Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Doetinchem houdende regels omtrent landelijk gebied (Regels van de beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020')De raad van de gemeente Doetinchem; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders over 'Landelijk gebied - 2020'; overwegende dat de ontwerpbeheersverordening 'Landelijk gebied - 2020' en de daarop betrekking hebbende stukken, met ingang van 17 december 2020 zes weken ter inzage hebben gelegen; met betrekking tot dit ontwerpbeheersverordening reacties zijn ingediend; dat deze reacties zijn samengevat en van antwoord voorzien in de Reactienota; er voor het overige aanleiding is de beheersverordening ambtshalve te wijzigen; dat alle wijzigingen, zowel als gevolg van de reacties als de ambtshalve wijzigingen, zijn opgenomen in de Nota van wijzigingen; de beheersverordening'Landelijk gebied - 2020' wordt vastgesteld overeenkomstig de geometrisch bepaalde planobjecten met identificatienummer NL.IMRO.0222.BgBV001-0002, waarbij als ondergrond is gebruikt de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), versie 08-12-2020 en de Digitale Kadastrale Kaart (DKK), versie 08-12-2020; het gestelde in Hoofdstuk 3A van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is; de beeldvormende raad d.d. 1 juli 2021 kennis heeft genomen van de beheersverordening; b e s l u i t : De Reactienota en Nota van wijzigingen vast te stellen; De Beheersverordening ‘Landelijk gebied – 2020’ vast te stellen; Te bepalen dat de beheersverordening ‘Landelijk gebied – 2020’ een dag na publicatie in werking treedt; Geen exploitatieplan vast te stellen. Verordeningskaarten Regels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 verordening de beheersverordening Landelijk gebied - 2020 met identificatienummer NL.IMRO.0222.BgBV001-0002 van de gemeente Doetinchem; 1.2 beheersverordening de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aangebouwd bijbehorend bouwwerk een bijbehorend bouwwerk dat met minimaal één gevel tegen de gevel van het hoofdgebouw is gebouwd. Dit op een zodanige wijze dat een rechtstreekse - voor mensen toegankelijke - interne verbinding tussen beide gebouwen mogelijk is; 1.6 aan huis gebonden bedrijf het beroepsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; 1.7 aan huis gebonden beroep een dienstverlenend beroep, waaronder een vrij beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.8 agrarisch bedrijf een bedrijf dat geheel of overwegend is gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten, zoals het telen van gewassen, het fokken en/of houden van dieren, waaronder productiegerichte paardenhouderijen; 1.9 agrarische bedrijvigheid bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten, zoals het telen van gewassen, het fokken en/of houden van dieren, waaronder productiegerichte paardenhouderijen; 1.10 agrarisch technisch bedrijf een bedrijf waar agrarische bedrijvigheid wordt gecombineerd met het ontwikkelen en maken van technische apparatuur en aanverwante produkten voor agrarische bedrijven; 1.11 ammoniakbuffergebied gebied in een zone van 250 m rondom zeer gevoelige natuur in het Gelders natuurnetwerk waar de emissie van ammoniak niet mag toenemen bij uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderij; 1.12 ander bouwwerk een bouwwerk, geen gebouw zijnde; 1.13 antennedrager antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne; 1.14 antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie; 1.15 archeologisch deskundige de regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg; 1.16 archeologische verwachting een gebied met een daaraan toegekende hoge, middelmatige of lage archeologische verwachting in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied te verwachten overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden; 1.17 archeologische waarde een gebied met een daaraan toegekende archeologische waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden; 1.18 archeologisch onderzoek Een onderzoek gericht op het opsporen, waarderen en/of behouden van archeologische resten, al dan niet ex-situ, conform de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg. Het onderzoek moet worden verricht door een dienst, bedrijf of, gecertificeerd conform artikel 5.1 van de Erfgoedwet en werkend volgens de geldende kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie; 1.19 A-watergangen Een watergang van overwegend belang voor de waterhuishouding en waterberging, met inbegrip van oevers, taluds, kaden en onderhoudspaden, die in beheer en onderhoud zijn bij het waterschap; 1.20 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.21 bebouwingspercentage een percentage, dat de grootte van het deel van een hoofdfunctievlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd met gebouwen en andere bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.22 bed & breakfast-accommodatie een aan de woonfunctie ondergeschikte toeristisch-recreatieve voorziening, gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt. Hieronder wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur; 1.23 bedrijf een zelfstandige productie-eenheid; 1.24 bedrijfsvloeroppervlakte de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een (dienstverlenend) bedrijf of instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.25 bedrijfswoning (dienstwoning) een woning in of bij een gebouw of op een terrein, alleen bedoeld voor (het huishouden van) een persoon en zijn gezin, van wie de huisvesting daar in verband met de hoofdfunctie noodzakelijk is; 1.26 begraafplaats begraafplaats of een terrein voor het verstrooien van as of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of, tenzij anders is bepaald, een dierenbegraafplaats; 1.27 belemmeringenstrook een strook grond ter plaatse van en aan weerszijden van de hoogspanningslijn of - kabel die dient om de veiligheid en het ongestoord functioneren van de leiding te kunnen garanderen; 1.28 beperkt kwetsbaar object object zoals gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); 1.29 beschermingszone natte landnatuur gebied in een zone rondom natte natuur in het Gelders natuurnetwerk waar ter bescherming van die natte natuur in beginsel geen ruimtelijke of waterhuishoudkundige ontwikkeling mogelijk is die door hydrologische beïnvloeding via het grondwatersysteem negatief effect heeft op de natte natuurwaarden; 1.30 bestaand gebruik/bestaande bebouwing op moment van inwerkingtreding van de verordening legaal aanwezig of op grond van een vergunning toegestaan, daaronder valt niet het bouwwerk of gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan, tenzij het gemeentebestuur in een voorkomend geval uitdrukkelijk anders heeft besloten; 1.31 bestaande stikstofdepositie de stikstofdepositie ten gevolge van het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren in de omvang zoals op het tijdstip van vaststelling van de verordening is toegestaan overeenkomstig: een onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 respectievelijk artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt, zoals opgenomen in bijlage 1 Lijst vergunning Wet natuurbescherming; dan wel (indien geen sprake is van een onherroepelijke vergunning als onder a bedoeld) de bestaande stikstofdepositie ten gevolge van het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren in de omvang zoals feitelijk aanwezig en planologisch legaal in de periode van 1 jaar voorafgaand aan de vaststelling van de verordening. 1.32 hoofdfunctiegrens de grens van een hoofdfunctievlak; 1.33 hoofdfunctievlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde hoofdfunctie, in voorkomende gevallen gekoppeld met het figuur 'relatie'; 1.34 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak; 1.35 boeiboord opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal; 1.36 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.37 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.38 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.39 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.40 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.41 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten, in voorkomende gevallen gekoppeld met het figuur 'relatie'; 1.42 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.43 bos elk terrein waarop bosbouw wordt uitgeoefend, zijnde het geheel van bedrijfsmatige handelingen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van één of meer van de volgende functies en aspecten: natuur, houtproductie, landschap, milieu, waaronder begrepen waterhuishouding, en recreatie; 1.44 bronmaatregel maatregel om de oorzaak van het probleem weg te nemen; 1.45 commerciële dienstverlening het bedrijfsmatig en tegen betaling aanbieden en verlenen van op publiek gerichte, al dan niet maatschappelijke en/of medische diensten, niet zijnde goederen, aan personen die deze diensten aanwenden anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.46 dagrecreatie recreatie in de vorm van: extensieve dagrecreatie die in hoofdzaak gericht is op natuurbeleving en landschapsbeleving zoals wandelen en fietsen; intensieve dagrecreatie die in hoofdzaak gericht is op het bedrijfsmatig aantrekken van (grote) groepen mensen zoals een speeltuin en kinderboerderij; 1.47 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ter verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder perifere detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt; 1.48 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van op publiek gerichte diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen (dus geen kantoor); 1.49 dierenverblijf een dierenverblijf als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij; 1.50 doorvaarthoogte de verticale afstand tussen 0 m NAP en de onderkant van een overspanning boven de vaarweg bij volbelasting die te allen tijde beschikbaar is voor de scheepvaart; 1.51 druiplijn onderste horizontale lijn van een dakvlak dat geen goot heeft, bijvoorbeeld een rieten dak; 1.52 ecologische voorzieningen voorzieningen ten behoeve van diverse fauna nabij (Rijks)infrastructuur met als doel het opheffen van de barrièrewerking van genoemde infrastructuur; 1.53 erf al dan niet bebouwd perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en de verordening deze inrichting niet verbiedt; 1.54 erker een erker of een uitgebouwd venster is een in plattegrond recht-, drie-, veelhoekige of halfronde uitbreiding van een ruimte in een gebouw, die buiten de gevel uitsteekt en in open verbinding staat met de bedoelde ruimte. De buitenzijde bestaat uit (een borstwering
- en)raamconstructies (wanden die grotendeels bestaan uit glas); 1.55 escortbedrijf de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; 1.56 externe veiligheid de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is; 1.57 functioneel verbonden huisvesting in verband met mantelzorg wordt in deze verordening aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw, een en ander zoals bedoeld in artikel 1, lid 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor); 1.58 garagebedrijf een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor verkoop, onderhoud en reparatie van motorvoertuigen, niet zijnde een carrosseriebedrijf en/of verfspuitinrichting, al dan niet met een verkooppunt voor motorbrandstoffen; 1.59 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.60 Gelders natuurnetwerk gebied met een samenhangend netwerk van binnen de provincie Gelderland bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten; 1.61 geluidsgevoelig object woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder; 1.62 geurgevoelig object een gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij; 1.63 gevaarlijke stof stof zoals gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); 1.64 gevellijn de als zodanig aangeduide lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd; 1.65 gevoelige hoofdfuncties woningen met bijbehorende erven alsmede scholen, crèches en kinderopvangplaatsen met bijbehorende buitenspeelruimten, conform het voorzorgsbeleid hoogspanningsleidingen; 1.66 groepsaccommodatie een zelfstandige verblijfsaccommodatie die naar afmetingen en inrichting specifiek bedoeld is voor een grotere groep van personen, tot uitdrukking komend in o.a. gezamenlijke faciliteiten voor logies, dagverblijf en maaltijdbereiding; 1.67 groepsrisico de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is; 1.68 grondgebonden agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf waarbij de bedrijfsvoering geheel of nagenoeg geheel afhankelijk is van de grond als agrarisch productiemiddel, waaronder een grondgebonden veehouderijbedrijf; 1.69 grondgebonden veehouderijbedrijf agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken; 1.70 grondgebonden veehouderijtak onderdeel van een agrarisch bedrijf waarvoor het bedrijf beschikt over voldoende agrarische cultuurgrond in de omgeving van de bedrijfsgebouwen om de dieren binnen de veehouderijtak voor meer dan 50 procent zelf te kunnen voeren; 1.71 grondwaterbeschermingsgebied beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen 25 jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn en waar geen afdoende beschermende kleilaag aanwezig is; 1.72 Groene ontwikkelingszone gebied met een andere hoofdfunctie dan natuur dat ruimtelijk is vervlochten met het Gelders natuurnetwerk, waaronder weidevogelgebieden en rustgebieden voor winterganzen; 1.73 handreiking de 'Handreiking voor het berekenen van de breedte van de specifieke magneetveldzone bij bovengrondse hoogspanningslijnen' van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, versie 4.1, 26 oktober 2015; 1.74 hervestiging de vestiging van een nieuw op te richten of een van elders te verplaatsen veehouderijbedrijf op een bestaand agrarisch bouwvlak; 1.75 hoogspanningsverbinding een ondergrondse of bovengrondse verbinding met een spanningsniveau hoger dan 110 kV; 1.76 hoofdgebouw een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige hoofdfunctie van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die hoofdfunctie het belangrijkst is; 1.77 horeca categorie 1 het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccomodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf; de volgende specifieke vormen worden onder horeca categorie 1 begrepen: dagzaak: een horecabedrijf dat is ingericht op het nuttigen van koffie, thee, frisdranken, kleine maaltijden en dergelijke, zoals een dag-, eet- of grand café, lunchroom, koffie- en theehuis, ijssalon, waarvan de openingstijden grotendeels overeenkomen met die van een winkel; hotel: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse; pension: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies voor langere tijd met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten; restaurant: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken; snackbar/cafetaria: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van etenswaren al dan niet voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van zwak- en niet-alcoholische dranken; 1.78 horeca categorie 2 het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken waarbij het doen beluisteren van muziek een wezenlijk onderdeel vormt; de volgende specifieke vormen worden onder horeca categorie 2 begrepen: bar: een horecabedrijf dat tot doel heeft het verstrekken van dranken en kleine etenswaren voor gebruik ter plaatse, maar niet tussen 02.00 uur en 06.00 uur, waarbij het accent ligt op het verstrekken van dranken; nachtbar: een horecabedrijf dat tot doel heeft het verstrekken van dranken en kleine etenswaren voor gebruik ter plaatse, ook tussen 02.00 uur en 06.00 uur, waarbij het accent ligt op het verstrekken van dranken; café: een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid; discotheek/bar-dancing: een horecabedrijf dat tot doel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen een wezenlijk onderdeel vormen; 1.79 horeca categorie 3 het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie; de volgende specifieke vormen worden onder horeca categorie 3 begrepen: zalencentrum/partycentrum: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het ter beschikking stellen van ruimte(
- n)voor onder andere feesten en vergaderingen waarbij consumpties, kleine etenswaren en/of maaltijden worden verstrekt; congrescentrum: een bedrijf waarin ten minste één grote zaal is voor het houden van bijeenkomsten al dan niet met aanwezigheid een cateringbedrijf voor alle eten en drinken voor de bezoekers zorg draagt; 1.80 huishouden persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen; 1.81 instellingen voor cultuur en ontspanning culturele voorzieningen en voorzieningen voor ontspanning, waaronder dagrecreatie, of een combinatie daarvan; 1.82 inpandig bijbehorend bouwwerk bijbehorend bouwwerk dat geïntegreerd is in het hoofdgebouw; 1.83 intrekgebied beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen duizend jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn; 1.84 kantoor het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of alleen in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen; 1.85 kantoor- of praktijkruimte aan huis een beroepswerkruimte die wordt gebruikt voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf of vrij beroep; 1.86 kwetsbaar object object zoals gedefinieerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); 1.87 landbouwhuisdieren landbouwhuisdieren, zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; 1.88 lessenaarsdak een dakvorm die bestaat uit alleen één dakvlak of dakschild, dat onder een zekere helling is aangebracht; 1.89 lijnveld de schakel tussen het railsysteem en een circuit van een bovengrondse hoogspanningsverbinding bestaande uit onder andere de afspanning van een lijn, aarders, scheiders, meettransformatoren en schakelaars en bijbehorende ondersteuningen; 1.90 luifel een afdak met een diepte van meer dan 0,75 m, bevestigd aan de gevel van een gebouw zonder directe verbinding met de grond; 1.91 maaiveld bovenkant van een terrein dat een bouwwerk omgeeft; 1.92 maatschappelijke voorzieningen educatieve, sociale, medische en levensbeschouwelijke voorzieningen evenals voorzieningen voor openbare dienstverlening, of een combinatie daarvan, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen; 1.93 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 1.94 mogelijkheden voor ontmoeting terrassen, standplaatsen voor de ambulante handel, weekmarkten, rommelmarkten, braderieën, kermissen, volksfeesten, stadsfeesten, straattheaterfestivals, openluchtfestivals, fancy fairs, circussen, stadspromotionele activiteiten (bijvoorbeeld tijdelijke ijsbaan), e.d.; 1.95 molenbiotoop gebied rondom een historische of monumentale windmolen met een straal van 400 m gerekend vanaf het middelpunt van de molen, gericht op een onbelemmerde windopvang; 1.96 naar de weg gekeerde bouwgrens (voorgevelrooilijn) een lijn van een bouwvlak, gekeerd naar de weg, die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze regels toegelaten; 1.97 natuurspeelpark een park waar het spelen in de natuur, het ontdekken van de natuur en natuureducatie centraal staat; 1.98 niet-grondgebonden veehouderijbedrijf agrarisch bedrijf dat hoofdzakelijk is gericht op veehouderij waarvan het voer voor de landbouwhuisdieren voor het grootste gedeelte niet geteeld wordt op de gronden die in de nabijheid van het agrarisch bouwvlak zijn gelegen en waarop de veehouderij rechten heeft; 1.99 niet-grondgebonden veehouderijtak onderdeel van een agrarisch bedrijf dat is gericht op niet-grondgebonden veehouderij; 1.100 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie; 1.101 onderbouw een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 m boven peil is gelegen; 1.102 ondergronds bouwwerk een bouwwerk of een gedeelte van een bouwwerk, dat zich geheel onder het niveau van het maaiveld bevindt en daarmee niet gelijk ligt of erboven uit steekt; 1.103 openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, maar ook pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen alleen bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; 1.104 overig bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.105 overkapping een bouwwerk met een open constructie; 1.106 paardenhouderij gebruiksgerichte paardenhouderij: paardenhouderij waar het berijden van de paarden door een ruiter/amazone in het kader van recreatie en sport centraal staat en waar instructie van de ruiter/amazone het belangrijkste element is; productiegerichte paardenhouderij: paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden; 1.107 pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is; 1.108 peil voor bouwwerken op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang vermeerderd met 0,30 m; voor bouwwerken op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; als in of op het water wordt gebouwd: het gemiddeld waterpeil ter plaatse; voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: het hoogste punt van het aansluitende afgewerkte bouwperceel (incidentele verhogingen niet meegerekend); voor de hoofdfuncties 'Bedrijf - Opstijgpunt' Leiding - Hoogspanningsverbinding 150 kV ondergronds' en 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 150/380 kV en 380 kV': de hoogte van het afgewerkte omliggende terrein ter plaatse van het bouwwerk; indien de hoogte van het afgewerkte terrein niet aan alle zijden van het bouwwerk gelijk is, wordt het peil gerekend voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; 1.109 perifere detailhandel detailhandel in de volgende categorieën: keukens, badkamers, sanitair en tegels; tuinmeubelen; woninginrichtingsartikelen (zoals meubelen, woontextiel en slaapkamerinrichting); woningstoffering (zoals gordijnen, parket, laminaat en houtvloeren); bouwmarkten, tuincentra, meubel- annex woontextielzaken en/of woonwarenhuizen; 1.110 plaatsgebonden risico (PR) risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is; 1.111 plaatsgebonden risicocontour 10-6 plaatsgebonden risicocontour waarbinnen de kans 1 op de 1.000.000 per jaar is dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is; 1.112 planperiode de periode dat de verordening van kracht is; 1.113 plattelandswoning een bedrijfswoning behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, zoals bedoeld in artikel 1.1a lid 2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, welke door een persoon en diens huishouden, die geen binding heeft met de desbetreffende landbouwinrichting, wordt of mag worden bewoond; 1.114 praktijkruimte een beroeps- of bedrijfsmatige werkruimte, gelegen in of aansluitend aan een woning en behorend bij die woning, voor de uitoefening van medische, paramedische en andere vrije beroepen en/of administratieve of daarmee gelijk te stellen beroepen; 1.115 prostituee degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.116 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.117 railsysteem een systeem bestaande uit 1, 2 of 3 sets van parallelle geleiders op ondersteuningen als onderdeel van een hoogspanningsstation waarover grote elektrische vermogens kunnen worden getransporteerd en verdeeld over de verschillende aansluitingen (waaronder lijnvelden); 1.118 reclamezuil een rechtopstaand ander bouwwerk dat aanmerkelijk hoger is dan breed voor de uiting van reclame; 1.119 recreatieve inrichting instelling voor recreatie, ontspanning en vrijetijdsbesteding; 1.120 recreatiewoning een gebouw, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief verblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders heeft/hebben; 1.121 rijbaan elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van fietspaden; 1.122 (rij)wegen alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin gelegen bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; 1.123 risicobron inrichtingen bij welke ingevolge het 'Bevi' een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in de verordening toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten en/of; inrichtingen waar opslag, overslag en/of het gebruik van gevaarlijke stoffen plaatsvindt én die behoren tot een categorie van inrichtingen als bedoeld in bijlage 1 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer én waarvan het invloedsgebied tot over de eigen perceelsgrens reikt en/of; inrichtingen waarvoor, krachtens artikel 3.12, 3.17, 3.18, 3.28, 4.1, 4.3, 4.4, 4.5, 4.7 of 4.81 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, regels gelden bij de opslag, overslag en / of het gebruik van gevaarlijke stoffen met betrekking tot minimaal aan te houden afstanden ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten en/of; een inrichting waarin meer dan 1.000 kilogram consumentenvuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit of waarin professioneel vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen of bewerkt of; inrichtingen die niet onder 1 tot en met 4 vallen en waarvan de plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico is gelegen buiten de eigen perceelsgrens; Transporten van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor die vallen per 1 april 2015 onder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); Transportleidingen voor gas, olie en chemicaliën (buisleidingen) die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). 1.124 risicocontour denkbeeldige contour rondom een object (een bedrijf, buisleiding of weg), waarbinnen in geval van een calamiteit de bevolking ongewenste risico's loopt in de zin van doden en gewonden; 1.125 ruimtelijke uitwerking de aard, de omvang, de intensiteit, maar ook de ruimtelijke uitstraling van het gebruik en/of de functie van gronden en/of bouwwerken; 1.126 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop; een seksautomatenhal; een sekstheater; een parenclub; een (raam)prostitutiebedrijf, waaronder ook begrepen een erotische massagesalon; al dan niet in combinatie met elkaar of in combinatie met een sekswinkel, met uitzondering van thuisprostitutie; 1.127 silo een bouwwerk ten behoeve van opslagdoeleinden; 1.128 specifieke magneetveldzone de strook grond die zich aan beide zijden langs de hoogspanningslijn uitstrekt en waarbinnen het magneetveld gemiddeld over een jaar hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden, berekend overeenkomstig de handreiking; 1.129 stacaravan een als een gebouw aan te merken caravan, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief woonverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; 1.130 stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige een beleidsmedewerker van de gemeente, belast met de stedenbouwkundige en cultuurhistorische adviezen; 1.131 straatmeubilair bij of op de weg behorende bouwwerken zoals verkeersgeleiders, abri's, zitbanken, reclamezuilen, bloembakken, ondergrondse vuilcontainers en cocons van vuilcontainers; 1.132 teeltondersteunende voorzieningen voorzieningen die worden toegepast om de teelt van groente, fruit of potplanten te bevorderen en te beschermen. Hieronder worden verstaan tunnel- en boogkassen, containerteelt, schaduwhallen, hagelnetten, stellingen, regenkappen en soortgelijke bouwwerken; 1.133 thuisprostitutie een vorm van prostitutie, waarbij de seksuele dienstverlening plaatsvindt op het woonadres van de prostituee en waarbij ook alleen door deze prostituee op dit adres wordt gewerkt als prostituee; 1.134 tijdelijke woonunit een demontabel en/of relatief eenvoudig verwijderbaar gebouw voor huisvesting voor mantelzorg onder welke benaming ook aangeduid, doch in het spraakgebruik als woonunit wordt aangemerkt, bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van woon-, dag- en/of nachtverblijf; 1.135 toegangspartij een toegangspartij of een uitgebouwde toegang is een uitbreiding van de toegangsruimte (hal) van een gebouw, die buiten de gevel uitsteekt en al dan niet in open verbinding staat met die ruimte; 1.136 Toegestaan gebruik - opwekken duurzame energie het opwekken van duurzame energie met behulp van zonnepanelen of andere - op grond van de gebiedsregels geoorloofde - voorzieningen op het dak is toegestaan; 1.137 varkenskrullen draadmarkingen in de vorm van kunststof spiralen ten behoeve van het verbeteren van de zichtbaarheid van de lijnen tussen twee hoogspanningsmasten voor vogels; 1.138 verantwoording groepsrisico het afleggen van verantwoording over het genomen besluit om toename van het groepsrisico toe te staan. Hierbij moet aandacht worden besteed aan mogelijke alternatieven en risico reducerende maatregelen en het belichten van de mogelijkheid voor rampenbestrijding en hulpverlening; 1.139 verblijfsrecreatie vormen van vrijetijdsbesteding waarbij ook in overnachtingsmogelijkheden is voorzien; 1.140 vliering bergruimte onder het dak en niet voor bewoning geschikt; 1.141 volumineuze detailhandel detailhandel in volumineuze goederen; 1.142 volumineuze goederen goederen waarbij voor tentoonstelling of opslag een grote vloeroppervlakte nodig is: auto's, boten, caravans, landbouwvoertuigen, motorfietsen, bromfietsen, fietsen of vergelijkbare goederen; 1.143 voorgevel de naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw, of als het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt; 1.144 voorzorgsbeleid het advies van de toenmalige Staatssecretaris van VROM d.d. 3 oktober 2005, kenmerk SAS/2005183118 en aanvullende brief van de toenmalige Minister van VROM d.d. 4 november 2008 (DGM/2008105664)) met betrekking tot gezondheidsaspecten van elektromagnetische velden; 1.145 vrij beroep een professionele dienstverlening, voornamelijk bestaande uit hoofdarbeid, waarbij gebruik wordt gemaakt van verworvenheden verkregen door een academische of een hogere beroepsopleiding (zie bijlage 8 Lijst van vrije beroepsbeoefenaars); 1.146 vrijstaand bijbehorend bouwwerk een bijbehorend bouwwerk, dat vrij van het hoofdgebouw gebouwd is en in functioneel opzicht geen deel uitmaakt van het hoofdgebouw; 1.147 vrije beroepsbeoefenaar iemand die wordt ingehuurd om zijn/haar individuele persoonlijke, artistieke en/of academische kwaliteiten; 1.148 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit; 1.149 waterwingebied beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen één jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn; 1.150 wegen alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin gelegen bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; 1.151 Wintrack een hoogspanningsmast die herkenbaar is aan twee naast elkaar staande, gladde, abstract rondconische pylonen (bipole mast); 1.152 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouden, woonwagens niet inbegrepen; 1.153 woonfunctie wonen in enge zin; 1.154 woonwagen een voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst; 1.155 woonwagenstandplaats een kavel, waarop nutsvoorzieningen aanwezig zijn, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen; 1.156 zolder ruimte(
- n)in een gebouw die geheel is (zijn) afgedekt met veelal schuine daken en die in functioneel opzicht deel uitmaakt (uitmaken) van de daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen; 1.157 zorgwoning een gebouw of een zelfstandig gedeelte van een gebouw voor de huisvesting van personen die niet zelfstandig kunnen wonen en die geestelijke en/of lichamelijke verzorging nodig hebben; de verzorging vindt voortdurend plaats en in het gebouw is afzonderlijke ruimte voor de verzorging aanwezig. Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand van een bouwwerk tot een perceelsgrens de kortste afstand tussen enig punt van een bouwwerk en een perceelsgrens, de overdekte gebouwgebonden buitenruimten (dakoverstekken) tot 0,75 m niet meegerekend; 2.2 de bebouwde oppervlakte van een perceel of ander terrein de som van de oppervlakten van alle op een perceel of een ander terrein gelegen gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, 1 m boven peil neerwaarts geprojecteerd en buitenwerks gemeten; 2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.4 de breedte van een bouwwerk van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte; 2.5 de bruto-vloeroppervlakte (b.v.o.) de som van de horizontale vloeroppervlakten van de bouwlagen, met inbegrip van de daarbij behorende kantoren, magazijnen, werkplaatsen en overige dienstruimten, buitenwerks gemeten; 2.6 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; bij een 'half-ronde' of anderszins gebogen kapvorm, wordt de dakhelling berekend als de hoek tussen de lijn die de goothoogte en het hoogste punt van het bouwwerk verbindt ten opzichte van het horizontale vlak; 2.7 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; de inhoud van een eventueel ondergronds bouwwerk niet meegerekend; 2.8 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen; bij afgeknotte schilddaken is de onderste goothoogte maatgevend, onder de voorwaarde dat de dakhelling van alle dakvlakken maximaal 60º is; 2.9 de hoogte van een windmolen vanaf het peil tot aan de as van de windmolen; 2.10 de netto-vloeroppervlakte (n.v.o.) de som van de horizontale vloeroppervlakten van de tot een gebouw behorende binnenruimten, gemeten op vloerniveau, tussen de begrenzende opgaande scheidingsconstructies van de afzonderlijke ruimten, een en ander conform NEN 2580:2007, onderdelen 4.3.1 en 4.3.2; 2.11 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.12 de oppervlakte van een overkapping tussen de rand van het dakvlak, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.13 de valafstand de afstand tussen de dichtstbijzijnde pyloon van de bipolemast tot het hart van een (gas)buisleiding; 2.14 de veldlengte de afstand tussen twee mastlocaties, uitgaande van de denkbeeldige lijn door het hart van de bipolemast op een bepaalde mastlocatie; 2.15 de verkoopvloeroppervlakte (v.v.o.) de som van de horizontale vloeroppervlakten van ruimten die rechtstreeks ten dienste staan van de detailhandelsactiviteiten en voor publiek toegankelijk zijn (kantoren, magazijnen en overige dienstruimten worden hieronder niet begrepen), binnenwerks gemeten; 2.16 de vloeroppervlakte van een woning de som van de horizontale vloeroppervlakten van de voor bewoning bestemde vertrekken van een woning, waaronder mede moeten worden verstaan keukens, slaapvertrekken, gangen, toiletten, bad- en doucheruimten en zolders welke gebruikt worden als berging, maar ook inpandige of aangebouwde bergingen die op grond van de verordening verbouwd mogen worden tot woonruimte, binnenwerks gemeten; Hoofdstuk 2 Gebiedsregels Artikel 3 Agrarisch 3.1 Hoofdfunctieomschrijving De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: agrarische bedrijvigheid in de vorm van: grondgebonden agrarische bedrijven, waaronder een grondgebonden veehouderijbedrijf; niet-grondgebonden veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'niet grondgebonden'; niet grondgebonden veehouderijbedrijven voor kippen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij voor kippen'; nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf, opgenomen in de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten (bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten); gebruiksgerichte paardenhouderij uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij'; een kampeerterrein voor maximaal 25 standplaatsen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein'; een evenemententerrein uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein'; een recreatiewoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning'; een bed & breakfast-accommodatie, bestaande uit twee kamers, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast'; een agrarisch technisch bedrijf met veestalling uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf'; een grondverzetbedrijf uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - grondverzetbedrijf'; bedrijfswoningen, tenzij uitdrukkelijk uitgesloten; uitsluitend een plattelandswoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'; aan huis gebonden beroepen en bedrijven in of bij de bedrijfswoning; bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken ten behoeve van de hoofdfunctie 'Wonen'; het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen; extensieve dagrecreatie, zandwegen, fiets- en wandelpaden en picknickplaatsen; waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen; groen-, natuur- en nutsvoorzieningen; ontsluiting van anders dan voor agrarisch aangewezen gronden en bouwwerken die enkel via 'Agrarisch' te bereiken zijn; een keerlus voor het vrachtverkeer behorend bij en ten behoeve van het aangrenzende bedrijf met de hoofdfunctie 'Bedrijf', ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel in pluimvee en transport'; een veehandelsbedrijf uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehandel'; en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Agrarisch' worden gebouwd. 3.2.2 Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de navolgende regels: realisatie is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'silo' geen andere bebouwing is toegestaan dan kuilvoerplaten; de gezamenlijke oppervlakte van kassen mag maximaal 300 m2 per bouwvlak bedragen, tenzij op de verordeningskaart anders is aangegeven met de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)'; mest/co-vergistingsinstallaties zijn toegestaan als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: er kan geen installatie worden gevestigd in gebieden met de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' (45.7) of 'veiligheidszone - lpg' (45.13) of gronden met de dubbelhoofdfunctie 'Leiding - Gas' of 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'; er is sprake van een installatie die dierlijke meststof produceert en gericht is op een bedrijfseigen activiteit, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in: categorie A: verwerken eigen geproduceerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt; categorie B: verwerken eigen geproduceerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt of naar derden afgevoerd; categorie C: verwerken aangevoerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt; de maximale verwerkingscapaciteit van de installatie is 35 ton dierlijke mest per dag; de installatie levert geen nieuwe belemmeringen op voor de omgeving en kan ook op basis van milieueisen; de installatie heeft geen negatief effect op de verkeerskundige situatie van de omgeving; er zijn geen nevenactiviteiten bij het agrarische bedrijf aanwezig, als bedoeld in 3.1 sub b; de goothoogte mag maximaal 6 m bedragen; de bouwhoogte mag maximaal 11 m bedragen; in afwijking van het bepaalde onder e mag de bouwhoogte van kassen maximaal 6 m bedragen; in afwijking van het bepaalde onder a, d en e mag ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' ten dienste van het kampeerterrein bebouwing met een oppervlakte van maximaal 50 m2, een goothoogte van maximaal 3 m en een bouwhoogte van maximaal 6 m aanwezig zijn. 3.2.3 Bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de navolgende regels: realisatie is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; per bouwvlak mag maximaal 1 bedrijfswoning worden gebouwd met dien verstande dat: ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aantal bedrijfswoningen', maximaal het daar aangegeven aantal bedrijfswoningen is toegestaan; de inhoud van een bedrijfswoning mag maximaal 750 m3 bedragen; in afwijking van het bepaalde onder c mag, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gesplitst', de inhoud van een woning maximaal 375 m3 bedragen; de goothoogte mag maximaal 4,5 m bedragen; de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen. 3.2.4 Plattelandswoningen en bijbehorende bouwwerken bij een plattelandswoning Voor het herbouwen van plattelandswoningen gelden de regels in lid 3.2.3. Voor het herbouwen van bijbehorende bouwwerken bij een plattelandswoning gelden de regels in lid 3.2.6. 3.2.5 Recreatiewoning Voor het bouwen van een recreatiewoning gelden de navolgende regels: de oppervlakte mag niet meer bedragen dan het bestaande bebouwde oppervlakte; de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande hoogte. 3.2.6 Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de regels in artikel 21.2.3 van de hoofdfunctie 'Wonen', met dien verstande, dat realisatie uitsluitend is toegestaan binnen het bouwvlak. 3.2.7 Bouwwerken geen gebouwen zijnde: Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de navolgende regels: realisatie van kuilvoerplaten, tunnelkassen, mestopslag, silo's, paardrijbakken en trainingsmolens is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; de bouwhoogte mag maximaal 1,2 m bedragen; in afwijking van het bepaalde in sub b mag de bouwhoogte van: erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwvlak en op ten minste 1 m achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, maximaal 2 m bedragen; terreinafscheidingen voor paardrijbakken buiten het bouwvlak maximaal 2 m bedragen; bouwwerken voor kuilvoerplaten maximaal 3 m bedragen; trainingsmolens en kassen maximaal 6 m bedragen; bouwwerken voor mestopslag maximaal 8 m bedragen, waarbij een maximale goothoogte van 6 m geldt; silo's, luchtwassers, antennedragers inclusief antennes, verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 m bedragen; windmolens maximaal 15 m bedragen; de oppervlakte van een mestopslag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - oppervlakte mestopslag' mag maximaal 350 m2 bedragen. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 3.2, nadere eisen stellen met betrekking tot: dakvormen, dakhellingen en nokrichtingen van bouwwerken; de goot- en bouwhoogte van bouwwerken; de afmetingen van bouwwerken; het aantal en de situering van bouwwerken; onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan en met dien verstande dat, bij de aanduiding 'cultuurhistorie' uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en een advies moet worden ingewonnen bij een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige. 3.4 Afwijken van de bouwregels Naast de hieronder opgenomen afwijkingen, zijn ook de afwijkingen in artikel 46.2.1, 46.2.2, 46.2.3 en 46.2.4 van toepassing, voor zover zij gelden voor de hoofdfunctie 'Agrarisch'. 3.4.1 Mestopslag, kuilvoerplaten, trainingsmolens en/of paardrijbakken buiten het bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.7 sub a voor het bouwen van een mestopslag, kuilvoerplaten, trainingsmolen en/of paardrijbak buiten het bouwvlak, onder voorwaarden dat: daardoor geen onaanvaardbare gevolgen ontstaan voor aangrenzende percelen betreffende beschaduwing en gebruiksmogelijkheden van die percelen; maximaal één mestopslag buiten het bouwvlak mag worden gerealiseerd met een inhoud van maximaal 1.000 m3 en een goothoogte van maximaal 5 m en een bouwhoogte van maximaal 7 m; de kuilvoerplaten buiten het bouwvlak een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 250 m2 mogen hebben en een bouwhoogte van maximaal 2 m; maximaal één trainingsmolen zonder overkapping buiten het bouwvlak mag worden gerealiseerd met een maximale diameter van 20 m en een bouwhoogte van maximaal 5 m; geen verkeersonveilige situatie ontstaat; het bouwwerk moet landschappelijk worden ingepast, hiertoe moet van te voren een landschappelijk inpassingsplan worden overlegd dat voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn ‘Verrekening bij landschappelijk inpassing’, 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen. Een inpassingsplan hoeft niet te worden overlegd als landschappelijke inpassing niet nodig is bijvoorbeeld vanwege de reeds aanwezige beplanting. Over het inpassingsplan of over de vraag of dat plan nodig is, wordt advies ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap; geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding ‘overige zone – gelders natuurnetwerk’ of ‘overige zone – groene ontwikkelingszone’, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. 3.4.2 Bijbehorende bouwwerken voor de hoofdfunctie ‘Wonen’ Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de eis dat bijbehorende bouwwerken bij woningen moeten worden gerealiseerd binnen het hoofdfunctievlak van de hoofdfunctie ‘Wonen’, onder voorwaarden dat: aangetoond is dat op de locatie in het verleden een bouwwerk heeft gestaan en herbouw vanuit cultuurhistorisch perspectief een meerwaarde heeft; het bouwwerk aansluit bij de vorm en massa van het oorspronkelijke bouwwerk; de oppervlakte van het bijbehorende bouwwerk meetelt bij de maximaal toelaatbare oppervlakten voor bijbehorende bouwwerken in artikel 21.2.3; geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding ‘overige zone – gelders natuurnetwerk’ of ‘overige zone – groene ontwikkelingszone’, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. 3.4.3 Overschrijding bouwgrens bij niet-grondgebonden veehouderijbedrijf Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 onder a voor het vergroten van de oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak voor de huisvesting van landbouwhuisdieren behorende bij een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf onder voorwaarden dat: de gebouwen buiten het bouwvlak direct aansluitend aan het bouwvlak gesitueerd worden; de overschrijding van de grens van het bouwvlak maximaal 5 m bedraagt; de realisatie noodzakelijk is in verband met eisen op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren dan wel een verbetering van de milieuhygiënische situatie met zich meebrengt; er geen sprake is van toename van het aantal dierplaatsen binnen het betreffende bedrijf; vaststaat dat de stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf niet toeneemt ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf; de gebruiksmogelijkheden en waarden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast en het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woningen niet verslechtert; wordt voldaan aan de beleidsregels in het Plussenbeleid Doetinchem 2019 van de gemeente Doetinchem zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 19 mei 2019 (Bijlage 6 Plussenbeleid Doetinchem 2019), met dien verstande dat wanneer deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 3.5 Specifieke gebruiksregels 3.5.1 Algemeen Per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan. 3.5.2 Strijdig gebruik stikstofdepositie Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik van gronden en overkappingen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren waarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie vanaf het betreffende agrarische bedrijf ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf. 3.5.3 Strijdig gebruik veebezetting Voor de bedrijven die zijn voorzien van de aanduiding 'niet grondgebonden' wordt onder gebruik in strijd met deze hoofdfunctie in elk geval gerekend het uitbreiden met een andere categorie dieren (overeenkomstig de hoofdcategorieën uit de Regeling ammoniak en veehouderij) dan de bestaande categorie en met uitzondering van melkrundvee. Voor de bedrijven die zijn voorzien van de aanduiding 'niet grondgebonden' is omschakeling naar een andere categorie dieren (overeenkomstig de hoofdcategorieën uit de Regeling ammoniak en veehouderij) dan de bestaande categorie uitsluitend toegestaan indien de achtergrondbelasting overeenkomstig de Wet geurhinder en veehouderij, of diens opvolger niet toeneemt. 3.5.4 Verbod op nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij Onder gebruik in strijd met deze verordening wordt in ieder geval verstaan: het vestigen van een geitenhouderij; het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een veehouderij of veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren in een geitenhouderij; het vergroten van het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden; het vergroten van de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten, tenzij het vergunde, dan wel gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit; het oprichten van een dierenverblijf voor een geitenhouderij en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen; bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij. 3.5.5 Nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf Voor het uitoefenen van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf gelden de navolgende voorwaarden: uitsluitend nevenactiviteiten, genoemd in de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten (bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten) zijn toegestaan; in 'overige zone - gelders natuurnetwerk' is alleen verblijfs-, dagrecreatie en zorg toegestaan; nevenactiviteiten in de open lucht zijn niet toegestaan, met uitzondering van nevenactiviteiten in de open lucht behorend bij dagreactie, verblijfsrecreatie of zorgactiviteiten tot een te gebruiken oppervlakte van maximaal 200 m2; de oppervlakte van de nevenactiviteit(
- en)mag maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedragen onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(
- en)niet meer mag bedragen dan 350 m2; verblijfsrecreatie is alleen toegestaan: in de bestaande bedrijfswoning en de daaraan aangebouwde bijbehorende bouwwerken, zonder dat dit ten koste gaat van de woonfunctie van de bedrijfswoning, daarvan is in elk geval sprake als meer dan 40% van de woning wordt gebruikt voor verblijfsrecreatie; in een monument; in een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden', of; in een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorie' mits het gebouw in kwestie een cultuurhistorische waarde heeft. 3.5.6 Aan huis gebonden bedrijven en/of beroepen Een bedrijfswoning of een plattelandswoning, inclusief eventueel aanwezige, bijbehorende bouwwerken mag ook worden gebruikt voor een aan huis gebonden bedrijf of beroep, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in lid 21.5.1, van de hoofdfunctie 'Wonen'. 3.5.7 Parkeren In geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 3.5.8 Keerlus voor vrachtverkeer Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel in pluimvee en transport' mogen vrachtwagens van en voor het aangrenzende pluimveehandel- en transportbedrijf rijden; parkeren van vrachtwagens is niet toegestaan. 3.5.9 Groepsaccommodatie Daar waar de aanwezige recreatieverblijven (aangeduid met 'recreatiewoning' of 'bed & breakfast') ook voorzien zijn van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie' mogen de recreatieverblijven ook gebruikt worden als groepsaccommodatie. 3.5.10 Verbod op het hobbymatig houden van varkens en het telen van gewassen In afwijking van het bepaalde in lid 3.1 mogen op de gronden die zijn aangeduid als 'specifieke vorm van agrarisch - niet-grondgebonden veehouderij voor kippen' geen varkens gehouden worden. 3.5.11 Gebruik schuur voor houtopslag (uitsterfregeling) Uitsluitend ter plaatste van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – houtopslag uitsterfregeling' kan de bestaande en als zodanig aangeduide schuur worden gebruikt voor de opslag van hout. Het recht als bedoeld in lid a vervalt indien en zodra schuur een jaar lang onafgebroken niet is gebruikt voor de opslag van hout. 3.6 Afwijken van de gebruiksregels Naast de hieronder opgenomen afwijkingsmogelijkheden, zijn ook de afwijkingsmogelijkheden in artikel 46.3 van toepassing, voor zover van toepassing op de hoofdfunctie 'Agrarisch'. 3.6.1 Nevenactiviteiten Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.5 voor het bij een agrarisch bedrijf toestaan van nevenactiviteiten die behoren tot de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten zoals deze is opgenomen in bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten en die in deze lijst als nevenactiviteiten of mede als nevenactiviteiten zijn aangeduid voor: een oppervlakte groter dan 350 m2, en/of; het uitoefenen van nevenactiviteiten in de open lucht, en/of; verblijfsrecreatie in een ander gebouw dan de bestaande bedrijfswoning, een monument of een gebouw aangeduid met 'cultuurhistorische waarden', of in een gebouw binnen de aanduiding 'cultuurhistorie' mits het gebouw een cultuurhistorische waarde heeft; onder voorwaarden dat: de oppervlakte van de nevenactiviteit(
- en)maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande gebouwen mag bedragen, onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(
- en)niet meer mag bedragen dan in de hiernavolgende tabel, zoals die geldt voor de aangeduide deelgebieden, is weergegeven en met dien verstande dat bij een combinatie van meerdere nevenactiviteiten maximaal de laagste oppervlaktenorm is toegestaan: Maximale oppervlakte in m2 nevenactiviteit(
- en)'overige zone - gelders natuurnetwerk' 'overige zone - groene ontwikkelingszone' overig landelijk gebied Verblijfsrecreatie 500 750 Dagrecreatie 500 750 Zorg 500 750 Opslag x 500 Overige nevenactiviteiten x 500 geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones; de landschappelijke inpassing is gewaarborgd in een landschappelijk inrichtingsplan, die voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing', 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen en waarover advies is ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap; de (gezamenlijke) nevenactiviteit(
- en)van ondergeschikte betekenis is (zijn) aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in bedrijfseconomische, ruimtelijke en visuele zin primair blijft; de (gezamenlijke) nevenactiviteit(
- en)geen nadelige invloed mag (mogen) hebben op de parkeerbalans, casu quo primair binnen het bouwvlak moet worden geparkeerd door gebruiker én bezoekers en moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; ruimtelijke ingrepen mogen niet leiden tot verlaging van de grondwaterstanden in natte natuurgebieden, gelegen binnen de dubbelhoofdfunctie 'Waarde - Natuur'; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast. 3.6.2 Kamperen bij de boer Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.5 voor het bij een agrarisch bedrijf toestaan van een kampeerterrein, onder voorwaarden dat: de gronden welke in gebruik genomen gaan worden ten behoeve van kamperen binnen het bouwvlak liggen dan wel daar direct op aansluiten; ten hoogste 25 kampeerplaatsen zijn toegestaan; kamperen uitsluitend mag plaatsvinden in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; gebouwen, zoals sanitaire ruimten, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande dat: de maximale oppervlakte 150 m2 mag bedragen; de goothoogte maximaal 3 m mag bedragen; de bouwhoogte maximaal 6 m mag bedragen; het kamperen van ondergeschikte betekenis is aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; het kampeerterrein na realisatie landschappelijk is ingepast op een wijze die voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing', 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen; geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones; moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 3.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een cultuurhistorisch waardevol bouwwerk 3.7.1 Verbod Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' of 'cultuurhistorie', voortvloeiend uit bijlage 14 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - onderzoeksrapport en 15 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Doetinchem, 16 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Gaanderen of 17 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Wehl, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. 3.7.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 3.7.1 is niet van toepassing op: werkzaamheden die: al in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van de verordening; het normale onderhoud betreffen; mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning of aanschrijving van bevoegd gezag; gebouwen die zijn getroffen door een calamiteit en blijkens een advies van een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige als gevolg van die calamiteit geen cultuurhistorische waarde meer hebben; gebouwen voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorie' waarbij uit het onderzoek, dat aanleiding was voor het opnemen van de aanduiding, blijkt dat het betreffende bouwwerk geen cultuurhistorische waarde heeft; bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist (vergunningvrije bouwwerken). 3.7.3 Beoordelingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.7.1 wordt slechts verleend als: de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalende aanzicht van de bebouwing behouden blijft; het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht behouden blijft; de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht op basis van bouwtechnische en/of economische overwegingen in alle redelijkheid niet te handhaven zijn; de aanvrager moet dit aantonen door rapporten in te dienen - door een ter zake deskundige opgesteld - die ingaan op de cultuurhistorische, bouwkundige en/of gebruikstechnische staat van het bouwwerk in relatie tot de kosten van de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden; als bij de sloopwerkzaamheden ook (delen van) de inwendige structuur gesloopt worden, is de aanvrager verantwoordelijk voor een onderzoek naar de mogelijke aanwezige cultuurhistorische waarden, uitgevoerd door een ter zake deskundige. Deze moet in de vorm van een rapportage met waardestelling aan de gemeente worden verstrekt; vooraf advies is ingewonnen bij een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige; in aanvulling op sub e, kan het bevoegd gezag advies inwinnen bij een extern deskundige bij twijfel of als er geen verantwoorde belangenafweging kan worden gemaakt door de stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.7.1 wordt, als ook sprake is van de aanduiding 'cultuurhistorie', slechts verleend als: de karakteristieke aard en het beeldbepalende aanzicht van het hoofdgebouw of bijgebouw in relatie tot het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft. het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht van het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft; de geplande sloopwerkzaamheden niet in strijd zijn met sub c, d, e en f. Artikel 4 Agrarisch met waarden 4.1 Hoofdfunctieomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: agrarische bedrijvigheid in de vorm van: grondgebonden agrarische bedrijven, waaronder een grondgebonden veehouderijbedrijf; niet-grondgebonden veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'niet grondgebonden'; met dien verstande dat: kwekerijen niet zijn toegestaan ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - openheid'; fruitteelt niet is toegestaan ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - openheid', uitgezonderd de bestaande fruittelers ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt'; instandhouding van de aanwezige voorkomende dan wel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden, waaronder in ieder geval de instandhouding en versterking van de openheid van het landschap ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - openheid' en 'overige zone - openheid en reliëf' en de instandhouding en versterking van de kenmerkende hoogteverschillen van het landschap ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - reliëf' en 'overige zone - openheid en reliëf', waarbij als richtlijn geldt de laatste tabel van bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing' gebaseerd op de landschapstypen als weergegeven in bijlage 3 Landschapstypen; nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf, opgenomen in de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten (bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten); gebruiksgerichte paardenhouderij uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij'; trekkershutten uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - trekkershutten'; een natuurkampeerterrein met maximaal 45 standplaatsen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein'; een evenemententerrein uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein'; een wijngaard uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wijngaard'; (een) volkstuin(
- en)uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin'; een parkeerterrein uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' en uitsluitend ten dienste van het nabij gelegen horecabedrijf; bedrijfswoning(en), tenzij uitdrukkelijk uitgesloten; uitsluitend een plattelandswoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning'; aan huis gebonden beroepen en bedrijven in of bij de bedrijfswoning; bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken ten behoeve van de hoofdfunctie 'Wonen'; het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen; extensieve dagrecreatie, zandwegen, fiets- en wandelpaden en picknickplaatsen; waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen; groen-, natuur- en nutsvoorzieningen; ontsluiting van anders dan voor agrarisch aangewezen gronden en bouwwerken die enkel via 'Agrarisch met waarden' te bereiken zijn; een groenbedrijf, glastuinbouwbedrijf, kwekerij voor sierteelt en daaraan gekoppelde onderwijsmogelijkheden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'tuinbouw'; dagrecreatie behorend bij en ten behoeve van het aangrenzende recreatieve bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'dagrecreatie'; en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Op de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Agrarisch met waarden' worden gebouwd. 4.2.2 Bedrijfsgebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de navolgende regels: realisatie is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; de gezamenlijke oppervlakte van kassen mag maximaal 300 m2 per bouwvlak bedragen; mest/co-vergistingsinstallaties zijn toegestaan als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: er kan geen installatie worden gevestigd in gebieden met de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' (45.7) of 'veiligheidszone - lpg' (45.13) of gronden met de dubbelhoofdfunctie 'Leiding - Gas' of 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'; er is sprake is van een installatie die dierlijke meststof produceert en gericht is op een bedrijfseigen activiteit, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in: categorie A: verwerken eigen geproduceerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt; categorie B: verwerken eigen geproduceerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt of naar derden afgevoerd; categorie C: verwerken aangevoerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt; de maximale verwerkingscapaciteit van de installatie is 35 ton dierlijke mest per dag; de installatie levert geen nieuwe belemmeringen op voor de omgeving en kan ook op basis van milieueisen; de installatie heeft geen negatief effect op de verkeerskundige situatie van de omgeving; er zijn geen nevenactiviteiten bij het agrarische bedrijf aanwezig als bedoeld in 4.1 sub c; de goothoogte mag maximaal 6 m bedragen; de bouwhoogte mag maximaal 11 m bedragen; in afwijking van het bepaalde onder e mag de bouwhoogte van kassen maximaal 6 m bedragen; in afwijking van het bepaalde onder a, d en e zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - trekkershutten' maximaal vier trekkershutten toegelaten met een oppervlakte van maximaal 50 m2 per trekkershut, een goothoogte van maximaal 3 m en een bouwhoogte van maximaal 4 m; in afwijking van het bepaalde onder a, d en e zijn op gronden met de aanduiding 'kampeerterrein', gebouwen ten behoeve van het natuurkampeerterrein toegelaten met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m2, een goothoogte van maximaal 3 m en een bouwhoogte van maximaal 6 m; in afwijking van het bepaalde onder a, d en e mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wijngaard' een gebouw ten behoeve van de wijngaard gebouwd worden met een maximale oppervlakte van 96 m2, een maximale goothoogte van 3 m en een maximale bouwhoogte van 6 m. 4.2.3 Bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de navolgende regels: realisatie is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; per bouwvlak mag maximaal 1 bedrijfswoning worden gebouwd met dien verstande dat: ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen', het daar aangegeven maximum aantal bedrijfswoningen is toegestaan; de inhoud van een bedrijfswoning mag maximaal 750 m3 bedragen; in afwijking van het bepaalde onder c mag, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gesplitst', de inhoud van een woning maximaal 375 m3 bedragen; de goothoogte mag maximaal 4,5 m bedragen; de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen. 4.2.4 Plattelandswoningen en bijbehorende bouwwerken bij een plattelandswoning Voor het herbouwen van plattelandswoningen gelden de regels in lid 4.2.3 Voor het herbouwen van bijbehorende bouwwerken bij een plattelandswoning gelden de regels in lid 4.2.5. 4.2.5 Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de regels in artikel 21.2.3 Bijbehorende bouwwerken van de hoofdfunctie 'Wonen', met dien verstande, dat realisatie uitsluitend is toegestaan binnen het bouwvlak. 4.2.6 Bouwwerken geen gebouwen zijnde: Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde op de gronden met de hoofdfunctie 'Agrarisch met waarden' gelden de navolgende bepalingen: realisatie van kuilvoerplaten, tunnelkassen, mestopslag, silo's en trainingsmolen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; de bouwhoogte mag maximaal 1,2 m bedragen; in afwijking van het bepaalde in sub b mag de bouwhoogte van: erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwvlak en op ten minste 1 m achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, maximaal 2 m bedragen; terreinafscheidingen voor paardrijbakken buiten het bouwvlak maximaal 2 m bedragen; bouwwerken voor kuilvoerplaten maximaal 3 m bedragen; teeltondersteunende voorzieningen, geen kassen, ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt', maximaal 4,5 m bedragen; trainingsmolens en kassen maximaal 6 m bedragen; bouwwerken voor mestopslag maximaal 8 m bedragen, waarbij een maximale goothoogte van 6 m geldt; silo's, luchtwassers, antennedragers inclusief antennes, verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 m bedragen; windmolens maximaal 15 m bedragen; de totale oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' niet meer bedragen dan de aangegeven oppervlakte per hectare. 4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 4.2, nadere eisen stellen met betrekking tot: dakvormen, dakhellingen en nokrichtingen van bouwwerken; de goot- en bouwhoogte van bouwwerken; de afmetingen van bouwwerken; het aantal en de situering van bouwwerken; onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan en met dien verstande dat, bij de aanduiding 'cultuurhistorie', uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en een advies moet worden ingewonnen bij een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige. 4.4 Afwijken van de bouwregels Naast de hieronder opgenomen afwijkingen, zijn ook de afwijkingen als opgenomen in artikel 46.2.1, 46.2.2, 46.2.3 en 46.2.4 van toepassing, voor zover zij gelden voor de hoofdfunctie 'Agrarisch met waarden'. 4.4.1 Bouwen van mestopslag, trainingsmolens en kuilvoerplaatsen buiten het bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.6 sub a voor het bouwen van een mestopslag, kuilvoerplaten, trainingsmolen en/of paardrijbak buiten het bouwvlak, onder voorwaarden dat: daardoor geen onaanvaardbare gevolgen ontstaan voor aangrenzende percelen betreffende beschaduwing en gebruiksmogelijkheden van die percelen; maximaal één mestopslag buiten het bouwvlak mag worden gerealiseerd met een inhoud van maximaal 1.000 m3 en een goothoogte van maximaal 5 m en een bouwhoogte van maximaal 7 m; de kuilvoerplaten buiten het bouwvlak een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 250 m2 mogen hebben en een bouwhoogte van maximaal 2 m; maximaal één trainingsmolen zonder overkapping buiten het bouwvlak mag worden gerealiseerd met een maximale diameter van 20 m en een bouwhoogte van maximaal 5 m; geen verkeersonveilige situatie ontstaat; het bouwwerk moet landschappelijk worden ingepast, hiertoe moet van te voren een landschappelijk inpassingsplan worden overlegd dat voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn ‘Verrekening bij landschappelijk inpassing’, 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen. Een inpassingsplan hoeft niet te worden overlegd als landschappelijke inpassing niet nodig is bijvoorbeeld vanwege de reeds aanwezige beplanting. Over het inpassingsplan of over de vraag of een inpassingsplan nodig is wordt advies ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap; geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding ‘overige zone – gelders natuurnetwerk’’ of ‘overige zone – groene ontwikkelingszone’, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. 4.4.2 Bijbehorende bouwwerken voor de hoofdfunctie ‘Wonen’ Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de eis dat bijbehorende bouwwerken bij woningen moeten worden gerealiseerd op het hoofdfunctievlak van de hoofdfunctie ‘Wonen’, onder voorwaarden dat: aangetoond is dat op de locatie in het verleden een bouwwerk heeft gestaan en herbouw van dat gebouw vanuit cultuurhistorisch perspectief een meerwaarde heeft; het bouwwerk aansluit bij de vorm en massa van het oorspronkelijke bouwwerk; de oppervlakte van het bijbehorende bouwwerk meetelt bij de toegestane oppervlakten in artikel 21.2.3; geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding ‘overige zone – gelders natuurnetwerk’ of ‘overige zone – groene ontwikkelingszone’, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. 4.4.3 Overschrijding bouwgrens bij niet-grondgebonden veehouderij Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2 onder a voor het vergroten van de oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak voor de huisvesting van landbouwhuisdieren behorende bij een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf onder voorwaarden dat: de gebouwen buiten het bouwvlak direct aansluitend aan het bouwvlak gesitueerd worden; de overschrijding van de grens van het bouwvlak maximaal 5 m bedraagt; de realisatie noodzakelijk is in verband met eisen op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren dan wel een verbetering van de milieuhygiënische situatie met zich meebrengt; er geen sprake is van toename van het aantal dierplaatsen binnen het betreffende bedrijf; vaststaat dat de stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf niet toeneemt ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf; de gebruiksmogelijkheden en waarden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast en het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woningen niet verslechtert; wordt voldaan aan de beleidsregels in het Plussenbeleid Doetinchem 2019 van de gemeente Doetinchem zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 29 mei 2019 (Bijlage 6 Plussenbeleid Doetinchem 2019), met dien verstande dat wanneer deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. Specifieke gebruiksregels 4.5.1 Algemeen Per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan. 4.5.2 Strijdig gebruik stikstofdepositie Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik van gronden en overkappingen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren waarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie vanaf het betreffende agrarische bedrijf ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf. 4.5.3 Strijdig gebruik veebezetting Voor de bedrijven die zijn voorzien van de aanduiding 'niet grondgebonden' wordt onder gebruik in strijd met deze hoofdfunctie in elk geval gerekend het uitbreiden met een andere categorie dieren (overeenkomstig de hoofdcategorieën uit de Regeling ammoniak en veehouderij) dan de bestaande categorie en met uitzondering van melkrundvee. Voor de bedrijven die zijn voorzien van de aanduiding 'niet grondgebonden' is omschakeling naar een andere categorie dieren (overeenkomstig de hoofdcategorieën uit de Regeling ammoniak en veehouderij) dan de bestaande categorie uitsluitend toegestaan indien de achtergrondbelasting overeenkomstig de Wet geurhinder en veehouderij, of diens opvolger niet toeneemt. 4.5.4 Verbod op nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij Onder gebruik in strijd met deze verordening wordt in ieder geval verstaan: het vestigen van een geitenhouderij; het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een veehouderij of veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren in een geitenhouderij; het vergroten van het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden; het vergroten van de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten, tenzij het vergunde, dan wel gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit; het oprichten van een dierenverblijf voor een geitenhouderij en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen; bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij. 4.5.5 Nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf Voor het uitoefenen van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf gelden de navolgende voorwaarden: uitsluitend nevenactiviteiten, genoemd in de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten (bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten) zijn toegestaan; in 'overige zone - gelders natuurnetwerk' is alleen verblijfs-, dagrecreatie en zorg toegestaan; nevenactiviteiten in de open lucht zijn niet toegestaan, met uitzondering van nevenactiviteiten in de open lucht behorend bij dagreactie, verblijfsrecreatie of zorgactiviteiten tot een te gebruiken oppervlakte van maximaal 200 m2; de oppervlakte van de nevenactiviteit(
- en)mag maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedragen onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(
- en)niet meer mag bedragen dan 350 m2; verblijfsrecreatie is alleen toegestaan: in de bestaande bedrijfswoning en de daaraan aangebouwde bijbehorende bouwwerken, zonder dat dit ten koste gaat van de woonfunctie van de bedrijfswoning, daarvan is in elk geval sprake als meer dan 40% van de woning wordt gebruikt voor verblijfsrecreatie ; in een monument; in een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden', of; in een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorie' mits het gebouw in kwestie een cultuurhistorische waarde heeft. 4.5.6 Aan huis gebonden bedrijven en/of beroepen Een bedrijfswoning of een plattelandswoning, inclusief eventueel aanwezige bijbehorende bouwwerken mag ook worden gebruikt voor een aan huis gebonden bedrijf of beroep, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in lid 21.5.1, van de hoofdfunctie 'Wonen'. 4.5.7 Parkeren In geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 4.6 Afwijken van de gebruiksregels Naast de hieronder opgenomen afwijkingsmogelijkheden, zijn ook de afwijkingsmogelijkheden in artikel 46.3 van toepassing, voor zover zij gelden voor de hoofdfunctie 'Agrarisch met waarden'. 4.6.1 Nevenactiviteiten bij agrarisch bedrijf Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.5.5 voor het bij een agrarisch bedrijf toestaan van nevenactiviteiten die behoren tot de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten zoals deze is opgenomen in bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten en die in deze lijst als nevenactiviteiten of mede als nevenactiviteit zijn aangeduid, voor een oppervlakte groter dan 350 m2, en/of; het uitoefenen van nevenactiviteiten in de openlucht, en/of; verblijfsrecreatie in een ander gebouw dan de bestaande bedrijfswoning, een monument of een gebouw aangeduid met 'cultuurhistorische waarden', of in een gebouw binnen de aanduiding 'cultuurhistorie' mits het gebouw een cultuurhistorische waarde heeft; onder voorwaarden dat: de oppervlakte van de nevenactiviteit(
- en)maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande gebouwen mag (mogen) bedragen, onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(
- en)niet meer mag bedragen dan in de hiernavolgende tabel, zoals die geldt voor de aangeduide deelgebieden, is weergegeven en met dien verstande dat bij een combinatie van meerdere nevenactiviteiten maximaal de laagste oppervlaktenorm is toegestaan: geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones; de landschappelijke inpassing is gewaarborgd in een landschappelijk inrichtingsplan, die voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing', 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen en waarover advies is ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap; de (gezamenlijke) nevenactiviteit(
- en)van ondergeschikte betekenis is (zijn) aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in bedrijfseconomische, ruimtelijke en visuele zin primair blijft; de (gezamenlijke) nevenactiviteit(
- en)geen nadelige invloed mag (mogen) hebben op de parkeerbalans, casu quo primair binnen het bouwvlak moet worden geparkeerd door gebruiker én bezoekers en moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging; ruimtelijke ingrepen mogen niet leiden tot verlaging van de grondwaterstanden in natte natuurgebieden, gelegen binnen de dubbelhoofdfunctie 'Waarde - Natuur'; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast. 4.6.2 Kamperen bij de boer Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.5.5 voor het bij een agrarisch bedrijf toestaan van een kampeerterrein, onder voorwaarden dat: de gronden welke in gebruik genomen gaan worden ten behoeve van kamperen binnen het bouwvlak liggen dan wel daar direct op aansluiten; ten hoogste 25 kampeerplaatsen zijn toegestaan; kamperen uitsluitend mag plaatsvinden in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; gebouwen, zoals sanitaire ruimten, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande dat: de maximale oppervlakte 150 m2 mag bedragen; de goothoogte maximaal 3 m mag bedragen de bouwhoogte maximaal 6 m mag bedragen; het kamperen van ondergeschikte betekenis is aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft; het kampeerterrein na realisatie landschappelijk is ingepast op een wijze die voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing', 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen ; geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszone; moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 4.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of vanwerkzaamheden 4.7.1 Algemeen Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op gronden met de hoofdfunctie 'Agrarisch met waarden' de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren of uit te doen voeren: het aanleggen en/of verharden van wegen en paden en het aanleggen en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het scheuren van grasland; het aanleggen van - niet als bouwwerk aan te merken - mestbassins en silo's buiten de het bouwvlak. 4.7.2 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning is vereist als: de werken c.q. werkzaamheden het normale onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen; het werken en werkzaamheden betreft die: binnen een bouwvlak worden uitgevoerd; al in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening; mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende vergunning, waarin de te beschermen waarden al zijn meegewogen. 4.7.3 Advies deskundige Alvorens te beslissen op een verzoek om een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies bij een deskundige op het gebied van landschap. 4.7.4 Voorwaarden Als het perceel, waarvoor een omgevingsvergunning is gevraagd, voorzien is van de aanduiding 'overige zone - gelders natuurnetwerk' of 'overige zone - groene ontwikkelingszone', dan gelden de instructieregels voor nieuwe ontwikkelingen in het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland. 4.8 Omgevingsvergunning voor het slopen van een cultuurhistorisch waardevol bouwwerk 4.8.1 Verbod Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' of 'cultuurhistorie', voortvloeiend uit bijlage 14 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - onderzoeksrapport en 15 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Doetinchem, 16 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Gaanderen of 17 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Wehl, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. 4.8.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 4.8.1 is niet van toepassing op: werkzaamheden die: al in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van de verordening; deel uit maken van het normale onderhoud; mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende bouw-/sloopvergunning of aanschrijving van bevoegd gezag; gebouwen die zijn getroffen door een calamiteit en blijkens een advies van een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige als gevolg van die calamiteit geen cultuurhistorische waarden meer hebben; gebouwen voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorie' waarbij uit het onderzoek, dat aanleiding was voor het opnemen van de aanduiding, blijkt dat het betreffende bouwwerk geen cultuurhistorische waarde heeft; bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist (vergunningvrije bouwwerken). 4.8.3 Beoordelingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in 4.8.1 wordt slechts verleend als: de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalende aanzicht van de bebouwing behouden blijft; het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht behouden blijft; de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht op basis van bouwtechnische en/of economische overwegingen in alle redelijkheid niet te handhaven zijn; de aanvrager moet dit aantonen door rapporten in te dienen - door een ter zake deskundige opgesteld - die ingaan op de cultuurhistorische, bouwkundige en/of gebruikstechnische staat van het bouwwerk in relatie tot de kosten van de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden; als bij de sloopwerkzaamheden ook (delen van) de inwendige structuur gesloopt worden, is de aanvrager verantwoordelijk voor een onderzoek naar de mogelijke aanwezige cultuurhistorische waarden, uitgevoerd door een ter zake deskundige. Deze moet in de vorm van een rapportage met waardestelling aan de gemeente worden verstrekt; vooraf advies is ingewonnen bij een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige; in aanvulling op sub e, kan het bevoegd gezag advies inwinnen bij een extern deskundige bij twijfel of als er geen verantwoorde belangenafweging kan worden gemaakt door de stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 4.8.1 wordt, als ook sprake is van de aanduiding 'cultuurhistorie', slechts verleend als: de karakteristieke aard en het beeldbepalende aanzicht van het hoofdgebouw of bijgebouw in relatie tot het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft. het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht van het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft; de geplande sloopwerkzaamheden niet in strijd zijn met sub c, d, e en f. Artikel 5 Bedrijf 5.1 Hoofdfunctieomschrijving De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: bedrijven met bijbehorende bedrijfsactiviteiten uitsluitend in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 10 Staat van bedrijfsactiviteiten tenzij dit uitdrukkelijk is uitgesloten; een bedrijf met bijbehorende bedrijfsactiviteiten in de vorm van een: grondgebonden agrarisch bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf'; agrarisch loonbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch loonbedrijf'; agrarisch loonbedrijf, gecombineerd met een hoveniersbedrijf en een grondverzetbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'gemengd'; bouwbedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'bouwbedrijf'; een bedrijf als genoemd in bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten en in de kolom 'Overig landelijk gebied' voorzien van de letter N, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - neven- en hergebruiksactiviteiten' caravanreparatiebedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - reparatie caravans'; circusbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - circusbedrijf'; detailhandelsbedrijf in bos- tuin-, park- en vergelijkbare machines en aanverwante artikelen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel'; diervoederproductiebedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - productie van diervoeders'; garagebedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf'; garagebedrijf, gecombineerd met de handel in en reparatie van landbouwvoertuigen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - reparatie-motorvoertuigen'; grondverzetbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - grondverzetbedrijf'; landbouwmechanisatiebedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel en reparatie van landbouwvoertuigen'; hoveniersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'hovenier'; kantoor, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor'; loodgietersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - loodgietersbedrijf'; metaalconstructie en -bewerkingsbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - metaalconstructiebedrijf'; nutsvoorziening, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening'; opslag uitsluitend ten dienste van het aanwezige bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'opslag'; rietdekkersbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - rietdekkersbedrijf'; transportbedrijf (niet ten behoeve van vee), uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'transportbedrijf'; veehandelsbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel en transport van vee'; meubelwerkplaats annex interieurbouwbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - meubelmakerij' handelsbedrijf in levend pluimvee en slachtbijproducten alsmede transportbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel in pluimvee en transport'; kantoor, alleen ten dienste van en voor maximaal 50% van de bruto vloeroppervlakte van de in sub a en b genoemde bedrijven; detailhandel in ter plaatse geproduceerde goederen, dan wel goederen die direct verband houden met de aard van het bedrijf en voor maximaal 10% van de bruto vloeroppervlakte. tot een maximum van 200 m2 van de in sub a en b genoemde bedrijven; horeca, alleen in de vorm van een bedrijfsrestaurant/kantine en alleen ten dienste van en ondergeschikt aan de in sub a en b genoemde bedrijven; woonwagens, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats'; een kampeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein'; verkooppunt voor motorbrandstoffen met LPG, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'; bedrijfswoning(en), tenzij uitdrukkelijk uitgesloten; aan huis gebonden beroepen en bedrijven in of bij de bedrijfswoning; waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen; en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Algemeen Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Bedrijf' worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwing uitgesloten' geen bebouwing is toegestaan. 5.2.2 Bedrijfsgebouwen Met uitzondering van grond met het hoofdfunctievlak met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - circusbedrijf' gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken de navolgende regels: de oppervlakte mag niet meer bedragen dan het bestaande bebouwde oppervlakte, vermeerderd met 10 %, tenzij anders is bepaald met de aanduiding 'maximum oppervlakte (bvo) (m2)'; de goothoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte, met dien verstande dat de goothoogte ter plaatse van de aanduidingen 'agrarisch loonbedrijf' en 'specifieke vorm van bedrijf - handel en reparatie van landbouwvoertuigen' niet meer dan 6 m mag bedragen, tenzij anders bepaald; de bouwhoogte mag niet meer mag bedragen dan de bestaande bouwhoogte, met dien verstande dat de goothoogte ter plaatse van de aanduidingen 'agrarisch loonbedrijf' en 'specifieke vorm van bedrijf - handel en reparatie van landbouwvoertuigen' niet meer dan 11 m mag bedragen, tenzij anders bepaald; ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf' staat vast dat het te bouwen bedrijfsgebouw niet ten behoeve van de agrarische bedrijfstak is dan wel dat vaststaat dat de ammoniakemissie vanuit de betreffende inrichting niet toeneemt. 5.2.3 Bedrijfswoning(
- en)Met uitzondering van grond met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - circusbedrijf' gelden voor het bouwen van bedrijfswoningen de navolgende regels: per bedrijf mag maximaal 1 bedrijfswoning worden gebouwd met dien verstande dat: ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen', het daar aangegeven maximum geldt; de inhoud van een bedrijfswoning mag maximaal 750 m3 bedragen; de goothoogte mag maximaal 4,5 m bedragen; de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen. 5.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning Met uitzondering van grond met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - circusbedrijf' gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning de regels in artikel 21.2.3 van de hoofdfunctie 'Wonen'. 5.2.5 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de navolgende regels: de bouwhoogte mag maximaal 2 m bedragen; in afwijking van het bepaalde in sub a mag de bouwhoogte van: erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwperceel maximaal 2,5 m bedragen; reclamemasten maximaal 10 m bedragen, met dien verstande dat er maximaal 1 reclamemast per bedrijf is toegelaten; antennedragers inclusief antennes, verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 12 m bedragen. 5.2.6 Circusbedrijf Voor grond met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - circusbedrijf' gelden de navolgende regels: de bedrijfsgebouwen mogen een oppervlakte van maximaal 300 m2 hebben en een bouwhoogte van maximaal 6,5 m; ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats' zijn maximaal zes woonwagens toegestaan met bijbehorende bouwwerken, zoals sanitaire voorzieningen en berging voor huishoudelijke doeleinden met een bouwhoogte van maximaal 3,5 m; de oppervlakte van de onder b genoemde bijbehorende bouwwerken mag maximaal 50 m2 bedragen. 5.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in 5.2, op gronden met de hoofdfunctie 'Bedrijf' nadere eisen stellen met betrekking tot: dakvormen, dakhellingen en nokrichtingen van bouwwerken; de goot- en bouwhoogte van bouwwerken; de afmetingen van bouwwerken; het aantal en de situering van bouwwerken; het aantal en de situering van parkeerplaatsen op eigen terrein; onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan en met dien verstande dat, bij de aanduiding 'cultuurhistorie' uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en een advies moeten worden ingewonnen bij een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige. 5.4 Afwijken van de bouwregels De afwijkingen in artikel 46.2.1, 46.2.3, en 46.2.4 zijn van toepassing. 5.5 Specifieke gebruiksregels 5.5.1 Algemeen Per bouwperceel is maximaal één bedrijf toegestaan. 5.5.2 Aan huis gebonden bedrijven en/of beroepen Een bedrijfswoning, inclusief eventueel aanwezige (bij de bedrijfswoning behorende), bijbehorende bouwwerken mag ook worden gebruikt voor een aan huis gebonden bedrijf of beroep, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in lid 21.5.1, van de hoofdfunctie 'Wonen'. 5.5.3 Parkeren In geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 5.5.4 Strijdig gebruik Onverminderd het bepaalde in artikel 44.1 wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - circusbedrijf' onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan: het geven van circusvoorstellingen. 5.6 Afwijken van de gebruiksregels Naast de hieronder opgenomen afwijkingsmogelijkheid van de gebruiksregels, zijn ook de afwijkingsmogelijkheden in artikel 46.3 van toepassing. 5.6.1 Bedrijfsactiviteiten Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1 sub a voor het toestaan van een bedrijf met bijbehorende bedrijfsactiviteiten dat niet is vermeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, onder voorwaarden dat: de maximaal toelaatbare categorie ter plaatse niet wordt overschreden; het bedrijf met bijbehorende bedrijfsactiviteiten naar aard, omvang en hinder gelijk te stellen is met de op grond van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegelaten bedrijven en dat dit waar nodig met een milieuhygiënisch onderzoek door de aanvrager is aangetoond; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding ‘overige zone – gelders natuurnetwerk’ of ‘overige zone – groene ontwikkelingszone’, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones; moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. 5.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 5.7.1 Verbod Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' of 'cultuurhistorie', voortvloeiend uit bijlage 14 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - onderzoeksrapport en 15 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Doetinchem, 16 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Gaanderen of 17 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Wehl , zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. 5.7.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 5.7.1 is niet van toepassing op: werkzaamheden die: al in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van de verordening; het normale onderhoud betreffen; mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning of aanschrijving van bevoegd gezag ; gebouwen die als gevolg van een calamiteit verloren zijn gegaan; gebouwen voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorie' waarbij uit het onderzoek, dat aanleiding was voor het opnemen van de aanduiding, blijkt dat het betreffende bouwwerk geen cultuurhistorische waarde heeft; bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist (vergunningvrije bouwwerken). 5.7.3 Beoordelingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.7.1 wordt slechts verleend als: de bestaande architectonische, cultuurhistorische en beeldbepalende kwaliteit niet worden aangetast; op basis van technische en economische overwegingen de instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd; als het bevoegd gezag voornemens is om de omgevingsvergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a, wordt een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige om advies gevraagd. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.7.1 wordt, als sprake is van de aanduiding 'cultuurhistorie', slechts verleend als ook: de karakteristieke aard en het beeldbepalende aanzicht van het hoofdgebouw of bijgebouw in relatie tot het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft; het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht van het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft. Artikel 6 Bedrijf - Opstijgpunt 6.1 Hoofdfunctieomschrijving De voor 'Bedrijf - Opstijgpunt' aangewezen gronden zijn bestemd voor: een installatie ten behoeve van de overgang tussen een ondergrondse en een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV; met de daarbij behorende: gebouwen en andere bouwwerken; erven en terreinen; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen; wegen, straten en paden; waterlopen en waterpartijen; waterhuishoudkundige voorzieningen. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; de bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 15 m2. 6.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 3 m; de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 20 m. Artikel 7 Bos 7.1 Hoofdfunctieomschrijving De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor: bos; instandhouding van het bos en de daarin voorkomende natuur- en landschapswaarden; extensieve dagrecreatie, zoals fiets- en wandelpaden en picknickplaatsen, alsmede zandwegen, voor zover de onder a en b bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast; natuurkampeerterrein ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein'; hondenoefenterrein uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - hondenoefenterrein'; trekkershutten ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - trekkershutten'; natuurlijke, ondergrondse, urnenbegraafplaats ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats'; waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen; nutsvoorzieningen; en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Algemeen Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Bos' worden gebouwd. 7.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de navolgende regels: uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' en 'specifieke vorm van sport - hondenoefenterrein' zijn gebouwen zoals bergingen en sanitaire ruimten toegelaten voor een natuurkampeerterrein, respectievelijk een hondenoefenterrein; de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen voor een natuurkampeerterrein mag maximaal 100 m2 bedragen; voor een hondenoefenterrein maximaal 60 m2; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - trekkershutten' zijn maximaal 2 trekkershutten toegestaan met een maximale oppervlakte van 15 m2 per trekkershut, een maximale goothoogte van 3 m en een maximale bouwhoogte van 4 m; de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen; de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen. 7.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de navolgende regels: de bouwhoogte mag maximaal 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte voor verlichting maximaal 4 m mag zijn; de oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen zijnde (overkappingen) mag maximaal 20 m2 per hectare bedragen. 7.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 7.2, op gronden met de hoofdfunctie 'Bos' nadere eisen stellen met betrekking tot: de bouwhoogte van bouwwerken; de afmetingen van bouwwerken; het aantal en de situering van bouwwerken; onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan. 7.4 Afwijken van de bouwregels 7.4.1 Materieelberging Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.2 voor het bouwen van een materieelberging of een vergelijkbaar gebouw, onder voorwaarden dat: een materieelberging of een vergelijkbaar gebouw noodzakelijk is voor het doelmatig uitvoeren van werkzaamheden voor de hoofdfunctie ‘Bos’; voor elke 10 aaneengesloten hectare met de hoofdfunctie ‘Bos’ een materieelberging van 50 m2 is toegelaten, met dien verstande dat – als wordt gekozen voor één gebouw – de oppervlakte van dat gebouw maximaal 250 m2 mag bedragen; de goothoogte van het gebouw maximaal 6 m mag bedragen; de bouwhoogte van het gebouw maximaal 8 m mag bedragen; de natuurwaarden en/of landschapswaarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden aangetast, dan wel dat de mogelijkheden voor het herstel van die waarden worden belemmerd; geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding ‘overige zone – gelders natuurnetwerk’ of ‘overige zone – groene ontwikkelingszone’, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. 7.4.2 Verlichting Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.3 sub a voor de bouwhoogte van verlichting tot 6 m, onder voorwaarden dat: de natuurwaarden en/of landschapswaarden van de betreffende gronden niet onevenredig worden aangetast, dan wel dat de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet worden belemmerd; geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding ‘overige zone – gelders natuurnetwerk’ of ‘overige zone – groene ontwikkelingszone’, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. 7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.5.1 Algemeen Het is verboden om zonder omgevingsvergunning op gronden met de hoofdfunctie 'Bos' de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren of uit te doen voeren: het aanleggen en/of verharden van wegen en paden en het aanleggen en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het aanleggen van en/of het vellen of rooien van beplantingen; het aanleggen en/of het dempen van watergangen,