← Nederland

Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 5 december 2023 houdende regels omtrent de uitoefening van bevoegdheden op gro

In het kort

Deze beleidsregel van de provincie Noord-Brabant legt vast hoe Gedeputeerde Staten hun bevoegdheden uitoefenen op grond van de Omgevingswet, specifiek gericht op de aanpak van industriële geurhinder. Het doel is om duidelijkheid te scheppen voor alle betrokkenen bij beleid, besluitvorming en initiatieven.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 5 december 2023 houdende regels omtrent de uitoefening van bevoegdheden op grond van de Omgevingswet (Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant)Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant; Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Overwegende dat Gedeputeerde Staten het wenselijk achten vast te leggen op welke wijze Gedeputeerde Staten aan de aan haar toegekende bevoegdheden op grond van de Omgevingswet, en de daarop gebaseerde regelgeving, uitvoering geven zodat alle betrokkenen daar in hun beleid, besluitvorming en bij hun initiatieven rekening mee kunnen houden; Overwegende dat deze beleidsregel is opgesteld als aanbouwregeling voor nader door Gedeputeerde Staten te bepalen paragrafen ter invulling van haar beleid met betrekking tot het omgevingsrecht; Besluiten vast te stellen de volgende regeling: Hoofdstuk1Milieu Paragraaf1.1Industriële geur Artikel1.1.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: aangename geur: geur waarvan de geurconcentratie die behoort bij de hedonische waarde H = - 1 hoger is dan 10 ouE/m3 of waarvan een geurconcentratie kan worden bepaald die behoort bij de hedonische waarde H = +1; bestaande activiteit: activiteit waarvoor op het moment van aanvraag reeds een vergunning is verleend en die geen nieuwe activiteit betreft; bestaande geurbelasting: geurbelasting als gevolg van de bestaande activiteiten; betrouwbaarheidsinterval: tweezijdig 95% betrouwbaarheidsinterval conform NEN-EN 13725, uitgedrukt als factor, voor het geheel van alle bronnen van variatie bij geurconcentratiemetingen; Europese geureenheid: eenheid voor geur als bedoeld in NEN-EN 13725 uitgedrukt in odour units (ouE); geurbelasting: geurconcentratie in de omgeving, uitgedrukt in een percentielwaarde van het aantal Europese geureenheden per volume-eenheid; geurbron: bron die stoffen naar de lucht emitteert die geurhinder kunnen veroorzaken; geuremissie: representatieve uitstoot van geur, uitgedrukt in Europese geureenheden per tijdseenheid; geurgevoelig object: object zoals bedoeld in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dan wel een gebouw of locatie als bedoeld in artikel 3 van onderhavige paragraaf Industriële geur; grenswaarde: waarde van de geurbelasting waarboven ernstige geurhinder wordt verwacht; Handleiding geur: ‘Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen)’ van het Informatiepunt Leefomgeving, zoals deze luidt ten tijde van het vaststellen van deze beleidsregel; Handreiking Nieuw Nationaal Model Deel II: Handreiking voor het praktische gebruik van het Nieuw Nationaal Model (NNM) van het Informatiepunt Leefomgeving. hedonisch gecorrigeerde geuremissie: geuremissie van een bron gedeeld door de hedonische weegfactor F; hedonisch gewogen geurbelasting: geurbelasting op basis van hedonisch gecorrigeerde geuremissies van alle geurbronnen; hedonische waarde: maat voor de (on)aangenaamheid van een geur, uitgedrukt op een schaal van H = -4 (uiterst onaangenaam) tot H = +4 (uiterst aangenaam); hedonische weegfactor F: verhouding tussen de geurconcentratie die behoort bij de hedonische waarde van H=–1 van een geurbron en de normwaarde van 1 ouE/m3; mestbewerking: milieubelastende activiteit waarvoor een omgevingsvergunning vereist is zoals bedoeld in paragraaf 3.3.14 Grootschalige mestverwerking, of paragraaf 3.6.8 Bedrijf voor mestbehandeling, uit het Besluit activiteiten leefomgeving; nieuwe activiteit: activiteit, dan wel uitbreiding van een bestaande activiteit, waarvoor op het moment van aanvraag niet eerder vergunning is verleend; NTA 9065: Nederlands Technische Afspraak (NTA) 9065 'Luchtkwaliteit – Geurmetingen – Meten en rekenen geur' of een document dat NTA 9065 vervangt; overschrijdingssituatie: situatie waarbij als gevolg van de activiteiten de richtwaarden van tabel 1, opgenomen in bijlage 1 bij deze beleidsregel, worden overschreden; percentiel: tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurbelasting niet wordt overschreden; richtwaarde: norm voor de hedonisch gewogen geurbelasting waarmee rekening gehouden wordt bij beoordeling van vergunning; saneringssituatie: situatie waarbij als gevolg van de bestaande activiteiten de grenswaarden van tabel 1, opgenomen in bijlage 1 bij deze beleidsregel, worden overschreden; TLO: telefonisch leefsituatieonderzoek zoals bedoeld in de NTA9065; veehouderij: milieubelastende activiteit zoals aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving én waarvoor een omgevingsvergunning vereist is zoals aangewezen in artikel 3.201 en 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving; vergunning: omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet. Artikel1.1.2Toepassingsbereik 1.Gedeputeerde Staten nemen deze paragraaf als uitgangspunt bij: besluitvorming om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet; bij het wijzigen van voorschriften, verbonden aan zodanige vergunning; bij het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving; bij de toepassing van de specifieke zorgplicht voor geur. 2.Indien naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een andere bron beter toepasbaar is voor het vaststellen van de aanvaardbare geurbelasting vanwege een milieubelastende activiteit, dan in deze in bijlage 2 bij deze beleidsregel genoemde bronnen of andere vervallen bijzondere regeling zoals genoemd in de Handleiding geur, kunnen zij deze andere bron betrekken bij de besluitvorming, bedoeld in het eerste lid. Artikel1.1.3Omgevingscategorieën Bij de toepassing van deze paragraaf worden de volgende omgevingscategorieën gehanteerd: de omgevingscategorie ‘Wonen’, deze omvat de volgende geurgevoelige objecten: woningen, ziekenhuizen en sanatoria, bejaarden- en verpleeghuizen, woonwagenterreinen, asielzoekerscentra, dagverblijven en scholen, alsmede objecten die met bovengenoemde geurgevoelige objecten gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de functie van het object, de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daar aanwezig is en de omgeving van het object; de omgevingscategorie ‘Gemengd’, deze omvat de volgende geurgevoelige objecten: bedrijfswoningen, woningen in het landelijk gebied, verspreid liggende woningen, recreatiegebieden voor dagrecreatie, accommodaties voor verblijfsrecreatie, zelfstandige kantoren, winkels alsmede objecten die met bovengenoemde geurgevoelige objecten gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de functie van het object, de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daar aanwezig is en de omgeving van het object; de omgevingscategorie ‘Overig’, deze omvat geurgevoelige objecten die niet behoren tot de omgevingscategorieën, bedoeld onder a en b. Artikel1.1.4Buiten behandeling laten van een aanvraag 1.Gedeputeerde Staten nemen een aanvraag niet in behandeling indien: in de aanvraag niet in voldoende mate de bij Gedeputeerde Staten bekende hindersignalen over de milieubelastende activiteit zijn betrokken; in de aanvraag niet de geuremissie van alle afzonderlijke bronnen van de milieubelastende activiteit zijn betrokken; in de aanvraag niet in voldoende mate wordt beschreven hoe uitvoering wordt gegeven aan het voorkomen van diffuse geuremissies, zijnde geuremissies anders dan de geuremissies van puntbronnen, lijnbronnen of oppervlaktebronnen zoals gedefinieerd in de Handreiking Nieuw Nationaal Model II of aan het begrip van goodhousekeeping zoals bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2.Het eerste lid, onder b, is ook van toepassing indien de geuremissie van een bron wordt getoetst conform andere wet- of regelgeving, tenzij alle bronnen van de milieubelastende activiteit gezamenlijk worden beoordeeld aan de hand van één toetsingskader, buiten deze beleidsregel, op een voor Gedeputeerde Staten aanvaardbare wijze. Artikel1.1.5Uitgangspunten voor beoordeling 1.Gedeputeerde Staten gaan bij de beoordeling van de geurbelasting uit van de hedonisch gewogen geurbelasting. 2.In de gevallen, bedoeld in artikel 1.1.2, tweede lid, beoordelen Gedeputeerde Staten in ieder geval ook de geurbelasting, uitgedrukt in 98-percentielen en in 99,9-percentielen. Artikel1.1.6Eisen aan de berekening van de geurbelasting 1.Gedeputeerde Staten hanteren bij het bepalen van de hedonische weegfactor F de lijst met hedonische waarden H = –1 opgenomen in bijlage 2 bij deze beleidsregel. 2.Indien een activiteit of materiaal niet is opgenomen in bijlage 2 bij deze beleidsregel, hanteren Gedeputeerde Staten een waarde die naar haar oordeel met de waarde H = -1 van een andere activiteit of materiaal, opgenomen in bijlage 2 bij deze beleidsregel gelijkgesteld kan worden. 3.Niet eerder dan dat Gedeputeerde Staten tot het oordeel komen dat op basis van het eerste en tweede lid geen hedonische weegfactor F kan worden gehanteerd, kunnen Gedeputeerde Staten gebruik maken van andere documenten of meetonderzoeken. 4.Indien de hedonische weegfactor F wordt bepaald op basis van documenten of meetonderzoeken als bedoeld in het derde lid, houden Gedeputeerde Staten rekening met de samenhang tussen die waarde en de waarden opgenomen in bijlage 2 bij deze beleidsregel. 5.Indien voor een emissie aan de hand van het eerste tot en met het vierde lid geen hedonische weegfactor F kan worden bepaald, wordt de hedonisch gecorrigeerde geuremissie berekend met de fictieve waarde F = 0,5. 6.Indien de hedonische weegfactor F groter is dan 4, wordt de hedonisch gecorrigeerde geuremissie berekend met de fictieve waarde F = 4. 7.Bij het bepalen van de hedonische weegfactor F wordt geen rekening gehouden met luchtemissie beperkende technieken of enige andere voorzieningen in de luchtstroom. 8.Voor een bron waarvan de geuremissie niet is gebaseerd op ter plaatse uitgevoerde metingen of op naar het oordeel van Gedeputeerde Staten algemeen aanvaarde en toepasselijke kengetallen, wordt de emissie ten behoeve van de berekening van de geurbelasting van de nieuwe activiteit(

  1. en)met een factor 2 verhoogd. 9.Gedeputeerde Staten aanvaarden alleen resultaten van metingen uitgevoerd volgens de NTA 9065 en waarvan het betrouwbaarheidsinterval van die metingen geduid kan worden met een factor 2,0 of lager. Artikel1.1.7Beoordeling van de aanvraag 1.Indien een aanvraag om vergunning ziet op een geurbron die een aangename geur emitteert, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten af te zien van een beoordeling op basis van de hedonisch gewogen geurbelasting. 2.Bij de toepassing van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de geurbelasting te beoordelen aan de hand van een beoordelingskader gebaseerd op: de resultaten van een TLO; de op 1 januari 2016 vervallen Bijzondere Regeling B9 “Geur en smaakstoffenindustrie”; of enig ander naar het oordeel van Gedeputeerde Staten toereikend beoordelingskader. 3.Bij het vaststellen van de aanvaardbare geurbelasting betrekken Gedeputeerde Staten ontvangen hindersignalen betreffende de milieubelastende activiteit. 4.Gedeputeerde Staten gaan bij de beoordeling van de hedonisch gewogen geurbelasting, dan wel de geurbelasting, uitgedrukt in 99,9 percentielen, uit van: de rekenresultaten op basis van de bedrijfssituatie die de hoogst mogelijke geurbelasting op de omgeving kan veroorzaken waarbij voor de emissie van alle bronnen in die bedrijfssituatie een bedrijfstijd van 8760 uren per jaar wordt aangehouden; een bedrijfstijd van 4380 uren per jaar, indien de emissie van een bron alleen plaatsvindt tussen 7:00 en 19:00 uur. 5.De hedonisch gewogen geurbelasting, dan wel de geurbelasting, uitgedrukt in 99,9-percentielen, wordt berekend op basis van de bedrijfssituatie die in enig uur de hoogst mogelijke geurbelasting op de omgeving kan veroorzaken. Artikel1.1.8Vaststelling aanvaardbare geurbelasting bij bestaande activiteiten Indien de besluitvorming uitsluitend betrekking heeft op bestaande activiteiten, stellen Gedeputeerde Staten de aanvaardbare hedonisch gewogen geurbelasting vast op ten hoogste de bestaande hedonisch gewogen geurbelasting. Artikel1.1.9Vaststelling aanvaardbare geurbelasting bij de aanvraag nieuwe activiteiten 1.Indien de besluitvorming over een aanvraag voor een vergunning uitsluitend betrekking heeft op nieuwe activiteiten stellen Gedeputeerde Staten de aanvaardbare hedonisch gewogen geurbelasting vast op ten hoogste de richtwaarden opgenomen in tabel 2, van bijlage 1 bij deze beleidsregel. 2.In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten, indien toepassing van dat lid zou leiden tot het moeten verlangen van verdergaande maatregelen dan het toepassen van de beste beschikbare technieken, de aanvaardbare hedonisch gewogen geurbelasting gemotiveerd vaststellen op ten hoogste de grenswaarden opgenomen in tabel 2, van bijlage 1 bij deze beleidsregel. 3.Indien de besluitvorming over een aanvraag om een vergunning betrekking heeft op nieuwe activiteiten, en er sprake is van reeds bestaande activiteiten, stellen Gedeputeerde Staten de aanvaardbare hedonisch gewogen geurbelasting van de bestaande en nieuwe activiteiten gezamenlijk vast op ten hoogste de bestaande hedonisch gewogen geurbelasting. 4.In gevallen als bedoeld in het derde lid, waarbij de bestaande geurbelasting lager is dan de richtwaarden opgenomen in tabel 2, van bijlage 1 bij deze beleidsregel, stellen Gedeputeerde Staten de aanvaardbare hedonisch gewogen geurbelasting, ten gevolge van bestaande en nieuwe activiteiten gezamenlijk, vast op ten hoogste de richtwaarden opgenomen in tabel 2, van bijlage 1 bij deze beleidsregel. 5.In afwijking van het derde en vierde lid kunnen Gedeputeerde Staten, indien toepassing van het derde en vierde lid zou leiden tot het verlangen van verdergaande maatregelen dan het toepassen van de beste beschikbare technieken, de aanvaardbare hedonisch gewogen geurbelasting ten gevolge van de bestaande en nieuwe activiteiten gezamenlijk gemotiveerd vaststellen op ten hoogste de grenswaarden opgenomen in tabel 2, van bijlage 1 bij deze beleidsregel. Artikel1.1.10Vaststelling aanvaardbare geurbelasting bij de aanvraag van bestaande en nieuwe activiteiten gezamenlijk 1.Indien de besluitvorming over een aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op zowel bestaande als nieuwe activiteiten gezamenlijk, stellen Gedeputeerde Staten de aanvaardbare hedonisch gewogen geurbelasting ten gevolge van de bestaande en nieuwe activiteiten gezamenlijk vast op ten hoogste de bestaande hedonisch gewogen geurbelasting. 2.In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten de aanvaardbare hedonisch gewogen geurbelasting ten gevolge van de bestaande en nieuwe activiteiten gezamenlijk, vaststellen op ten hoogste de richtwaarden opgenomen in tabel 2, van bijlage 1 bij deze beleidsregel. 3.In afwijking van het eerste en twee lid kunnen Gedeputeerde Staten, indien toepassing van het eerste lid en tweede lid zou leiden tot het verlangen van verdergaande maatregelen dan het toepassen van de beste beschikbare technieken, de aanvaardbare hedonisch gewogen geurbelasting ten gevolge van de bestaande en nieuwe activiteiten gezamenlijk, gemotiveerd vaststellen op ten hoogste de grenswaarden opgenomen in tabel 2, van bijlage 1 bij deze beleidsregel. Artikel1.1.11Voorschriften 1.Gedeputeerde Staten kunnen vergunningvoorschriften, dan wel maatwerkvoorschriften als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving vaststellen. In deze voorschriften wordt voor iedere bron ten minste de toegelaten emissie opgenomen. 2.Indien voor een bron, overeenkomstig artikel 1.1.6, achtste lid, een factor 2 hogere emissie is gehanteerd, leggen Gedeputeerde Staten in de voorschriften, bedoeld in het eerste lid, de toegelaten emissie vast zonder daarbij rekening te houden met deze factor 2. 3.In geval van een saneringssituatie nemen Gedeputeerde Staten in vergunningvoorschriften, dan wel in de in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschriften, de eis op dat vergunninghouder binnen een redelijke termijn en met inachtneming van wat is opgenomen in een saneringsplan dat bij de aanvraag is overgelegd, moet voldoen aan de grenswaarden opgenomen in tabel 1, van bijlage 1 bij deze beleidsregel. 4.In geval van een overschrijdingssituatie nemen Gedeputeerde Staten in vergunningvoorschriften, dan wel in de in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschriften, de eis op dat vergunninghouder zich doorlopend door middel van een programmatische aanpak dient in te spannen, teneinde te voldoen aan de richtwaarden van tabel 1 van bijlage 1 bij deze beleidsregel. Artikel1.1.12Mestbewerking 1.Gedeputeerde Staten nemen bij de beoordeling van de geurbelasting van mestbewerking binnen een veehouderij met dierverblijven het tweede tot en met vierde lid in acht. 2.Gedeputeerde Staten beoordelen de hedonisch gewogen geurbelasting van de mestbewerking conform het bepaalde in dit artikel en de geurbelasting van de dierverblijven conform paragraaf 5.1.4.6.3 en paragraaf 5.1.4.6.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 3.Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling van de hedonisch gewogen geurbelasting van de mestbewerking, bij toepassing van de artikelen 9 tot en met 11, de helft van de toepasselijke richtwaarden en grenswaarden opgenomen in tabel 1 of 2 van bijlage 1 bij deze beleidsregel. 4.Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling of sprake is van een overschrijdingssituatie, dan wel een saneringssituatie eveneens de helft van de toepasselijke richtwaarden en grenswaarden opgenomen in tabel 1 van bijlage 1 bij deze beleidsregel. Paragraaf1.2Volksgezondheid en mestbewerking Artikel1.2.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: alternatieve techniek: andere techniek dan beschreven in artikel 1.2.6; bestaande activiteit: op het moment van inwerkintreding van deze beleidsregel reeds gerealiseerde installatie, waarbinnen een techniek voor mestbewerking wordt toegepast op basis van een daartoe verleende vergunning, voor zover de toegepaste techniek en de capaciteit overeenkomen met de vergunning; dikke fractie: rulle of vaste deel van dierlijke mest dat ontstaat bij scheiding van drijfmest of van digestaat in een dik en een dun deel; bio-aerosolen: vaste of vloeibare deeltjes in de lucht van een biologische oorsprong; drijfmest: mengsel van feces en urine van dierlijke oorsprong; dunne fractie: vloeibare deel van de mest dat ontstaat na scheiding van drijfmest of digestaat; hygiëniseren: toepassen van een warmtebehandeling, waarbij de mest gedurende ten minste een uur op een temperatuur van ten minste 70°C wordt gehouden of een gelijkwaardige behandeling ter beoordeling van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; mestbewerkingsinstallatie: installatie voor de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, inclusief hygiëniseren en vergisting; nieuwe activiteit: activiteit, dan wel uitbreiding of wijziging van een bestaande activiteit, waarvoor niet eerder vergunning is verleend; onderdruk: lagere luchtdruk in een procesruimte dan de druk in de buitenlucht; procesruimte: hal of andere afgesloten ruimte waar mestbewerking plaatsvindt; totaal stof: verzameling van al het zwevend stof, ongeacht de deeltjesgrootte; vaste mest: rulle, vaste dierlijke mest met een typisch droge stofgehalte > 60%; vergunning: omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet. Artikel1.2.2Toepassingsbereik 1.Gedeputeerde Staten hanteren deze paragraaf bij besluitvorming: op aanvragen om een vergunning voor de activiteiten als bedoeld in artikel 3.90 en 3.226 van het Besluit activiteiten leefomgeving; ten aanzien van het wijzigen van voorschriften, verbonden aan een vergunning als bedoeld onder a. 2.In afwijking van het eerste lid passen Gedeputeerde Staten deze beleidsregel niet toe indien: besluitvorming plaatsvindt op basis van een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregel verleende vergunning voor een mestbewerkingsinstallatie, welke nog niet is gerealiseerd; en de wijziging naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet voorziet in een wijziging van de toe te passen technieken; of een naar het oordeel van Gedeputeerde Staten substantiële toename van de capaciteit. 3.Gedeputeerde Staten handelen bij het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 4.3 en artikel 2.24 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 5.34 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 8.28 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zoveel mogelijk overeenkomstig deze paragraaf. Artikel1.2.3Maatregelen en toe te passen technieken voor bewerking van eigen mest 1.Indien het mestbewerkingsproces plaatsvindt op de bedrijfslocatie waar de mest is ontstaan, verlenen Gedeputeerde Staten slechts een vergunning voor deze installatie indien: de bewerkingscapaciteit niet hoger is dan 25.000 m3 mest per jaar; en de opslag-, overslag en bewerking van producten zodanig plaatsvindt dat deze activiteiten niet in de open lucht plaatsvinden. 2.Op de in het eerste lid genoemde installaties zijn de artikelen 1.2.4 tot en met 1.2.12 niet van toepassing. Artikel1.2.4Minimalisatie stofemissies mestbewerkingsinstallaties 1.Gedeputeerde Staten verlenen slechts een vergunning voor een mestbewerkingsinstallatie indien de emissie van totaal stof naar de buitenlucht is geminimaliseerd. 2.Gedeputeerde Staten gaan ervan uit dat voldaan is aan het eerste lid, indien alle technisch en economisch haalbare maatregelen en technieken zijn toegepast om de emissie van totaal stof te voorkomen of, indien dit niet mogelijk is, te minimaliseren. 3.Gedeputeerde Staten weigeren de aangevraagde vergunning, indien de resterende emissie, zonder bijmenging, hoger is dan 5 mg/Nm³. 4.Bij het beoordelen van de in de aanvraag om een vergunning opgenomen emissie of bij wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 1.2.2, betrekken Gedeputeerde Staten: de investeringen die nodig zijn om de in het eerste lid, genoemde minimalisering te bereiken; de in de aanvraag neergelegde verantwoording voor de keuze voor de toe te passen technieken. Artikel1.2.5Maatregelen en toe te passen technieken mestbewerkingsinstallaties 1.Onverminderd artikel 1.2.4, verlenen Gedeputeerde Staten slechts een vergunning voor een mestbewerkingsinstallatie indien: de aangevoerde mest vooraf is gehygiëniseerd of binnen het mestbewerkingsproces binnen de inrichting wordt gehygiëniseerd; de aanvoer van drijfmest en dunne fracties plaatsvindt met luchtdicht afgesloten transportmiddelen of via gesloten leidingen; de aanvoer van vaste mest of dikke fractie plaatsvindt in afgesloten transportmiddelen; vaste mest en dikke fractie worden opgeslagen en verladen in een afgesloten procesruimte; gekanaliseerde emissies worden geleid in een luchtreinigingsinstallatie met een rendement ten aanzien van totaal stof van ten minste 85% onder representatieve bedrijfsomstandigheden; deze installatie wordt opgesteld in een procesruimte die onder onderdruk wordt gehouden, in het geval bij een installatie diffuse emissies kunnen ontstaan en bronafzuiging niet mogelijk is; bronafzuiging technisch en economisch mogelijk is, deze wordt toegepast; diffuse emissies kunnen ontstaan bij een bewerking van mest buiten een installatie en bronafzuiging niet mogelijk is, in het geval deze bewerking plaatsvindt in een procesruimte welke onder onderdruk wordt gehouden; alle ventilatie lucht en afgezogen lucht worden geleid in een luchtreinigingsinstallatie met een rendement ten aanzien van totaal stof van ten minste 85% onder representatieve bedrijfsomstandigheden; indien vergisting wordt toegepast, worden de in dit proces vrijkomende gassen geleid via een warmtekrachtkoppelingsinstallatie, verbrandingsmotor of een luchtreinigingsinstallatie; indien vergisting wordt toegepast dient een fakkel of andere maatregel te worden toegepast om vergistingsgas bij incidenten of onderhoud te verbranden. 2.Onder luchtreinigingsinstallatie wordt voor de toepassing van het eerste lid, onder j, ook verstaan een installatie ter opwaardering van de gasstroom naar aardgaskwaliteit ter levering aan het aardgasnet. Artikel1.2.6Toepassing alternatieve techniek Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van artikel 1.2.5, voor mestbewerkingsinstallaties met alternatieve technieken indien de initiatiefnemer naar het oordeel van Gedeputeerde Staten aantoont dat de alternatieve techniek tenminste gelijkwaardig is aan de in dat artikel voorgeschreven technieken voor wat betreft het tegengaan van emissies van totaal stof. Artikel1.2.7Vijfjaarlijkse informatieplicht 1.Gedeputeerde Staten nemen in de vergunning in ieder geval de verplichting op dat degene die de installatie drijft, na vergunningverlening iedere vijf jaar, toereikende informatie ter goedkeuring overlegt aan Gedeputeerde Staten over: de mate waarin emissies van totaal stof naar de lucht plaatsvinden; de mogelijkheid om maatregelen te treffen om emissies van totaal stof verdergaand te beperken, zodat deze zo dicht mogelijk een nul emissie benadert; de investeringen die nodig zijn om de onder b genoemde beperking te bereiken. 2.Onverminderd het eerste lid nemen Gedeputeerde Staten in de vergunning de volgende verplichtingen op: de vergunninghouder overlegt ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten een plan voor het terugdringen van de totaal stofemissie, waarin hij aangeeft: welke van de maatregelen, genoemd in het eerste lid, onder b, worden uitgevoerd; en binnen welke termijn hij die maatregelen zal uitvoeren; de vergunninghouder voert het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde plan uit. Artikel1.2.8Overige voorschriften Gedeputeerde Staten verbinden aan de vergunning tenminste de volgende voorschriften: luchtreinigingsinstallaties dienen geschikt en toereikend gedimensioneerd te zijn; de installatie dient te worden bedreven door een daartoe vakbekwaampersoon; de mestbewerkingsinstallatie dient planmatig te worden onderhouden en de inrichting dient schoon te worden gehouden; het proces dient zodanig te worden ingericht dat stofemissies in situaties waarin het systeem geheel of gedeeltelijk buiten werking is tot een uiterst minimum worden beperkt. Artikel1.2.9Metingen en monitoring Gedeputeerde Staten verbinden aan de vergunning tenminste de volgende voorschriften: een luchtreinigingsinstallatie moet uitgerust zijn met een elektronisch monitoringssysteem; indien technisch mogelijk worden de resultaten van de elektronische monitoring real time online beschikbaar gesteld aan Gedeputeerde Staten; de vergunninghouder bewaart de geregistreerde waarden van de bemeten parameters gedurende tenminste vijf jaar binnen de inrichting en stelt deze op verzoek beschikbaar aan Gedeputeerde Staten; binnen drie maanden na het in bedrijf nemen van een mestbewerkingsinstallatie legt de vergunninghouder een rapportage van de gekanaliseerde emissies van totaal stof, gemeten onder representatieve condities, ter goedkeuring voor aan Gedeputeerde Staten; de vergunninghouder voert periodieke stofmetingen uit overeenkomstig de artikelen 5.31, 5.32, 5.35 en 5.36 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel1.2.10Actualiseren vergunning voor bestaande activiteiten In gevallen waarin een vergunning voor bestaande activiteiten is verleend, vragen Gedeputeerde Staten binnen vijf jaar na het verlenen van de vergunning voor de mestbewerkingsinstallatie informatie op bij de vergunninghouder over de vergunde mestbewerkingsinstallatie ter invulling van de informatieplicht, bedoeld in artikel 1.2.7. Artikel1.2.11Vaststelling aanvaardbare emissie bij bestaande activiteiten 1.Indien het door Gedeputeerde Staten op basis van deze paragraaf te nemen besluit uitsluitend betrekking heeft op bestaande activiteiten, stellen zij de norm voor emissies van totaal stof vast op ten hoogste de bestaande emissie. 2.In gevallen waarin de bestaande emissie van totaal stof hoger is dan 5 mg/Nm³, nemen Gedeputeerde Staten in de vergunningvoorschriften de verplichting op dat vergunninghouder een saneringsplan opstelt en ter goedkeuring over legt aan Gedeputeerde Staten. 3.Gedeputeerde Staten bepalen bij de goedkeuring van het saneringsplan, bedoeld in het tweede lid, binnen welke termijn de emissie van totaal stof, met inachtneming van het saneringsplan, zo dicht mogelijk bij 0 mg/Nm³, maar in ieder geval onder de 5 mg/Nm³ moet worden gebracht. 4.Onverminderd het eerste en tweede lid, leggen Gedeputeerde Staten een verplichting op als bedoeld in artikel 1.2.7. 5.Op de in het eerste lid bedoelde installaties is artikel 1.2.5 niet van toepassing. Artikel1.2.12Vaststelling aanvaardbare emissie bij bestaande en nieuwe activiteiten 1.Indien het door Gedeputeerde Staten te nemen besluit zowel betrekking heeft op bestaande activiteiten als op nieuwe activiteiten zijn de artikelen 1.2.4 tot en met 1.2.9 van toepassing bij de beoordeling van zowel de bestaande als de nieuwe activiteiten. 2.In afwijking van het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat emissies van bestaande activiteiten worden beoordeeld op grond van artikel 1.2.11 indien zwaarwegende belangen daartoe naar het oordeel van Gedeputeerde Staten aanleiding geven. 3.Bij het beoordelen van de in het tweede lid bedoelde zwaarwegende belangen, kennen Gedeputeerde Staten in ieder geval gewicht toe aan locatie specifieke omstandigheden. Hoofdstuk2Gebiedsbescherming Paragraaf2.1Natura 2000-activiteit Artikel2.1.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: Actieplan Ammoniak Veehouderij: landelijk gedoogbeleid voor stoppende veehouderijen die op 1 januari 2020 niet voldeden aan de maximale emissiewaarden uit het Besluit emissiearme huisvesting; AERIUS Calculator: rekenmodel als bedoeld in artikel 2.1.3; AERIUS Register: register stikstofdepositieruimte als bedoeld in hoofdstuk 17a van de Omgevingsregeling; doelgebonden depositiebank: subcompartiment in AERIUS Register, gericht op het aan projecten kunnen toedelen van in deze bank aanwezige stikstofdepositieruimte voor een bepaald doel; extern salderen: salderen met een of meer activiteiten buiten de begrenzing van een project of locatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning; Habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992, inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206); microdepositie: door een project veroorzaakte N-depositie van ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar die overeenkomstig artikel 17a.5, vierde lid van de Omgevingsregeling kan worden opgenomen in AERIUS Register en kan worden bestemd voor de doelen, genoemd in artikel 17a.10 van de Omgevingsregeling; microdepositiebank: compartiment in AERIUS Register, gericht op het toedelen van aanwezige stikstofdepositieruimte van ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar als bedoeld in de artikelen 17a.5, vierde lid, en 17a.10 van de Omgevingsregeling; natuurtoestemming: onherroepelijke omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van de Omgevingswet; onherroepelijke omgevingsvergunning of geldende melding voor een milieubelastende activiteit; activiteit waarvoor voor 1 januari 2024 geen natuurvergunningplicht was opgenomen, maar die wel voldeed aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; activiteit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wet natuurbescherming; of activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die niet is vervallen of geëxpireerd; natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Omgevingswet al dan niet op basis van advies en instemming met het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, aanhef en onder e jo art. derde lid, jo. artikel 4.25, derde lid, Omgevingsbesluit; N-depositie: stikstofverbindingen die uit de lucht neerslaan op een oppervlakte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar; N-emissie: stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht; provinciale stikstofbank: compartiment in AERIUS Register, bedoeld in artikel 17a.2, vijfde lid jo. artikel 17a.3, onder h van de Omgevingsregeling; referentiesituatie: natuurtoestemming als bedoeld in het begrip natuurtoestemming, onder 1˚, 3˚en 4˚, of bij het ontbreken daarvan een op de Europese referentiedatum aanwezige natuurtoestemming als bedoeld in het begrip natuurtoestemming, onder 2˚ en 5˚, waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt; relevant hexagoon: hexagoon waarbinnen een voor stikstof gevoelig natuurlijk habitat of habitat voor soorten voorkomt, en waarbij tevens sprake is van een overbelasting of een naderende overbelasting van N-depositie vanaf 70 mol stikstof per hectare per jaar onder de kritische depositiewaarde; salderen: inzetten van een activiteit met N-emissie op grond van een natuurtoestemming in de referentiesituatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een nieuw of gewijzigd project, waarbij deze natuurtoestemming geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken of gewijzigd zodat de N-depositie op alle relevante hexagonen niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie; saldogevende activiteit: natuurtoestemming die, in geval van extern salderen, wordt ingetrokken of, in geval van verleasen, tijdelijk buiten gebruik wordt gesteld ten gunste van de saldo-ontvangende activiteit; saldo-ontvangende activiteit: aangevraagde activiteit waarbij gebruik wordt gemaakt van extern salderen; SSRS-bank: stikstofregistratiesysteem, opgenomen als compartiment binnen AERIUS Register, dat beschikbaar is voor projecten als bedoeld in artikel 17a.6, eerste lid, van de Omgevingsregeling; stikstofdepositieruimte: vrijgemaakte of vrijgevallen stikstofruimte ten behoeve van saldering, waaronder de ruimte die is opgenomen in AERIUS Register, als bedoeld in artikel 17a.2, derde lid van de Omgevingsregeling; veehouderij: milieubelastende activiteit, als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingsverordening Noord-Brabant; verleasen: extern salderen waarbij de feitelijk gerealiseerde capaciteit van de saldogevende activiteit tijdelijk geheel of gedeeltelijk aantoonbaar buiten gebruik wordt gesteld, ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een tijdelijke depositie gedurende een beperkte vooraf afgebakende periode; Vogelrichtlijn: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009, inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 207); vrijgemaakte depositieruimte: ruimte voor N-depositie die voldoet aan de voorwaarden voor extern salderen, bedoeld in artikel 2.1.5, eerste tot en met vijfde en zevende tot en met elfde lid, die afkomstig is uit mitigerende maatregelen die specifiek zijn getroffen voor het mogelijk maken van ontwikkelingen; vrijgevallen depositieruimte: ruimte voor N-depositie die resteert nadat een bevoegd gezag een natuurvergunning heeft verleend. Artikel2.1.2Toepassingsbereik Gedeputeerde Staten hanteren deze paragraaf bij het beoordelen van een aanvraag om een natuurvergunning waarbij gebruik is gemaakt van salderen voor projecten die een effect kunnen hebben op N-depositie op relevante hexagonen in Natura 2000-gebieden en het daarvoor in te stellen instrumentarium. Artikel2.1.3Rekenmodel Gedeputeerde Staten gaan bij de beoordeling van de N-depositie uit van de op het moment van beslissing op de aanvraag voor de natuurvergunning meest recente versie van de AERIUS Calculator. Artikel2.1.4Extern salderen 1.Er bestaat een directe samenhang tussen de intrekking van de natuurtoestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de saldo-ontvangende activiteit. 2.De saldogevende activiteit voldoet tot het moment van intrekking of wijziging van de natuurtoestemming van de saldogever of tot het moment van het sluiten van een overeenkomst tussen de saldogever en de saldo-ontvanger met het oog op de saldo-ontvangende activiteit aan de volgende eisen: de natuurtoestemming voor de activiteit is sinds de referentiesituatie onafgebroken aanwezig geweest; en de activiteit wordt nog steeds uitgevoerd, dan wel hervatting is mogelijk zonder nieuwe natuurtoestemming en zonder nieuwe omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Omgevingswet. 3.Gedeputeerde Staten betrekken een natuurtoestemming die niet kan worden ingetrokken door hen uitsluitend bij de beoordeling van de aanvraag, indien de feitelijke uitvoering van de activiteit wordt beëindigd voordat deze activiteit wordt ingezet voor salderen. 4.Gedeputeerde Staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor extern salderen uitsluitend de N-emissie van de saldogevende activiteit voor zover intrekking van de daaraan ten grondslag liggende natuurtoestemming niet noodzakelijk is in verband met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. 5.Gedeputeerde Staten laten bij de beoordeling van een aanvraag de N-emissie van een saldogevende activiteit in de volgende gevallen buiten beschouwing: de N-emissie van dat deel van het bedrijf dat deelneemt aan: één van de in artikel 17a.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling genoemde regelingen; of het Actieplan Ammoniak Veehouderij; de N-emissie van een saldogevende activiteit die wordt verricht op een voormalige veehouderijlocatie die is gesloten met gebruikmaking van een van de volgende regelingen: Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie; Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting; Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting; Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties kleinere sectoren. 6.Gedeputeerde Staten ontvangen van het voornemen tot extern salderen van de saldo-ontvanger voorafgaand aan de aanvraag een melding met de gegevens van de saldo-ontvangende activiteit en saldogevende activiteit. 7.Bij het beoordelen van een aanvraag hanteren Gedeputeerde Staten als uitgangspunt dat alleen gebruik wordt gemaakt van de in de natuurtoestemming opgenomen N-emissie in de referentiesituatie, voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. 8.Bij de beoordeling van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, bedoeld in het zevende lid, gaan Gedeputeerde Staten uit van de op het moment van intrekking of wijziging van de natuurtoestemming of het sluiten van een overeenkomst op grond van een natuurtoestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit. 9.Gedeputeerde Staten verlenen een natuurvergunning eerst nadat de niet-gerealiseerde capaciteit van de saldogever op diens verzoek is ingetrokken. 10.Gedeputeerde Staten gaan bij het berekenen van de N-emissie van het saldogevende bedrijf in de referentiesituatie op basis van feitelijk gerealiseerde capaciteit uit van: ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van bijlage 6 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant per huisvestingssysteem van een veehouderij dan wel gemiddeld op bedrijfslocatieniveau; in afwijking van onderdeel a, geldt tot 1 juli 2024 ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van artikel 4.818, 4.819 en 4.820 Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij sprake is van een uitzondering genoemd in artikel 4.806 of 4.807 Besluit activiteiten leefomgeving of indien het overgangsrecht zoals aangegeven in artikel 4.831, 4.832 en 4.833 Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is, indien: een bedrijf in één keer volledig stopt; dit blijkt uit een besluit dat vóór deze datum is genomen op een compleet verzoek om de natuurtoestemming voor de gehele veehouderij in te trekken; en maximaal 15% van de totale ammoniakemissies uit de betrokken dierenverblijven kan worden behouden op dezelfde bedrijfslocatie. in afwijking van onderdeel b, geldt voor de diercategorieën HA1, HA2 en HA3, bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling, de datum 1 januari 2026 in plaats van 1 juli 2024; 11.Bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit, waarop de maatwerkregels, bedoeld in artikel 3.98 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant van toepassing zijn, gaan Gedeputeerde Staten uit van de emissie die ten hoogste is toegestaan op grond van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; 12.Bij de verlening van een natuurvergunning betrekken Gedeputeerde Staten 60% van de N-depositie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, zoals bedoeld in het zevende en achtste lid, van de saldogevende activiteit. 13.Indien de N-emissie in de referentiesituatie van de betreffende saldogever, bedoeld in het tweede en tiende lid, lager is dan de N-emissie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, betrekken Gedeputeerde Staten, in afwijking van het twaalfde lid, van deze lagere N-emissie 60% bij de verlening van een natuurvergunning. 14.In afwijking van het twaalfde en dertiende lid kan tot 100% van de N-depositie van de saldogevende activiteit bij de verlening van een natuurvergunning betrokken worden, indien het project noodzakelijk is ten behoeve van de realisatie van de doelen in een Natura 2000-gebied. Artikel2.1.5Verleasen 1.Artikel 2.1.4 is van overeenkomstige toepassing op verleasen, met uitzondering van het eerste, derde en negende lid. 2.Gedeputeerde Staten kunnen voor tijdelijke N-deposities van ten hoogste twee jaar een natuurvergunning verlenen met gebruikmaking van verleasen. 3.Gedeputeerde Staten kunnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen indien zij dat voor het project noodzakelijk achten. 4.Er bestaat een directe samenhang tussen de tijdelijke buitengebruikstelling van de natuurtoestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit. 5.Gedeputeerde Staten beoordelen een aanvraag, waarbij gebruik wordt gemaakt van verleasen, op basis van een afschrift van een getekende overeenkomst tussen saldogever en saldo-ontvanger waarin: de tijdelijke buitengebruikstelling van de saldogevende activiteit wordt gewaarborgd gedurende de looptijd van de natuurvergunning voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit; en saldogever verklaart in te stemmen met een tijdelijke beperking van zijn toestemming. 6.Gedeputeerde Staten nemen in de natuurvergunning de volgende voorschriften op: de saldo-ontvangende activiteit mag slechts plaatsvinden binnen de looptijd van de natuurvergunning; de saldo-ontvanger dient bij Gedeputeerde Staten een startmelding en gereedmelding te doen; de natuurvergunning van de saldo-ontvanger mag niet eerder in gebruik worden genomen dan nadat de saldo-ontvanger bij het bevoegd gezag heeft gemeld dat de saldogevende activiteit is gestaakt. Artikel2.1.6Plannen 1.Indien reeds is gesaldeerd voor een plan als bedoeld in artikel 16.53c van de Omgevingswet, dan wel als gevolg van het plan activiteiten met N-emissie(
  2. s)worden beëindigd, kunnen Gedeputeerde Staten deze saldering, dan wel dit planeffect, tevens inzetten voor een aanvraag voor een natuurvergunning ter invulling van dat plan. 2.De voorwaarden, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende en achtste lid, zijn niet van toepassing voor zover deze betrekking hebben op het onafgebroken aanwezig zijn van de activiteit, bedoeld in artikel 2.1.4, tweede lid. Artikel2.1.7Realisatietermijn Gedeputeerde Staten nemen in een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit het voorschrift op dat de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is verleend, binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de natuurvergunning moet zijn gerealiseerd. Artikel2.1.8SSRS-bank 1.Gedeputeerde Staten reserveren in de SSRS-bank stikstofdepositieruimte als bedoeld in artikel 17a.6, eerste lid, onder b, van de Omgevingsregeling als de in dat lid genoemde aanvraag volledig is. 2.In afwijking van het eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op aanvragen voor zover bij dat deel van die aanvraag een beroep wordt gedaan op stikstofdepositieruimte uit de SSRS-bank. Artikel2.1.9Microdepositiebank 1.Gedeputeerde Staten delen in een natuurvergunning alleen stikstofdepositieruimte uit de microdepositiebank toe indien de boven de microdeposities benodigde ruimte op een andere wijze wordt vergund. 2.Gedeputeerde Staten vullen aan het begin van ieder kwartaal de microdepositiebank met vrijgevallen stikstofdepositieruimte en kunnen deze op dat moment aanvullen met vrijgemaakte stikstofdepositieruimte. 3.Gedeputeerde Staten reserveren stikstofdepositieruimte in de microdepositiebank op volgorde van binnenkomst van een volledige aanvraag voor zover alle daarvoor benodigde stikstofdepositieruimte in de microdepositiebank beschikbaar is. 4.De beschikbare stikstofdepositieruimte: neemt af door het reserveren en toedelen van stikstofdepositieruimte aan projecten; neemt toe door de vulling, bedoeld in het tweede lid. 5.Op verzoek van een aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten een volledige aanvraag waarvoor geen stikstofdepositieruimte beschikbaar is eenmalig voor ten hoogste drie maanden aanhouden om gebruik te maken van de microdepositiebank. 6.Gedeputeerde Staten delen geen stikstofdepositieruimte toe aan legalisatie van projecten waarvoor een meldingsplicht gold op grond van artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof zoals dat luidde tot 1 januari 2017 of artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming zoals dat luidde op 28 mei 2019 en waarvoor een melding is gedaan. Artikel2.1.10Doelgebonden depositiebank 1.Binnen de provinciale stikstofbank kunnen Gedeputeerde Staten, al dan niet in samenwerking met andere bevoegde gezagen, doelgebonden depositiebanken aanmaken binnen hun compartiment in AERIUS Register. 2.De vulling van een doelgebonden depositiebank bestaat uit vrijgemaakte stikstofdepositieruimte. 3.Stikstofdepositieruimte uit een doelgebonden depositiebank is uitsluitend beschikbaar voor projecten gerelateerd aan het doel waarvoor deze is opgericht. Paragraaf 2.2 Beperken latente ruimte bij industriële bedrijven Artikel 2.2.1 Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: EG-verordening PRTR: Verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad; natuurtoestemming: onherroepelijke omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van de Omgevingswet; onherroepelijke omgevingsvergunning of geldende melding voor een milieubelastende activiteit; activiteit waarvoor voor 1 januari 2024 geen natuurvergunningplicht was opgenomen, maar die wel voldeed aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; activiteit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wet natuurbescherming; of activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die niet is vervallen of geëxpireerd; latente ruimte: dat deel van de toegestane N-emissie in de onherroepelijke natuurtoestemming dat, blijkens de meest recente opgave in het elektronisch milieujaarverslag, de afgelopen vijf jaar niet benut is of is geweest, met uitzondering van de toegestane N-emissie die benodigd is om te voldoen aan wettelijke afname- en leveringsverplichtingen; N-emissie: stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht uitgedrukt in N kg/jaar. Artikel 2.2.2 Toepassingsbereik Gedeputeerde Staten passen deze paragraaf toe bij het beperken van latente ruimte bij bedrijven die op grond van Bijlage 1 van de EG-verordening PRTR verplicht zijn een milieujaarverslag in te dienen, met uitzondering van bedrijven met installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij als bedoeld in nummer 7, onder a, van die bijlage. Artikel 2.2.3 Prioritering 1. Gedeputeerde Staten geven bij het beperken van latente ruimte prioriteit aan bedrijven die, blijkens hun opgave in het milieujaarverslag, bedoeld in artikel 2.2.2: gemiddeld over een periode van de afgelopen vijf jaar, de hoogste N-emissie veroorzaken; en over de grootste latente ruimte beschikken. 2. Gedeputeerde Staten beoordelen periodiek of bij een bedrijf latente ruimte aanwezig is die kan worden beperkt. 3. In afwijking van het eerste lid geven Gedeputeerde Staten prioriteit aan de uitvoering van gerechtelijke uitspraken. Artikel 2.2.4 Beoordeling 1. Gedeputeerde Staten houden bij het bepalen van de omvang van de te beperken latente ruimte rekening met concrete plannen van een bedrijf, waaronder in ieder geval verstaan wordt deelname aan verduurzamingstrajecten en uitbreidingsplannen. 2. Gedeputeerde Staten beperken de latente ruimte met inachtneming van deze beleidsregel door: het beperken van de toegestane N-emissie in de natuurtoestemming; het opleggen van maatwerkvoorschriften. Artikel 2.2.5 Procedure 1. Gedeputeerde Staten starten de procedure omtrent het beperken van latente ruimte door middel van een schriftelijke mededeling aan het bedrijf. 2. Gedeputeerde Staten verzoeken het bedrijf de latente ruimte in beeld te brengen. 3. Gedeputeerde Staten streven ernaar in minnelijk overleg met het bedrijf overeenstemming te bereiken omtrent de omvang van de te beperken latente ruimte. 4. Gedeputeerde Staten leggen, ongeacht of met het bedrijf overeenstemming is bereikt, binnen een jaar na verzending van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, een ontwerp besluit als bedoeld in artikel 3.11 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage waarmee de latente ruimte wordt beperkt. Paragraaf 2.3 Beperken latente ruimte bij veehouderijen Artikel2.3.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: landbouwhuisdieren: landbouwhuisdieren als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit activiteiten leefomgeving; latente ruimte: dat deel van de toegestane N-emissie in de onherroepelijke natuurtoestemming dat niet benut is of is geweest; natuurtoestemming: onherroepelijke omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van de Omgevingswet; onherroepelijke omgevingsvergunning of geldende melding voor een milieubelastende activiteit; activiteit waarvoor voor 1 januari 2024 geen natuurvergunningplicht was opgenomen, maar die wel voldeed aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; activiteit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wet natuurbescherming; of activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die niet is vervallen of geëxpireerd; N-emissie: stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht uitgedrukt in N kg/jaar. Artikel2.3.2Toepassingsbereik Gedeputeerde Staten passen deze paragraaf toe bij het beperken van latente ruimte bij veehouderijen ten aanzien van: een locatie waar gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar of langer bedrijfsmatig geen landbouwhuisdieren zijn gehouden; een dierenverblijf dat niet is opgericht en waarvan de daarvoor verleende natuurtoestemming drie jaar of langer geleden onherroepelijk is geworden. Artikel2.3.3Prioritering 1.Gedeputeerde Staten geven bij het beperken van latente ruimte prioriteit aan veehouderijen die bij ingebruikname van de latente ruimte de hoogste N-emissie zouden veroorzaken. 2.Gedeputeerde Staten beoordelen periodiek of bij een veehouderij latente ruimte aanwezig is die kan worden beperkt. Artikel2.3.4Beoordeling 1.Gedeputeerde Staten beperken de latente ruimte met inachtneming van deze beleidsregel door het geheel of gedeeltelijk intrekken van de natuurtoestemming. 2.Gedeputeerde Staten toetsen bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit ambtshalve of de N-emissie van een veehouderij de afgelopen 3 jaar niet benut is of is geweest. Artikel2.3.5Restemissie bij passende hergebruiksfunctie 1.Gedeputeerde Staten kunnen, indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.3.2, onder a, op verzoek een restemissie toestaan voor een passende hergebruiksfunctie. 2.Gedeputeerde Staten beoordelen een verzoek op basis van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit die binnen drie maanden na verzending van de schriftelijke mededeling, bedoeld in artikel 2.3.6, eerste lid, is ingediend. 3.Gedeputeerde Staten kennen geen restemissie toe indien de aanvraag betrekking heeft op het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren. 4.De toegestane restemissie bedraagt maximaal 15% van de toegestane N-emissie in de natuurtoestemming. Artikel2.3.6Procedure 1.Gedeputeerde Staten starten de procedure omtrent het beperken van latente ruimte door middel van een schriftelijke mededeling aan de veehouderij. 2.Gedeputeerde Staten leggen binnen zes maanden na verzending van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 3.11 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage waarmee de latente ruimte wordt beperkt. 3.Indien een veehouderij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een nieuwe Natura 2000-activiteit indient, nemen Gedeputeerde Staten het besluit op die aanvraag gelijktijdig met het besluit tot intrekking van de resterende latente ruimte. Hoofdstuk3Soortenbescherming Paragraaf3.1Tijdelijke Natuur Artikel3.1.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: beschermde soorten: soorten waarvoor een verbod geldt om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten als bedoeld in de artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving; Tijdelijke Natuur: natuur die voor een beperkt aantal jaren ontwikkeld wordt op gronden die wachten op realisatie van bestemmingen zoals bedrijvigheid of wonen. Artikel3.1.2Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving met betrekking tot Tijdelijke Natuur. Artikel3.1.3Voorwaarden Tijdelijke Natuur Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling of er sprake is van Tijdelijke Natuur de volgende voorwaarden: de uiteindelijke bestemming van het terrein ligt vast, dan wel de bestemming ervan is duidelijk; die bestemming is nog niet gerealiseerd; die bestemming is in de regel niet natuur; er spontane, of op beperkte schaal geleide, natuurontwikkeling plaatsvindt tussen het moment dat vooraf ontheffing is verleend voor het ruimen van de beschermde soorten die zich mogelijk in het gebied zullen vestigen en het moment van daadwerkelijke realisatie van de uiteindelijke bestemming; de natuur minimaal één jaar de tijd krijgt om zich te ontwikkelen; en aan noodzakelijke compensatievoorwaarden is voldaan of juridisch afdoende is vastgelegd hoe dat zal gebeuren. Artikel3.1.4Aanvrager Gedeputeerde Staten passen deze paragraaf toe op aanvragen voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.2 ingediend door: een individuele grondeigenaar; een groep van grondeigenaren. Artikel3.1.5Beoordelingskader Gedeputeerde Staten beoordelen een aanvraag als bedoeld in artikel 3.1.2 aan de hand van: een deugdelijke inventarisatie van de reeds in het gebied voorkomende beschermde soorten; een garantie, dat aanvrager aan alle wettelijke verplichtingen betreffende die reeds aanwezige beschermde soorten zal voldoen, alsmede de concrete invulling hiervan inzichtelijk maakt. Artikel3.1.6Looptijd 1.Gedeputeerde Staten verlenen de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.1.2, voor een looptijd van maximaal tien jaar. 2.De looptijd, bedoeld in het eerste lid, kan worden verlengd met maximaal tien jaar. Artikel3.1.7Voorwaarden verlenging 1.Gedeputeerde Staten nemen een aanvraag voor verlenging van de looptijd, bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, in behandeling indien deze uiterlijk 14 weken voor het aflopen van de looptijd is ingediend. 2.Gedeputeerde Staten beoordelen de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, op basis van een inventarisatie en monitoringsverslag van aanwezige soorten, die gedurende het jaar voorafgaand aan deze aanvraag, is uitgevoerd. Artikel3.1.8Voorschriften en beperkingen Gedeputeerde Staten verbinden aan de omgevingsvergunning Tijdelijke Natuur in ieder geval de volgende voorschriften: de realisatie van de uiteindelijke bestemming van het terrein en het ongedaan maken van de Tijdelijke Natuur, waarvoor een vergunning is verleend, dient op zorgvuldige wijze plaats te vinden, zodanig dat schade aan planten en dieren redelijkerwijs zoveel mogelijk wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt; het ongedaan maken van de Tijdelijke Natuur vindt plaats onder begeleiding van een deskundig ecoloog op het gebied van de soorten die zijn aangetroffen; recreatie is toegestaan in het gebied waar de vergunning betrekking op heeft, maar dit gebruik mag de biodiversiteit, en de ontwikkeling daarvan, niet in de weg staan. Paragraaf3.2Opvang van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten Artikel3.2.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: opvangcentrum: een rechtspersoon waartoe één of meer opvanginrichtingen behoren; opvanginrichting: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes, bestemd voor het ten behoeve van opvang houden van gewonde, zieke, gevonden of afgestane beschermde diersoorten die van nature in Nederland voorkomen; van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort: soort waarvoor een verbod geldt om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten als bedoeld in de artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel3.2.2Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, onder a, 11.39, eerste lid, 11.46, eerste lid, onder a, 11.47, eerste lid, onder b, en art. 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in art. 11.61 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel3.2.3Beoordelingskader Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.2.2 wordt slechts verleend indien: het opvangcentrum van een vereniging of stichting is; de doelstelling in de statuten van de stichting of de vereniging waarvan het opvangcentrum is, overeenkomt met de doelstelling, opgenomen in artikel 2 van bijlage 3 bij deze beleidsregel; het opvangcentrum beschikt over een vakbekwaam dierverzorger; het opvangcentrum een register voert overeenkomstig artikel 4.9 van het Besluit houders van dieren. Artikel3.2.4Voorschrift Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.2.2 wordt het handelen overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in bijlage 3 bij deze beleidsregel, als voorschrift verbonden. Artikel3.2.5Looptijd verleende ontheffingen 1.Aan opvangcentra voor de opvang van dieren verleende ontheffingen voor bepaalde tijd, op grond van de Wet natuurbescherming en de Wet Dieren, blijven van toepassing voor de periode waarvoor de ontheffing geldt. 2.Aan opvangcentra voor de opvang van dieren verleende ontheffingen voor onbepaalde tijd, op grond van de Wet natuurbescherming en de Wet Dieren, blijven van toepassing tot 1 januari 2026. Paragraaf3.3Faunabeheer Artikel3.3.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: faunabeheereenheid: faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 8.1van de Omgevingswet; faunabeheerplan: faunabeheerplan als bedoeld in artikel 8.1van de Omgevingswet; oppervlaktewater: oppervlaktewater met een minimale oppervlakte van 5 hectare; wildbeheereenheden: wildbeheereenheden als bedoeld in artikel 8.2 van de Omgevingswet. Artikel3.3.2Omgevingsvergunning overlast- of schadeveroorzakende soorten Vogelrichtlijn Gedeputeerde Staten verlenen, met het oog op de bestrijding van overlast- of schadeveroorzakende vogels, een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als, bedoeld in de artikelen 11.37, eerste lid, onder a, 11.39 eerste lid, en 11.40, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, mits wordt voldaan aan de afwegingskaders en voorwaarden voor de soorten opgenomen in bijlage 4 bij deze beleidsregel. Artikel3.3.3Omgevingsvergunning overlast- of schadeveroorzakende soorten Habitatrichtlijn Gedeputeerde Staten verlenen, met het oog op de bestrijding van overlast- of schadeveroorzakende strikt beschermde soorten, een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, onder a, 11.47 eerste lid, onder b, en 11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, mits wordt voldaan aan de afwegingskaders en voorwaarden voor de soorten opgenomen in bijlage 5 bij deze beleidsregel. Artikel3.3.4Omgevingsvergunning overlast- of schadeveroorzakende andere soorten Gedeputeerde Staten verlenen, met het oog op de bestrijding van overlast- of schadeveroorzakende nationaal beschermde soorten, een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving, mits wordt voldaan aan de afwegingskaders en voorwaarden voor de soorten opgenomen in bijlage 6 bij deze beleidsregel. Artikel3.3.5Omgevingsvergunning voor populatiebeheer Gedeputeerde Staten verlenen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het beperken van de omvang van een populatie als bedoeld in de artikelen 8.74j, tweede lid, 8.74k, tweede lid, en 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving mits wordt voldaan aan de afwegingskaders en voorwaarden voor de soorten opgenomen in bijlagen 4,5 en 6 bij deze beleidsregel. Artikel3.3.6Loketfunctie faunabeheereenheid 1.Gedeputeerde Staten verlenen een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 3.3.2 tot en met 3.3.5, in principe aan de faunabeheereenheid. 2.Gedeputeerde Staten achten de noodzaak voor de tussenkomst van de faunabeheereenheid, bedoeld in het eerste lid, voor het verrichten van handelingen in ieder geval niet aanwezig, in de volgende gevallen: voor schade- of overlastbestrijding binnen de bebouwde kom of binnen gebouwen; voor de bestrijding van overige schade, niet zijnde schade aan gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren; voor onderzoek en onderwijs; voor de opvang van inheemse dieren. Artikel3.3.7Voorbereidingsprocedure Gedeputeerde Staten passen bij de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 3.3.2 tot en met 3.3.5, de volgende procedure toe: de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, bij een aanvraag van de faunabeheereenheid, als bedoeld in artikel 3.3.6, eerste lid; de reguliere voorbereidingsprocedure, bedoeld in artikel 16.62 van de wet, bij een aanvraag als bedoeld in artikel 3.3.6, tweede lid. Gedeputeerde Staten beslissen binnen een termijn van twintig dagen. Artikel3.3.8Voorschrift omgevingsvergunning in verband met sluiting jacht Gedeputeerde Staten verbinden aan de te verlenen omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 3.3.2 tot en met 3.3.5 het voorschrift dat bij sluiting van de jacht tegelijk de omgevingsvergunning kan worden opgeschort voor die soorten waarvan zij van mening zijn dat de instandhouding in gevaar is als gevolg van de bijzondere weersomstandigheden. Artikel3.3.9Goedkeuring faunabeheerplan Gedeputeerde Staten verlenen goedkeuring aan het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de Omgevingswet mits het plan voldoet aan: de eisen gesteld in het Omgevingsbesluit; de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel3.3.10Sluiting van de jacht bij winterse omstandigheden 1.Gedeputeerde Staten besluiten tot sluiting van de jacht op: alle wildsoorten indien sprake is van: sneeuwbedekking voor meer dan 90%, langer dan eenentwintig dagen; bevroren sneeuw voor meer dan 90%, langer dan zeven dagen; ijzel op sneeuw voor meer dan 90%, langer dan zeven dagen; de wilde eend indien sprake is van ijsbedekking op open water, rivieren, sloten en kanalen, voor meer dan 50% en langer dan zeven dagen. 2.Onverminderd het eerste lid, kunnen Gedeputeerde Staten ook andere omstandigheden, zoals de aanwezigheid en bereikbaarheid van voedsel bij haar besluit betrekken. 3.Gedeputeerde Staten sluiten de jacht, bedoeld in het eerste lid, voor de gehele provincie of een deel daarvan en sluiten daarbij zoveel mogelijk aan bij de grenzen van de wildbeheereenheden. 4.Gedeputeerde Staten nemen in het besluit, bedoeld in het eerste lid, op of er nog gebruik kan worden gemaakt van de provinciale vrijstellingen of verleende omgevingsvergunningen voor beheer en schadebestrijding. 5.Voordat Gedeputeerde Staten een besluit als bedoeld in het eerste lid nemen, wordt advies gevraagd aan de faunabeheereenheid en eventueel andere, onafhankelijke, instanties. Artikel3.3.11Sluiting van de jacht bij langdurige warmte 1.Gedeputeerde Staten besluiten tot sluiting van de jacht indien de luchttemperatuur voor ten minste meer dan zeven achtereenvolgende dagen elke dag 25 graden of hoger is. 2.Gedeputeerde Staten sluiten de jacht, bedoeld in het eerste lid, alleen in delen van de provincie waar het risico op optreden of verspreiden van botulisme hoog is vanwege hoge temperaturen van het oppervlaktewater van 20 graden of warmer. 3.Gedeputeerde Staten nemen in het besluit, bedoeld in het eerste lid, op of er nog gebruik kan worden gemaakt van de provinciale vrijstellingen of verleende omgevingsvergunningen voor beheer en schadebestrijding. 4.Voordat Gedeputeerde Staten een besluit als bedoeld in het eerste lid nemen, wordt advies gevraagd aan de faunabeheereenheid en eventueel andere, onafhankelijke, instanties. Artikel3.3.12Intrekking beluit sluiting jacht 1.Gedeputeerde Staten kunnen het besluit tot sluiting van de jacht intrekken. 2.Gedeputeerde Staten vragen voordat zij een besluit als bedoeld in het eerste lid nemen, advies aan de faunabeheereenheid en eventueel andere, onafhankelijke, instanties. Hoofdstuk4Houtopstanden Paragraaf4.1Herbeplanting en velling Artikel4.1.1Omrekenfactor herbeplanting Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling van herbeplanting als bedoeld in artikel 3.93, onder a, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, als omrekenfactor van vlakbeplanting naar lijnbeplanting en omgekeerd, de norm dat 1 boom 64 m2 is. Artikel4.1.2Ontheffing vellingstermijn Gedeputeerde Staten verlenen ontheffing van de termijn, bedoeld in artikel 3.95 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, indien: sprake is van omstandigheden die gelet op veiligheid of gezondheid een spoedige velling van een houtopstand noodzakelijk maken; door natuurlijke omstandigheden, de velling niet binnen de vellingstermijn kon plaats vinden. Artikel4.1.3Opleggen kapverbod 1.Gedeputeerde Staten leggen een kapverbod als bedoeld in artikel 11.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in ieder geval op indien: de velling een bijzonder grote, aaneengesloten oppervlakte heeft; het een velling betreft van zeer oude bomen; door de velling de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onderdeel a, onder 2°, van de Omgevingswet, voor dat gebied negatief beïnvloed kunnen worden. Hoofdstuk5Ontgrondingen Paragraaf5.1Functionele ontgrondingen Artikel5.1.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: functionele ontgronding: ontgronding die gekoppeld is aan de realisering van een maatschappelijk gewenste functie waarbij delfstoffenwinning geen doel op zich is. Hierbij worden alleen delfstoffen gewonnen worden die nodig zijn voor het realiseren van de functie, als essentieel onderdeel van een verbetering van de omgevingskwaliteit. Artikel5.1.2Toepassingsbereik Gedeputeerde Staten passen bijlage 7 bij deze beleidsregel toe bij aanvragen voor een vergunning voor een functionele ontgronding. Paragraaf5.2Multifunctionele ontgrondingen Artikel5.2.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: multifunctionele ontgronding: ontgronding waarbij naast de winning van bouwgrondstoffen de ontgronding een meervoudige maatschappelijke functie heeft; vergunning: vergunning voor een ontgronding op grond van de Omgevingswet; waterconservering: opslag van water van goede kwaliteit tijdens natte periodes teneinde in droge periodes de inlaat van gebiedsvreemd water te kunnen verminderen. Artikel5.2.2Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op een multifunctionele ontgronding. Artikel5.2.3Beoordelingskader 1.Gedeputeerde Staten verlenen, verlengen of wijzigen uitsluitend een vergunning indien een multifunctionele ontgronding een voldoende bijdrage levert aan: de bevordering en bescherming van belangen betrokken bij de ontgronding; de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken; en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken. 2.De bijdrage aan de bevordering en bescherming van belangen, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt door Gedeputeerde Staten beoordeeld op uitvoering, inrichting en beheer van de ontgronding ten aanzien van in ieder geval: nut en noodzaak van de ontgronding; behoud, compensatie en toevoeging van omgevingskwaliteit en bescherming en verbetering van het leefmilieu; doelmatig grondstoffenbeheer; bijdrage aan duurzaamheid; en veiligheid van de ontgronding. Artikel5.2.4Nut en noodzaak 1.Gedeputeerde Staten beoordelen of nut en noodzaak van een multifunctionele ontgronding, als bedoeld in artikel 5.2.3., tweede lid, onder a, ten aanzien van doelmatig beheer van de bouwgrondstoffenvoorziening voldoende is gemotiveerd. 2.Gedeputeerde Staten beoordelen de ontgronding op de invulling van twee of meer van de volgende functies: hoogwaterbescherming of waterveiligheid; waterkwaliteitsverbetering; waterconservering; natuurontwikkeling; recreatie en toerisme. 3.Gedeputeerde Staten beoordelen de locatie, omvang en diepte van de multifunctionele ontgronding in samenhang met nut en noodzaak als genoemd in het eerste lid en de invulling van de functies, genoemd in het tweede lid. 4.Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag voor een verlenging of wijziging van een vergunning weigeren of een vergunning intrekken, indien nut en noodzaak van een ontgrondingsactiviteit alleen ziet op winning van oppervlaktedelfstoffen, tenzij de aanvraag voor een verlenging of wijziging van een vergunning vergezeld gaat van een voldoende onderbouwing van doelmatig beheer van grondstoffen als bedoeld in artikel 5.2.3, tweede lid, onder c, of een voldoende bijdrage levert aan duurzaamheid als bedoeld in artikel 5.2.3, tweede lid, onder d. Artikel5.2.5Omgevingskwaliteit en leefmilieu 1.Gedeputeerde Staten beoordelen omgevingskwaliteit en leefmilieu als bedoeld in artikel 5.2.3, tweede lid, onder b, op: behoud van omgevingskwaliteit en bescherming van het leefmilieu; of compensatie van omgevingskwaliteit en leefmilieu; en toevoeging van omgevingskwaliteit en verbetering van het leefmilieu. 2.Onverminderd het eerste lid beoordelen Gedeputeerde Staten de verandering in omgevingskwaliteit en leefmilieu aan de hand van in ieder geval: gebiedskenmerken; natuurwaarden; biodiversiteit; ecologische- en landschapswaarden. Artikel5.2.6Doelmatig beheer van grondstoffen Gedeputeerde Staten beoordelen het doelmatig beheer van grondstoffen als bedoeld in artikel 5.2.3, tweede lid, onder c, op: de hoogwaardigheid van de te winnen oppervlaktedelfstoffen en de toepassing ervan; het duurzaam voorraadbeheer; het zuinig en doelmatig omgaan met bouwgrondstofvoorraden; bijdragen aan de circulariteit van bouwgrondstoffen of grondstoffen. Artikel5.2.7Duurzaamheid Gedeputeerde Staten beoordelen de duurzaamheid als bedoeld in artikel 5.2.3, tweede lid, onder d, tijdens het beheer en inrichting op in ieder geval: de reductie van energiegebruik; energie-efficiency; opwekking van duurzame energie; reductie van de uitstoot van emissies; reductie van stikstof of fijnstof of dat geen toename van stikstof of fijnstof plaatsvindt op de nieuwe bestemming. Artikel5.2.8Veiligheid Gedeputeerde staten beoordelen de veiligheid van een ontgronding als bedoeld in artikel 5.2.3, tweede lid, onder e, op: de uitvoering en eindinrichting van de ontgronding; opslag en afvoer van de bij de ontgronding vrijkomende grond en grondstoffen op of bij de locatie. Hoofdstuk6Water Paragraaf6.1Grondwaterbeheer Artikel6.1.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: attentiezone waterhuishouding: gebied als bedoeld in bijlage I van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; bodemenergiesysteem: open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; bodemverontreiniging: bekende bodem- of grondwaterverontreiniging zoals opgenomen in de toelichting op dit artikel Begripsbepalingen; brak grondwater: water met een concentratie tussen 150 mg/l chloride – 15.000 mg/l chloride; grondwater: grondwater als bedoeld in bijlage A van de Omgevingswet; grondwateronttrekkingsactiviteit: onttrekken of infiltreren van grondwater als bedoeld in bijlage A van de Omgevingswet; peilgestuurd gebied: gebied waar voor oppervlaktewater peilbesluiten zijn vastgesteld en de oppervlaktewaterpeilen actief gereguleerd kunnen worden door middel van wateraanvoer en waterafvoer. Artikel6.1.2Beoordelingskader openbare drinkwatervoorziening of industrie Gedeputeerde Staten beoordelen een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een grondwateronttrekkingsactiviteit ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening of voor industriële toepassingen aan de volgende criteria: uit de aanvraag blijkt dat het gebruik van grondwater noodzakelijk is; de toepassing van het grondwater is voor menselijke consumptie, met dien verstande dat in stedelijk gebied met wateroverlast ook onttrekkingen voor andere doelen dan menselijke consumptie zijn toegestaan; er is onderzocht of het mogelijk is om zo min mogelijk grondwater te onttrekken en de totale vergunningscapaciteit te verminderen; de aanvraag voor de grondwateronttrekkingsactiviteit kan er niet toe leiden dat het totaal beschikbare plafond voor de openbare drinkwatervoorziening en industrie in Noord-Brabant van 250 miljoen m per jaar wordt overschreden; in afwijking van onderdeel d, geldt het plafond van 250 miljoen m3 per jaar niet indien het onttrekking van zoet en brak grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening betreft die plaatsvindt in het peilgestuurde gebied van Noord-Brabant. Artikel6.1.3Intrekking verleende vergunning 1.Gedeputeerde Staten betrekken bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om, op grond van artikel 5.40 van de Omgevingswet, een voor de openbare drinkwatervoorziening of industrie verleende vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken, alle grondwateronttrekkingen in dat gebied. 2.Bij een gedeeltelijke intrekking bepalen Gedeputeerde Staten mede op basis van de beschikbare alternatieven en het maatschappelijk belang van de grondwateronttrekking, per onttrekking of per onttrekkingscategorie: de omvang van de vermindering van de grondwateronttrekking; de termijn waarbinnen de vermindering van de grondwateronttrekking dient plaats te vinden. Artikel6.1.4Beoordelingskader bodemenergiesysteem Gedeputeerde Staten beoordelen een aanvraag om vergunning voor een milieubelastende activiteit ten behoeve van een bodemenergiesysteem aan de volgende criteria: het plaatsen van een bodemenergiesysteem vindt niet dieper plaats dan de diepte die is opgenomen in artikel 3.14 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; het water wordt in hetzelfde watervoerend pakket onttrokken en geretourneerd; het bodemenergiesysteem is niet gelegen in de attentiezone waterhuishouding; indien het bodemenergiesysteem is gelegen in of nabij een bodemverontreiniging is in de aanvraag aangegeven hoe negatieve beïnvloeding van bodem en grondwater wordt voorkomen; het bodemenergiesysteem wordt niet in een bodemverontreiniging aangelegd, tenzij het bijdraagt aan de sanering of beheersing van de bodemverontreiniging; het invloedsgebied van het bodemenergiesysteem is minimaal; het in de bodem gebrachte water wordt weer teruggewonnen; er is sprake van een zodanige inrichting dat het bodemenergiesysteem eventuele andere onttrekkingen in de omgeving en bodemverontreinigingen niet negatief beïnvloedt; indien voor het desbetreffende gebied door de gemeente een masterplan bodemenergie is opgesteld, is de aanvraag afgestemd op de eisen van dit plan; lozing van energie in de lucht is alleen toegestaan indien sprake is van een uitzonderlijke situatie om een evenwichtssituatie in de bodem te bereiken; de aanvraag bevat een monitoringsplan, waarin staat aangegeven: welke metingen en registraties de aanvrager verricht om een duurzaam beheer te garanderen; hoe aanvrager aan de onder f tot en met j genoemde voorwaarden zal voldoen. Hoofdstuk7Ruimte Paragraaf7.1Maatwerk omgevingskwaliteit Artikel7.1.1Begripsbepalingen grond: aarde, bestaande uit een mix van zand, klei en organische stoffen, die de plantgroei ondersteunen; rekenmodule: hulpmiddel om de fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit te berekenen als bedoeld in artikel 7.1.7 van deze paragraaf. Artikel7.1.2Toepassingsbereik en algemene voorwaarden 1. Gedeputeerde Staten hanteren deze paragraaf voor ontwikkelingen waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 5.14, derde lid, onder a, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. 2. Gedeputeerde Staten kunnen meewerken aan het toevoegen van een woning als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, onder a, van de Omgevingsverordening Noord Brabant indien: een voldoende fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit wordt gerealiseerd die qua omvang in verhouding staat tot het op te richten woningtype, zoals vastgelegd in deze paragraaf; de maatregelen die worden ingezet voor de fysieke tegenprestatie, bedoeld onder a, voldoen aan de uitgangspunten die in deze paragraaf zijn vastgelegd; er sprake is van een passende locatie voor de ontwikkeling van een woning als bedoeld in artikel 5.14, vierde lid, van de Omgevingsverordening Noord Brabant; en de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, onder e, bij de ontwikkeling van meerdere woningen specifiek rekening houdt met de effecten van de ontwikkeling op het landelijk gebied, de woningbouwopgave in het stedelijk gebied, de bereikbaarheid van voorzieningen en mobiliteit. 3. De volgende aspecten of maatregelen kunnen niet ingebracht worden als voldoende fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit: maatregelen waarvoor subsidie is verkregen; maatregelen die zijn gericht op een reguliere, goede landschappelijk inpassing; de boekwaarde of vervangingswaarde van bebouwing; plankosten, leges en advieskosten; het afzien van het oprichten van vergunde bebouwing; sloop van glasopstanden ter plaatse van een locatie Glastuinbouwconcentratiegebied als bedoeld in artikel 5.72 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; sloop van bebouwing of het verwijderen van voorzieningen waarvoor een sloopverplichting geldt vanwege deelname aan een regeling; sloop van een gebouw dat is ingezet voor stalderen als bedoeld in artikel 5.66 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; en sloop van glasopstanden die zijn ingezet voor de glas-voor-glasregeling als bedoeld in artikel 5.71 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel7.1.3Maatwerk omgevingskwaliteit saneren bedrijfsbebouwing Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling of sprake is van een voldoende fysieke tegenprestatie tot versterken van omgevingskwaliteit in de hierna opgenomen gevallen de volgende uitgangspunten: bij de beëindiging van een agrarisch bedrijf: wordt als drempelwaarde ten minste 1000 m2 bedrijfsgebouw gesloopt als fysieke tegenprestatie, waarbij de sloop van de eerste 250 m2 bedrijfsgebouw wordt ingezet voor de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning; kan de afname van de grondwaarde ter plaatse van een te slopen bedrijfsgebouw worden ingezet als tegenprestatie, waarbij per m2 sloop bedrijfsgebouw een totaalbedrag van €45 geldt; in het geval géén sprake is van een passende locatie, kan de afname van de grondwaarde ter plaatse van een te slopen dierenverblijf worden ingezet als tegenprestatie, waarbij per m2 sloop dierenverblijf een totaalbedrag van €80 geldt; kan de afname van de grondwaarde ter plaatse van de aanwezige voorziening, niet zijnde een gebouw of teeltondersteunende voorziening, gedeeltelijk worden ingezet als tegenprestatie, waarbij per m2 te verwijderen voorziening een totaalbedrag van €8,50 geldt; is het niet mogelijk om de sloop van restanten van bebouwing elders in te zetten; is de beëindiging van het agrarisch bedrijf en het treffen van de fysieke maatregelen juridisch geborgd; en wordt het bouwperceel verkleind naar een bij een woonfunctie passende omvang; bij de beëindiging van een glastuinbouwbedrijf: wordt als drempelwaarde ten minste 4000 m2 glasopstand gesloopt als fysieke tegenprestatie, waarbij de sloop van de eerste 750 m2 glasopstand of 250 m2 bedrijfsgebouw, wordt ingezet voor de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning; kan de afname van de grondwaarde ter plaatse van een aanwezige kas gedeeltelijk worden ingezet als tegenprestatie, waarbij per m2 sloop van een kas een totaalbedrag van €17,75 geldt; kan de afname van de grondwaarde ter plaatse van een te slopen bedrijfsgebouw worden ingezet als tegenprestatie, waarbij per m2 sloop van het bedrijfsgebouw een totaalbedrag van €45 geldt; kan de afname van de grondwaarde ter plaatse van een voorziening, niet zijnde een gebouw of teeltondersteunende voorziening, deels worden ingezet als tegenprestatie, waarbij per m2 te verwijderen voorziening een totaalbedrag van €8,50 geldt; is het niet mogelijk om de sloop van restanten van bebouwing of glasopstanden elders in te zetten; is de beëindiging van het glastuinbouwbedrijf en het treffen van de fysieke maatregelen juridisch geborgd; en wordt het bouwperceel verkleind naar een bij een woonfunctie passende omvang; bij de beëindiging van een niet-agrarisch bedrijf: wordt als drempelwaarde ten minste 750 m2 bedrijfsgebouw gesloopt als fysieke tegenprestatie, waarbij de sloop van de eerste 250 m2 bedrijfsgebouw wordt ingezet voor de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning; kan de afname van de grondwaarde ter plaatse van een aanwezig bedrijfsgebouw deels worden ingezet als tegenprestatie, waarbij per m2 sloop bedrijfsgebouw een totaalbedrag van €56 geldt; kan de afname van de grondwaarde ter plaatse van een voorziening, niet zijnde een gebouw, deels worden ingezet als tegenprestatie, waarbij per m2 te verwijderen voorziening een totaalbedrag van €17,50 geldt; is het niet mogelijk om de sloop van restanten van bebouwing elders in te zetten; is de beëindiging van het bedrijf en het treffen van de fysieke maatregelen juridisch geborgd; en wordt het bouwperceel verkleind naar een bij een woonfunctie passende omvang; in de overige gevallen: kan als fysieke tegenprestatie voor versterking omgevingskwaliteit alleen de sloop van bebouwing worden ingezet, die resteert na de sloop van 250 m2 bebouwing voor het omzetten van een bedrijfswoning naar burgerwoning; kan voor de sloop van gebouwen €25 per m2 worden ingebracht als tegenprestatie; kan voor het verwijderen van verhardingen en voorzieningen €5 per m2 worden ingebracht als tegenprestatie; kan voor sloop van kassen €5 per m2 worden ingebracht als tegenprestatie; wordt het oprichten van nieuwe bebouwing op de slooplocatie uitgesloten; kan bij vervangende nieuwbouw de sloop van de oude bebouwing niet worden ingezet als tegenprestatie; kan het verwijderen van teeltondersteunende voorzieningen niet worden ingezet als tegenprestatie voor omgevingskwaliteit; en wordt het bouwperceel verkleind naar een bij een woonfunctie passende omvang. Artikel7.1.4Maatwerk omgevingskwaliteit saneren milieubelastende activiteit Gedeputeerde Staten hanteren voor het realiseren van een voldoende fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit bij beëindiging van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.14, tweede lid, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant de volgende uitgangspunten: bij de vaststelling van het plan wordt bewijs geleverd dat alle op de locatie rustende rechten en toestemmingen van de te beëindigen milieubelastende activiteit zijn ingetrokken; de beëindiging van de milieubelastende activiteit op de locatie is juridisch geborgd en het oprichten van bedrijfsbebouwing voor die activiteit is uitgesloten; voor het intrekken van de N-emissie op de te beëindigen locatie kan €15 per kg/N/jaar worden ingebracht als tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit als: de N-emissie is gebaseerd op de referentiesituatie en de capaciteit ook feitelijk is gerealiseerd op het moment van het verzoek tot intrekking; een Aeriusberekening wordt overgelegd waaruit de depositie van de N-emissie als bedoeld in onderdeel c, onder 1°, op N2000-gebieden blijkt; en intrekking van de N-emissie niet reeds is toegezegd aan een derde; de waarde van dier- of fosfaatrechten kan niet worden ingebracht als fysieke tegenprestatie voor versterking van de omgevingskwaliteit. Artikel7.1.5Waardering overige maatregelen 1. Gedeputeerde Staten hanteren voor overige maatregelen gericht op het realiseren van een voldoende fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit de volgende uitgangspunten: bij het afwaarderen van gronden ten behoeve van het realiseren van natuur op gronden in of aansluitend op bestaande natuurgebieden, die de samenhang en ecologische structuur van het Natuurnetwerk Brabant versterkt, geldt dat als: de aanleg en het behoud juridisch is geborgd dat de afwaardering van die gronden kan worden betrokken bij de tegenprestatie tot ten hoogste €8 per m2; of een initiatiefnemer daarvoor grond inzet in samenwerking met het waterschap of een terreinbeherende instantie, de kosten zoals opgenomen in het inrichtingsplan kunnen worden ingebracht als tegenprestatie in omgevingskwaliteit; bij het afwaarderen van gronden ten behoeve van maatregelen gericht op extensivering van het grondgebruik vanwege het bereiken van doelen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn of de Kaderrichtlijn Water geldt dat als: behoud van grond als grasland juridisch is geborgd, de afwaardering van die gronden kan worden betrokken bij de tegenprestatie tot ten hoogste €2,50 per m2; of juridisch geborgde maatregelen worden getroffen voor water- en bodemsysteemherstel, in combinatie met 5 % groenblauwe dooradering en het gebruik van drijfmest, kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen juridisch wordt uitgesloten, de afwaardering van die gronden kan worden betrokken bij de tegenprestatie tot ten hoogste €4 per m2; het realiseren van landschapselementen kan worden ingebracht als: het plan inzicht biedt in de kosten daarvan; en de aanleg en instandhouding juridisch zijn geborgd; voor een ontwikkeling die is gericht op het behoud of het terugbrengen van cultuurhistorische elementen geldt dat: de aantoonbaar gemaakte kosten kunnen worden ingezet als tegenprestatie voor omgevingskwaliteit tot maximaal €62.500, behoudens in het geval dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 5.14, derde lid, onder d, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; en regulier onderhoud en het treffen van maatregelen om een gebouw bewoonbaar te maken niet als fysieke tegenprestatie kunnen worden ingezet; de reële kosten van onderhoud en beheer van aan te leggen beplantingen en ontwikkeling van natuur kunnen voor een periode van maximaal zes jaar worden meegenomen in het kader van de tegenprestatie; als aangetoond is dat de meerkosten voor de aanvoer van grond voor het dempen van mestputten of kelders vanwege de sloop van bebouwing aanzienlijk hoger zijn dan €25 per m2, kan de aanvoer van grond betrokken worden als tegenprestatie voor het versterken van de omgevingskwaliteit tot een maximum van €5 per m3; als bij de sloop van opstallen asbest is betrokken en onderbouwd wordt dat de sloopkosten hoger zijn dan €25 per m2, kunnen de meerkosten daarvan worden betrokken tot een maximum van €2 per m2 voor asbesthoudende daken en een maximum voor €7,50 per m2 voor verspreid door het gebouw aanwezige asbest; als bij de sloop van glasopstanden asbest is betrokken en onderbouwd wordt dat de sloopkosten aanzienlijk hoger zijn dan €5 per m2, kunnen de meerkosten daarvoor tot een maximum van €5 per m2 worden meegenomen; in het geval dat bebouwing niet positief is bestemd of onder het overgangsrecht is gebracht, kan alleen de sloop van legaal opgerichte bebouwing worden ingebracht als fysieke bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit; de aanleg van extensieve recreatieve voorzieningen kan bij de fysieke tegenprestatie voor omgevingskwaliteit worden betrokken als: de recreatieve voorzieningen passend zijn in het landschap; en de kosten hiervoor aantoonbaar worden onderbouwd en overgelegd; de inbreng van maatwerktitels die in het verleden zijn uitgegeven door de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte. 2. De fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit voor het bouwen van een woning kan ook worden geleverd door een afdracht in een fonds dat is gericht op het realiseren van omgevingskwaliteit als: is geborgd dat de middelen uit dat fonds worden inzet voor het realiseren van maatregelen als bedoeld in deze paragraaf; in het plan of besluit dat de ontwikkeling van de woning mogelijk maakt de bijdrage aan het fonds wordt gerelateerd aan concrete maatregelen met een realisatietermijn van ten hoogste vijf jaar; en de gemeente over de besteding van het fonds jaarlijks verslag uitbrengt. Artikel7.1.6Omvang fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit per woningtype Gedeputeerde Staten hanteren bij het realiseren van een voldoende fysieke tegenprestatie tot versterken van omgevingskwaliteit bij de hierna opgenomen woningtypen de volgende uitgangspunten: bij vrijstaande woningen en twee-onder-één kapwoningen: is de bijdrage in het versterken van de omgevingskwaliteit tenminste €125.000 per wooneenheid; en worden de woningen opgericht binnen een bij de omgeving passende bebouwing, met een daarbij passende inhoudsmaat; bij meerdere woningen in één bouwmassa: is de bijdrage in het versterken van de omgevingskwaliteit €125.000 per 1000 m3 bouwvolume; worden de wooneenheden opgericht binnen een bij de omgeving passende bebouwing, waarbij als uitgangspunt een bouwvolume van 1000 m3 per gebouw geldt; geldt bij het realiseren van twee wooneenheden binnen één bouwmassa een bouwvolume van 1000 m3 als absoluut maximum; is bij het realiseren van meer dan twee wooneenheden bij uitzondering een groter bouwvolume dan 1000 m3 mogelijk als dit past in de omgeving en waarbij voor iedere 200 m3, of een gedeelte daarvan, een inspanning ter hoogte van €25.000 geldt; bestaat een gebouw uit maximaal twee bouwlagen, exclusief kap; en worden kwaliteit en karakter van het gebouw juridisch en planologisch geborgd, waarbij vergroting door middel van al dan niet vergunningvrije aanbouwen wordt uitgesloten; bij de standplaats van een woonwagen: is de bijdrage in het versterken van omgevingskwaliteit €20.000; en is voor een standplaats van een woonwagen binnen een bestaand woonwagencentrum geen tegenprestatie vereist; bij een tiny house: is de bijdrage in het versterken van omgevingskwaliteit €15.000; geldt per tiny house een inhoudsmaat van maximaal 150 m3; worden deze geconcentreerd opgericht in het geval dat er meerdere tiny houses worden ontwikkeld; worden kwaliteit en karakter van het tiny house juridisch en planologisch geborgd; en kan in afwijking van het bepaalde onder 1 voor een tijdelijk tiny house, voor ten hoogste 15 jaar, een bijdrage geleverd worden van €7.500; bij de realisatie van een of meerdere wooneenheden in karakteristieke bebouwing: is de bijdrage in het versterken van omgevingskwaliteit ten minste €62.500. Als er meerdere wooneenheden worden toegevoegd, geldt deze bijdrage per 1000 m3; is de realisatie van wooneenheden alleen inpandig mogelijk; worden karakteristieke of cultuurhistorische waarden en kenmerken behouden en het behoud juridisch geborgd; wordt bij de situering van de bijgebouwen rekening gehouden met de te behouden karakteristieke waarden van de bebouwing; en wordt behoud van de karakteristieke of cultuurhistorische waarden en kenmerken van de bebouwing, waaronder het tegengaan van verstoring van die waarden door het realiseren van uitbouwen, juridisch geborgd. Artikel7.1.7Rekenmodules 1.Voor de berekening van de fysieke tegenprestatie hanteren Gedeputeerde Staten de volgende rekenmodules: beëindiging agrarisch bedrijf, waaronder glastuinbouwbedrijf; beëindiging niet-agrarisch bedrijf; overige gevallen. 2.De ingevulde rekenmodule maakt onderdeel uit van de onderbouwing van het plan, waarbij een woning wordt toegevoegd in het landelijk gebied. 3.De berekening geeft inzicht in de waardering van de fysieke maatregelen, bedoeld in artikel 7.1.5, eerste lid. 4. De berekening geeft inzicht in de afdracht in een gemeentelijk fonds als bedoeld in artikel 7.1.5, tweede lid. Paragraaf7.2Aardkundige en Cultuurhistorische waarden en kenmerken Artikel7.2.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: Aardkundig waardevolle gebiedenkaart: kaart als bedoeld in artikel 5.43 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; Cultuurhistorische waardenkaart: kaart als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel7.2.2Aardkundige waarden en kenmerken Gedeputeerde Staten hanteren bij de uitoefening van bevoegdheden gerelateerd aan de wet en de toepassing van artikel 5.43 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, de beschrijving van de aardkundige waarden en kenmerken, zoals opgenomen op de Aardkundig waardevolle gebiedenkaart. Artikel7.2.3Cultuurhistorische waarden en kenmerken 1.Gedeputeerde Staten hanteren bij de uitoefening van bevoegdheden gerelateerd aan de wet en de toepassing van artikel 5.44 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, de beschrijving van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals opgenomen in de Cultuurhistorische waardenkaart. 2.Gedeputeerde Staten hanteren bij de uitoefening van bevoegdheden gerelateerd aan de wet en de toepassing van artikel 5.45 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, de beschrijving van de kernkwaliteiten van het werelderfgoed Hollandse Waterlinies, zoals opgenomen in de Cultuurhistorische waardenkaart. Paragraaf7.3Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij Artikel7.3.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij: instrument waarin maatregelen zijn benoemd voor individuele bedrijven ter bevordering van de transitie naar een zorgvuldige veehouderij; certificaat: een schriftelijke, door derden geborgde, verklaring dat een bedrijf of product volgens bepaalde eisen is geproduceerd; pijler Inrichting en omgeving: pijler die aansluit bij de problemen die de maatschappij ervaart met veehouderijbedrijven en die voor een groot deel samenhangen met de fysieke inrichting van het bedrijf. Artikel7.3.2Toepassingsbereik Gedeputeerde Staten hanteren deze paragraaf bij de beoordeling of sprake is van een voldoende zorgvuldige veehouderij als bedoeld in paragraaf 5.6.1 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel7.3.3Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij 1.Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling of sprake is van een voldoende zorgvuldige veehouderij de berekeningsmethodieken opgenomen in bijlagen 8 tot en met 10, bij deze beleidsregel. 2.Een veehouderij voldoet aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en treft voldoende maatregelen gericht op een zorgvuldige veehouderij indien de veehouderij minimaal 7,3 punten behaalt, waarvan: ten minste 0,2 punten behaald worden via de pijler Certificaten, opgenomen in bijlage 9 en; ten minste 0,6 punten via de pijler Inrichting & Omgeving, opgenomen in bijlage 10 bij deze beleidsregel. 3.In afwijking van het tweede lid onder a, is voor diercategorieën die in bijlage 9 bij deze beleidsregel als uitzondering zijn genoemd, de minimumscore voor de pijler Certificaten niet van toepassing. 4.In afwijking van het tweede lid, voldoet een biologische veehouderij aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij indien deze 40 punten scoort op de maatlat Gezondheid binnen de pijler Inrichting & Omgeving. 5.In afwijking van het eerste en tweede lid is sprake van een voldoende zorgvuldige veehouderij indien sprake is van een innovatief bedrijfsconcept. 6. In afwijking van het tweede lid, voldoet een veehouderij aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij indien ten minste 0,5 punten behaald worden via de pijler Certificaten, opgenomen in bijlage 9 bij deze beleidsregel. Artikel7.3.4Webapplicatie Het voorbereiden van aanvragen, de beoordeling door het bevoegd gezag en het publiceren van aanvragen kan enkel plaatsvinden door middel van een door Gedeputeerde Staten ter beschikking gestelde webapplicatie. Paragraaf7.4Staldering Artikel7.4.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: BAG: Basisregistraties Adressen en Gebouwen; BAG-ID: identificatienummer dat aan een gebouw is toegekend zoals kenbaar uit de BAG; bedrijfsontwikkelplan: plan met daarin te nemen alternatieve maatregelen, dat door een stopper voor 1 april 2010 is ingediend en goedgekeurd door de betreffende gemeente, waarbij wordt gedoogd dat hij niet voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting; herbestemmen: wijzigen van het gebruik in het omgevingsplan van het gehele dierenverblijf, zodat geen hokdierhouderij is toegestaan; herbestemmer: partij die binnen het stalderingsgebied een dierenverblijf voor hokdieren heeft laten herbestemmen; meetrapport: rapport waarin de vloeroppervlakte van een gebouw op vloerniveau langs de buitenomtrek van de wanden, gemeten volgens NEN 2580, is aangegeven en dat is voorzien van een plattegrondtekening van alle bouwlagen en overzichtsfoto’s van zowel de binnen- als buitenzijde van het gebouw; omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid onder b van de Omgevingswet; omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet; RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; sanering: slopen of herbestemmen van een gebouw; sloop-nieuwbouwaanvraag: aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij, op een bouwblok waar op dat moment reeds een dierenverblijf voor een hokdierhouderij is gevestigd, welk dierenverblijf in verband met de nieuwbouw wordt gesloopt en waarvan het staloppervlak niet groter is dan het staloppervlak van het te slopen dierenverblijf; slopen: doen afbreken van een gebouw, inclusief het afvoeren van puin en afval, het verwijderen van gevaarlijk afval zoals asbest, de verwijdering van putten en funderingen en het egaliseren van het perceel; sloper: partij die een dierenverblijf voor een hokdierhouderij binnen het stalderingsgebied heeft laten slopen; staldering: koppeling tussen het oprichten van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij en de sanering van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij binnen hetzelfde stalderingsgebied; stalderingsbewijs: besluit waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor staldering is voldaan als bedoeld in artikel 5.66 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; stalderingsgebied: werkingsgebied zoals opgenomen en begrensd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant; staloppervlak: vloeroppervlak van een gebouw zoals ingetekend in de BAG of het aangegeven vloeroppervlak in een meetrapport; stopper: veehouder die voor 1 januari 2020 stopt met de pluimvee- of varkenstak, die niet voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting, die alternatieve maatregelen heeft getroffen voor 1 april 2013 en deze voor 1 april 2010 in een door de gemeente goedgekeurd bedrijfsontwikkelplan heeft vastgelegd; uitbreider: partij die een nieuw dierenverblijf voor een hokdierhouderij binnen een stalderingsgebied wenst te realiseren door een nieuw gebouw op te richten of een bestaand gebouw door de wijziging van gebruik of bestemming geschikt te maken als dierenverblijf voor een hokdierhouderij of een bestaand dierenverblijf voor een hokdierhouderij wenst uit te breiden. Artikel7.4.2Voorwaarden afgifte voorlopig stalderingsbewijs 1.Gedeputeerde Staten geven een voorlopig stalderingsbewijs af indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: het dierenverblijf is legaal opgericht; er geldt geen sloopverplichting vanuit een subsidieregeling; en het dierenverblijf is in de vijf jaar voorafgaand aan de afgifte van het voorlopig stalderingsbewijs, ten minste drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren. 2.In afwijking van het eerste lid, onder c, kunnen Gedeputeerde Staten een voorlopig stalderingsbewijs afgeven indien een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend of een omgevingsplan is vastgesteld voor 1 juli 2024. Artikel7.4.3Beoordeling aanvraag voorlopig stalderingsbewijs 1.Gedeputeerde Staten beoordelen de aanvraag van een uitbreider voor afgifte van een voorlopig stalderingsbewijs op basis van een volledig ingevuld, door Gedeputeerde Staten ter beschikking gesteld, aanvraagformulier dat de volgende gegevens en documenten bevat: een verklaring van de uitbreider, in de vorm van een schriftelijk ondertekend document, waarin de uitbreider aangeeft: de adresgegevens van de locatie waar de uitbreider een dierenverblijf voor de hokdierhouderij wil realiseren; het staloppervlak van het dierenverblijf voor de hokdierhouderij waarvoor uitbreider het stalderingsbewijs aanvraagt; de diersoort die in het te realiseren dierenverblijf voor de hokdierhouderij gehouden gaat worden; informatie over het gesaneerde dierenverblijf voor de hokdierhouderij, op basis waarvan het voorlopig stalderingsbewijs wordt aangevraagd, inhoudende: de adresgegevens en BAG-ID van het dierenverblijf voor de hokdierhouderij; het staloppervlak van het gesaneerde dierenverblijf voor de hokdierhouderij, blijkend uit een milieutekening van de vigerende omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.201 of 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of de melding, bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving; een uitdraai van het “Overzicht ingevulde gegevens Gecombineerde opgave” van het gesaneerde dierenverblijf van de RVO of bewijsstukken die op andere wijze aantonen dat het dierenverblijf in de vijf jaar voorafgaand aan de afgifte van het voorlopig stalderingsbewijs, ten minste drie jaar bedrijfsmatig, legaal en onafgebroken is gebruikt als dierenverblijf; het unieke bedrijfsnummer van de hokdierhouderij; een door de sloper of herbestemmer aan de uitbreider overgelegde verklaring, in de vorm van een schriftelijk ondertekend document, waarin de sloper of herbestemmer aangeeft: het totale oppervlak van het gesaneerde dierenverblijf voor de hokdierhouderij; het staloppervlak van het gesaneerde dierenverblijf voor de hokdierhouderij dat wordt toegekend aan de uitbreider; dat de sloper of herbestemmer voor wat betreft het gesaneerde dierenverblijf voor de hokdierhouderij geen gebruik maakt of heeft gemaakt van artikel 5.14 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; dat de sloper of herbestemmer voor wat betreft het gesaneerde dierenverblijf voor de hokdierhouderij geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een subsidieregeling gericht op de sanering van een dierenverblijf; dat de sloper of herbestemmer voor wat betreft het gesaneerde dierenverblijf voor de hokdierhouderij geen sloop-nieuwbouwaanvraag heeft gedaan; of de sloper of herbestemmer ook te kwalificeren is als stopper; dat toestemming wordt gegeven aan de provincie om, in het geval dat het gesaneerde dierenverblijf als bedoeld in onderdeel c, onder 1o, is gesloopt, te controleren dat de sloop heeft plaatsgevonden. 2.Indien de sloper of herbestemmer overeenkomstig het eerste lid, onderdeel c, onder 6o, heeft aangegeven dat hij te kwalificeren is als stopper: toetsen Gedeputeerde Staten, onverminderd het eerste lid, of de aanvraag voor afgifte van een voorlopig stalderingsbewijs de volgende documenten bevat: het bedrijfsontwikkelplan van de betreffende sloper of herbestemmer; een verklaring van de gemeente waar het bedrijfsontwikkelplan is ingediend, waaruit blijkt dat dit plan door de gemeente is geaccordeerd; bepalen Gedeputeerde Staten de omvang van het staloppervlak van het gesaneerde dierenverblijf, bedoeld in eerste lid, onderdeel c, onder 1 o, naar rato van het gemiddelde percentage van de productie ten opzichte van de volledige productiecapaciteit. 3.Onverminderd het eerste lid, gaan Gedeputeerde Staten bij de beoordeling van een aanvraag om een voorlopig stalderingsbewijs die betrekking heeft op een veehouderij als bedoeld in artikel 3.101 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, “Uitzondering voor stoppende veehouderijen”, uit van de ingebrachte oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren die werd gebruikt om het aantal dieren te huisvesten overeenkomstig de gedane mededeling, bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.Onverminderd het eerste lid, gaan Gedeputeerde Staten bij de beoordeling van een aanvraag om een voorlopig stalderingsbewijs die betrekking heeft op een veehouderij als bedoeld in artikel 3.98, derde lid van de Omgevingsverordening, uit van de ingebrachte oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren die wordt gebruikt om het aantal dieren te huisvesten overeenkomstig de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of bij gebreke daarvan de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit of de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving als bedoeld in artikel 3.98, derde lid, onder b van de Omgevingsverordening. 5.Indien sprake is van sloop van een dierenverblijf voor de hokdierhouderij toetsen Gedeputeerde Staten, onverminderd het eerste lid, of de aanvraag voor afgifte van een voorlopig stalderingsbewijs de volgende documenten bevat: een nota en betaalbewijs van het sloopbedrijf; of een gemeentelijke verklaring waaruit de sloop blijkt. 6.Indien sprake is van herbestemmen van een dierenverblijf voor de hokdierhouderij toetsen Gedeputeerde Staten, onverminderd het eerste lid, of de aanvraag voor afgifte van een voorlopig stalderingsbewijs een wijziging van het omgevingsplan bevat, waaruit blijkt dat herbestemming heeft plaatsgevonden. 7.Indien de uitbreider voor het staloppervlak af wil wijken van het oppervlak van een gebouw zoals is ingetekend in de BAG, toetsen Gedeputeerde Staten tevens of de aanvraag voor afgifte van een voorlopig stalderingsbewijs een meetrapport van het desbetreffende gebouw en een milieutekening van de vigerende omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of een melding ingevolge artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving bevat. Artikel7.4.4Afgifte voorlopig stalderingsbewijs Gedeputeerde Staten geven het voorlopig stalderingsbewijs af aan de uitbreider en verstrekken daarvan een afschrift aan de gemeente waarbinnen het dierenverblijf voor de hokdierhouderij, waarvoor het stalderingsbewijs is afgegeven wordt gerealiseerd. Artikel7.4.5Omzetting in definitief stalderingsbewijs 1.Gedeputeerde Staten zetten het voorlopig stalderingsbewijs om in een definitief stalderingsbewijs indien de uitbreider, binnen zes maanden na afgifte van het voorlopig stalderingsbewijs, een verklaring van de gemeente overlegt dat er een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is ingediend voor het realiseren van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij, waarvoor het voorlopig stalderingsbewijs is afgegeven. 2.Het voorlopig stalderingsbewijs vervalt van rechtswege indien de verklaring, bedoeld in het eerste lid, niet binnen zes maanden wordt geleverd. 3.Onverminderd het eerste en tweede lid lid, zetten Gedeputeerde Staten een voorlopig stalderingsbewijs om in een definitief stalderingsbewijs indien aanvrager beschikt over een voorlopig stalderingsbewijs dat voor 1 januari 2024 door Gedeputeerde Staten is afgegeven. 4.Gedeputeerde Staten trekken op verzoek van uitbreider een definitief stalderingsbewijs in indien: de omgevingsvergunning voor de realisering van het dierenverblijf voor de hokdierhouderij ten behoeve waarvan het stalderingsbewijs is afgegeven niet onherroepelijk wordt; en de oorzaak hiervan niet gelegen is bij de uitbreider. 5.Gedeputeerde Staten verlengen op verzoek van uitbreider de termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien: is aangetoond dat het indienen van een ontvankelijke aanvraag meer tijd in beslag neemt; en de oorzaak niet is toe te rekenen aan uitbreider. Paragraaf7.5Glas-voor-glas Artikel7.5.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: glas-voor-glasbewijs: besluit waaruit blijkt dat aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5.71 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, is voldaan; kasoppervlak: het aangegeven vloeroppervlak van een kas in een meetrapport; meetrapport: rapport, waarin de vloeroppervlakte van een kas op vloerniveau langs de buitenomtrek van de wanden, gemeten volgens NEN 2580, is aangegeven en dat is voorzien van een plattegrondtekening van alle bouwlagen en overzichtsfoto’s van zowel de binnen- als buitenzijde van de kas; slopen: doen afbreken van een kas, inclusief het afvoeren van puin en afval, het verwijderen van gevaarlijk afval zoals asbest, de verwijdering van ondergrondse tanks, putten en funderingen en het egaliseren van het perceel; sloper: partij die een kas heeft laten slopen; uitbreider: partij die een nieuwe kas wil realiseren. Artikel7.5.2Voorwaarden afgifte voorlopig glas-voor-glasbewijs Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling van het inbrengen van gesloopt kasoppervlak voor de afgifte van een voorlopig glas-voor-glasbewijs de volgende uitgangspunten: het volledige kasoppervlak op de locatie is gesloopt; het kasoppervlak is na 1 januari 2023 gesloopt; gesloopt kasoppervlak kan tot maximaal vijf jaar na de sloopdatum worden ingebracht; het kasoppervlak van een glastuinbouwbedrijf en een teeltondersteunende kas zijn onderling uitwisselbaar; gesloopt kasoppervlak is niet afkomstig van een locatie binnen een glastuinbouwconcentratiegebied, als bedoeld in de Omgevingsverordening Noord-Brabant; de sloop van de eerste 5000 m2 kasoppervlak van een teeltondersteunende kas kan niet worden ingebracht voor een glas-voor-glasbewijs, behoudens in het geval dat de agrarische functie volledig is beëindigd. Artikel7.5.3Beoordeling aanvraag glas-voor-glasbewijs 1.Gedeputeerde Staten beoordelen een aanvraag voor een voorlopig glas-voor-glas bewijs op basis van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. 2.Door aanvrager worden in ieder geval de volgende gegevens en documenten verstrekt: informatie over de op te richten kas waarvoor het voorlopig glas-voor-glasbewijs wordt aangevraagd, inhoudende: de adresgegevens van de locatie waar de kas wordt gerealiseerd; de kasoppervlakte waarvoor het voorlopig glas-voor-glasbewijs wordt aangevraagd; informatie over de gesloopte kas, op basis waarvan het voorlopig glas-voor-glasbewijs wordt aangevraagd, inhoudende: de adresgegevens van de gesloopte kas; het gesloopte kasoppervlak op basis van een meetrapport; een bewijsstuk dat het kasoppervlak is gesloopt; een bewijs dat in het omgevingsplan is geregeld dat op de slooplocatie geen glastuinbouwbedrijf of bij een volledige inbreng van teeltondersteunende kassen geen agrarische functie is toegestaan; een door de sloper aan de uitbreider overgelegde verklaring, in de vorm van een schriftelijk ondertekend document, waarin de sloper aangeeft: het totale kasoppervlak dat op de locatie is gesloopt op basis van een meetrapport; het kasoppervlak dat wordt toegekend aan de uitbreider; dat de sloper voor wat betreft de sloop geen gebruik maakt of heeft gemaakt van artikel 5.14 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; dat de sloper geen subsidie heeft ontvangen voor de sloop van het kasoppervlak; dat toestemming wordt gegeven aan de provincie om te controleren dat de sloop, bedoeld onder 1º, heeft plaatsgevonden. Artikel7.5.4Gefaseerde aanvraag Indien de aanvraag voor een voorlopig glas-voor-glasbewijs wordt gedaan ter vervanging van een bij de uitbreider in gebruik zijnde kas, worden de gegevens, bedoeld in artikel 7.5.3, ingevuld voor dit nog te slopen kasoppervlak en bevat de aanvraag daarnaast de volgende gegevens en documenten: een bewijs dat uitbreider het te slopen kasoppervlak in gebruik heeft; een bewijs dat in het omgevingsplan, bedoeld in artikel 7.5.3, onderdeel b, onder 4, een termijn is gesteld van maximaal twee jaar waarbinnen het kasoppervlak gesloopt moet zijn. Artikel7.5.5Afgifte voorlopig glas-voor-glasbewijs 1.Gedeputeerde Staten geven een voorlopig glas-voor-glas bewijs af indien de aanvraag voldoet aan de artikelen 7.5.3 en 7.5.4. 2.Gedeputeerde Staten verstrekken een afschrift van het voorlopig glas-voor-glasbewijs aan de gemeente waarbinnen de op te richten kas, waarvoor het voorlopig glas-voor-glasbewijs is afgegeven, wordt gerealiseerd. Artikel7.5.6Omzetting in definitief glas-voor-glasbewijs 1.Gedeputeerde Staten zetten het voorlopig glas-voor-glasbewijs om in een definitief glas-voor-glasbewijs indien de uitbreider binnen zes maanden na afgifte van het voorlopig glas-voor-glasbewijs een verklaring van de gemeente overlegt dat er een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is ingediend voor het realiseren van een kas waarvoor het voorlopig glas-voor-glasbewijs is afgegeven. 2.Het voorlopig glas-voor-glasbewijs vervalt van rechtswege indien de verklaring, bedoeld in het eerste lid, niet binnen zes maanden wordt geleverd. 3.Gedeputeerde Staten trekken op verzoek van uitbreider een definitief glas-voor-glasbewijs in indien: de omgevingsvergunning voor de realisering van de kas ten behoeve waarvan het glas-voor-glasbewijs is afgegeven niet onherroepelijk wordt; en de oorzaak hiervan niet aan de uitbreider is toe te rekenen. 4.Gedeputeerde Staten verlengen op verzoek van uitbreider de termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien: is aangetoond dat het indienen van een ontvankelijke aanvraag meer tijd in beslag neemt; en de oorzaak niet is toe te rekenen aan uitbreider. Artikel7.5.7Geldigheidstermijn glas-voor-glasbewijs Een definitief glas-voorglasbewijs geldt voor een termijn van vijf jaar en kan op verzoek van uitbreider eenmalig door Gedeputeerde Staten worden verlengd met maximaal drie jaar. Hoofdstuk8Toezicht en Handhaving Paragraaf8.1Bestuurlijke boete Seveso-inrichtingen Artikel8.1.1Begripsbepalingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: basisboete: bestuurlijke boete als bedoeld in de artikelen 8.1.3 en 8.1.4; NIM: Nieuwe Inspectie Methodiek Brzo 1999; Seveso-inrichting: inrichting als bedoeld in bijlage 1 van richtlijn 2012/18/EG; Seveso-richtlijn: richtlijn 82/501//EEG, zoals nadien gewijzigd bij richtlijn 96/82/EG en richtlijn 2012/18/EG. Artikel8.1.2Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten om een bestuurlijke boete op te leggen voor overtreding van de milieuregels ter uitvoering van de Seveso-richtlijn door een Seveso-inrichting. Artikel8.1.3Basisboete voor rechtspersonen Indien de overtreder een rechtspersoon of daaraan op grond van artikel 5:1, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgestelde entiteit is, bedraagt de basisboete per overtreding: indien sprake is van een onmiddellijke dreiging voor de omgeving (in NIM-risicocategorie 1): € 800.000; indien geen sprake is van een onmiddellijke dreiging voor de omgeving en deze dreiging meer dan gering is (NIM-risicocategorie 2): € 400.000; indien sprake is van een zeer geringe dreiging voor de omgeving (NIM- risicocategorie 3): € 100.000. Artikel8.1.4Basisboete voor natuurlijke personen Indien de overtreder een natuurlijke persoon is, bedraagt de basisboete per overtreding 10% van de basisboete op grond van artikel 8.1.3. Artikel8.1.5Verhoging basisboete bij recidive 1.De basisboete wordt verhoogd met 50% indien aan dezelfde overtreder voor een soortgelijke overtreding in de voorafgaande periode van vijf jaar een bestuurlijke boete is opgelegd. 2.De basisboete wordt verhoogd met 100% indien aan dezelfde overtreder voor een soortgelijke overtreding in de voorafgaande periode van vijf jaar meer dan één bestuurlijke boete is opgelegd. 3.Indien bij de overtreding sprake is van een onmiddellijke dreiging voor de omgeving is de in de voorafgaande leden bedoelde voorafgaande periode tien jaar in plaats van vijf jaar. Artikel8.1.6Verhoging basisboete bij aanzienlijk verkregen voordeel De basisboete wordt verhoogd met 100% indien deze boete door het met de overtreding verkregen voordeel aanmerkelijk wordt overschreden. Artikel8.1.7Andere boeteverhogende of boeteverlagende omstandigheden 1.De boete na toepassing van de artikelen 8.1.3 tot en met 8.1.6 wordt als volgt verhoogd: bij opzet met 100%; bij grove schuld met 75%; indien de overtreder het onderzoek naar de overtreding heeft belemmerd met 50%; indien de overtreder bij een eerdere inspectie op deze overtreding of een soortgelijke eerdere overtreding werd gewezen en deze overtreding niet werd beëindigd of voorkomen, met 25%; indien de overtreding een aanzienlijke tijd voortduurde, met 25%. 2.De boete na toepassing van de artikelen 8.1.3 tot en met 8.1.6 wordt als volgt verlaagd: bij sterk verminderde verwijtbaarheid met 50%; bij verdergaande medewerking aan het onderzoek met 25%; indien de overtreder effectieve maatregelen heeft getroffen om de overtreding te beëindigen met 25%; de overtreder voorafgaand aan het voornemen boeteoplegging uit eigen beweging onderzoek heeft gedaan en daarna effectieve maatregelen heeft getroffen om herhaling van de overtreding te voorkomen met 50%. Artikel8.1.8Samenloop en cumulatie 1.Bij eendaadse samenloop van overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd of bij een voortgezette handeling, en in gevallen waarin weliswaar geen sprake is van eendaadse samenloop, maar waarin de gedragingen zodanig samenhangen dat het onevenredig is om de overtredingen afzonderlijk te beboeten, wordt slechts één bestuurlijke boete opgelegd; 2.Bij meer overtredingen van hetzelfde voorschrift worden daarvoor niet meer dan drie bestuurlijke boetes opgelegd. Artikel8.1.9Matiging wegens overschrijding redelijke termijn 1.Indien tussen het constateren van de overtreding en het toezenden van het boeterapport meer dan zes maanden zijn verstreken, wordt de bestuurlijke boete na toepassing van de voorgaande bepalingen verlaagd met 5%. 2.Indien tussen de toezending van het boeterapport en het bekend maken van de boete meer dan drie maanden zijn verstreken, wordt de bestuurlijke boete na toepassing van de voorgaande bepalingen verlaagd met 5%. Artikel8.1.10Toepassing aan omzet gerelateerde basisboete 1.In afwijking van artikel 8.1.3 en indien dat hoger is, bedraagt de basisboete 5% van de omzet van de overtreder indien sprake is van een onmiddellijke dreiging voor de omgeving en 2,5% van de omzet van de overtreder indien geen sprake is van een onmiddellijke dreiging voor de omgeving en deze dreiging meer dan gering is in de volgende gevallen: de gevolgen voor de omgeving zijn zeer aanzienlijk of zouden dat kunnen zijn geweest; er is sprake van opzet of grove schuld; de aanzienlijke omvang en financiële draagkracht van de overtreder met het oog op het karakter van de overtreding en de speciaal-preventieve werking van de bestuurlijke boete die daarvoor wordt opgelegd. 2.De bepaling is niet van

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.