← Nederland

Omgevingsprogramma Flevoland en Omgevingsverordening Flevoland (Flevoland)

In het kort

Deze wet regelt de vaststelling van het Omgevingsprogramma Flevoland en de Omgevingsverordening Flevoland, met als doel het anticiperen op de Omgevingswet en het bundelen van bestaande regelgeving voor de fysieke leefomgeving.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst
Obsah (7)Artikel2Artikel4Artikel5Artikel6Artikel8Artikel9Artikel10

Omgevingsprogramma Flevoland en Omgevingsverordening FlevolandOmgevingsprogramma Flevoland en Omgevingsverordening Flevoland Gedeputeerde Staten van Flevoland maken overeenkomstig artikel 3:42, tweede

Artikel2

.1(Oogmerk) De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het cyclisch opschalen en saneren van windmolens zodat steeds meer windenergie met minder molens kan worden opgewekt. Artikel2.2(Begripsbepalingen) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: beheer en onderhoud van een windmolen: het normale onderhoud en beheer, met dien verstande dat dit niet mag leiden tot een uiteindelijke (vrijwel) gehele vernieuwing of vervanging van de windmolen; bestaande windmolen: een windmolen die bij inwerkingtreding van deze verordening feitelijk bestaat dan wel mag worden opgericht en gebruikt conform een reeds verleende omgevingsvergunning; bestemmingsplan: een bestemmingsplan, inpassingsplan of beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, een wijziging of uitwerking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a en b en c van de Wet ruimtelijke ordening en een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. nieuwbouw van een windmolen: het oprichten van een windmolen, waaronder ook wordt verstaan het zodanig vervangen van een bestaande windmolen dat (vrijwel) alle onderdelen van de windmolen uiteindelijk zijn vervangen door nieuwe onderdelen en/of vergroting van het bestaande vermogen van de windmolen; opschalen: vervangen van een bestaande windmolen door een windmolen met een groter vermogen en/of grotere afmetingen; opschalen en saneren: aanpak gericht op het opwekken van meer windenergie met significant minder windmolens binnen Flevoland; plaatsingszone: door gedeputeerde staten aangewezen zone binnen een projectgebied voor het plaatsen van nieuwe windmolens en dat als zodanig is aangegeven op de kaart Plaatsingszones en projectgebieden wind; projectgebied: door gedeputeerde staten aangewezen gebied waarbinnen voldoende perspectief voor een initiatiefnemer is om een project van opschalen en saneren in zijn geheel te realiseren en dat als zodanig is aangegeven op de kaart Plaatsingszones en projectgebieden wind; projectplan: door initiatiefnemer opgesteld plan dat uitsluitsel geeft over de wijze en de gronden (gebied) waarop een initiatiefnemer een project voor opschalen en saneren wil realiseren; saneren: het slopen en afvoeren van een bestaande windmolen tot minimaal een meter onder het maaiveld, waarbij de bestemmingsplanregeling zodanig is (gewijzigd) dat herbouw van de windmolen met hetzelfde of een lager vermogen op of nabij de locatie van de gesaneerde windmolen blijvend onmogelijk is gemaakt; windgebied: gebied in de provincie waar nieuwe windmolens niet zijn uitgesloten en dat als zodanig is aangegeven op de kaart Windgebied; windmolen: een turbine voorzien van rotorbladen geplaatst op een hoge mast, waarmee de bewegingsenergie van de lucht (wind) wordt omgezet in rotatie-energie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen, met uitzondering van: maximaal 12 prototypes van windmolens op de testlocatie te Lelystad als integraal onderdeel van het kennis- en ontwikkelcentrum voor duurzame energie; solitaire windmolen op bedrijventerreinen in ‘hoofdkernen’ van het stedelijk gebied, zoals aangegeven op de kaart Stedelijk Gebied, indien de windmolen overwegend een ander doel dient dan de opwekking van energie; kleine windmolen, waaronder wordt verstaan: windmolen in het stedelijk gebied met (tip)hoogte van maximaal 5 meter ten opzichte van de grond of het dak waarop hij is geplaatst; windmolen met een tiphoogte van maximaal 15 meter ten opzichte van het maaiveld, voor zover hij in het landelijk gebied op een (voormalig agrarisch) bouwperceel staat. Artikel2.3(Wijze van meten wind) Bij de toepassing van de regels van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten: de ashoogte van een windmolen: de afstand vanaf het aansluitende afgewerkte terrein tot het middelpunt van de as, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein gemeten wordt vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994; de rotorbladlengte van een windmolen: de afstand tussen de uiterste punt van een rotorblad en het middelpunt van de as. Afdeling 2.1.2 Activiteiten Paragraaf2.1.2.1Algemene regels Artikel2.4(Tijdelijkheid van windmolens) 1.Voor de realisatie van een nieuwe windmolen kan uitsluitend een omgevingsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. 2.Aan een omgevingsvergunning voor een nieuwe windmolen worden in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden: de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode, die maximaal 25 jaar bedraagt. na het verstrijken van de gebruiksperiode als bedoeld in onderdeel a wordt de vòòr de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld, dan wel moet de situatie in overeenstemming met het bestemmingsplan worden gebracht, inhoudende dat de windmolen wordt gesaneerd. Paragraaf2.1.2.2Verbodsbepaling (bescherming tot aan vertaling instructies in bestemmingsplannen) Artikel2.5(Verbodsbepaling wijziging bestaand gebruik windmolens) Het is verboden het gebruik – waaronder mede bouwen wordt verstaan - van een bestaande windmolen te wijzigen in een ander gebruik, waardoor het provinciaal grondgebied van Flevoland minder geschikt wordt voor het verwezenlijken van het beleid voor opschalen en saneren, inclusief ruimtelijke doelstellingen. Het verbod geldt niet voor gebruik dat nodig is vanwege het normale onderhoud en beheer. Onder een ander gebruik, als bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan een vorm van gebruik die op grond van het geldende bestemmingsplan bij recht, dan wel na ontheffing, wijziging of uitwerking van het bestemmingsplan, is toegestaan. Een ander gebruik dat het provinciaal grondgebied van Flevoland minder geschikt maakt voor het verwezenlijken van het beleid voor opschalen en saneren inclusief ruimtelijke doelstellingen omvat in ieder geval: het wijzigen van de windmolen waardoor het vermogen, de levensduur en/of afmeting van de windmolen toeneemt (opschalen) zonder de daarbij behorende sanering; het vervangen van een bestaande windmolen door een nieuwe windmolen op dezelfde locatie danwel nabij die locatie zonder dat aangetoond is dat deze vervanging onderdeel uitmaakt van een project van opschalen en saneren. Daarbij maakt het niet uit of de nieuwe windmolen voor bepaalde of onbepaalde tijd is bedoeld. Afdeling 2.1.3 Instructieregels Paragraaf2.1.3.1Toedeling functies aan locaties wind en instructies voor bestemmingsplannen Artikel2.6(Buiten een windgebied) Een bestemmingsplan sluit uit dat buiten een windgebied nieuwe windmolens worden gerealiseerd of dat bestaande windmolens worden opgeschaald. Artikel2.7(Binnen een windgebied - plaatsingszones) 1.Binnen een windgebied voorziet een bestemmingsplan, binnen twee jaar na de goedkeuring door gedeputeerde staten van een projectplan, uitsluitend in nieuwe windmolens in een plaatsingszone binnen een projectgebied conform dat projectplan. 2.Zodra de gebruikstermijn (maximaal 25 jaar) waarvoor de omgevingsvergunning geldt verstrijkt, mag het bestemmingsplan niet meer voorzien in windmolens. Artikel2.8(Binnen een windgebied - projectgebieden) Binnen een windgebied voorziet een bestemmingsplan, binnen twee jaar na de goedkeuring door gedeputeerde staten van een projectplan, in de sanering van alle windmolens binnen een projectgebied conform dat projectplan. Artikel2.9(Binnen een windgebied - buiten projectgebieden) Binnen een windgebied voorziet een bestemmingsplan in een regeling die tegengaat dat er buiten de projectgebieden nieuwe windmolens worden gerealiseerd of dat bestaande windmolens worden opgeschaald. Paragraaf2.1.3.2Aanwijzing werkingsgebieden voor de instructies Artikel2.10(Procedure aanwijzing en begrenzing projectgebieden) 1.Gedeputeerde staten kunnen in de omgevingsverordening projectgebieden aanwijzen. 2.Een aanvraag tot aanwijzing of aanpassing van de begrenzing van een projectgebied gaat vergezeld van een (voorstel tot aanpassing van het goedgekeurde) projectplan voor opschalen en saneren. Het (aangepaste) projectplan toont de noodzaak hiertoe aan. Daarbij dient te worden aangetoond dat de gewijzigde afbakening van het projectgebied geen onevenredig negatief effect heeft op de projecten voor opschalen en saneren binnen een eventueel resterend deel van het projectgebied en/of op binnen de andere aangewezen projectgebieden of op de omgeving. 3.Een aangewezen projectgebied kan in de omgevingsverordening worden aangepast door gedeputeerde staten indien dit noodzakelijk is vanwege veranderende omstandigheden, ontwikkelingen in de techniek of regelgeving, bedrijfseconomische redenen en de uitvoeringspraktijk. 4.Een aanvraag om de begrenzing van een projectgebied te wijzigen wordt afgewezen indien de gewijzigde afbakening een onevenredig negatief effect heeft op de projecten voor opschalen en saneren binnen andere aangewezen projectgebieden of op de omgeving. Artikel2.11(Aanwijzing van plaatsingszones) 1.Gedeputeerde staten kunnen in de omgevingsverordening plaatsingszones aanwijzen. 2.Aangewezen plaatsingszones kunnen door gedeputeerde staten in de omgevingsverordening worden aangepast op basis van een (voorstel tot aanpassing van een goedgekeurd) projectplan voor opschalen en saneren. Het (aangepaste) projectplan toont de noodzaak hiertoe aan. De beslissing om de plaatsingszones aan te passen is gebaseerd op een integrale afweging en evenwichtige balans tussen de omgevingskwaliteit, het maatschappelijk draagvlak en het economisch perspectief. Artikel2.12(Een projectplan per projectgebied) 1.Per projectgebied wordt een goedgekeurd projectplan voor opschalen en saneren door een initiatiefnemer in zijn geheel uitgevoerd. 2.De initiatiefnemer kan een samenwerkingsverband van meerdere partijen zijn. Artikel2.13(Randvoorwaarden projectplan) 1.Een projectplan bevat in ieder geval: een voorstel voor een projectgebied en plaatsingszones; een beschrijving van de ruimtelijke invulling van het plan; inzicht in de haalbaarheid van het plan, waaronder compenserende maatregelen; een planning, waaronder begrepen de fasering van opschalen en saneren; inzicht in de invulling van de financiële participatie en de gebiedsgebonden bijdrage aan kwaliteitscompensatie; het voorstel voor de planparticipatie. 2.Gedeputeerde staten nemen een besluit over de goedkeuring of aanpassing van een ingediend projectplan. Artikel2.14(Eisen aan ruimtelijke invulling in een projectplan) 1.Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake de ruimtelijke invulling: windmolens worden geplaatst in een opstelling; de rotorbladen draaien in eenzelfde richting; de windmolens hebben eenzelfde verschijningsvorm; de windmolens hebben een maximale ashoogte van 120 meter met daarbij steeds het maximaal haalbare vermogen per windmolen. Indien initiatiefnemer een hogere ashoogte wil voor een hoger vermogen (MW) dient te worden aangetoond dat het maximaal haalbare vermogen per turbine bij een windmolen met ashoogte van 120 meter ontoereikend is. Artikel2.15(Eisen aan het projectplan inzake de bijdrage ten behoeve van het compenseren van de kwaliteit van het gebied) 1.Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake de bijdrage ten behoeve van het compenseren van de kwaliteit van het gebied: het projectplan maakt inzichtelijk hoe de beoogde ruimtelijke ontwikkeling inzake windenergie gepaard gaat met het verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in of in de directe omgeving van het projectgebied. de kwaliteitscompensatie kan zien op een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. het projectplan bevat een voorstel voor de wijze waarop de kwaliteitscompensatie financieel, juridisch en feitelijk wordt geborgd en beschrijft hoe die past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor het gebied.

  1. De waarde van de kwaliteitscompensatie bedraagt gedurende de gebruikstermijn jaarlijks gemiddeld € 1.050,-- per MW opgesteld vermogen in de betreffende plaatsingszone. Er wordt jaarlijks geïndexeerd. Indien een kwaliteitscompensatie als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een windmolenparkfonds is verzekerd.
  2. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen inzake de wijze waarop compensatie plaatsheeft, teneinde de ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Artikel2.16(Eisen aan de fasering van het opschalen en saneren in een projectplan) Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake opschalen en saneren: Alle bestaande windmolens binnen het projectgebied worden gesaneerd; De sanering wordt zeker gesteld met een bindende overeenkomst met de rechthebbende(n); De sanering vindt plaats binnen een half jaar na de ingebruikname van de nieuwe windmolens in de plaatsingszones (saneringstermijn); Indien uit het projectplan blijkt dat het vanwege de economische uitvoerbaarheid noodzakelijk is om af te wijken van de saneringstermijn van een half jaar, kan een te saneren windmolen gedurende een aaneengesloten periode van maximaal vijf jaar gelijktijdig met de nieuwe windmolens in werking blijven, onder de voorwaarde dat zekerheid is gesteld met een bindende overeenkomst waaruit blijkt dat de sanering van de bestaande windmolen binnen die termijn van uiterlijk vijf jaar na ingebruikname is verzekerd; De sanering van de windmolens wordt vastgelegd in een uitvoeringsprogramma dat de locatie van de windmolens vermeldt en het tijdstip waarop deze uiterlijk worden gesaneerd; Bij het bepalen van de volgorde van de sanering wordt door initiatiefnemer de beoogde landschappelijke verbetering meegewogen, waarbij het uitgangspunt is dat het saneren van de oudste windmolens en van de windmolens nabij de nieuwe opstelling voorrang krijgt boven het saneren van de jongere windmolens en van de windmolens die verder weggelegen zijn van de nieuwe windmolenopstelling. Het projectplan maakt de gemaakte afweging inzichtelijk. Artikel2.17(Eisen aan financiële participatie in een projectplan) 1.Een projectplan voldoet aan de volgende eisen inzake financiële participatie: Het projectplan maakt inzichtelijk hoe de omgeving gelegenheid krijgt om financieel te participeren; Het projectplan maakt inzichtelijk hoe die financiële participatie per fase op een eerlijke, eenvoudige en evenwichtige wijze wordt uitgewerkt; 2.Ten aanzien van de financiële participatie gelden per fase de volgende eisen: In de ontwikkel- en bouwfase biedt initiatiefnemer in ieder geval aan bewoners en ondernemers gevestigd in het projectgebied, de gelegenheid om vanaf de eerste risicodragende (ontwikkel-)fase financieel risicodragend te participeren bij de ontwikkeling van de nieuwe windmolens binnen dat projectgebied; In de exploitatiefase biedt initiatiefnemer alle bewoners en ondernemers die gevestigd zijn in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland gelegenheid om financieel te participeren in de exploitatie van de nieuwe windmolens (vanaf de fase vanaf ingebruikname); Uitgangspunt is dat in de exploitatiefase minimaal 2,5% van de initiële totale investeringsomvang door middel van participatie wordt ingevuld; Van dit minimumpercentage van 2,5% wordt alleen afgeweken indien de initiatiefnemer kan aantonen dat er een gebrek aan belangstelling voor participatie bestaat dat niet te wijten is aan voldoende participatiemogelijkheden en/of communicatie daarover.
  3. Uitgangspunten bij de financiële participatie zijn in elke fase: De risico’s en de verwachte financiële rendementen van de participatie worden helder in beeld gebracht; Er wordt een redelijke vergoeding gegeven voor het risico in relatie tot de potentiele winstgevendheid; Participaties zijn vrij verhandelbaar, eventueel na een lock-in periode van maximaal 2 jaar; De initiatiefnemer legt de mogelijkheden voor bewoners en ondernemers tot financiële projectparticipatie vast in een overeenkomst met de gemeente; Artikel2.18(Eisen aan planparticipatie in een projectplan) Het projectplan maakt inzichtelijk hoe het draagvlak voor en burgerparticipatie bij het initiatief worden verzekerd en hoe de omgeving in een vroeg stadium van de planvorming actief wordt betrokken bij de uitwerking van het initiatief, daaronder in ieder geval doch niet limitatief begrepen de planvorming rond de nieuwe windmolenopstellingen en de mogelijke inrichting van plaatsingszones. Paragraaf2.1.3.3Hardheidsclausule Artikel2.19(Hardheidsclausule) 1.Gedeputeerde staten kunnen – gehoord hebbende de statencommissie - ambtshalve of op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van een gemeente een of meer bepalingen van titel 2.1 buiten toepassing verklaren of daarvan afwijkingen toestaan voor zover toepassing daarvan gelet op het doel en het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een belanghebbende. 2.Gedeputeerde staten doen een verzoek als bedoeld in het eerste lid af conform de procedure van afdeling 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat gedeputeerde staten binnen 12 weken beslissen op het verzoek. Titel 2.2 Zonne-energie Paragraaf2.2.1Algemeen Artikel2.20(Oogmerk) De regels in deze titel zijn gesteld met het oog op het ruimte bieden voor de ontwikkeling van opstellingen voor grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied, waarbij de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied niet onevenredig wordt aangetast. Artikel2.21(Begripsbepalingen) In deze titel wordt verstaan onder: bestemmingsplan: een bestemmingsplan, inpassingsplan of beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, een wijziging of uitwerking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, b en c van de Wet ruimtelijke ordening en een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. grondgebonden opstelling voor zonne-energie: een samenstel van bouwwerken of een andere constructie voor het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon, geplaatst op het maaiveld of op water. landelijk gebied: landzijdig deel van Flevoland met uitzondering van bestaand stedelijk gebied, zoals aangegeven op de kaart Stedelijk Gebied. Paragraaf2.2.2Activiteiten: ontwikkelruimte zonne-energie Artikel2.22(Ontwikkelruimte zonne-energie) 1.Voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied van de provincie Flevoland is maximaal 1000 hectare beschikbaar. Hiervan wordt de eerste 500 hectare onmiddellijk opengesteld. 2.Na verzending van het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 2.24 kunnen gedeputeerde staten besluiten over de openstelling van de tweede 500 hectare ontwikkelruimte voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied van de provincie Flevoland. Artikel2.23(Beoordelingsregels omgevingsvergunning: tijdelijkheid grondgebonden opstelling voor zonne-energie) 1.Voor de realisatie van een grondgebonden opstelling voor zonne-energie wordt uitsluitend een omgevingsvergunning voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode verleend, die maximaal 25 jaar bedraagt. 2.Aan een omgevingsvergunning voor een grondgebonden opstelling voor zonne-energie verbindt het bevoegd gezag in ieder geval de volgende voorschriften: De omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode, die maximaal 25 jaar bedraagt; Na het verstrijken van de gebruiksperiode als bedoeld in onderdeel a wordt de grondgebonden opstelling voor zonne-energie verwijderd. Artikel2.24(Monitoring en evaluatie) 1.Gedeputeerde staten monitoren de ontwikkeling van de in artikel 2.22, eerste lid, genoemde ontwikkelruimte en zenden provinciale staten hiervan uiterlijk binnen twee maanden na het vollopen ervan ter kennisname een evaluatieverslag. 2.Het evaluatieverslag gaat in ieder geval in op het verloop van de besluitvormingsprocedures voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie, de locaties waar grondgebonden opstellingen voor zonne-energie worden gerealiseerd, de toetsing van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie aan de bouwstenen van de Structuurvisie zon zoals opgenomen in het Omgevingsprogramma Flevoland en de vast te stellen dan wel vastgestelde nadere regels als bedoeld in artikel 2.
  4. Artikel2.25(Nadere regels zonne-energie) Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen over grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied. Paragraaf2.2.3Instructies bestemmingsplan Artikel2.26(Instructieregels bestemmingsplan) 1.Vanaf inwerkingtreding van de Structuurvisie Zon mag een bestemmingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot maximaal 500 hectare van het landelijk gebied van de provincie Flevoland. 2.Vanaf inwerkingtreding van het besluit van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 2.22, tweede lid, mag een bestemmingsplan nogmaals voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot maximaal 500 hectare van het landelijk gebied van de provincie Flevoland. 3.Gelet op het eerste en tweede lid mag vanaf inwerkingtreding van het besluit van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 2.22, tweede lid, een bestemmingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot maximaal 1000 hectare van het landelijk gebied van de provincie Flevoland. 4.Een bestemmingsplan mag niet meer voorzien in een grondgebonden opstelling voor zonne-energie op een locatie, nadat de gebruiksperiode van de omgevingsvergunning voor de betreffende locatie is verstreken. 5.In afwijking van het vierde lid mag een bestemmingsplan, nadat de gebruiksperiode van de omgevingsvergunning voor de betreffende locatie is verstreken, blijven voorzien in een grondgebonden opstelling voor zonne-energie, indien voor die locatie opnieuw een omgevingsvergunning wordt verleend voor het realiseren van een nieuwe grondgebonden opstelling voor zonne-energie. HOOFDSTUK3BESCHERMING LANDSCHAP Paragraaf3.1Algemeen Artikel3.1(Oogmerk en toepassingsgebied) 1.De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van het landschapsschoon en zijn gericht op het behoud en de ontwikkeling van een specifiek en karakteristiek landschapspatroon. 2.Dit hoofdstuk is alleen van toepassing buiten de bebouwde kom. Artikel3.2(Begripsbepalingen) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bebouwde kom : bebouwde kom, vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bestemmingsplan : bestemmingsplan, inpassingsplan of beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening met inbegrip van een wijzigingsplan of een uitwerkingsplan alsmede een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en een geval als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. borden: opschriften, aankondigingen, ver- of afbeeldingen, borden, vlaggen, spandoeken, bijbehorende constructies en kennelijk voor deze doeleinden gebezigde transportmiddelen en constructies, in welke vorm dan ook; openbare weg: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet met inbegrip van verhardingen, bermen, en bermsloten, met alle bijbehorende werken of op enigerlei wijze daarmee verbonden voorzieningen en begroeiingen; ruimtelijk plan of besluit : een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3º van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken; werk : een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk. Paragraaf3.2Activiteiten Artikel3.3(Verbodsbepaling) 1.Het is verboden zonder ontheffing één of meer borden te plaatsen, te doen plaatsen, geplaatst te houden, aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht te houden op of aan een onroerende zaak. 2.Het is de zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak verboden deze onroerende zaak te gebruiken of te laten gebruiken voor het plaatsen, doen plaatsen, geplaatst houden, aanbrengen, doen aanbrengen of aangebracht houden van één of meer borden. Artikel3.4(Uitzonderingen op de verbodsbepaling) 1.Het verbod geldt niet voor borden: die niet zichtbaar zijn vanaf een openbare weg, een openbaar water, een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats; die betrekking hebben op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, en die borden zijn geplaatst of aangebracht op de bouwkavel waar dat beroep, bedrijf of die dienst wordt uitgeoefend of op of in de directe nabijheid van de inrit daarnaar toe; die zijn geplaatst of aangebracht op, in of aan een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer; die op of aan een onroerende zaak zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkoop, verhuur of verpachting van deze zaak, mits niet langer aanwezig dan voor de verkoop, verhuur of verpachting noodzakelijk is; die ofwel zijn geplaatst of aangebracht op een terrein waar een grootschalige publieke gebeurtenis zoals een openbare wedstrijd, manifestatie, tentoonstelling of evenement, plaatsvindt, ofwel zijn geplaatst of aangebracht ter bekendmaking van of de bewegwijzering naar die gebeurtenis en mits: die gebeurtenis niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst, op borden, die zijn geplaatst buiten het terrein waar de gebeurtenis plaats vindt, eventuele handelsreclame duidelijk ondergeschikt is aan de bekendmaking c.q. bewegwijzering en het bord niet langer aanwezig is dan gedurende één maand voor die gebeurtenis tot één week erna. die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een bestemmingsplan in gebruik zijnde sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsoring van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg; die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een bestemmingsplan in gebruik zijnde bedrijventerrein; die betrekking hebben op een werk in uitvoering, waarvoor van overheidswege opdracht is gegeven, voor zover zij in de directe nabijheid van het werk zijn geplaatst of aangebracht en niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van het werk duurt; die zijn geplaatst of aangebracht in een wegberm en kunnen worden beschouwd als een herdenkingsteken als bedoeld in artikel 15.8; die vanwege of met toestemming van het bevoegd gezag zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkeersveiligheid of de verkeersinformatie; die zijn geplaatst of aangebracht op of aan zuilen, muren en andere constructies, die daarvoor door de overheid zijn aangewezen of ten aanzien waarvan gedeputeerde staten in een ander kader met het gebruik daarvoor hebben ingestemd; die zijn geplaatst of aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting; die dienen tot het openbaren van gedachten of gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet, mits niet meer dan één bord per onroerende zaak wordt aangebracht en mits dat bord niet langer dan drie maanden ter plaatse aanwezig is; die dienen tot het aankondigen van verkiezingen voor een gemeenteraad, provinciale staten, de Tweede Kamer, de algemene vergadering of het Europees parlement en tot het presenteren van daaraan deelnemende politieke partijen, mits niet langer aanwezig dan gedurende één maand voor de verkiezing tot één week na die verkiezing; die dienen ter aanduiding van gewassen, proefvelden, productinformatie of demonstratievelden, ter plaatse waar het product geteeld wordt, mits het bord geen merknaam bevat, niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2; die dienen ter bewegwijzering naar een verkooppunt van agrarische producten, naar een mini-camping of naar een andere, aan het agrarisch bedrijf gerelateerde nevenactiviteit, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2; die dienen ter bewegwijzering naar een natuurgebied, mits het bord niet is verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m
  5. langs openbare wegen, niet zijnde openbare wegen in beheer van de provincie Flevoland en die zijn aangegeven op kaart Provinciale wegen, die een georganiseerd buurtinitiatief voor sociale veiligheid laten zien, mits: het geen commercieel initiatief is; er maximaal twee van deze borden aan dezelfde weg staan; de borden door of vanwege de gemeente, in beginsel geclusterd met andere borden en aan de rechterzijde van de weg, worden geplaatst; het bord maximaal 0,6 bij 0,3 meter groot is en maximaal de laagste reflectieklasse heeft. Artikel3.5(Beoordelingsregels) Gedeputeerde staten verlenen de ontheffing alleen als het belang van de bescherming van het landschap en het belang van de verkeersveiligheid zich daartegen niet verzet. Artikel3.6(Algemene regel) Borden die zijn uitgezonderd van het verbod zijn deugdelijk geconstrueerd en verkeren in goede staat van onderhoud. Artikel3.7(Gegevens en bescheiden) De aanvraag van een ontheffing bevat de volgende gegevens en bescheiden: de naam van degene die de zakelijk gerechtigde of de gebruiker is van de locatie waar het bord is beoogd en een verklaring van deze waaruit blijkt dat hij instemt met het plaatsen of het aanbrengen van het bord; het adres, de kadastrale aanduiding en een tekening of plattegrond van de locatie waar het aanbrengen van het bord is beoogd; een beschrijving van de vorm en de afmetingen van het bord en van het doel en de inhoud daarvan; de voorgenomen duur van de plaatsing van het bord. HOOFDSTUK4GRONDWATERONTTREKKINGEN Titel 4.

Artikel4

.1(Oogmerk) De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het: vrijstellen van kleine bodemenergiesystemen van de vergunning-, meet- en registratieplicht en grondwaterregister. Artikel4.2(Begripsbepalingen) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: pompcapaciteit: het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur. Titel 4.2 Activiteiten Artikel4.3(Uitzondering vergunningplicht en meet- en registratieplicht) 1.Een vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een open bodemenergiesysteem is niet vereist ten aanzien van onttrekkingsinrichtingen met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur. 2.Het eerste lid is niet van toepassing in een bij gemeentelijke of provinciale verordening aangewezen interferentiegebied. 3.De in artikel 6.11 van het Waterbesluit genoemde verplichtingen met betrekking tot het meten en registreren van een grondwateronttrekking zijn niet vereist ten aanzien van onttrekkingsinrichtingen als bedoeld in het eerste lid waarbij het onttrokken water in een aaneengesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken. Titel 4.3 Instructieregels Paragraaf4.3.1Gedeputeerde staten Artikel4.4(Grondwaterregister) 1.Gedeputeerde staten houden een register bij waarin onttrekkingsinrichtingen worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van het tweede lid en artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt. 2.Gedeputeerde staten kunnen een onttrekkingsinrichting die niet ingevolge artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is gemeld, ambtshalve in het register inschrijven. 3.Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het tweede lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen. Paragraaf4.3.2Waterschap Zuiderzeeland Artikel4.5(Gegevens verstrekking en grondwaterregister) 1.De algemene vergadering regelt bij verordening voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen, dat tenminste degene die meer dan 10.000 m3 grondwater per jaar onttrekt en degene die water infiltreert voor andere doeleinden dan genoemd in artikel 6.4 van de Waterwet de gegevens bedoeld in artikel 6.11 van het Waterbesluit verstrekt aan het college van dijkgraaf en heemraden. 2.Het college van dijkgraaf en heemraden verstrekt jaarlijks aan gedeputeerde staten de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt. 3.Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen aangaande het tijdstip en de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden aangeleverd. 4.Het college van dijkgraaf en heemraden maakt voor de uitvoering van het gestelde in het eerste lid gebruik van het Landelijk Grondwater Register (LGR) zoals dat is ondergebracht bij TNO/DINO. HOOFDSTUK5GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN Titel 5.

Artikel5

.1(Oogmerk) De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening. Artikel5.2(Begripsbepalingen) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: boorput: een door boring of verdringing gevormde kokervormige al dan niet opgevulde diepte; prefab betonnen heipalen: geprefabriceerde betonpaal met constante dwarsafmeting die middels heien is geïnstalleerd; reconstrueren : het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor zover dit –al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico’s voor de grondwaterkwaliteit, met uitzondering van het uitvoeren van de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden; schadelijke stoffen : stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen; werk : een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk. Artikel5.3(Aanwijzing grondwaterbeschermingsgebieden) 1.Grondwaterbeschermingsgebieden zijn de beschermingsgebieden, waterwingebieden en de boringsvrije zone die als zodanig zijn aangegeven op de bij deze verordening behorende kaarten kaart Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Fledite, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek en kaart Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand. 2.Het begin en het eind van de grondwaterbeschermingsgebieden op de kaarten ‘Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg’ en ‘Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek’ en het waterwingebied op de kaart ‘Grondwaterbeschermingsgebied Fledite’ worden aangeduid door middel van borden, waarvan een model in bijlage 2 is opgenomen. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen aan de buitengrens van de gebieden die worden doorkruist. De borden worden voorzien van een onderbord waarop is aangegeven waar bedreigingen ten aanzien van de grondwaterkwaliteit dienen te worden gemeld. Artikel5.4(Zorgplicht) 1.leder die in een grondwaterbeschermingsgebied handelingen verricht en weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen in dat gebied het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten -behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan- danwel, indien dat achterwege laten niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, danwel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. 2.Het eerste lid is niet van toepassing: op handelingen verricht in inrichtingen, waarvoor het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gestelde verbod geldt; op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste volzin, van de Wet milieubeheer; voorzover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1 van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is. Artikel5.5(Meldplicht) leder die kennis draagt van een voorval binnen een grondwaterbeschermingsgebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dat terstond te melden aan gedeputeerde staten. Titel 5.2 Activiteiten Afdeling 5.2.1 Verboden, uitzonderingen en beoordelingsregels Paragraaf5.2.1.1Beschermingsgebied Artikel5.6(Verbod tot oprichten en in werking hebben inrichting in een beschermingsgebied)

  1. Het is verboden in een beschermingsgebied: een inrichting op te richten, indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in bijlage 3; een inrichting op te richten, in werking te hebben, te veranderen of de werking daarvan te veranderen, die vergunningplichtig is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het onderdeel milieu waarbinnen of waarin de opslag van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen ondergronds plaatsvindt; waarbinnen energie-uitwisseling ondergronds plaatsvindt.
  2. Het is verboden in een beschermingsgebied een inrichting op te richten, in werking te hebben, te veranderen of de werking daarvan te veranderen, die vergunningplichtig is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het onderdeel milieu, waarbinnen dieper dan de op de kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg en de kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek aangegeven diepte de bodem wordt geroerd, wordt doorboord of anderszins wordt doordrongen door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten.
  3. Het in het tweede lid opgenomen verbod geldt niet voor: een inrichting waarbij de vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 5.6 tweede en derde lid is verleend en waarin binnen de inrichting na die datum geen andere heipalen zijn toegepast dan als bedoeld onder sub f; het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring; het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven; het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende ontgrondingenvergunning; het slaan of hebben van prefab betonnen heipalen, mits geen palen met verbrede voet en geen palen voor de uitwisseling van energie worden gebruikt; het uitvoeren van sonderingen, waarbij na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de “Naprikmethode”; onderhoudsbaggerwerkzaamheden. Artikel5.7(Verbod op bodemverstoring en gebruik bestrijdingsmiddelen in een beschermingsgebied) 1.Het is verboden in een beschermingsgebied de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan de op de kaarten kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg en kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek aangegeven diepte: binnen een inrichting type A en B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer en buiten een inrichting. 2.Het is verboden in een beschermingsgebied buiten inrichtingen bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken, tenzij uit de toelatingsbeschikking blijkt dat het middel in een met het oog op de bescherming van het grondwater aangewezen gebied mag worden toegepast. Artikel5.8(Uitzondering verbod op bodemverstoring in een beschermingsgebied) 1.Het verbod op bodemverstoring in een beschermingsgebied geldt niet voor: het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring; het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven; het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende ontgrondingenvergunning; het slaan of hebben van prefab betonnen heipalen, mits geen palen met verbrede voet en geen palen voor de uitwisseling van energie worden gebruikt; het uitvoeren van sonderingen, waarbij na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de “Naprikmethode” ; onderhoudsbaggerwerkzaamheden.
  4. Het eerste lid vindt geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder de in de artikelen 5.6 en 5.9 gestelde verboden. Artikel5.9(Verboden werken en handelingen buiten inrichtingen in een beschermingsgebied) 1.Het is verboden om zonder ontheffing in een beschermingsgebied buiten inrichtingen: werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken met uitzondering van werken die voorzien in: het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik; het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren; kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren; een lozing op of in de bodem uit te voeren met uitzondering van lozingen waarop het Besluit lozen buiten inrichtingen, het Besluit lozing afvalwater huishoudens of artikel 1.10a van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is; de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen met uitzondering van onderhoudsbaggerwerkzaamheden. 2.Waar sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden. Paragraaf5.2.1.2Waterwingebied Artikel5.10(Verbod tot oprichten inrichting in een waterwingebied) 1.Het is verboden in een waterwingebied een inrichting die vergunningplichtig is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het onderdeel milieu op te richten. 2.Het verbod geldt niet met betrekking tot inrichtingen ten behoeve van grondwateronttrekkingen gericht op de openbare drinkwaterproductie. Artikel5.11(Verbod op bodemverstoring en gebruik bestrijdingsmiddelen in een waterwingebied) 1.Het is verboden in een waterwingebied de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan de op de kaarten kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg, Grondwaterbeschermingsgebied Fledite, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek en Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand aangegeven diepte: binnen een inrichting type A en B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer en buiten een inrichting. 2.Het is verboden in een waterwingebied buiten inrichtingen bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken, tenzij uit de toelatingsbeschikking blijkt dat het middel in een met het oog op de bescherming van het grondwater aangewezen gebied mag worden toegepast. 3.Het eerste lid vindt geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder het in artikel 5.10 gestelde verbod. Artikel5.12(Uitzondering verbod op bodemverstoring in een waterwingebied) 1.Het verbod op bodemverstoring in een waterwingebied geldt niet voor: het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring; het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven; het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende ontgrondingenvergunning; het slaan of hebben van prefab betonnen heipalen, mits geen palen met verbrede voet en geen palen voor de uitwisseling van energie worden gebruikt; het uitvoeren van sonderingen, waarbij na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de “Naprikmethode”; onderhoudsbaggerwerkzaamheden. 2.Het eerste lid vindt geen toepassing indien het werk of de handeling valt onder de in de artikelen 5.10 en 5.13 gestelde verboden. Artikel5.13(Verboden werken en handelingen buiten inrichtingen in een waterwingebied) 1.Het is verboden om zonder ontheffing in een waterwingebied buiten inrichtingen: werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken met uitzondering van werken die voorzien in: het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik; het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen. wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren; kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren; een lozing op of in de bodem uit te voeren met uitzondering van lozingen waarop het Besluit lozen buiten inrichtingen, het Besluit lozing afvalwater huishoudens of artikel 1.10a van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is; de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen met uitzondering van onderhoudsbaggerwerkzaamheden. 2.Waar sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden. Paragraaf5.2.1.3Boringsvrije zone Artikel 5:13a (verbod tot oprichten en in werking hebben bodemverstorende vergunningplichtige inrichting in de boringsvrije zone)
  5. Het is verboden in de boringsvrije zone een inrichting op te richten, in werking te hebben, te veranderen of de werking daarvan te veranderen, die vergunningplichtig is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het onderdeel milieu, waarbinnen dieper dan de op de kaart Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland aangegeven diepte de bodem wordt geroerd, wordt doorboord of anderszins wordt doordrongen door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten.
  6. Het in het eerste lid opgenomen verbod geldt niet voor: een inrichting waarbij de vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vóór de datum van inwerkingtreding van dit artikel is verleend en waarin binnen de inrichting na die datum geen andere heipalen zijn toegepast dan als bedoeld onder sub f; het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring; het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven; het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende ontgrondingenvergunning; het slaan of hebben van prefab betonnen heipalen, mits geen palen met verbrede voet en geen palen voor de uitwisseling van energie worden gebruikt; het uitvoeren van sonderingen, waarbij na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de “Naprikmethode”; onderhoudsbaggerwerkzaamheden. Artikel5.14(Verbod op bodemverstoring en gebruik bestrijdingsmiddelen in de boringsvrije zone) 1.Het is verboden in de boringsvrije zone de bodem te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan de op de kaart Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland aangegeven diepte: binnen een inrichting type A en B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer en buiten een inrichting. 2.Het is verboden in de boringsvrije zone buiten inrichtingen bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken, tenzij uit de toelatingsbeschikking blijkt dat het middel in een met het oog op de bescherming van het grondwater aangewezen gebied mag worden toegepast. Artikel5.15(Uitzondering verbod op bodemverstoring in de boringsvrije zone) 1.Het verbod op bodemverstoring in de boringsvrije zone geldt niet voor: het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekkingen, met het oog op de openbare drinkwaterproductie, waaronder inbegrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten voor de grondwatermonitoring; het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen gedeputeerde staten in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven; het verrichten van werkzaamheden ter uitvoering van een door gedeputeerde staten verleende ontgrondingenvergunning; het slaan of hebben van prefab betonnen heipalen, mits geen palen met verbrede voet en geen palen voor de uitwisseling van energie worden gebruikt; het uitvoeren van sonderingen, waarbij na het trekken van de sondeerstangen het gehele sondeergat volledig wordt opgevuld met zwelklei met behulp van de “Naprikmethode”; onderhoudsbaggerwerkzaamheden. Afdeling 5.2.2 Algemene regels en meldingen Paragraaf5.2.2.1Beschermingsgebied Artikel5.16(Algemene regels voor boorputten onttrekken grondwater en uitwisseling energie en voor het uitvoeren van sonderingen in een beschermingsgebied) 1.Het is verboden in een beschermingsgebied een boorput op te richten of te wijzigen ondieper dan de op de kaarten kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg en kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek aangegeven diepte, die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten. 2.Het is verboden in een beschermingsgebied een sondering uit te voeren zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten. 3.Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden. Paragraaf5.2.2.2Waterwingebied Artikel5.17(Algemene regels voor boorputten onttrekken grondwater en uitwisseling energie en voor het uitvoeren van sonderingen in een waterwingebied) 1.Het is verboden in een waterwingebied een boorput op te richten of te wijzigen ondieper dan de op de kaarten kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg, Grondwaterbeschermingsgebied Fledite, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek en Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand aangegeven diepte, die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten. 2.Het is verboden in een watergebied een sondering uit te voeren zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten. 3.Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden. Paragraaf5.2.2.3Boringsvrije zone Artikel5.18(Algemene regels voor boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie en voor het uitvoeren van sonderingen in de boringsvrije zone) 1.Het is verboden in de boringsvrije zone een boorput op te richten of te wijzigen ondieper dan de op de kaart Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland aangegeven diepte, die geschikt is voor het onttrekken van grondwater of de uitwisseling van energie zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten. 2.Het is verboden in de boringsvrije zone een sondering uit te voeren zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten. 3.Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden. Paragraaf5.2.2.4Gegevens en bescheiden melding Artikel5.19(Gegevens en bescheiden melding boorputten onttrekken grondwater of uitwisseling energie en melding het uitvoeren van sonderingen) 1.Bij de melding als bedoeld in de artikelen 5.16, 5.17 en 5.18 worden gegevens en bescheiden verstrekt over: de begrenzing van de activiteit; de verwachte datum van het begin van de activiteit. 2.Een melding voor een boorput geschikt voor de uitwisseling van energie bevat aanvullend: de kadastrale aanduiding van de plaats van de boorput; een beschrijving van het systeem waar de boorput deel vanuit maakt; een beschrijving van de constructie van de boorput inclusief de materiaalkeuze en de te gebruiken vloeistoffen; de wijze waarop de boorput wordt opgericht of gewijzigd; de diepte van de boorput ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil respectievelijk maaiveld. 3.Een melding voor het uitvoeren van een sondering bevat aanvullend: gegevens en bescheiden over de uitvoerder; de kadastrale aanduiding van de plaats van de sondering; de coördinaten van de sondering(en). 4.Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen. Titel 5.3 Instructieregels Artikel5.20(Waterschap Zuiderzeeland: grondwateronttrekkingen in grondwaterbeschermingsgebieden) 1.De algemene vergadering regelt in de verordening voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen, dat het absoluut verboden is grondwater te onttrekken of water te infiltreren in de grondwaterbeschermingsgebieden zoals aangegeven op de kaarten kaart Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Bremerberg, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Fledite, kaart Grondwaterbeschermingsgebied Harderbroek en kaart Grondwaterbeschermingsgebied Spiekzand, indien de onttrekking of infiltratie plaatsvindt op een grotere diepte dan gelet op die kaarten is toegestaan. 2.De instructieregel als bedoeld in het eerste lid heeft geen betrekking op: onttrekkingen ten behoeve van de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie; onttrekkingen ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het college van dijkgraaf en heemraden of gedeputeerde staten; onttrekkingen ten behoeve van het onderzoeken en saneren van de bodem danwel onttrekkingen ten behoeve van handelingen tengevolge waarvan een verontreiniging in de bodem wordt verminderd of verplaatst, indien voor dat saneren of die handelingen het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming hebben gegeven. Artikel5.21(Gedeputeerde Staten: beoordelingsregels werken en handelingen buiten inrichtingen in een beschermingsgebied of een waterwingebied) Gedeputeerde staten verlenen de ontheffing voor werken en handelingen buiten inrichtingen als bedoeld in de artikelen 5.9 en 5.13 alleen indien het belang waartoe het betreffende grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen zich daartegen niet verzet. HOOFDSTUK6WATERSYSTEEM Titel 6.

Artikel6

.1(Oogmerk) De regels in dit hoofdstuk zijn deels gesteld in aanvulling op de Waterwet en deels met het oog het belang van het voorkomen van overstromingen en wateroverlast. Artikel6.2(Begripsbepalingen) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bebouwde kom: bebouwde kom, vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen: veiligheidsnormen als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid van de Waterwet voor regionale waterkeringen; omgevingswaarden wateroverlast: normen als bedoeld in artikel 2.8 van de Waterwet; regionale waterkering: een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening; Artikel6.3(Toedeling beheer waterschap) Waterschap Zuiderzeeland is belast met het beheer van het watersysteem dat behoort tot de taak van het waterschap, zoals omschreven in artikel 4 van het Reglement voor Waterschap Zuiderzeeland

  1. Artikel6.4(Toedeling vaarwegbeheer provincie) De provincie Flevoland is belast met het vaarwegbeheer van de op de kaart Provinciale vaarwegen aangegeven regionale wateren. Titel 6.2 Omgevingswaarden Afdeling 6.2.1 Regionale waterkeringen Artikel6.5(Aanwijzen regionale waterkeringen) Deze afdeling is van toepassing op de regionale waterkeringen die zijn aangegeven op de kaarten in bijlage
  2. Artikel6.6(Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen) 1.Voor de veiligheid van regionale waterkeringen gelden de omgevingswaarden aangegeven in bijlage
  3. 2.De omgevingswaarden voor elke regionale waterkering worden aangegeven als gemiddelde overschrijdingskans per jaar. 3.Gedeputeerde staten kunnen in nadere regels een technische leidraad vaststellen voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor de beheerder. 4.Gedeputeerde staten kunnen voorschriften vaststellen aan de door het college van dijkgraaf en heemraden te verrichten beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen. 5.Gedeputeerde staten stellen nadere regels vast inzake de hydraulische randvoorwaarden vast voor de door de beheerder te verrichten toetsing van regionale waterkeringen. Artikel6.7(Tijdstip voldoen) 1.De algemene vergadering draagt er zorg voor dat de regionale waterkeringen Almere Haven, Flevocentrale, Harderhaven, Haven Zeewolde, Havenkwartier Zeewolde, Langs Noordoostpolder achter Kadoelerkeersluis, Muiderzand, Parkhaven, Schokkerhaven, Urk en Zuiderzee op Zuid voldoen aan de in artikel 6.6 opgenomen omgevingswaarden. 2.De algemene vergadering draagt er zorg voor dat de Knardijk uiterlijk vier jaar na de wijziging van de Waterwet in verband met de wettelijke verankering van de Deltabeslissing Waterveiligheid voldoet aan de in artikel 6.6 opgenomen omgevingswaarde. Afdeling 6.2.2 Wateroverlast Artikel6.8(Omgevingswaarden wateroverlast binnen bebouwde kom) 1.Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied binnen de bebouwde kom, met uitzondering van onroerende zaken in de gebieden die zijn aangewezen op de kaart Gebieden zonder normering wateroverlast, een overstromingskans van ten hoogste 1/100 per jaar. 2.De algemene vergadering draagt er zorg voor dat de oppervlaktewaterlichamen zijn ingericht volgens de in het vorige lid opgenomen omgevingswaarde. 3.Gedeputeerde staten kunnen voor bepaalde tijd ontheffing verlenen van de zorgplicht als bedoeld in het vorige lid. Artikel6.9(Omgevingswaarde wateroverlast buiten bebouwde kom) 1.Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom, met uitzondering van onroerende zaken in de gebieden die zijn aangewezen op de kaart Gebieden zonder normering wateroverlast, een gemiddelde overstromingskans van ten hoogste 1/50 per jaar en gemiddeld per deelgebied 1/80 per jaar. 2.De algemene vergadering draagt er zorg voor dat de oppervlaktewaterlichamen zijn ingericht volgens de in het vorige lid opgenomen omgevingswaarde. 3.Gedeputeerde staten kunnen voor bepaalde tijd ontheffing verlenen van de zorgplicht als bedoeld in het vorige lid. Artikel6.10(Beoordelingsregels wateroverlast) Gedeputeerde staten stellen nadere regels vast voor de door het college van dijkgraaf en heemraden te verrichten beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren. Titel 6.3 Instructieregels Afdeling 6.3.1 Gedeputeerde staten Artikel6.11(Inhoud regionaal waterplan) 1.Het regionaal waterplan bevat, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4 van de Waterwet, één of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht. 2.De ruimtelijke aspecten bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet worden in het regionaal waterplan aangeduid. Artikel6.12(Voorbereiding regionaal waterplan) 1.Gedeputeerde staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met het college van dijkgraaf en heemraden, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Midden-Nederland en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten. 2.Gedeputeerde staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de minister van Infrastructuur en Waterstaat en gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies en de beheerder van de grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen. 3.Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 4.Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het regionaal waterplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. Artikel6.13(Uitwerking regionaal waterplan) 1.Voor zover het regionaal waterplan hierin voorziet, zijn gedeputeerde staten bevoegd het regionaal waterplan uit te werken. 2.Een besluit van gedeputeerde staten, inhoudende een uitwerking van het regionaal waterplan, maakt deel uit van het plan. 3.Artikel 6.12 is van overeenkomstige toepassing op de uitwerking van het regionaal waterplan. 4.Zo spoedig mogelijk na vaststelling van de uitwerking brengen gedeputeerde staten de in artikel 6.12 genoemde bestuursorganen en provinciale staten op de hoogte van de vaststelling van de uitwerking. Afdeling 6.3.2Waterschap Zuiderzeeland Paragraaf6.3.2.1Beheerplan Artikel6.14(Inhoud beheerplan) 1.Het beheerplan bevat onverminderd artikel 4.6 van de Waterwet tenminste: een beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt; het beleid inzake het beheer van het watersysteem gericht op de aan het watersysteem toegekende functies en doelstellingen; één of meer toelichtende kaarten waarop de bestaande en geplande waterstaatswerken zijn aangegeven en waarop een overzicht wordt gegeven van de bestaande en nagestreefde toestand van het watersysteem; een omschrijving van de maatregelen die door de beheerder en/of door derden moeten worden genomen om de in het regionaal waterplan en in het beheerplan genoemde doelstellingen te bereiken, alsmede de fasering en prioriteitenstelling bij deze maatregelen; een raming van de kosten van de maatregelen, voorzover deze gedurende de planperiode tot stand worden gebracht, een overzicht van de wijze waarop deze worden gedekt, alsmede een indicatie van de kosten van door derden te nemen maatregelen als gevolg van het plan. 2.Het beheerplan gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste is opgenomen de aan het plan ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van verrichte onderzoeken. Artikel6.15(Raadplegen) Het college van dijkgraaf en heemraden raadpleegt bij de opstelling van het beheerplan ten minste de dagelijks besturen van de aangrenzende waterschappen, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Midden-Nederland, gedeputeerde staten en de colleges van burgemeester en wethouders in Flevoland. Artikel6.16(Openbare voorbereiding) 1.Op de voorbereiding van het beheerplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De stukken worden ter inzage gelegd in tenminste het kantoor van Waterschap Zuiderzeeland en in de gemeentehuizen van de gemeenten die zijn gelegen binnen het gebied waarop het beheerplan betrekking heeft. 2.Een ieder heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het beheerplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. 3.Het college van dijkgraaf en heemraden kan besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast bij het actualiseren van het maatregelenprogramma als bedoeld in artikel 6.14, eerste lid, onder d indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat. 4.Een vastgesteld beheerplan wordt toegezonden aan de instanties als bedoeld in artikel 6.15 en aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel6.17(Uitwerking beheerplan) 1.In het beheerplan kan worden bepaald dat het college van dijkgraaf en heemraden het beheerplan of onderdelen daarvan moet of kan uitwerken volgens in het beheerplan gegeven regels. 2.Alvorens het college van dijkgraaf en heemraden een besluit vaststelt met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid, worden de in artikel 6.15 bedoelde bestuursorganen in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen daarover kenbaar te maken. 3.Het besluit van het college van dijkgraaf en heemraden tot uitwerking van het beheerplan maakt deel uit van het beheerplan. 4.Artikel 6.16 is van overeenkomstige toepassing op het in het derde lid genoemde besluit. Artikel6.18(Toezending aan gedeputeerde staten) 1.Een besluit als bedoeld in artikel 6.16, derde lid wordt binnen vier weken na vaststelling aan gedeputeerde staten toegezonden. 2.Een besluit ter uitvoering van de in artikel 6.17, eerste lid genoemde bevoegdheid, wordt binnen vier weken na vaststelling aan gedeputeerde staten toegezonden. Artikel6.19(Algemene voortgangsrapportage) 1.Het college van dijkgraaf en heemraden rapporteert tenminste eenmaal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het geldende beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen. 2.Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot de inhoud van de rapportage, gehoord het college van dijkgraaf en heemraden, nadere voorschriften stellen omtrent de inhoud van de rapportage. Paragraaf6.3.2.2Peilbesluiten Artikel6.20(Aanwijzing verplichte peilbesluiten) 1.De algemene vergadering stelt voor de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast. 2.Gedeputeerde staten verlenen op verzoek van het college van dijkgraaf en heemraden van het bepaalde in het eerste lid ontheffing ten aanzien van gebiedsdelen waar een regeling van de waterstand redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel6.21(Inhoud van het peilbesluit) 1.Het peilbesluit bevat onverminderd het bepaalde in artikel 5.2 van de Waterwet: een kaart met de begrenzing van de gebieden waarbinnen oppervlaktewateren gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft, en de te handhaven waterstanden, aangegeven in hoogte ten opzichte van NAP, met daarbij aangegeven de perioden en de peilvakken waarvoor de waterstanden gelden. 2.Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen: de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken; de verwachte grondwaterstanden waarop de gekozen waterstanden gebaseerd zijn en de afwijking ten opzichte van het optimale grond- en oppervlaktewater regime. Artikel6.22(Voorbereiding) Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel6.23(Herziening) Op een herziening en een wijziging van een peilbesluit zijn de artikelen 6.20 en 6.21 van overeenkomstige toepassing. Paragraaf6.3.2.3Legger Artikel6.24(Legger waterstaatswerken) De legger bevat onverminderd het bepaalde in artikel 5.1, tweede lid van de Waterwet in ieder geval: de dwarsprofielen van de regionale waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden; een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de regionale waterkering, oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. Artikel6.25(Uitzondering leggerplicht) Gedeputeerde staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen dan wel van geringe afmetingen zijn. Artikel6.26(Voorbereiding) Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op voorbereiding van de legger. Paragraaf6.3.2.4Meten en beoordelen Artikel6.27(Verslag toetsing watersysteem) 1.Het college van dijkgraaf en heemraden brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 6.6, eerste lid, iedere zes jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer. 2.Het verslag, bedoeld in het eerste lid, bevat een beoordeling van de veiligheid. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de omgevingswaarde, technische leidraad, hydraulische randvoorwaarden en voorschriften bedoeld in artikel 6.6 en de legger bedoeld in artikel 6.
  4. 3.Het college van dijkgraaf en heemraden brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 6.8 en 6.9, iedere zes jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer. 4.Het verslag, bedoeld in het derde lid, bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt onder meer in het licht van de omgevingswaarden en voorschriften bedoeld in afdeling 6.2.2 en de legger bedoeld in artikel 6.
  5. 5.Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen bedoeld in het eerste en derde lid een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht. 6.Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het college van dijkgraaf en heemraden, vast voor welk tijdstip de verslagen, bedoeld in het eerste en derde lid, voor de eerste maal worden uitgebracht. 7.Gedeputeerde staten kunnen afwijken van het bepaalde in het eerste en derde lid. Artikel6.28(Nadere voorschriften) Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen, bedoeld in artikel 6.
  6. Paragraaf6.3.2.5Projectprocedure voor waterstaatswerken Artikel6.29(Projectprocedure) 1.Paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet is van toepassing op projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen met de nummers 1, 7, 10, 11, 12, 13, 18, 19, 20, 21 en 23 als bedoeld in bijlage
  7. 2.Gedeputeerde staten kunnen paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet van toepassing verklaren op: projectplannen tot aanleg of wijziging van regionale waterkeringen met de nummers 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 14, 15, 16, 17, 22, 24, 25, 26 als bedoeld in bijlage 4; projectplannen tot de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen; projectplannen tot de aanleg en wijziging van oppervlaktewaterlichamen. Artikel6.30(Toezending projectplan voor primaire waterkeringen) 1.Een aan gedeputeerde staten ter goedkeuring toegezonden projectplan dat betrekking heeft op een primaire waterkering die is gelegen op het grondgebied van een andere provincie of andere provincies wordt door het college van dijkgraaf en heemraden tevens toegezonden aan gedeputeerde staten van die andere provincie of provincies. 2.Het eerste lid is van toepassing op projectplannen die zijn gericht op het grondgebied van twee of meer provincies. Afdeling 6.3.3 Gemeenten Artikel6.31(Gegevens en bescheiden aanvraag ontheffing zorgplicht) De aanvraag om een ontheffing voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat vrijkomt bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen bevat: het gemeentelijk rioleringsplan of, indien het plan nog niet is vastgesteld, een overzicht van de aanwezige voorzieningen en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4.22, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voor dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft; een overzicht van de lozingssituatie in dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft; het resultaat van een inventarisatie van percelen in dat deel van de gemeente waarop de aanvraag betrekking heeft en gelegen binnen de afstandscriteria, zoals bepaald in algemene maatregelen van bestuur op grond van de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Waterwet; een weergave van de gevolgen voor het milieu wanneer geen voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater worden getroffen; een weergave van de alternatieve voorzieningen voor verwerking van het afvalwater van de betreffende percelen; het advies of het resultaat van het overleg dat is gevoerd met de waterbeheerder. HOOFDSTUK7NATUURNETWERK NEDERLAND Paragraaf7.1Algemeen Artikel7.1(Oogmerk en toepassingsgebied) 1.Dit hoofdstuk geeft regels als bedoeld in artikel 4.1 en 4.3 van de Wet ruimtelijke ordening en hoofdstuk IX van de Provinciewet en geeft uitvoering aan titel 2.10 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. 2.De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: het begrenzen, aanwijzen en beschermen van het op land gelegen Natuurnetwerk Nederland; het aanwijzen en veiligstellen van de wezenlijke kenmerken en waarden van de begrensde gebieden; het geven van een afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het Natuurnetwerk Nederland en voorwaarden voor herbegrenzing; het instellen van een registratie voor planologische besluiten bij het wijzigen van het Natuurnetwerk Nederland. 3.Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk is vastgelegd op kaart Werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland. 4.Als het Natuurnetwerk Nederland zijn als zodanig aangewezen de begrensde gebieden zoals geometrisch vastgelegd op kaart Natuurnetwerk Nederland en op http://ehs.flevoland.nl/. Artikel7.2(Begripsbepalingen) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bestemmingsplan: bestemmingsplan, inpassingsplan of beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening met inbegrip van een wijzigingsplan of een uitwerkingsplan alsmede een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en een geval als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Natuurnetwerk Nederland (NNN): stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten; ruimtelijk plan of besluit: een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3º van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken; wezenlijke kenmerken en waarden: aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden die bestemd zijn voor natuur of zijn aangewezen voor natuurdoeleinden, tevens de potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste milieucondities. Paragraaf7.2Activiteiten Artikel7.3(Wezenlijke kenmerken en waarden) Gedeputeerde staten wijzen in bijlage 5 van de omgevingsverordening de wezenlijke kenmerken en waarden aan van het Natuurnetwerk Nederland.. Artikel7.4(Wijziging begrenzing) 1.Provinciale staten kunnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland of de wezenlijke kenmerken en waarden wijzigen: ten behoeve van andere activiteiten dan mogelijk gemaakt op grond van artikel 7.5, eerste lid, sub b indien: een ingreep onvermijdelijk blijkt, er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. ten behoeve van een combinatie van projecten of handelingen die tevens tot doel heeft om de kwaliteit of kwantiteit van het Natuurnetwerk Nederland op gebiedsniveau per saldo te verbeteren, ten behoeve van de herijking van het Natuurnetwerk Nederland, naar aanleiding van wijziging in hogere beleidskaders en wet en regelgeving. 2.Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland of de wezenlijke kenmerken en waarden wijzigen: ten behoeve van een verbetering van de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland, of een betere planologische inpassing van het Natuurnetwerk Nederland, voor zover: de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland worden behouden, en de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland tenminste gelijk blijft. ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, voor zover: de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland beperkt is, de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en een vergroting van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland, ten behoeve van de aanwijzing compensatie NNN binnen het zoekgebied Oosterwold, zoals geometrisch vastgelegd op kaart Natuurnetwerk Nederland, ten behoeve van de aanwijzing van het kiekendieffoerageergebied, zoals geometrisch vastgelegd op kaart Natuurnetwerk Nederland. 3.Gedeputeerde staten kunnen de wezenlijke kenmerken en waarden wijzigen naar aanleiding van natuurlijke ontwikkelingen in het gebied. Artikel7.5(Bescherming) 1.Een ruimtelijk plan of besluit, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij de aangewezen het Natuurnetwerk Nederland: strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied; maakt activiteiten alleen mogelijk als die ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van deze titel van de verordening geldende bestemmingsplan, mits die per saldo niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden. 2.Voor zover een bestemmingsplan strijdig is met de bescherming en de mogelijkheden bedoeld in het eerste lid stelt de gemeenteraad binnen drie jaar na het inwerkingtreden van deze titel dat plan opnieuw vast met inachtneming van de bepalingen in het eerste lid. Paragraaf7.3Procedure Artikel7.6(Algemene regels wijzigingen begrenzingen) 1.Burgemeester en wethouders kunnen verzoeken de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en de wezenlijke kenmerken en waarden te wijzigen ten behoeve van een activiteit genoemd in artikel 7.4, eerste lid, onderdeel a of een kleinschalige ontwikkeling als genoemd in artikel 7.4, tweede lid, onderdeel b. 2.Een ruimtelijk plan of besluit ten behoeve waarvan het Natuurnetwerk Nederland wordt gewijzigd gaat vergezeld van een toelichting of onderbouwing waarin wordt aangetoond dat: de uitvoervoering en langdurige instandhouding van de versterking of vergroting van het Natuurnetwerk Nederland is gewaarborgd, de uitvoering van de versterking of vergroting uiterlijk aansluitend aan het realiseren van de kleinschalige ontwikkeling plaats vindt.
  8. De voorbereiding en bekendmaking van de besluiten tot het wijzigen van de verordening en het vaststellen van het ruimtelijk plan of besluit worden in voorkomend geval gecoördineerd.
  9. Wanneer de beoogde ontwikkeling of activiteit ten behoeve waarvan het Natuurnetwerk Nederland is gewijzigd niet of niet geheel plaats vindt verzoeken burgemeester en wethouders tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de wijziging. Paragraaf7.4Instructieregels Artikel7.7(Registratie) 1.Gedeputeerde Staten houden een actuele en digitale registratie bij van de besluiten in verband met wijzigingen van het Natuurnetwerk Nederland. 2.De registratie is gericht op het inzichtelijk maken van een sluitende compensatieboekhouding en het volgen van de uitvoering. HOOFDSTUK8NATUURBESCHERMING Titel 8.

Artikel8

.1(Begripsbepalingen) In deze verordening wordt verstaan onder: jacht: bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van wild alsmede het doen van pogingen daartoe; jachthouder: degene die krachtens artikel 3.23 van de wet gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in een veld; grondgebruiker: degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; schadesoorten: soorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid van de wet, die in de provincieschade veroorzaken en niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen; BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg; taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12; boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 15 hectare. Titel 8.2 Vrijstellingen Paragraaf8.2.1Vrijstelling beweiden en bemesten Artikel8.2(Vrijstelling vergunningplicht beweiden en bemesten bij Natura 2000 gebieden) Het verbod bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, is niet van toepassing op de volgende handelingen: het weiden van vee; het gebruiken van meststoffen zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit gebruik meststoffen. Paragraaf8.2.2Vrijstelling soorten Artikel8.3(Schadesoorten) 1.Als schadesoorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid van de Wet natuurbescherming worden in de provincie Flevoland aangewezen de soorten genoemd in bijlage 6 en bijlage

  1. 2.Gedeputeerde staten kunnen bijlagen 6, 7 en 8 in de omgevingsverordening wijzigen. 3.Gedeputeerde staten kunnen bij wijziging van bijlagen 6 en 7 van deze verordening bepalen dat een vrijstelling als bedoeld in 8.4 beperkt is tot een deel van de provincie, een periode in het jaar of nader omschreven gewassen of vee. 4.De in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure is van toepassing op de voorbereiding van de in het tweede lid bedoelde wijziging. Artikel8.4(Vrijstelling grondgebruiker voor bestrijding van schadeveroorzakende dieren) 1.Ter voorkoming of bestrijding van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren veroorzaakt door de in bijlage 6 aangewezen diersoorten, is het de grondgebruiker toegestaan om op de door hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 3.1 vierde lid en artikel 3.5 tweede lid van de Wet natuurbescherming. 2.Ter voorkoming of bestrijding van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren veroorzaakt door de in bijlage 7 aangewezen diersoorten is het de grondgebruiker toegestaan om op de door hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 3.1, eerste, tweede en vierde, artikel 3.5 eerste, tweede en vierde lid en artikel 3.10, eerste lid onder b van de Wet natuurbescherming. 3.Vrijgestelde handelingen als bedoeld in het eerste en tweede lid moeten plaatsvinden overeenkomstig het faunabeheerplan. 4.Indien de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15 zevende lid van de Wet natuurbescherming de vrijgestelde handelingen door een ander laat uitvoeren, dient die persoon gedurende die uitoefening de door de grondgebruiker afgegeven schriftelijke toestemming bij zich te dragen en op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar ter inzage te geven. Artikel8.5(Vrijstelling ruimtelijke inrichting of ontwikkeling, bestendig beheer of onderhoud) Onverminderd het bepaalde in artikel 3.31, eerste lid van de Wet natuurbescherming gelden de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming, met uitzondering van het verbod tot het opzettelijk doden, niet voor soorten genoemd in bijlage 8 ten aanzien van de belangen genoemd in onderdelen a, d, e, f en g van artikel 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming. Artikel8.6(Bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden) 1.De verboden, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, gelden met uitzondering van het verbod tot doden, niet ten behoeve van activiteiten bestemt en geschikt voor de bescherming van vogels, hun nesten en eieren en hun niet vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee. 2.De op basis van het eerste lid gevangen niet vliegvlugge jongen worden onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden bedoeld in het eerste lid weer in vrijheid gesteld. Artikel8.7(Veiligstelling amfibieën en ringslangen ter vrijstelling tegen verkeer) 1.De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 3.5, eerste en tweede lid, van de Wet natuurbescherming, alsmede het verbod om amfibieën te vangen, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming, gelden niet ten aanzien van deze amfibieën en de ringslang indien de betrokken handelingen plaatsvinden ter veiligstelling van deze dieren tegen het verkeer. 2.De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats en voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld. 3.De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt slechts voor het vervoer van de ringslang over een afstand van ten hoogste 100 meter vanaf de vangplaats en voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld. Artikel8.8(Vangen amfibieën en kleine zoogdieren van onderzoek en onderwijs) 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming geldt het verbod op het vangen niet ten aanzien van de soorten: de meerkikker (Pelophylax ridibundus), de bastaardkikker (Pelophylax klepton esculenta), de bruine kikker (Rana temporaria) en de gewone pad (Bufo bufo), alsmede ten aanzien van het bemachtigen van eieren van deze soorten, voor zover dit geschiedt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren bij onderzoek of onderwijs. 2.In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming geldt het verbod op het vangen niet ten aanzien van de soorten: meerkikker (Rana ridibunda), bastaardkikker (Rana kl. esculenta), bruine kikker (Rana temporaria), gewone pad (Bufo bufo), kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), aardmuis (Microtus agrestis), bosmuis (Apodemus sylvaticus) egel (Erinaceus europeus), gewone bosspitsmuis (Sorex araneus), huisspitsmuis (Crocidura russula), rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus), tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus), veldmuis (Microtus arvalis) en woelrat (Arvicola terrestris) alsmede ten aanzien van het bemachtigen van eieren van deze soorten, voor zover dit geschiedt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren in het kader van wetenschappelijk onderzoek. Artikel8.9(Vrijstelling bezits- en vervoersverbod braakballen, losse veren e.d.) De verboden op het vervoeren en onder zich hebben, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid en artikel 3.6, tweede lid van de Wet natuurbescherming gelden niet ten aanzien van keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot als het vervoer of het onder zich hebben geschiedt met het oog op gebruik van deze producten bij onderzoek of onderwijs. Artikel8.10(Vrijstelling verstoren van vogels in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer) De verboden om vogels opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 3.1,vierde lid van de Wet natuurbescherming, gelden niet ten aanzien van de verstoring van vogels op het terrein van Lelystad Airport. Titel 8.3 Faunabeheereenheid Artikel8.11(Doel faunabeheereenheid) In een faunabeheereenheid werken jachthouders samen ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van het faunabeheerplan. Artikel8.12(Werkgebied en werkwijze faunabeheereenheid) 1.Er is in Flevoland één faunabeheereenheid. 2.Het werkgebied van de faunabeheereenheid omvat het gehele grondgebied van de provincie Flevoland. Titel 8.4 Faunabeheerplan Artikel8.13(Doelstelling faunabeheerplan) Het faunabeheerplan is gericht op het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° en artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met d, van de Wet natuurbescherming en de uitoefening van de jacht. Artikel8.14(Reikwijdte faunabeheerplan) Het faunabeheerplan geldt voor het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid. Artikel8.15(Geldigheidsduur faunabeheerplan) 1.In het faunabeheerplan wordt aangegeven dat het plan een geldigheidsduur van ten hoogste 5 jaren heeft. 2.De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het eerste lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld. 3.Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de in het eerste lid genoemde geldigheidsduur van het faunabeheerplan met maximaal twaalf maanden verlengen. Artikel8.16(Eisen aan faunabeheerplan) 1.Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende algemene gegevens: de omvang van het werkgebied van de faunabeheereenheid; een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven. 2.Het faunabeheerplan bevat voor wat betreft populatiebeheer en schadebestrijding ten minste de volgende nadere gegevens: kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar; een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer en schadebestrijding waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4 °, artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1 ° tot en met 3 ° en artikel 3.10, tweede lid, onderdeel b tot en met d, van de Wet natuurbescherming die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan; een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel b bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren; de huidige en gewenste stand van de in onderdeel a bedoelde diersoorten; per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel d, te bereiken en schade te voorkomen; per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel c, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen; een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel e bedoelde handelingen zullen plaats vinden; voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel e bedoelde handelingen; een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald. 3.Het faunabeheerplan bevat voor wat betreft de uitoefening van de jacht de volgende gegevens: kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten waarop wordt gejaagd; een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan. Artikel8.17(Goedkeuring faunabeheerplan) 1.Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid van de Wet natuurbescherming in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de artikelen 8.12, 8.13 , 8.14, 8.15 en 8.
  2. 2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 8.15, tweede lid en een verzoek als bedoeld in artikel 8.15, derde lid. Titel 8.5 Wildbeheereenheid Paragraaf8.5.1Wildbeheereenheid Artikel8.18(Omvang en begrenzing werkgebied) 1.Er is in Flevoland maximaal vier wildbeheereenheden. 2.Een wildbeheereenheid heeft een werkgebied met een duidelijke geografische begrenzing. 3.De wildbeheereenheid publiceert de begrenzing van het werkgebied op het internet, eventueel door tussenkomst van de faunabeheereenheid. Artikel8.19(Jachthouders met jachtakte en verenigd in een wildbeheereenheid) 1.Jachthouders met een jachtakte, met een jachtveld dat met het geweer bejaagbaar is, gelegen in het gebied waarover zich de zorg van een wildbeheereenheid uitstrekt, zijn aangesloten bij deze wildbeheereenheid. 2.De aansluiting zoals bedoeld in het eerste lid heeft de vorm van een lidmaatschap van de vereniging. Artikel8.20(Vrijstelling aansluitplicht wildbeheereenheid) De verplichting in artikel 8.19 is niet van toepassing op medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten of Stichting Flevolandschap, wanneer het jachtveld in eigendom is van deze organisatie, op voorwaarde dat deze organisatie zich heeft aangesloten bij een faunabeheereenheid en op grond daarvan deelneemt aan de gegevensverzameling als bedoeld in artikel 8.22 en de uitvoering van het faunabeheerplan ten aanzien van wildsoorten. Artikel8.21(Lidmaatschap en geschillen) 1.Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan worden opgezegd wanneer het lid bij de uitoefening van de jacht niet handelt conform het faunabeheerplan, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord het bestuur van de faunabeheereenheid. 2.De wildbeheereenheid stelt een geschillenregeling in die geschillen behandelt die voortkomen uit bestuursbesluiten zoals bedoeld in het eerste lid. Artikel8.22(Rapportage) De wildbeheereenheid neemt, in het kader van het faunabeheerplan, deel aan trendtellingen van diersoorten, afschotregistratie en de registratie van dood-gevonden dieren voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid uitstrekt. Paragraaf8.5.2Valwild Artikel8.23Valwild 1.De Stichting Faunabeheer Flevoland kan in opdracht van de provincie de coördinatie van het valwild verzorgen. Dit betreft: het ophalen en vervoeren van doodgereden dieren; het indien noodzakelijk uit het lijden verlossen van aangereden dieren; het in noodsituaties nazoeken zonder toestemming van de grondgebruiker; het registreren van de afhandeling. 2.Voornoemde opdracht geldt ook voor de medewerkers in dienst van Waterschap Zuiderzeeland (muskusratbestrijders) voor zover het dieren betreft die in het water zijn beland en er niet zonder hulp uit komen. Titel 8.6 Houtopstanden Artikel8.24(Eisen aan de melding van een velling) Ter voldoening aan de meldingsplicht als bedoeld in artikel 4.2 tweede lid van de Wet natuurbescherming, stelt de melder bij een melding in ieder geval de volgende gegevens ter beschikking aan gedeputeerde staten: Naam-, adres- en woonplaatsgegevens, contactgegevens en indien van toepassing bedrijfsgegevens van de melder. Indien de melder niet de eigenaar is, ook voorgenoemde gegevens van de eigenaar; Gegevens over de te kappen houtopstand: kaart met topografische locatie en kadastrale perceelnummers, de oppervlakte van de velling of, in het geval van rijbeplanting, het aantal bomen, de boomsoort, de leeftijd. De reden van de velling. Artikel8.25(Termijnen voor meldingen) Een melding als bedoeld in artikel 4.2 eerste lid van de Wet natuurbescherming, wordt niet minder dan 6 weken voorafgaand aan de velling gedaan en niet langer dan 1 jaar voorafgaand aan de velling. Artikel8.26(Wijze van melden) Een melding als bedoeld in artikel 4.2 eerste lid van de Wet natuurbescherming wordt niet anders gedaan dan via een door gedeputeerde staten daartoe vastgesteld formulier of vastgestelde elektronische wijze. Artikel8.27(Eisen aan herbeplantingen) Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3 derde lid van de Wet natuurbescherming, voldoet in elk geval aan de volgende eisen: De oppervlakte van de herplant is ten minste even groot als de gevelde oppervlakte; De nieuwe houtopstand kan gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; De nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 10 jaar een gesloten kronendak vormen; Het gebruik van sierheesters, tuinsoorten, en soorten die naar oordeel van gedeputeerde staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse zijn niet toegestaan; Herplant binnen Natura 2000 gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 2.1 vierde lid van de Wet natuurbescherming; De herplant kan op termijn tenminste vergelijkbare ecologische, en landschappelijke waarden vertegenwoordigen. Artikel8.28(Eisen aan herplant op andere gronden) 1.Herplant op andere grond wordt niet toegestaan als het één of meer van de volgende gevallen betreft: Indien hierdoor de oppervlakte van een boskern kleiner wordt dan 15 hectare; Indien de betreffende houtopstand deel uit maakt van een instandhoudingsdoel als bedoeld in artikel 2.1 vierde lid van de Wet natuurbescherming. 2.In afwijking van het eerste lid wordt herplant op andere grond wel toegestaan als de houtopstand moet wijken om een werk overeenkomstig een bestemmingsplan mogelijk te maken. Hierbij gelden voor zo ver de houtopstand binnen het natuurnetwerk ligt tevens de vereisten van het Hoofdstuk 7 Natuurnetwerk Nederland. 3.Herplant op andere grond voldoet tevens aan de volgende eisen: de aanplant is bosbouwkundig verantwoord als bedoeld in artikel 8.27; de andere grond is gelegen in de provincie Flevoland; de andere grond is onbeplant en vrij van herplantplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming en vrij van (natuur-)compensatieverplichtingen uit hoofde van andere wet- en regelgeving; beplanting van de andere grond, gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden. 4.Gedeputeerde staten kunnen aan de ontheffing als bedoel in artikel 4.5 eerste lid van de Wet natuurbescherming eisen stellen aan de te gebruiken soorten, verschijningsvorm, locatie en oppervlakte. 5.Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen gedeputeerde staten afwijken van de in het tweede en derde lid genoemde vereisten. Hieraan kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Artikel8.29(Vrijstellingen) 1.Provinciale staten verlenen vrijstelling van het bepaald in artikel 4.2 eerste lid van de Wet natuurbescherming voor de volgende gevallen: aan beheerders die meer dan 75 ha bos- en natuur in de provincie Flevoland beheren en beschikken over een certificaat natuurbeheer afgegeven door de Stichting Certificering SNL, indien de grond, waarop de te vellen houtopstand zich bevindt, binnen drie jaar op bosbouwkundig verantwoorde wijze wordt herbeplant; de vrijstelling als bedoeld onder a is niet van toepassing indien: een afzonderlijke voorgenomen velling groter is dan 3 hectare; de te vellen opstand niet ter plaatse wordt herplant. een beheerder die gebruik maakt van de vrijstelling als bedoeld onder a verstrekken gedeputeerde staten voor 1 oktober een overzicht over het voorafgaande jaar met: de omvang en ligging van de grond waarop herplantplicht rust per 1 oktober van het voorgaande jaar; de omvang en ligging van de grond waarop gedurende het voorgaande jaar herplant heeft plaatsgevonden; de omvang en ligging van de grond waarop gedurende het voorgaande jaar bos is geveld of anderszins is teniet gegaan. het maximaal 1 keer per 4 jaar kappen van verjongingsgaten indien deze niet groter zijn dan 1,5 maal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel. 2.Provinciale staten verlenen vrijstelling van het bepaalde in artikel 4.3 eerste lid van de Wet natuurbescherming voor de volgende gevallen: het vrijstellen van oevers van bestaande poelen en plassen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn; het door natuurlijke ontwikkelingen te niet gaan van houtopstanden in de volgende gevallen: vernatting door natuurlijke processen en/of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen; op natuurlijke wijze te niet gaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen; te niet gaan door vraat van bevers (Castor fiber). Titel 8.7 Tegemoetkoming faunaschade Artikel8.30(De aanvraag om tegemoetkoming) 1.Gedeputeerde staten verstrekken een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming alleen op aanvraag. 2.Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt door de aanvrager bij BIJ12 ingediend binnen zeven werkdagen nadat hij de schade heeft geconstateerd, met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen of vastgestelde elektronische wijze. 3.Schade welke niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het tweede lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Artikel8.31(Taxatie van de schade) 1.De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur. 2.Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ
  3. Titel 8.8 Bijzondere situaties Artikel8.32(Hardheidsclausule) Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens Hoofdstuk 8 Natuurbescherming buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. HOOFDSTUK9STILTEGEBIEDEN Titel 9.

Artikel9

.1(Oogmerk) De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Artikel9.2(Begripsbepalingen) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: geluidsbron: inrichting, toestel, hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet geluidhinder en activiteit in het kader van de ontwikkeling of bestemming van de in een streek-, structuur-, bestemmings- en inpassingsplan begrepen gronden; geluidsniveau: geluidsniveau gemeten en berekend volgens voorschriften gegeven bij of krachtens de Wet geluidhinder; toestel: een toestel als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, waaronder in ieder geval wordt begrepen: een airgun- en andere knalapparatuur en motorisch aangedreven werktuigen met bijbehorende transportmiddelen, te bezigen in het kader van seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar de ontginning van de in de bodem aanwezige stoffen; een motorisch aangedreven werktuig, te bezigen in het kader van de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem; een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen; een modelvliegtuig, modelboot of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; een muziekinstrument en een andere daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker; een vuurwapen. Artikel9.3(Aanwijzing stiltegebieden) 1.Stiltegebieden zijn de gebieden die als zodanig zijn aangegeven op de kaarten kaart Stiltegebied Horsterwold, kaart Stiltegebied Roggebotzand en kaart Stiltegebied Kuinderbos. 2.Het begin en het eind van een stiltegebied wordt aangeduid door middel van borden, waarvan een model is opgenomen in bijlage

  1. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen aan de buitengrens van de stiltegebieden die worden doorkruist. De borden worden voorzien van een onderbord waarop is aangegeven waar verstoringen van de stilte dienen te worden gemeld. Artikel9.4(Zorgplicht) leder die in een stiltegebied handelingen verricht en weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen in dat gebied het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten -behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan- danwel, indien dat achterwege laten niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade zich voordoet, deze zoveel mogelijk te beperken en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. Artikel9.5(Meldplicht) leder die kennis draagt van een voorval binnen een stiltegebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dat terstond te melden aan gedeputeerde staten. Titel 9.2 Omgevingswaarden Paragraaf9.2.1Omgevingswaarde op het stiltegebied Artikel9.6(Omgevingswaarde maximale geluidsbelasting op het stiltegebied) 1.Als richtwaarde voor de maximale geluidsbelasting vanwege een geluidsbron binnen een straal van 1,5 kilometer buiten het stiltegebied zoals aangegeven op de kaarten kaart Stiltegebied Horsterwold, kaart Stiltegebied Roggebotzand en kaart Stiltegebied Kuinderbos geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter in het stiltegebied gerekend vanaf de grens van het stiltegebied. 2.De omgevingswaarde als bedoeld in het eerste lid is een inspanningsverplichting. Paragraaf9.2.2Omgevingswaarde binnen het stiltegebied Artikel9.7(Omgevingswaarde maximale geluidsbelasting geluidsbron in het stiltegebied) 1.Als richtwaarde voor de maximale geluidsbelasting vanwege een geluidsbron binnen het stiltegebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) gemiddeld per uur op 50 meter van de geluidsbron. 2.De omgevingswaarde als bedoeld in het eerste lid is een inspanningsverplichting. Titel 9.3 Activiteiten Artikel9.8(Verbod op verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied) 1.Het is binnen stiltegebieden verboden zonder ontheffing van gedeputeerde staten buiten inrichtingen een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord. 2.Het is verboden zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen. 3.Het is verboden een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of aan een zodanige toertocht deel te nemen waarvoor geen ontheffing is verleend. Artikel9.9(Uitzondering op verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied) Het verbod op verstoring van de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied, geldt niet voor zover zij betrekking hebben op een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies; een werktuig als bedoeld in artikel 9.2, onderdeel b van het begrip toestel, dat wordt gebruikt ten behoeve van directe woonaansluitingen; het gebruik van een toestel als bedoeld in artikel 9.2, onderdeel c van het begrip toestel, indien dat noodzakelijk is ter afwending van dreigend gevaar of anderszins uit een oogpunt van algemene veiligheid; een geluidsapparaat als bedoeld in artikel 9.2, onderdeel e van het begrip toestel, dat wordt gebruikt binnen 50 meter van een woonhuis en mits niet hoorbaar op een afstand van meer dan 50 meter van het apparaat; een vuurwapen als bedoeld in artikel 9.2, onderdeel f van het begrip toestel, indien dat wordt gebruikt door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; in geval het een noodseinmiddel betreft: in geval van nood; voor de jacht met inachtneming van het bepaalde in de Wet natuurbescherming. Artikel9.10(Beoordelingsregels ontheffing voor verstoring van ervaring natuurlijke geluiden in een stiltegebied) Gedeputeerde staten verlenen de ontheffing voor het gebruik van een toestel als bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, alleen indien het belang waartoe het stiltegebied is aangewezen zich daartegen niet verzet. Titel 9.4 Instructieregels Artikel9.11(Doorwerking omgevingswaarden) 1.Bij het uitoefenen van de navolgende bevoegdheden wordt rekening gehouden met de in artikel 9.6 en 9.7 bedoelde omgevingswaarde: de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorzover burgemeester en wethouders dan wel gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn; de bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 3.1, 3.6 en 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening, de bevoegdheid te beslissen over een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 30, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken, alsmede de bevoegdheden als bedoeld in de artikel 3.10 en 3.27 van de Wet ruimtelijke ordening voor zover deze artikelen op grond van het in de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht opgenomen overgangsrecht van toepassing zijn; de bevoegdheden als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordeningen van de gemeenten als bedoeld in artikel 147 van de Gemeentewet; de bevoegdheden tot het treffen van verkeersmaatregelen op basis van de Wegenverkeerswet
  2. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de genoemde bevoegdheden betrekking hebben op een toestel dat wordt gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij of ten behoeve van het onderhoud van het gebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies. HOOFDSTUK10LUCHTVAART Titel 10.

Artikel10

.1(Toepassingsgebied) 1.Dit hoofdstuk is van toepassing op: aanvragen tot het vaststellen of wijzigen van een luchthavenbesluit voor een luchthaven gelegen in de provincie Flevoland; aanvragen tot het vaststellen of wijzigen van een luchthavenregeling voor een luchthaven gelegen in de provincie Flevoland. 2.Een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit kan door provinciale staten worden omgezet in en behandeld als een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenregeling, indien provinciale staten dat op grond van de ingediende gegevens of uit beleidsmatige overwegingen aangewezen achten. Titel 10.2 Luchthavenbesluit en luchthavenregeling Paragraaf10.2.1Indieningsvereisten Artikel10.2(Indieningsvereiste) 1.Aanvragen tot vaststelling of wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling worden ingediend bij gedeputeerde staten. 2.Gedeputeerde staten kunnen voor de aanvragen bedoeld in het eerste lid een formulier vaststellen. Paragraaf10.2.2Procedurebepalingen Artikel10.3(Aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling) 1.Een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling bevat de volgende gegevens en bescheiden: naam, adres, contactgegevens, rechtspersoonlijkheid, contactperso(o)n(en) en eventuele adviseurs van de aanvrager, en indien de aanvrager niet de (beoogde) exploitant is, tevens de genoemde gegevens van de (beoogde) exploitant; een aanduiding van het terrein dat bestemd is om als luchthaven te worden ingericht, met een topografische kaart op een schaal van 1:10.000 en de kadastrale aanwijzing van het terrein; de eigendomssituatie met betrekking tot het terrein, en voor zover de aanvrager niet de eigenaar is, een verklaring van de eigenaar of eigenaren dat deze instemt of instemmen met het voorgenomen gebruik als luchthaven; de planologische situatie van het luchthaventerrein en het beperkingengebied rondom dat terrein; een of meer tekeningen waaruit de beoogde ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven blijkt, met inbegrip van (maximale) hoogte van objecten; een plan voor het gebruik van de luchthaven voor een periode in de eerste vijf jaar na inwerkingtreding van het luchthavenbesluit; de wijze waarop in naderingsluchtverkeersleiding zal worden voorzien; de voor het beoogde gebruik noodzakelijke berekeningen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling burgerluchthavens en artikel 8.44, derde lid van de Wet luchtvaart met betrekking tot het bepalen van de geluidsbelasting en het externe-veiligheidsrisico van het luchthavenluchtverkeer; een bij het voornemen passende beschrijving van de mogelijke effecten op het milieu; de wijze waarop in naderingsluchtverkeersleiding zal worden voorzien en de voor het beoogde gebruik noodzakelijke berekeningen als bedoeld in artikel 8.44, derde lid, van de Wet luchtvaart met betrekking tot de lokale luchtverontreiniging; een onderbouwing voor de aanvraag van een luchthavenregeling; 2.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomsti

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.