Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, houdende een leidraad inrichting openbare ruimte (Leidraad inrichting openbare ruimte (LIOR) 2026-2027) Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) 2026-2027 Teams Openbare Ruimte Omgeving Wijkbeheer Versie 1.0 Datum vaststelling 1Inhoudsopgave 1 Inhoudsopgave 1 1 Inleiding 4 1.1 Achtergrond 4 1.2 Voor wie 4 1.3 Afwijken van de LIOR 4 1.4 Actualisatie van de LIOR 4 1.5 Leeswijzer 5 2 Algemene voorwaarden 6 2.1 Ontwerpen 6 2.2 Landkundige meetwerkzaamheden 6 2.3 Opleveren en revisie 6 2.4 Duurzaamheid 7 2.6 Toegankelijkheid 7 3 Gebiedsindelingen 8 4 Technische voorwaarden 11 4.1 Groenvoorzieningen 12 4.1.1 Bomen 14 4.1.2 Heesterbeplanting 18 4.1.3 Grassen 20 4.1.4 Kruidachtige beplanting 23 4.1.5 Water- en oeverbeplanting 26 4.2 Wegen en verhardingen 29 4.2.1 Wegmarkering en bebording 31 4.2.2 Voetpaden 32 4.2.3 Fietspaden 33 4.2.4 Rijwegen 35 4.2.5 Kruisingen 43 4.2.6 Bushaltes 45 4.2.7 Parkeren 46 4.2.8 Overige voorzieningen 47 4.3 Technische installaties 52 4.3.1 Openbare verlichting (OV) 52 4.3.2 Verkeersregelinstallaties (VRI) 79 4.3.3 Marktkasten 80 4.3.4 Laadpalen 80 4.4 Riolering 81 4.4.1 Standaardtekeningen 81 4.4.2 Beleidsuitgangspunten 81 4.4.3 Onderzoeken en berekeningen 83 4.4.4 Algemene eisen en randvoorwaarden 84 4.4.5 Stelselkeuze 85 4.4.6 Ontwerprichtlijnen 86 4.4.7 Materialisatie 95 4.4.8 Uitvoering 99 4.4.9 Rioolgemalen 99 4.4.10 Overdracht 100 4.5 Straatmeubilair 102 4.5.1 Verkeersmeubilair 102 4.5.2 Afschermvoorzieningen 106 4.5.3 ABRI’s 108 4.5.4 Fietsvoorzieningen 108 4.5.5 Banken 110 4.5.6 Afvalinzameling 110 4.5.7 Laadpalen 113 4.5.8 Reclameobjecten (MUPI’s en A0) 113 4.6 Kabels en leidingen 114 4.7 Sport en spelen 114 4.7.1 Algemene eisen en randvoorwaarden sport en spelen 114 4.7.2 Sportcomplexen 115 4.7.3 Sport –en speelvoorzieningen 116 4.8 Civiele kunstwerken 120 4.8.1 Bruggen 122 4.8.2 Duikers >1000 mm 123 4.8.3 Tunnels en viaducten 123 4.8.4 Remming- en geleidewerken 124 4.8.5 Oever- en kadeconstructies 124 4.9 Water en oevers 125 4.9.1 Oeverbescherming 125 4.9.2 Baggerwerk en waterbodems 126 4.9.3 Kleine duikers <1000 mm 127 4.9.4 Voorzieningen 127 4.9.5 Flora- en faunamaatregelen 129 4.9.6 Oppervlaktewater 130 5 Begrippenlijst 133 5.1 Groenvoorzieningen 133 5.2 Wegen en verhardingen 134 5.3 Riolering 134 5.4 Straatmeubilair 134 1 Inleiding 1.1 Achtergrond De openbare ruimte is een belangrijke plek waar mensen wonen, werken en leven. De gemeente Den Helder is eindverantwoordelijk voor de inrichting en het beheer van de openbare ruimte. Een goed ingerichte en beheerde openbare ruimte is belangrijk om onze gemeente nu en in de toekomst leefbaar te houden. In deze leidraad staan de richtlijnen en eisen die wij hanteren bij de (her)inrichting van de openbare ruimte. Door veelvoorkomende situaties te standaardiseren, willen we eenheid en continuïteit uitstralen met als doel de assets duurzaam, doelmatig en toekomstbestendig te kunnen beheren. De LIOR is een bibliotheek waarin (functionele) eisen gesteld worden aan de inrichting van de openbare ruimte. De richtlijnen en eisen die in de LIOR zijn opgenomen, komen voort uit landelijke wet- en regelgeving, gemeentelijk beleid en praktische kennis en ervaringen. De LIOR is geen nieuw beleidsstuk, maar een verzameling van al het beleid dat er al is. Hiermee borgen we dat we de hele stad, zowel bestaand als nieuw gebied, vervangen en aanleggen op dezelfde manier waardoor het het beheersbaar blijft, zonder af te doen aan de specifieke kenmerken vanbijvoorbeeld een woonwijk. 1.2Voor wie De LIOR is bestemd voor iedereen die betrokken zijn bij het ontwerp, inrichting en beheer van de openbare ruimte. Dit zijn onder andere stedenbouwers, landschapsontwerpers, architecten, projectleiders, projectvoorbereiders, beheerders, ingenieursbureaus en ontwikkelaars, zowel intern als extern. De LIOR is dan ook leidend voor partijen die zich bezig houden met (voorgenomen) ontwikkelingen binnen de gemeente Den Helder. De LIOR moet daarom toegankelijk zijn voor al deze partijen. De LIOR bakent de speelruimte af voor de invulling van deze ambities en houdt bovendien rekening met praktische zaken als toekomstig beheer en onderhoud. 1.3Afwijken van de LIOR Afwijken van de LIOR kan, maar dient wel goedgekeurd te zijn door de assetmanagers van Team Openbare ruimte. Indien nodig wordt hier bestuurlijk op geadviseerd. Afwijkingen kunnen namelijk gevolgen hebben voor de beheercapaciteit en -kosten. Dit betekent dat het beheer van de stad de vruchten plukt van slimme ontwerpkeuzes, maar ook de lasten draagt als de ontwerpkeuzes onvoldoende beheerbewust zijn afgewogen. Het voorkomen hiervan begint dus al aan het begin van het ontwerpproces. 1.4Actualisatie van de LIOR De LIOR wordt 1x per 2 jaar geactualiseerd. De wijzigingen worden bijgehouden in een wijzigingendocument. De werkgroep LIOR geeft 3 maanden van te voren aan wanneer de wijzigingen verwerkt moeten zijn en welk document hiervoor beschikbaar is. Inwerkingtreding en overgangsrecht De Leidraad Inrichting Openbare Ruimte 2024-2025, versie 1.0, van 1 december september 2023 wordt met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze Leidraad ingetrokken en blijft van toepassing op de afhandeling van werken die op grond van de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte 2024-2025, versie 1.0, tot stand zijn gekomen dan wel in uitvoering zijn. Deze Leidraad Inrichting Openbare Ruimte treedt in werking op 1 januari
- 1.5Leeswijzer In hoofdstuk 2 staan de algemene voorwaarden omschreven, dit zijn onder andere de voorwaarden met betrekking tot het ontwerp, oplevering en overdracht. Hoofdstuk 3 biedt een omschrijving van de gebiedsindeling zoals deze voor de LIOR is opgesteld. De technische voorwaarden worden omschreven in hoofdstuk
- Hoofdstuk 4 is top-down opgesteld. Dit houdt in dat de gegevens die omschreven staan in bovenliggende hoofdstukken gelden voor alle onderliggende hoofdstukken en paragraven. Binnen de voorwaarden en eisen van de objecten (groenvoorzieningen, wegen en verhardingen, technische installaties etc.) is dit ook het geval. Binnen de objecten worden eerst de algemene eisen omschreven die gelden voor het hele object. Dit is gespecificeerd tot het gewenste detailniveau. Bij een aantal hoofdstukken zijn de eisen onderverdeeld in stedenbouwkundige uitgangspunten, uitgangspunten met betrekking op ontwerp en inrichting en uitgangspunten voor uitvoering en onderhoud. In hoofdstuk 5 is een begrippenlijst te vinden. 2Algemene voorwaarden 2.1Ontwerpen Tekeningen die worden opgesteld dienen te worden aangeleverd in pdf- en dwg-formaat. Tekeningen dienen te worden opgesteld conform de NLCS (Nederlandse Cad Standaard. Tekeningen dienen duidelijk leesbaar te zijn en dienen te zijn voorzien van alle benodigde informatie om zonder toelichting te kunnen worden beoordeeld. Het is aan de ontwerper om de juiste keuze te maken voor de schaal en het papierformaat. Gangbare papierformaten zijn van A4 tot en met maximaal A0+. Standaard worden bovenaanzichten getekend in 1:200 en 1:
- Groter dan 1:500 alleen toepassen in geval overzichten zonder detailinformatie. Details en doorsnedes maximaal 1:
- Bij voorkeur 1:10, 1:20 of 1:
- 2.2Landkundige meetwerkzaamheden De gemeente Den Helder heeft standaardeisen ten aanzien van maatvoering en eisen aan de hoofdmaatvoering. De peilen dienen te zijn en worden aangegeven t.o.v. het N.A.P. Coördinaten van aspunten dienen te zijn aangegeven in het Rijksdriehoekstelsel (R.D.-stelsel) De opdrachtnemer/aannemer dient voor de aanvang van het Werk aspunten van de hoofdmaatvoering, grenzen en enkele hoogtemerken in het terrein uit te zetten. De opdrachtnemer/aannemer mag i.p.v. aspunten ook de meetkundige grondslagpunten aanleveren aan de directie en/of team GEO informatie van de gemeente Den Helder. De meetkundige hoofdgrondslag dienen te zijn gemeten in het Rijksdriehoekstelsel voor de x- en de y-waarde. De meetkundige hoofdgrondslag bevat een z-coördinaat in Normaal Amsterdams Peil (NAP) De opdrachtgever dient voor aanvang van de werkzaamheden de meetkundige hoofdgrondslag en/of de uitgezette hoofdmaatvoering te controleren. De Opdrachtgever dient ten minste 7 dagen voor de uitzetwerkzaamheden op de hoogte te zijn gebracht. De opdrachtnemer/aannemer draagt zorg voor het gedurende de uitvoering in standhouden van de meetkundige hoofdgrondslag, uitgezette peilen en aspunten. De Opdrachtnemer/aannemer is verantwoordelijk voor hermeting, herplaatsing en verloren gegane peilen en aspunten. De opdrachtnemer dient te allen tijde zijn medewerking te verlenen bij controlemetingen die uitgevoerd worden door de opdrachtgever. Ondergronden van de gemeente Den Helder op basis van de wettelijke basisregistratie BGT kunnen worden verkregen via PDOK. 2.3Opleveren en revisie Oplevering van het werk dient in overleg te gaan met de directievoerende partij en Team Openbare Ruimte van de gemeente Den Helder. Na oplevering dienen binnen twee weken revisiegegevens ingediend te worden. Voor revisiegegevens van riool zien bijlage
- Alle relevantie informatie (productspecificaties, garanties, etc.) ten aanzien van het werk dienen te worden overgedragen aan Team Openbare Ruimte. Mutaties van wijzigingen in de openbare ruimte dienen te worden aangeleverd conform BGT-richtlijnen en dienen te worden verwerkt in de landelijke database. Revisie en as-built gegevens dienen te worden aangeleverd conform het BGT met nauwkeurigheidseis conform DWT. Tevens aanleveren in .dwg (Imgeo of NLCS format) 2.4Duurzaamheid De gemeente Den Helder streeft naar een duurzaam ontwikkelde inrichting van de openbare ruimte waarbij bij het ontwikkelen en onderhouden duidelijke afwegingen worden gemaakt ten aanzien van duurzaamheid, klimaat en kwaliteit. Deze afwegingen moeten aansluiten bij de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente Den Helder. Algemeen: levensduur denken - keuzes maken op basis van aanpasbaarheid, losmaakbaarheid en de lange termijn. Gebiedsgerichte benadering - inspelen op de lokale gebruiksdruk, bodem, water en natuur. Circulariteit: waar mogelijk gebruik van secundaire of biobased materialen bij bijvoorbeeld straat meubilair, verharding etc. Herinrichting met zover mogelijk bestaande materialen uit de openbare ruimte (stoeptegels, klinkers, bomen etc.) en hergebruik van groenafval. Biodiversiteit: ecologisch beheren, groene verbindingen, inheemse beplanting, vergroten leefgebieden inheemse soorten. Klimaatadaptatie: genoeg waterberging en infiltratie in een gebied, hittebestrijding doormiddel van bijvoorbeeld het vergroenen van verkeersstroken of pleinen en bomenstrategiën, droogte bestendige planten. Duurzame mobiliteit: voldoende aandacht voor laadinfrastructuur. Energietransitie: Waar mogelijk zon op infrastructuur: zonnepanelen op geluidswallen, lantaarnpalen, bushokjes etc. verledden van de openbare verlichting. 2.6Toegankelijkheid Toegankelijkheid is een essentieel uitgangspunt bij het ontwerp en de inrichting van de openbare ruimte. In dit gebied streven we naar een inclusieve omgeving waarin iedereen zich zelfstandig, veilig en comfortabel kan verplaatsen ongeacht leeftijd, mobiliteit of beperking. Daarom gelden de volgende uitgangspunten: Drempelloze overgangen tussen verhardingen, met minimale hoogteverschillen. Vlakke, stabiele en goed beloopbare bestrating, zonder losse of verzakte elementen. Tastbare geleidelijnen en herkenbare oversteekplaatsen op logische plekken. Voldoende rustpunten (zoals banken) op looproutes, met aandacht voor zichtlijnen en beschutting. Goede verlichting en overzichtelijke inrichting, ook in de avonduren. Heldere en begrijpelijke bewegwijzering, afgestemd op verschillende doelgroepen (voetgangers, fietsers, bezoekers met een visuele of cognitieve beperking). Geen hinderlijke objecten op loop- en fietsroutes, zoals paaltjes, keien of onnodige obstakels die de doorgang belemmeren. Voldoende vrije ruimte voor het veilig passeren met een scootmobiel, driewielfiets of kinderwagen. Toegankelijkheid is geen optionele toevoeging, maar een integraal onderdeel van kwaliteit. Bij elke ontwerpkeuze wordt daarom expliciet getoetst of deze bijdraagt aan een toegankelijke en gebruiksvriendelijke openbare ruimte. 3Gebiedsindelingen Voor de LIOR is een gebiedsindeling opgesteld (zie bijlage 1 – Gebiedsindeling LIOR). Deze gebiedsindeling dient ter ondersteuning van de verwijzingen in de technische voorwaarden in hoofdstuk
- Op stedenbouwkundig niveau behoren de onderstaande beschrijvingen bij de gebieden. Stadshart Het Stadshart wordt begrensd door de Polderweg, de Gravenstraat (inclusief Stationsgebied), de Weststraat en het Marsdiep. De openbare ruimte is in eigendom en beheer van de gemeente Den Helder. Het Stadshart is al vele jaren in ontwikkeling en vormt het visitekaartje van de stad. In het Stadshart wordt gewoond, gewinkeld, gewerkt en gerecreëerd en zijn er mogelijkheden om elkaar te ontmoeten. Inrichting volgens elementenboek Stadshart en de verdere ontwikkeling daarvan. Winkel-/centrumgebied Binnen de woongebieden bevinden zich meerdere winkel- en centrumgebieden die voorzieningen aanbieden. Dit betreft dus locaties waar mensen naar toe komen en enige tijd verblijven. Het zijn de gebieden met belangrijke publieke plekken zoals pleinen, zorgcentrum en de locatie waar een buurt supermarkt gevestigd is. Historische centrumbuurten De Historische centrumbuurten bestaan uit Stadshart Wonen (binnenstad), de Van Galenbuurt en de Visbuurt. Deze eerste uitbreidingen in Den Helder zijn in verschillende tijdsperioden (19de en 20ste eeuw) aangelegd. De buurten hebben een fijnmazig patroon aan straatjes en paden. In het straatprofiel ontbreken vaak de voortuinen, waardoor de woonbuurten een stenig karakter hebben. De inrichting dient hierbij aan te sluiten. Dat wordt vertaald in gebakken materialen. Waar mogelijk aandacht voor vergroening. Dorpskernen De dorpskernen Huisduinen en Julianadorp kenmerken zich door de kleinschalige dorpse structuur. Beiden verschillen vooral vanwege de eigen identiteit ingegeven door de ligging (duinlandschap en agrarisch landschap) en de daardoor gegroeide kenmerkende structuur. Het voormalig vissersdorpje Huisduinen vormt een cultuurhistorisch waardevolle dorpskern. De kern is uitgegroeid tot een recreatief duindorp met voornamelijk woningen, horeca- en recreatievoorzieningen. De verharding bestaat in beginsel uit gebakken materiaal. Julianadorp is een relatief jong dorp ontstaan uit een nederzetting in het begin van de 20ste eeuw. Julianadorp groeide langs de kruising van de Langevliet en Schoolweg uit tot een dorp met vooral een functioneel agrarisch karakter. De inrichting van de openbare ruimte sluit aan bij de historische structuur en de identiteit van het dorp. Dat wordt vertaald in gebakken materialen op en rond het Loopuytpark. Vroegstedelijke woongebieden Begin 20ste eeuw ontstonden de eerste ontworpen woonbuurten in Den Helder. Eerst enkele complexen met sociale woningbouw zoals Balistraat en later meer grotere woonbuurten met een duidelijke ontworpen stedenbouwkundige structuur en architectonische samenhang zoals de Indische buurt, Geleerdenbuurt, Tuindorp Vogelbuurt en Oud Den Helder. Oud Den Helder was oorspronkelijk het oude centrum van Den Helder. Door de Wederopbouw is na 1945 een nieuwe stadswijk ontstaan. De woongebieden worden gekenmerkt door rijwoningen in gesloten en halfopen woonblokken, twee-onder-één kap-woningen en op enkele plekken portiekflats van drie of vier lagen. De inrichting is eenvoudig met aandacht voor de groene structuren. Planmatige woongebieden In de periode na de Tweede Wereldoorlog zijn projectmatig grootschalige woonwijken gerealiseerd. Het bebouwingsbeeld is divers en eenvoudig, maar per wijk, buurt of cluster is er architectonische samenhang. De grootste planmatige woonwijken in Den Helder dateren uit 1960 tot 1980, zoals Nieuw-Den Helder en De Schooten. In de opbouw van deze wijken is sprake van een duidelijke open orthogonale verkaveling structuur met centrale wijkvoorzieningen, ruime straten en groenvoorzieningen. Er is een duidelijke functiescheiding aangebracht tussen wonen, werken, winkelen, groen en verkeer. Ook voor de buurten van Julianadorp, Vogelzand, Middelzand en later Wierbalg, Kruiszwin, Doorzwin, Zwanenbalg, Boterzwin en Malzwin, is dit het geval. De inrichting is eenvoudig. Voor het vele groen dient kritisch te worden gekeken naar de gebruikswaarde. Waar die minder aanwezig is wordt gekozen voor een meer natuurlijke, onderhoudsarme inrichting. Voor het beeld is belangrijk dat achter- en zijkantsituaties door groen worden gecamoufleerd. Bedrijven/industrie De bedrijven- en industrieterreinen hebben vooral een grootschalige inrichting en een gedifferentieerd functiepatroon. Het gaat hier om terreinen primair bestemd voor bedrijvigheid (industrie, kantoren en woonboulevards). De uitstraling wordt verkregen door de omvang van het gebied en de grootschalige bebouwing. Een bedrijventerrein heeft vaak een eigen (functionele) identiteit en/of samenhang met veelal een pluriform karakter en inrichting. Groene structuren zijn beperkt aanwezig. Waar zij de kwaliteit van het gebied bepalen worden ze robuust vormgegeven en gerespecteerd. Sport en recreatie terreinen De sport- en recreatieterreinen liggen verspreid door Den Helder. Hiertoe behoren de sportterreinen, de openbare recreatie- en bungalowparken en recreatieve groenstroken. Op de meeste sportterreinen is bebouwing aanwezig in de vorm van clubgebouwen, kantines, kleedlokalen, sporthallen, zwembaden en tribunes. Voor bijna alle sportterreinen geldt dat zij een groen karakter hebben door sportvelden, groenvoorzieningen en buffergroen dat is gebruikt om de complexen in te bedden. Op een openbaar recreatieterrein langs de duinrand in Julianadorp bestaat de bebouwing bestaat voornamelijk uit een grote variatie aan recreatiewoningen en de bijbehorende voorzieningen. De voorzieningen zijn vaak geclusterd op het terrein. Elk park heeft zijn eigen duidelijk afgebakende opbouw en vormgeving. De inrichting is eenvoudig en functioneel. De Stelling De stelling maakt onderdeel uit van het Beschermd Stadsgezicht. Dit is een aaneengesloten structuur, die bestaat uit drie forten onderling verbonden door de liniedijk en grachten, evenals de schootsvelden en de forten Kijkduin en Op de Harssens behoren bij het Beschermd Stadsgezicht. De Stelling, voor zover het de forten en de wallen betreft bezit nog in grote mate dezelfde structuur als uit de eerste bouwperiode. Het cultuurhistorische karakter van de stelling wordt bepaald door de bebouwing, waterstructuren, grondlichamen en schootsvelden die vanuit de forten nog gedeeltelijk aanwezig zijn. De inrichting van de openbare ruimte is passend bij de cultuurhistorische betekenis en bij het recreatief gebruik. Behalve de forten en de linie zijn ook de grachtengordel en de Rijkswerf onderdeel van het Beschermd Stadsgezicht. Voor de grachtengordel wordt zoveel mogelijk aangesloten bij hetgeen hierover in het elementenboek stadshart wordt beschreven. De Rijkswerf staat bij Historische ontwikkellocatie. Algemene begraafplaats De gemeente heeft het gebied in eigendom maar vanuit de geschiedenis zijn sommige graven gekocht door (of voor langere tijd verhuurd aan) een familie. De gemeente heeft het beheer van het gebied, hieronder vallen oevers/ water, openbare verlichting, groen, wegen, riolering, straatmeubilair en civiele kunstwerken. Inrichting en onderhoud doen recht aan de gewenste intimiteit van de plek en aan de cultuurhistorische waarde. Gemengde voorzieningen De Dogger is onderdeel van het gebied Dirksz Admiraal, centraal gelegen ten zuiden van de Stelling Den Helder en tussen de woonwijken Nieuw-Den Helder en De Schooten. De ruimtelijke samenhang van het plangebied wordt in dit gebied gevormd door de openbare ruimte en de specifieke deelgebieden als sportterrein, de bedrijven en de centrale voorzieningen. Aanvankelijk verschenen hier scholen, verpleeginrichtingen en seniorenwoningen, in de jaren daarna zijn er behalve verenigingen via vrijstellingen ook allerlei bedrijven bijgekomen. De inrichting is eenvoudig met aandacht voor groene structuren die in een campusachtige sfeer goed aansluiten op het naburige nollengebied. Historische ontwikkellocatie Willemsoord, het voormalig scheeps- en onderhoudswerf van de Koninklijke Marine maakt onderdeel uit van het cultureel erfgoed en Beschermd Stadsgezicht van Den Helder. Het onderscheidt zich door zijn karakteristieke herkomstwaarde, functionaliteit en inrichtingsgeschiedenis wezenlijk van andere stadsdelen zoals de stadskern, het stationsgebied, de staduitleg en de havens. Willemsoord huisvest een diversiteit aan ondernemers, nautische en culturele instellingen. De inrichting en het onderhoud doen recht aan de cultuurhistorische en maritieme waarde, Belangrijk uitgangspunt is de Cultuurhistorische Waardestelling Rijkswerf Willemsoord door Fons Asselbergs. Landbouwgebied Het landelijk gebied van Den Helder bestaat voor het grootste deel uit de polder Koegras. Door de verkavelde polder lopen enkele belangrijke (landschappelijke) structuren in de vorm van vaarten en wegen. Langs deze routes zijn soms bebouwingslinten ontstaan. De polder heeft een duidelijke gridstructuur met een open agrarisch karakter met veel bollenteelt. Binnen het landbouwgebied wordt alleen openbare ruimte die in beheer is van de gemeente Den Helder opgenomen in de LIOR. Hierdoor behoren grote delen van het deelgebied (de open kamers van het landbouwgebied) niet tot de LIOR, maar zijn de objecten gerelateerd aan wegen (oevers/ water, openbare verlichting, groen, wegen, riolering, straatmeubilair, civiele kunstwerken) wel opgenomen. De inrichting van de openbare ruimte is eenvoudig en robuust en sluit aan op de structuur van het polderlandschap. Natuurgebied Het natuurgebied bestaat uit de zandduinen langs de Noordzee en de Donkere Duinen die tegen Nieuw Den Helder liggen, Balgzand en Nollen. Tussen Callantsoogervaart tot de Donkere Duinen (Noordduinen) is er sprake van een relatief jong duingebied, het duingebied tussen de Donkere Duinen en Huisduinen is ouder. Het duingebied loopt aan de noordzijde over in de Helderse Zeewering. De Nollen ligt ingeklemd tussen de woonwijken De Schooten en Nieuw-Den Helder en wordt door de Doggersvaart gescheiden van het landbouwgebied van de Koegraspolder. Het duingebied en de stranden hebben naast een natuurfunctie vooral ook een recreatief gebruik. Het deelgebied Natuurgebied is een voorbeeld van gedeeld beheer en gedeelde ontwikkelbelangen. Hierbij ligt het eigendom bij Staatsbosbeheer, het beheer bij LNH en de objecten wegen en openbare verlichting bij de gemeente Den Helder. De inrichting en het onderhoud sluiten aan op de natuurwaarden, de cultuurhistorische waarden (bijvoorbeeld resten van de Atlantikwall en kunst in de Nollen) en het recreatief gebruik. Verharding is beperkt en is er vooral ten behoeve van langzaam verkeer en heeft zoveel mogelijk een natuurlijke verschijningsvorm. Niet openbaar gebied binnen gemeentegrens Binnen de gemeentegrenzen is er ook een aantal plekken die niet openbaar toegankelijk zijn. Hier heeft de gemeente dan ook geen bevoegdheden. Wel wordt er met de partijen afgestemd en meegedacht wat betreft inrichting. Het gaat hier om het havengebied van de marine, de volkstuincomplexen en een deel van de vakantieparken. Deze locaties zijn wel opgenomen in de gebiedsindelingkaart omdat ze wel binnen de gemeentegrenzen vallen. Doel is om een passende en robuuste inrichting na te streven. Hoofdroutes Met deze assen worden de verbindingsroutes in de stad, de dorpen en het buitengebied aangeduid of zijn hoofdroutes in de richting van het strand. Deze routes zijn de belangrijkste structuurdragers van Den Helder. Daarom is de openbare- en representatieve waarde ook hoger. De wegen verschillen onderling erg van karakter en profiel. De verbindingsassen bestaan uit; de provinciale weg N250 en (deels) N9/N99, Beatrixstraat – Parallelweg – Kievitsstraat – Schootenweg, Middenweg – Jan Verfailleweg – Zanddijk, Javastraat – Huisduinerweg – Badhuisstraat, Brakkeveldweg – Nieuweweg – Langevliet en Ravelijnweg – Waddenzeestraat. Inrichting en onderhoud geven rekenschap van de belangrijke rol voor het beeld van de stad. Naast verkeerskundige aspecten is een aansprekende en groene inrichting van belang. Waar de hoofdroute door stedelijk gebied gaat zijn de aansluitingen fijnmazig en gebruiksvriendelijk voor langzaam verkeer. 4Technische voorwaarden In dit hoofdstuk worden de technische voorwaarden beschreven. Hieronder volgt een korte omschrijving van de objecten zoals deze zijn onderverdeeld en daaronder in de deelhoofdstukken volgen de eisen. 4.1 Groenvoorzieningen hebben een grote invloed op de leefomgeving in Den Helder. De gemeente streeft dan ook naar een kwalitatief goede groenstructuur waarin bij het ontwerp, de aanleg, beheer en onderhoud een belangrijke rol in spelen. 4.2 Wegen en verhardingen hebben een grote invloed op de leefomgeving, mobiliteit, bereikbaarheid en uitstraling in Den Helder. De gemeente streeft dan ook naar een kwalitatief goede infrastructuur waarin het ontwerp, de aanleg, het beheer en het onderhoud een belangrijke rol in spelen. 4.3 Technische installaties hebben een belangrijke rol als het gaat om verlichting en voorzieningen in de openbare ruimte. De gemeente heeft een hoogwaardige betrokkenheid en eisenpakket voor dit onderdeel waaraan getoetst wordt tijdens de ontwikkeling van deze onderdelen. 4.4 Riolering speelt een belangrijke rol in de inrichting van de openbare ruimte. Zowel bovengronds als ondergronds wordt gestreefd naar een hoogwaardige kwaliteit. Het onderhoud, verbeteren en ontwikkelen van de riolering is dagelijks aan de orde en vormt ten aanzien van klimaat en duurzaamheid een grote uitdaging. 4.5 Straatmeubilair heeft een grote invloed op het gebruik in de openbare ruimte. Uniforme uitstraling en beheer zijn hier in een belangrijke factor. 4.6 Kabels en leidingen dienen nauw afgestemd te zijn in de openbare ruimte. De gemeente heeft een handboek ontwikkeld waarin duidelijk richtlijnen zijn omschreven in bijlage
- 4.7 Sport en spelen dient een belangrijke rol in de inrichting van de openbare ruimte. Het maakt de openbare ruimte uitdagend en dient voor alle doelgroepen. Er wordt gestreefd naar een hoogwaardige kwaliteit. 4.8 Civiele kunstwerken vormen een essentiële schakel in de openbare ruimte en hebben vaak een verbindende functie. 4.9 Water en oevers zijn en belangrijke schakel tussen de openbare ruimte en biodiversiteit van de flora en fauna. 4.1Groenvoorzieningen De LIOR is top-down samengesteld. Dit houdt in dat op hoofdstukniveau eisen en randvoorwaarden worden omgeschreven die gelden voor de onderliggende deelhoofdstukken. De volgende bronnen, richtlijnen en wet- en regelgeving zijn van toepassing. Standaard RAW-bepalingen 2020 Handboek Bomen 2022, Norminstituut bomen (zie Bijlage 2 – Handboek Bomen 2022), of de nieuwste versie van het Handboek Bomen. https://www.norminstituutbomen.nl/instrumenten/handboek-bomen/ Omgevingswet-Gedragscode Soortbescherming Gemeenten Bij het gebruik van de RAW-systematiek voor het opstellen van bestekken is het Handboek bomen ook van toepassing omdat deze meer onderwerpen bevat en meer gedetailleerde informatie over bomen. Hier dienen de ontwerpende en inschrijvende partijen dan ook rekening mee te houden. Zie ook ‘Bijlage 10 - Factsheet groenbeheer’ in de bijlagen. Algemene eisen en randvoorwaarden groenvoorzieningen Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1-1 Groen dient aan te sluiten op bestaande ruimtelijke structuren en groenstructuren in de omgeving. 1-2 Toepassing van materialen dient afgestemd te worden op het kwaliteitsniveau van het gebied. Stadshart en centrum op een beeldkwaliteitsniveau A. In gebieden met beeldkwaliteitsniveau B, aandacht besteden bij de keuze van het materiaal dat en zo hoog mogelijke kwaliteit behaalt binnen het budget en de daarbij behorende onderhoudskosten. 1-3 De toepassing van groenvoorzieningen dient naast de reguliere functies een positieve bijdrage te leveren aan de biodiversiteit, waterberging, luchtkwaliteit, klimaatbestendigheid en ter voorkoming van hittestress. Hierbij rekening houden met de plaatselijke en/of toekomstige situatie. 1-4 Sortimentskeuze dient geschikt te zijn voor lokale bodem, grondwaterstand, klimaat en andere relevantie lokale condities. Er is aandacht voor het kiezen van de passende vegetatie in de huidige of beoogde condities van de context. 1-5 Geen invasieve soorten toepassen. Denk aan de Japanse duizendknoop en reuze berenklauw. Controleer actuele informatie op https://www.invasieve-exoten.info/ 1-6 Geen openbaar groen direct aan particulier terrein ontwerpen. (tenzij er schuttingen worden toegepast) I.v.m. ongewenste ingebruikname van de openbare ruimte. Zorg voor een duidelijke erfgrens, bijvoorbeeld door een schutting of natuurlijke afscheiding. 1-7 Vermijd een al te eenzijdige beplanting. Zorg voor variatie in sortiment, leeftijdsopbouw, structuur. Dit om te voorkomen in geval van kaalslag bij ziekten en plagen. Risicospreiding, identiteit en ecologie. 1-8 Er dient ruimtelijk rekening gehouden te worden bij nieuwe ontwikkelingen voor bomen en groen. Ook rekening houden met inpassing in bestaande situaties. 1-9 Zoutschade door afstromend water van de rijwegen naar groenvakken dient voorkomen te worden. Wegen, riool 1-11 Daar waar achterkanten en zijkanten van percelen grenzen aan openbaar groen dient de beplanting te zorgen voor een groen beeld door beplanting die de perceelgrens camoufleert. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 1-12 Ontwerpen dienen te worden voorzien van een ontwerpvisie. 1-13 Naast een definitieve ontwerptekening/revisietekening dient er een omschrijving en impressie te worden aangeleverd van de het ontworpen resultaat. Indien nodig een gebiedsbeheerplan opstellen. 1-14 De vorm en afmeting van het groenvak en beplantingskeuze dient zo gekozen te worden dat er onderhoud gepleegd kan worden met hedendaags materieel waarbij de bereikbaarheid gegarandeerd is. 1-15 Het ontwerp dient rekening te houden met het behoud van gebiedseigen water. Stedelijk water 1-16 Stem het ontwerp af op het natuurlijke grondwaterpeil. Hou rekening met natuurlijke waterpeilfluctuaties. 1-17 Stem het ontwerp af op waterstromen; van schoon naar vuil. Riool 1-18 Bij voorkeur geen giftige beplanting toepassen. (giftig voor mensen) Geen giftige planten rondom speelplekken Spelen 1-19 Voor verhoging van biodiversiteit, inrichting aanpassen op lijst met doelsoorten. Informatie bij beleidsmedewerker Groen. 1-20 Stem het ontwerp af op de bodemsituatie en samenstelling. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1-21 Beheer en onderhoud moet mogelijk zijn volgens de door de Raad vastgestelde beheerplannen. 1-22 Plantmateriaal moet soortecht zijn en vrij van ziekten conform het `Certificeringsreglement voor Laan- en Sierbomen’ van de NAK-tuinbouw. 1-23 Afgeleverd plantmateriaal dient minimaal van ‘EG kwaliteit’ te zijn, dit dient op de afleverbon vermeld te staan, evenals het aansluitnummer bij NAK-tuinbouw. 1-24 Voor nieuwe aanleg geldt een nazorgperiode van drie jaar. Kosten zijn voor opdrachtgever. 4.1.1Bomen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.1 zijn ook van toepassing. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 1.1-1 Houd rekening met de aanwezigheid van (particuliere) bomen in de bestaande situatie. O.a. bij nieuwe ontwikkelingen. Werken rondom bomen volgens het Handboek bomen. 1.1-2 De levensduur van bomen dient ten minste 60 jaar in redelijke conditie te zijn. Gekoppeld aan de eisen in het Handboek bomen. 1.1-3 Voor bomen langs wegen en fietspaden dient er een integrale afstemming plaats te vinden over de verkeersveiligheid. Wegen 1.1-4 Rekening houden met de locatie en uiteindelijke hoogte van bomen en eventuele zonnepanelen op daken. Er moet genoeg ruimte zijn om bomen toe te passen. 1.1-5 Op locaties waarbij de verkeers- en sociale veiligheid in het geding is, mag de onderbeplanting de onderkant van de boomkroon niet raken. 1.1-6 Beplantingen moeten qua hoogte en groeiwijze passen bij de locatie. Aansluiten op bestaande beplantingen en/of passen in het straatprofiel. Er dient rekening gehouden te worden met de locaties en grootte van de plantvakken. 1.1-7 Kies de juiste aanplantmaat. Bij bomen in stedelijke omgeving is dit bij voorkeur 18-20 cm. Bij bomen op winderige locaties in het buiten gebied kan dit 14-16 cm of 16 – 18 zijn. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 1.1-8 Afwijkingen t.o.v. het Handboek bomen dienen onderbouwd te worden in een ontwerpvisie. Afwijkingen mogen alleen met toestemming van vakgroep groen Team Openbare Ruimte. Zie Bijlage 8 - Bomenposter boomontwerp, Handboek bomen Ontwerpen moeten voorzien zijn van een berekening in de Boommonitor Benodigde groeiplaats berekend op een minimale leeftijd van 60 jaar, ambitieniveau redelijk. 1.1-9 Afstanden tussen objecten en rijwegen dienen uitgevoerd te worden conform het Handboek bomen. Wegen 1.1-10 Arbeidsintensieve vormbomen alleen toepassen op locaties met beeldkwaliteit A, zoals vastgesteld door de Raad. Alleen toepassing in Stadshart en centrum. Zie ook hoofdstuk 4.1.1.1 Bomen in verharding. 1.1-11 De kroon van druipende en vruchtdragende bomen mag geen overlast vormen voor het gebruik en de functies onder de boom. Bijvoorbeeld vruchtval, hars, bladval, etc. Wegen 1.1-12 Langs (rij)wegen dienen bomen te worden toegepast van een grootte waarbij de doorrijhoogte van het maatgevende wegverkeer gewaarborgd blijft en de natuurlijk habitus(vorm) gewaarborgd blijft. Dit om de natuurlijke kroonvorm te houden. Wegen 1.1-13 Boomsoort en onderlinge afstand tussen bomen in laanformatie dient afgestemd te worden op de plaatselijk situatie, eindgrootte en de stabiliteitskluit. 1.1-14 Bomen in een voetpad alleen toepassen als er minimaal 1,5 m beloopbare ruimte overblijft. Wegen 1.1-15 De boomkeuze dient afgestemd te zijn op het (veranderende) klimaat, plagen, ziekten en locatie. 1.1-16 Zoutschade aan bomen dient voorkomen te worden. Wegen 1.1-17 Lichtmasten moeten zich buiten de uiteindelijke kroonprojectie van een boom bevinden. Dit is minimaal de halve kroondiameter, van het eindbeeld. Openbare verlichting 1.1-18 Graafafstanden ten opzichte van bovengrondse en ondergrondse objecten en elementen conform Handboek bomen. Alle objecten 1.1-19 Aanrijdschade dient voorkomen te worden. O.a. bij parkeerplaatsen. 1.1-20 Bomen moeten minimaal 2,0 m uit erfgrenzen worden gezet. 1.1.21 Bomen dienen verankerd te worden met onbehandelde kastanjehouten boompalen en boomband. 1.1-22 Geen bomen op of vlakbij kabels en leidingen plaatsen. Hou rekening met minimale graafafstanden conform Handboek bomen. Kabels en leidingen 1.1-23 Geen bomen van de 1ste en 2de grootte in plantenbakken plaatsen. 1.1-24 Nieuwe bomen dienen voorzien te zijn van een waterdicht systeem om water te geven, die ten minste 70 liter water kan houden. Voorziening 3 jaar in stand houden. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 1.1-25 Doorrijhoogte t.b.v. opkronen van bomen: Ten minste 2,5m t.p.v. voetpaden Ten minste 3,0m t.p.v. fietspaden Ten minste 4,5m t.p.v. rijwegen Wegen 1.1-26 Bij werkzaamheden rond bomen dienen te allen tijde beschermende maatregelen genomen te worden volgens hoofdstuk 2 – ‘Werken rond bomen’ - van het Handboek Bomen. Zie Bijlage 3 – Bomenposter werken rondom bomen, Handboek bomen 1.1-27 Van te handhaven bomen mogen geen wortels verwijderd worden dikker dan 20mm zonder overleg met de opzichter van het werk. Afstemming met Boomadviseur Team Openbare Ruimte. 1.1-28 Blootliggende boomwortels na graafwerkzaamheden zo snel mogelijk bedekken met daarvoor geschikte grond. Ontgraven wortels dienen te worden beschermd tegen uitdrogen, vorst en beschadiging. 1.1-29 Bij het toepassen van bronbemaling dienen beschermende maatregelen getroffen te worden om uitdroging van de wortelkluit de voorkomen. 1.1-30 De natuurlijke habitus (vorm) van bomen dient zo veel mogelijk gehandhaafd te blijven. Met uitzondering van vorm-, laan- en knotbomen. 1.1-31 Verplanten van bomen niet als standaardmaatregel toepassen. Alleen uitvoeren na positieve uitkomst verplantbaarheidsonderzoek volgens Handboek bomen. 1.1-32 Bij te handhaven bomen dient de initiatiefnemer een goedgekeurd werkplan bomen te overleggen. Goedkeuring door Boomadviseur van Team Openbare Ruimte. 1.1-33 Bij bomen dient graven in de wortelzone te worden voorkomen. Indien voor nieuwe kabels een tracé buiten de wortelzone niet mogelijk is, is het Handboek Bomen van toepassing. Werkzaamheden alleen na goedgekeurd werkplan bomen, goedkeuring door Boomadviseur van Team Openbare Ruimte. 1.1-34 Eventuele schade per direct melden aan de betreffende groenopzichter. 4.1.1.1Bomen in verharding Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.1 zijn ook van toepassing. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.1.1-1 Bomen in verharding alleen toepassen als er voldoende ruimte is voor een volwaardige groeiplaatsinrichting onder- en bovengronds. Dit geldt ook bij het vervangen van een boom. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.1.1-2 Uitvoering van ondergrondse groeiplaatsen uitvoeren conform het Handboek Bomen. 1.1.1-3 Niet natuurlijke boomspiegelinvullingen dienen alleen toegepast te worden op representatieve locaties. Alleen toepassing in Stadshart en centrum. Zie ook hoofdstuk 4.1.1.3 Knot- en vormbomen. 4.1.1.2Bomen in gazon Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.1 zijn ook van toepassing. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.1.2-1 Voldoende ruimte rondom de boom houden i.v.m. maaien. 1.1.2-2 Bij het ontwerp uitgaan van vrij uitgroeiende boom. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.1.2-3 Bij voorkeur bomen vrij laten uitgroeien tot de natuurlijke habitus (vorm). Afhankelijk van de ruimte. 4.1.1.3Knot- en vormbomen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.1 zijn ook van toepassing. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.1.3-1 Vormbomen alleen toepassen op representatieve locaties. Bijvoorbeeld Stadshard en centrumgebieden. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.1.3-2 Bij knotbomen langs watergangen rekening houden met onderhoud langs waterkanten. Er dient een schouwpad aanwezig te zijn van ca. 5,0 m en de knotbomen dienen 6 meter uit elkaar te staan. 4.1.2Heesterbeplanting Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.1 zijn ook van toepassing. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.2-1 Voorkom onnodige verharding, willekeurig snippergroen en stem grootte van plantvakken af op gewenste beplanting en functie Groen de ruimte geven die nodig is om vitaal en beheersbaar te zijn . 1.2-2 Heesterbeplanting in bloembakken alleen in gebieden toepassen met een A beeldkwaliteitsniveau, of bij onderhoud door bewoners. Centrum, Stadshart en dorpskern, bij bewonersparticipatie. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 1.2-3 Voorkom overkoken van beplanting door een goede sortimentskeuze en een juiste plantafstand en/of gebruik van een berm naast verhardingen. 1.2-4 Stem sortimentskeuze af op gewenste/vereiste uit-, over- en doorzicht. Verkeersveiligheid, sociale veiligheid e.d. Verkeer 1.2-5 Beplanting direct grenzend aan een voet- en fietspaden niet hoger dan 1,2 m. Vanwege sociale- en verkeersveiligheid. Uitzondering hierop zijn parken en bos. 1.2-6 Pas vruchtdragende heesters alleen toe op daarvoor geschikte locatie. Houd rekening met overlast (parkeren, uitglijden, schade, inloop in woningen e.d.). 1.2-7 Heesterbeplanting minimaal 0,5x de plantafstand uit de rand van de verharding, ten minste 0,50 m. 1.2-8 Indien beplanting hoger dan 1,50 m is, dan dient de eerste plantrij minimaal de uiteindelijke hoogte vermeerderd met de halve plantafstand uit de rand van de weg te zijn. In dergelijke gevallen langs de weg bij voorkeur eerst een (obstakelvrije) strook gras van minimaal 3,00 m breed. 1.2-9 Vakken voor heesters en bodembedekkers minimaal 3 m x 3 m. Voorkom snippergroen door verharding en groen op elkaar af te stemmen. 1.2-10 Boomspiegels met onderbeplanting dienen minimaal 2 m x 2 m te zijn. 1.2-11 Geen plantvakken met scherpe hoeken. Afgeronde hoeken, meer dan 90 graden of andere materialen gebruiken. 1.2-12 Aantal heesters is minimaal 5 per m2 plantvak Zo sluit de beplanting snel en is het eindbeeld sneller bereikt. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.2-12 Levensduur voor heesterbeplanting dient ten minste 15 jaar te zijn. 1.2-13 Uitgangspunten 4.1.1 bomen zijn ook voor heesters van toepassing. 4.1.2.1Hagen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.2 zijn ook van toepassing. Onder een haag wordt verstaan een geschoren haag. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.2.1-1 De zijkant van een haag moet zich op zijn maximale breedte 0,80 m uit de rand van het plantvak bevinden. 1.2.1-2 Een haag dient maximaal 3,0 m breed en 2,0 m hoog te zijn. I.v.m. arbeidsomstandigheden 1.2.1-3 Een haag dient aan alle zijden bereikbaar te zijn voor onderhoud. 4.1.2.2Bosplantsoen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.2 zijn ook van toepassing. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.2.2-1 Windsingels en vakken voor bosplantsoen dienen minimaal 10,0 m breed te zijn. 1.2.2-2 Beplantingskeuze afstemmen op functie van windsingel en ruimte houden voor zoombeplanting. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.2.2-3 Wortelschade dient voorkom te worden bij het plantklaar maken rondom bestaande bomen. 1.2.2-4 Waar nodig dient de grond aangevuld te worden en dient er een grondverbetering en startbemesting te worden aangebracht. 1.2.2-5 Plantwerkzaamheden: ⦁ Aanplant bosplantsoen 30% boomvormers en 70% struikvormers volgens plantlijsten ⦁ Inheemse soorten volgens plantlijsten (beheersplan en lijst Wijkbeheer) ⦁ Plantmaat boomvormers spil 100-125 plantmaat struikvormers 80-100 ⦁ Boomvormers niet in de voorste rijen planten, maar in de middelste rijen ⦁ Eerste plantrij vanuit de rand 2.5 meter ⦁ Struikvormers in de rij en tussen de rij 2 meter afstand ⦁ Blijvende boomvormers in de rij minimaal 6 meter uit elkaar ⦁ Struikvormers voor het planten top snoei en wortel snoei. 4.1.3Grassen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.1 zijn ook van toepassing. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.3-1 De samenstelling van gras –en bermmengsels dient afgestemd te worden op de lokale groeiomstandigheden, functie en gebruik. Afhankelijk van grondwaterstand en grondsamenstelling (zand/klei). 1.3-2 Houd rekening met nevenfuncties (recreatief medegebruik). Pas de samenstelling hier op aan. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.3-3 Bij het ontwerp zo min mogelijk obstakels in de bermen situeren. Bomen in bermen kunnen worden toegepast. 1.3-4 Grasstroken langs doorgaande wegen dienen een obstakelvrije ruimte te hebben van minimaal 3,0 m breed. 1.3-5 Grasstroken dienen bij voorkeur een breedte te hebben van minimaal 3,0 m breed. I.v.m. maaien. 1.3-6 Grastaluds 1:4 of flauwer. Niet steiler i.v.m. toegankelijkheid van maaimachines. 1.3-7 Gras in een hoge opsluiting (betonband/muur/etc.) moet toegankelijk zijn voor maaimachines. 1.3.8 Voor het inzaaien dient de ondergrond geheel vrij te zijn van puin en andere voorwerpen die niet in de ondergrond thuis horen. 4.1.3.1Gazon Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.3 zijn ook van toepassing. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.3.1-1 Gazon heeft de functies spelen, sport en recreatie, honden uitlaten, ruimtelijke functie en bereikbaarheid. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.3.1-2 Bij het toepassen van aangevoerde grond die wordt toegepast voor siergazon dient de grond minimaal een humusgehalte hebben van 3%. 4.1.3.2Ruw gras Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.3 zijn ook van toepassing. Onder ruw gras wordt gras verstaan dat 6-7x/jaar gemaaid wordt en waarvan het maaisel blijft liggen. Hierdoor ontstaat een minder soortenrijke vegetatie dan bij hooibermen, maar een soortenrijkere vegetatie dan bij siergazon. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.3.2-1 Ruw gras is toe te passen in bermen, taluds, grotere groengebieden en terreinen met een ecologische en/of ecologisch verbindende functie. Voor (tijdelijk) braakliggende terreinen is de toepassing eveneens geschikt. En als zoomvegetaties langs bosplantsoen. 1.3.2-2 Het beeld is ruig en minder verzorgd. 1.3.2-3 Ruw gras zo min mogelijk toepassen. Beheerobject voegt nauwelijks iets toe aan de omgeving, biodiversiteit etc. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.3.2-4 Ruw gras is een mengsel van grasachtigen met verschillende soorten kruiden. Onder ruw gras wordt dus niet verstaan productiegraslanden en gazons. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.3.2-5 Ruw gras wordt minder frequent gemaaid/onderhouden. Gemiddeld 6-7x/jaar. 1.3.2-6 Ruw gras wordt niet afgevoerd. Klepelen. 4.1.3.3Bloemenweides/hooibermen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.3 zijn ook van toepassing. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.3.3-1 De hooiberm heeft de functies ecologisch en recreatief. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.3.3-2 Alleen ontwerpen in grote aaneengesloten oppervlakten. Bij voorkeur >1000m² en aansluiten op al bestaande hooibermen. Vlakken langs voet- en fietspaden minimaal 4 meter breed. I.v.m. onderhoud volgens siergazon aan de randen. 1.3.3-3 Niet toepassen op locaties waarbij het negatieve gevolgen heeft voor de woonomgeving. I.v.m. zaadverstuiving en verwachtingen uit de buurt. 1.3.3-4 Het zaadmengsel moet geschikt zijn voor grazige vegetatie. Meerjarig bloemrijk grasland. Dus geen akkervegetatie. Zaadmengel afstemmen op ondergrond Bodemonderzoek doen voorafgaand aan samenstelling zaden 1.3.3-5 Bij het creëren en het herinrichten van natuur dient bij voorkeur afgerooid hooi uit de directe omgeving te worden gebruikt. 1.3.3-6 Bij aangevoerde grond die wordt toegepast voor een bloemenweide en voor hooibermen dient de grond een minimaal humusgehalte hebben van 1% tot 3%. 1.3.3-7 Aangevoerde grond dient puinvrij te zijn. 1.3.3-8 Niet toepassen grenzend aan elementverharding Beplanting zaait uit in voegen, zorgt voor extra onderhoud wegen (vegen/borstelen) Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.3.3-9 Afhankelijk van de plaatselijke situatie en groeiomstandigheden dient het beheer gericht te zijn op verschraling waardoor een evenwichtige samenstelling van gebiedseigen kruiden en grasachtigen ontstaat. 1.3.3-10 Beheeringrepen zijn noodzakelijk om het toegankelijk te houden. 1.3.3-11 Gefaseerd maaibeheer uitvoeren. 1.3.3-12 Tussen het maaien en rapen dient maximaal 2 weken te zitten. 1.3.3-13 Bij het maaien en rapen dient de ondergrond voldoende droog te zijn. Er mag geen schade ontstaan aan de ondergrond. 1.3.3-14 Randen hooibermen langs wegen en paden dienen als siergazon gemaaid te worden (1-2 meter breed) Dit om een verzorgd beeld te geven en overhangen op wegen en paden te voorkomen. Iets dergelijks geldt ook bij kruisingen en oversteken om goed zicht op het verkeer te houden. 4.1.4Kruidachtige beplanting Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.1 zijn ook van toepassing. 4.1.4.1Eenjarigen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.4 zijn ook van toepassing. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.4.1-1 Alleen op representatieve locaties toepassen. Centrumgebieden, monumenten, begraafplaats e.d. 1.4.1-2 Geen rode en witte hoofdkleuren samen toepassen bij oorlogsmonumenten. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.4.1-3 Eenjarigen dienen een lange bloeitijd te hebben. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.4.1-4 Regelmatig water geven. 4.1.4.2Vaste planten Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.4 zijn ook van toepassing. Vaste beplanting betreft beplanting die volgens een concept wordt toegepast. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.4.2-1 Het kleurgebruik dient afgestemd te zijn op de locatie en dient vooraf afgestemd te zijn met Team Openbare Ruimte. Bij oorlogsmonumenten geen hoofdkleuren rood en wit samen toepassen. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.4.2-2 De uitvoering vaste planten moet volgens een vast beplantingsconcept. Juiste plant op de juiste plaats Zorgvuldige grondvoorbereiding aansluitend op de keuze van de beplanting Gebruik van zware kwaliteit planten (P11) Onderhoud door afmaaien van de beplanting Green to color Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.4.2-3 De beplanting moet extensief beheerd kunnen worden. 1 x maaien in het voorjaar. 1.4.2-4 Er dient een garantie te zijn op het toegepaste concept. D.m.v. referentieprojecten. 4.1.4.3Natuurlijke vegetaties Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.4 zijn ook van toepassing. Onder natuurlijke vegetaties vallen ruige kruidachtige zoomen, bos- en struweelranden. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.4.3-1 Toepassen van overgang nat naar droog en van hoog naar laag. 1.4.3-2 Overgang van grasachtige, kruidachtige vegetaties naar houtachtige vegetaties. 1.4.3-3 De beplanting moet ecologisch waardevol zijn. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.4.3-4 Houd rekening met voldoende omvang en maat. De zoom moet minimaal 5 meter breed zijn. 1.4.3-5 Toepassen bij gebieden waar ruimte is voor natuurlijke ontwikkeling. 4.1.4.4Bloembollen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.4 zijn ook van toepassing. Onder bloembollen vallen bollen die langer dan een jaar meegaan en permanent in de grond aanwezig zijn. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.4.4-1 Bij voorkeur op zichtlocaties toepassen. 1.4.4-2 In grote groepen toepassen. Geen kleine oppervlaktes her en der aanbrengen. Wel mogelijk bij bewonersinitiatief en/of –participatie. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.4.4-3 Alleen ecologische of biologische bollen toepassen. Keurmerk vereist. 1.4.4-4 Bij toepassing in gras vroegbloeiende soorten gebruiken I.v.m. eerste maaibeurt begin juni. 1.4.4-5 Bij toepassing in vaste planten laatbloeiende soorten gebruiken I.v.m. eerste maaibeurt in maart. 1.4.4-6 Er dienen soorten te worden gebruikt die voor insecten goed zijn. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.4.4-7 Bij aanplanten rekening houden met 3,0 m ruimte rondom de groep bollen. 4.1.5Water- en oeverbeplanting Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.1 zijn ook van toepassing. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 1.5-1 Langs de watergang dienen geen, of in ieder geval zo min mogelijk, objecten te worden geplaatst die het beheer en onderhoud van de oever belemmeren. Bomen, heesters, OV, straatmeubilair 1.5-2 Er dient aandacht te worden besteed aan de landschappelijke waarde en kwaliteit, de ecologische verbinding tussen land en water en de vergroting van de biodiversiteit. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.5-3 Naast de watergang is een schouwpad vereist van ten minste 5,0 m breed. Dit in verband met de werkbreedte van de onderhoudsvoertuigen. 1.5-4 Grond die aangevoerd of afgevoerd dient te worden t.b.v. oever dient vrij te zijn van invasieve soorten. 1.5-5 Aangevoerde grond dient maximaal 2% humus te bevatten. 1.5-6 Aangevoerde grond dient puinvrij te zijn. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.5-7 Zie uitgangspunten 4.1.3.3 Bloemenweides/hooibermen. 1.5-8 Gefaseerd maaibeheer toepassen 4.1.5.1Riet Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.5 zijn ook van toepassing. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.5.1-1 Rekening dient gehouden te worden met doorzicht en zichtpunten van en naar het water. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.5.1-2 Natuurlijke ontwikkeling heeft de voorkeur boven aanplanten. 1.5.1-3 Riet alleen planten als het nodig is voor de oeverbescherming. Locaties met steile oevers en hoeken om erosie tegen te gaan. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.5.1-4 Riet alleen onderhouden t.p.v. het talud. T.p.v. het water is dit van het HHNK. 1.5.1-5 De oever moet bereikbaar zijn voor onderhoud vanaf het land. D.m.v. een schouwpad. 4.1.5.2Oevervegetatie Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.1 en 4.1.5 zijn ook van toepassing. Oevervegetatie betreft de vegetatie vanaf de waterlijn tot aan de bovenkant van het talud. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.5.2-1 Oevervegetatie alleen toepassen als er daarvoor een goede oever aanwezig is. Eventueel in combinatie met het aanpassen van de oever. Hoe flauwer hoe meer verschillende soorten toepassen. 1.5.2-2 Natuurvriendelijke oevers alleen maken als er voldoende ruimte is voor flauwe taluds (1:4 of flauwer). 1.5.2-3 Natuurvriendelijke oevers zo veel mogelijk georiënteerd richting het zuiden aanleggen. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.5.2-4 Natuurlijke ontwikkeling van vegetatie heeft de voorkeur boven aanplanten of inzaaien. 1.5.2-5 Bij inzaaien alleen gebiedseigen zaad toepassen. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 1.5.2-6 Zie uitgangspunten hoofdstuk 4.1.3.3 Bloemenweides/hooibermen. 4.2Wegen en verhardingen De LIOR is top-down samengesteld. Dit houdt in dat op hoofdstukniveau eisen en randvoorwaarden worden omgeschreven die gelden voor de onderliggende deelhoofdstukken (zie ook Bijlage 4 Elementenboek Openbare Ruimte Stadshart 2010 en bijlage 9 Elementenboek OR Willemsoord). De volgende bronnen, richtlijnen en wet- en regelgeving zijn van toepassing. Standaard RAW-bepalingen 2020 Vigerende ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom) Handboek wegontwerp CROW-publicatie 164d CROW-publicaties: Zie de deelhoofdstukken voor de specifieke publicaties Algemene eisen en randvoorwaarden wegen en verhardingen Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2-1 Materialisatie (nieuwe projecten) dient afgestemd te worden op het gebruik en de locatie in de gemeente Den Helder. Ontwerp dient vooraf met de wegbeheerder doorgenomen te worden ivm afstemming van de materialen 2-2 Kleuren verharding, formaten, materialen en verbanden afstemmen met beheer Voor elementenboek stadshart zie bijlage 4 en voor Willemsoord bijlage 9 2-3 Bij het vervangen van verhardingen (inbreilocaties) dienen de nieuwe materialen te zijn afgestemd op de aansluitende dan wel toekomstig wenselijke situatie. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 2-4 Verhardingen dienen klimaat adaptief ontworpen te worden. Afwatering bij voorkeur niet via kolken maar via oppervlakte, waterdoorlatende verharding etc. 2-5 In het ontwerp dient rekening gehouden te worden met hoogtes van bestaande percelen. Ontwerp toetsen door de gemeente Den Helder. Aansluitingen op bestaande tuinen en inritteninmeten en verwerken op de tekeningen(wateroverlast, ontoegankelijke putten etc). 2-6 Spoorvorming en / of scheurvorming dient voorkomen te worden. Juiste afstemming van de verkeersklasse-fundering –materiaal. Dit is niet alleen een technische eis, maar ook van belang voor verkeersveiligheid en onderhoudskosten op langere termijn. 2-7 Het dimensioneren van asfalt- en elementenverhardingen dient onderbouwd te worden door middel van een verhardingsberekening. De berekening dient te worden overlegd en goedgekeurd bij de wegbeheerder. 2-8 Toegangen tot particuliere terrein dienen te allen tijde gewaarborgd te zijn. Geldt ook tijdens de uitvoeringsfase. Tijdelijke voorzieningen (zoals loopschotten of rijplaten) dienen onderdeel te zijn van het uitvoeringsplan. Levensduureisen 2-9 Nieuwe verhardingen dienen een ontwerplevensduur te hebben van ten minste 25 jaar. Asfalt, beton en elementenverhardingen. 2-10 De onderbouw (zandbed + fundering) van nieuwe verhardingen dient een ontwerplevensduur te hebben van ten minste 60 jaar. Draagt bij aan duurzaam beheer en minimaliseert de noodzaak voor ingrijpende reconstructies. 2-11 De minimale ontwerplevensduur van geluidsarme deklagen dient 10 jaar te bedragen. Geluidsreductie is o.a. belangrijk voor leefbaarheid in woonwijken. 2-12 De minimale ontwerplevensduur van de asfaltdeklaag dient 15 jaar te bedragen. Sluit aan bij standaard onderhoudscycli en is gebaseerd op een gemiddelde belasting en gebruiksintensiteit. Ontwerprichtlijnen 2-13 De bovengrondse infrastructuur dient te voldoen aan de vigerende ontwerprichtlijnen van de ASVV (conform de gewenste maatvoering) indien niet anders aangegeven. Afwijkingen van de ASVV zijn alleen toegestaan met onderbouwing en goedkeuring van de gemeente. Afwatering 2-14 Er dienen afwateringskolken met achteraansluiting te worden toegepast die passen bij de toegepaste kantopsluiting. Voorkomt verstoppingen en zorgt voor een robuuste aansluiting op het rioolstelsel. 2-15 De ontwatering en de afwatering van verhardingen moet zeker gesteld zijn door voorzieningen op gemeentelijk terrein. Voorkomen dat waterafvoer afhankelijk is van particulier terrein. 2-16 De volgende afschotten dienen aangehouden te worden: Trottoirs/betontegels 1:50 Asfalt- en elementenverhardingen 1:40 a 1:60 Bermen naast verharding 1:20 (indien niet anders aangegeven) Voor een goede afwatering en het voorkomen van waterplassen. Materiaaleisen 2-17 Kleurvaste materialen toepassen. Draagt bij aan esthetiek en voorkomt ongelijkheid in uitstraling door verkleuring. 2-18 Alle te leveren materialen dienen te zijn voorzien van een KOMO certificaat. Garandeert kwaliteit en betrouwbaarheid van materialen. Dient ook controleerbaar te zijn bij oplevering. 2-19 Eisen met betrekken tot bouwstoffen en uitvoering dienen te zijn uitgevoerd conform de huidige geldende Standaard RAW bepalingen Zorgt voor uniformiteit in uitvoering en voorkomt interpretatieverschillen. 2-20 Kabels en leidingen dienen altijd bereikbaar te zijn en te zijn afgestemd met de nutsbedrijven. > Opneembare verharding: ivm tijdelijke verwijderen verwijdering verharding en zonder schade terug te plaatsen. > Mantelbuizen voor alle kabels en leidingen ter voorkoming van schade aan bestaande infra. Kabels en leidingen Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 2-21 Schade aan verhardingen door boomwortels dient voorkomen te worden. Wortelwerende constructies, voldoende afstand tot bomen, etc. Belangrijk voor levensduur van de boom en verharding en de veiligheid van gebruikers. Groen 2-22 De afstand tussen (bestaande) bomen en zijkant van verhardingsconstructies dient te voldoen aan het handboek bomen. Dit voorkomt wortelopdruk en schade aan verharding. Afwijkingen op deze afstand dienen te worden afgestemd met een groendeskundige van de gemeente. Groen 2-23 Kieren groter dan 3mm tussen elementen van kantopsluitingen en andere objecten zoals kolken en inritblokken zijn niet toegestaan. Voorkomen van onkruidgroei, wegspoelen van zand en visuele vervuiling. 2-24 Onderhoud met hedendaags gebruikelijk materieel moet mogelijk zijn. Verkeersbelasting van lichte onderhoudsvoertuigen tot 10 ton 2-25 Aangebracht asfalt dient te zijn voorzien van een CE keuring. 2-26 Toegangen tot particuliere terreinen dienen te allen tijde bereikbaar te zijn. Geldt zowel tijdens als na uitvoering. Afwijkingen moeten schriftelijk worden vastgelegd met particuliere eigenaar tenzij anders is afgesproken. Afwijkingen schriftelijk vastleggen. 2-27 Alle elementenverhardingen trillen en invegen met brekerzand 0/2mm Voorkomt verzakking en zorgt voor stabiliteit. 2-28 Bereikbaarheid t.b.v. dienstverlening en hulpdiensten dient te allen tijde gewaarborgd te zijn. Bochtstralen en rijroutes moeten geschikt zijn voor vuilniswagens, brandweer en ambulance. Bochtstralen dienen beoordeeld te worden door de gemeente 2-29 Afwateringskolken dienen te allen tijde bereikbaar te zijn t.b.v. onderhoudswerkzaamheden en waterbeheer. Kolken mogen niet worden geblokkeerd door obstakels of beplanting. 4.2.1Wegmarkering en bebording Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.2 zijn ook van toepassing. Naast wegen en verhardingen zijn wegmarkeringen en bebording ook van groot belang voor het verkeerskundige ontwerp van alle onderdelen. Buiten de in hoofdstuk 4.2 genoemde bronnen, richtlijnen en wet- en regelgeving is van toepassing: CROW-publicatie 207, Richtlijnen voor de bebakening en markering van wegen 2015 Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.1-1 Verkeerskundige maatregelen (zoals bijvoorbeeld snelheidsremmende voorzieningen, bebording, markeringen en inrichting van kruispunten) dienen te zijn beoordeeld en goedgekeurd door verkeersdeskundigen van de gemeente. Vooraf dient afstemming plaats te vinden. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.1-2 Markeringen dienen te zijn ontworpen aangebracht conform CROW publicatie
- 2.1-3 Ontwerp van markeringen dient afgestemd te zijn met het bebordingsontwerp. 2.1-4 Markering dient om verkeersgeleiders en verkeersdruppels heen te lopen. Plaatsing 0,10 m uit de kantopsluiting. Dit is afwijkend van CROW 207 en zorgt voor visuele duidelijkheid en onderhoudsgemak 2.1-5 Markeringen op een gesloten verhardingen dienen te zijn uitgevoerd in thermoplastisch materiaal. Duurzaam, slijtvast en goed zichtbaar. 2.1-6 Markering moet ten minste reflectieklasse 2 hebben. Klasse 2 is standaard voor stedelijk gebied. 2.1-7 Markeringen in elementenverhardingen uitvoeren met verkeerstegels en stenen. T.p.v. fietspaden kleine verkeerstegels toepassen, max 30x30 cm (beter verwerkbaar en visueel beter passend bij fietspaden). 2.1-8 Op elementenverharding geen markering spuiten ivm slijtage, maar markering als element instraten. Bijvoorbeeld bij haaientanden. 2.1-9 Bij scholen in 30 km/u zones wordt ‘SCHOOLZONE’ op het wegdek aangebracht. Dit kan worden gedaan met thermoplast als het gaat om een tijdelijke markering. Anders instraten in elementenverharding. 2.1-10 Parkeerplaatsaanduiding van gehandicaptenparkeerplaats op kenteken dient met verf te worden aangebracht. Vanwege de tijdelijke aard 2.1-11 Informele belijning dient zoveel mogelijk te voorkomen te worden. Informele belijning leidt tot verwarring. Voorbeeld zijn kruisen voor uitritten. Als de situatie bij een uitrit onduidelijk is, wordt zoveel mogelijk een kruis ingestraat of de weg aangepast. 2.1-12 Langsparkeren wordt zonder vak-aanduiding ingericht. Bij haaks of schuin parkeren wordt dit wel toegepast. Langsparkeren zonder vakken geeft flexibiliteit. Afstemming tijdens ontwerpfase of vakmarkering noodzakelijk is. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.1-13 Markering niet aanbrengen op langsnaden van asfaltverhardingen. Markering aanbrengen op asfalt en niet op langsnaden. Markering op naden laat sneller los en is minder goed zichtbaar. Bij toepassing van rode fietsstroken moet de markering op het zwarte asfalt worden. 4.2.2Voetpaden Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2 en 4.2.1 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.2-1 Bij het vervangen van verhardingen dienen de nieuwe materialen te zijn afgestemd op de aansluitende dan wel toekomstig wenselijke situatie. Voorkomt visuele versnippering. Afstemming met de gemeente. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 2.2-2 Afwatering niet naar privéterrein. Ter voorkoming van wateroverlast en mogelijk juridische aansprakelijkheid. 2.2-3 De hoogte van de kantopsluiting mag de afwatering niet blokkeren. Rekening houden met de kadastrale grens tussen particulier en gemeentelijk terrein. 2.2-4 Stem de breedte van de voetpaden en trottoirs af op de verwachte functie, gebruik en intensiteit Breedte afgestemd op verwachte gebruik, zoals looproutes naar scholen, winkelgebieden of OV-haltes. Verkeersintensiteit dient te worden afgestemd met de verkeerskundige van de gemeente Groen, kabels en leidingen, OV 2.2-5 Voetpaden trottoirs van elementenverhardingen moeten voorzien zijn van een kantopsluiting. Voorkomen van uitspoeling en zorgen voor stabiliteit van de verharding. 2.2-6 Bij obstakels in het trottoir en voetpad (bomen, lichtmast etc) dient de breedte ten minste 0,90m te zijn voor o.a rolstoelgebruikers en kinderwagens Conform Handboek Toegankelijkheid en essentieel voor rolstoelgebruikers en kinderwagens. 2.2-7 Tussen fietspad en trottoir dient een rijwielpadband te worden toegepast. Visuele en fysieke scheiding tussen fietspad en trottoir. 2.2-8 Trottoirs en voetpaden dienen minimaal 1,8 m te zijn. Comfortabel gebruik door meerdere voetgangers, rolstoelen en kinderwagens. Vermijd onnodig smalle ontwerpen. 2.2-9 Er dient rekening gehouden te worden met bestaande luchtroosters langs gevels van bebouwing. Ventilatie niet belemmeren en schade aan gebouwen voorkomen. Materialisatie 2.2-10 Voetpaden en trottoirs van elementenverhardingen uitvoeren met betontegels 300x300x45mm, kleur middengrijs (geen lichtgrijs!). In bijzondere situaties zoals het centrum kunnen afwijkende materialen worden toegepast in overleg met de gemeente. 2.2-11 Voetpaden van half verharding dienen goed verdicht en onkruidwerend uitgevoerd te worden. Om stabiliteit en toegankelijkheid te waarborgen. 2.2-12 Kantopsluiting van beton en met minimale afmeting 10x20x100 cm Dit biedt voldoende massa en stabiliteit om verhardingen op hun plaats te houden en uitspoeling te voorkomen. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.2-13 Het aantal knipnaden dient geminimaliseerd te zijn ivm esthetiek en versnelde slijtage. Bij het verwerken van elementenverharding dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van hele elementen. Indien knippen noodzakelijk is, dient dit nat te gebeuren om stofvorming en schade te beperken. 2.2-14 Direct naast de kantopsluiting die grenst aan de rijbaan en parkeerstrook geen halve elementen toepassen. Langs kantopsluitingen alleen hele tegels gebruiken ivm nette afwerking en stabiliteit. In bochten mogen tegels worden gezaagd, mits dit leidt tot minimale naden en een visueel strak resultaat. 2.2-15 Bij obstakels zoals lichtmasten, verkeersborden en straatmeubilair moeten openingen in de verharding worden afgedicht met koud asfalt of ander passend materiaal, afgestemd op het type verharding. Voorkomen van onkruidgroei, waterinfiltratie en schade. 2.2-16 Bij het aanbrengen van halfverhardingen rekening houden met nazorg Rekening houden extra afwerken/egalisatie en controle op verdichting. 4.2.3Fietspaden Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2 en 4.2.1 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.3-1 Aanliggende binnenstedelijke fietspaden dienen een rode kleur te hebben. Uitvoering in AC11 Surf. Mengseleigenschap: DL-C. Zwarte bitumen. Tilrode steenslag. 4% kleurstof ijzeroxide pigment. 2.3-2 Vrij liggende fietspaden van asfalt uitvoeren in de kleur zwart. Zwarte asfaltkleur zorgt voor visuele rust en duidelijke scheiding van andere wegfuncties. Alleen afwijken indien expliciet aangegeven. 2.3-3 Fietsoversteken met fietsers in de voorrang dienen uitgevoerd te worden in een rode kleur. Bij asfaltwegen uitvoeren in asfalt Uitvoering in AC11 Surf. Mengseleigenschap: DL-C. Zwarte bitumen. Tilrode steenslag. 4% kleurstof ijzeroxide pigment. Asfaltcoating alleen toepassen in overleg met wegbeheerder van gemeente. 2.3-4 Bij fietsoversteken in twee richtingen wordt zowel as-markering toegepast als pijlen op oversteek. Markering toepassen conform de vigerende ASVV. 2.3-5 Fietspaden die een relatie hebben met natuurgebieden dienen een deklaag van schelpen te hebben. Alleen gewassen en gebroken schelpen toepassen, zonder steenachtige materialen. Aanbrengen in een laag van bitumenemulsie ivm stabiliteit en natuurlijke uitstraling. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.3-5 Vrij liggende fietspaden in twee richtingen met een verbindende doorgaande functie dienen ten minste 3,5m breed te zijn. Afwijkingen dienen onderbouwd te worden op basis van ruimtelijke beperkingen of verkeerskundige afwegingen. 2.3-6 Fietspaden in één richting dienen ten minste 2,5 m te zijn. Minimale breedte is noodzakelijk voor veilig en comfortabel gebruik. Afwijkingen alleen toegestaan met onderbouwing. 2.3-7 Fietspaden van elementenverharding dienen uitgevoerd te worden met dubbelklinkers, dikte 0,08 m kleur Tilrood met slijtvaste deklaag. Dubbelklinkers toepassen op plaatsen waar ondergrondse infra onder het fietspad ligt. Dubbelklinkers zijn geschikt op locaties met ondergrondse infrastructuur. 2.3-8 Fietspaden van asfalt dienen ten minste uit 2 lagen asfalt te bestaan; onderlaag en deklaag. Bij fietspaden waar ook brandweervoertuigen rijden, dient de constructie afgestemd te worden op de belasting. Afstemming met wegbeheerder en verkeerskundige van de gemeente. 2.3-9 Bij het berekenen van de verhardingsconstructie dient rekening gehouden te worden met de verkeersbelasting van lichte onderhoudsvoertuigen tot 10 ton. Voorkomt schade aan de verharding. 2.3-10 Aanliggende fietspaden die in twee richtingen worden bereden dienen te worden voorzien van een as-markering. 2.3-11 Bij langsparkeervakken langs een fietspad dient rekening gehouden te worden met een uitstapstrook van 40 cm diep. Uitstapstrook voorkomt conflicten tussen uitstappende automobilisten en fietsers. Uitvoering met tegel 40×60 cm of passend bij de omgeving. Fietsstroken 2.3-12 Er dient een duidelijke afweging gemaakt worden bij het toepassen van fietsstroken. Afweging op basis van verkeersveiligheid, beschikbare ruimte en ruimtelijke inpassing. 2.3-13 De fundering van de fietsstrook dient gelijk te zijn aan die van de aangrenzende rijbaan. Voorkomt hoogteverschillen en schade aan de verharding door ongelijke belasting. 2.3-14 De breedte van de fietsstrook dient ten minste 1,75 m te zijn. Minimale breedte is noodzakelijk voor veilig gebruik door fietsers, ook bij inhalen. 2.3-15 Afscheiding van het overige verkeer door middel van een doorgetrokken of 1-1 markeringslijn in thermoplastisch materiaal breedte 0,10 m. Markering aanbrengen op het zwarte asfalt van de rijbaan. 2.3-16 Fietsstroken dienen te worden voorzien van fietssymbolen. Fietssuggestiestroken niet. Fietssymbolen toepassen volgens de vigerende ASVV. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.3-17 Randschade dient voorkomen te worden. Vooral relevant bij fietspaden langs watergangen of bermen. Goede kantopsluiting, voldoende afstand tot kwetsbare randen en juiste fundering voorkomt schade. 2.3-18 Daar waar een rode fietsstrook doorloopt over de doorgaande rijbaan dient het asfalt (rood en zwart) warm tegen warm te zijn aangebracht. Dit voorkomt naden en hechtingsproblemen tussen verschillende asfaltkleuren. Uitvoering conform de Standaard RAW Bepalingen is vereist. 4.2.4Rijwegen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2 en 4.2.1 zijn ook van toepassing. 4.2.4.1Erf Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.4 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.1-1 Ontwerp betreft meestal maatwerk. Afstemming met gemeente. 2.4.1-2 Verblijfsfunctie staat centraal. Ontwerpen op stapvoets rijden. Doorgaande verkeersfunctie is niet gewenst. In verblijfsgebieden ligt de nadruk op comfort, veiligheid en sociale interactie. Ontwerpen moeten gericht zijn op stapvoets rijden en het ontmoedigen van doorgaand verkeer. Dit betekent dat de inrichting uitnodigt tot langzaam rijden (bv visuele versmallingen, materiaalkeuze en inrichtingselementen zoals groen, zitplekken). Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.1-3 Parkeerplaatsen aanduiden met een ‘P-tegel’. Duidelijke herkenbaarheid van parkeervakken zonder extra bebording. 2.4.1-4 Geen hoogteverschillen voor gebruikersgroepen d.m.v. trottoirbanden. Indruk van gescheiden rijbaan en trottoir vermijden. 2.4.1-5 Straatwerk dient aangepast te worden op bestaande hoogtes van aangrenzende percelen van derden. Hierbij ook rekening houden met luchtroosters in de gevels van bebouwing ivm voorkomen wateroverlast en schade. 2.4.1-6 Gescheiden rijbaan en trottoir vermijden. Versterkt de verblijfsfunctie en ontmoedigt doorgaand verkeer. 2.4.1-7 Betonstraatstenen: - Keiformaat in de rijbaan - Keiformaat, dikformaat of dubbelklinker in parkeervakken/-stroken - Met slijtvaste deklaag - Kleur heidepaars (in overleg) Formaat en kleur kunnen per gebied afwijken, zoals voor: Grachtengordel Huisduinen Binnen de linie Kern Julianadorp 2.4.1-8 Gebakken klinkers: - Keiformaat of dikformaat - Bruin/rood Afwijkingen per gebied mogelijk . Zie ook Bijlage 4 – Elementenboek OR Stadshart 2010 voor het stadshart 2.4.1-9 Fundering afstemmen op gebruik; minimaal gelijkwaardig aan erftoegangsweg 30 km. Garandeert voldoende draagkracht en levensduur voor verblijfsgebieden. 2.4.1-10 Toegang tot erven doormiddel van een inrit. Zie hoofdstuk 4.2.8.
- Inritconstructies voor verdere uitwerking. 4.2.4.2Erftoegangsweg 30 km/uur Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.4 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.2-1 Uitvoeren in elementenverhardingen. Geen asfaltverharding toepassen. 2.4.2-2 Bij bus routes rekening houden met extra belasting op de weg/fundering. Zie ook 2.4.1-9 voor minimale eisen. 2.4.2-3 Rijwegen niet breder maken dan noodzakelijk. Een compacte inrichting voorkomt overbodige verharding, verhoogt de verblijfskwaliteit en draagt bij aan verkeersremmend gedrag. 2.4.2-4 Uitvoering conform de voorkeursbreedte in de vigerende ASVV. Breedtes dienen afgestemd te worden op functie en gebruik. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 2.4.2-5 Daar waar natuurlijke afwatering mogelijk is dient dit toegepast te worden. Draagt bij aan klimaatadaptatie en vermindert belasting op het rioolstelsel (bv infiltratie via bermen, wadi’s of halfverharding). Riolering 2.4.2-6 Geen obstakels (bv paaltjes, meubilair of bomen) in de rijbaan plaatsen. Obstakels kunnen gevaar opleveren en moeten vermeden worden. OV, straatmeubilair 2.4.2-7 Het ontwerp dient de maximumsnelheid te waarborgen. Waar nodig aangevuld met snelheidsremmende maatregelen. Bv visuele versmallingen, plateaus, bochtstralen en materiaalgebruik die stapvoets rijden stimuleren. Afmetingen 2.4.2-8 Trottoir excl. kantopsluiting minimaal 1,50 m breed en 10 cm boven rijbaan. Breedte afgestemd op toegankelijkheid en comfort. 2.4.2-9 Rijbaan: - 2 richtingsverkeer voorkeur 5,50 m1 - 1 richtingsverkeer voorkeur 3,60 m1 Conform voorkeursbreedtes uit de vigerende ASVV. Tenzij anders aangegeven. Afwijkingen alleen met onderbouwing. 2.4.2-10 Parkeren: - Langsparkeren voorkeur 2.0x 6,0 m per vak - Haaksparkeren voorkeur 2,50 x 5,0 m per vak (uitgaanden van 6,0 m rijbaanbreedte. Indien rijbaan smaller is, dienen vakken breder te worden uitgevoerd voor voldoende manoeuvreerruimte. Materialisatie 2.4.2-11 Betonstraatstenen: - Keiformaat in de rijbaan, voorkeur kleur heidepaars - Keiformaat, dikformaat of dubbelklinker in parkeervakken/-stroken, voorkeur antraciet/zwart - Met slijtvaste deklaag Formaat en kleuren kunnen per gebied afwijken. Afstemmen met de wegbeheerder. 2.4.2-12 Gebakken klinkers: - Keiformaat of dikformaat, - Bruin/rood Formaten en kleuren kunnen per gebied afwijken. Afstemmen met de wegbeheerder. 2.4.2-13 Kantopsluiting: - Trottoirband 180/200x250 mm - Twee strekken langs kantopsluiting (minimaal 0,20 m breed) Bij vervanging van bestaande situatie mag de huidige maatvoering worden gehandhaafd, tenzij er functionele of constructieve redenen zijn om een zwaardere band toe te passen. Afwijkend formaat bespreken met wegbeheerder van de gemeente. 2.4.2-14 Asfalt: - Alleen toepassen indien verkeersbelasting dit noodzakelijk maakt - Deklaag van AC surf - Verkeersklasse 3 - Kleur in overeenstemming met de aansluitende verhardingen van de rijbaan - Streetprint met kepermotief toepassen Asfalt is toegestaan bij hogere verkeersbelasting, zoals bij bv busroutes. 2.4.2-15 Er dient een fundering toegepast te worden onder de rijbaan. De fundering moet afgestemd zijn op de verwachte belasting en onderbouwd worden met een goedgekeurd funderingsadvies en besproken met de wegbeheerder van gemeente Den Helder 2.4.2-16 Straatwerk in rijbaan van betonstraatstenen in keperverband uitvoeren met bisschopmutsen. Parkeervakken in elleboogverband. 2.4.2-17 Bij het toepassen van afwateringskolken de kolken niet achterin een parkeervak plaatsen. Afwatering bij parkeerstroken/-vakken in een molgoot aanbrengen. Kolken achterin parkeervakken zijn lastig bereikbaar voor reiniging. 4.2.4.3Erftoegangsweg 60 km/uur Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.4 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.4-1 Erftoegangswegen hebben een verbindende en ontsluitende functie in het buitengebied. Betreft onder andere wegen zoals Zanddijk, Rijksweg (parallelweg N250), Korte- en Middenvliet. Deze wegen verbinden woningen, agrarische percelen en recreatieve functies met het hoofdwegennet. 2.4.4-2 Fietsverkeer wordt toegelaten op de rijbaan. Uitzondering geldt voor de Rijksweg (parallelweg N250), waar fietsverkeer niet is toegestaan op de rijbaan vanwege verkeersveiligheid en intensiteit. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.4-3 Bij het ontwerp rekening houden met het waarborgen van de maximum snelheid dan wel de veiligheid bij conflictpunten. o.a. door middel van plateaus, drempels, (visuele) versmallingen en verlichting. 2.4.4-4 Rekening dient gehouden te worden met busroutes en landbouwverkeer. Ontwerp en constructie moeten geschikt zijn voor zwaardere voertuigen en bredere draaicirkels. Dit vraagt om een robuuste fundering en voldoende ruimte bij bochten en kruisingen. 2.4.4-5 Afwatering via de bermen. Geen kantopsluiting toepassen Zodat regenwater natuurlijk kan infiltreren in de berm. 2.4.4-6 Uitgevoerd in asfalt, voorzien van een slijtlaag. Voor comfort en grip voor gemengd verkeer. Is ook geschikt voor de belasting van landbouw- en busverkeer. 2.4.4-7 Markeringen conform richtlijn CROW Essentiële herkenbaarheidskenmerken. Aandachtspunt is bij het toepassen van brede fietsstroken (veiligheid en zichtbaarheid). 2.4.4-8 Verlichting alleen toepassen op conflictpunten zoals kruisingen, oversteken of bij scherpe bochten. Voorkomt lichtvervuiling en bespaart energie. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.4-9 Bermen 3cm lager dan de zijkant van de asfaltverharding afwerken. Hoogteverschil bevordert de afwatering richting de berm en voorkomt dat water op de rijbaan blijft staan. 4.2.4.4Gebiedsontsluitingweg 30 km/u Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.4 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.5-1 Ontsluitingsfunctie staat centraal. GOW30-wegen verbinden woongebieden met hoofdwegen en voorzieningen. De inrichting moet deze functie ondersteunen, met aandacht voor doorstroming en verkeersveiligheid. 2.4.5-2 Oversteekplaatsen voetgangers vormgeven met middengeleider met een minimale breedte 2,0m. 2.4.5-3 Kruising met ondergeschikte wegen d.m.v. uitritconstructie vormgeven, bij kruisingen met andere GOW30-wegen haaientanden toepassen om voorrangssituatie duidelijk te maken. 2.4.5-4 Fietsers op fietsstroken Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.5-6 Rijstrook uitgevoerd in elementenverharding. Fietsstroken uitvoeren in rood asfalt voor herkenbaarheid. 2.4.5-7 Geen fysieke- of visuele rijstrookscheiding 2.4.5-8 Rijbaanbreedte 2,2 meter, fietsstroken 1,9 meter 2.4.5-9 Bushaltes bij voorkeur naast de rijstrook situeren, zodat bussen niet opde rijbaan hoeven te stoppen Zie ook hoofdstuk 4.2.6 Bushaltes Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.5-10 Bermen 3cm lager afwerken dan de zijkant van de asfaltverharding. Voorkomen dat water op de rijbaan blijft staan. 4.2.4.5Gebiedsontsluitingsweg 50 km/uur Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.4 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.5-1 Ontsluitingsfunctie staat centraal. De inrichting moet deze functie ondersteunen, met aandacht voor doorstroming en verkeersveiligheid. 2.4.5-2 Oversteekplaatsen voor voetgangers/fietsers alleen toepassen daar waar het noodzakelijk is. Druklichtinstallatie overwegen voor extra veiligheid 2.4.5-3 Rotonde is aanbevolen bij kruising tussen gelijkwaardige wegen Wel afwegen of dit wenselijk is gezien de directe omgeving (ruimte, verkeersintensiteit etc). Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.5-5 1 rijstrook per rijrichting. 2.4.5-6 Links afslaan op eigen strook. Ter voorkoming van oponthoud. 2.4.5-7 Fietsersverkeer fysiek gescheiden houden van gemotoriseerd verkeer Bv door verhoogde fietspaden, bermen of andere fysieke barrières. 2.4.5-8 Bushaltes geheel naast de rijstrook situeren. Zie ook hoofdstuk 4.2.6 Bushaltes. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.5-9 Bermen moeten 3cm lager worden afgewerkt dan de zijkant van de asfaltverharding. Bevordert afwatering en voorkomt waterophoping op de rijbaan. 4.2.4.6Gebiedsontsluitingsweg 70 km/uur Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.4 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.6-1 Gebiedsontsluitingswegen 70 km/uur komen alleen buiten bebouwd gebied voor en hebben een verbindende functie. Betreft de Langevliet en de Nieuweweg. 2.4.6-2 Fiets –en bromfietsverkeer hebben hun eigen voorzieningen d.m.v. vrij liggend fietspad. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 2.4.6-3 Voorrangsituaties op deze wegen moeten ondubbelzinnig en conform geldende verkeersregels zijn ingericht. Duidelijke voorrangssituaties voorkomen verwarring en verhogen de verkeersveiligheid, vooral bij kruisingen en aansluitingen. 2.4.6-4 Rijbaan altijd uitvoeren in asfaltverharding. Asfalt biedt een comfortabele rijervaring, is duurzaam en geschikt voor hogere snelheden. 2.4.6-5 Afwatering vindt plaats via de bermen Geen kantopsluitingen toepassen ivm natuurlijke afwatering. 2.4.6-6 Langs deze wegen dient altijd verlichting te worden aangebracht. Cruciaal voor de zichtbaarheid en veiligheid. OV 2.4.6-7 In overleg met de wegbeheerder en beheerderopenbare verlichting kan gekozen worden voor lichtreflecterend asfalt om het aantal lichtmasten te minimaliseren. OV 2.4.6-8 Wegmarkeringen worden aangebracht conform richtlijn Essentiële herkenbaarheidskenmerken van CROW Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.4.6-9 Bermen dienen 3cm lager te worden afgewerkt dan de zijkant van de asfaltverharding afwerken. Hoogteverschil bevordert goede afwatering van de rijbaan en voorkomt waterophoping. 4.2.5Kruisingen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2 en 4.2.1 zijn ook van toepassing. Bij de keuze voor een kruisingsvorm dienen de volgende zaken afgewogen te worden: Veiligheidsoverwegingen (duurzaam veilig) Passend in de schaal van de omgeving Verkeersintensiteit Categorisering van de aansluitende wegen Binnen de Linie, beschermd stadsgezicht en de Stelling Den Helder duidelijk afwegen of het type kruising past in deze omgeving. Met name als het gaat in het toepassen van een rotonde. Bij wegen met een maximumsnelheid van 50 km/uur en hoger dient de voorrang altijd geregeld te zijn. 4.2.5.1Rotondes Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.5 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.5.1-1 De uitstraling en vormgeving van rotondes dienen aan te sluiten op rotondes die in de nabije omgeving zijn gerealiseerd. Beplanting t.b.v. rotondes dient te zijn afgestemd op de bestaande landschappelijke inrichting. 2.5.1-2 Rotondes binnen de bebouwde kom dienen ontworpen te worden met fietsers uit de voorrang. 2.5.1-3 Rotonde worden ontworpen met vrijliggende fietspaden, fysiek gescheiden van de rijbaan. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.5.1-4 Rotondes worden vormgegeven conform de geldende ASVV en CROW publicatie 126 en 126a. 2.5.1-5 Het ontwerp van rotondes mag afwijken van de ASVV en CROW indien dit past binnen de laatste stand der techniek en ontwerpprincipes. Biedt ruimte voor innovatieve oplossingen, mits deze gelijkwaardig of beter zijn dan de standaard. 2.5.1-6 De aanrijrichting dient bij voorkeur 20m voor de rotonde te worden ingezet. Dit om een vloeiende oprijbeweging en tijdige signalering. 2.5.1-7 Fietsoversteken worden op 5m afstand van de rotonde geplaatst. i.v.m. voldoende opstelruimte voor voertuigen en voorkomt blokkades op de rotonde. 2.5.1-8 Indien de aansluitende rijbaan geen kantopsluiting heeft, wordt de kantopsluiting van de rotonde minimaal 10 meter doorgezet op de rechtstand. Voorkomt abrupte overgangen en draagt bij aan een nette en veilige afwerking. 2.5.1-9 Indien trottoirbanden worden toegepast aan de buitenzijde van de rotonde, dienen banden van 180/200x250 mm te worden gebruikt. Voor een robuuste en duurzame afwerking die bestand is tegen verkeersbelasting 2.5.1-10 Indien geen trottoirbanden worden toegepast, wordt de buitenzijde voorzien van een rammelstrook. Uitvoering conform rotondes van de Provincie Noord-Holland. Gegevens zijn te vinden op de site van de Provincie Noord-Holland. 2.5.1-11 Middengeleiders worden uitgevoerd met RWS-banden in de kleur wit (kleur echt) en hebben een minimale lengte van 3m. De witte kleur verhoogt de zichtbaarheid en herkenbaarheid. Zie ook hoofdstuk 4.2.8.1 voor aanvullende eisen. 2.5.1-12 De middencirkel van de rotonde wordt uitgevoerd met rotonde plateauplaten voorzien van witte reflectoren aan de binnenzijde. Alternatieven zijn toegestaan indien gelijkwaardig of beter. 2.5.1-13 Afwateringskolken met achteraansluiting worden toegepast, passend bij de gekozen kantopsluiting. Ivm efficiënte afwatering en een nette integratie in het wegprofiel 2.5.1-14 Bij rotondes op doorgaande routes wordt rekening gehouden met exceptioneel verkeer en worden bochtstralen hierop afgestemd. Voorkomt knelpunten en maakt de rotonde geschikt voor bijzondere transporten 2.5.1-15 Voetgangers- en fietsoversteken (VOP) worden voorzien van kanalisatiestrepen. VOP en fietsoversteek op A-niveau aanbrengen. 2.5.1-16 Indien een fietsstrook op de rotonde wordt toegepast, dient deze te worden uitgevoerd in rood asfalt (RAL 3011) met 3% ijzeroxide en roodachtig (Schots) steenmateriaal. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.5.1-17 Onkruidgroei op middeneilanden en rammelstroken dient actief te worden voorkomen. Dit kan worden gerealiseerd door toepassing van voegvulling of kit. 4.2.5.2Gelijkwaardige kruisingen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.5 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.5.2-1 Gelijkwaardige kruispunten worden uitsluitend toegepast op wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur of lager. Bij lage snelheden is het acceptabel dat verkeersdeelnemers onderling de voorrang regelen. Dit past bij het principe van gelijkwaardigheid. 4.2.5.3Voorrangskruisingen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.5 zijn ook van toepassing. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.5.3-1 Fietsoversteken die in de voorrang liggen worden uitgevoerd in een rode kleur. Bij asfaltverharding: rood asfalt toepassen in kleur RAL 3011 (bruin/rood), met 3% ijzeroxide en roodachtig (Schots) steenmateriaal. Bij elementenverharding: gebruik maken van dubbelklinkers in Tilrood. Toepassing van een rode coating dient vooraf te worden afgestemd met de wegbeheerder. 2.5.3-2 . Ter plaatse van fietsoversteken in de voorrang wordt blokmarkering aangebracht buiten het rode asfalt of coating. Versterkt de visuele attentiewaarde van de oversteek en maakt de voorrangssituatie extra duidelijk voor automobilisten. De positionering buiten het gekleurde vlak voorkomt visuele vervaging en verhoogt de duurzaamheid Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.5.3-3 Indien een rode fietsstrook doorloopt over de doorgaande rijbaan, dient het rode en zwarte asfalt warm tegen warm te worden aangebracht. Door het asfalt warm tegen warm te verwerken ontstaat een optimale hechting tussen de verschillende asfaltlagen. Dit voorkomt scheurvorming en verhoogt de duurzaamheid van de oversteek. De toezichthouder dient hier toezicht op te houden om de kwaliteit van de uitvoering te waarborgen. 4.2.6Bushaltes Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2 en 4.2.1 zijn ook van toepassing. Voor bushaltes gelden de volgende richtlijnen: Richtlijnen Provincie Noord-Holland ‘Haltetoegankelijkheid” CROW 233 Handboek halteplaatsen Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.6-1 Bushaltes worden ontworpen en aangelegd conform de richtlijnen van de Provincie Noord-Holland (Haltetoegankelijkheid) en CROW-publicatie
- Deze richtlijnen waarborgen de toegankelijkheid, veiligheid en comfort van bushaltes voor alle gebruikers, inclusief mensen met een beperking. De provinciale richtlijn is beschikbaar via de website van de Provincie Noord-Holland. 2.6-2 Langs de busperronband wordt een rij blokmarkering aangebracht, bestaande uit zwart en wit tegels 300x300x60mm. 2.6-3 De verharding van de haltekom wordt uitgevoerd in een combinatiedeklaag van ZOAB(Zeer Open Asfaltbeton). ZOAB biedt goede waterafvoer, rijcomfort en geluidsreductie, en is bestand tegen de belasting van zware voertuigen zoals bussen. 2.6-4 Busperronbanden worden uitgevoerd in Leicon Profil Perronband, uitvoering opgave leverancier.. 2.6-5 Perronbanden worden aangebracht met een voeg van 5 mm om schade door uitzetting of krimp te voorkomen. De voegen worden gevuld met een elastische kit conform de specificaties van de leverancier. Ter voorkoming van scheurvorming van de perronbanden. 2.6-6 Witte geleide tegels toepassen. Conform voorschriften CROW 233 of van de provincie Noord Holland. 2.6-7 De verlichting van Abri’s wordt aangesloten op de elektriciteitsvoorziening van de openbare verlichting. Dit gebeurt in overleg met de eigenaar van de Abri’s (JCDecaux). 4.2.7Parkeren Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2 en 4.2.1 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.7-1 Het type verharding van parkeergelegenheid wordt afgestemd op de locatie en het verwachte gebruik. In stedelijke gebieden of bij intensief gebruik is een stevige verharding zoals asfalt of beton gewenst. 2.7-2 Bij parkeerplaatsen met wisselend gebruik in het buitengebied wordt de verharding beperkt. Voorbeelden zijn grasparkeren langs de kust of het toepassen van grasbetontegels bij drukkere locaties. Grasbetontegels zijn niet van kunststof maar idealiter van beton of mogelijk ander materiaal (in overleg) dat bestand is tegen invloed van UV straling/warmte ivm brosheid en breuk van de platen. 2.7-3 Afwegen of waterdoorlatende verharding toegepast kan worden. Waterdoorlatende verharding bevordert infiltratie van regenwater en voorkomt wateroverlast. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 2.7-4 Het ontwerp van parkeervakken en parkeerterreinen wordt uitgevoerd conform de geldende ASVV-richtlijnen. 2.7-5 De doorgang voor voetgangers dient gewaarborgd te zijn. Waar nodig worden doorgangen voor voetgangers gemaakt. 2.7-6 Bij een plaatselijk parkeerverbod wordt een kruisaangebracht met wegenverf. Het toepassen van een ‘NP’ tegel is niet toegestaan. 2.7-8 Bij parkeergelegenheden wordt afgewogen of autodeelplaatsen noodzakelijk zijn. 2.7-9 Parkeerterreinen worden minimaal verlicht Tenzij de sociale veiligheid dit vereist. Er wordt onderscheid gemaakt in buitengebied en stedelijk gebied. OV 2.7-10 Parkeervakken die grenzen aan een groenstrook worden voorzien van een uitstapstrook van 40cm diep. Bij voorkeur in betontegels 40x60 cm. 2.7-11 Indien parkeervakmarkering wordt toegepast, gebeurt dit in de kleur wit. Bij elementnverharding worden betonstraatstenen in kleur wit gebruikt. Thermoplast wordt niet toegepast op elementenverharding. 2.7-12 Het gebruik van stootbanden wordt zoveel mogelijk voorkomen. Alleen toepassen bij parkeervakken die direct grenzen aan gevels van woningen op een afstand van minder dan 0,50m. 2.7-13 Parkeervakken in elementenverharding worden aangelegd in elleboogverband. 2.7-14 P-tegels worden uitsluitendtoepassen ter plaatse van erven. 4.2.8Overige voorzieningen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2 en 4.2.1 zijn ook van toepassing. 4.2.8.1Middengeleiders Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.8 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.8.1-1 Het ontwerp en de maatvoering van de middengeleiders worden afgestemd op de type rijbaan en de ontwerpsnelheid, conform de richtlijnen en aanbevelingen uit de geldende ASVV. Middengeleiders dienen functioneel en veilig te zijn. De breedte, lengte en vorm worden bepaald op basis van verkeerssnelheid, wegtype en gebruiksfunctie. 2.8.1-2 Voetgangersoversteekplaatsen (VOP) en fietsoversteken worden direct naast elkaar gesitueerd. Indien de fietsoversteek niet in de voorrang ligt, wordt geen VOP toegepast. Door VOP en fietsoversteek naast elkaar te plaatsen ontstaat een overzichtelijke en logische oversteekzone. Als fietsers geen voorrang hebben, is het veiliger om voetgangers niet via een VOP te laten oversteken, om verwarring en risico’s te voorkomen. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.8.1-3 Middengeleiders bij asfalt- en elementenverhardingen worden uitgevoerd met: RWS-banden in wit met witte porfier als wassing Verharding: beton met Creteprint in kleur antraciet en met motief cobblestone. Binnen de Linie: toepassing van gebakken materialen met voegvulling. Plaatselijk maatwerk toepassen in afstemming met de gemeente. 2.8.1-4 Op plaatsen waar een drukknop of paal wordt geplaatst, wordt een verhoging aangebracht als fysieke scheiding. De verhoging voorkomt dat voertuigen te dicht naderen en beschermt de installatie. 2.8.1-5 Verhardingen in de middengeleider ter plaaste van VOP en fietsoversteek wordt uitevoerd met dubbelklinkers 20x20cm. Kleur conform de aansluitende verharding van het fietspad en voetpad. 2.8.1-6 VOP en fietsoversteken worden op gelijke hoogte als de rijbaan aangelegd (A-niveau) 2.8.1-7 Op de middengeleider wordt een verkeerszuil BM18 geplaatst met retroreflectieklasse
- 2.8.1-8 Rondom de middengeleider wordt markeringen aangebracht, inclusief inleidende markering. 2.8.1-9 De rijbaanbreedte bedraagt minimaal 3,5 m in veranbd met de doorgang voor hulpdiensten Afwijkingen worden afgestemd met de hulpdiensten. 2.8.1-10 De breedte van de middengeleider bedraagt minimaal 3,0 m bij fietsgebruik en minimaal 2,0 m bij een voetgangersoversteekplaats. De uitbuiging moet voldoende zijn voor snelheidsremming. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.8.1-10 Onkruidgroei dient voorkomen te worden. Voegvulling toepassen 4.2.8.2In- /uitritconstructies Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.8 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.8.2-1 Onderscheid wordt gemaakt in: Inritconstructie t.b.v. woonerven en 30 km/uur zone. Inritconstructie t.b.v. ontsluiting van percelen Inritconstructie t.b.v. bedrijfsmatige percelen 2.8.2-2 Alle inritten naar particuliere erven zijn vergunning plichtig. In verband met voorkomen van ongewenste situaties zoals: Versnippering van het straatbeeld. Verlies van parkeerplaatsen of groenvoorzieningen. Conflicten met kabels, leidingen of bomen. 2.8.2-3 Indien een inrit grenst aan (langs)parkeervakken, dient toegang tot de inrit te worden gerealiseerd via de verharding van de rijbaan. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken Inritconstructie t.b.v. woonerven en 30 km/uur zone. 2.8.2-4 Na de inrit de verharding van woonerven a-niveau uitvoeren. 2.8.2-5 Verhoogd uitvoeren met inritelementen met afmetingen van minimaal 0,60 m diep. 2.8.2-6 Ter plaatse inritten in bochten de uiteinden voorzien van perronbanden en de inrit in lintverband straten. 2.8.2-7 Leg als zodanig herkenbare in- en uitritten aan conform de vastgestelde norm van CROW publicatie
- 2.8.2-8 Verharding van het trottoir t.p.v. de inritconstructie uitvoeren in dubbelklinkers grijs. Zelfde kleur als het trottoir. Inritconstructie t.b.v. ontsluiting van percelen. Betreft garages, stallingen e.d. 2.8.2-9 Altijd een inritelement toepassen. Minimaal 0,45m diep. 2.8.2-10 Ter plaatse van de inrit doorstraten met dikke betontegels. Dikte tegels minimaal 0,06m toepassen. Inritconstructie t.b.v. bedrijfsmatige percelen 2.8.2-11 Type inrit is afhankelijk van het gebruik en functie. Meestal maatwerk 2.8.2-12 Uitvoering regelen in de vergunning. 2.8.2-13 Kabels en leidingen onder de inrit in mantelbuizen aanbrengen. Kabels en leidingen 4.2.8.330 km/uur-maatregelen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.8 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.8.3-1 Voorzieningen die een verband hebben met elkaar hebben dienen te zijn vormgeving met eenduidige materialisatie. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.8.3-2 Het ontwerp dient de maximumsnelheid te waarborgen. Waar nodig aangevuld met snelheidsremmende maatregelen. 2.8.3-3 Voorkeur naar eenheid in materialen en kleur. Uitgezonderd de taludmarkeringen. 2.8.3-4 Standaard maatregelen zijn: As verspringingen SVT-drempels, zie drempels Verkeersplateau bij kruisingen Wegversmallingen 2.8.3-5 Ter plaatse van de grachtengordel geen verkeerstafels toepassen. Wel verkeersdrempels met taludmarkering toepassen conform CROW publicatie 172 of 244 Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.8.3-6 De toegepaste snelheidsremmende maatregelen mogen geen extra kosten met zich mee brengen voor het beheer en onderhoud. 4.2.8.4Verkeersdrempels Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.8 zijn ook van toepassing. Verkeers- en stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.8.4-1 Drempels en plateaus aanbrengen om de snelheid te verlagen en de verkeersveiligheid te verhogen. Met name voor gemotoriseerd verkeer. Zie CROW (duurzaam Veilig/SWOV) Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.8.4-2 Voorkeur naar eenheid in materialen en kleur. Talud markeringen altijd in wit uitvoeren. Zie detail SVT drempel 2.8.4-3 Drempels mogen geen hinderlijke trillingen veroorzaken. Rekening houden met de fundering van woningen. 2.8.4-4 Bij busroutes rekening houden met bus vriendelijke drempels. Bij voorkeur geen drempels.ontwerp afstemmen met verkeer en busvervoerder. 2.8.4-5 Op erftoegangswegen met elementenverharding gestrate drempels toepassen. 2.8.4-6 Drempels aanbrengen in sinusprofiel (CROW 174) Maatvoering conform SVT. Let op busroutes! 2.8.4-7 Op doorgaande wegen van asfalt met een max. snelheid van 30, 60 km/u, asfaltdrempels toepassen. Uitvoeren volgens CROW 174 2.8.4-8 Afwatering aan weerszijden van de drempels dient gewaarborgd te zijn. Drempels mogen geen blokkade vormen voor de afwatering. 2.8.5-9 Alle drempels voorzien van een fundering met een minimale dikte van 0,25 m betongranulaat of gelijkwaardig. Ter voorkoming van verzakkingen. 2.8.5-10 Drempels op busroutes dienen te zijn goedgekeurd door Connexxion Let op langere taluds en lagere drempels. 4.2.8.5Mindervaliden voorzieningen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.2, 4.2.1 en 4.2.8 zijn ook van toepassing. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 2.8.5-1 Zo veel mogelijk natuurlijke loop- en geleidelijnen aanhouden/ontwerpen. Zie CROW publicatie 337 Muurtjes, hekwerken, langs gebouwen. 2.8.5-2 Bij bushaltes en voetgangersoversteekplaatsen dienen altijd voorzieningen voor mindervaliden te zijn aangebracht. Waaronder mindervalide opritten, geleidetegels, e.d. 2.8.5-3 Geleidetegels uitvoeren in de kleur wit. 2.8.5-4 Geen klanktegels toepassen. 2.8.5-5 Noppentegels toepassen in de kleur wit. 2.8.5-6 Parkeerplaatsen voor mindervaliden daar waar mogelijk uitvoeren conform richtlijnen van de vigerende ASVV. 2.8.5-7 Bij verkeersregelinstallaties rekening houden met mindervaliden. Zie ook hoofdstuk 4.3.2 Verkeersregelinstallaties (VRI) 2.8.5-8 Mindervaliden opritten uitvoeren met volgens het detail in de bijlage
- Alleen als de ruimte voor het draaien van een schootmobiel onvoldoende is, kan een verlaagde band overwogen worden. 4.3Technische installaties Vragen omtrent bovenstaande onderdelen kunnen worden gesteld aan de vakgroep technische installaties. Uitvoerende partijen kunnen minimaal 3 weken voor start werkzaamheden contact opnemen met de gemeente via onderstaand adres. Ov-denhelder@denhelder.nl De LIOR is top-down samengesteld. Dit houdt in dat op hoofdstukniveau eisen en randvoorwaarden worden omgeschreven die gelden voor de onderliggende deelhoofdstukken. 4.3.1Openbare verlichting (OV) Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.3 zijn ook van toepassing. Algemene eisen en randvoorwaarden openbare verlichting Eisen milieu en duurzaamheid Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1-1 Zoek actief naar duurzame oplossingen en adviseer de beheerder Openbare Verlichting daar gevraagd en ongevraagd over. 3.1-2 Toepassen van elektronische, energiezuinige apparatuur. 3.1-3 Voorschakelapparatuur en lampen dienen in aparte compartimenten en op aparte montageplaten worden ondergebracht, zodat gescheiden vervanging dan wel verwijdering aan het einde van de levensduur mogelijk is. 3.1-4 Ten behoeve van de recyclebaarheid van de diverse onderdelen dienen de toegepaste materialen uit één element te bestaan. 3.1-5 Er mogen geen milieubelastende coatings op de armatuur te worden aangebracht. 3.1-6 De armaturen dienen geschikt te zijn voor lampen die voldoen aan de eisen die de EU-richtlijnen en –wetgeving op het gebied van de beperking van het gebruik van gevaarlijke stoffen stellen. 3.1-7 Bij alle te maken keuzes, waarbij gedacht moet worden aan materialen, oppervlaktebehandelingen, maar ook aan verpakkingsmaterialen en transport, moeten milieuargumenten mee worden gewogen. 3.1-8 Het gebruik van duurzame, recyclebare en minder milieubelastende materialen dient te voldoen aan de ‘Nederlandse Emissie Richtlijnen’(NER) en aan de Eural (Europese Afvalstoffenlijst). 3.1-9 Verpakking dient zodanig ontworpen te worden dat deze geschikt is voor hergebruik. 3.1-10 Alle verpakkingseenheden dienen te worden voorzien van benaming, typenummer en serienummer van de armatuur. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1-11 De gebiedsindeling van de openbare verlichting wijkt af van de gebiedsindeling van de LIOR. De kaart is op te vragen bij beheerder. 3.1-12 Uit duurzaamheidsoverwegingen uitgaan van een duurzame lichtbron. Bij voorkeur ledverlichting toepassen tenzij er redenen zijn om daarvan af te wijken. Dit dient in overleg te gaan met de OV-beheerder van de gemeente Den Helder. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Raakvlakken 3.1-13 Situaties en verlichting die niet zijn opgenomen in de LIOR dienen eerst te zijn overlegd met de beheerder van de openbare verlichting. 3.1-14 Voordat de definitieve ontwerpwerkzaamheden starten dient de huidige situatie van de openbare verlichting inzichtelijk te zijn. Dit om te voorkomen dat een OV kast te klein is etc. 3.1-15 De OV-werkzaamheden mogen niet eerder starten dan dat de ontwerptekeningen zijn getoetst door de beheerder. 3.1-16 Technische levensduureisen: Lichtmasten, 40 jaar Armaturen, 20 jaar Kabels, 60 jaar Kasten, 30 jaar 3.1-17 De openbare verlichting en installaties daarvan dienen zowel bovengronds als ondergronds te zijn afgestemd op het omliggende groen en de ontwikkeling daarvan. Met name de ontwikkeling van het groen. Groen 3.1-18 De openbare verlichting en installaties daarvan dienen zowel bovengronds als ondergronds te zijn afgestemd op de bestaande of aan te leggen objecten. 3.1-19 Schijnveiligheid dient voorkomen te worden. 3.1-20 Achterpaden en speeltuinen worden niet verlicht. Tenzij er een zwaarwegende reden is om toch verlichting toe te passen. Spelen 3.1-21 Recreatieve paden worden niet verlicht. Tenzij er een zwaarwegende reden is om toch verlichting toe te passen. 3.1-22 Rekening houden met raampartijen. Lichtmasten zo veel mogelijk op de erfscheiding plaatsen. 3.1-23 Rekening houden met aanrijdgevoeligheid. 3.1-24 Rekening houden met in- en uitritten. Ook bij stegen. 3.1-25 Bij voetpaden met een recreatief karakter, of die in een natuurgebied liggen, is verlichting niet wenselijk, tenzij deze paden een belangrijke verbindingsfunctie vervullen en er geen logische alternatieve route aanwezig is. 3.2-26 De gelijkmatigheid van de verlichting dient te zijn afgestemd op het verhardingstype van de weg. 3.3-27 Nieuwe ontwikkelingen die door een ontwikkelende partij toegepast gaan worden dienen te zijn afgestemd met de OV beheerder van de gemeente.. 4.3.1.1Lichtmasten Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.3 en 4.3.1 zijn ook van toepassing. Algemene eisen Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-1 De masten moeten voldoen aan de onderstaande NEN-normen: NEN-EN 40-1- 1994 Lichtmasten; termen en definities. NEN-EN 40-2- 2004 Lichtmasten; afmetingen en toleranties. NEN-EN 40-3-1 – 2000 Ontwerp en verificatie; specificatie van de karakteristieke belastingen. NEN-EN 40-3-2 – 2000 Ontwerp en verificatie; verificatie door beproeving. NEN-EN 40-3-3 – 2003 Ontwerp en verificatie; verificatie door berekening. NEN-EN 40-5 – 2002 Ontwerp en verificatie; eisen voor stalen lichtmasten. NEN-EN-ISO 1461 Door thermisch verzinken aangebrachte deklagen op stalen voorwerpen. Specificaties. NEN-EN-ISO 4628 Verven en vernissen. Beoordeling van de kwaliteitsafbraak van verflagen. Aanduiding van de intensiteit, hoeveelheid en omvang van algemeen voorkomende gebreken. 3.1.1-2 De masten moeten voldoen aan de onderstaande ISO-normen: NEN-EN-ISO 12944 Verven en vernissen. Bescherming van staalconstructies tegen corrosie d.m.v. verfsystemen. Deel 1 t/m 8 3.1.1-3 De masten moeten voldoen aan de onderstaande NPR-richtlijnen: NPR 988: 2000 Stalen lichtmasten, aanbevelingen voor de constructie. NPR 988: c1 2001 Stalen lichtmasten, aanbevelingen voor de constructie, correctieblad. NPR 7452 Toelichting op NEN-EN-ISO 12944 3.1.1-4 De masten moeten voldoen aan de: NEN-EN 1991-1 / 3 / 4 / 5 / 7 en 3-1 en NEN-EN 1993-3 (TGB 1990 Ontwerp en berekening) 3.1.1-5 De masten moeten voldoen aan de: CROW-215 Handboek lichtmasten 3.1.1-6 Masten dienen voorzien te zijn van CE-markering 3.1.1-7 De plaats van een mast dient met een hoogwerker bereikbaar te zijn. Constructies en mechanisch De toe te passen armaturen moeten voldoen aan de onderstaande constructieve eisen, zodat de armaturen geplaatst, gebruikt en onderhouden kunnen worden op een deugdelijke en veilige manier. Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-8 Masten dienen uit één soort materiaal te bestaan, te weten staal. 3.1.1-9 Achter het mastdeurtje dient in de mast ruimte te zijn voor de montage van een aansluitkastje. 3.1.1-10 Zowel de netbeheerder van het gereguleerde voedingsnet als de gemeente Den Helder als netbeheerder van het eigen voedingsnet passen de volgende aansluitkastjes toe: Faget LS 94 Faget LS 94L 3.1.1-11 Voor bevestiging van het aansluitkastje dient direct achter het mastdeurtje, aan de binnenzijde de mast een RVS montagerail (C-rail) met 2 hittebestendige glijmoeren M6 te worden bevestigd. 3.1.1-12 Mastdeurtje dient d.m.v. een vandaalbestendige sluiting (namelijk Kaal-Fix sluiting) afgesloten te kunnen worden. 3.1.1-13 Bevestigingsmiddelen dienen van de kwaliteit RVS A2 te zijn. 3.1.1-14 Toleranties moeten voldoen aan de gestelde eisen, zoals omschreven in de NEN-EN 40-
- 3.1.1-15 Lichtmasten en armaturen moeten voldoen aan windklasse 1 volgens NEN-EN 40-3-
- Den Helder behoort tot gebeid I, waarin de hoogste windsnelheid categorie bereikt wordt. Elektrisch De elektrische eisen moeten worden nageleefd om er een veilig en werkbaar object van te maken. Het moet voldoen aan de geldende eisen zodat een daar toe bevoegd persoon, er veilig aan kan werken. De elektrische eisen zijn er tevens op gericht om duurzame en verantwoorde producten toe te passen. Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-16 De elektrische aansluiting van armaturen vindt plaats op het aansluitkastje achter het mastdeurtje, in de mast. 3.1.1-17 Alle metalen masten moeten worden geaard. Volgens NEN-EN 40-2 moet een aardvoorziening aanwezig zijn door middel van een bout verbinding van minimaal M
- De bout moet in de onmiddellijke nabijheid achter het mastdeurtje, aan de binnenzijde van de mast zijn. Om verwarring te voorkomen is het aan te bevelen de aardaansluiting op een vaste plaats, aan de binnenzijde van de mast links onder het mastdeurtje, te houden. 3.1.1-18 Lichtmasten kunnen buiten het dragen van een verlichtingsarmatuur ook zijn voorzien van al dan niet verlichte bebordingen zoals verkeersborden en straatnaamborden. Aan afmetingen, gewicht en wijze van bevestigen worden eisen gesteld. Maximale afmetingen: Verkeersborden, landelijk vastgesteld. Straatnaamborden, landelijk vastgesteld Hoogte van maaiveld tot onderzijde reclamebord/klok bedraagt: Verkeersbord, onderste bord 220cm, meerdere borden boven elkaar mogelijk. Straatnaambord zie straatmeubilair Combinaties: Verkeersborden op alle masten in alle combinaties mogelijk. Straatnaamborden op alle masten in alle combinaties mogelijk. Alle bevestigingen aan een lichtmast dienen te worden uitgevoerd middels een klembandconstructie die door het toepassen van een beschermingsrubber beschadigingen aan de lichtmast en/of de coating uitsluiten. In twijfelgevallen is een sterkteberekening van de mast gewenst. In ieder geval dient bij het plaatsen van spandoeken, banieren of schijnwerpers aan een mast altijd vooraf bij de OV-beheerder navraag te worden gedaan of de desbetreffende mast hiervoor geschikt is. Het invoeren van een aansluitsnoer door de wand van de lichtmast van een aan de mast bevestigd object dient te geschieden door het toepassen door een waterdichte kabelwartel. Levensduur De totale kosten voor de openbare verlichting zijn aanzienlijk, daar waar een langere levensduur mogelijk is, levert dat een besparing op in het onderhouden en het vervangen van de masten. Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-19 Gedurende de levensduur mogen geen grote gebreken optreden ten aanzien van corrosie en conservering. De mast dient zijn functie te behouden ten aanzien van sterkte en stijfheid. 3.1.1-20 De levensduur van een stalen mast dient minimaal 40 jaar te bedragen. 3.1.1-21 Er mogen geen milieubelastende coatings worden aangebracht. Conservering Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-22 Conservering dient te voldoen aan NEN-EN ISO 12944 en NPR
- 3.1.1-23 Corrosieklasse minimaal C3 “zeeklimaatbestendig” conform NEN-EN ISO
- 3.1.1-24 Het conserveringssysteem dient te bestaan uit een poedercoating bestaande uit Qualicoat klasse 1 producten (TGIC-vrij). 3.1.1-25 Het conserveringssysteem dient te bestaan uit een poedercoating bestaande uit Qualicoat klasse 1 producten (TGIC-vrij). 3.1.1-26 Voor poedercoating geldt: Masten in het Stadshart RAL 7039 Masten langs de Grachtengordel RAL 7043 Masten volgens het Filia systeem AKZO 900 3.1.1-27 Het gehele grondstuk dient aan de buitenzijde beschermd te zijn tegen corrosie door wisselende milieubelasting tot 20 cm boven maaiveldniveau. 3.1.1-28 De binnenzijde van het grondstuk hoeft niet van een verfsysteem te worden voorzien. 3.1.1-29 Onder oppervlaktedefecten wordt verstaan: poriën (pinholes), overspray, zakkers, druipers, kraters, blazen, insluitingen van vuil en zogeheten heilige dagen. 3.1.1-30 Conserveringssysteem dient te voldoen aan de ISO 12944 en de NPR
- 3.1.1-31 Van de toe te passen verfsoorten dienen product databladen overlegd te worden waarin de eigenschappen staan vermeld. 3.1.1-32 Kleur- en/of glansverschillen in de conservering van aan elkaar grenzende en/of met elkaar verbonden staalconstructies, die volgens het bestek dezelfde kleur en/of kleurcodering dienen te hebben, zijn niet toegestaan. Thermisch verzinken Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-33 Thermisch verzinken volgens NEN-EN-ISO
- 3.1.1-34 Bij het verzinken van werkstukken met grote lengte, die niet in één keer gedompeld kunnen worden, dient speciale aandacht aan de overlapping te worden besteed. Deze mag niet zichtbaar zijn. 3.1.1-35 Door de mogelijkheid van penetratie van beitsvloeistof en/of onderbreking van de zinklaag, dient het laswerk zodanig te zijn uitgevoerd, dat een gladde en homogene las wordt verkregen. Holten, spleten, slakresten en lasspetters zijn niet toegestaan. 3.1.1-36 Indien van toepassing dient aan de verzinkerij meegedeeld te worden dat na het verzinken een verfsysteem wordt aangebracht. 3.1.1-37 Na het verzinken moet, indien vervormingen zijn opgetreden, het materiaal koud worden gericht. 3.1.1-38 Beschadigingen waarbij het onderliggende materiaal bloot komt, moeten worden bijgewerkt door zinkschooperen. Ernstige beschadigingen kunnen tot afkeur leiden. 3.1.1-39 De zinklaag moet glad, vrij van druppels, pukkels en zinkas resten zijn. 3.1.1-40 De zinklaag mag geen openingen, pin-holes, kraters, etc., bevatten. 3.1.1-41 De zinklaag moet goed aanhechten op de stalen ondergrond. 3.1.1-42 De zinklaag dient stootvast te zijn. 3.1.1-43 Lasspetters voor het verzinken verwijderen. 3.1.1-44 Masten mogen niet over de gehele oppervlakte ruw zijn, slechts kleine vlakken worden geaccepteerd (minder dan 20 % van het mast oppervlak). 3.1.1-45 De VISEM-eisen zijn van toepassing. VISEM staat voor Vereniging Industriële Spuit en Moffelbedrijven. 3.1.1-46 Betreft het opstellen en leveren van kwaliteitsgegevens t.b.v. het conserveringssysteem. De volgende aspecten dienen met ondersteuning van de verfleverancier te worden overlegd: Qualicoat productcertificaat. Aantoonbare duurzaamheidklasse. Aantoonbare corrosieklasse. Kleurbehoud. Glansbehoud. Weerstand tegen corrosie. Weerstand tegen cracking. Weerstand tegen afpoederen. De eisen hiervoor staan vermeld in Qualicoat. Deze kwaliteitsgegevens worden tevens gebruikt voor een keuring aan het eind van garantietermijn. 3.1.1-47 Betreft het verrichten van metingen op 5% van het aantal geconserveerde masten. Hiervan dienen tevens rapportages overlegd te worden, uiterlijk 5 dagen na Levering. De volgende metingen dienen uitgevoerd te worden: Laagdiktemetingen volgens NEN-EN-ISO
- Hechting volgens NEN-ISO
- Hardheid volgens NEN-ISO
- Garanties Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-48 De leverancier dient voor de totale conservering, alvorens