Obsah (4)
Artikel 1Artikel 2Artikel 3Artikel 4Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland houdende regels voor ruimte Regels Ruimte voor Gelderland 2016GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Gelet op artikel 3, zesde lid, van de Algem
Paragraaf 1.
Artikel 1
.1.1 Algemene begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 (PbEU van de Europese Commissie van 17 juni 2014; AsG: Algemene subsidieverordening Gelderland 2016; controleprotocol: instructie aan de subsidieontvanger voor het geven van aanwijzingen voor de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole; directe arbeidskosten: de kosten van niet in loondienst verrichte arbeid als ZZP-er of als directeur-grootaandeelhouder; directe loonkosten: het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten (werkgeversdeel pensioenpremie, WW-premie, WIA/WAO-premie en bijdrage Zorgverzekeringswet) en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen; indirecte kosten: het totaal van indirecte loonkosten en kosten voor overhead; indirecte loonkosten: het totaal van de kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden en de kosten van emolumenten; kerntaken: kerntaken als bedoeld in het Coalitieakkoord Gelderland 2015-2019 “Ruimte voor Gelderland” d.d. 20 april 2015; kosten van apparatuur: gebruikskosten van bestaande apparatuur of van apparatuur die niet speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit; kosten van apparatuur die speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit; kosten van derden: aan onafhankelijke derden verschuldigde kosten voor uitbesteding van diensten en het inlenen van personeel; kosten van materialen: de kosten voor verbruiksgoederen; Landbouw groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de EuropeseCommissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193); onafhankelijk taxateur: erkend taxateur die op onafhankelijke wijze de marktwaarde van een onroerend goed vaststelt op grond van algemeen aanvaarde waarderingsmethoden; publiekrechtelijke rechtspersoon: rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; rechtspersoon met een wettelijke taak: rechtspersoon voor zover die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefenen en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen. sluitende begroting: een begroting waaruit blijkt dat de totale inkomsten en uitgaven voor de activiteiten met elkaar in evenwicht zijn. Artikel 1.1.2 Toepassingsbereik Hoofdstuk 1 is ook van toepassing op andere besluiten omtrent subsidie voor het nemen waarvan Gedeputeerde Staten bevoegd zijn dan de besluiten die worden genomen met toepassing van de hoofdstukken 2 tot en met
- Paragraaf 1.2 De aanvraag Artikel 1.2.1 Tijdvak voor aanvragen Gedeputeerde Staten kunnen een tijdvak vaststellen waarbinnen aanvragen om subsidie kunnen worden ingediend. Artikel 1.2.2 Indieningstermijn bij verdeelplan Voor subsidie die wordt verleend op basis van een krachtens wettelijk voorschrift vastgesteld verdeelplan waarin tenminste de subsidieontvangers en de te ontvangen subsidiebedragen worden genoemd, wordt de aanvraag om subsidie in afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG uiterlijk zes maanden nadat het verdeelplan is vastgesteld ingediend. Artikel 1.2.3 Inhoud van aanvraag om subsidie 1 Bij de aanvraag om subsidie worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee beoogde doelstellingen; een begroting van de opbrengsten en kosten voor de activiteiten, voorzien van een toelichting; indien de activiteiten een tijdvak van meer dan 12 maanden beslaan: een planning van de uitvoering van de activiteiten in de eerste 12 maanden en de daaraan verbonden kosten, alsmede een planning voor het resterende deel van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd; indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is: zijn statuten; en indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is: de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel de balans en de staat van opbrengsten en kosten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van indiening van de aanvraag. 2 Als subsidie wordt berekend op basis van een vast bedrag per eenheid dan wordt er, in afwijking van het eerste lid onder b, een verklaring bij de aanvraag verstrekt waaruit blijkt dat de aanvrager over voldoende middelen beschikt om eventuele resterende kosten te dekken. 3 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdelen d en e. 4 Gedeputeerde Staten kunnen een schriftelijke verklaring vragen van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de getrouwheid van de in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde bescheiden dan wel een mededeling dat van onjuistheden niet is gebleken. 5 Indien voor dezelfde activiteiten subsidie is verstrekt of aangevraagd bij een ander bestuursorgaan, doet de aanvrager daarvan mededeling in de aanvraag. Artikel 1.2.4 Boekjaarsubsidies 1 De aanvraag om een subsidie voor een boekjaar wordt ingediend voor 1 april van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar. 2 Indien voor het jaar voorafgaand aan het boekjaar reeds subsidie werd verkregen, kan de aanvraag tot en met 30 september worden ingediend. 3 Gedeputeerde Staten beslissen uiterlijk binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag. Artikel 1.2.5 Ontvangstbevestiging Gedeputeerde Staten zenden de aanvrager zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging, waarin de ontvangstdatum is vermeld. Paragraaf 1.3 Beslissing op de aanvraag Artikel 1.3.1 Directe vaststelling bij subsidies tot € 25.000 1 Bij een subsidie tot € 25.000 wordt geen verleningsbesluit genomen. 2 Indien sprake is van subsidieverstrekking onder opschortende voorwaarde als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de AsG wordt in het verleningsbesluit aangegeven binnen welke termijn de activiteit wordt uitgevoerd. 3 Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid bevat het verleningsbesluit tevens de datum waarop de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld. Artikel 1.3.2 Wijze van verdeling 1 Bij het verlenen van subsidie wordt de volgorde in acht genomen waarin de aanvragen om subsidie zijn ingediend. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. 2 Indien als gevolg van het verlenen van subsidie op grond van een aanvraag die is ingediend op een dag waarop meerdere aanvragen zijn ingediend het subsidieplafond zou worden bereikt, wordt de volgorde als bedoeld in het eerste lid bepaald door loting. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. 3Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen binnen een bepaald tijdvak moeten worden ingediend en op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst. Een aanvraag wordt slechts in de rangorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. 4Op aanvragen als bedoeld in het derde lid wordt in afwijking van het eerste lid beslist op volgorde van die rangorde. 5 Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het vierde lid weigeren indien die niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Artikel 1.3.3 Communautair toetsingskader
- Indien de verstrekking van subsidie als een steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VwEU moet worden aangemerkt en er geen andere staatssteunoplossing voor handen is, wordt de subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun (PbEU L 352).
- Geen subsidie wordt verstrekt indien tegen een subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.
- Geen subsidie wordt verstrekt onder toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de Landbouw groepsvrijstellingsverordening aan ondernemingen in moeilijkheden als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01). Artikel 1.3.4 Sluitende begroting 1 Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de begroting van de activiteit sluitend is. 2 Als toepassing wordt gegeven aan artikel 1.2.3, tweede lid, wordt de begroting geacht sluitend te zijn. Artikel 1.3.5 Niet-subsidiabele kosten Geen subsidie wordt verstrekt in verband met: kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag; kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen; [vervallen] verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten; kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en sancties; legeskosten indien de aanvraag wordt gedaan door een bestuursorgaan; [vervallen] kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen; kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager; kosten gemaakt na na afloop van de in de verleningsbeschikking opgenomen projectperiode met uitzondering van accountantskosten zoals bedoeld in artikel 27, derde lid, van de AsG; [vervallen] [vervallen] fooien, geschenken, gratificaties en bonussen; kosten voor representatie, personeelsactiviteiten, overboekingen, annuleringen en outplacementtrajecten; niet noodzakelijke of bovenmatige kosten. Artikel 1.3.6 Methoden voor berekening van kosten 1 De aanvrager kiest voor het berekenen van de kosten een van de volgende methoden: de vaste uurtariefsystematiek; de loonkosten plus vaste opslagsystematiek; de integrale kostensystematiek. 2 De aanvraag bevat een opgave van de gekozen systematiek. 3 Op verzoek van de aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het eerste lid een andere methode vaststellen. 4 Onverminderd het derde lid worden de subsidiabele kosten berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast. 5 In afwijking van het eerste lid wordt voor publiekrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen met een wettelijke taak de vaste uurtariefsystematiek toegepast, ongeacht of de subsidiabele activiteit tot de wettelijke taak van de rechtspersoon wordt gerekend. 6 Gedeputeerde Staten kunnen voor rechtspersonen als bedoeld in het vijfde lid een andere methode toestaan. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 7 In afwijking van het vijfde lid kunnen instellingen voor hoger onderwijs en academische ziekenhuizen zoals bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wettenschappelijk onderzoek kiezen voor een van de methoden voor het berekenen van kosten als genoemd in het eerste lid. Artikel 1.3.7 Vaste uurtariefsystematiek 1 De kosten bij de vaste uurtariefsystematiek zijn: een vast uurtarief als vergoeding voor de directe loon- en arbeidskosten en de indirecte kosten; kosten van apparatuur; kosten van materialen; kosten van derden. 2 Het vaste uurtarief bedraagt €
- 3 Het aantal gewerkte uren moet in de administratie per betrokken medewerker worden vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.
- 4 Het derde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is. Artikel 1.3.8 Loonkosten plus vaste opslagsystematiek 1 De kosten bij de loonkosten plus vaste opslagsystematiek zijn: een uurtarief voor directe loonkosten; een opslag over de directe loonkosten als vergoeding voor de indirecte kosten; een vast uurtarief als vergoeding voor de directe arbeidskosten; kosten van apparatuur; kosten van materialen; kosten van derden. 2Het uurtarief voor de directe loonkosten wordt bepaald door de directe loonkosten per jaar te delen door de productieve uren. Het aantal productieve uren wordt bepaald door het aantal van 1600 uren te vermenigvuldigen met de deeltijdfactor. Het uurtarief bedraagt ten hoogste €
- 3 Het vaste uurtarief voor directe arbeidskosten bedraagt €
- 4 De opslag voor de indirecte kosten bedraagt 20%. 5Het aantal gewerkte uren van de betrokken medewerker wordt in de administratie met bijhorende loonkosten vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.600 op basis van een voltijd dienstverband. 6 Het vijfde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is. Artikel 1.3.9 Berekeningswijzen kosten 1 Bij de toepassing van de artikelen 1.3.7 en 1.3.8 worden de kosten van apparatuur, materialen, loon- en arbeidskosten en kosten van derden, alsmede vergoedingen voor vrijwilligers berekend aan de hand van het tweede tot en met achtste lid. 2 De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder i, onderdeel i, worden berekend door het werkelijke gebruik van het apparaat te vermenigvuldigen met het machine-uurtarief. 3 Het machine-uurtarief als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de normale bezetting van het apparaat en de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn. 4 Het werkelijke gebruik van het apparaat wordt vastgelegd in een controleerbare gebruiksadministratie. 5 De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder i, onderdeel ii, worden berekend door middel van lineaire afschrijving van het apparaat. 6 De lineaire afschrijving als bedoeld in het vijfde lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn. 7 De kosten van materialen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen. 8 De kosten van vergoedingen voor vrijwilligers zijn subsidiabel voor zover: deze aan de vrijwilliger zijn uitbetaald; het aantal gewerkte uren in de administratie met bijhorende vergoeding per vrijwilliger zijn vastgelegd; de hoogte van de vergoeding bedraagt maximaal € 4,50 per uur, met een maximum van € 150 per maand en € 1.500 per jaar. Artikel 1.3.10 Integrale kostensystematiek 1 De kosten bij de integrale kostensystematiek zijn: een tarief voor de directe en indirecte kosten van de voor de uitvoering van de activiteiten ingezette kostendragers; kosten van derden. 2 De kosten per kostendrager als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden berekend in een tarief per eenheid van deze kostendrager. 3Het tarief als bedoeld in het tweede lid wordt gebaseerd op een positief besluit van het Tarieventeam van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten aanzien van de Eigen verklaring integrale kostensystematiek en het rapport van bevindingen van de accountant. 4 De kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van dat tarief. Artikel 1.3.11 Hoogte van de subsidie 1 Indien bij de beoordeling van de subsidieaanvraag blijkt dat door de subsidie van de provincie er een overschot op de begroting ontstaat, wordt de subsidie verminderd met het bedrag dat gelijk staat aan het positief resultaat op de begroting. 2 Als subsidie wordt berekend op basis van een vast bedrag per eenheid, is het eerste lid niet van toepassing. Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel 1.4.1 Administratieplicht De subsidieontvanger is verplicht alle op de activiteit betrekking hebbende bewijsstukken gedurende ten minste vijf jaren na vaststelling van de subsidie te bewaren. Artikel 1.4.2 Administratie bij subsidies vanaf € 125.000 1 De subsidieontvanger is verplicht bij subsidieverstrekking vanaf € 125.000 een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden kosten en inkomsten. 2 Het voeren van een administratie als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat: alle ontvangsten en kosten in de administratie zijn vastgelegd met onderliggende bewijsstukken; bewijsstukken, als onderdeel van de administratie, aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en dat daaruit de aard en hoeveelheid van de geleverde goederen en diensten blijkt, en uit de urenregistratie blijkt dat de gedeclareerde mensuren daadwerkelijk zijn gemaakt en rechtstreeks toe te rekenen zijn aan het project waarvoor de subsidie is verleend. 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG is voorgeschreven. Artikel 1.4.3 Voortgangsrapportage Als een subsidie boven € 25.000 niet binnen een jaar na de subsidieverlening wordt vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger, zolang de subsidie niet is vastgesteld, eenmaal per jaar verplichten om een voortgangsrapportage over te leggen. Artikel 1.4.4 Meldingsplicht en aanleveren van bewijsstukken 1 De subsidieontvanger is verplicht om de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen als de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig, niet geheel of gewijzigd zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. 2 De subsidieontvanger is verplicht om op eerste verzoek van Gedeputeerde Staten door het overleggen van bewijsstukken aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 1.4.5 Vervreemding van goederen en rechten 1 De subsidieontvanger is gehouden, indien met subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na de subsidievaststelling worden vervreemd of anderszins aan derden ter beschikking worden gesteld, Gedeputeerde Staten hiervan in kennis te stellen en de verstrekte subsidie terug te betalen, tenzij anders bepaald. 2 Gedeputeerde Staten stellen het bedrag van de terug te betalen subsidie vast binnen dertien weken nadat zij kennis hebben gekregen van de omstandigheid bedoeld in het vorige lid. 3 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting de subsidie terug te betalen. Artikel 1.4.6 Vermogensvorming 1 De hoogte van de vergoeding voor vermogensvorming als bedoeld in artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale opbrengsten dat gedurende de laatste tien jaar door de subsidie is gevormd. 2 Bij de bepaling van de waarde van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen. 3 De waarde van onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, die van de roerende goederen op basis van hun boekwaarde. De geldmiddelen, waaronder begrepen banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde. 4 De waarde van onroerende goederen wordt voor rekening van de provincie vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen die daartoe door Gedeputeerde Staten in overeenstemming met de subsidieontvanger worden aangewezen. 5 Indien minder dan tien achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt, wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal jaren gedurende welke subsidie is verstrekt. 6 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van subsidieontvanger beslissen dat geen vergoeding verschuldigd is indien: de activiteiten door een ander worden overgenomen; de realisatie van de doelstelling niet in gevaar komt; en de activa en passiva tegen boekwaarde, bepaald op grond van historische kostprijs, worden overgenomen door de rechtsopvolger. Artikel 1.4.7 In stand houden resultaten De subsidieontvanger houdt gedurende ten minste vijf jaren na vaststelling van de subsidie, of zolang als in de beschikking tot verlening van de subsidie is bepaald, de resultaten van de activiteiten in stand, tenzij de aard van de activiteiten zich daartegen verzet. Artikel 1.4.
- Medewerking aan evaluatie
- De subsidieontvanger werkt mee aan een door of namens Gedeputeerde Staten ingesteld onderzoek, erop gericht de doeltreffendheid en de effecten van de subsidieverstrekking krachtens deze regels te evalueren.
- Voor zover deze niet bij deze regels zijn gesteld, kunnen Gedeputeerde Staten aan het besluit tot subsidieverlening of, als zodanig besluit niet is gegeven, aan het besluit tot subsidievaststelling voorschriften verbinden over de inlichtingen, gegevens en bescheiden die door de subsidieontvanger moeten worden verstrekt. Paragraaf 1.5 Vaststelling Artikel 1.5.1 Vaststelling van subsidie tussen € 25.000 en € 125.000 1 De subsidieontvanger van een subsidie tussen €25.000 en €125.000 geeft bij het verzoek om subsidievaststelling aan: of de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; 2 De subsidieontvanger geeft in de verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG aan: wat het totaal van de subsidiabele kosten is; in voorkomend geval wat de stand van de egalisatiereserve is; wat het totaal van de opbrengsten is, inclusief bijdragen van derden is, en wat het totaal van de eigen bijdragen is. Artikel 1.5.2 Vaststelling door middel van jaarrekening bij subsidies boven € 125.000 1 Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 27, tweede lid, van de AsG gaat de aanvraag om vaststelling van de subsidie, onverminderd artikel 27, eerste, derde en vierde lid van de AsG, vergezeld van: de jaarrekening waarin de subsidie separaat wordt verantwoord; het jaarverslag; en de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen die in ieder geval strekken tot de verantwoording van onderdeel a. 2 Uit accountantsverklaring moet blijken dat het controleprotocol is toegepast. 3 De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk vier weken na het verschijnen van de jaarrekening van het jaar waarin de activiteiten zijn geëindigd. Artikel 1.5.3 Vaststelling van subsidies bij bijzonder programma 1 In afwijking van artikel 1.5.2 wordt de eindverantwoording van een subsidie op grond van artikel 12 van de AsG voorzien van een accountantsverklaring, waaruit blijkt dat het controleprotocol is toegepast. 2 In afwijking van artikel 1.5.2 kunnen gemeenten, waterschappen en rechtspersonen die zijn ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen de eindverantwoording als bijlage bij de jaarrekening opnemen onder de voorwaarden dat: de verklaring van de accountant mede strekt tot de verantwoording in de bijlage; de gehele jaarrekening en het jaarverslag worden meegezonden; het verslag van bevindingen wordt bijgevoegd, waarin de accountant een verwijzing opgenomen heeft dat de controle is uitgevoerd met inachtneming van het controleprotocol; of indien een dergelijk verslag niet door de accountant is afgegeven een mededeling van de accountant dat gecontroleerd is met inachtneming van het controleprotocol. 3 Het tweede lid is niet van toepassing op subsidies tot € 125.
- 4 De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk 12 maanden nadat de activiteiten zijn uitgevoerd. Paragraaf 1.6 Overige bepalingen Artikel 1.6.1 Waarderingssubsidies In afwijking van artikel 5, tweede lid, van de AsG kan waarderingssubsidie worden verstrekt aan natuurlijke personen. Artikel 1.6.2 Cofinanciering EFRO Indien subsidie wordt verstrekt als provinciale cofinanciering bij een subsidie op grond van de Uitvoeringswet EFRO, is in afwijking van artikelen 5, eerste lid, 7, 8, 9, eerste lid, 14, 17, tweede lid, 20, derde lid, 21, 29, 31 en paragraaf 7 van de AsG het bepaalde bij of krachtens de Uitvoeringswet EFRO van toepassing. Hoofdstuk 2 Duurzame ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer Paragraaf 2.
Artikel 2
.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: collectief: een groep natuurlijke personen die zich verenigd hebben in een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die beoogt hun belangen in een CPO-woningbouwproject te behartigen; CPO: Collectief Particulier Opdrachtgeverschap; CPO-woningbouwproject: de realisatie door een collectief van minimaal 3 woningen waarin de leden van het collectief gaan wonen. Paragraaf 2.2 Ontwikkeling forten (vervallen) Paragraaf 2.3 Gebiedsontwikkeling (vervallen) Paragraaf 2.4 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap Artikel 2.4.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: procesbegeleiding voordat de aanvraag is ontvangen ten behoeve van het oprichten van een collectief en ten behoeve van het opstellen van de subsidieaanvraag; het opstellen van een projectplan voor de realisatie van een CPO-woningbouwproject, waarin een conclusie over de haalbaarheid is opgenomen en waar in ieder geval uit blijkt dat het collectief een vrije keuze heeft in de opdrachtverlening aan externe partijen in het bouwproces en een doorslaggevende stem heeft in het ontwerp- en bouwproces van een CPO-woningbouwproject, met inbegrip van de procesbegeleiding; of het opstellen van een programma van eisen, een voorlopig ontwerp, een definitief ontwerp en een bestek, voor het realiseren van een CPO-woningbouwproject, met inbegrip van de procesbegeleiding. Artikel 2.4.2 Criteria
- Subsidie wordt slechts verstrekt indien: een namens het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente afgegeven intentieverklaring waaruit blijkt dat door de gemeente wordt meegewerkt aan de realisering van het CPO-woningbouwproject op de betreffende locatie, en de procesbegeleiding wordt uitgevoerd door een onafhankelijke begeleider met ervaring in procesbegeleiding.
- Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder a en b, slechts verstrekt indien de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het CPO-woningbouwproject wordt gerealiseerd, de intentie heeft deze respectievelijk dit aan de leden van het collectief te verkopen of te verhuren.
- Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder c, alleen verstrekt als: er een projectplan is waarin een conclusie over de haalbaarheid van het CPO-woningbouwproject is opgenomen en waar in ieder geval uit blijkt dat het collectief een vrije keuze heeft in de opdrachtverlening aan externe partijen in het bouwproces en een doorslaggevende stem heeft in het ontwerp- en bouwproces van een CPO-woningbouwproject; voor de individuele leden van het collectief een financieringstoets door een bank is uitgevoerd waaruit blijkt dat zij over voldoende financiële middelen beschikken voor de realisering van het CPO-woningbouwproject; de gemiddelde stichtingskosten van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject, indien sprake is van nieuwbouw, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie ligt; de gemiddelde stichtingskosten van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject, indien sprake is van bestaande bouw of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie vermeerderd met €30.000 ligt; en de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het CPO-woningbouwproject wordt gerealiseerd de intentie heeft deze respectievelijk dit aan de leden van het collectief te verkopen. Artikel 2.4.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan een collectief. Artikel 2.4.4 Aanvraag
- Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens verstrekt: een verklaring van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente dat het geen bezwaar heeft tegen de realisering van het CPO-woningbouwproject op de betreffende locatie; een verklaring van de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het CPO-woningbouwproject wordt gerealiseerd, waaruit blijkt dat hij de intentie heeft de grond of het gebouw te verkopen of te verhuren aan de leden van het collectief; en een lijst van deelnemers aan het collectief; een offerte voor procesbegeleiding.
- Onverminderd artikel 1.2.3 en het eerste lid worden bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder c, de volgende gegevens verstrekt: een namens het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente afgegeven intentieverklaring waaruit blijkt dat door de gemeente wordt meegewerkt aan realisering van het CPO-woningbouwproject op de betreffende locatie; een opgave van het aantal te realiseren woningen; een overzicht waaruit blijkt dat de gemiddelde stichtingskosten van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject, indien het nieuwbouw betreft, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie ligt; een overzicht waaruit blijkt dat de gemiddelde stichtingskosten van de woningen binnen een CPO-woningbouwproject, indien sprake is van bestaande bouw of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw, beneden de grens van de Nationale Hypotheekgarantie vermeerderd met €30.000 ligt; een verklaring van het collectief dat iedere deelnemer een toets heeft ingeleverd waaruit blijkt dat zij over voldoende financiële middelen beschikken voor de realisering van het CPO-woningbouwproject. Artikel 2.4.5 Subsidiabele kosten In afwijking van artikel 1.3.5, onder a en b, zijn subsidiabel: kosten die voordat de aanvraag is ontvangen worden gemaakt aan procesbegeleiding ten behoeve van het opstellen van de subsidieaanvraag; en kosten die voordat de aanvraag is ontvangen worden gemaakt ten behoeve van de formele oprichting van een collectief. Artikel 2.4.6 Hoogte van de subsidie
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder a en b, bedraagt: €2.000,- voor procesbegeleiding ter voorbereiding van de aanvraag en de formele oprichting van een collectief. €10.000 voor het opstellen van een projectplan voor de realisatie van een CPO- woningbouwproject, indien het nieuwbouw betreft; €12.500 voor het opstellen van een projectplan voor de realisatie van een CPO- woningbouwproject, indien het bestaande bouw betreft of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw.
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder c, wordt verstrekt in de vorm van een renteloze lening, met een looptijd van maximaal twee jaar, voor een bedrag van maximaal 65% van de kosten en ten hoogste: €7.500 per woning tot een maximum van €150.000 per CPO-woningbouwproject indien het nieuwbouw betreft; €10.000 per woning tot een maximum van €200.000 per CPO-woningbouwproject indien het bestaande bouw betreft of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw. Artikel 2.4.7 Verplichtingen
- Het projectplan als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder b, dient binnen één jaar na het verlenen van de subsidie te zijn voltooid en na voltooiing binnen een maand aan de provincie te worden overlegd.
- Met betrekking tot de subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder c, is de ontvanger verplicht: binnen twee jaar na het verlenen van de subsidie, te starten met de bouw van het CPO-woningbouwproject en dit zo snel mogelijk te melden aan de provincie; de lening af te lossen op het moment dat wordt gestart met de bouw van het CPO-woningbouwproject dan wel, indien niet tijdig wordt gestart met de bouw, uiterlijk twee jaar na het verlenen van de subsidie; binnen drie jaar na het verlenen van de subsidie het CPO-woningbouwproject te hebben voltooid.
- Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen verlengen. Artikel 2.4.8 Weigeringsgronden De subsidie als bedoeld in artikel 2.4.1, aanhef en onder c, wordt geweigerd indien niet is gebleken dat de realisering van het CPO-woningbouwproject haalbaar is. Artikel 2.4.9 Vaststelling Na afloop van de in artikel 2.4.7, tweede lid, aanhef en onderdeel b, genoemde termijnen wordt de subsidie ambtshalve op nihil vastgesteld. Paragraaf 2.5 Beleef de Waal [vervallen] Paragraaf 2.6 Waalpleisterplaatsen [vervallen] Paragraaf 2.7 Steengoed Benutten - Tijdelijke Stimulering Sociale woningmarkt [vervallen] Paragraaf 2.8 Steengoed benutten – Uitvoeringsgereed en realiseren Artikel 2.8.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: project: gecombineerde aanpak en uitvoering van maatregelen, waarbij een fysieke herontwikkeling van een concreet gebied wordt bereikt; bebouwde kom: bestaand stedenbouwkundig geconcentreerd samenhangende structuur van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Bij interpretatieverschillen geldt als bebouwde kom, de bebouwingscontour van VROM uit 2005; buitengebied: gebied buiten de bebouwde kom; exploitatiegebied: op kaart aangegeven gebied waarbinnen het project wordt gerealiseerd; herbestemmen: geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw of gebied die juridisch wordt vastgelegd in een bestemmings- of inpassingsplan; herontwikkelen: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte; gebouw: onder gebouw wordt tevens verstaan aaneengesloten gebouwen; transformatie gebouw: ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen of verlaging van de milieucategorie in het kader van het wegnemen van milieuhinder voor de woonomgeving; sloop: afbreken, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik; j.aanloopstraten: straten met een groot aandeel in de routing naar een kernwinkelgebied; kernwinkelgebied: een aaneengesloten gebied in de binnenstad of centrum, met een hoge concentratie aan winkels, horecazaken, culturele voorzieningen en commerciële dienstverlening; transformatie gebied: door herontwikkeling gerealiseerde functiewijziging van grond, gebouwen en openbare ruimte binnen de bebouwde kom met als resultaat een andere functie; bodemsanering: bodemsanering waarbij sprake is van een ernstige verontreiniging op basis waarvan een goedgekeurd functiegericht saneringsplan is opgesteld; nominale waarde: waarden in een exploitatie op basis van prijspeil heden, waarbij geen rekening wordt gehouden met toekomstige kosten- of opbrengstenstijging en toekomstige rentewinsten of renteverliezen; monument: een gebouw dat om zijn cultuurhistorische waarde door de Rijksoverheid of gemeente is of binnen 1 jaar na subsidieverlening wordt aangewezen als beschermd monument; beeldbepalend gebouw:een gebouw, geen monument zijnde, dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, een belangrijke bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld, dan wel van het buitengebied; beeldverstorend verpauperd gebouw: een gebouw dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, en zo mogelijk ook door de slechte staat van onderhoud als gevolg van leegstand, een negatieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads-of dorpsbeeld, dan wel van het buitengebied; complex: kazerne- of fabriekscomplex, bestaande uit een of meerdere monumenten; exploitatietekort: negatief saldo op grond van de berekening van kosten en opbrengsten op basis van: nominale waarden direct verband houdende met en noodzakelijk voor de ontwikkeling en realisatie van het project; een BAR van maximaal 5%, en een Winst/Risicovoorziening van maximaal 5%; BAR: het in de vastgoedsector gehanteerde bruto aanvangsrendement waarmee de verhouding wordt weergegeven tussen huuropbrengsten in het eerste jaar en de stichtingskosten; erkend aannemer: in het Register Kennis en Kunde van de Monumentenwacht Gelderland opgenomen bedrijf, of een bedrijf dat is aangesloten bij de landelijke Vakgroep Restauratie. Artikel 2.8.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: een integrale gebiedsgerichte aanpak binnen de bebouwde kom, waarbij het gaat om herbestemming, transformatie of sloop van leegstaande of leegkomende gebouwen die deel uitmaken van een concrete gebiedsontwikkeling, gecombineerd met een aanpak van de openbare ruimte of het oplossen van milieuhinder voor de woon- en leefomgeving en bodemsanering; het herbestemmen, transformeren en herontwikkelen van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen binnen de bebouwde kom, met een grote invloed op de omgeving; het herbestemmen en transformeren van monumenten met een grote invloed op de omgeving binnen de bebouwde kom; het reduceren van de bestaande woningvoorraad binnen de bebouwde kom in het kader van programmering van woningbouw; het verplaatsen van niet aan het buitengebied verbonden functies in het buitengebied naar de bebouwde kom; het herbestemmen, transformeren en herontwikkelen van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen in het buitengebied, met een grote invloed op de omgeving en waarbij de nieuwe bestemming leidt tot het vergroten van de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland; herbestemmen en transformeren van monumenten in het buitengebied, met een grote invloed op de omgeving en waarbij de nieuwe bestemming leidt tot het vergroten van de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland. Artikel 2.8.3 Criteria 1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien: er sprake is van een exploitatietekort; de activiteiten leiden tot een ruimtelijke kwaliteitsimpuls van de bebouwde omgeving, met maatschappelijke meerwaarde ten bate van duurzame leefbaarheid; de activiteiten passen binnen de regionale programmering wonen, werken (bedrijventerreinen, kantoren) en detailhandel; sprake is van een functiegericht programma met een duurzaam karakter, waarvoor marktvraag is, tenzij sprake is van sloop zonder ’terugbouw’; de activiteiten bijdragen aan het voorkomen of het beperken van nieuwe structurele binnenstedelijke leegstand of ruimtelijk kwalitatieve problemen; en er sprake is van een gebiedsgerichte aanpak en onderbouwd met een visie op aanpak van leegstand. 2 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder b, slechts verstrekt indien het gaat om een gebouw, liggend in een kernwinkelgebied of aanloopstraten, dat minimaal 5 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 1000 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 25 meter. 3 Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder c, slechts verstrekt indien het gaat om een monument dat minimaal 3 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 500 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 15 meter. Indien een monumentonderdeel uitmaakt van een complex, dan wordt slechts subsidie verstrekt voor maximaal twee monumenten die deel uitmaken van dit complex. 4 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder d, slechts verstrekt indien er geen sprake is van een grondtransactie met derden, met uitzondering van grondtransacties ten behoeve van de aanleg van openbare ruimte of maatschappelijke doeleinden en de reductie van de woningen binnen het betreffende project minimaal 5 woningen betreft. 5 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder e, slechts verstrekt indien na verplaatsing van de functie sprake is van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. 6 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder f, slechts verstrekt indien het gaat om een gebouw dat minimaal 5 jaar leeg staat en een footprint heeft van minimaal 2000 m2 en waarbij de aanpak gericht is op het wegnemen van een ruimtelijk kwalitatief probleem, milieu- of geluidshinder of van een onveilige situatie. 7 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder g, slechts verstrekt indien het gaat om een monument dat minimaal 3 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 500 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 15 meter. 8 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in het tweede, derde, vierde, zesde en zevende lid opgenomen afmetingen, aantallen woningen en perioden van leegstand. Artikel 2.8.4 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten. 2 Per exploitatiegebied wordt slechts één keer subsidie verstrekt. Artikel 2.8.5 Vooroverleg 1 Voordat een aanvraag kan worden ingediend, vindt er een vooroverleg plaats aan de hand van het door de provincie beschikbaar gestelde vooroverlegformulier. 2 Het vooroverleg wordt gepland binnen 8 weken na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde formulier en vindt plaats binnen 12 weken. 3 Tijdens het vooroverleg wordt in ieder geval aan de orde gesteld: het percentage aan BAR dat van toepassing zal zijn op het project als de aanvrager voornemens is dit te hanteren; het percentage aan Winst/Risicovoorziening dat van toepassing zal zijn op het project als de aanvrager voornemens is om dit te hanteren; de haalbaarheid van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, en welke informatie bij de aanvraag moet worden ingediend. Artikel 2.8.6 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: een schriftelijke toelichting waarin de aanvrager aangeeft op welke wijze met het project structurele leegstand zal worden voorkomen dan wel aangepakt; een opgave van de financiële bijdragen van de aan het project deelnemende partijen; een onderbouwing van de manier waarop leegstand op vrijkomende locaties wordt voorkomen; een realistische planning die aantoont dat de uitvoering van het project kan starten en binnen 3 jaar in een aaneengesloten bouwstroom kan worden gerealiseerd en opgeleverd; een kaart waarop het exploitatiegebied is aangegeven; grond- en opstalexploitaties, waarbij uitgegaan wordt van nominale waarden, inclusief verwachte en verleende subsidies, behorende bij het exploitatiegebied; door onafhankelijke taxateurs opgestelde taxatierapporten van de gronden en opstallen die verband houden met de realisering van het project; documenten waaruit de afspraken tussen de aan het project deelnemende partijen blijken ten aanzien van planning, uitvoering, financiën en regionale programmeringsafspraken; informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden; en informatie die bij het vooroverleg is verzocht overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.8.
- Artikel 2.8.7 Hoogte van de subsidie 1 De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van het exploitatietekort. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder a, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 500.000 per project. 3 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder b, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 200.000 per project. 4 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder c, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 250.000 per project. 5Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder d, bedraagt 100% van de sloopkosten van het aantal woningen dat niet wordt herbouwd, met een maximum van € 200.000 per project. 6 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder e, bedraagt ten hoogste 50% van de sloopkosten, inclusief saneringskosten, en ten hoogste 50% van de kosten van herinvulling onbebouwd met een maximum van € 200.000 per project. 7 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder f, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 200.000 per project. 8 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder g, bedraagt niet meer dan de investeringen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 250.000 per project. 9 In afwijking van artikel 1.3.5, onder b, mogen bij de berekening van het exploitatietekort kosten van voor de datum waarop de aanvraag is ingediend worden meegenomen. Artikel 2.8.8 Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd indien verlening ervan zou leiden tot lagere dan de actuele marktconforme prijzen van de grond en gebouwen in de omgeving van het project. Artikel 2.8.9 Niet-subsidiabele kosten Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.5 wordt geen subsidie verstrekt voor: kosten die worden gemaakt voor planvorming; kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen; kosten voor kwalitatieve ingrepen in de openbare ruimte die uitstijgen boven hetgeen in de gemeente gangbaar is; waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; verwervingen of inbrengwaarde van onroerende zaken die in de exploitatie van het project zijn opgenomen en waarvan de waarde hoger is getaxeerd dan de actuele marktwaarde op basis van het huidige gebruik of leegstand; kosten van planschade; en kosten van bovenwijkse voorzieningen. Artikel 2.8.10 Verplichtingen 1 Het project moet binnen drie jaar na de datum van de verleningsbeschikking zijn gerealiseerd, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn is opgenomen. 2 Indien sprake is van monumentale gebouwen, dient voldaan te worden aan de provinciale Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden. 3Als sprake is van monumentale gebouwen, dienen eventuele werkzaamheden aan deze gebouwen te worden uitgevoerd door een erkend aannemer dan wel door een aannemer die voldoet aan de aan een erkend aannemer gestelde eisen. Artikel 2.8.11 Vaststelling In afwijking van artikel 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van de subsidie, met dien verstande dat voor subsidie tot € 125.000 in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG. Paragraaf 2.9 Gelderse Gebiedsopgaven Artikel 2.9.
In deze paragraaf wordt verstaan onder: deelnemer: rechtspersoon, niet zijnde de aanvrager, die bij de subsidiabele activiteit samenwerkt met de aanvrager anders dan in een opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie; doelen: de doelen per gebied als bedoeld in de Uitvoeringsstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384) en daarop door Provinciale Staten aangebrachte aanvullingen; financiële bijdrage: al hetgeen een deelnemer op eigen titel en voor eigen rekening en risicovoornemens is uit te voeren; Gebied: de Achterhoek, de Veluwe, het Stedelijk Netwerk Arnhem/Nijmegen, het Stedelijk Netwerk Ede-Wageningen: Food Valley, het Stedelijk netwerk Stedendriehoek: Cleantech en de Gelderse Corridor, zoals beschreven in de Uitvoeringstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384); gebiedsbreed overleg: een gebiedsbreed maatschappelijk samenwerkingsverband dat actief is in het kader van de Gelderse Gebiedsopgaven; uitgangspunten van de gebiedsopgaven: de 15 uitgangspunten als bedoeld in de Uitvoeringsstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384); uitvoeringsagenda: een document van het gebiedsbreed overleg dat op gebiedsniveau invulling geeft aan de doelen. Artikel 2.9.2 Voorstel van gebiedsbreed overleg 1 Een gebiedsbreed overleg verstrekt periodiek aan Gedeputeerde Staten een schriftelijk voorstel met initiatieven afkomstig uit het gebied die kunnen bijdragen aan het bereiken van de doelen. 2 Het voorstel bevat ten aanzien van elk aangemeld initiatief: een omschrijving van het initiatief en door de initiatiefnemer aan het gebiedsbrede overleg overgelegde informatie; de datum van aanmelding van het initiatief; gegevens van de initiatiefnemer; een beschrijving van de wijze waarop het gebiedsbrede overleg het initiatief heeft besproken, inclusief de daarbij behorende verslagen; een gemotiveerde beoordeling van het initiatief; een gemotiveerde beoordeling van de uitvoerbaarheid van het initiatief, inclusief de planning voor de uitvoering daarvan, 3 Het gebiedsbrede overleg zorgt ervoor dat initiatieven gedurende het gehele jaar kunnen worden aangemeld. Artikel 2.9.3 Lijst met initiatieven
- Gedeputeerde staten stellen naar aanleiding van het voorstel als bedoeld in artikel 2.9.2, eerste lid, periodiek en voor ieder gebied een lijst van met initiatieven vast die: in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de gebiedsopgaven, passen binnen de kerntaken ende uitvoeringsagenda; en in aanmerking kunnen komen voor subsidie.
- Ter uitvoering van artikel 4 van de AsG bevat de lijst ten aanzien van elke activiteit het maximale bedrag waarvoor subsidie kan worden verstrekt.
- De lijst met initiatieven wordt bekend gemaakt in het Provinciaal Blad. Artikel 2.9.4 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor het uitvoeren van activiteiten die zijn opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 2.9.
- Artikel 2.9.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.
- Artikel 2.9.6 Verplichting De subsidieontvanger is verplicht om zijn kennis en bevindingen te delen op de in de aanvraag beschreven wijze, of in overeenstemming met de beschikking tot subsidieverlening indien Gedeputeerde Staten daarin een andere wijze van delen van kennis en bevindingen hebben bepaald of daarover aanvullende verplichtingen hebben opgelegd. Artikel 2.9.7 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag, indien deze betrekking heeft op het verrichten van subsidiabele activiteiten, waaraan door deelnemers een financiële bijdrage wordt geleverd, een document ingediend dat is ondertekend door de aanvrager en de deelnemers waaruit ten minste blijkt: de voorgenomen aanpak voor het verrichten van de activiteiten en de bijdragen hieraan door de deelnemers; overeenkomstig de in artikel 2.9.6 opgenomen verplichting op welke wijze en onder welke voorwaarden aanvrager en de deelnemers hun kennis en bevindingen delen. Artikel 2.9.8 Werking van het plafond Indien voor activiteiten die zijn opgenomen in de lijst, het maximumbedrag waarvoor, op grond van enig artikel in deze Regels, subsidie kan worden verleend, niet van toepassing is verklaard, wordt het bedrag waarmee dit maximumbedrag wordt overschreden buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling of het plafond voor deze activiteiten wordt overschreden. Paragraaf 2.10 Ondersteuning bewonersinitiatieven op het gebied van sociale samenhang Artikel 2.10.1 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten van bewoners van wijken, dorpen of gemeenten die zich richten op een versterking van de samenhang binnen een bevolkingsgroep of tussen bevolkingsgroepen met inbegrip van de evaluatie daarvan. Artikel 2.10.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien: het gemeentebestuur geen bezwaar heeft tegen de activiteiten; de activiteiten aansluiten bij de kerntaken en de onderliggende plandoelen van de provincie; de activiteiten niet al zijn of worden uitgevoerd op het moment waarop de aanvraag wordt ingediend; uit de aanvraag blijkt op welke wijze de activiteiten worden geëvalueerd; de activiteiten geen winstoogmerk hebben; en de activiteiten met regelmaat worden georganiseerd. Artikel 2.10.3 Aanvrager
- In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen.
- Subsidie wordt verstrekt aan rechtspersonen die blijkens hun doelstelling een bijdrage leveren aan de sociale samenhang of een samenwerkingsverband van ten minste vijf natuurlijke personen. Artikel 2.10.4 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: indien deze wordt ingediend door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen: een schriftelijk document waarin de samenwerking is beschreven en waarin in ieder geval de afspraken zijn vastgelegd over financiën, planning en verantwoordelijkheden; een schriftelijke verklaring van het gemeentebestuur waaruit blijkt dat het gemeentebestuur geen bezwaar heeft tegen het initiatief. een beschrijving waaruit blijkt wat het doel van de activiteiten is, wie de doelgroepen zijn en met welke frequentie die activiteiten worden georganiseerd. Artikel 2.10.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de kosten met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 24.
- Artikel 2.10.6 Niet-subsidiabele kosten In aanvulling op artikel 1.3.5 zijn komen niet voor subsidie in aanmerking kosten voor: Het beheer en onderhoud van onroerende goederen; Aanpassingen die niet noodzakelijk zijn voor het realiseren van de activiteiten. Artikel 2.10.6 Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd indien: het aannemelijk is dat het initiatief zal leiden tot toekomstige lasten voor onderhoud of instandhouding waarvoor ten tijde van de subsidieverstrekking geen dekking bestaat; het initiatief geheel of grotendeels gericht is op het organiseren van een dorps- of buurtfeest, optocht, braderie of barbecue of andere eenmalige of incidentele activiteiten; het initiatief gericht is op individuele hulpverlening of de behartiging van een persoonlijk belang; het initiatief zich in een onderzoeksfase bevindt; of voor het initiatief subsidie is of kan worden verstrekt op grond van de paragrafen 4.2 of 4.
- Artikel 2.10.8 Verplichtingen
- De subsidieontvanger is verplicht het initiatief te vermelden op de initiatievenkaart van de provincie via http://leefbaarheid.gelderland.nl en publiciteit te verzorgen over het initiatief op sociale media, waaronder in elk geval de website of de facebookpagina van de subsidieontvanger en de provincie. 2.De uitvoering van het initiatief moet binnen twee jaar na de vaststelling van de subsidie zijn afgerond. Paragraaf 2.11 Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden Artikel 2.11.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: bestuursovereenkomst: de Bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016 – 2021 regio Oost, zoals gepubliceerd in de Staatscourant op 16 december 2015; initiatiefnemer: de partij die maatregelen uit het werkprogramma uitvoert; investeringsvolume: het aan Zoetwater toe te rekenen investeringsvolume van het Regionale Bod “Aanbod Hoge Zandgronden” van 7 februari 2014, zoals bedoeld in de bestuursovereenkomst; RBO: Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-Oost; Rijksbijdrage: de decentrale uitkering Deltafondsmiddelen voor Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden, zoals overeengekomen in de bestuursovereenkomst; werkprogramma: het Werkprogramma Zoetwatervoorziening Hoge Zandgronden 2016 – 2021, “Wel goed water geven!”. Artikel 2.11.2 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het uitvoeren van maatregelen conform bijlage 1 van het werkprogramma. Artikel 2.11.3 Verplichting De activiteit wordt uitgevoerd in de periode 2016-
- Artikel 2.11.4 Voorwaarde
- De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat de Rijksbijdrage ter beschikking wordt gesteld.
- [vervallen] Artikel 2.11.5 Niet-subsidiabele kosten
- In aanvulling op artikel 1.3.5 wordt geen subsidie verstrekt voor personeelskosten van de aanvrager.
- In afwijking van artikel 1.3.5, onderdelen b en f, kan subsidie worden verstrekt voor: kosten die zijn gemaakt vanaf 1 januari 2016 en voordat de aanvraag is ontvangen; legeskosten. Artikel 2.11.6 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: Waterschap Rijn en IJssel; Waterschap Vallei en Veluwe; Gemeente Aalten; Gemeente Apeldoorn; Gemeente Barneveld; Gemeente Bronckhorst; Gemeente Doetinchem; Gemeente Ede; Gemeente Elburg; Gemeente Harderwijk; Gemeente Montferland; Gemeente Nunspeet; Gemeente Putten; Gemeente Renswoude; Gemeente Rhenen; Gemeente Soest; Gemeente Voorst; Gemeente Winterswijk; Gemeente Zutphen. Artikel 2.11.7 Aanvraag
- Een aanvraag om subsidie kan worden ingediend tot 1 juli
- In afwijking van artikel 1.2.3 kunnen de bij de aanvraag verstrekte gegevens bestaan uit een verwijzing naar het werkprogramma.
- Er kunnen meerdere aanvragen om subsidie worden ingediend tot het maximum van de beschikbare subsidie voor die subsidieontvanger, mits per aanvraag de verhouding tussen subsidie en investeringsvolume, zoals bedoeld in artikel 2.11.8, eerste lid, niet wijzigt. Artikel 2.11.8 Hoogte van de subsidie
- De subsidie bedraagt per subsidieontvanger ten hoogste: Waterschap Rijn en IJssel €2.220.000, bij een investeringsvolume van €7.300.000; Waterschap Vallei en Veluwe €880.000, bij een investeringsvolume van €2.900.000; Gemeente Aalten €5.114, bij een investeringsvolume van €19.400; Gemeente Apeldoorn €287.055, bij een investeringsvolume van €1.100.000; Gemeente Barneveld €26.677, bij een investeringsvolume van €102.000; Gemeente Bronckhorst €15.682, bij een investeringsvolume van €60.000; Gemeente Doetinchem €94.776, bij een investeringsvolume van €363.000; Gemeente Ede €89.406, bij een investeringsvolume van €342.500; Gemeente Elburg €62.644, bij een investeringsvolume van €240.000; Gemeente Harderwijk €52.246, bij een investeringsvolume van €200.000; Gemeente Montferland €65.542, bij een investeringsvolume van €250.924; Gemeente Nunspeet €26.080, bij een investeringsvolume van €100.000; Gemeente Putten €104.407, bij een investeringsvolume van €400.000; Gemeente Renswoude €9.461, bij een investeringsvolume van €40.000; Gemeente Rhenen €25.313, bij een investeringsvolume van €96.800; Gemeente Soest €15.682, bij een investeringsvolume van €60.000; Gemeente Voorst €46.962, bij een investeringsvolume van €180.000; Gemeente Winterswijk €87.446, bij een investeringsvolume van €335.000; Gemeente Zutphen €29.404, bij een investeringsvolume van €112.
- De subsidie wordt jaarlijks conform de kasreeks voor de Rijksbijdrage bevoorschot.
- Indien de verdeling van de Rijksbijdrage in de bestuursovereenkomst of in het werkprogramma wordt aangepast, wordt de subsidie overeenkomstig aangepast. Artikel 2.11.9 Verplichtingen Artikel 1.4.1, eerste lid, is niet van toepassing. Artikel 2.11.10 Vaststelling
- De subsidieontvanger dient tussen 1 januari en 1 april 2022 een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
- In afwijking van de artikelen 25 en 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van alle subsidies, met dien verstande dat voor subsidies tot €125.000 in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG.
- Gedeputeerde Staten gaan niet eerder over tot een lagere vaststelling van de subsidie dan na advies van het RBO. Paragraaf 2.12 Aanpassingen Gemeenschapsvoorziening Artikel 2.12.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: gemeenschapsvoorziening: een bestaand gebouw of gedeelte van een bestaand gebouw dat voldoet aan de volgende criteria: er vinden verschillende activiteiten voor gebruikers plaats op ten minste drie van de volgende terreinen: zorg, welzijn, cultuur, educatie en sport; het gebouw is bestemd voor brede en meerdere gebruikersgroepen; de gebruikers zijn als vrijwilliger actief betrokken bij de activiteiten in de gemeenschapsvoorziening; de gebruikers die op structurele basis gebruikmaken van de gemeenschapsvoorziening zijn in meerderheid non-profitorganisaties; en het gebouw staat ten minste zes dagen per week, inclusief de avonden, ter beschikking van de gebruikers. gekwalificeerde adviseur: een adviseur in het bezit van een geldig Fedec-, EPA-U-, BREEAM- of GPR-certificaat, dan wel een daarmee vergelijkbaar certificaat. Artikel 2.12.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het verbeteren van de toegankelijkheid van een gemeenschapsvoorziening voor mensen met een handicap of een chronische ziekte; het realiseren van maatregelen die een energiebesparend of –opwekkend effect hebben, of het aanpassen van een gemeenschapsvoorziening, indien die aanpassing noodzakelijk is voor het kunnen uitvoeren van nieuwe activiteiten. Artikel 2.12.3Criteria Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder b, wordt slechts verstrekt indien er een energiescan is uitgevoerd. Artikel 2.12.4 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan een privaatrechtelijke rechtspersoon die blijkens zijn statuten of akte van oprichting of blijkens zijn feitelijke werkzaamheden tot taak heeft om een gemeenschapsvoorziening te beheren en om ondersteuning te bieden bij de programmatische invulling van de activiteiten binnen een gemeenschapsvoorziening. Artikel 2.12.5 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: voor subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder a: een overzicht van de bouwkundige en technische maatregelen die genomen kunnen worden om toegankelijkheid voor mensen met een handicap of chronische ziekte te bewerkstelligen; de kosten van het uitvoeren van deze maatregelen. voor subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder b, een energiescan bestaande uit: een overzicht van de bouwkundige en technische maatregelen die genomen kunnen worden om energiebesparing of -opwekking te bewerkstelligen; een schatting van de kosten van de maatregelen; een verklaring dat de energiescan is uitgevoerd door een gekwalificeerde adviseur; en het effect van de uit te voeren maatregelen als bedoeld op de energierekening van de aanvrager. voor subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder c: een verklaring van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente waaruit blijkt dat het geen bezwaar heeft tegen de voorgenomen aanpassingen, en indien er sprake is van uitbreiding van de gemeenschapsvoorziening: een verklaring, opgesteld door de eigenaar van het pand van waaruit de nieuwe activiteiten worden verplaatst naar de gemeenschapsvoorziening, die inzicht biedt in het resterende gebruik. Artikel 2.12.6 Hoogte van de subsidie
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, aanhef en onder a, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 50.
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, aanhef en onder b, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 10.000 en een maximum van € 50.
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, aanhef en onder c, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 100.
- Artikel 2.12.7 Subsidiabele kosten
- In afwijking van artikel 1.3.5, onder h, zijn de kosten voor het verbeteren van de toegankelijkheid als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap en chronische zieken subsidiabel.
- Voor de subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder c, zijn niet subsidiabel de kosten voor: advies over en aanschaf van goederen ten behoeve van de inrichting en stoffering; of regulier beheer en onderhoud van de gemeenschapsvoorziening. Artikel 2.12.8 Weigeringsgronden Subsidie als bedoeld in artikel 2.12.2, onder c, wordt geweigerd indien voor de activiteit subsidie is of kan worden verstrekt op grond van de paragraaf 6.
- Artikel 2.12.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger
- De subsidieontvanger is verplicht de subsidiabele activiteit binnen 12 maanden na de subsidieverlening uit te voeren en geheel af te ronden.
- De subsidieontvanger is verplicht na de realisatie van de subsidiabele activiteit een actuele lijst van doelgroepen en het activiteitenprogramma voor het eerstvolgende kalenderjaar te zenden aan Gedeputeerde Staten. Indien de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling moet indienen, maken de actuele lijst en het activiteitenprogramma daarvan onderdeel uit. Paragraaf 2.13 Steengoed benutten – Procesondersteuning Artikel 2.13.
In deze paragraaf wordt verstaan onder: herbestemming: het geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw of een gebied die wordt vastgelegd in een bestemmingplan; transformatie gebouw: ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen; transformatie gebied: functiewijziging van grond, gebouwen en openbare ruimte; herontwikkeling: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte. Artikel 2.13.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het uitvoeren van haalbaarheidsonderzoek naar de ruimtelijke en financiële haalbaarheid van een herbestemming, transformatie of herontwikkeling van een gebouw of een gebied; het opstellen van een plan van aanpak voor de realisatie van een herbestemming, transformatie of herontwikkeling van een gebouw of een gebied, of; de procesbegeleiding of advisering in het kader van een herbestemming, transformatie of herontwikkeling van een gebouw of een gebied. Artikel 2.13.3 Criteria
- Subsidie wordt slechts verstrekt indien de gemeente en de betrokken vastgoedeigenaren de intentie hebben om hun medewerking te verlenen aan de voorgenomen subsidiabele activiteiten.
- Subsidie wordt slechts verstrekt indien leegstand in een gebouw of een gebied wordt verkleind of voorkomen. Artikel 2.13.4 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen; stichtingen, niet zijnde een collectief, als bedoeld in onderdeel b van artikel 2.1.1, of; verenigingen, niet zijnde een collectief, als bedoeld in onderdeel b van artikel 2.1.
- Artikel 2.13.5 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag om subsidie in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de herbestemming of de transformatie in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd; een onderbouwing op welke wijze en in welke mate de herbestemming of de transformatie leegstand verkleint of voorkomt; indien de aanvrager niet een gemeente is, een schriftelijke verklaring van het gemeentebestuur dat de gemeente medewerking verleent aan de voorgenomen subsidiabele activiteit; indien de aanvrager niet de eigenaar is van het onder de herbestemming of de transformatie vallende vastgoed, een schriftelijke verklaring van de eigenaar waaruit blijkt dat hij medewerking verleent aan voorgenomen subsidiabele activiteit; offertes van de voor de subsidiabele activiteiten in te schakelen derden. Artikel 2.13.6 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 50.
- Artikel 2.13.7 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de inhuur van externe deskundigen. Artikel 2.13.8 Verplichtingen
- De subsidieontvanger is verplicht: de activiteiten als bedoeld in artikel 2.13.2, aanhef en onder a en b, binnen zes maanden na het verlenen van de subsidie te hebben voltooid, welke termijn op verzoek door Gedeputeerde Staten met maximaal zes maanden kan worden verlengd; de activiteiten als bedoeld in artikel 2.13.2, aanhef en onder c, binnen 12 maanden na het verlenen van de subsidie te hebben voltooid, welke termijn op verzoek door Gedeputeerde Staten met maximaal twaalf maanden kan worden verlengd.
- De subsidieontvanger is verplicht de conclusies van het haalbaarheidsonderzoek, het plan van aanpak en een omschrijving van de procesbegeleiding of advisering en de resultaten daarvan te overleggen bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie, of als een dergelijk verzoek niet vereist is, binnen een maand na afloop van de subsidiabele activiteit.
- De subsidieontvanger werkt mee, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, aan onderzoek dat erop is gericht de doeltreffendheid en de effecten van de subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf te evalueren.
- De subsidieontvanger is verplicht om de kennis en de ervaring die met de gesubsidieerde activiteit is opgedaan tot één jaar na afloop van de subsidiabele activiteit te delen via het Gelders Forum: http://forum.gelderland.nl/. Paragraaf 2.14 Beleef Het Apeldoorns Kanaal Artikel 2.14.1 Begripsbepaling In deze paragraaf wordt verstaan onder: bestuurlijk overleg Apeldoorns Kanaal: het overleg bestaande uit bestuurders van het waterschap Vallei en Veluwe en de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Hattem, Heerde en Rheden. Artikel 2.14.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten die de beleefbaarheid en de recreatieve functie van het Apeldoorns Kanaal versterken, en die plaatsvinden in de openbare infrastructuur, of die bijdragen aan de ontwikkeling van de toeristisch recreatief aanbod langs het kanaal. Artikel 2.14.3 Criteria Subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1 wordt alleen verstrekt als: de activiteit wordt uitgevoerd in of betrekking heeft op de onmiddellijke nabijheid van het Apeldoorns Kanaal; het bestuurlijk overleg Apeldoorns Kanaal heeft verklaard de realisering van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd wenselijk te achten, en de activiteit is opgenomen in categorie 1, 2 of 3 van de projectenlijst opgenomen in de Uitwerkingsagenda Apeldoorns Kanaal (PS2018-308, bijlage 7). Artikel 2.14.4Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de fysieke uitvoering van de activiteiten. 2 Voor subsidie komen niet in aanmerking de interne loonkosten van een gemeente of waterschap. 3 Voor aanvragen die worden ingediend voor 1 april 2019, kan, in afwijking van artikel 1.3.5, onderdelen b en f, subsidie worden verstrekt voor kosten die zijn gemaakt vanaf 1 juli
- Artikel 2.14.5 Aanvrager 1 Subsidie als bedoeld onder artikel 2.14.1, aanhef en onder a, wordt verstrekt aan de deelnemers van het bestuurlijk overleg Apeldoorns Kanaal. 2 Subsidie als bedoeld onder artikel 2.14.1, aanhef en onder b, kan worden verstrekt aan een rechtspersoon die de versterking van het toerisme en de recreatie van het Apeldoorns Kanaal als doel heeft. Artikel 2.14.6 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.
- wordt bij de aanvraag verstrekt: een verklaring van het bestuurlijk overleg Apeldoorns Kanaal waaruit blijkt dat zij de uitvoering van de activiteit wenselijk achten, en een GIS-kaart met daarop aangegeven de locatie van de activiteit. Artikel 2.14.7 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie als bedoeld in artikel 2.14.1 bedraagt 50 % van de subsidiabele kosten. 2 Subsidie als bedoeld onder artikel 2.14.1, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste € 80.
- Hoofdstuk 3 Milieu, energie & klimaat Paragraaf 3.
Artikel 3
.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: eigenaar-bewoner: een persoon die op grond van artikel 1 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek eigenaar is van een koopwoning en zelf deze koopwoning bewoont; bodem en ondergrond: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen en antropogene resten van eertijdse bewoning en grondgebruik, inclusief het grondwater; bodem- en ondergrondaspecten: informatie over de karakteristieken van de bodem en ondergrond, de gebruiksmogelijkheden en de effecten van het mogelijke gebruik op andere functies van de bodem en ondergrond en de effecten van bovengronds ruimtegebruik op ondergrondse functies en omgekeerd; bodemverontreinigingsgegevens: gegevens afkomstig uit een bodemonderzoeksrapport dat is opgesteld door een erkende persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 9 van het Besluit Bodemkwaliteit; energielabelsprong: een verbetering van het energielabel als bedoeld in het Besluit Energieprestatie Gebouwen hernieuwbare energie: niet-fossiele energie zoals windenergie, zonne-energie, geothermische energie, golfenergie, getijdenenergie, waterkrachtinstallaties, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas; lokaal duurzaam energiebedrijf: een onderneming die hernieuwbare energie produceert waarbij de afnemers zijn gevestigd binnen een straal van 30 kilometer ten opzichte van een productielocatie van de onderneming; NOM-ready: de situatie waarin een woning direct verbeterd wordt en verantwoord voorbereid is op een NOM-renovatie door middel van latere ingrepen; NOM-renovatie: een renovatie van een woning die als rechtstreeks gevolg heeft dat de ingaande en uitgaande energiestromen voor gebouw gebonden energie (ruimteverwarming, comfort-koeling, ventilatie, monitoring, regelingen en hulpenergie voor deze installaties) bij een normaal leefpatroon op jaarbasis gelijk zijn aan of lager zijn dan nul; scan: onderzoek waar uit moet blijken of NOM-renovatie of een NOM-Ready aanpak voor een VvE een realistische optie is dan wel, indien op basis van de scan komt vast te staan dat dit niet het geval is, een advies over welke maatregelen en welke energielabelsprong haalbaar zijn en op welke wijze dit kan worden aangepakt; terugverdientijd: de subsidiabele kosten gedeeld door de verwachte jaarlijkse besparing; rd-waarde: het warmte-isolerend vermogen van een materiaallaag; VvE: vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 5:124 van het Burgerlijk Wetboek. Paragraaf 3.2 Energieloketten [vervallen] Paragraaf 3.3 Lokale hernieuwbare energieprojecten en participatie door natuurlijke personen, rechtspersonen zonder winstoogmerk en VvE’s Artikel 3.3.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de uitvoering van lokale hernieuwbare energieprojecten. Artikel 3.3.2 Criteria
- Subsidie aan lokale duurzame energiebedrijven en rechtspersonen zonder winstoogmerk wordt slechts verstrekt indien: minimaal 50 natuurlijke personen wonend op 50 verschillende adressen deelnemen door middel van een financiële bijdrage; de financiële deelname van voornoemde personen gezamenlijk ten minste 25% van de kosten bedraagt; de bijdrage per natuurlijk persoon minimaal €50 bedraagt; en het lokale hernieuwbare energieproject een terugverdientijd heeft van minimaal vijf jaar.
- Subsidie aan VvE’s wordt slechts verstrekt indien: de VvE bestaat uit ten minste 50 natuurlijke personen wonend op 50 verschillende adressen; de financiële deelname van de VvE ten minste 25% van de kosten bedraagt; het lokale hernieuwbare energieproject een terugverdientijd heeft van minimaal vijf jaar; en het lokale hernieuwbare energieproject onderdeel vormt van (aard en nagelvast is verbonden met) het gebouw of groep van gebouwen van de VvE. Artikel 3.3.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan lokale duurzame energiebedrijven, rechtspersonen zonder winstoogmerk en VvE’s. Artikel 3.3.4 Aanvraag
- Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag door een lokaal duurzaam energiebedrijf of een rechtspersoon zonder winstoogmerk een document verstrekt met een overzicht van NAW-gegevens van de deelnemende natuurlijke personen, de hoogte van het ingezette bedrag per natuurlijke persoon en een opgave van het project of de projecten waaraan de ingezette bedragen worden of zijn besteed.
- Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag door een VvE verstrekt: een document met een overzicht van NAW-gegevens van haar leden en van de hoogte van het gezamenlijk via de VvE ingezette bedrag; een besluit van de VvE tot financiële deelname met een bedrag dat ten minste 25% van de kosten van het lokale duurzame energieproject bedraagt. Artikel 3.3.5 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 20% van de kosten, met een minimum van €3.500 en een maximum van €100.
- 2 Voor waterkrachtinstallaties bedraagt de subsidie ten hoogste 20% van de kosten, met een minimum van €3.500 en een maximum van €200.
- Artikel 3.3.6 Verplichtingen
- Het lokale duurzame energiebedrijf of de rechtspersoon zonder winstoogmerk is verplicht om ervoor zorg te dragen dat de bijdragen van natuurlijke personen ten minste 5 jaar beschikbaar blijven voor de subsidiabele activiteit.
- De VvE is verplicht om ervoor zorg te dragen dat haar bijdrage ten minste 5 jaar beschikbaar blijft voor de subsidiabele activiteit. Paragraaf 3.4 Scan VvE Artikel3.4.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het laten uitvoeren van een scan. Artikel 3.4.2 Criteria De scan dient ten minste inzicht te geven in: de financiële positie van de VvE; de bouwkundige staat van het gebouw; het organiserend vermogen van de VvE; de bouwkundige en technische maatregelen die genomen kunnen worden om een energielabelsprong te bewerkstelligen; de bouwkundige en technische maatregelen die nodig zijn voor NOM-renovatie; een indicatie van de kosten van de maatregelen als bedoeld onder d en e; een beschrijving van de haalbaarheid van NOM in één keer of in stappen, waarbij de organisatorische en juridische bevindingen op basis van de splitsingsakte worden meegenomen; een beschrijving van het proces dat nodig is om de maatregelen onder e toe te passen of te implementeren; de energetische effecten door het uitvoeren van de maatregelen als bedoeld onder d en e; het effect van de maatregelen als bedoeld onder d en e op de financiële positie van de VvE. Artikel 3.4.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan een VvE. Artikel 3.4.4 Weigeringsgronden
- Subsidie wordt alleen verstrekt aan indien de VvE ten minste 10 wooneenheden omvat.
- Subsidie wordt alleen verstrekt indien het gebouw waarvoor de scan wordt gemaakt is gebouwd en opgeleverd voor
- Subsidie wordt alleen verstrekt indien de VvE is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Artikel 3.4.5 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een bewijs van inschrijving van de VvE bij de Kamer van Koophandel; een afschrift van het besluit van ledenvergadering van de VvE op grond waarvan de aanvraag kan worden ingediend; documenten waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de criteria als bedoeld in artikel 3.4.2; het aantal wooneenheden dat de VvE omvat; en een bewijs dat het gebouw is opgeleverd vóór
- Artikel 3.4.6 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van de inhuur van de deskundige die de scan uitvoert. Artikel 3.4.7 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste €4.
- Paragraaf 3.5 Stimulering energiebesparing bij bedrijven en instellingen Artikel3.5.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder bedrijfscollectief: een samenwerkingsverband van bedrijven of instellingen dat rechtspersoonlijkheid bezit en waarvan de doelgroep in ieder geval de aangesloten bedrijven en instellingen betreft. Artikel3.5.2Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het uitvoeren van een plan van aanpak voor het werven voor, het coördineren en het evalueren van en het communiceren over energiescans bij bedrijven en instellingen, en het begeleiden van bedrijven of instellingen bij het inventariseren van maatregelen met behulp van een energiescan met als minimale basis de erkende maatregelen als bedoeld in bijlage 10 bij de Activiteitenregeling milieubeheer, voor zover die zijn vastgesteld voor de betreffende branche, waarbij de inventarisatie inzicht moet bieden in de kosten en de terugverdientijd van de wettelijk verplichte maatregelen, alsmede een termijn voor realisatie van die maatregelen. Artikel 3.5.3 Criteria
- Subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2, onder a, wordt slechts verstrekt indien de Omgevingsdienst een positieve verklaring over het plan van aanpak heeft afgegeven.
- Subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2, onder b, wordt slechts verstrekt indien de Omgevingsdienst een positieve verklaring over de begeleiding heeft afgegeven en er afstemming met de Omgevingsdienst heeft plaatsgevonden over de voorgenomen activiteiten in relatie tot eventuele toezichts- en handhavingsactiviteiten.
- Indien de activiteiten zich richten op het gebied van meerdere Omgevingsdiensten, kan volstaan worden met een verklaring van één van de Omgevingsdiensten Artikel 3.5.4 Weigeringsgrond Geen subsidie wordt verstrekt voor uitsluitend de activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, onder a. Artikel 3.5.5 Subsidiabele kosten
- Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de inhuur van externe deskundigheid.
- Geen subsidie wordt verstrekt voor de ontwikkeling en aanschaf van energiebesparende maatregelen. Artikel 3.5.6 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan een bedrijfscollectief. Artikel3.5.7Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt: ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 24.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, onder a; ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten per bedrijf of instelling met een maximum van € 1.000 en een totaal maximum van € 100.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.2, onder b. Artikel 3.5.8 Aanvraag
- Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2, onder a, in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een plan van aanpak met daarin een communicatiestrategie, een rolverdeling van bij de subsidiabele activiteit betrokken partijen, een omschrijving van de doelgroep en een borging van de realisatie van minimaal de wettelijk vereiste maatregelen binnen een termijn van maximaal drie jaar; een positieve verklaring van de de gemeente of de Omgevingsdienst over het plan van aanpak als bedoeld onder a.
- Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2, onder b, in elk geval een verklaring van de Omgevingsdienst verstrekt waaruit blijkt dat er afstemming heeft plaatsgevonden tussen de aanvrager en de Omgevingsdienst over de begeleiding in relatie tot artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.5.9 Vaststelling
- In de toelichting als bedoeld in artikel 1.5.1, onder a, wordt opgave gedaan van: het aantal bedrijven en instellingen waar voorlichting aan is gegeven als bedoeld in artikel 3.5.2, onder a, het aantal bedrijven en instellingen waar een energiescan is uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.5.2, onder b, en de wijze waarop die voorlichting heeft plaatsgevonden; het aantal bedrijven en instellingen dat zich bereid heeft verklaard om binnen drie jaar na de energiescan de energiebesparende maatregelen uit te voeren met een terugverdientijd van maximaal vijf jaar en binnen een half jaar na de energiescan een plan van aanpak hebben opgesteld voor realisatie van deze maatregelen.
- De aanvraag om vaststelling bevat afschriften van de registratie of verklaringen van de bedrijven en instellingen als bedoeld in het eerste lid, onder b. Paragraaf 3.6 Bodemverontreinigingsgegevens op orde Artikel 3.6.1 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het selecteren van bodemverontreinigingsgegevens en het invoeren daarvan in een digitaal bodeminformatiesysteem; het uitwisselen van bodemverontreinigingsgegevens tussen het digitale bodeminformatiesysteem van de aanvrager en dat van de provincie. Artikel 3.6.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien bij het invoeren van de bodemverontreinigingsgegevens gebruik wordt gemaakt van het uitwisselingsformat SIKB0101 of een daarvoor in de plaats tredend uitwisselingsformat. Artikel 3.6.3 Aanvrager Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 3.6.4 Hoogte van de subsidie 1De subsidie als bedoeld in artikel 3.6.1, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en een maximum van € 7.
- 2De subsidie als bedoeld in artikel 3.6.1, onder b, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en maximum van € 7.
- 3 Een aanvrager kan tot en met het jaar 2019 maximaal € 15.000 subsidie ontvangen. Artikel 3.6.5 Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht de subsidiabele activiteit binnen 12 maanden na de subsidieverlening uit te voeren en geheel af te ronden. Paragraaf 3.7 Ondergrond in beeld ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling Artikel 3.7.1 Subsidiabele activiteiten 1 Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het opstellen van een rapport over bodem- en ondergrondaspecten in een gebied; het organiseren van bijeenkomsten om de inhoud van het onder a bedoelde rapport te verspreiden. 2 Subsidie als bedoeld in artikel het eerste lid, onderdeel b, wordt uitsluitend verstrekt indien ook subsidie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a is verstrekt. Artikel 3.7.2 Verplichtingen De ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, is verplicht het rapport openbaar te maken via internet. Artikel 3.7.3 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, komen in aanmerking de kosten voor: externe adviseurs; externe procesbegeleiding; onderzoek naar bodem- en ondergrondaspecten in een bepaald gebied; het analyseren en verwerken van onderzoeksgegevens en bestaande informatie. 2 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel b, komen in aanmerking de kosten voor: zaalhuur en catering; externe adviseurs; externe procesbegeleiding. 3 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, komen niet in aanmerking de kosten van bodemonderzoek in het kader van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Artikel 3.7.4 Aanvrager Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 3.7.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en een maximum van € 25.000 per aanvraag. Paragraaf 3.8 Omgevingsveiligheid Artikel 3.8.1 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor activiteiten die voortvloeien uit het Gelders Uitvoeringsprogramma Omgevingsveiligheid
- Artikel 3.8.2 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan openbare lichamen die zijn ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en die fungeren als omgevingsdiensten. Artikel 3.8.3 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt: Omgevingsdienst Achterhoek, ten hoogste € 111.501; Omgevingsdienst Noord Veluwe, ten hoogste € 50.439; Omgevingsdienst Veluwe IJssel, ten hoogste € 58.433; Omgevingsdienst Regio Arnhem, ten hoogste € 101.928; Omgevingsdienst De Vallei, ten hoogste € 58.801; Omgevingsdienst Regio Nijmegen, ten hoogste € 62.746; Omgevingsdienst Rivierenland, ten hoogste € 82.
- Artikel 3.8.4 In afwijking van de artikel 1.3.6 bedraagt de subsidie voor de directe loonkosten en de indirecte kosten maximaal een bedrag per uur dat overeenkomt met het door de Omgevingsdiensten bestuurlijk vastgestelde uurtarief. Artikel 3.8.5 Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een opgave van het bestuurlijk vastgestelde uurtarief als bedoeld in artikel 3.8.
- Paragraaf 3.9 Ondersteuning van gemeenten ten behoeve van toezicht op energiebesparing [vervallen] Paragraaf 3.10 Energieloketten 2018 [vervallen] Paragraaf 3.11 Voorfinanciering ontwikkelkosten Artikel 3.11.1 Begripsbepalingen
- In deze paragraaf wordt verstaan onder: duurzaam energiebedrijf: een onderneming voor de productie van hernieuwbare energie; hernieuwbare energie: windenergie en zonne-energie; windpark: een of meerdere windmolens die organisatorisch en ruimtelijk met elkaar samenhangen en die een totaal gezamenlijk vermogen hebben van ten minste 5 MW; zonnepark: grondgebonden zonnepanelen die organisatorisch en ruimtelijk met elkaar samenhangen met een totaal vermogen van ten minste 1 MW.
- Artikel 3.1.1, aanhef en onder g, is niet van toepassing. Artikel 3.11.2 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de inhuur van externe deskundigen ten behoeve van: de ruimtelijke voorbereiding van een windpark of een zonnepark; projectleiding; marketing en communicatie, of de technische voorbereiding van een windpark of een zonnepark. Artikel 3.11.3 Criteria
- Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de realisatie van het windpark of het zonnepark niet in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid; de realisatie van het windpark of het zonnepark naar verwachting gefinancierd kan worden; het eigen vermogen van de aanvrager ten tijde van de aanvraag en in de fase van de exploitatie voor ten minste 50% opgebracht zal worden door natuurlijke personen of door rechtspersonen waaraan voor ten minste 50% van het eigen vermogen en ten minste 50% van de zeggenschap wordt deelgenomen door natuurlijke personen door lidmaatschap, aandelen of op andere wijze, waarbij één natuurlijke persoon ten hoogste 10% van het eigen vermogen opbrengt; de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder c ten minste voor 50% zeggenschap zullen krijgen over de exploitatie; de exploitatie van het windpark of het zonnepark naar verwachting een positief bedrijfseconomisch resultaat zal behalen binnen een termijn van drie jaren na het in gebruik nemen ervan; de natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld onder c ten minste voor 50% zullen delen in de winst; de aanvrager in staat is om voldoende gekwalificeerde personen aan te trekken of in te zetten om de realisatie en de exploitatie van het windpark of het zonnepark te verzekeren; de externe deskundigen geen bestuurder zijn van de aanvrager; de externe deskundigen op basis van objectieve criteria zijn geselecteerd uit ten minste drie offertes, en de externe deskundigen aantoonbaar ervaring hebben op het terrein waarop zij worden ingeschakeld.
- Over de criteria als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met g en j, wordt voorafgaand aan een beslissing op een aanvraag advies gevraagd aan Oost NL, tenzij de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten of de aanvraag moet worden afgewezen omdat niet wordt voldaan aan enig ander criterium voor het verstrekken van subsidie. Artikel 3.11.4 Weigeringsgrond Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder d, wordt geweigerd indien de ruimtelijke inpassing van het windpark of het zonnepark niet mogelijk is. Artikel 3.11.5 Aanvrager
- Subsidie wordt verstrekt aan duurzame energiebedrijven waarbij ten minste 50 natuurlijke personen zijn aangesloten door middel van lidmaatschap, aandelen of op andere wijze en die wonen op afzonderlijke adressen.
- In afwijking van het eerste lid kan subsidie worden verstrekt aan een onderneming die voor ten minste 50% in eigendom is van een duurzaam energiebedrijf als bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.11.6 Subsidiabele kosten
- Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onderdeel a, wordt verstrekt voor de kosten van externen ten behoeve van: het opstellen van aanvragen voor ruimtelijke planvorming; het opstellen van een milieueffectrapport, en het uitvoeren van onderzoeken die noodzakelijk zijn voor het aanvragen van een omgevingsvergunning
- Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onderdeel b, wordt verstrekt voor de kosten van externen ten behoeve van projectleiding.
- Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onderdeel c, wordt verstrekt voor de en kosten voor het opstellen en uitvoeren van een marketing- of communicatieplan gericht op het vergroten van het draagvlak voor en de deelname van particulieren aan het duurzame energiebedrijf.
- Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onderdeel d, wordt verstrekt voor de kosten van externen ten behoeve van: het uitvoeren van onderzoek ten behoeve van de financiering van de realisatie van het zonnepark of het windpark. Hieronder worden in ieder geval begrepen een financieringsplan voor de bank, een windonderzoek en een aanvraag om SDE+-subsidie; het opstellen en beoordelen van contracten voor de levering van turbines en panelen; het voorbereiden en regelen van de netaanpassing, en juridisch en financieel advies. Artikel 3.11.7 Hoogte van de subsidie
- Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder a, bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 150.
- Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder b, bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.
- Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder c, bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.
- Subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder d, bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 75.
- In afwijking van het eerste tot en met vierde lid bedraagt de subsidie maximaal het bedrag dat wordt berekend naar rato van het aandeel dat de natuurlijke personen gezamenlijk hebben in het vermogen van de aanvrager.
- De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een geldlening met een looptijd van maximaal vijf jaar en een rente van 5%. De subsidieontvanger is verplicht de geldlening terug te betalen, vermeerderd met de rente.
- Als blijkt dat het windpark of het zonnepark niet kan worden gerealiseerd als gevolg van strijd met een goede ruimtelijke ordening, dan besluiten Gedeputeerde Staten op een daartoe strekkend verzoek van de subsidieontvanger tot het intrekken van de verplichting tot terugbetaling van de lening en de tot dat moment gecumuleerde rente.
- Een aanvraag om een besluit als bedoeld in het zevende lid gaat vergezeld van een onderbouwing waaruit blijkt dat het windpark of het zonnepark niet kan worden gerealiseerd als gevolg van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Artikel 3.11.8 Aanvraag
- Voor de onderdelen a en d van artikel 3.11.2 worden afzonderlijke aanvragen ingediend. De onderdelen b en c kunnen met een aanvraag voor onderdeel a of onderdeel d gecombineerd worden.
- Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een document waaruit blijkt dat de realisatie van het windpark of het zonnepark niet in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid; een document waaruit blijkt dat de realisatie van het windpark of het zonnepark naar verwachting gefinancierd kan worden; een document waarin is aangegeven hoe het eigen vermogen van de aanvrager is opgebouwd en in de fase van de exploitatie zal worden opgebouwd; een document waaruit blijkt dat de natuurlijke personen als bedoeld in artikel 3.11.3, eerste lid onder c, ten minste voor 50% zeggenschap zullen hebben over de exploitatie; een onderbouwde prognose van het bedrijfseconomische resultaat in de vijf jaren na het in gebruik nemen van het windpark of het zonnepark; een document waaruit blijkt dat ten minste 50% van de winst van de aanvrager zal worden uitgekeerd aan natuurlijke personen of aan de rechtspersoon als bedoeld in artikel 3.11.3, eerste lid onder c; een document waaruit blijkt dat de aanvrager in staat is om voldoende gekwalificeerde personen aan te trekken of in te zetten om de realisatie en de exploitatie van het windpark of het zonnepark te verzekeren; een beschrijving van de wijze waarop de aanvrager vergroting van het draagvlak bij en participatie door natuurlijke personen realiseert; de offertes van de externe deskundigen en een document waaruit blijkt hoe de offertes zijn beoordeeld; de begroting van de aanvrager voor het lopende en het volgende jaar, en een overzicht van de bij de aanvrager aangesloten natuurlijke personen en hun adresgegevens.
- Onverminderd het tweede lid wordt bij een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.11.2, onder d, een document gevoegd waaruit blijkt dat ruimtelijke inpassing mogelijk is. Artikel 3.11.9 Voorwaarde De subsidie wordt verstrekt op voorwaarde dat de ontvanger meewerkt aan de totstandkoming van een privaatrechtelijke overeenkomst van geldlening als bedoeld in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.11.10Communautair toetsingskader Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor zover dat in overeenstemming is met hoofdstuk I en artikel 22 van de AGVV. Paragraaf 3.12 Procesondersteuning Wijk van de toekomst Artikel 3.12.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: wijk: een geografische eenheid van tenminste 400 woningen; integraal transitieplan: een in overleg met betrokken partijen tot stand gekomen plan met maatregelen gericht op het beperken van het fossiele energieverbruik in de wijk, waaronder in ieder geval bestaande gebouwen. Artikel 3.12.2 Subsidiabele activiteit
- Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor opdrachtverlening aan een externe deskundige voor: het ontwerpen, voorbereiden en in gang zetten van een proces gericht op het maken van een integraal transitieplan voor de verduurzaming van de wijk; het uitvoeren van een proces gericht op het opstellen van een integraal transitieplan.
- Subsidie kan worden verstrekt voor een proces dat is gericht op een wijk of meerdere aaneengesloten wijken. Artikel 3.12.3 Criteria
- Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de externe deskundige is geselecteerd uit ten minste drie offertes; de externe deskundige aantoonbaar ervaring heeft op het terrein waarop hij wordt ingeschakeld.
- Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid, onder a ten aanzien van subsidie als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder b. Artikel 3.12.4 Voorwaarden Subsidie als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder b wordt slechts verstrekt als de aanvrager een document kan overleggen waaruit blijkt: hoe het daar genoemde proces, zal worden ingericht en welke partijen hierbij zullen worden betrokken; hoeveel energie er in de wijk wordt gebruikt voor het treffen van maatregelen en een inschatting van het energiegebruik nadat maatregelen getroffen zijn, en dat er bereidheid is bij bewoners en andere betrokken partijen om deel te nemen aan het proces om te komen tot een transitieplan. Artikel 3.12.5 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan een gemeente. Artikel 3.12.6 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen in aanmerking de kosten van: de externe deskundige, en andere kosten die rechtstreeks verband houden met het proces met een maximum van 10% van de totale kosten. Artikel 3.12.7 Hoogte van de subsidie
- De subsidie als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder a bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.
- De subsidie als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder b bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.
- In afwijking van het tweede lid bedraagt de subsidie als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder b ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 40.000 indien voor de betreffende wijk subsidie is verleend als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid 1, onder a. Artikel 3.12.8 Aanvraag
- Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens overgelegd: de offertes als bedoeld in artikel 3.12.3; documenten waaruit blijkt dat de deskundige ervaring heeft op het terrein waarop hij wordt ingeschakeld, en een aanduiding op kaart van de betreffende wijk of wijken.
- Onverminderd het eerste lid wordt bij de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.12,2, eerste lid, onder b het document gevoegd als bedoeld in artikel 3.12.
- Artikel 3.12.9 Verplichtingen
- De aanvrager brengt binnen zes weken na beëindiging van de activiteiten verslag uit aan Gedeputeerde Staten.
- Het verslag van de activiteiten als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder a bevat ten minste een beschrijving van: de gevolgde aanpak; de bereidheid van de betrokken partijen, met name de bewoners, om deel te nemen aan het proces tot verduurzaming van de wijk, en de wijze waarop de externe deskundige het proces heeft begeleid.
- Het verslag over de activiteiten als bedoeld in artikel 3.12.2, eerste lid, onder b bevat ten minste een beschrijving van: de gevolgde aanpak; het verloop van het proces; gemaakte afspraken; de deelnemende partijen aan het proces en hun inbreng; het netwerk in de wijk; het draagvlak voor een transitie bij de betrokken partijen; risico’s en de wijze waarop deze gemitigeerd kunnen worden, en de wijze waarop is deelgenomen aan communities of practice. Artikel 3.12.10 Indien de subsidie meer bedraagt dan € 24.999 wordt ten behoeve van de vaststelling van de subsidie het verslag als bedoeld in artikel 3.12.9, derde lid, aangemerkt als het inhoudelijk verslag als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de AsG. Paragraaf 3.13 Procesondersteuning VvE’s Artikel 3.13.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder VvE-beheerder: de onderneming die het financiële, administratieve, technische of bouwkundige beheer voor de VvE verzorgt. Artikel 3.13.2 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de inhuur van een of meerdere externe deskundigen voor het begeleiden van een VvE bij het voorbereiden van een NOM- of NOM-ready renovatie, waaronder: het opstellen van een uitvraag door de VvE voor het ineens of in stappen naar NOM renoveren of verbeteren van een gebouw; het begeleiden van de VvE bij het beoordelen van offertes van bouw- en installatiebedrijven; het begeleiden van de VvE bij de besluitvorming binnen de VvE over NOM- of NOM-ready renovatie; het begeleiden van de VvE bij het verkrijgen van financiering voor NOM- of NOM-ready renovatie. Artikel 3.13.3 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de externe deskundigen geen lid zijn van de aanvrager; de externe deskundigen niet VvE-beheerder zijn voor de betreffende VvE van het gebouw; de externe deskundigen zijn geselecteerd uit ten minste drie offertes; de externe deskundigen aantoonbaar ervaring hebben op het terrein waarop zij worden ingeschakeld, en de externe deskundigen nu en in het vervolg van het proces geen rol spelen als of in opdracht van aanbiedende of uitvoerende partijen. Artikel 3.13.4 Voorwaarden Subsidie wordt slechts verstrekt als de aanvrager een scan als bedoeld in paragraaf 3.4 of een vergelijkbaar onderzoek kan overleggen dat ten minste inzicht geeft in: de haalbaarheid van een NOM-renovatie ineens of in stappen, waarbij de organisatorische en juridische bevindingen op basis van de splitsingsakte worden meegenomen; een beschrijving van de voor een NOM-renovatie benodigde bouwkundige en technische maatregelen; de energetische effecten door het uitvoeren van de onder b bedoelde maatregelen; een indicatie van de kosten van de onder b bedoelde maatregelen; het effect van de onder b bedoelde maatregelen op de financiële positie van de aanvrager, inclusief zijn liquiditeitspositie, en een beschrijving van het proces dat nodig is om de onder b bedoelde maatregelen te treffen. Artikel 3.13.5 Weigeringsgronden
- Subsidie wordt geweigerd als de aanvrager minder dan 10 wooneenheden omvat.
- Subsidie wordt geweigerd als de aanvrager niet is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Artikel 3.13.6 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan een VvE. Artikel 3.13.7 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de inhuur van de externe deskundigen. Artikel 3.13.8 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 35.
- Artikel 3.13.9 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens overgelegd: de scan of het onderzoek als bedoeld in artikel 3.13.4; de offertes als bedoeld in artikel 3.13.3, aanhef en onder c; documenten waaruit blijkt dat de deskundige ervaring heeft op het terrein waarop hij wordt ingeschakeld; een verklaring waaruit blijkt dat de externe deskundige geen lid is van de aanvrager; een verklaring waaruit blijkt dat de externe deskundige niet de VvE-beheerder is, en een verklaring waaruit blijkt dat de externe deskundige nu en in het vervolg van het proces geen rol spelen als of in opdracht van aanbiedende of uitvoerende partijen. Paragraaf 3.14 Ondersteuning van gemeenten ten behoeve van toezicht op energiebesparing 2019 Artikel 3.14.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: energieverbruikers: bedrijven die vallen onder de reikwijdte van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; Gelderse aanpak: een aanpak gericht op communicatie, stimulering van bedrijven via collectieve projecten en handhaving; toezicht: toezicht op de naleving van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.14.2 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het uitoefenen van toezicht in
- Artikel 3.14.3 Criteria 1 Subsidie wordt alleen verstrekt als: de aanvrager de Gelderse aanpak volgt; de aanvrager een overeenkomst heeft met de Omgevingsdienst over toezicht. 2 Subsidie wordt voorts alleen verstrekt als de aanvrager in 2019 bij ten minste 14% van het aantal energieverbruikers in de gemeente toezicht uitoefent. 3 Als de aanvrager in 2018 subsidie heeft ontvangen voor het uitoefenen van toezicht op energieverbruikers, wordt in afwijking van het tweede lid alleen subsidie verleend als de aanvrager in 2019 bij ten minste 7% van het aantal energieverbruikers in de gemeente toezicht uitoefent. 4 Het aantal energieverbruikers in een gemeente wordt bepaald aan de hand van gegevens van de Gelderse omgevingsdiensten. Artikel 3.14.4 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten. Artikel 3.14.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt € 400 per energieverbruiker waar in 2019 toezicht wordt uitgeoefend. Artikel 3.14.6 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een plan waarin wordt beschreven op welke wijze gedurende de jaren 2018, 2019 en 2020 bij ten minste 20% van de energieverbruikers in de gemeente toezicht is of wordt uitgeoefend; de overeenkomst als bedoeld in artikel 3.14.3, eerste lid, aanhef en onder b; een opgave van het aantal energieverbruikers. Artikel 3.14.7 Verplichtingen Onverminderd artikel 1.4.3 is de aanvrager verplicht om uiterlijk in februari 2020 een rapportage te overleggen waaruit blijkt bij hoeveel bedrijven toezicht in 2019 is uitgeoefend. Paragraaf 3.15 Energieloketten 2019 Artikel 3.15.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: actieve marktbenadering: een door de aanvrager geregisseerde planmatige aanpak waarin particuliere woningeigenaren in een wijk of een buurt, of bepaalde doelgroepen in een wijk, een buurt of in de gemeente, worden benaderd om energiebesparende maatregelen aan hun woningen te treffen of hernieuwbare energie op te wekken; conversie: het aantal mensen dat na een benadering daadwerkelijk tot het treffen van energiebesparingsmaatregelen of het opwekken van hernieuwbare energie overgaat; digitaal: via e-mail en via een website; energieloket: een informatiepunt gericht op het informeren van particuliere woningeigenaren over energiebesparende maatregelen aan en hernieuwbare opwekking van energie bij bestaande woningen en mogelijkheden om die maatregelen te financieren; particuliere woningeigenaar: een natuurlijke persoon die eigenaar is van de woning en er daadwerkelijk zelf in woont; professionalisering: activiteiten gericht op het vergroten van de bekendheid, zichtbaarheid, toegankelijkheid en bereikbaarheid van het energieloket, het door ontwikkelen van een klantvolgsysteem en een monitoringsysteem en het opzetten of uitwerken van een businessmodel voor het energieloket; social marketing: de toepassing van marketingconcepten en -technieken om positieve maatschappelijke of sociale veranderingen te bewerkstelligen; wijken en buurten: wijken en buurten als bedoeld in de publicatie Kerncijfers wijken en buurten van het CBS. Artikel 3.15.2 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het financieren van energieloketten. Artikel 3.15.3 Criteria Subsidie wordt alleen verstrekt als: het energieloket gedurende geheel 2019 operationeel is; het energieloket fysiek, digitaal en telefonisch bereikbaar is voor het verstrekken van informatie; het energieloket gebruik maakt van een klantvolgsysteem en een monitoringssysteem; de aanvrager met het energieloket afspraken heeft gemaakt over het uitvoeren van een actieve marktbenadering, en professionalisering wordt doorgevoerd. Artikel 3.15.4 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten. Artikel 3.15.5 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 25% van de kosten van het energieloket met een maximum van het inwoneraantal op 1 januari 2018 vermenigvuldigd met een bedrag van € 0,
- 2 Het inwoneraantal wordt bepaald aan de hand van CBS-gegevens. 3 Kosten die in 2019 worden gemaakt, zijn subsidiabel. 4 Artikel 1.3.5, onder b, is niet van toepassing. Artikel 3.15.6 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de wijze waarop het energieloket fysiek, digitaal en telefonisch bereikbaar is; een beschrijving van de wijze waarop de actieve marktbenadering wordt uitgevoerd, voor elke gemeente uitgesplitst per wijk, buurt of doelgroep en met een opgave van de te verwachten activiteiten, waarbij de inzet van social marketing afzonderlijk wordt beschreven als deze wordt ingezet, alsmede een beschrijving van de wijze waarop relevante marktpartijen bij de aanpak worden betrokken; een beschrijving van de wijze waarop binnen een periode van 3 jaar alle eigenaren van koopwoningen in de gemeente bereikt zullen worden; een beschrijving van de wijze waarop een conversie van 10% bereikt kan worden binnen de gemeente; een beschrijving van de wijze waarop de professionalisering van het energieloket wordt doorgevoerd; een beschrijving van de inspanningen die de aanvrager in 2018 heeft verricht en in 2019 zal verrichten om het voortbestaan van het energieloket na 2019 te garanderen, en het inwoneraantal op 1 januari 2018 aan de hand van CBS-gegevens. Artikel 3.15.7 Verplichtingen 1 De subsidieontvanger is verplicht om in januari 2020 een rapportage te overleggen waarin een beschrijving wordt gegeven van: de activiteiten van het energieloket in 2019; de daarbij behaalde resultaten, en de bijdrage die dit levert aan het energiezuinig maken van 100.000 woningen. 2 Bij de beschrijving van de resultaten als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt gebruik gemaakt van de data uit het klantvolgsysteem en monitoringsysteem. Paragraaf 3.16 Elektrische deelauto’s Artikel 3.16.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: elektrische deelauto: een nieuwe, volledig elektrisch aangedreven personenauto die tegen betaling wordt gebruikt door derden. Artikel 3.16.2 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de exploitatie van elektrische deelauto’s. Artikel 3.16.3 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt € 5.000 per elektrische deelauto. Artikel 3.16.4 Verplichtingen
- Binnen 8 maanden na verstrekking van de subsidie zijn de elektrische deelauto’s in gebruik.
- De elektrische deelauto’s zijn digitaal te reserveren, te traceren, te openen, te starten en te betalen.
- De elektrische deelauto’s worden op standplaatsen in Gelderland geplaatst.
- De elektrische deelauto’s worden na verstrekking van de subsidie gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 48 maanden gebruikt als deelauto.
- De elektrische deelauto wordt gedurende de periode bedoeld in het vierde lid gebruikt door ten minste vijf verschillende bestuurders. Artikel 3.16.5 Aanvraag
- Per kalenderjaar kan een aanvrager één aanvraag indienen.
- Per aanvraag wordt subsidie aangevraagd voor ten minste twee en ten hoogste tien elektrische deelauto’s. Artikel 3.16.6 Weigeringsgrond
- Subsidie wordt niet verstrekt voor zover de koopovereenkomst of de leaseovereenkomst voor de elektrische deelauto is aangegaan vóór 1 mei
- Subsidie wordt niet verstrekt voor zover de aanvrager niet de eerste eigenaar is van de elektrische deelauto ingeval van koop of de eerste gebruiker in geval van lease. Artikel 3.16.7 Vaststelling In afwijking van artikel 26 van de AsG worden subsidies die meer bedragen van € 25.000 vastgesteld zonder voorafgaand verleningsbesluit. Hoofdstuk 4 Vitaal platteland, natuurbeheer en ontwikkeling natuurgebieden Paragraaf 4.
Artikel 4
.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: agrarisch collectief: vereniging als bedoeld in artikel 3.1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016; agrarisch natuurbeheer: natuurbeheer op landbouwgronden; ambitiekaart: kaart behorende bij het vigerende Natuurbeheerplan Gelderland waarop de begrenzing is vastgelegd van bestaande en nieuwe natuur; Beleidsnota Actieve Soortenbescherming: de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming Gelderland zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 6 januari 2015, inclusief de nadien aangebrachte wijzigingen; duurzaam functioneren van de toplaag: handhaven of herstellen van het op lange termijn functioneren van de werking van het bodem en watersysteem in de bovenlaag van de bodem; faunavoorziening: een voorziening die het dieren mogelijk maakt openbare infrastructuur veiliger over te steken; functieverandering: het feitelijk en publiekrechtelijk wijzigen van het gebruik van grond van landbouw naar natuur en het vestigen van een kwalitatieve verplichting op die grond; ganzenrustgebied: gebied bedoeld om overwinterende beschermde inheemse ganzen rust te bieden en welk gebied door Provinciale Staten als zodanig is vastgesteld; gebouw: opstal alsmede het kadastrale perceel waarop deze opstal is gelegen; gebruiksgerechtigde: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die op grond van pacht of erfpacht zeggenschap heeft over het landbouwbedrijf; gecertificeerde begunstigde: begunstigde die beschikt over of gebruik maakt van een certificaat als bedoeld in artikel 1.11 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016; GNN: Gelders natuurnetwerk zoals begrensd door Provinciale Staten bij vaststelling van de Omgevingsverordening provincie Gelderland bij besluit van 24 september 2014 dan wel de op basis van de Omgevingsverordening provincie Gelderland door Gedeputeerde Staten nadien gewijzigde begrenzing; grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond, waarop het onderzoek wordt uitgevoerd, te gebruiken; grondstrategieplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin is vastgelegd de wijze waarop ruiling , aan- en verkoop van gronden plaatsvindt ten behoeve van het bereiken van provinciale doelen in een bepaald gebied; grote onderneming: onderneming waar minstens 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR overschrijdt, zoals bepaald in artikel 2, bijlage I van Landbouw groepsvrijstellingsverordening; hagen en heggen: opgaande lijnvormige elementen bestaande uit loofhoutsoorten, niet zijnde vlecht-, knip- of scheerheggen; inrichting: de uitvoering van maatregelen die de fysieke kenmerken van het natuurterrein wijzigen; knelpunt: een locatie waarvan door onderzoek is gebleken dat daar regelmatig dieren worden aangereden of verdrinken of waarbij het voor ter plaatse levende dieren onmogelijk is om openbare infrastructuur te passeren; landbouwactiviteit: activiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b van de Verordening (EU) Nr. 1306/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 (PbEU L347/549 landbouwbedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die voor de primaire landbouwproductie worden gebruikt als bedoeld in artikel 2 onder 8 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening, Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193), niet zijnde een glastuinbouwbedrijf; landbouwbedrijfsgebouw: een gebouw met bijbehorende voorzieningen dat gebruikt wordt ten behoeve van de uitoefening van een landbouwbedrijf; landschapselementen: groene opgaande elementen bestaande uit inheemse loofhoutsoorten; leefgebied: gebied waarin alle fasen in de levenscyclus van een of meer prioritaire soorten zich kunnen afspelen; leefgebied SNLG: een leefgebied als bedoeld in artikel 1.1 onder p van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016. modernisering: vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw of van bestaande voorzieningen op de nieuwe locatie door een nieuw, modern gebouw of nieuwe, moderne voorzieningen waarbij de betrokken productie, of technologie fundamenteel wordt gewijzigd; Nationale Landschappen: Nationale Landschappen zoals aangewezen in de Uitwerking streekplan Gelderland 2005; Natura 2000-gebied: door het Rijk aangewezen Natura 2000-gebieden op basis van de Wet natuurbescherming; Natura 2000-doelstellingen: instandhoudings- en ontwikkeldoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebie; natura 2000-maatregelen: maatregelen voor herstel van de natuurkwaliteiten zoals beschreven in Natura 2000-beheerplannen of ontwerpbeheerplannen van door Gedeputeerde Staten vastgestelde Natura 2000-gebieden; natuur, groen of landschap: natuurlijk ingerichte of in te richten openbaar toegankelijke plekken of vanaf de openbare weg zichtbare plekken; natuurambitieterrein: terrein dat is opgenomen op de ambitiekaart, dat is aangeduid als N00.01 en waarvoor onder “indicatieve verhouding beheertypen” is aangegeven welke beheertypen op deze grond van toepassing zijn na functieverandering van landbouw naar natuur; natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016; natuurbeheertype: in bijlage 1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 opgenomen soort natuur zoals nader beschreven in de Index Natuur en Landschap; natuurgebied: gebied bestaande uit meerdere natuurterreinen; natuurontwikkelplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin een gebied is aangewezen en voor subsidie in aanmerking kan komen voor het behoud van hoge actuele natuurwetenschappelijke, landschappelijke, cultuurhistorische of bosbouwkundige waarden; natuurterrein: grond die op de ambitiekaart is begrensd als bestaande of als nieuwe natuur als eenheid is weergegeven, of waarvoor een subsidie voor functieverandering als bedoeld in artikel 4.9.1 is verstrekt; nieuwe natuur: op de ambitiekaart aangegeven nog niet ingerichte landbouwgronden of voormalige landbouwgronden aangeduid als N00.01 dan wel nog niet ingerichte natuurgronden aangeduid als N00.02, waar het natuurbeheertype of indicatieve verhouding natuurbeheertypen nog niet is gerealiseerd binnen het GNN; PAS-gebiedsanalyses: ecologische analyse van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied dat deel uitmaakt van de passende beoordeling van het PAS, waarin herstel- en andere maatregelen zijn opgenomen die achteruitgang van de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten stopt of de kwaliteit verbetert; PAS-herstelmaatregel: gebiedspecifieke