevallen, op basis van een risicoafweging. Er kan dus gemotiveerd van worden afgeweken om subsidies tot en met € 20.000 voor Zeeland 100% uit te betalen. Vanwege de eenduidigheid en uniformiteit wordt deze subsidies dus in één keer uitbetaald bij verlening. Artikel 1.17 Vaststelling De elementen van vaststelling van de subsidies (aanvraagtermijn, beslistermijn en wijze van verantwoording) zijn in de drie provincies bepaald door de hoogte van de subsidie en het hieraan verbonden arrangement. Ter zake van arrangement 1 geldt dat in afwijking van artikel 1.7 en paragraaf 1.8 van het Algemeen subsidiebesluit subsidies tot met € 20.000 direct worden vastgesteld. De Asv’s van Noord-Brabant en Limburg kennen deze mogelijkheid. § 2 R&D samenwerkingsproject Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten In de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (centrale regeling te vinden op www.overheid.
  5. nl)is een definitie van R&D-samenwerkingsproject en R&D-samenwerkingsverband opgenomen. R&D-samenwerkingsproject: Research and Development-project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerking en voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een R&D-samenwerkingsverband; R&D-samenwerkingsverband: Research and Development-verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject. Artikel 2.5 Weigeringsgronden De weigeringsgronden gelden onverminderd de weigeringsgronden in artikel 4:25 (subsidieplafond) en 4:35 van de Awb en de weigeringsgronden in de drie Asv’s. Dit betekent dat de weigeringsgronden in de Asv’s onverkort gelden. Artikel 4:35 van de Awb bepaalt dat subsidie wordt geweigerd indien gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: De activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; De aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen De aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn; En voorts indien de aanvrager: in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid of Failliet is verklaard of aan hem surseance ven betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel daartoe een verzoek bij de rechtbank is ingediend. Onder b. Stimulerend effect Indien sprake is van staatssteun kan deze alleen worden vrijgesteld of anderszins gerechtvaardigd worden verstrekt, indien sprake is van een stimulerend effect. Stimulerend effect is aanwezig als door de subsidie het gedrag van de onderneming verandert. Er wordt bijvoorbeeld een project gerealiseerd dat niet van de grond zou komen zonder subsidie. Of de omvang van een project verandert door de subsidie. In artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de aanvraag om subsidie is ingediend voordat de activiteit aanvangt. Hiermee wordt niet uitgesloten dat activiteiten die eerder zijn aangevangen, ook een stimulerend effect hebben. Dit dient te worden aangetoond. Omdat de doelgroep van deze regeling MKB-ondernemingen zijn en hier snel sprake is van een onderneming in de zin van Europees recht, is de weigeringsgrond breed opgenomen. Onder c. Deggendorf clausule Een van de verplichtingen die gelden om gebruik te kunnen maken van een vrijstelling op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is het opnemen van de zogeheten Deggendorf clausule. Deze houdt in dat betaling van steun is uitgesloten aan een onderneming waarbij eerdere steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. Tegen de onderneming is in dat geval een terugvorderingsbevel gegeven. Onder d. Onderneming in moeilijkheden In artikel 2 onder 18 van de AGVV is aangegeven in welke gevallen een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. Bij het indienen van een aanvraag, dient hiervoor een verklaring te worden gevoegd waarin wordt verklaard dat aanvrager niet in financiële moeilijkheden verkeert. Artikel 2.6 Vereisten De vereisten onder d tot en met f en h zijn afgeleid uit begripsomschrijvingen uit de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. Eerste lid onderdeel b De missies, sleuteltechnologieën en het maatschappelijk verdienvermogen, zijn vertaald in de KIA’s. In bijlage 1 behorende bij de Subsidieregeling is een verwijzing en uitwerking opgenomen van de KIA’s waar een project binnen moet passen danwel uitvoering aan moet geven. Eerste lid onderdeel g instemming Instemming van alle deelnemers omvat onder andere instemming met de begroting en een sluitend financieringsplan. Hierdoor kan getoetst worden wat ieders bijdrage in de subsidiabele kosten is en hoe de subsidie over de subsidiabele kosten van de deelnemers verdeeld wordt. Eerste lid onderdeel h verbondenheid Er wordt aangesloten bij de definitie van verbonden ondernemingen uit artikel 3 van bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Eerste lid onderdeel i niet meer dan 70% Deze bepaling is opgenomen om er voor te zorgen dat er echt sprake is van een evenwichtig samenwerkingsverband door te voorkomen dat één van de partijen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening neemt. Eerste lid onder o impact Het project heeft een positieve bijdrage, positieve impact op één of meerdere missies, danwel is er sprake van impact op kennisontwikkeling of versterkte implementatie van een sleuteltechnologie. Om de projecten uit de verschillende KIA’s/missies zo goed mogelijk te kunnen beoordelen, en die baten met punten te waarderen, dienen de verwachte baten van de innovatie zoveel mogelijk te worden gekwantificeerd (in aantallen en/of getallen). Dat kan door onder andere een vergelijking te maken met producten, diensten of processen die al op de markt beschikbaar zijn. Ook de waarschijnlijkheid dat die baten kunnen worden bereikt, dient in het projectplan te worden onderbouwd. De impact dient waar mogelijk gekwantificeerd te worden, zodat blijkt wat de omvang ervan is. De verschillende vormen die de impact in de verschillende missies kan krijgen, zijn toegelicht in bijlage 1. Artikel 2.7 Subsidiabele kosten Eerste lid onder a Binnen een R&D Samenwerkingsproject kunnen loonkosten, afschrijvingskosten en kosten derden worden verantwoord. Onder loonkosten worden verstaan de kosten van: onderzoekers, technici en ander personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden. Loonkosten kunnen worden berekend op twee manieren: ofwel via het forfaitair uurtarief van € 60 ofwel via het bruto jaarsalaris opgeslagen met 50% voor overige lasten. Het forfaitair vastgesteld uurtarief wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen die in loondienst zijn bij de aanvragende organisatie en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten. Dit tarief kan ook toegepast worden indien personen van een verbonden onderneming (inclusief holding B.V. en management B.V.) betrokken zijn in de projectuitvoering. Ook eigenaren van ondernemingen die niet worden verloond op basis van een dienstverband kunnen gebruik maken van het forfaitair uurtarief van € 60. Voor een stagiair die een niet-marktconforme vergoeding ontvangt, is er sprake van fictieve dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief van € 60,- niet . Bij een marktconforme vergoeding is er wel sprake van dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief dus wel. Een marktconforme vergoeding is bijvoorbeeld het minimumjeugd- of cao-loon. De stagiair is bij zo’n stagevergoeding, net als bij gewone werknemers in ‘echte’ dienstbetrekking. Eerste lid onder b Kosten derden omvat alle kosten, gemaakt en betaald binnen de projectperiode, waar een factuur en betaalbewijs tegenover staat. Van belang is dat deze kosten op factuurbasis direct betrekking hebben op het project. Indirecte kosten, zoals overheadkosten, vallen niet onder kosten derden en worden meegenomen in de loonkosten. De kosten derden omvatten de kosten voor contractonderzoek, bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. Eerste lid onder c Onder afschrijvingskosten wordt verstaan de kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Tweede, derde, vierde en vijfde lid In artikel 1.3 van het Asb2013 van Zeeland is bepaald op welke wijze personeelskosten subsidiabel zijn. Van deze regeling kan worden afgeweken. Voor Limburg en Noord-Brabant zijn gelijksoortige regels vastgesteld door Gedeputeerde Staten o

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.