← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening 's-Hertogenbosch 2016 ('s-Hertogenbosch)

In het kort

Deze verordening regelt de openbare orde en veiligheid in de gemeente 's-Hertogenbosch en stelt regels vast voor het gebruik van openbare plaatsen en wateren. Het doel is het beschermen van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en het milieu.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Algemene Plaatselijke Verordening 2016De gemeenteraad van 's-Hertogenbosch in zijn openbare vergadering van 1 maart 2016; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d . 27 januari 2016, regn

Artikel 2

:4 Vergunning voor het beschadigen en veranderen van een weg, indien de vergunning niet wordt

Artikel 2

:10 Evenementen Artikel 2:24 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Artikel 3:4 Vergunning seksinrichting Artikel 4:4 Overige geluidhinder Artikel 4:9 Kampeermiddelen buiten kampeerterreinen Artikel 5:12 Venten e.d. Artikel 5:14 Standplaatsvergunning Artikel 5:27 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Hoofdstuk2Openbare orde Afdeling1Bestrijding van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, te vechten, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Afdeling2Betoging Artikel2:2Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Indien het uiterste tijdstip van de schriftelijke kennisgeving op grond van het eerste lid, valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, dient in afwijking van het eerste lid de kennisgeving uiterlijk om 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag plaats te vinden. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Afdeling3Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel2:3(Omgevings-)vergunning voor voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg 1.Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3.Het college kan –naast de uitzonderingen genoemd in het vierde lid- categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover: elk onderdeel zich meer dan 2.20 meter boven dat gedeelte bevindt en elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0.50 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt en elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 1.50 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, tenzij dit op grond van het vijfde lid verboden is; Plantenbakken, indien zij geen gevaar of hinder opleveren en voor zover: er maximaal twee plantenbakken per pand aanwezig zijn; de plantenbak tegen de gevel geplaatst is; de lengte- en breedtemaat van de plantenbak niet meer dan 40 cm is; de plantenbak maximaal 90 cm hoog is; de plantenbak van maximaal 90 cm met beplanting maximaal 120 cm hoog is. zover elders in deze verordening vergunning of ontheffing voor het gebruik kan worden verleend of vergunning of ontheffing kan worden verleend waarin het gebruik is inbegrepen. 5.Het is verboden op, in, over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien: deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg; gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, of een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 6.De in het eerste lid genoemde vergunning wordt als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag verleend indien het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (opslag roerende zaken). 7.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Wet Milieubeheer dan wel de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel2:4Vergunning voor het beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college de verharding van de weg op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. 3.Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2016 (AVOI 2016). Artikel2:5Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.In dit artikel wordt onder uitweg verstaan: een verbinding tussen particulier terrein en de openbare weg die geschikt is voor gebruik door gemotoriseerd verkeer. 3.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van: het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant. Afdeling4Veiligheid van de weg Artikel2:6Hinderlijke beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel2:7Rookverbod in bossen en natuurgebieden 1.Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de maanden april tot en met september. 2.Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3.Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel2:8Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Afdeling5Toezicht op evenementen Artikel2:9Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen ; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; 2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2 van deze verordening, op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan een openbare plaats; een vechtsportevenement. Artikel2:10Evenement 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en op grond van de motieven daarin vervat, kan de burgemeester een vergunning weigeren indien het evenement niet is opgenomen in de Evenementenkalender of op de Evenementenkalender reeds een ander evenement in de gevraagde periode is opgenomen. 3.De burgemeester kan vrijstelling van het verbod als bedoeld in het eerste lid verlenen voor door hem aan te wijzen evenementen. 4.De evenementen genoemd in het derde lid dienen ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement gemeld te worden aan de burgemeester. 5.De burgemeester kan binnen vijf dagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het derde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6.De burgemeester kan voor de venementen waarvoor op grond van het derde lid vrijstelling is verleend algemene voorschriften vaststellen. 7.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet indien: het evenement betreft het op een openbare plaats op enige wijze voor publiek muziek te gehore te brengen, indien het aantal uitvoerenden niet meer dan drie bedraagt en er geen gebruik wordt gemaakt van geluidsversterkende apparatuur of van een draaiorgel; het een wedstrijd op de weg betreft, voor zover artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. 8.De burgemeester stelt jaarlijks een Evenementenkalender vast voor het volgende kalenderjaar met in acht name van door de burgemeester vastgestelde beleidsregels. Degene die voornemens is een evenement te organiseren kan de burgemeester jaarlijks voor 1 oktober verzoeken een evenement te plaatsen op de evenementenkalender van het volgende jaar. Een dergelijk verzoek is geen aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Aan de plaatsing van een evenement op de Evenementenkalender kunnen geen rechten worden ontleend als bedoeld in het eerste en tweede lid. 9.De burgemeester kan een vergunning in het eerste lid weigeren als de organisator van een evenement als bedoeld in art. 2:9 lid 2 sub e in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Afdeling6Voor publiek openstaande gebouwen Artikel2:11Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een horeca-inrichting of seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf. 2.Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(

  1. en)van het gebouw of het erf. 3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 4.Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw of erf als bedoeld in het eerste lid, verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. 5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw of erf te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. 6.Onder bezoekers worden voor de toepassing van het vierde en vijfde lid niet verstaan de personen wier tegenwoordigheid in het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf wegens dringende omstandigheden vereist wordt. 7.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van een belanghebbende(
  2. n)door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. Afdeling7Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel2:12Plakken en kladden 1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een roerende of onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een roerende of onroerende zaak die vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het college wijst aanplakplaatsen aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel2:13Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als het aannemelijk is of aannemelijk wordt gemaakt dat de bedoelde werktuigen niet bestemd zijn om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 3.Het is verboden op openbare plaatsen, in een winkel en in de nabijheid van een winkel een tas of een ander voorwerp te vervoeren of bij zich te hebben dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. 4.Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel2:14Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden: op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan gebruikers van nabij de weg gelegen onroerende zaken onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:15Verboden drankgebruik en glasoverlast 1.Het is verboden op een openbare plaats, op het openbaar water of in een voor het publiek toegankelijk gebouw, alcoholhoudende dranken te nuttigen of in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke bij zich te hebben indien dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of dit anderszins overlast veroorzaakt of indien hiervoor gerechtvaardigde vrees bestaat. 2.Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen, alcoholhoudende drank te nuttigen of in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke bij zich te hebben. 3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet. 4.Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, tijdens een door het college aangewezen periode, glaswerk zoals, al dan niet aangebroken flessen, glazen e.d. bij zich te hebben. 5.Het bepaalde in het vierde lid geldt niet voor glaswerk dat zodanig is verpakt dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend. 6.Onder glaswerk als bedoeld in dit artikel wordt verstaan alle glassoorten die in scherven uiteen kunnen vallen. Artikel2:16Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw. Artikel2:17Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel2:18Gebiedsontzeggingen 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan degene die een strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid waarvan, het feit is gepleegd; 2.De burgemeester kan, met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen, aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd, dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste vier weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid waarvan, het feit is gepleegd. 3.Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien het strafbare feit wordt geconstateerd binnen zes maanden na het opleggen van een eerder verbod op grond van het eerste of tweede lid; 4.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid genoemde verboden indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is, of in verband met de in het eerste lid genoemde belangen verantwoord; 5.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod. Artikel2:19Neerzetten van fietsen e.d. 1.Het is verboden op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare ruimte of gezondheid, aangewezen plaatsen op de weg, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2.Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op een openbare plaats te laten staan. 3.Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan de door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan. Artikel2:20Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. 1.Het is verboden met een fiets, bromfiets of een daarmee vergelijkbaar voertuig overlast of hinder te veroorzaken of te doen laten veroorzaken op een terrein waar en gedurende de tijden dat een warenmarkt, kermis, muziek- of toneeluitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden zich met een fiets, bromfiets of een daarmee vergelijkbaar voertuig te bevinden op door het college of de burgemeester (ieder voor zover het de eigen bevoegdheden betreft) aangewezen uren en plaatsen op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel2:21Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond binnen de gemeentegrenzen te laten verblijven of te laten lopen: op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of op een andere door het college aangewezen plaats; zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt. 3.De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel2:22Verontreiniging door honden 1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van een openbare plaats dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats of zandbak; op een andere door het college aangewezen plaats. 2.Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod bedoeld in het eerste lid, onder a niet geldt. 3.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. 4.Degene die zich met een hond op of aan een openbare plaats bevindt is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van hondenpoep. 5.Burgemeester en wethouders kunnen eisen vaststellen waaraan dit hulpmiddel tenminste moet voldoen, wil het doeltreffend zijn. Artikel2:23Gevaarlijke honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:21, eerste lid onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. 3.In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. Artikel2:24Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben,of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. 3.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Afdeling8Drugsoverlast Artikel2:25Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet , of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel2:26Verzamelingen van personen in verband met drugs 1.Het is verboden op een openbare plaats, aan een verzameling personen deel te nemen indien deze verzameling van personen verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet. 2.Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen. Artikel2:27Openlijk gebruik Het is verboden op een openbare plaats, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben. Afdeling9Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel2:28Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:3, 2:4, 2:14, 2:15, 2:16, 2:17, 2:32, 2:33, 5:27 groepsgewijs niet naleven. Artikel2:29Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel2:30Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van voor een ieder toegankelijke parkeergelegenheden. Afdeling10Voetbalwedstrijden Artikel2:31Betaald voetbalwedstrijden 1.Voor de toepassing van deze Afdeling wordt onder organisator verstaan: de betaald voetbalorganisatie FC Den Bosch, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie FC Den Bosch als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie; de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente ‘s-Hertogenbosch, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken en indien het betreft een A-interland; degene die buiten de gevallen, genoemd onder a. en b. een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken. 2.Voor de toepassing van de artikelen van deze afdeling wordt onder voetbalwedstrijd verstaan een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld in het vorige lid. 3.De organisator is verplicht ten minste vier weken voor de vastgestelde speeldag van een voetbalwedstrijd als bedoeld in het eerste lid daarvan schriftelijk kennisgeving te doen aan de burgemeester. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van de termijn als bedoeld in het vorige lid. 5.De burgemeester kan, met betrekking tot een voetbalwedstrijd, aan de organisator daarvan voorschriften opleggen in belang van de openbare orde en veiligheid. 6.De burgemeester kan het doen spelen van een wedstrijd verbieden: uit vrees voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde; indien de krachtens het vijfde lid, opgelegde voorschriften niet worden nageleefd; indien geen of niet tijdig een schriftelijke kennisgeving is gedaan als bedoeld in het derde lid. 7.Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, wanneer een verbod, als bedoeld in het zesde lid is uitgevaardigd. 8.De burgemeester kan, onverminderd zijn bevoegdheid ingevolge het zesde lid, een voetbalwedstrijd aanwijzen als een risicowedstrijd indien daaraan naar zijn oordeel een verhoogd risico is verbonden voor de openbare orde en veiligheid. Artikel2:32Aangewezen routes Het is personen die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporter, of bij de politie als zodanig geregistreerd staan in de daartoe bestemde registers, verboden op de dag waarop een voetbalwedstrijd zal worden gespeeld die door de burgemeester ingevolge artikel 2:31, achtste lid, als risicowedstrijd is aangewezen, ongeacht het daarbij eventueel te bezigen middel van vervoer, zich te begeven of te bevinden buiten de door de politie aangewezen routes. Artikel2:33Verwijderingsplicht voetbalsupporters Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel tegen wie het vermoeden bestaat dat zijvoornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven. Artikel2:34Stadionomgevingsverbod 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf drie uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot drie uur na afloop van voetbalwedstrijden. 2.Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt voor een bepaalde periode, welke niet langer is dan 24 maanden. 3.De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het vorige lid bedoelde verbod, nadat vast is komen te staan dat de persoon de openbare orde in het stadion of in de omgeving van het stadion heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de organisator wordt gespeeld. Tevens kan dit verbod worden opgelegd aan personen aan wie een stadionverbod is opgelegd. 4.Onder de omgeving van het stadion wordt verstaan: het gebied dat wordt omsloten door: Stadionlaan - Van Grobbendoncklaan - Westenburgerweg - Muntelbolwerk - Graafseweg - Hintham - De Grote Elst - Stadionlaan; door de burgemeester nader aan te wijzen plaats(
  3. en)en/of gebied(en). 5.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het eerste lid. Afdeling11Naaktrecreatie Artikel2:35Aanwijzen gebieden naaktrecreatie Als geschikt voor naaktrecreatie wordt aangewezen een met borden "naaktstrand" aangegeven gedeelte van het strandbad aan het Engelermeer, gelegen aan de westzijde van het meer. Afdeling12Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel2:36Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:37Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; 2.De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3.Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslisen) van toepassing. Artikel2:38Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht 1.De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Hoofdstuk3Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling1Begripsbepalingen, bevoegdheid en nadere regels Artikel3:1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. binnenstad: de binnenstad van ’s-Hertogenbosch die is gelegen binnen de stadsmuren en die wordt begrensd door: Westwal, st. Janssingel, Buitenhaven, Oliemolensingel, Citadel, Kasteren-wal, Noordwal, Muntelwal, Aawal, De Bossche Pad, Oostwal, Hekellaan, Zuidwal, Parklaan en Wilhelminaplein. Artikel3:2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel3:3Nadere regels Met het oog op de in artikel 3:14 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Afdeling2Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d. Artikel3:4Seksinrichtingen 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2.In de inrichting dient te allen tijde (een afschrift van) de vergunning aanwezig te zijn. 3.In de aanvraag om en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; het aantal werkzame prostituees; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting door middel van een situatietekening met een schaal van ten minste 1:1000; de plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van ten minste 1:100; bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; en bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting. de tijden waarbinnen de inrichting voor bezoekers is geopend en waarbinnen de exploitant en/of beheerder in de inrichting aanwezig zijn. Artikel3:5Maximumstelsel seksinrichtingen Het maximum aantal vergunningen voor seksinrichtingen voor het grondgebied van de gemeente ’s-Hertogenbosch is 11 seksinrichtingen en, binnen dit aantal, voor de binnenstad een maximum van 4 seksinrichtingen (al dan niet gevestigd in een sekswinkel). Artikel3:6Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant en de beheerder: staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel3:7Sluitingstijden 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 23.00 en 9.00 uur. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:8, eerste lid, gesloten dient te zijn. 4.Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel3:8Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1.Met het oog op de in artikel 3:14, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:7, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht , maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel3:9Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3:10Straatprostitutie en raamprostitutie 1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: 2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Artikel3:11Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel3:12Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Afdeling3Beslissingstermijn en weigeringsgronden Artikel3:13Beslissingstermijn 1.Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3:14Weigeringsgronden 1.De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:6 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; indien het een aanvraag voor een seksinrichting betreft, het op grond van artikel 3:5 maximaal aantal te verlenen vergunningen in zijn geheel is verleend; indien het een aanvraag voor een seksinrichting in de binnenstad betreft, onverminderd de weigeringsgrond onder c, het op grond van artikel 3:5 maximum aantal vergunningen voor seksinrichtingen in de binnenstad is verleend; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met de in artikel 3:9 opgenomen aanwezigheids- en/of toezichtseis. 2.In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Afdeling4Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel3:15Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel3:16Wijziging beheer 1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:14, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling1Geluidhinder en verlichting Artikel4:1Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. Artikel4:2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet op ten hoogste zeven door het college per kalenderjaar ten behoeve van collectieve festiviteiten aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Artikel4:3Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal 5 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet gelden, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 5 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Artikel4:4Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod geldt niet als het langtijdgemiddeld geluidniveau niet boven het ter plaatse heersende referentieniveau komt. 4.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties of het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant. Afdeling2Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel4:5Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel4:6Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling3Maatregelen tegen ontsiering Artikel4:7Omgevingsvergunning voor handelsreclame 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een openbare plaats. 2.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3 is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders: op de weg constructies, borden of andere voorwerpen, bestemd of gebruikt tot handelsreclame, aan te brengen of te hebben; de weg op enigerlei andere wijze tot handelsreclame te gebruiken of toe te laten dat deze tot handelsreclame gebruikt wordt. 3.Een vergunning bedoeld in het eerste en tweede lid kan worden geweigerd: indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; in het belang van de voorkoming of beperking van ernstige hinder voor de omgeving. 4.Het bepaalde in lid 1 en 2 geldt niet voor zover omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub a en f, dan wel art. 2.2 lid 1, sub b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht benodigd is. De verboden in het eerste en tweede lid gelden evenmin voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale landschapsverordening. Afdeling4Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel4:8Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel4:9Kampeermiddelen buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. 2.Dit verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende van een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van de natuur; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Artikel4:10Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4:9, eerste lid, niet geldt. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de in artikel 4:9, eerste lid, genoemde belangen. Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling1Parkeerexcessen Artikel5:1Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen: gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens, met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: het doen of laten staan van voertuigen, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Artikel5:2Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 2.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 3.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 4.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel5:3Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel 5:4Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel5:5Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel5:6Kampeermiddelen e.a. 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. Artikel5:7Parkeren van reclamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel5:8Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 06.00 tot 19.00 uur. 4.Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel5:9Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel5:10Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2.Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Afdeling2Collecteren Artikel5:11Inzameling van geld of goederen 1.Degene, die voornemens is om een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren melding aan het college. 2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.Het eerste lid is niet van toepassing: voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt; voor inzamelingen die zijn opgenomen op het landelijke collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving voor zover het de in dat rooster opgenomen periode betreft. 4.Het college kan aan de in het eerste lid bedoelde inzameling voorwaarden verbinden, die mede de periode van inzameling kunnen betreffen. Afdeling3Venten Artikel5:12Venten e.d. 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders in de uitoefening van de handel op of aan de weg of aan een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven, dan wel diensten aan te bieden. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, 1e lid, van de Grondwet; voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van goederen door - of door huisgenoten of personeel van - hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door de gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt; voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats bedoeld in artikel 5:13; voor rijdende winkels. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in gevaar komt. Afdeling4Standplaatsen Artikel5:13Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen en diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2.Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:9. Artikel5:14Standplaatsvergunning 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 4.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor standplaatsen die worden ingenomen ten behoeve van het voeren van politieke campagne gedurende een periode van twee weken voorafgaande aan enige verkiezing als bedoeld in de Kieswet, dit echter uitsluitend voor wat betreft de door het college aan te wijzen plaatsen en tijden; 5.Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen. 6.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 7.De weigeringsgrond in het derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. Artikel5:15Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Afdeling5Openbaar water Artikel5:16Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2016 (AVOI 2016). Artikel5:17Ligplaats woonschepen en andere vaartuigen 1.Het is verboden op of aan het openbaar water een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats beschikbaar te stellen voor een: vaartuig, niet zijnde een woonboot, op de door het college aangewezen gedeelten; woonboot buiten de daarvoor door het college aangewezen gedeelten. 2.Het college is bevoegd nadere regels vast te stellen ten aanzien van de volgende onderwerpen: het innemen, hebben, beschikbaar stellen of het inrichten van een ligplaats; het stellen van beperkingen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het verboden een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats beschikbaar te stellen in strijd met de door het college vastgestelde nadere regels. 4.Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement , het Algemeen reglement van politie voor rivieren en rijkskanalen, het Provinciaal reglement Noord-Brabant van toepassing is. Artikel5:18Aanwijzingen ligplaats 1.Door of namens het college kan een aanwijzing worden gegeven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.De gebruiker en/of eigenaar van een woonboot of een ander vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieu gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. 3.Het is verboden te handelen in strijd met de door of vanwege het college gegeven aanwijzingen. Artikel5:19Verbod innemen ligplaats Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:17, tweede lid bepaalde. Artikel5:20Beschadigen van waterstaatswerken 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregeld onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Brabant. Artikel5:21Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel5:22Veiligheid op het water 1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Brabant. Artikel5:23Overlast aan vaartuigen 1.Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Artikel5:24Varen op openbaar water 1.Het is verboden met vaartuigen aangedreven door een motor te varen op de volgende openbare wateren: Noorderplas Oosterplas Zuiderplas Engelermeer De IJzeren Vrouw Rosmalense plas Het IJzeren Kind De Groote Wielen 2.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor vaartuigen aangedreven door een elektromotor met een maximumvermogen van 60 ampère per pond (Lbs) stuwkracht en een maximumsnelheid van 6 km per uur. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Afdeling6Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel5:25Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoel in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet Algemene bepalingen omgevingsbeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel5:26Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen van overlast; in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van het publiek. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Afdeling7Verbod vuur te stoken Artikel5:27Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Het verbod geldt niet voorzover het betreft: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden voorzover dat het geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. 3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5.Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant. Hoofdstuk6Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel6:1Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt, voor zover niet reeds bij of krachtens de wet strafbaar gesteld, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Artikel6:2Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de ambtenaren aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering de medewerkers van de afdeling Stadstoezicht die zijn belast met toezicht en handhaving openbare ruimte, waaronder begrepen de medewerker bestuursrechtelijke handhaving de toezichthouders WABO de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. Artikel6:3Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel6:4Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 1.Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt. 2.De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente ’s-Hertogenbosch 2012wordt ingetrokken. Artikel6:5Overgangsbepaling 1.Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn verleend, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken. 2.Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn verleend, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken. 3.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast. 4.Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid. 5.In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend. 6.Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van toepassing: gedurende 24 weken na het in werking treden van deze verordening; ook na de onder a. bepaalde termijn, voor zover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist. 7.De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. Artikel6:6Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening ’s-Hertogenbosch 2016. 's-Hertogenbosch,De gemeenteraad voornoemd,De griffier, De voorzitter,drs. A. van der Jagt, mr. dr. A.G.J.M. RomboutsToelichting Algemene plaatselijke verordening 's-Hertogenbosch 2016 Deze toelichting is een bewerking van de toelichting bij de Model-APV van de VNG en is toegespitst op de APV ’s-Hertogenbosch 2016HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGENArtikel 1:1 BegripsomschrijvingenIn dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, is in de desbetreffende afdeling een definitie opgenomen. Over de in artikel 1:1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt: Een openbare plaats Onder het begrip openbare plaats worden die plaatsen aangeduid die voor deze wijziging onder het al te brede begrip weg vielen. De definitie van ‘weg’ in de APV is aanzienlijk beperkt. Dat brengt met zich mee dat de werking van artikelen in dit model waar sprake is van de weg een (veel) beperktere werking hebben dan daarvoor. De bevoegdheid van de gemeente gaat verder dan dat. In artikelen waar het de bedoeling is om zaken te regelen op plaatsen die niet tot de weg kunnen worden gerekend, is gekozen voor de term ‘een openbare plaats’ Daarmee is beoogd om die plaatsen aan te duiden die voor deze wijziging onder het al te brede begrip weg vielen. De weg als bedoeld in sub b maakt ook onderdeel uit van het begrip ‘openbare plaats’. Voor het begrip ‘openbare plaats’ in de zin van de Wet Openbare Manifestaties (WOM) zie de toelichting bij artikel 2:2 Betogingen. Weg Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen heeft betrekking op (verboden) gedragingen ‘op of aan de weg’. In artikel 1:1 is de ‘weg’ omschreven als weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 . Dat verschilt aanzienlijk van de oude omschrijving, waar praktisch iedere publiek toegankelijke ruimte onder het begrip ‘weg’ viel. Daarop is kritiek gekomen, met name omdat het begrip ‘weg’ op die manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale spraakgebruik daaronder verstaat. In de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving is juist aangegeven dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk moet worden gevolgd (aanwijzing 66). Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is dat er zaken worden geregeld die zich niet alleen op of aan de weg afspelen, is gekozen voor de omschrijving ‘openbare plaats’. Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen ‘op of aan de weg’. De term ‘aan de weg’ duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Openbaar water Een 'openbaar water’ in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. ‘Openbaar’ is hier dus synoniem aan ‘feitelijk voor het publiek toegankelijk’. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het begrip ‘bebouwde kom’ kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”. Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 lid 1 van de Woningwet: “bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d. Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip ‘reclame’ dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot ‘handelsreclame’ heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel. Bevoegd gezag In dit artikel is met de term ‘bevoegd gezag’ aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of veranderen van een weg en het vellen van houtopstanden. De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken. De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term ‘bevoegd bestuursorgaan’ voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering. Artikel 1:2 BeslistermijnHet uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In de APV hebben wij de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid). Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn. Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan. Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting. Ontvangstbevestiging Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd. De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn, de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex silencio. Opschorting van de termijn Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde documenten zijn ontvangen. Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb: de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn weer verder door. Wabo De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd. Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. De Wabo kan van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. Artikel 1:3 Indiening aanvraagIn de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel (kan) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. Vanzelfsprekend kan ook een langere of kortere termijn worden vastgelegd. Als wordt overwogen voor verschillende APV-vergunningen of -ontheffingen verschillende termijnen vast te leggen, dan dient iedere afwijking van de algemene regel in het betreffende onderdeel van de APV te worden vastgelegd. Gemeenten die met een systematiek werken die inhoudt dat een vergunning voor een bepaald jaar vóór 1 december van het daaraan voorafgaande jaar moet worden aangevraagd, kunnen dit expliciet bepalen en bekendmaken. Herhaalde aanvraag (artikel 4:6 Awb) Als er lange tijd is verstreken tussen beide aanvragen kan het praktischer zijn om de aanvraag opnieuw inhoudelijk te behandelen in plaats van een discussie te voeren over de vraag of het wel of niet om een herhaalde aanvraag gaat. Zie ABRvS 3 mei 2006, JB 2006/186. Daar was meer dan tien jaar verlopen tussen beide aanvragen, en de Afdeling oordeelde dat er geen sprake was van een herhaalde aanvraag, omdat één aanvraag was gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur, en de andere op de Archiefwet. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingenIn literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven, dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is vereist. Dienstenrichtlijn Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan. Het derde lid zegt, dat de vergunningvoorwaarden voor een nieuwe vestiging gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is, niet mogen overlappen. In de in de APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffingEen vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een ander terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat. Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing. Literatuur Voor de overdraagbaarheid van APV-vergunningen, zie: C.L. Knijff, Rechtsopvolging bij vergunningen in de gemeentepraktijk, GS 2004, 7205, onder 3.4 Overgang uitgesloten: APV-vergunningen. Jurisprudentie Volgens art. 1:5 APV is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Ingevolge art. 1:6, aanhef en onder e APV kan de vergunning of ontheffing worden gewijzigd indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. De Afdeling is van oordeel dat art. 1:6 aanhef en onder e APV niet afdoet aan het persoonsgebonden karakter van de vergunning. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffingDe in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (kan). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb). Jurisprudentie Gelet op art. 1:6 APV in samenhang gelezen met art. 2.1.4.1, tweede lid (oud), APV was de burgemeester in het onderhavige geval bevoegd de vergunning in te trekken. Intrekking van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding. Als specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden ingewonnen. Zes werkdagen zijn daarvoor voldoende. ABRS 11-06-2003, 200205273/1, JG 03.0125, met noot M. Geertsema. Artikel 1:7 TermijnenVóór juni 2007 kende de model-APV geen bepaling die een geldingsduur aangaf voor een krachtens het model verleende vergunning of ontheffing. Vergunningvoorwaarden konden bepalen dat de vergunning of ontheffing periodiek moest worden verlengd. Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn: “Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden, moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in grotere mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal.” (PB L 376/36, nr. 62) Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling. Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt. Artikel 1:8 WeigeringsgrondenVergunningstelsels zijn in de model-APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten tenzij sprake is van een vergunning. Vergunningstelsels kenden tot 2007 vervolgens een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. We hebben ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de APV ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. In een enkel geval (vergunning voor seksinrichting) is van artikel 1:8 afgeweken. Europese Dienstenrichtlijn Vergunningen Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de APV zijn deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een seksinrichting, en de standplaatsvergunning. Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn uitgezonderd, zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt. Meldingen Het begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn is breder dan wij dit kennen. Daaronder vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat de Dienstenrichtlijn immers: elke procedure die voor een dienstverrichter of afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4 lid 6). Hieruit volgt dat een melding wordt aangemerkt als een vergunning. Andere voorbeelden van een ‘vergunning’zijn: verklaringen van geen bezwaar; verplichting zich in te schrijven in een register etc. Een voorbeeld van een meldingsplicht binnen deze verordening is een eendaags klein evenement. Vestiging of tijdelijke overschrijding Bij het screenen van de model-APV aan de Dienstenrichtlijn is het volgende in ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse dienstverrichter. In het licht van deze regimes moet worden bekeken of en in hoeverre vergunningstelsels zijn toegestaan. Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de zogenaamde ‘vestiger’. Er is overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt (overweging 37 bij de richtlijn). De tijdelijke dienstverrichter overschrijdt de grens om in Nederland zijn dienst te verrichten, maar vestigt zich hier niet. Hierop ziet artikel 16 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van diensten). Tenslotte zijn er de Nederlandse dienstverleners. In theorie staat de richtlijn toe dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan aan een buitenlandse partij, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid niet wenselijk. Wij achten het op dezelfde gronden evenmin gewenst een onderscheid aan te brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen onderdanen. Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk, maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën aanvragers dezelfde. Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt. Daarom is in de APV geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden. Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden beantwoord: Overlast Vanouds is de APV een openbare orde en overlast-verordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid. Verkeersveiligheid De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. Veiligheid van personen en gezondheid Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid) kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt. Zedelijkheid Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’ hebben. Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige weigeringsgrond opgenomen, omdat het om ‘vestiging’ gaat. Voorzieningenniveau bij standplaatsen In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen. Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing. Détournement de pouvoir Gemeenten dienen zich er van bewust te zijn dat zij een vergunningaanvraag niet kunnen weigeren op een andere grond dan de grondslag van het vergunningstelsel. Dit zou immers in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Motivering Een weigering dient vanzelfsprekend voldoende gemotiveerd te zijn. Gemotiveerd moet worden welke weigeringsgrond van toepassing is en waarom. Artikel 1:9 Lex silencio positivoParagraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht is een uitvloeisel van de Europese dienstenrichtlijn. Deze richtlijn beoogt de belemmeringen die Europese dienstverleners ondervinden te beperken. Eén van de maatregelen is de zogenaamde Lex silencio positivo. Dat wil zeggen dat een aanvrager een vergunning of ontheffing geacht wordt te hebben verkregen indien het bevoegde bestuursorgaan niet binnen de beslistermijn beslist. In artikel 1:9 zijn de vergunningstelsels uit de APV die onder de Europese dienstenrichtlijn vallen verwoord. In lid 1 en 2 worden de stelsels genoemd die onder de werking van de Lex silencio positivo vallen. De redenen daarvoor zijn gelegen in de bescherming van de openbare orde en gezondheid. In de toelichting op de artikelen die uitgesloten zijn van de Lex silencio positivo wordt de motivering voor deze uitzonderingen gegeven. Het betreft de volgende artikelen: Artikel 2:3 Vergunning voor voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg, indien de vergunning niet wordt

Artikel 2

:4 Vergunning voor het beschadigen en veranderen van een weg Artikel 2:10 Vergunning evenementen Artikel 2:24 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Artikel 3:4 Vergunning seksinrichting Artikel 4:4 Overige geluidshinder Artikel 5:12 Venten e.d. Artikel 5:14 Standplaatsvergunning Artikel 5:27 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Voor gemeenten bestaat voor de stelsels die onder de dienstenrichtlijn vallen een onderscheid tussen de periode vóór 1 januari 2012 en de periode ná 1 januari 2012. Op grond van artikel 65 van de Dienstenwet geldt het volgende: tot 2012 dient de Lex silencio positivo door een decentrale overheid

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.