← Nederland

Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente Diemen (Diemen)

In het kort

Dit beleidskader van de gemeente Diemen beschrijft de regels en het beleid voor het omgaan met grond en baggerspecie onder de Omgevingswet, met als doel een duurzaam beheer van de bodem te waarborgen en de bodemkwaliteit te beschermen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidskader bodem onder de Omgevingswet Gemeente DiemenVoorwoord De Omgevingswet bevordert de integrale afweging van ruimtelijke en milieubelangen, omdat binnen één wet de samenhang hiertussen beter tot zijn recht komt. Het Rijk laat meer bevoegdheden aan gemeenten over (volgens het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij…’). De omgevingsvisie, een kerninstrument van de Omgevingswet, is een strategische langetermijnvisie van de gemeente voor de gehele fysieke leefomgeving, waaronder de bodem. Een omgevingsvisie bevat dus geen regels voor burgers, bedrijven of andere overheden. Juridische binding ontstaat pas door het vaststellen van algemene regels of beschikkingen. De gemeente kan deze algemene regels opnemen in het omgevingsplan, ook een kerninstrument van de Omgevingswet. Als de gemeente regels stelt in het omgevingsplan, dan moet ze rekening houden met het beleid in de omgevingsvisie. Nu de bodemsaneringsoperatie grotendeels is afgerond, vindt onder de Omgevingswet een verschuiving plaats naar een duurzaam beheer van de bodem en ondergrond. Daarbij kijken we nadrukkelijk breder dan alleen naar de milieuhygiënische opgave. Na decennia van saneringen en sectorale regelgeving is de bodemwereld rijp om over de traditionele grenzen heen te kijken en een rol te spelen in het bredere perspectief van integrale maatschappelijke opgaven. Nog altijd streven we naar een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit en het benutten van het bodemsysteem voor maatschappelijke ontwikkelingen. Het doel van het Nederlandse bodembeleid is om enerzijds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant te beschermen, de functionele eigenschappen van de bodem te behouden, zodat deze geschikt blijft om te gebruiken en anderzijds om de bodem voor diverse functies te gebruiken en om vrijkomende grond circulair te hergebruiken. Dit beleidskader is een leidraad voor de uitvoeringspraktijk onder de Omgevingswet en geeft aan wat de combinatie van nationale en lokale regelgeving (zoals vastgelegd in het omgevingsplan) betekent voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk in Diemen. De lokale regels en de beleidsregels als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, worden in een apart oranje kader aan het eind van het betreffende hoofdstuk vermeld. De regels in het omgevingsplan worden in het omgevingsplan opgenomen via een voorbereidingsbesluit (voorbeschermingsregels) dat gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treedt. De voorbeschermingsregels worden uiteindelijk vervangen door regels die via reguliere aanpassingen in het omgevingsplan worden opgenomen. Leeswijzer Het beleidskader bestaat uit drie delen. In de hoofdstukken 2 tot en met 9 staan de regels beschreven van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan. Dit betreft bodemonderzoek, de milieubelastende activiteiten graven, saneren, opslaan en toepassen, de regels bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw en wijziging naar bodemgevoelig gebruik. In het tweede deel (de hoofdstukken 10 tot en met 14) vermelden we de bijzondere onderwerpen. Daarin gaan we bijvoorbeeld dieper in op stortplaatsen, toevalsvondsten en ongewone voorvallen, het landelijk gebied, grondwater, toezicht en handhaving, het Digitaal Stelsel Omgevingswet en terminologie. Het derde deel is een apart document en bestaat uit bijlagen. De bijlagen bevatten kaartmateriaal, statistische kentallen, et cetera. Dit beleidskader vervangt de Nota bodembeheer Regio Amstelland en Meerlanden 2019 van 30 januari 2020. Samenvatting Dit beleidskader vervangt de Nota bodembeheer van 2020. Het beleid dat was opgenomen in de voormalige Nota bodembeheer wordt zoveel mogelijk voortgezet, voor zover dit past binnen de doelen en kaders van de Omgevingswet. Voor een deel is het beleid omgezet naar direct werkende regels in het omgevingsplan van de gemeente, en voor een deel wordt het beleid voortgezet in dit beleidskader. Het voormalige beleid is hiermee ingepast in het nieuwe wettelijk stelsel onder de Omgevingswet. Dit beleidskader biedt een overzicht van het beleid en de regels die in de regio Amstelland en Meerlanden (waar Diemen deel van uitmaakt) gelden voor het ontgraven, het verplaatsen en op of in de bodem aanbrengen (toepassen) van grond, baggerspecie of bouwstoffen en het saneren van de bodem. Deze regels zijn te vinden in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), voor zover ze door het Rijk gesteld zijn en in het omgevingsplan, voor zover ze maatwerk van de gemeente betreffen op de rijksregels in het Bal. Ook bevat het omgevingsplan andere gemeentelijke (bodem)regels, zoals over kleinschalig graven, het bouwen van een bodemgevoelig gebouw en nazorg na saneren. Het beleidskader geeft een beschrijving van deze regels en licht ze toe. Daarnaast bevat het beleidskader beleidsregels, net als de voormalige Nota bodembeheer. Ook is de bodemkwaliteitskaart in dit beleidskader opgenomen. Doel van het beleidskader De gemeente Diemen wil met dit beleidskader een praktische richtlijn bieden hoe in de regio met grond, vrijkomende grond en baggerspecie moet worden omgesprongen. Het document is primair gericht aan gemeentelijke afdelingen die veel met grond werken, adviesbureaus, aannemers en andere bodemintermediairs. Daarnaast bevat het beleidskader ook enkele onderwerpen die direct of indirect raken aan het dagelijks leven van bewoners in de stad, zoals mensen die een kelder willen graven, mensen met tuinen en jonge kinderen. Stand-still principe De bodem in Diemen wordt zeer intensief gebruikt. Het bodembeleid wil dan ook zoveel mogelijk ruimte geven aan maatschappelijke activiteiten op en in de bodem, zoals gebiedsontwikkeling en woningbouw, bedrijfsactiviteiten, de aanleg van wegen of het uitbaggeren van vaarwegen. Tegelijkertijd is het bodembeleid erop gericht om negatieve effecten op de bodemkwaliteit tegen te gaan, zodat deze ook op zeer lange termijn geschikt blijft om te gebruiken. Het centrale hoofduitgangspunt van de gemeente is dan ook dat de kwaliteit van de bodem binnen haar gemeentegrenzen niet verslechtert. Toepassen van grond of baggerspecie De landelijke regels voor het toepassen van grond of baggerspecie zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) passen niet altijd op elke lokale situatie. Het Bal geeft gemeenten daarom de vrijheid om gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van grond of baggerspecie te formuleren, net als voorheen onder het Besluit bodemkwaliteit. Het gebiedsspecifieke beleid zoals opgenomen in de voormalige Nota bodembeheer Regio Amstelland en Meerlanden, is via overgangsrecht vanzelf in het omgevingsplan terecht gekomen, en wordt dus voortgezet. Het is beschreven in dit beleidskader. In Diemen worden jaarlijks grote hoeveelheden grond ontgraven, bijvoorbeeld voor bouwprojecten, infrastructuur en onderhoudswerk aan kabels en leidingen. Die ontgraven grond wordt na afloop weer teruggelegd of elders nuttig toegepast. Bij toepassing op een andere plek houdt het gebiedsspecifieke beleid sterk rekening met de lokale situatie. Vooral de maatschappelijke functie van de ontvangende bodem is leidend. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de eis die aan toe te passen grond wordt gesteld. Bodemfunctie en kwaliteitsklasse In Diemen1Beheergebied van waaruit de grond afkomstig mag zijn omvat ook de gemeenten Amsterdam, Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Uithoorn en Ouder-Amstel. ontgraven herbruikbare grond kan in principe binnen de regio weer nuttig worden toegepast, bijvoorbeeld om gaten op te vullen, de bodem op te hogen of wegen op te funderen. Daarvoor gelden echter regels, om te voorkomen dat verontreinigde grond op een schone(

  1. re)bodem wordt aangebracht. Op ‘gevoelige functies’ (natuur, landbouw, moestuinen, et cetera) mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’ (lees schone grond). Op iets minder gevoelige (woon)functies mag schone grond of grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast. Minder kwetsbare functies (zoals infrastructuur, industrie, bebouwing, zoals wonen zonder tuin) mogen in bepaalde zones van de regio ook iets minder schone grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ ontvangen. Soepeler maar ook strenger Hierboven staat met opzet ‘in bepaalde zones van de regio’, want volgens het Diemense beleid moet dat wat schoon is ook schoon blijven. In de schone delen van de regio, zoals veel naoorlogse wijken en het landelijk gebied, mag alleen schone grond worden toegepast. Dit laat zien dat de wettelijke ruimte voor maatwerk niet automatisch leidt tot versoepeling van de landelijke regels, maar altijd een afweging blijft en soms zelfs tot strenger beleid kan leiden. Vanwege die ruimte om steeds een afweging te maken tussen lokale normen, gezondheidsrisico’s en maatschappelijke belangen blijft het mogelijk om Diemen stedelijk te vernieuwen en te ontwikkelen. De interventiewaarde De interventiewaarde, die bepaalt of sprake is van sterk verontreinigde grond of niet, is van belang bij het graven in de bodem, omdat bij een kwaliteit van de bodem onder (of gelijk aan), of boven de interventiewaarde een verschillende set regels geldt. Ook bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw speelt deze waarde een rol. Bij overschrijding van deze waarde is in de meeste gevallen een sanering noodzakelijk om gezondheidsrisico’s voor de toekomstige gebruikers van het gebouw te voorkomen. Hergebruik van grond met een kwaliteit boven de interventiewaarde is in Diemen niet toegestaan. De bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart van de regio Amstelland en Meerlanden vormt de technisch-inhoudelijke onderbouwing van het Diemense bodembeleid. Afgelopen jaren zijn duizenden nieuwe bodemonderzoeken ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Wordt online ergens een perceel of locatie ‘aangeklikt’ dan geeft de kaart een beeld van de gemiddelde bodemkwaliteit van de zone waarin de betreffende locatie ligt. De kaart geeft geen informatie op adresniveau. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit bij grondverzet is het in veel gevallen niet nodig een bodemonderzoek uit te voeren. Hiermee worden jaarlijks honderdduizenden euro’s aan bodemonderzoek bespaard. De bodemkwaliteitskaart kan in de schonere gebieden van Diemen ook gebruikt worden als alternatief voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek. Bij het ontgraven en op een andere locatie weer toepassen van schone en licht verontreinigde grond kan in veel gevallen gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart van de regio Amstelland en Meerlanden, waarbij samengevat de volgende stappen worden doorlopen: Aantonen wat de kwaliteitsklasse is van de vrijkomende grond (weergegeven op de ‘ontgravingskaart’, onderdeel van de bodemkwaliteitskaart, waarop de verschillende bodemkwaliteitsklassen bij ontgraven worden aangeduid); Onderzoeken wat de kwaliteitsklasse is van de ontvangende bodem (af te lezen op de bodemkwaliteitskaart waarop de stad is ingedeeld in verschillende kwaliteitsklassen); Bepalen of er een ‘match’ is tussen de vrijkomende grond en de ontvangende bodem. Deze stap is complex, maar professionals die veel met bodem werken kunnen ermee uit de voeten. Deze stap bepaalt met behulp van de toepassingskaart en tabellen of de vrijkomende grond voldoet aan de functie en toepassingseisen van de ontvangende bodem. Deze toepassingseisen staan genoemd in dit beleidskader. Werken in de grond: grondverzet Het ontgraven van grond kan op verschillende schaal en om verschillende redenen gebeuren. Het overgrote deel van alle werken in de grond betreft projectmatige ontgravingen, ophogingen, herschikkingen en werk aan kabels en leidingen. Bij deze werkzaamheden kan sprake zijn van sterk verontreinigde grond. Afhankelijk van de ernst van de verontreiniging (boven of gelijk aan of lager dan de interventiewaarde) en de hoeveelheid te ontgraven grond (meer dan 25 m3 of niet), gelden bepaalde regels op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of het omgevingsplan. Zorgvuldig graven zorgt ervoor dat verschillende grondsoorten en kwaliteiten gescheiden worden gehouden ten behoeve van reiniging of direct hergebruik. Werken in de grond: saneren Bodemsaneringen blijven komende jaren aan de orde, maar meer als onderdeel van ruimtelijke ontwikkelingen. Bij bouwen van een ‘bodemgevoelig gebouw’ is saneren verplicht, wanneer de waarden waaraan de bodem moet voldoen worden overschreden. Deze zogenaamde ‘waarden toelaatbare kwaliteit’ zijn voor de meeste stoffen de interventiewaarden zoals we die kennen van de voormalige Wet bodembescherming. Voor de stoffen lood en PFAS heeft de gemeente Diemen afwijkende (strengere) waarden vastgesteld. Voorbeelden van bodemgevoelige gebouwen zijn woningen met een tuin, of bijvoorbeeld scholen of kinderdagverblijven met bijbehorend speelterrein. De bodemkwaliteit van de tuin of buitenruimte wordt ook getoetst. Hier doen zich namelijk vaak risico’s voor, bijvoorbeeld vanwege een bodemverontreiniging met lood, omdat er hier meer contact met de bodem kan plaatsvinden. Extra aandacht lood In de gemeente Diemen bevinden zich oudstedelijke ophooglagen, die vooral verontreinigd zijn met zware metalen en PAK. Met name het zware metaal lood is een probleemstof, die diffuus verspreid voorkomt. Op sommige plaatsen is het gehalte in de bodem zo hoog dat er risico’s zijn voor jonge kinderen die buiten spelen en grond via vieze vingers binnenkrijgen. De hersenontwikkeling van jonge kinderen is erg gevoelig voor lood. Diemen wil die risico’s voor kleine kinderen tegengaan en stelt dat het loodgehalte van grond die wordt toegepast op gevoelige bodemfuncties maximaal 100 mg/kg mag bedragen. Die eis is van toepassing op locaties met de bodemfuncties ‘wonen met tuin’ en ‘plaatsen waar kinderen spelen’. Daarin is Diemen strenger dan het landelijk generieke beleid. Omgaan met grondwater Het beleidskader gaat kort in op het lozen van grondwater dat vrijkomt door bemaling bij het graven en saneren en op de algemene zorg voor de kwaliteit van het grondwater. De regels hiervoor worden - behalve onder meer voor het lozen op of in de bodem of in het riool, waarvoor de gemeente bevoegd gezag is - grotendeels gesteld door provincie en waterschappen. 1Inleiding 1.1Waarom dit beleidskader Dit beleidskader geeft een samenhangend inzicht in de bodemregels en het bodembeleid onder de Omgevingswet [Lit. 1]. Deze regels zijn te vinden in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) [Lit. 3] en het omgevingsplan. Maar de regels en het beleid staan hierin versnipperd weergegeven. Door ze in dit beleidskader logisch te groeperen en toe te lichten wordt het voor een initiatiefnemer duidelijk welke regels gelden bij activiteiten in, op of met de bodem. Het beleid van de voormalige Nota bodembeheer is in dit beleidskader ‘vertaald’ naar de nieuwe systematiek van de Omgevingswet. Daarmee bevat dit beleidskader een overzicht van zowel de landelijk geldende bodemregels als van het bodembeleid van Diemen onder de Omgevingswet. Dit beleidskader is een leidraad voor de uitvoeringspraktijk. Het geeft houvast en dient als toetsingskader bij de uitvoering van de regelgeving voor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen en voor de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) namens het college. Invulling van lokale afwegingsruimte De gemeente heeft in veel gevallen bestuurlijke afwegingsruimte onder de Omgevingswet, bijvoorbeeld door de mogelijkheid om maatwerkregels te stellen op de rijksregels in het Bal en om de bruidsschatregels2Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt een aantal regels op rijksniveau. Deze regels worden gedecentraliseerd naar gemeenteniveau. Om te voorkomen dat er bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet regels vervallen voordat de gemeente ze heeft opgenomen in het omgevingsplan, vult het Rijk een hoofdstuk in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, de bruidsschat. in het omgevingsplan aan te passen. Deze lokale regels, die door de gemeente Diemen in het omgevingsplan zijn uitgewerkt, worden in dit beleidskader weergegeven in een apart (oranjeroze) kader. De regels in het omgevingsplan worden deels in het omgevingsplan opgenomen via een voorbereidingsbesluit dat gelijk met de Omgevingswet in werking treedt, en deels via reguliere aanpassingen na inwerkingtreding van de Omgevingswet (cursief weergegeven in de oranje kaders). Beleidsregels over de bevoegdheden m.b.t. regels in het Bal of het omgevingsplan In dit beleidskader zijn ook beleidsregels - als bedoeld in artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht - opgenomen over de bevoegdheden met betrekking tot regels in het Bal of het omgevingsplan, bijvoorbeeld uitleg van begrippen en criteria in die regels. We vermelden zoveel mogelijk de regels waarop de beleidsregels betrekking hebben, met uitzondering van algemene bevoegdheden. Deze zijn beschreven in paragraaf 1.6, die gaat over het bevoegd gezag. Afbakening We gaan in dit beleidskader in eerste instantie uit van de inhoud van het Aanvullingsspoor bodem Omgevingswet en de inhoud van de in 2020 vastgestelde Nota bodembeheer. Dit is een gevolg van het besluit van Diemen om beleidsneutraal over te stappen naar de Omgevingswet. In de toekomst zullen we het beleidskader verbreden, waarbij we ook andere onderwerpen/disciplines die relevant zijn voor bodem en ondergrond onder de Omgevingswet integreren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan doelstellingen om een gezonde bodem en een duurzaam gebruik van het ecosysteem te bevorderen. Dit beleidskader wordt door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Het voorbereidingsbesluit en het omgevingsplan worden door de gemeenteraad vastgesteld. 1.2Doelgroep Doelgroepen voor deze beleidsnota zijn maatschappelijke organisaties, marktpartijen, initiatiefnemers (zoals bewoners3Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een bewoner zich laat bijstaan door een professionele partij., grondeigenaren, erfpachters), de gemeente Diemen, de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, regiogemeenten, bodemprofessionals in het bodemwerkveld (onderzoeksbureaus, adviseurs, bouwers, projectontwikkelaars) en verder eenieder die in de materie geïnteresseerd is. 1.3Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid De verantwoordelijkheid voor het naleven van de wet- en regelgeving bij activiteiten4Onder activiteiten in het Bal vallen: het ontgraven, saneren, opslaan en toepassen van grond of baggerspecie en het toepassen van bouwstoffen. Daarnaast zijn er nog activiteiten aangewezen in het omgevingsplan, zoals bijvoorbeeld kleinschalig graven en nazorg. in, op of met de bodem ligt bij de initiatiefnemer. De initiatiefnemer is verplicht om de voorgenomen activiteit indien nodig te melden en/of het bevoegd gezag van de juiste informatie te voorzien. Via een privaatrechtelijke machtiging kan deze verplichting ook bij de aannemer of andere betrokkenen worden gelegd. De wetgever gaat uit van ketenaansprakelijkheid: alle betrokken partijen zijn medeverantwoordelijk en moeten werken volgens de wet- en regelgeving en het lokale beleid in dit beleidskader. 1.4Stelselwijziging Omgevingswet en inhoudelijke wijziging bodem Het nieuwe stelsel van de Omgevingswet brengt grote veranderingen met zich mee. Voor bodem geldt dit des te meer, omdat er van rijkswege sprake is van een beleidsinhoudelijke wijziging ten opzichte van de regels in de Wet bodembescherming en het Besluit Bodemkwaliteit [Lit. 5]. Zo kent de Omgevingswet geen ‘geval van verontreiniging’ meer en is er geen sprake meer van een op zichzelf staande milieuhygiënische saneringsplicht die door het Rijk is opgelegd (zoals onder de Wbb het geval was). In dit beleidskader staat het resultaat van een noodzakelijke ‘vertaling’ van bodembeleid naar het nieuwe stelsel. Uitgangspunt hierbij is dat de vertaling beleidsneutraal is, mits dat past binnen de verbeterdoelen van de Omgevingswet. Op enkele onderdelen is een versimpeling of verbetering doorgevoerd, die beter past in de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet. Het huidige beschermingsniveau wordt hiermee behouden. Het gaat om regels en beleid die hun nut hebben bewezen in de uitvoeringspraktijk en die passen bij het bodembeheer onder de Omgevingswet. Instructieregels Voor het onderwerp bouwen op verontreinigde bodem, nazorg en toepassen van grond of baggerspecie heeft het Rijk in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) [Lit. 2] instructieregels opgesteld voor het omgevingsplan van de gemeente. Dit betekent dat de gemeente deze onderwerpen verplicht moet uitwerken in het omgevingsplan. In de instructieregels is ook aangegeven of de gemeente hierbij lokale afwegingsruimte heeft of niet en hoe groot die afwegingsruimte is. Ook de provincie kan instructieregels meegeven aan de gemeente, maar heeft dit voor bodem- en grondwaterkwaliteit niet gedaan. Tijdelijk deel omgevingsplan Voor enkele onderwerpen die niet in rijksregels terugkomen onder de Omgevingswet, zijn door het Rijk zogenoemde bruidsschatregels meegegeven, om te zorgen voor continuïteit van de bestaande regelgeving. Deze bruidsschatregels landen in het ‘tijdelijk deel’ van het omgevingsplan waar de gemeenten op 1 januari 2024 van rechtswege over beschikken (zie Figuur 1.1). De bruidsschat bodem heeft betrekking op de volgende onderwerpen: Bouwen op verontreinigde bodem; Kleinschalig graven (< 25 m3); Nazorg van saneringen en van maatregelen bij een toevalsvondst bodem, uitgevoerd onder de Omgevingswet; (Activiteit
  2. op)voor inwerkingtreding op grond van de Wet bodembescherming beschikte ernst - geen spoedlocaties. Daarnaast komen ook de bodemfunctieklassenkaart en het gebiedsspecifiek toetsingskader (voor het toepassen van grond of baggerspecie) in het tijdelijk deel van het omgevingsplan terecht. De gemeente heeft tot 2032 de tijd om de inhoud van het tijdelijk deel om te zetten naar lokale regels die onderdeel worden van het ‘definitieve’ omgevingsplan. Daarop vooruitlopend wordt door een voorbereidingsbesluit van de gemeenteraad al een aantal regels in het omgevingsplan gezet als de Omgevingswet in werking treedt. Figuur 1.1Nieuw en tijdelijk deel omgevingsplan Algemene regels in het Besluit activiteiten leefomgeving en het omgevingsplan In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Burgers, bedrijven en overheden moeten zich aan deze regels houden als ze die activiteiten uitvoeren. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een informatieplicht geldt, of dat een melding of omgevingsvergunning nodig is. Ook in het omgevingsplan zijn dergelijke regels opgenomen. Milieubelastende activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving en het omgevingsplan In dit beleidskader gaat het voornamelijk over milieubelastende activiteiten. Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken5In het Bal wordt een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk of een waterontrekkingsactiviteit niet als milieubelastende activiteiten beschouwd.. Het Rijk stelt in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels voor een aantal milieubelastende activiteiten in de fysieke leefomgeving die een relatie hebben met de bodem. Dit zijn bijvoorbeeld regels voor de aanleg en het gebruik van bodemenergiesystemen en regels over bodembeschermende voorzieningen bij het uitvoeren van activiteiten. Het Aanvullingsbesluit bodem [Lit. 4] voegt aan het Bal een aantal milieubelastende activiteiten toe. De milieubelastende activiteiten in het Bal in dit beleidskader zijn: Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit; Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit; Saneren van de bodem; Opslaan van grond of baggerspecie; Toepassen van bouwstoffen; Toepassen van grond of baggerspecie; De milieubelastende activiteit in het omgevingsplan in dit beleidskader is: Kleinschalig graven (minder dan 25m3 grondverzet); In Figuur 1.2 staan de activiteiten die zich op of in de bodem onder de Omgevingswet kunnen voordoen. Figuur 1.2Activiteiten in de bodem onder de Omgevingswet: wateractiviteiten (lozen, onttrekking) en milieubelastende activiteiten (opslaan van grond en baggerspecie, graven en saneren, bodemenergie, toepassen van bouwstoffen, toepassen van grond en baggerspecie). Bron:https://iplo.nl/thema/bodem Maatwerkregels op regels in Bal over milieubelastende activiteiten Voor de meeste regels in het Bal over milieubelastende activiteiten is het mogelijk om maatwerkregels te stellen in het omgevingsplan. De regels van het Bal worden hiermee nader ingevuld of hiermee wordt van de regels in het Bal afgeweken (soepeler of strenger). Soms zijn daar voorwaarden aan verbonden, of mag alleen een strengere norm gesteld worden. De maatwerkregels moeten binnen de kaders van de instructieregels van Rijk en provincie blijven. Dit geldt ook voor maatwerkvoorschriften (zie Tabel 1.1). Maatwerkvoorschriften op regels in het Bal of op regels in het omgevingsplan over milieubelastende activiteiten Een maatwerkvoorschrift is een specifiek voorschrift voor een individueel geval. Een initiatiefnemer kan zelf om een maatwerkvoorschrift vragen als een activiteit niet voldoet aan de (maatwerk)regels maar wel past binnen de ruimte die het rijkskader en het omgevingsplan biedt. Ook het bevoegd gezag kan besluiten tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift. Met een maatwerkvoorschrift kan een algemene regel worden toegespitst op de concrete situatie of locatie. Niet alle maatwerkvoorschriften zijn mogelijk. Een maatwerkvoorschrift kan alleen worden gesteld als dit past binnen het oogmerk van de regel (bijvoorbeeld het beschermen van de gezondheid en het milieu) waarvoor het maatwerkvoorschrift wordt gesteld. Beoordelingsregels die gelden voor vergunningen en de eisen aan vergunningvoorschriften (in het Besluit kwaliteit leefomgeving) zijn ook van toepassing op maatwerkvoorschriften voor een milieubelastende activiteit op grond van het Bal. Ook moet worden voldaan aan de strekking van de regels in het Bal. Dit betekent onder meer dat de best beschikbare technieken worden toegepast en dat maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken. Voor een maatwerkvoorschrift voor een milieubelastende activiteit op grond van het omgevingsplan geldt dat de instructieregels voor het omgevingsplan in het Besluit kwaliteit leefomgeving ten aanzien van het beschermen van de gezondheid en van het milieu van overeenkomstige toepassing zijn. Het bevoegd gezag neemt het maatwerkvoorschrift meestal op in een apart maatwerkbesluit, als reactie op een melding van een milieubelastende activiteit. Als voor een activiteit een omgevingsvergunning nodig is, dan staat het maatwerk in een vergunningvoorschrift. Het vaststellen van een maatwerkvoorschrift zal vaak op verzoek van de initiatiefnemer gebeuren. Als een gemeente vaker hetzelfde maatwerkvoorschrift oplegt, kan zij overwegen om hiervoor een maatwerkregel op te nemen in het omgevingsplan. Tabel 1.1Verschil tussen maatwerkvoorschrift en maatwerkregel Aspect Maatwerkvoorschrift Maatwerkregel Reactief/proactief Reactief (bijvoorbeeld na een melding of een verzoek van een initiatiefnemer) Proactief (indien het bevoegd gezag hiertoe noodzaak ziet, bijvoorbeeld naar aanleiding van een melding) Proactief (bijvoorbeeld naar aanleiding van ambities in de omgevingsvisie of in een programma6Zie voor uitleg over het instrument ‘programma’ de website van iplo.nl.) Juridische vorm Beschikking Algemeen geldende decentrale regel Gericht tot Degene die de activiteit verricht (maar soms heeft het maatwerkvoorschrift werking voor een perceel, zoals een maatwerkvoorschrift waarin nazorgmaatregelen zijn vastgelegd. Uit het maatwerkvoorschrift vloeit een publiekrechtelijke beperking Wkpb7Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. voort die rust op het perceel) Iedereen voor omschreven activiteiten en/of aangeduide locaties 1.5Beleid gemeente Diemen onder de Omgevingswet Voortzetten huidige bodembeleid Het bodembeleid in Diemen, dat voorheen verwoord stond in de Nota bodembeheer Regio Amstelland en Meerlanden, gaat ook onder de Omgevingswet uit van het – waar nodig - beschermen van de bodemkwaliteit en het – waar mogelijk - juist verruimen (benutten) van de gebruiksmogelijkheden. Het beleid is daarnaast gestoeld op de volgende uitgangspunten: Eenduidig beleid, zo eenvoudig mogelijk, uitlegbaar en werkbaar, met duidelijke spelregels; Het beleid moet waar mogelijk de dagelijkse uitvoeringspraktijk ondersteunen; Deregulering en vermindering van de lasten voor burgers; Pragmatische aanpak: de diffuus verontreinigde binnenstad hoeft niet volledig schoon te worden, maar preventie is wel belangrijk om nieuwe verontreinigingen te voorkomen; Vermindering lasten van initiatiefnemers door vrijstelling van verkennend bodemonderzoek waar dat mogelijk en verantwoord is; Mogelijkheden bieden voor hergebruik middels de bodemkwaliteitskaart (zonder onderzoek) van licht verontreinigde grond, waardoor veel geld wordt bespaard op onnodig onderzoek en transport. Onder de Omgevingswet blijven deze uitgangspunten overeind. Bestaand beleid is zoveel mogelijk vertaald naar de structuur van de nieuwe wet- en regelgeving en opgenomen in dit beleidskader. Niet alle regels die golden onder de Wet bodembescherming komen terug onder de Omgevingswet. Voorheen was bijvoorbeeld altijd een bodemsanering vereist bij het bouwen (bij overschrijding van bepaalde waarden). Onder de Omgevingswet geldt dit alleen nog maar voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen. Voor het overige is het aan de gemeente om ervoor te zorgen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen de bodemkwaliteit past bij de voorgenomen functie / het voorgenomen gebruik, bijvoorbeeld door hierover afspraken te maken met de ontwikkelaar. Vertalen van het beleid van Diemen naar regels in het omgevingsplan De gemeentelijke aanpassing of nadere invulling van wat het Rijk heeft bepaald in het Bal of heeft meegegeven in de bruidsschat omgevingsplan, is weergegeven in de gekleurde tabellen aan het eind van een hoofdstuk. Dit zijn de regels (en het beleid) van Diemen over het onderwerp in het betreffende hoofdstuk. De gemeentelijke aanpassing en nadere invulling van de rijksregels en de bruidsschat zal in eerste instantie door een voorbereidingsbesluit in het omgevingsplan worden opgenomen en in een latere fase door reguliere aanpassingen van het omgevingsplan. 1.6Bevoegd gezag Initiatiefnemers hoeven zelf niet te bedenken naar welk bevoegd gezag hun aanvraag moet: dat volgt automatisch bij gebruik van het Omgevingsloket, dat onderdeel uitmaakt van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De activiteiten in de aanvraag bepalen welk bestuursorgaan bevoegd gezag is. Wateractiviteiten (bijvoorbeeld het onttrekken van grondwater voor bemaling) worden afzonderlijk van andere activiteiten (zoals milieubelastende activiteiten) aangevraagd. Gemeente bevoegd gezag Dit beleidskader gaat alleen over milieubelastende activiteiten waarvoor de gemeente Diemen bevoegd gezag is. Hoofdregel is dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente het bevoegd gezag is voor de regels van het Bal. Dit zijn de milieubelastende activiteiten aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, waaronder het graven in de bodem, het saneren van de bodem, het opslaan en toepassen van grond of bagger op of in de bodem en het toepassen van bouwstoffen. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift vast te stellen, te beslissen op een verzoek om gelijkwaardige maatregel8De gelijkwaardige maatregel moet ten minste hetzelfde resultaat bereiken als de wetgever met de voorgeschreven maatregel heeft beoogd. Zie verder iplo.nl. en toezicht op en handhaving van de regels, met inbegrip van de meldplicht (op grond van de artikelen 2.3 Bal en 18.2 Omgevingswet). Het vaststellen van regels in het omgevingsplan, waaronder maatwerkregels, is de bevoegdheid van de gemeenteraad. Toezicht en handhaving van regels in het omgevingsplan ligt bij het college van burgemeester en wethouders (artikel 18.2 in samenhang met artikel 4.8 Omgevingswet). De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) voert de meeste taken in mandaat uit voor de gemeente. Dit geldt in ieder geval voor de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken) ten aanzien van de milieubelastende activiteiten ‘bodem’ in het Bal (graven, saneren, opslaan, toepassen van grond of baggerspecie en toepassen van bouwstoffen). Dit omvat onder meer het opstellen van een vergunning (voor het opslaan van grond of baggerspecie), het opstellen van maatwerkvoorschriften, het beoordelen van meldingen, en toezicht op en handhaving van de regels, waaronder de specifieke zorgplichten van het Bal en het omgevingsplan. Ook zal de OD NZKG de provincie Noord-Holland informeren over een mogelijke grote, voorheen nog onbekende grondwaterverontreiniging die aan het licht komt bij het uitvoeren van de VTH-taken. De omgevingsverordening NH2022 verplicht de gemeente om de provincie over een dergelijke verontreiniging te informeren. Provincie bevoegd gezag Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Noord-Holland zijn bevoegd gezag voor de regels uit het Bal voor complexe bedrijven. Binnen deze complexe bedrijven zijn GS dan ook – in de meeste gevallen – bevoegd gezag voor de milieubelastende activiteiten graven, saneren, opslaan en toepassen van hoofdstuk 3 Bal en regels in het omgevingsplan die betrekking hebben op complexe bedrijven. Het college van Gedeputeerde Staten is tevens bevoegd gezag voor het aanleggen en gebruiken van open bodemenergiesystemen. Waterbeheerder bevoegd gezag Voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, waaronder het toepassen van grond of bouwstoffen of het verspreiden of toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater is de waterbeheerder het bevoegd gezag. Ook het onttrekken van grondwater is een wateractiviteit en valt onder de bevoegdheid van de waterbeheerder. Waterbeheerders binnen het grondgebied van de gemeente Diemen zijn het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en Rijkswaterstaat. Ministerie bevoegd gezag De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd gezag voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. Dit onderwerp blijft in het beleidskader verder buiten beschouwing. Overgangsrecht oude bevoegd gezag Wet bodembescherming en Besluit bodemkwaliteit (oud) Voor zover sprake is van overgangsrecht, en daarin is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op de omschreven situatie, blijft het oude bevoegd gezag Wet bodembescherming en Besluit bodemkwaliteit (oud) het bevoegd gezag onder het overgangsrecht zolang het overgangsrecht voor die situatie niet is uitgewerkt. Zie Bijlage 6. Voor de gemeente Diemen betekent dit dat de provincie Noord-Holland bevoegd gezag blijft voor gevallen van verontreiniging en saneringen (inclusief gebruiksbeperkingen en nazorgmaatregelen na afloop daarvan) die onder het overgangsrecht vallen. Voor het Besluit bodemkwaliteit is er geen verandering in bevoegd gezag. Dit is de gemeente Diemen (uitzonderingen daargelaten). 1.7Zorgplicht Wettelijk kader In de Omgevingswet komt de zorgplicht op verschillende plaatsen terug. Onderstaand overzicht geeft dit weer: Afdeling 1.3 Omgevingswet met uitwerking in artikel 1.3 Omgevingsbesluit: algemene zorgplichten en vangnetbepaling; Hoofdstuk 19 Omgevingswet: ongewoon voorval; Artikel 2.11 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): specifieke zorgplicht Bal; Specifieke zorgplicht in het omgevingsplan. Algemene zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. En dus niet alleen de overheid. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. Als die er wel zijn, geldt de algemene zorgplicht niet meer. Als de ecologische en fysische kwaliteiten van de bodem in het geding zijn, kunnen deze aspecten voor bodem onder de algemene zorgplicht vallen (als hieraan niet al specifieke regels zijn gesteld). Specifieke zorgplicht artikel 2.11 Bal en omgevingsplan Specifieke zorgplichten gelden - anders dan de algemene zorgplicht - ook als gedetailleerde specifieke regels gelden. Dat kunnen algemene regels en vergunningvoorschriften zijn. Als bijvoorbeeld het Bal van toepassing is, gelden specifieke zorgplichten van het Bal én andere algemene regels in het Bal. De specifieke zorgplicht is gericht op een specifieke activiteit. Degene die deze activiteit verricht doet er alles aan om nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen. De specifieke zorgplicht doet een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer. Degene die een bodemverontreiniging of een bodemaantasting veroorzaakt, is verplicht de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (mits dit redelijkerwijs kan worden gevraagd). Als blijkt dat deze gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, kan het zelfs zijn dat de initiatiefnemer de activiteit achterwege moet laten. Bij de beantwoording van de vraag wat redelijkerwijs kan worden gevraagd kan de gemeente rekening houden met: Het tijdstip van het ontstaan van de verontreiniging; De kosten voor het (nagenoeg) volledig verwijderen van de verontreiniging in verhouding tot de milieuwinst; De mate van verantwoordelijkheid; De ligging (bijvoorbeeld onder een gebouw) en de mogelijkheid van uitstel tot een natuurlijk moment. Het uitgangspunt van de zorgplicht is terstond en volledig herstel. De begrippen ‘redelijkerwijs’ en ‘zoveel mogelijk’ bepalen welke (herstel)maatregelen een veroorzaker moet nemen om te voldoen aan de zorgplicht. Bedrijfsleven en overheden hebben gezamenlijk een algemeen afwegingskader opgesteld dat invulling geeft aan deze zorgplicht. Behalve op grond van de zorgplicht, kan de verwijdering van een nieuwe verontreiniging ook verplicht zijn op grond van de regels over het ongewoon voorval (H19 Omgevingswet, voorheen H17 Wet milieubeheer), of de herstelplicht bij bedrijfsbeëindiging naar aanleiding van een eindsituatieonderzoek bodem (op grond van regels in het Bal of op grond van voorschriften in de omgevingsvergunning voor een bedrijf). Vanzelfsprekende maatregelen bij het uitvoeren van activiteiten hoeven niet uitgeschreven te worden in regels, maar vallen onder de (specifieke) zorgplicht. Zo is het vanzelfsprekend om bij de uitvoering van de activiteit graven verwaaiing van grond te voorkomen (bijvoorbeeld door deze vochtig te houden), zeker als daar (mogelijk) een asbestverontreiniging in voorkomt. Wanneer tijdens de uitvoering materiaal wordt aangetroffen dat zichtbaar asbest zou kunnen bevatten, worden veiligheidsmaatregelen genomen om vermenging met andere bodemlagen en verspreiding naar de omgeving te voorkomen. Vaak is duidelijk wat onder de specifieke zorgplicht het doel is. Een overtreding is dan direct bestuursrechtelijk en strafrechtelijk handhaafbaar. Maar soms is niet duidelijk wat precies de bedoeling is. Een maatwerkvoorschrift kan dan duidelijkheid bieden. Nieuwe verontreinigingen die onder overgangsrecht vallen Bij nieuwe verontreinigingen die zijn veroorzaakt na 1986 maar voor inwerkingtreding van de Omgevingswet is de zorg- en herstelplicht van artikel 13 Wbb van toepassing, ook als de verontreiniging na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt ontdekt. Het geven van aanwijzingen op grond van artikel 27, tweede lid, Wbb is ook nog mogelijk door het bevoegd gezag Wbb, in dit geval de provincie Noord-Holland. Ongewoon voorval Het ongewoon voorval is een gebeurtenis met (mogelijke) significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Indien sprake is van een ongewoon voorval gelden er – ten opzichte van de zorgplicht – extra bevoegdheden voor het bevoegd gezag, extra verplichtingen voor de uitvoerder van de activiteit (zoals voorkomen dat het voorval nog een keer kan gebeuren) en extra verplichtingen voor het bevoegd gezag (bijvoorbeeld de verplichting om andere bevoegde gezagen te informeren). Het ongewoon voorval is nader toegelicht in paragraaf 10.3 van dit beleidskader. 2Voorafgaand bodemonderzoek 2.1Voorafgaand bodemonderzoek bij graven en saneren Het doel van bodemonderzoek voorafgaand aan een activiteit is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Door voorafgaand bodemonderzoek te doen bij de activiteit graven kunnen we bepalen of de regels voor graven in de bodem met een kwaliteit gelijk of onder de interventiewaarde van toepassing zijn, of juist de regels voor graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Ook volgt uit het voorafgaand bodemonderzoek wat de verwachte hergebruiks- of verwerkingsmogelijkheden voor de te ontgraven grond zijn en hoe de partij-indeling bij een partijkeuring tot stand komt. In het Bal wordt in paragraaf 5.2.2. beschreven welke eisen worden gesteld aan ‘voorafgaand bodemonderzoek’. Op andere plekken in het Bal wordt vervolgens naar deze paragraaf verwezen. Dit hoofdstuk is een inhoudelijke aanvulling/toelichting op Bal paragraaf 5.2.2. Een voorafgaand bodemonderzoek bestaat in ieder geval uit een vooronderzoek. Afhankelijk van de resultaten hiervan, kan het noodzakelijk zijn om ook een verkennend bodemonderzoek te doen. Bij de volgende milieubelastende activiteiten schrijft het Bal voorafgaand bodemonderzoek volgens par 5.2.2. Bal voor: Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven ≤ I); Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven > I); Saneren van de bodem (MBA Saneren). Ook bij de omgevingsplanactiviteit bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie is voorafgaand bodemonderzoek volgens par 5.2.2 Bal verplicht. Het onderwerp bouwen van een bodemgevoelig gebouw, wat een sterke relatie heeft met de MBA saneren in het Bal, lichten we toe in hoofdstuk 8. Bij het bouwen op een bodemgevoelige locatie bepaalt het onderzoek of sanerende maatregelen nodig zijn. Het vooronderzoek bepaalt of de locatie verdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging. Het daarop volgende verkennend bodemonderzoek wijst uit of sprake is van overschrijding van de waarde die in het omgevingsplan staat. Voor de activiteit saneren geeft het onderzoek inzicht in de ontgravingscontour en -diepte om de beoogde saneringsdoelstelling te kunnen bereiken. Vooronderzoek In paragraaf 5.2.2 Bal is het vooronderzoek de eerste stap van het voorafgaand bodemonderzoek. Het vooronderzoek is gebaseerd op de NEN5725 ‘Bodemrichtlijn voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek’ [Lit. 8]. Daarmee wordt nagegaan of er bodembedreigende activiteiten op en in de onmiddellijke nabijheid van de onderzoekslocatie hebben plaatsgevonden of plaatsvinden die de locatie met een of meer stoffen kunnen hebben verontreinigd. Daarnaast worden gegevens verzameld over de bodemkwaliteit op en in de onmiddellijke nabijheid van de locatie. Het vooronderzoek beantwoordt de vraag of sprake is van een verdachte locatie of een reeds eerder aangetoonde verontreiniging en doet een aanbeveling over een uit te voeren verkennend bodemonderzoek. Onderdeel van het vooronderzoek is ook om te beoordelen of de beschikbare informatie nog actueel en representatief genoeg is. In veel gevallen is een uitgebreid vooronderzoek niet nodig, bijvoorbeeld omdat er al informatie bekend is over de diffuse bodemkwaliteit (uit de bodemkwaliteitskaart of eerder uitgevoerd bodemonderzoek). Er kan met een vereenvoudigd vooronderzoek (vvo) worden volstaan als een locatie is ingedeeld in een zone van de bodemkwaliteitskaart en het vvo uitwijst dat de bodemkwaliteitskaartzone representatief is voor de locatie. Wanneer uit het vvo blijkt dat de locatie verdacht is op het voorkomen van een bodembedreigende activiteit of een puntbron9Een puntbronverontreiniging is een gevolg van een of meer specifieke activiteiten op een locatie, in tegenstelling tot een diffuse verontreiniging die niet tot een specifieke verontreinigingsbron te herleiden is. is alsnog uitgebreider vooronderzoek volgens de NEN5725 nodig om te achterhalen om welke verontreinigende stoffen het gaat. Er kan sprake zijn van verdachte stoffen die geen onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Zie verder paragraaf 2.2 voor een uitleg van het vereenvoudigd vooronderzoek. Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek Als een locatie verdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging en er onvoldoende informatie is over de daadwerkelijke kwaliteit van de bodem of het grondwater, dan laat de initiatiefnemer een verkennend bodemonderzoek (volgens de NEN5740) uitvoeren [Lit. 9]. In het geval van een verdenking op asbest in de bodem is een verkennend bodemonderzoek asbest (volgens de NEN 5707 [Lit. 10]) nodig. In een verkennend bodemonderzoek en/of verkennend bodemonderzoek asbest wordt door het (laten) uitvoeren van veldwerk (plaatsen boringen of graafgaten) en chemische analyses de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vastgesteld. Wanneer sprake is van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem (meer dan 50 procent bodemvreemd materiaal) is een onderzoek conform NEN 5897 [Lit. 12] nodig. Nader bodemonderzoek Uit een verkennend bodemonderzoek en/of asbestonderzoek kan blijken dat een nader onderzoek (ingevolge artikel 5.7d Bal) in overeenstemming met NTA 5755 [Lit. 13] nodig is, omdat de aard of de omvang van een verontreiniging nog niet voldoende is vastgesteld. Het doel van het nader bodemonderzoek is heel divers en er is daarbij altijd sprake van maatwerk. Wanneer sprake is van een immobiele verontreiniging (en er is sprake van een diffuse verontreiniging) is een nader onderzoek niet altijd nodig. Voor graafwerkzaamheden in een bodemverontreiniging of een saneringsaanpak afdekken waarbij alleen sprake is van de stofgroepen metalen, overige anorganische stoffen, PAK, organochloorbestrijdingsmiddelen, minerale olie en asbest, kan een nader onderzoek achterwege blijven bij de MBA Graven ≤ en > I en bij de saneringsaanpak afdekken onder de MBA Saneren. Eisen waar verkennend bodemonderzoek aan moet voldoen Voor het uitvoeren van bodemonderzoek zijn verschillende protocollen en normen uitgewerkt. Dit zijn de protocollen en normen die ook voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing waren. Dit betekent dat een initiatiefnemer: Het verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en het verkennend asbestonderzoek conform NEN5707 uitvoert; Het nader bodemonderzoek conform NTA 5755 en het nader bodemonderzoek asbest conform NEN5707 uitvoert. Voor het uitvoeren van het veldwerk voor het verkennend of nader bodemonderzoek (asbest) heeft de onderneming een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 nodig en heeft een laboratorium of inspectie-instantie een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000 nodig. Onder de BRL SIKB 2000 en AS SIKB 2000 gelden verschillende protocollen voor het plaatsen van boringen en peilbuizen en het bemonsteren van de bodem (protocol 2001), het bemonsteren van grondwater

(2002)en het uitvoeren van asbestonderzoek
(2018)waarvoor de onderneming aanvullend erkend moet zijn. Voor het uitvoeren van de laboratoriumanalyses heeft het laboratorium of de inspectie-instantie een erkenning bodemkwaliteit AS3000 en onderliggende protocollen nodig. Voor het uitvoeren van vooronderzoek, maar ook voor het rapporteren van de resultaten van het verkennend of nader bodemonderzoek (asbest), is geen erkenning noodzakelijk. Wanneer is verkennend of nader bodemonderzoek (asbest) noodzakelijk? Wanneer uit een vereenvoudigd vooronderzoek blijkt dat sprake is van een puntbron of de verdenking hierop, wordt eerst een uitgebreid vooronderzoek volgens de NEN5725 uitgevoerd. Indien het resultaat van het uitgebreid vooronderzoek hier aanleiding toe geeft is vervolgens een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 (bij graven en saneren) of een partijkeuring (bij toepassen) nodig. Wanneer er verdenking bestaat op het voorkomen van een asbestverontreiniging, dan wordt een verkennend bodemonderzoek asbest (NEN5707) uitgevoerd. Zones bodemkwaliteitskaart Ook kan op basis van de zone-indeling op de bodemkwaliteitskaart (Bijlage 3A) of voorgenomen activiteit verkennend bodemonderzoek verplicht zijn. De vigerende bodemkwaliteitskaart van de regio Amstelland en Meerlanden onderscheidt vier zones op basis van de lokale bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis (zones 1 tot en met 4). Daarnaast worden er nog twee zones onderscheiden waar gebiedsspecifiek beleid van toepassing is (zones 1A en 1B). Binnen de gemeente Diemen is alleen sprake van zones 1, 2 en 3 en zijn er gebieden met te weinig gegevens. Ook zijn enkele saneringsgebieden aangeduid, waarbinnen regels gelden die in het sanerings- of nazorgplan zijn opgenomen. Zie verder paragraaf 2.4 van dit beleidskader voor een nadere aanduiding van de zones. Verkennend bodemonderzoek Een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 is noodzakelijk bij: Constatering van een puntbron of verdenking hierop; Voorgenomen bouw van een bodemgevoelig gebouw, binnen de gemeente Diemen in BKK-zone 3 en in niet-gezoneerde gebieden met te weinig gegevens, zie hoofdstuk 8; MBA Graven in bodem (> 25 m3) met een kwaliteit boven de interventiewaarde, zie paragraaf 3.3; MBA Graven en Kleinschalig graven in de openbare weg; MBA Graven en Kleinschalig graven in niet-vastgestelde zones (vanwege te weinig gegevens) zonder representatief bodemonderzoek; MBA Saneren voorafgaand aan de bouw van een bodemgevoelig gebouw, of vrijwillige sanering, zie hoofdstuk 4. Het bodemonderzoek volgt echter meestal al bij de voorgenomen bouw van een bodemgevoelig gebouw. Graven in de openbare weg Bij herprofileringen, werk aan kabels en leidingen en andere werkzaamheden aan de openbare weg komen vaak zand en funderingsmateriaal vrij. Het funderingsmateriaal kan bestaan uit allerlei soorten steenachtig materiaal, van puinhoudende grond tot hoogovenslakken. In feite wijken zowel de opbouw als de samenstelling van het wegprofiel dermate af van de omgeving dat de bodemkwaliteitskaart niet representatief is voor de openbare weg. Bij graafwerk in de openbare weg is een indicatief bodemonderzoek noodzakelijk (behalve als er al een representatief bodemonderzoek aanwezig is). Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van asbest (bijvoorbeeld bij aantreffen van puin). Wanneer is géén verkennend bodemonderzoek nodig? Soms is de uitkomst van een (vereenvoudigd) vooronderzoek dat verkennend bodemonderzoek niet nodig is. Dat kan zo zijn in de volgende gevallen: Uit het vooronderzoek voorafgaand aan graafwerkzaamheden die vallen onder de MBA graven Bal in zones op de bodemkwaliteitskaart met een kwaliteitsklasse tot maximaal industrie (dit betreft binnen de gemeente Diemen BKK-zone 1, 2 en 3) is gebleken dat de locatie niet verdacht is op de aanwezigheid van een puntbron (zie art. 5.7a en 5.7b lid 1 van het Bal); Uit het vooronderzoek voorafgaand aan graafwerkzaamheden die vallen onder Kleinschalig graven (≤ 25 m3) is gebleken dat de locatie niet verdacht is op de aanwezigheid van een puntbron; Uit het vooronderzoek voorafgaand aan de omgevingsplanactiviteit ‘bouwen van een bodemgevoelig gebouw’ in zones 1 en 2 van de BKK is gebleken dat de locatie niet verdacht is op de aanwezigheid van een puntbron; Bij het vooronderzoek blijkt dat er eerder uitgevoerd bodemonderzoek is uitgevoerd dat geschikt is om te gebruiken. XML-format (SIKB0101) Het is in het belang van initiatiefnemers dat gebruik kan worden gemaakt van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. Daarom worden uitgevoerde bodemonderzoeken ook opgenomen in het Bodem Informatiesysteem (BIS). Om de gegevens uit een bodemonderzoeksrapport efficiënt te kunnen invoeren in het bodeminformatiesysteem, is het verplicht de resultaten van een bodemonderzoek10Het gaat hier om nieuw uitgevoerde bodemonderzoeken. Als men bij een melding gebruik maakt van resultaten van een onderzoek dat zich reeds in het BIS bevindt is het niet nodig om opnieuw een XML aan te leveren. ook aan te leveren in de meest recente versie van het XML-format of in de één na laatste versie. Dit sluit aan bij de beoordelingsrichtlijnen en protocollen van de SIKB die van toepassing zijn op de organisaties die bodemonderzoek verrichten. In die richtlijnen en protocollen wordt voor de digitale uitwisseling van bodemgegevens uitgegaan van de datastandaard SIKB0101 waarin het bestandsformaat XML is voorgeschreven. Dit vereenvoudigt het verwerken van de milieuhygiënische data in het bodeminformatiesysteem van de gemeente of de Omgevingsdienst NZKG. De voorwaarden waaraan het XML-bestand moet voldoen staan beschreven in Bijlage 8 van dit beleidskader. Representativiteit bodemonderzoek Er zijn in het Bal geen specifieke termijnen opgenomen voor de geldigheid van een onderzoek. De beoordeling of een eerder uitgevoerd bodemonderzoek nog voldoende actueel en representatief is, is altijd maatwerk en onderdeel van het vooronderzoek. Het bevoegd gezag doet een eindbeoordeling. Diemen houdt als geldigheidstermijn voor bodemonderzoeken in principe 5 jaar aan, maar het bevoegd gezag staat het indienen van ouder onderzoek soms wel toe. Voorwaarde is dat kan worden aangetoond dat er na uitvoering van het bodemonderzoek geen verontreiniging is toegevoegd, of bodemrapporten kunnen worden overlegd waaruit blijkt dat er sprake is van een stabiele situatie (bij mobiele stoffen). Verder is van belang dat het eerder uitgevoerd bodemonderzoek betrekking heeft op de relevante bodemlagen en onderzochte parameters en in de directe nabijheid ligt van de locatie waarop de activiteit betrekking heeft. Lozingsvoorschriften bij bodemonderzoek Tijdens het uitvoeren van bodemonderzoek kan afvalwater vrijkomen door het oppompen van grondwater. Voor dit afvalwater zijn geen normen opgenomen, omdat de kwaliteit van het grondwater pas bekend is na het onderzoek. De lozingsroute voor het grondwater is het vuilwaterriool, omdat niet is uit te sluiten dat het grondwater verontreinigd is. Via een maatwerkvoorschrift op art 5.7 f lid 2 Bal (in combinatie met het artikel voor de MBA graven of saneren dat onderzoek conform paragraaf 5.2.2 Bal verplicht stelt) kan het bevoegd gezag ook een andere lozingsroute toestaan. Wil men (in plaats van op het vuilwaterriool) lozen op of in de bodem of op het schoonwaterriool, dan moet men, vóórdat het onderzoek wordt uitgevoerd, een maatwerkvoorschrift aanvragen bij de gemeente. Wil men lozen op een regionaal oppervlaktewater, dan heeft men een maatwerkvoorschrift van het waterschap nodig waarbij het waterschap deze lozingsroute toestaat. 2.2Vereenvoudigd vooronderzoek (vvo) Doel van het vooronderzoek is nagaan of er sprake is van een verdachte locatie. Een locatie is verdacht als er aanwijzingen zijn voor een locatiegebonden bodemverontreiniging (puntbron), waardoor de bodemkwaliteit mogelijk afwijkt van de diffuse bodemkwaliteit zoals deze is weergegeven op de bodemkwaliteitskaart. Een vereenvoudigd vooronderzoek (vvo) als invulling van de NEN5725 is toegestaan als een locatie is ingedeeld in een zone van de bodemkwaliteitskaart en het vereenvoudigd vooronderzoek uitwijst dat de bodemkwaliteitskaartzone representatief is voor de locatie. Wanneer echter sprake is van een puntbron of de verdenking hierop wordt - aanvullend op het vereenvoudigd vooronderzoek - een uitgebreid vooronderzoek volgens de NEN5725 uitgevoerd. Voor het gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij de activiteiten graven, saneren, bouwen of toepassen is een onderzoek naar eventuele puntbronnen verplicht. Hierbij wordt er gekeken of er aanvullende gegevens bestaan over een brongerelateerde verontreiniging op de plek van de ontgraving/herkomstlocatie. Zo nee, dan is de ontgraving/herkomstlocatie ‘niet verdacht’ en mag worden aangenomen de kwaliteit van de bodem/bewuste partij grond overeenkomt met de bodemkwaliteit zoals weergegeven in de bodemkwaliteitskaart (het gemiddelde voor de ontvangende bodem en de P80-waarde11De P80-waarde (of 80-percentielwaarde) is de waarde waarbij 80 procent van de waarnemingen een waarde vertoont die onder die waarde ligt. De P80-waarde geeft een betrouwbaarder beeld van de bodemkwaliteit op een locatie dan alleen het gemiddelde van de waarnemingen. Daardoor treedt bij ontgraven minder snel ongewenste vermenging van schone en minder schone grond op. voor de te ontgraven partij). Een uitgebreid vooronderzoek is niet nodig bij de volgende activiteiten (hier volstaat een vereenvoudigd vooronderzoek als geen puntbron of verdenking wordt geconstateerd): Voorgenomen bouw van een bodemgevoelig gebouw, zie hoofdstuk 8; MBA graven in bodem (> 25 m3) met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde, zie paragraaf 3.2; MBA graven in bodem (> 25 m3) met een kwaliteit boven de interventiewaarde, zie paragraaf 3.3; Graven onder de regels voor kleinschalig graven (≤ 25 m3), zie paragraaf 3.4; MBA saneren in samenhang met bouwen of vrijwillige sanering, zie hoofdstuk 4; MBA toepassen van grond uit BKK-zones 1, 2 en 3 (met de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring, mits toepassing is toegestaan volgens BKK-toepassingsmatrix of met een partijkeuring), zie hoofdstuk 6. Welke bronnen moeten minimaal worden geraadpleegd? De NEN 5725 gaat ervan uit dat je alle voor het vooronderzoek relevante en beschikbare informatie over de locatie doorneemt en daarvan verslag doet in een rapportage. Zo moet inzicht worden gegeven van alle mogelijke verontreinigingen op de locatie. Het vereenvoudigd vooronderzoek is de interpretatie van de NEN 5725, waarin minder informatiebronnen worden geraadpleegd, maar minimaal de volgende: Locatiegegevens van de initiatiefnemer (adresgegevens, bouwjaar gebouwen, evt. brand, voormalige en huidig gebruik van locatie); Bodemkwaliteitskaart Regio Amstelland en Meerlanden 2020 (welke achtergrondkwaliteit, welke zone, bij toepassen: zowel de locatie van herkomst als de toepassingslocatie); Historische gegevens via Topotijdreis (bodeminformatie activiteiten, ligging brandstoftanks, dempingen, ophogingen en storten, evt voormalige sloten, voormalige bedrijfsterreinen, vooroorlogse boerenerven); Actueel Hoogtebestand Nederland (zie Home | AHN); Bodeminformatiesysteem Nazca via GIS-viewer OD NZKG (gegevens uit bodemrapporten, asbestonderzoek); PFAS-kaart (achtergrondconcentratieniveaus); Kaarten en luchtfoto’s en topotijdreis (Zie: Topotijdreis: 200 jaar topografische kaarten) (ontwikkeling (van bebouwing
  1. op)locatie over achtereenvolgende jaren, inschatten kans op asbestbron. Extra aandacht voor organochlooorbestrijdingsmiddelen In de bodem van landbouwpercelen worden nog geregeld organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’
  2. s)aangetroffen. Deze stoffen komen niet voor in het standaard stoffenpakket. Gezien het feit dat deze stoffen zeer lokaal worden aangetroffen (op sommige landbouwpercelen wel, op andere niet) is er geen sprake van een diffuse verontreiniging in het hele landbouwgebied van de regio. Opname in de bodemkwaliteitskaart is om die reden niet goed mogelijk. Wanneer grond wordt ontgraven afkomstig van een landbouwperceel liggend in een vastgestelde BKK-zone en deze partij wordt elders toegepast, kan gebruik worden gemaakt van eventuele vrijstelling voor het doen van onderzoek voor de stoffen die opgenomen zijn in de bodemkwaliteitskaart. In het vooronderzoek moet echter wel aandacht worden besteed aan OCB’s. Wanneer blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat er in het verleden OCB’s op het betreffende perceel zijn toegepast mag een bodemonderzoek achterwege blijven. 2.3Milieuverklaring bodemkwaliteit Het toepassen van grond of baggerspecie is een milieubelastende activiteit volgens het Bal. Daarom moet de kwaliteit van deze materialen bekend zijn. Om de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie aan te tonen, moet degene die de partij grond of baggerspecie toepast een bewijsmiddel hebben. Dit heet een 'milieuverklaring bodemkwaliteit’. Op grond van de Regeling bodemkwaliteit 2022 [Lit. 6] worden diverse soorten milieuverklaringen onderscheiden die kunnen worden afgegeven voor partijen grond en baggerspecie. Voor alle verklaringen geldt dat de indeling in een kwaliteitsklasse wordt beoogd. Er wordt onderscheid gemaakt in een milieuverklaring voor partijen grond en baggerspecie die worden ontgraven en/of toegepast en een milieuverklaring voor de ontvangende bodem (de bodemlocatie). Milieuverklaring voor toe te passen grond of baggerspecie Er zijn 5 typen milieuverklaringen bodemkwaliteit om de kwaliteit van toe te passen grond of baggerspecie aan te tonen: Milieuverklaring op grond van een partijkeuring voor grond of baggerspecie Het afgeven van een verklaring op grond van een partijkeuring voor een partij grond of baggerspecie en het verrichten van een partijkeuring van een partij grond of baggerspecie vinden plaats volgens de bepalingen van artikel 4.3.3 van de Regeling bodemkwaliteit 2022. Een verklaring op grond van een partijkeuring wordt voor een partij grond of baggerspecie alleen afgegeven als er voor die partij niet al een erkende kwaliteitsverklaring of een fabrikant-eigenverklaring is afgegeven. De grootte van een partij die in een partijkeuring wordt onderzocht, bedraagt ten hoogste 10.000 ton. Bij asbestonderzoek wordt de concentratie asbest bepaald volgens NEN 5707, in dat geval bedraagt de grootte van de te onderzoeken partij ten hoogste 2000 ton. Milieuverklaring op grond van een bodemonderzoek Het afgeven van een verklaring op grond van een bodemonderzoek voor een partij grond of baggerspecie en het verrichten van bodemonderzoek op een ontgravingslocatie vinden plaats volgens de bepalingen van artikel 4.3.4 van de Regeling bodemkwaliteit 2022. Milieuverklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart Het afgeven van een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart over de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie die uit een onderzochte bodemlocatie wordt ontgraven en het verrichten van een vooronderzoek op de bodemlocatie vinden plaats volgens de bepalingen van artikel 4.3.5 van de Regeling bodemkwaliteit 2022. Erkende kwaliteitsverklaring Het afgeven van erkende kwaliteitsverklaringen en het onderzoek ten behoeve van de erkenning van producenten die het recht hebben om voor door hen vervaardigde partijen grond of baggerspecie een erkende kwaliteitsverklaring af te geven vinden plaats volgens de bepalingen van artikel 4.3.6 van de Regeling bodemkwaliteit 2022. Fabrikant-eigenverklaring Het toelatingsonderzoek dat producenten het recht geeft om een fabrikant-eigenverklaring af te geven voor partijen van door hen vervaardigde grond of baggerspecie, vindt plaats volgens de bepalingen van artikel 4.3.7 van de Regeling bodemkwaliteit 2022. Milieuverklaring voor de ontvangende bodem (bodemlocatie) Bij toepassingen op de landbodem is het soms noodzakelijk om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen. Dit is het geval wanneer de locatie in een gebied ligt waarvoor geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld of wanneer de bodemkwaliteitskaart niet geldt. In dat geval is ook een milieuverklaring bodemkwaliteit van de ontvangende bodem nodig. Er zijn 2 milieuverklaringen bodemkwaliteit om de kwaliteit van ontvangende bodem aan te tonen: Verklaring op grond van een bodemonderzoek (Rbk art 4.10.2) Het afgeven van een verklaring op grond van een bodemonderzoek over de kwaliteit van de ontvangende bodem op de onderzochte bodemlocatie waarop grond of baggerspecie wordt toegepast, en het verrichten van bodemonderzoek op die bodemlocatie vinden plaats volgens de bepalingen van artikel 4.10.2 van de Regeling bodemkwaliteit 2022. In het bodemonderzoek wordt voor de te onderzoeken bodemlocatie onderzocht in welke kwaliteitsklasse de ontvangende bodem wordt ingedeeld. De ontvangende bodem op de onderzochte bodemlocatie wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen, industrie, matig verontreinigd of sterk verontreinigd. Deze indeling vindt plaats op grond van het rekenkundig gemiddelde van de in standaardbodem omgerekende concentraties van de onderzochte stoffen die in alle onderzochte mengmonsters zijn bepaald. De ontvangende bodem wordt ingedeeld in de slechtste kwaliteitsklasse waarin een van de onderzochte stoffen is ingedeeld. Verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart (Rbk art 4.10.2a) Een verklaring op grond van een bodemkwaliteitskaart over de kwaliteit van de ontvangende bodem kan worden afgegeven als de bodemlocatie waarop de verklaring betrekking heeft, is gelegen in een gebied waarvoor een bodemkwaliteitskaart geldt die (ten hoogste vijf jaar eerder) is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente. De bodemkwaliteitskaart (anders dan voor het gebiedsspecifieke beleid) valt niet onder het overgangsrecht, maar blijft geldig met als grondslag het Bbk. Tevens mag het vooronderzoek geen reden hebben gegeven om aan te nemen dat de bodem in een andere kwaliteitsklasse moet worden ingedeeld dan op de bodemkwaliteitskaart is weergegeven voor het gebied waarin de bodemlocatie is gelegen. 2.4Bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit De bodemkwaliteitskaart behoudt onder de Omgevingswet haar belangrijke functie bij de uitvoering van het bodembeleid. Bij elke zone horen bijpassende eisen aan het grondverzet en aan de kwaliteit van de grond die er mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie. Zie Tabel 2.1 voor de indeling van de bodemkwaliteitskaart in zones. Niet alle gebieden zijn ingedeeld in een zone. Dat komt bijvoorbeeld omdat er te weinig bodeminformatie beschikbaar is, of omdat het een bodemsaneringsgebied betreft waarvoor bijzondere voorwaarden (in een sanering/nazorgplan) gelden. Dit geldt voor enkele gebieden in de Diemerpolder en Diemen (Sniep). Tabel 2.1De bodemkwaliteitszones van de bodemkwaliteitskaart Regio Amstelland en Meerlanden (waar Diemen deel van uitmaakt) met aanwezige bodemfuncties, gemiddelde bodemkwaliteit en kwaliteit bij ontgraven (gebaseerd op de 80-percentielwaarde (P80). De toplaag is de laag van 0-0,5 m-mv, de diepe laag is de laag van 0,5-2,0 m-mv en de diepere ondergrond is de laag dieper dan 2,0 m-mv). De zones 4, 1A en 1B liggen niet in Diemen. Zone Voorkomende bodemfuncties Gemiddelde kwaliteit zone (ontvangende bodem) Kwaliteit bij ontgraven (P80) 1 Diemen Nrd en Zd, Diemerbos, Venserpolder, Amsterdamse Bos, jonge woonwijken Amstel- veen, deel Duivendrechtse Polder (Borchland), woonwijken Stommeer en Hornmeer Aalsmeer, landelijk gebied (oa Schinkelpolder, Bovenker- kerpolder, Legmeerpolder, Nes a/d Amstel), glastuinbouwgebieden en jonge woonwijken Uithoorn. Landbouw/natuur Toplaag: landbouw/natuur Toplaag: landbouw/natuur Wonen Diepe laag: landbouw/natuur Diepe laag: landbouw/natuur Industrie Ondergr.: landbouw/natuur Ondergr.: landbouw/natuur te weinig gegevens eerst partijkeuring 2 Delen Over-Diemen, Duivendrecht, industrie- gebied Amstel (Spaklerweg), Elsrijk Amstel- veen, bebouwing Aalsmeerderweg en Horn- weg, jonge woonwijken Uithoorn (De Kwakel), landelijk gebied Kudelstaart. Landbouw/natuur Toplaag: wonen Toplaag: wonen Wonen Diepe laag: wonen Diepe laag: wonen Industrie Ondergr.: landbouw/natuur Ondergr.: landbouw/natuur industrie industrie te weinig gegevens eerst partijkeuring 3 Boerenerven langs de Amstel en polders, centrum Diemen, volkstuinparken Ouder-Am- stel, bebouwing Ouderkerkerlaan, Noorddam- merlaan, Legmeerdijk en Amsterdamseweg Amstelveen, zuidkant Ouderkerk a/d Amstel, Uiterweg en Oosteinderweg Aalsmeer, akkers/ eilandjes Westeinderplassen. Landbouw/natuur Toplaag: industrie Toplaag: industrie Wonen Diepe laag: industrie Diepe laag: industrie Industrie Ondergr.: landbouw/natuur Ondergr.: landbouw/natuur industrie industrie te weinig gegevens eerst partijkeuring 4 Oever langs Ringvaart Amsterdamse Bos, noordkant Ouderkerk a/d Amstel, dorpscen- trum, Langs de Vuurlinie (Meerlaan) Uithoorn. Landbouw/natuur Toplaag: > interventiewaarde Toplaag: > interventiewaarde Wonen Diepe laag: > interventiewaarde Diepe laag: > interventiewaarde Industrie Ondergr.: te weinig gegevens Ondergr.: eerst partijkeuring 1A Bedrijventerreinen GreenPark en Hornmeer Aalsmeer, bedrijventerrein De Loeten Amstel- veen, Flora Holland Zuid Uithoorn, herontwik- kelingsgebied “Tussen Poelweg en Noorddam- merweg” Uithoorn. Industrie Alle lagen: landbouw/natuur Gebiedsspecifiek beleid (Let op: geb. specifiek beleid! Kwaliteit wordt beïnvloed) 1B Grondbank Aalsmeer (Kudelstaart) Industrie Alle lagen: landbouw/natuur Gebiedsspecifiek beleid (Let op: geb. specifiek beleid! Kwaliteit wordt beïnvloed) Zie Bijlage 3 voor de kaarten. Milieuverklaring bodemkwaliteit In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staat vermeld dat een milieuverklaring bodemkwaliteit nodig is om de kwaliteit van een toe te passen partij grond of baggerspecie en soms ook van de ontvangende bodem aan te tonen. De bodemkwaliteitskaart is één van de vijf typen milieuverklaringen bodemkwaliteit, die een toepasser kan gebruiken (zie paragraaf 2.3 voor nadere uitleg hierover). In de milieuverklaring zelf moet duidelijk de relatie tussen de bodemkwaliteitskaart en de toe te passen partij of de ontvangende bodem worden gelegd. Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij de milieubelastende activiteit Toepassen Het binnen Diemen ontgraven en toepassen van grond afkomstig uit zones op de bodemkwaliteitskaart Regio Amstelland en Meerlanden met een kwaliteitsklasse tot maximaal industrie (binnen de gemeente Diemen zijn dat de BKK-zones 1, 2 en 3) is toegestaan met de bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit, mits de toepassing is toegestaan volgens de toepassingseisen op de locatie van toepassen. Zie hiervoor de toepassingseisen (Tabel 6.1) in paragraaf 6.5 of de BKK-toepassingsmatrix (Tabel 6.2) in paragraaf 6.8 van dit beleidskader. Het doen van een vereenvoudigd vooronderzoek op de ontgravingslocatie is voldoende. Er is geen partijkeuring nodig. Digitaal inzichtelijk maken van kwaliteitseisen en onderbouwing voor maatwerk Net zoals onder het oude generieke beleid van het Besluit bodemkwaliteit volgt uit artikel 4.1272 van het Bal dat de kwaliteitseisen voor een toepassing bepaald worden door de combinatie van de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem én de bodemfunctieklasse van een gebied. De strengste klasse is bepalend voor de toepassingseis in een gebied. Daarop is maatwerk mogelijk door lokale waarden vast te stellen. Deze toepassingseisen kunnen op een kaart worden weergegeven (toepassingskaart), die op termijn via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ontsloten zal worden, zodat voor iedereen zichtbaar is welke kwaliteitseisen per gebied gelden bij een voorgenomen toepassing van een partij grond of baggerspecie. De toepassingseisen voor Diemen staan in Tabel 6.1 in dit beleidskader. Grondslag voor andere beleidsafwegingen De bodemkwaliteitskaart kan ook nog steeds als basis dienen voor andere beleidsafwegingen, bijvoorbeeld bij het toetsen van een voorgenomen omgevingsplanactiviteit bouwen of bij de wijziging van een omgevingsplan. Zo kan bijvoorbeeld na een vooronderzoek naar voren komen dat in een bepaald gebied geen verdachte locaties voorkomen, dat de bodemkwaliteit al voldoende is onderzocht en van voldoende kwaliteit is voor de beoogde functie of voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Onderdeel van vooronderzoek of voorinformatie Een verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart is tevens te gebruiken als voorinformatie door initiatiefnemers bij bijvoorbeeld: Het uitvoeren van de activiteiten graven en saneren van de bodem; Het uitvoeren van een (op het vooronderzoek volgend) eindonderzoek volgens NEN 5740 (par 5.2.1 Bal) en het vaststellen van de eventuele herstelwaarde; Het inschatten van de risico’s voor het veilig werken met of in verontreinigde bodem, grond of grondwater (Arbo / CROW publicatie 400) [Lit. 14]; Het accepteren van partijen grond door BRL 9335 erkende organisaties; Ter voorbereiding van de uitvoering van projecten, bijvoorbeeld als onderdeel van een aanbesteding. 2.5Wanneer is welk bodemonderzoek noodzakelijk? Omdat het niet altijd duidelijk is of er een vereenvoudigd vooronderzoek of een verklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart (als milieuverklaring bij toepassen) mag worden gehanteerd of dat er een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) of partijkeuring moet worden uitgevoerd, zijn de meest voorkomende scenario’s voor bouwen, graven, saneren en toepassen van grond op een rijtje gezet in Tabel 2.2 en Tabel 2.3. De zones waar in de tabel naar verwezen wordt, zijn de zones uit de bodemkwaliteitskaart van de Regio Amstelland en Meerlanden. Tabel 2.2Scenario’s bij bouwen, graven en saneren binnen de gemeente Diemen, waarbij een vereenvoudigd vooronderzoek (vvo) kan worden gebruikt als vooronderzoek en/of een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) moet worden uitgevoerd. Scenario Vereenvoudigd vooronderzoek (mits conclusie onverdacht)* Verkennend bodemonderzoek (NEN5740) Omgevingsvergunning bouwen bodemgevoelig gebouw: Aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen van bodemgevoelig gebouw in zone 1 en 2 Ja Nee, behalve bij een puntbron* Aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen van bodemgevoelig gebouw in zone 3 en in niet-gezoneerde gebieden met te weinig gegevens Ja Ja, ongeacht de uitkomst van het vooronderzoek MBA Graven (> 25 m3): Graafwerk in zone 1, 2, 3 Ja Nee, behalve bij een puntbron* Graafwerk in de openbare weg Ja Ja Graafwerk in niet-gezoneerde gebieden (te weinig gegevens) Ja Ja Graafwerk op sanerings- of nazorglocaties Maatwerk Per geval bekijken (check tevens eventueel sanerings- of nazorgplan) Kleinschalig Graven (1-25 m3): Graafwerk in een BKK-zone (niet zijnde een beschikte locatie ernst - geen spoed) Ja Nee, behalve bij een puntbron* Graafwerk in de openbare weg Ja Ja Graafwerk op een beschikte locatie ernst - geen spoed Ja Nee, maar regime voor >I moet wel worden gevolgd Graafwerk in niet-gezoneerde gebieden (te weinig gegevens) Ja Ja Graafwerk op sanerings- of nazorglocaties Maatwerk Per geval bekijken (check tevens eventueel sanerings- of nazorgplan) MBA Saneren: Indien samenhang met bouwen bodemgevoelig gebouw, zie boven bij bouwen Zie bouwen Zie bouwen Overige verplichte saneringen ** (zie Omgevingsplan) (zie Omgevingsplan) Vrijwillig saneren (bijvoorbeeld lood in tuinen) Ja Ja * Bij constatering of verdenking van een puntbron wordt altijd eerst een aanvullend uitgebreid vooronderzoek volgens de NEN5725 uitgevoerd; ** Op moment van inwerkingtreding Omgevingswet zijn in het omgevingsplan (vooralsnog) geen andere verplichte saneringen opgenomen, naast saneringsplicht bij bodemgevoelig gebouw. Tabel 2.3Scenario’s bij toepassen waarbij een milieuverklaring op basis van de bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt of een partijkeuring moet worden uitgevoerd (nb. de zones 1A, 1B en 4 liggen niet in Diemen, maar maken wel onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart Regio Amstelland en Meerlanden). Scenario Milieuverklaring op basis van de BKK mogelijk Partijkeuring vereist (protocol 1001, art. 4.3.3 Regeling bodemkwaliteit 2022) Toepassen grond uit zones 1, 2, 3, 1A of 1B binnen AADUO, toepassing is wel toegestaan volgens BKK-toepassingsmatrix Ja Nee (toepassing met milieuverklaring op basis van BKK is toegestaan) Toepassen grond uit zones 2, 3, 1A of 1B binnen AADUO, toepassing is niet toegestaan volgens BKK-toepassingsmatrix Nee Ja (daarna toets op toepasbaarheid) Toepassen grond uit zone 4 Nee Ja (daarna toets op toepasbaarheid) Toepassen grond uit de openbare weg Nee Ja (daarna toets op toepasbaarheid) Toepassen grond afkomstig uit een niet-vastgestelde BKK-zone (te weinig gegevens of sanerings- of nazorglocatie) Nee Ja (daarna toets op toepasbaarheid) De ontvangende bodem valt niet in een vastgestelde BKK-zone (te weinig gegevens, sanerings- of nazorglocatie of de openbare weg) Nee, eerst verkennend onderzoek (NEN5740), check tevens evt saneringsplan - Toepassen grond van buiten AADUO (Haarlemmermeer of Amsterdam *); Toepassing is toegestaan volgens toepassingseis Ja Nee (toepassing met milieuverklaring op basis van BKK is toegestaan) Toepassen grond van buiten AADUO (Haarlemmermeer of Amsterdam *); Toepassing is niet toegestaan volgens toepassingseis Nee Ja (daarna toets op toepasbaarheid) Toepassen grond van buiten AADUO (niet zijnde Haarlemmermeer of Amsterdam) Nee Ja (daarna toets op toepasbaarheid) * AADUO: Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Uithoorn en Ouder-Amstel. Voorbeeldscenario’s In Tabel 2.4 staat in diverse scenario’s beschreven welk onderzoek moet worden uitgevoerd indien er een onverwachte situatie optreedt en de bodemkwaliteitskaart mogelijk niet gebruikt kan worden als milieuverklaring bodemkwaliteit. Tabel 2.4Scenario’s waarin een onverwachte situatie optreedt waarbij de bodemkwaliteitskaart mogelijk niet gebruikt kan worden en een bodemonderzoek (NEN5740) of partijkeuring moet worden uitgevoerd Scenario Milieuverklaring op basis van BKK mogelijk (met vvo) NEN5740-onderzoek vereist Partijkeuring vereist (protocol 1001, art. 4.3.3 Regeling bodemkwaliteit 2022) Er is een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) uitgevoerd op de ontgravingslocatie en grond is van mindere kwaliteit dan de BKK-klasse Ja, indien uitkomst valt binnen de statistische variatie van de betreffende zone en ligt beneden de interventiewaarde - - Er is een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd op de ontgravingslocatie en de vrijkomende grond is van betere kwaliteit dan de BKK-klasse, het voornemen is om deze grond elders toe te passen Ja, grond mag op basis van de BKK worden toegepast, niet op basis van het verkennend bodemonderzoek (BKK is hier de milieuhygiënische verklaring) - Ja, als de grond op basis van het verkennend bodemonderzoek schoner is dan de BKK, is een partijkeuring nodig om een milieuhygiënische verklaring te verkrijgen en de betere kwaliteit te bekrachtigen Er is een partijkeuring uitgevoerd op de ontgravingslocatie en de uitkomst komt niet overeen met de BKK-klasse Nee - Partijkeuring is leidend Uit vooronderzoek op de ontgravingslocatie blijkt dat sprake is van een verdachte locatie (betr. voornemen om de ontgraven grond elders toe te passen) Nee - Ja, verdachte stoffen meenemen (daarna toets op toepasbaarheid) Uit vooronderzoek op de toepassingslocatie blijkt dat sprake is van een verdachte locatie (betr. voornemen om elders ontgraven grond hier toe te passen) Nee Ja - Uit vooronderzoek op de ontgravingslocatie blijkt dat sprake is van een verdachte locatie (betr. voornemen om de ontgraven grond (deels) af te voeren en niet elders toe te passen) Nee Ja - Tijdens graafwerk wordt een onverwachte verontreiniging aangetroffen (bijv asbest, minerale olie) Deels (onverdachte deel) Ja, op verdachte deel en gericht op de onverwachte verontreiniging Nee 2.6PFAS-onderzoek In het vooronderzoek wordt aandacht besteed aan PFAS. Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Er is in ieder geval sprake van een reële verdenking als op een locatie PFAS-houdend blusschuim is gebruikt, als er is gewerkt met PFAS-houdende producten of als het aannemelijk is dat de locatie door verspreiding verontreinigd kan zijn met PFAS in gehalten boven de diffuse achtergrondwaarden. Het bodemonderzoek wordt in ieder geval gericht op de stoffen PFOS en PFOA. Dit moet worden uitgebreid met andere stoffen uit de PFAS-groep als er (op basis van het vooronderzoek) aanwijzingen zijn dat die stof(fen) in verhoogde gehalten in de bodem kunnen worden aangetroffen. Voorafgaand aan een geplande toepassing van grond (MBA Toepassen) kan de bodemkwaliteitskaart PFAS (de ACN-kaart, Achtergrondconcentratienorm-kaart) worden geraadpleegd. Zie hiervoor verder paragraaf 6.6 van dit beleidskader. 2.7Niet-genormeerde stoffen In bijlage IIA van het Bal zijn voor diverse stoffen normwaarden opgenomen bij de milieubelastende activiteiten, in instructieregels bij het bouwen op verontreinigde bodem en in de vorm van signaleringswaarden grondwaterkwaliteit. Voor het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie wordt verwezen naar de normwaarden (of kwaliteitseisen) die zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Daarnaast zijn er stoffen, zoals nutriënten (fosfaat, nitraat), andere macroparameters (chloride) en verontreinigende stoffen die slechts incidenteel als bodemverontreiniging worden aangetroffen en waarvoor geen normwaarden zijn opgenomen. Dergelijke stoffen worden aangeduid als niet-genormeerde stoffen. Ook bij niet-genormeerde stoffen kan er sprake zijn van mogelijke (on)aanvaardbare risico’s en er zal met deze stoffen rekening moeten worden gehouden bij milieubelastende activiteiten en bij het beheer van het gebied. Waar nodig kan het bevoegd gezag zelf normen (laten) bepalen. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van beschikbare kennis bij het RIVM, bijvoorbeeld een lijst met Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV’s), beschikbaar in het normenzoeksysteem op de website van het RIVM (Normen | Risico's van stoffen (rivm.nl)). Voor het omgaan met niet-genormeerde stoffen, met name gericht op incidenteel voorkomende stoffen was in bijlage 6 van de Circulaire bodemsanering [Lit. 17] een beschrijving opgenomen hoe hierbij te handelen. Deze beschrijving zal worden geactualiseerd en op een nader te bepalen wijze door het Rijk beschikbaar worden gesteld. Overigens geldt voor de initiatiefnemer die een activiteit verricht waarbij niet-genormeerde stoffen betrokken zijn, de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het voorzorgbeginsel heeft bij het uitvoeren van deze zorgplicht specifieke betekenis. Ook voor een niet-genormeerde stof betekent dit dat een belasting met deze stof voorkomen dient te worden. Indien stoffen worden aangetoond waarvoor in bijlage IIA van het Bal geen interventiewaarde bodemkwaliteit zijn vastgesteld, zijn deze stoffen dus niet bepalend voor de indeling in de milieubelastende activiteiten graven in de bodem beneden of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. De aanwezigheid van een niet genormeerde stof kan er dus niet toe leiden dat de regels voor de activiteit graven in bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit van toepassing zijn. Wel kan het bevoegd gezag indien gewenst maatwerkregels of -voorschriften vaststellen indien in bepaalde gebieden of op bepaalde locaties niet genormeerde stoffen voorkomen. Voor stoffen uit de PFAS-groep is dit al uitgewerkt. Wanneer de PFAS-gehalten boven de INEV’s uitkomen gelden maatwerkregels bij graven (niet terugplaatsen na tijdelijke uitname) en saneren (niet herschikken onder de afdeklaag). Zeer Zorgwekkende stoffen Daarnaast is voor de omgang met (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen (ZZS-
  3. en)aangekondigd dat samen met decentrale overheden een algemene methodiek zal worden opgesteld. Deze zogenoemde opkomende stoffen zijn stoffen die nog niet (wettelijk) genormeerd zijn en waarvan de schadelijkheid nog niet (volledig) is vastgesteld. Wat het beleid precies gaat inhouden kan van stof tot stof verschillen, maar uitgangspunt blijft dat de aanwezige ZZS-en geen onaanvaardbare risico’s voor mens en milieu mogen opleveren. In dit proces zal bekeken worden hoe de algemene methodiek past binnen het stelsel van de Omgevingswet. Voor veel verontreinigende stoffen zijn normen vastgesteld, die laten zien of een aangetroffen stof in een bovennormaal gehalte aanwezig is, en of dat consequenties heeft. Dat geldt in ieder geval voor alle stoffen die in een standaard bodemonderzoek worden meegenomen. Toch zijn er veel meer stoffen waarvoor geen normen bestaan, en ook die niet-genormeerde stoffen komen in de bodem voor, vaak in combinatie met wel genormeerde stoffen. Niet genormeerde stoffen worden zelden in een bodemonderzoek meegenomen en daarom is ook weinig bekend over de plaatsen waar deze stoffen voorkomen en in welke mate. Dat is niet altijd erg, omdat deze stoffen vaak in combinatie met genormeerde stoffen voorkomen. Als een standaard bodemonderzoek naar genormeerde stoffen uitwijst dat er geen risicovolle verontreinigingen zijn, dan mag veelal worden aangenomen dat er dus ook geen (risicovolle) verontreinigingen van niet-genormeerde stoffen zijn. Er zijn echter uitzonderingen, die we hieronder beschrijven. Diffuse verontreiniging Diffuse verontreinigingen strekken zich over grote gebieden uit, waar ze in meer of mindere mate voorkomen. Lood, koper en zink komen bijvoorbeeld veel voor in binnensteden, omdat ze daar in het verleden intensief zijn gebruikt en uitgestoten. Maar het komt ook voor dat stoffen van buiten het gebied, via luchtverontreiniging, in de bodem terecht zijn gekomen. Als zo’n stof diffuus wordt aangetroffen, dus zonder duidelijke bronlocatie, en er ook geen normen voor bestaan, dan kan er grote onduidelijkheid ontstaan. Dit laatste is de afgelopen jaren het geval geweest voor de stoffen PFOS en PFOA. Het ontbreken van een normenkader bleek een probleem voor bouwprojecten en grondwerk omdat er geen standaard risicobeoordeling kon worden gedaan van de gemeten verontreiniging. Mogelijk zijn er meer van dergelijke stoffen, waarvan het voorkomen nog niet bekend is. De volgende stappen laten zien hoe Diemen daarmee omgaat: Er lijkt sprake van een diffuse verontreiniging, op basis van een bodemonderzoek óf een vermoeden. De risico-aspecten van de stof worden in beeld gebracht. In principe gebeurt dit in opdracht van de initiatiefnemer, maar als deze verontreiniging de initiatiefnemer niet aangerekend kan worden neemt de gemeente deze taak over. De gemeente doet, in samenwerking met de regio-gemeenten en de omgevingsdienst, een probleemanalyse, waarin de omvang van de problematiek en de risico-aspecten in kaart worden gebracht. Zo nodig wordt expertise ingehuurd. De urgentie van de problematiek wordt doorlopend beoordeeld. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om snel maatregelen te nemen als er een groot risico bestaat als gevolg van de diffuse verontreiniging. Hoewel de stof dus overal aanwezig kan zijn, hoeft de stof niet in alle andere bodemonderzoeken te worden meegenomen. Dat is immers de afgelopen decennia ook niet gedaan. Bovendien ontstaat dan stagnatie door het ontbreken van normen. De gemeente maakt een beleidsmatige afweging hoe met de stof moet worden omgegaan. Dat kan door het vaststellen van beleid en regels, maar de gemeente kan daar ook van afzien omdat de problematiek dat in haar ogen niet rechtvaardigt. In dat geval wordt geaccepteerd dat de stof in de bodem aanwezig is en wordt vrijstelling voor het uitvoeren van bodemonderzoek verleend. 3Milieubelastende activiteit graven in bodem 3.1Rijksregels graven in bodem Graven is een veel voorkomende activiteit binnen de gemeente. Door te graven kunnen mensen in aanraking komen met verontreinigde grond waardoor risico’s voor de volksgezondheid kunnen ontstaan. De bodemkwaliteit verschilt echter per gebied. Door ontgraven kan verontreinigde grond verspreid worden, waardoor de bodem elders (meer) verontreinigd raakt en er risico’s ontstaan. Onder graven in de bodem vallen onder andere graafwerkzaamheden voor de aanleg van kabels en leidingen, maar ook grondverbetering, graven van watergangen of graven voor de bouw van een woning of een kantoor. De activiteit graven kan zelfstandig worden verricht of als onderdeel van andere milieubelastende activiteiten. Meestal wordt graafwerk door bedrijven uitgevoerd, maar op kleinere schaal ook door particulieren. De definitie van deze activiteit beperkt zich tot de landbodem. Wie graafwerk onder de milieubelastende activiteit Graven uitvoert is altijd verplicht zich aan de specifieke zorgplicht (art. 2.11 Bal) te houden. Om de volksgezondheid en de bodemkwaliteit te beschermen stelt het Rijk in het Bal algemene regels voor de ‘milieubelastende activiteit’ (MBA) graven in de bodem bij een omvang van meer dan 25 m3 grondverzet. De basisregels in het Bal voor graven hebben betrekking op het doen van bodemonderzoek (vooronderzoek en indien noodzakelijk verkennend en/of nader (asbest)bodemonderzoek), het gescheiden houden van grond, de tijdelijke uitname van grond, de tijdelijke opslag van grond en de afvoer van grond. Onder de MBA’s graven (> I en ≤ I) in het Bal wordt verstaan het projectmatig ontgraven en het tijdelijk uitnemen van grond daarbij. De MBA graven kan daarnaast uitvoering geven aan de saneringsaanpak verwijderen van de MBA saneren. Het regelen van de milieubelastende activiteit graven is van belang om te zorgen voor een passend beschermingsniveau, om nadelige gevolgen voor het milieu (zoals het vermengen van partijen grond met verschillende kwaliteitsklassen) te voorkomen. Partijen grond met verschillende kwaliteitsklassen moeten gescheiden worden gehouden tijdens het graven, de opslag en het vervoer. Bij graven kan sprake zijn van het tijdelijk uitnemen en na afloop weer terugplaatsen van grond, maar ook van afvoer van grond naar elders. Ook het zeven, de tijdelijke opslag, het terugplaatsen en het afvoeren van grond maken onderdeel uit van de milieubelastende activiteiten graven in de bodem. Graven in de waterbodem valt buiten deze MBA’s en wordt geregeld in de waterschapsverordening van Waterschap Amstel Gooi en Vecht en Hoogheemraadschap van Rijnland (regionale wateren) en voor het Rijk in hoofdstuk 6 (rijkswateren) van het Bal. De regels voor graven in de bodem gelden voor alle stofgroepen, dus mobiele en immobiele verontreinigingen. Deze regels dienen om verspreiding en/of vermenging van verontreinigde grond te voorkomen. Als er sprake is van graafwerk van minder dan 25 m3 dan gelden de regels voor Kleinschalig graven (zie paragraaf 3.4 van dit beleidskader) in het omgevingsplan. Zie Figuur 3.1 voor het onderscheid. Figuur 3.1Onderscheid MBA Graven (Bal) en Kleinschalig graven (omgevingsplan) Kwaliteitsklassen Het is belangrijk dat de initiatiefnemer kennis heeft van de bodemkwaliteit voordat hij begint met graven. Zonder die kennis is het niet mogelijk om grond van verschillende kwaliteiten te herkennen en gescheiden te ontgraven en bestaat het gevaar dat verontreinigde grond wordt verspreid. Bij de MBA Graven is er een onderscheid tussen graven in bodem met een kwaliteit boven en beneden (of gelijk aan) de interventiewaarde (uit de voormalige Circulaire bodemsanering 2013). Omdat de interventiewaarde hier deel uitmaakt van de aanwijzing van de milieubelastende activiteit (MBA), mag een gemeente in dit verband geen andere waarde vaststellen. Het Rijk bepaalt wat onder de MBA’s in het Bal valt. De interventiewaarden zijn opgenomen in bijlage IIA bij het Bal. In het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) worden de volgende kwaliteitsklassen onderscheiden: Als de interventiewaarde bodemkwaliteit voor welke stof dan ook niet wordt overschreden, dan gelden de basisregels voor graven zoals omschreven in paragraaf 3.2.21 en 4.119 van het Bal (Graven ≤ I). Als de interventiewaarde bodemkwaliteit voor één of meerdere stoffen wel wordt overschreden, dan zijn de regels uit paragraaf 3.2.22 en 4.120 van het Bal (Graven > I) van toepassing. 3.2Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit Wettelijk kader: De activiteit ‘Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit’ (bedrijfstakoverstijgend) is te vinden onder paragraaf 3.2.21 (artikelen 3.48d en e); de algemene regels onder paragraaf 4.119 (artikelen 4.1219 tot en met 4.1223) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De interventiewaarden als grens tussen de activiteit graven in een bodemkwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit en de activiteit graven in een bodemkwaliteit boven de interventiewaarden bodemkwaliteit staan vast. Deze zijn opgenomen in bijlage IIA van het Bal. In Diemen komt graafwerk in bodem met een kwaliteit onder (of gelijk aan) de interventiewaarde zeer vaak voor. Onder de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven ≤ I) valt: Het graven; Het zeven van de uitkomende grond op de locatie; Het tijdelijk opslaan van grond; Het terugplaatsen van grond nadat het maximaal 8 weken tijdelijk is opgeslagen. Bij afvoer van grond moet worden voldaan aan de afvalstoffenwetgeving. Uitgesloten van deze activiteit is het volgende: Graven in een bodemvolume minder dan of gelijk aan 25 m3 (zie hiervoor paragraaf 3.4 Kleinschalig graven); Graven in een waterbodem. Voorafgaand bodemonderzoek Het is in Diemen toegestaan om de resultaten van een vereenvoudigd vooronderzoek in te dienen, in plaats van de resultaten van een uitgebreid NEN 5725-onderzoek. In bepaalde gevallen kan ook een verkennend bodemonderzoek achterwege blijven. Zie paragraaf 2.1 en 2.2 voor de eisen aan het voorafgaand bodemonderzoek bij deze activiteit. Onverwacht aantreffen van asbestverdacht materiaal Tijdens het graven kan onverwacht asbestverdacht materiaal worden aangetroffen. Omdat hiernaar geen onderzoek is gedaan, is niet duidelijk of er mogelijk een sterke asbestverontreiniging aanwezig is en de regels voor Graven > I gelden. Het graafwerk moet tijdelijk gestaakt worden en er moet een onderzoek conform NEN 5707 worden uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomst van dit asbestonderzoek kan het nodig zijn een melding MBA Graven > I in te dienen. Er zal zonodig onder asbestcondities moeten worden gewerkt. Verspreiding van asbestverdacht materiaal wordt voorkomen. De situatie moet op locatie beoordeeld worden door een asbestdeskundige of milieukundig begeleider met asbestervaring. Onder zijn begeleiding vindt op basis van verdachtheid op locatie een voorlopige scheiding in partijen en opslag plaats, daarna wordt onderzoek uitgevoerd conform NEN 5707. Is er sprake van tijdelijke uitname dan kan de Richtlijn voor risicogestuurd werken met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem [Lit. 24] worden geraadpleegd. Ter bepaling van eventuele mogelijkheden voor hergebruik van de ontgraven grond wordt een partijkeuring uitgevoerd of wordt de grond naar een erkend verwerker afgevoerd. Partijen grond gescheiden houden bij graven, terugplaatsen en afvoeren Tijdens het graven kunnen meerdere partijen grond ontstaan met verschillende kwaliteitsklassen. Bij het graven, het terugplaatsen of het afvoeren van grond worden partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden gehouden. Dit is nodig om de gezondheid te beschermen, de kwaliteit van de bodem te beschermen en om afvalstoffen doelmatig te beheren. Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen is voorgeschreven om ongewenste verspreiding van verontreinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en om doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen. Bij het graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit gaat het meestal om grond die herbruikbaar is en onder de regels van de MBA Toepassen eventueel elders kan worden toegepast. Dit zijn de kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) zijn ingedeeld, te weten landbouw/natuur, wonen en industrie. Bij graven in de bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit kan ook niet herbruikbare grond vrijkomen (kwaliteitsklasse matig verontreinigd). Toepassen onder de regels van de MBA Toepassen (paragraaf 4.124 Bal) is dan niet mogelijk. De rijksregels spreken over het gescheiden houden van kwaliteitsklassen (volgens de indeling, weergegeven in artikel 25d Bbk (gewijzigd)). Hieronder wordt verstaan: Bij ontgraven op basis van de bodemkwaliteitskaart worden lagen gescheiden gehouden indien deze een verschillende gemiddelde kwaliteit hebben (bijvoorbeeld top wonen, diep landbouw/natuur); Indien AP04-onderzoek heeft plaatsgevonden wordt ontgraven volgens de kwaliteitsgrenzen van de onderzochte partijen, want dan is sprake van ‘partijen die op grond van 25d Bbk zijn ingedeeld’; Bij ontgraven op basis van een verkennend onderzoek volgens NEN5740 wordt, behoudens de civieltechnisch scheidbare kwaliteit, niet gescheiden ontgraven. Om dat wel te doen is namelijk een nader onderzoek nodig om de grens tussen twee kwaliteiten te trekken. Verdere scheiding mag natuurlijk wel, maar dan gebeurt dit bijvoorbeeld op verzoek van de ontvangende partij. In Diemen worden ook civieltechnisch scheidbare grondsoorten (zand, klei, veen) zoveel als redelijkerwijs mogelijk is gescheiden gehouden. Onder redelijkerwijs kan worden gedacht aan het apart houden van bijvoorbeeld klei- en/of veengrond, die visueel te onderscheiden is (afwijkende kleur of structuur) wanneer deze onder de ophooglaag van zand zichtbaar wordt. Tijdelijke uitname Bij tijdelijk uitnemen van grond wordt de grond zonder te zijn bewerkt, op of nabij het ontgravingsprofiel onder dezelfde omstandigheden teruggeplaatst. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan de grond binnen deze MBA worden teruggeplaatst. Als niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, wordt het terugplaatsen beschouwd als een nieuwe toepassing, waarvoor de regels uit de paragrafen 3.2.26 en 4.124 van het Bal gelden (zie ook hoofdstuk 6 van dit beleidskader). De zinsnede ‘op en nabij het ontgravingsprofiel’ laat enige speelruimte. Als sprake is van dezelfde toepassing en aan de overige voorwaarden (zie hierboven) wordt voldaan, dan hoeft de grond niet precies weer op de plaats van de uitname te worden aangebracht. Het uitgangspunt is wel dat in deze situaties er weinig tot niets verandert aan de milieubelasting van de bodem. Bijvoorbeeld het wegnemen van bermgrond voorafgaand aan (spoor)wegverbreding en het opnieuw terugbrengen als bermgrond in de nieuwe berm (zelfde soort toepassing: berm wordt berm, maar niet op de exact dezelfde plaats). Of bij het verplaatsen van een sloot wordt de grond die vrijkomt uit de nieuw te graven sloot gebruikt om de bestaande sloot mee te vullen (bodem wordt weer bodem). Er is geen sprake van terugplaatsen ‘onder dezelfde omstandigheden’ als bijvoorbeeld grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel en vice versa of als grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal wordt teruggeplaatst als afdeklaag van het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag). Door een bewerking kunnen de fysische of chemische eigenschappen van de grond wijzigen, waardoor het terugbrengen van de bewerkte grond als een nieuwe toepassing moet worden beschouwd. Zeven Zeven wordt niet gezien als een bewerking en is toegestaan bij de milieubelastende activiteit graven. Zeven is een relatief eenvoudige en veelvoorkomende bewerking om puin uit de grond te halen en daarmee de verdichtbaarheid te verbeteren, mogelijke beschadigingen aan kabels en leidingen te voorkomen en toekomstig graafwerk te vereenvoudigen. Tijdelijk opslaan Tijdens of na het graven kan het noodzakelijk zijn om de grond die bij het graven is vrijgekomen tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders wordt afgevoerd. De partijen grond die bij het ontgraven zijn ingedeeld en gescheiden moeten ook tijdens de tijdelijke opslag gescheiden blijven. Er wordt enige afstand tussen de deelpartijen aangehouden of er wordt een fysieke scheidingswand aangebracht. Omdat de opslag voor korte tijd is en de kwaliteit ≤ I, is het niet nodig om bodembeschermende maatregelen te nemen, zoals het aanbrengen van een folie. Bij droge condities wordt voorkomen dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gedaan worden door de grond vochtig te houden, het depot af te dekken of de grond in afsluitbare containers op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond (nadat de werkzaamheden zijn afgerond) langer dan de maximaal toegestane periode van 8 weken op te slaan of op een andere locatie dan de ontgravingslocatie, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie (zie hoofdstuk 5 van dit beleidskader). Als de verwachting is dat de termijn van acht weken slechts korte tijd wordt overschreden, dan kan een aanvraag worden gedaan voor een maatwerkvoorschrift op de regel over opslag bij graven in het Bal. Na afloop van de toegestane periode van tijdelijke opslag De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Er zijn dan in elk geval vier opties: De vrijgekomen grond wordt afgevoerd naar een andere locatie om daar toe te passen onder de regels voor toepassen (zie hoofdstuk 6); Het bevoegd gezag geeft op verzoek van de initiatiefnemer een maatwerkvoorschrift af met een langere termijn dan acht weken; of De tijdelijke opslag wordt voortgezet onder de MBA Opslaan. De regels van deze MBA zijn dan van toepassing (zie hoofdstuk 5); De vrijgekomen grond wordt afgevoerd naar een erkende verwerker12Erkende verwerkers/inzamelaars van afvalstoffen staan vermeld op de VIHB-lijst (Vervoerder Inzamelaar Handelaar Bemiddelaar). Deze lijst wordt beheerd door de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO).. Geen grond met PFAS terugplaatsen Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Grond met een verontreiniging met PFAS wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie: 59 µg/kg ds bij PFOS; 60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 59 µg/kg ds bij overige PFAS. Informatieplicht Voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit, waarbij meer dan 25 m3 wordt ontgraven en er tevens grond wordt afgevoerd, geldt een informatieplicht. Als er uit het vooronderzoek geen verdenking op een brongerelateerde verontreiniging (puntbron) naar voren komt en de ontgravingslocatie onderdeel is van de binnen de gemeente Diemen liggende BKK-zone 1, 2 of 3, dan is op basis hiervan voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sterke verontreiniging aanwezig is. Tenminste 1 week voor de start van de graafwerkzaamheden moet het bevoegd gezag geïnformeerd worden over: Algemene gegevens op grond van art. 2.18 Bal (aanduiding activiteit, gegevens initiatiefnemer, adres activiteit en datum); De begrenzing van de locatie waar het graafwerk plaatsvindt; De datum dat gestart wordt met de werkzaamheden; De verwachte duur. Wijzigingen Als de begrenzing of de verwachte begindatum van de activiteit MBA graven ≤ I wijzigt moeten de gewijzigde gegevens zo snel mogelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Wanneer geen informatieplicht? De informatieplicht geldt niet in de volgende situaties: Als de activiteit uitsluitend bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond (inclusief de daarbij behorende tijdelijke opslag). Als onverwachts toch grond wordt afgevoerd geldt alsnog de informatieplicht; Als er in de bodem wordt gegraven vanwege een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Bij spoedreparaties moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen bij lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Bij een dergelijke spoedoperatie is het niet redelijk en ook niet mogelijk om te voldoen aan de termijn van de informatieplicht. De hoeveelheid te ontgraven grond moet in verhouding staan tot het uitvoeren van een spoedreparatie. De overige regels met betrekking tot graven beneden of gelijk aan de interventiewaarde – voor het gescheiden houden van grond, het tijdelijk uitnemen en tijdelijke opslag - zijn ook van toepassing op een dergelijke spoedreparatie. Bij spoedreparaties wordt na afloop van de activiteit zo snel mogelijk informatie verstrekt over de begrenzing, de datum van de werkzaamheden en de aanleiding. Zorgplicht altijd van toepassing Op het uitvoeren van alle graafwerkzaamheden (dus ook bij spoedreparaties van vitale ondergrondse infrastructuur) geldt uiteraard ook de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij beoordeelt of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is – of visueel eenvoudig is vast te stellen – dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, worden de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden gehouden. Overgangsrecht Als er voordat de Omgevingswet in werking treedt een melding is gedaan op grond van artikel 28 Wbb voor een graafactiviteit op een locatie, dan is hiermee tevens voldaan aan de informatieverplichting voor graven onder of gelijk aan de interventiewaarde (paragraaf 4.119 Bal) voor zover die geldt voor de graafactiviteit op die locatie. 3.3Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit Wettelijk kader: De milieubelastende activiteit ‘Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit’ (bedrijfstakoverstijgend) is te vinden onder paragraaf 3.2.22 (artikelen 3.48f en g); de algemene regels onder paragraaf 4.120 (artikelen 4.1224 tot en met 4.1234) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De interventiewaarden als grens tussen de activiteit graven in een bodemkwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit en de activiteit graven in een bodemkwaliteit boven de interventiewaarden bodemkwaliteit staan vast. Deze zijn opgenomen in bijlage IIA van het Bal. Er zijn in Diemen geen bodemkwaliteitskaartzones die een kwaliteit boven de interventiewaarde aanduiden. Pas na bodemonderzoek (of wanneer sprake is van reeds uitgevoerde, nog representatieve onderzoeken) waaruit blijkt dat de bodem boven de interventiewaarde verontreinigd is, valt graafwerk onder deze MBA. Wanneer in Diemen wordt gegraven in grond die boven de interventiewaarde verontreinigd is, is dit in 95 procent van de gevallen noodzakelijk voor een bepaald project: een zogeheten projectmatige ontgraving, zonder een saneringsdoelstelling. Bijvoorbeeld voor nieuwbouw, het aanleggen van een kelder of parkeergarage, tunnels, herinrichtingen, het doen van funderingsonderzoek en -herstel, kabel & leidingwerk en rioleringswerkzaamheden. In de resterende gevallen kan met ontgraven uitvoering worden gegeven aan de saneringsaanpak ‘verwijderen’ van de MBA saneren, waarbij wel sprake is van een saneringsdoelstelling. In situaties wanneer projectmatig meer dan 25 m3 wordt ontgraven, is sprake van een milieubelastende activiteit, namelijk het graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven > I). Ook wanneer de bodem van slechts een deel van de ontgraving > I verontreinigd is, valt de ontgraving onder deze MBA. Dit is bijvoorbeeld vaak het geval bij graafwerkzaamheden aan langere kabel- en leidingtracés. Onder graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (MBA Graven > I) valt: Het graven; Het zeven van de uitkomende grond op de locatie; Het tijdelijk opslaan van grond; Het terugplaatsen van grond na afloop van het tijdelijk opslaan (dat maximaal 8 weken mag duren). Bij afvoer van grond moet worden voldaan aan de afvalstoffenwetgeving. Uitgesloten van deze activiteit is het volgende: Graven in een bodemvolume minder dan 25 m3 (zie hiervoor paragraaf 3.4 Kleinschalig graven); Graven in een waterbodem. Voorafgaand bodemonderzoek Het is in Diemen toegestaan om - in plaats van de resultaten van een NEN 5725-onderzoek - de resultaten van een vereenvoudigd vooronderzoek in te dienen. Wanneer graafwerk binnen de gemeente Diemen niet valt in een van de vastgestelde BKK-zones (deze zijn alle < I) of valt in de openbare weg, moet altijd een verkennend bodemonderzoek (conform NEN5740) worden uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt of er sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde. Zie paragraaf 2.1 en 2.2 van dit beleidskader voor de eisen aan het voorafgaand bodemonderzoek bij deze activiteit. Onverwacht aantreffen van asbestverdacht materiaal Tijdens het graven kan onverwacht asbestverdacht materiaal worden aangetroffen. In dat geval betekent dit dat de melding niet meer actueel is, want het voorafgaand bodemonderzoek is onderdeel van de indieningsvereisten. De initiatiefnemer is verplicht deze gegevens actueel te houden (zie ook artikel 4.1225, derde lid van het Bal). Het graafwerk moet tijdelijk gestaakt worden en er moet een onderzoek conform NEN 5707 worden uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomst van dit asbestonderzoek kan het nodig zijn een wijziging op de melding MBA Graven > I in te dienen. Er zal zonodig onder asbestcondities moeten worden gewerkt. Verspreiding van asbestverdacht materiaal wordt voorkomen. De situatie moet op locatie beoordeeld worden door een asbestdeskundige of milieukundig begeleider met asbestervaring. Onder zijn begeleiding vindt op basis van verdachtheid op locatie een voorlopige scheiding in partijen en opslag plaats, daarna wordt onderzoek uitgevoerd conform NEN 5707. Is er sprake van tijdelijke uitname dan kan de Richtlijn voor risicogestuurd werken met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem [Lit. 24] worden geraadpleegd. Ter bepaling van eventuele mogelijkheden voor hergebruik van de (niet-sterk verontreinigde) ontgraven grond wordt een partijkeuring uitgevoerd of wordt de grond naar een verwerker afgevoerd. Dit laatste geldt in ieder geval voor de sterk verontreinigde grond. Partijen grond gescheiden houden bij graven, terugplaatsen en afvoeren Bij het graven kunnen meerdere partijen grond ontstaan van verschillende kwaliteitsklassen. Om de gezondheid en de kwaliteit van de bodem te beschermen en vanwege het doelmatig beheer van afvalstoffen moeten partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden gehouden bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond. Het gaat hierbij om de kwaliteitsklassen waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) zijn ingedeeld, te weten landbouw/natuur, wonen, industrie, matig verontreinigd en sterk verontreinigd. Het gescheiden houden van partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen is voorgeschreven om ongewenste verspreiding van verontreinigde grond zoveel mogelijk te voorkomen en doelmatige (circulaire) afvalverwerking en duurzaam bodemgebruik te bevorderen. Aan het gescheiden houden van matig of sterk verontreinigde grond zijn extra eisen gesteld om ervoor te zorgen dat de kans groter is dat de grond gereinigd kan worden. Matig verontreinigde of sterk verontreinigde grond die vrijkomt bij het graven wordt gescheiden gehouden door de grond op te delen in partijen. Daarbij gelden de volgende criteria, weergegeven in art. 4.1230 Bal: Apart houden van verschillende grondsoorten (zand, klei of veen); Apart houden van partijen met een gewogen gehalte asbest onder de interventiewaarde bodemkwaliteit en partijen met een gewogen gehalte asbest boven de interventiewaarde bodemkwaliteit; en Apart houden van partijen die uitsluitend zijn verontreinigd met organische verbindingen. Zeven Er moet ook onderscheid gemaakt worden tussen lagen met meer en minder bodemvreemd materiaal. Een laag die bestaat uit meer dan 50 procent (gewichtspercentage) aan bodemvreemd materiaal, wordt niet gezien als grond, maar als puin of afval. De aanwezigheid van puin en/of afval kan de kosten en/of het resultaat van de reiniging beïnvloeden. In veel gevallen verdient het daarom aanbeveling om puin en afval op de locatie af te zeven op maximaal 32 mm. Het zeven van bodemvreemd materiaal uit een partij grond wordt niet gezien als een bewerking en is toegestaan onder de algemene regels voor de activiteiten graven in de bodem. Als het zeven gebeurt om de kwaliteit van een partij niet toepasbare grond te verbeteren, dan mag dat op de locatie van de ontgraving, als de organisatie die de grond zeeft beschikt over een erkenning (BRL 7500) en als de betreffende locatie is gemeld bij de certificerende instelling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een partij asbesthoudende grond (boven de hergebruikswaarde van 100 mg/
  4. kg)wordt gezeefd zodat de partij daarna weer als herbruikbare grond teruggeplaatst kan worden. Als afzeven niet mogelijk is, dan wordt een indeling gemaakt van partijen met en partijen zonder puin en/of afval. Tijdelijke uitname Het is toegestaan om de ontgraven grond na afloop van het werk weer terug te plaatsen in de oorspronkelijke bodem (in hetzelfde ontgravingsprofiel). In dat geval gelden niet de regels voor het toepassen van grond en baggerspecie, maar alleen de regels voor deze MBA. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: De grond heeft geen bewerking ondergaan, anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal; Het terugplaatsen vindt plaats in hetzelfde profiel en onder dezelfde omstandigheden. Er is geen sprake van terugplaatsen ‘onder dezelfde omstandigheden’ als bijvoorbeeld grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst onder de grondwaterspiegel (of omgekeerd). Of als grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal wordt teruggeplaatst als afdeklaag van het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag). Tijdelijk opslaan Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond die bij het graven is vrijgekomen, tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders wordt afgevoerd. De partijen die bij het ontgraven zijn ingedeeld en gescheiden, moeten ook gedurende de tijdelijke opslag gescheiden worden gehouden. Er moet enige afstand tussen de deelpartijen aangehouden worden of een fysieke scheidingswand worden aangebracht. Omdat de grond maar kort wordt opgeslagen is in principe niet nodig om bodembeschermende maatregelen te nemen, zoals het aanbrengen van een folie. Dit kan anders zijn wanneer de uitgegraven grond van slechtere kwaliteit is dan de bodem waarop wordt opgeslagen of wanneer de verontreiniging zich kan verspreiden (bijvoorbeeld de ontgraving van een spot met door minerale olie verontreinigde grond). Bij droge condities moet voorkomen worden dat de opgeslagen grond verwaait of verstuift. Dit is vooral van belang als het asbesthoudende grond betreft. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van de grond in afsluitbare containers. Als men de grond langer dan de binnen de MBA Graven > I toegestane periode van 8 weken wil opslaan of op een andere locatie dan de ontgravingslocatie, dan gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie (zie hoofdstuk 5 van dit beleidskader). Als men verwacht dat de maximale termijn van 8 weken slechts korte tijd wordt overschreden, dan kan men een verzoek doen voor een maatwerkvoorschrift op de regel over opslag bij graven in het Bal. Na afloop van de toegestane periode van tijdelijke opslag Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of het cunet op te slaan. Deze periode is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Er zijn dan in elk geval vier opties: De vrijgekomen grond wordt afgevoerd naar een erkende verwerker zoals: een opslaglocatie voor het opslaan van grond en baggerspecie (grondbank); een verwerker voor reiniging of immobilisatie (grondreinigingsbedrijf); of een stortplaats, waar de grond met een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid (ontheffing van het stortverbod voor grond zoals opgenomen in het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen) kan worden gestort; Grond die voldoet aan de kwaliteitseisen voor toepassing (kwaliteitsklasse industrie of schoner), kan elders worden toegepast onder de regels voor toepassen (zie hoofdstuk 6); Het bevoegd gezag geeft op verzoek van de initiatiefnemer een maatwerkvoorschrift af met een langere termijn dan acht weken; of De tijdelijke opslag wordt voortgezet onder de MBA Opslaan. In dat geval zijn de regels van deze milieubelastende activiteit van toepassing (zie hoofdstuk 5). Niet terugplaatsen van grond die sterk verontreinigd is met mobiele stoffen We noemen een verontreiniging in de bodem mobiel als deze, al dan niet via de vaste fase van de bodem, in het grondwater terecht is gekomen en zich in of met het grondwater kan verspreiden. Bij projectmatige ontgravingen mag vrijkomende grond, die verontreinigd is met mobiele verontreinigingen tot boven de interventiewaarden, niet zonder meer worden teruggeplaatst in het ontgravingsprofiel. De verontreinigingen in deze grond zijn dezelfde stoffen die in het grondwater voorkomen tot boven de signaleringsparameters13De signaleringsparameters (zoals bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving) zijn gelijk aan de interventiewaarden grondwater onder de Wbb.. Niet terugplaatsen geldt voor vrijkomende grond, verontreinigd met mobiele stoffen die zich boven, onder of zowel boven als onder de grondwaterspiegel bevinden en die zich hebben verspreid naar het grondwater; uit een drijflaag14Laag van slecht oplosbare verontreinigende stof(fen) in productvorm met een soortelijke massa die lager is dan water en zodoende blijft drijven op het grondwater en waarbij de olie zich als aparte, aaneengesloten fase door de bodem kan bewegen. Er is dan zoveel olie in de bodem aanwezig dat de retentiecapaciteit (het volume olie per volume grond dat door de bodem kan worden vastgehouden) wordt overschreden. (bijvoorbeeld minerale olie). Onder mobiele stoffen worden aromatische verbindingen, gechloreerde koolwaterstoffen – subgroep vluchtige koolwaterstoffen en minerale olie verstaan. Uit bodemonderzoek kan blijken dat een stof die doorgaans immobiel is, toch mobiel is. Bijvoorbeeld zware metalen kunnen mobiel worden bij een lage pH-waarde in de bodem. Aan de andere kant kan uit bodemonderzoek blijken dat een stof waarvan verwacht werd dat deze mobiel is, deze in de specifieke omstandigheden toch niet mobiel is. Ook bij andere stoffen kunnen zich situaties voordoen waarbij terugplaatsen niet gewenst is vanwege verspreiding of gezondheidsrisico’s. In alle situaties geldt de zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Het bevoegd gezag beschouwt vrijkomende grond in zo’n situatie als een afvalstof die niet opnieuw gebruikt kan worden. De grond mag alleen worden teruggeplaatst als uit grondwateronderzoek blijkt dat de verontreiniging in het grondwater beneden de signaleringsparameters ligt. Grond uit een drijflaag moet in het kader van deze MBA altijd worden afgevoerd. Als het bevoegd gezag een vermoeden heeft van een mobiele stof boven de interventiewaarde en een initiatiefnemer kiest ervoor om geen grondwateronderzoek uit te voeren omdat het graafwerk beperkt blijft tot de grondlaag boven de grondwaterspiegel, dan gaat het bevoegd gezag uit van een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde en moet de grond worden afgevoerd. Een initiatiefnemer kan via een maatwerkvoorschrift een verzoek indienen om hiervan te mogen afwijken. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als afvoer niet doelmatig is en er uit milieuhygiënisch oogpunt geen winst te behalen valt. Geen grond met PFAS terugplaatsen Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Grond met een ver

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.