Deze wet regelt diverse aspecten van de openbare orde en veiligheid in de gemeente Hardenberg, en stelt regels voor vergunningen en ontheffingen die hiervoor nodig zijn. Het doel is het beschermen van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en het milieu.
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Hardenberg 2019De raad van de gemeente Hardenberg; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 31 oktober 2017; gelet op de artikelen 149, 151a, 151b, 151c, 151d en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, artikel 4 van de Drank- en Horecawet, artikel 30c van de Wet op de kansspelen, artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.21 en 3.148 van het Activiteitenbesluit mileubeheer; Besluit: Een nieuwe Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Hardenberg, met toelichting, vast te stellen, onder intrekking van de huidige APV. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1Definities In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel “1.1. eerste lid van de Bouwverordening” van de “Bouwverordening Hardenberg”; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wprdt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan; winterbed: het gebied tussen de winterdijken, bestaande uit de zomerdijk en de uiterwaarden tot aan de winterdijk. Artikel 1:2 Beslistermijn Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of een vergunning als bedoeld in artikel 4:11, en is het eerste en tweede lid niet van toepassing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4. Artikel 1:3 [gereserveerd] Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragen het aantal beschikbare vergunningen en ontheffingen overtreft. Artikel1:8 Weigeringsgronden 1. De vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 8 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk 2 Openbare orde Afdeling 1.Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 2. Betoging Artikel 2:2 [gereserveerd] Artikel2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. Artikel 2:4 [gereserveerd] Artikel 2:5 [gereserveerd] Afdeling 3. [gereserveerd] Artikel 2:6[gereserveerd] Afdeling 4. [gereserveerd] Artikel 2:7 [gereserveerd] Artikel 2:8 [gereserveerd] Artikel 2:9 [gereserveerd] Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd: als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4. Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover: elk onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 2 meter buiten de opgaande gevel reikt; voertuigen; uitstallingen, reclameobjecten en ramkraakbeveiligingen, als bedoeld in de “Beleidsnota uitstallingen, reclameobjecten, ramkraakbeveiligingen en terrassen”, indien de plaatsing geschiedt in overeenstemming met de daarin opgenomen beleidsregels; door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of [de provinciale wegenverordening. 5. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 7. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:11(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, het provinciaal wegenreglement, de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur. 5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg indien: degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet vier weken van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg indien: daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement. Afdeling 6. Veiligheid op de weg Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 [gereserveerd] Artikel2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel binnen een afstand van dertig meter daarvan: te roken gedurende een door het college aangewezen periode of in de periode dat binnen de veiligheidsregio code oranje of rood geldt voor brandgevaar; voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet t.a.v. prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:20 [gereserveerd] Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:22 [gereserveerd] Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening. Afdeling 7. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoop- en theatervoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een straatfeest of buurtbarbecue; een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; de activiteiten plaatsvinden tussen 9.00 en 23.00 uur; geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 70 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden; de activiteiten geen ontoetlaatbare belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 16 vierkante meter per object. Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen 10 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definities 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting De exploitatie van een openbare inrichting moet zodanig geschieden, dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed. Indien naar het oordeel van de burgemeester een openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met het bepaalde in het eerste lid, is hij bevoegd de houder van het horecabedrijf aan te schrijven tot het treffen van door hem aan te duiden maatregelen ter bescherming van de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en van de openbare orde. Degene tot wie de aanschrijving als bedoeld in het tweede lid is gericht, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht te handelen overeenkomstig die aanschrijving. Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Het is de houder van een openbare inrichting, waar tegen vergoeding alcoholhoudende dranken mogen worden verstrekt, verboden: de openbare inrichting op maandag tot en met vrijdag voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 01.00 uur en 06.00 uur; op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 04.00 uur nieuwe bezoekers in de openbare inrichting toe te laten en tussen 04.00 uur en 06.00 uur de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b, kan de burgemeester de houder van een discotheek vergunning verlenen in de discotheek op zaterdag en zondag tot 02.30 uur nieuwe bezoekers toe te laten en tussen 02.30 uur en 06.00 uur in de discotheek bezoekers te laten verblijven. 3. Het is de houder van een openbare inrichting, waar geen alcoholhoudende dranken mogen worden verstrekt, verboden: de openbare inrichting op maandag tot en met vrijdag voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 01.00 uur en 06.00 uur; de openbare inrichting op zaterdag en zondag voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04.00 uur en 06.00 uur. 4. Bij de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in het tweede lid let de burgemeester in het bijzonder op de woon- en leefsituatie in de omgeving van de discotheek en/of de openbare orde. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van deze belangen. 5. De burgemeester kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de in het eerste en derde lid, onder a, vervatte verboden, voor de tijd tussen 01.00 uur en 02.00 uur. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Per openbare inrichting kan per kalenderjaar voor ten hoogste zes dagen ontheffing als bedoeld in dit lid worden verleend. 6. De burgemeester kan ten behoeve van bijzondere, voor een breed publiek van belang zijnde, gebeurtenissen en evenementen van de in het eerste, tweede en derde lid vervatte verboden een algemene ontheffing verlenen. Aan deze ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Bij een ontheffing als bedoeld in dit lid kan de burgemeester bepalen dat deze slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. Per kalenderjaar kan per deel van de gemeente voor ten hoogste twaalf dagen ontheffing als bedoeld in dit lid worden verleend. 7. Het bepaalde in lid 1, onder b, lid 3, onder b, en een vergunning of ontheffing als bedoeld in het tweede, vijfde of zesde lid geldt niet voor een bij de openbare inrichting behorend terras. 8. Indien de burgemeester zulks in het belang van de woon- of leefsituatie in de omgeving van een openbare inrichting of de openbare orde nodig oordeelt, kan hij voor individuele horecabedrijven of ten aanzien van een daartoe behorend terras een van het bepaalde in het eerste en derde lid afwijkend sluitingsuur vaststellen. 9. Het in de voorgaande leden bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 10. Op de ontheffing en vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: de orde te verstoren; zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:34 [gereserveerd] Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Artikel 2:34a Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank, horecabedrijf, horecalokaliteit, inrichting, paracommerciële rechtspersoon, sterke drank, slijtersbedrijf en zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet. Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank tijdens en tot uiterlijk één uur na de georganiseerde activiteiten die uitsluitend verband houden met de statutaire doelstellingen van de instelling tot maximaal 24.00 uur. 2. Het is paracommerciële rechtspersonen niet toegestaan om bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn te houden. 3. In afwijking van lid 2 mag een paracommerciële rechtspersoon die staat genoemd in het aanwijzingsbesluit behorende bij deze verordening, met inachtneming van hetgeen in dit aanwijzingsbesluit is bepaald, alcoholhoudende drank verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Wanneer er een situatie ontstaat waardoor een paracommerciële rechtspersoon een nieuwe vergunning op grond van de Drank- en Horecawet moet aanvragen dan vervallen de aanspraken uit het aanwijzingsbesluit. 4. Op grond van artikel 4 lid 4 van de Drank- en Horecawet kan de burgemeester ontheffing verlenen van de schenktijden, de bijeenkomsten van persoonlijk aard en de bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de rechtspersoon betrokken zijn, als: minimaal 4 weken voor de activiteit waarvoor ontheffing wordt aangevraagd er een complete aanvraag om ontheffing is ingediend; het maximum van 4 ontheffingen per jaar per paracommerciële instelling niet wordt overschreden; de eindtijd van de ontheffing van de schenktijd zal niet later zijn dan sluitingstijd; ontheffing van de schenktijd niet wordt verleend voor een jongerenactiviteit. Artikel2: 34c [gereserveerd] Artikel2:34d [gereserveerd] Artikel 2:34e [gereserveerd] Artikel 2:34f Verbod happy hours Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Afdeling 9. [gereserveerd] Artikel 2:35 [gereserveerd] Artikel 2:36 [gereserveerd] Artikel 2:37 [gereserveerd] Artikel 2:38 [gereserveerd] Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 [gereserveerd] Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In dit artikel wordt verstaan onder: wet: Wet op de kansspelen; speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de wet. 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten, niet zijnde kansspelautomaten, toegestaan. 4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid kan de burgemeester in een laagdrempelige inrichting op campings en in grootschalige recreatie-inrichtingen meer behendigheidsautomaten toestaan, met dien verstande dat voor maximaal zes behendigheidsautomaten vergunning kan worden verleend. Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen. Artikel 2:42 Plakken en kladden Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2:43 [gereserveerd] Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen of vermommingsmiddelen te vervoeren of bij zich te hebben. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen of vermommingsmiddelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen en/of herkenning bij het plegen van voornoemde strafbare feiten te voorkomen. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:46 [gereserveerd] Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. Het verbod is niet van toepassing op: een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel2:50aSlaapplaats op of aan een openbare plaats 1. Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken en verder op of aan een openbare plaats een voertuig, caravan, keetwagen, magazijnwagen, tent of een soortgelijk of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan voorschriften verbinden in het belang van: de openbare orde het voorkomen of beperken van overlast de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen de zedelijkheid of de gezondheid de bescherming van natuur en landschap de bescherming van het aanzien van de gemeente. 3. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod van het eerste lid niet geldt. 4. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van: de openbare orde het voorkomen of beperken van overlast de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen de zedelijkheid of de gezondheid de bescherming van natuur en landschap de bescherming van het aanzien van de gemeente. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of daardoor die ingang versperd wordt. Artikel 2:52 [gereserveerd] Artikel 2:53 [gereserveerd] Artikel 2:54 [gereserveerd] Artikel 2:55 [gereserveerd] Artikel 2:56 [gereserveerd] Artikel 2:57 Loslopende honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd; of op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Het eerste lid, aanhef en onder a en b, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat, als de hond zich daar van uitwerpselen ontdoet, de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel 2:59 Gevaarlijke of hinderlijke honden Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of te voeren. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:61 [gereserveerd] Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2:63 [gereserveerd] Artikel 2:64 [gereserveerd] Artikel 2:65 [gereserveerd] Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel 2:69 [gereserveerd] Artikel 2:70 [gereserveerd] Afdeling 13. Carbid Artikel 2:71 [gereserveerd] Artikel 2:72 [gereserveerd] Artikel 2;73 [gereserveerd] Artikel 2:73a Carbid Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien: gebruik wordt gemaakt van vaten met een inhoud van maximaal 50 liter; en de vaten zijn afgesloten met zacht materiaal; en het vrije schootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen openbare wegen of paden liggen; en het gebruik plaatsvindt op 31 december van 10.00 uur tot 1 januari 02.00 uur; en wordt geschoten in een richting die is afgewend van de woonbebouwing; en de betreffende locatie is gelegen op een afstand van tenminste: 75 meter van woonbebouwing; en 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg; en 300 meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden. Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van strafrecht. Afdeling 14. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben. Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op openbare plaatsen, gebiedsontzeggingen en woonoverlast Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de volgende artikelen groepsgewijs niet naleven: artikel 2:1 (samenscholing en ongeregeldheden); artikel 2:10 (voorwerpen op of aan de weg); artikel 2:11 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg); artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen); artikel 2:48 (verboden drankgebruik); artikel 2:49 (verboden gedrag bij of in gebouwen); artikel 2:50 (hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten); artikel 2:73a (carbid); artikel 4:6 (geluidhinder); artikel 5:34 (verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken). Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: parkeerterreinen; winkelpassages; overige plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties vallen. De burgemeester informeert de gemeenteraad wanneer er concrete plannen zijn voor het toepassen van cameratoezicht. Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats te houden. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel 2:79 Woonoverlast Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel3.1Afbakening De artikelen 1:2, 1:3 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel 3:2 Begripsbepaling In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats; seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf. Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf Artikel 3:3 Vergunning Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. [gereserveerd] Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Een vergunning kan ten hoogste voor één seksinrichting worden verleend. De vergunning wordt voor een periode van vijf jaren verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar. Artikel3:4Concentratie seksinrichtingen De vergunning bedoeld in artikel 3:3 kan uitsluitend worden verleend voor de gebieden waarop van toepassing zijn de bestemmingsplannen Buitengebied en de daarop van toepassing zijnde wijzigingen/uitwerkingen en partiële herzieningen. Artikel3:5Maximum aantal vergunningen voor seksbedrijven 1.Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend. 2.Vergunning kan worden verleend voor maximaal één seksinrichting en voor maximaal één escortbedrijf. Artikel3:6Aanvraag 1.Een aanvraag om vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier. 2.Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: de persoonsgegevens van de exploitant; het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting; het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant; indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant; een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst; bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; indien van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding; indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding. 3.Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, b, c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder. 4.Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen. Artikel3:7Weigeringsgronden Een vergunning wordt geweigerd als: de exploitant of de beheerder onder curatele staat; de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Hardenberg 2017; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. het maximum aantal vergunningen als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt; de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening of artikel 3:4. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijkgesteld: een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven; als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend. Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning De vergunning vermeldt in ieder geval: de naam van de exploitant; indien van toepassing, die van de beheerder; voor welke activiteit de vergunning is verleend; het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend; de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; indien van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning; het nummer van de vergunning. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt. Artikel 3:9 Intrekkingsgronden De vergunning wordt ingetrokken als: de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i; de vergunninghouder dat verzoekt; de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening of artikel 3:4. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning. Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet. Artikel3:11Verlenging vergunning 1. Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6, 3:7, 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden. 2. Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten. Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf Paragraaf 3.1Regels voor alle seksbedrijven Artikel3:12 Toegang seksinrichtingen Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting. Artikel3:13Adverteren Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen. Paragraaf 3.2Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees Artikel3:14Leeftijd en verblijfstitel prostituees Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000. Artikel3:15Bedrijfsplan Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: op het gebied van hygiëne; ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; ter bescherming van de gezondheid van de klanten; ter voorkoming van strafbare feiten. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is; inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken; de prostituee vrij is in de keuze van de arts(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.