← Nederland

Beleidsregels Wet Werk en Bijstand van de gemeente Wijchen (Wijchen)

In het kort

Deze beleidsregels van de gemeente Wijchen beschrijven hoe de gemeente mensen met een uitkering ondersteunt bij het vinden van werk, met een focus op re-integratievoorzieningen en de voorwaarden hiervoor.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Richtlijn W001 Afspraken met UWV inzake aanbieden voorzieningen aan personen met uitkering via UWV In deze richtlijn kan het college aangeven welke afspraken er op met het UWV gemaakt zijn inzake het overnemen van de reïntegratieopdracht van personen die een door het UWV verstrekt uitkering ontvangen. De gemeente Wijchen heeft geen nadere afspraken gemaakt met het UWV omtrent het overnemen van de verantwoordelijkheid van personen die onder de zorgplicht van het UWV vallen. Indien aan de orde kunnen er in het individuele geval nadere afspraken gemaakt worden. Richtlijn W002 Procedure aanvraag en toekenning reïntegratievoorzieningen In onderstaande richtlijn kan het college aangeven welke procedure wordt gevolgd inzake de aanvraag en toekenning van een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling. Afweging meest geschikte voorziening Een verzoek om reïntegratie kan op verzoek van de klant, dan wel op voordracht van de klantmanager plaatsvinden. Uitgangspunt is dat een voorziening alleen wordt toegekend indien duurzame arbeidsinschakeling zonder voorziening niet mogelijk is. De gemeente Wijchen maakt gebruik van een zestal voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Bij de afweging welke voorziening het meest geschikt is houdt de klantmanager rekening met de individuele mogelijkheden en belemmeringen van de belanghebbende in verband met gezondheid en belastbaarheid. Het vaststellen van de meest geschikte voorziening is maatwerk. Diverse aspecten maken deel uit van de individuele afweging, zoals het reïntegratieadvies van het CWI, de motivatie en capaciteiten van belanghebbende, de arbeidsmarktrelevantie van een voorziening, de beschikbaarheid van voorzieningen en financiële middelen. Bij het beoordelen van de persoonlijke mogelijkheden wegen niet zozeer aspecten als opleiding en werkervaring mee, als wel de gezondheid en belastbaarheid van de belanghebbede. Eventueel laat de klantmanager, voordat besloten wordt tot een traject en/of inzet van een bepaalde voorziening, een nader onderzoek uitvoeren naar de mogelijkheden van de belanghebbende en de geschiktheid van een bepaalde voorziening of vorm van begeleiding. Het gaat hierbij om een nadere diagnosestelling teneinde te komen tot voor een klant passend traject. Bij de afweging van de meeste geschikte voorziening wordt bij alleenstaande ouders concreet rekening gehouden met de zorgtaak voor haar/zijn kinderen. Uitgangspunt is dat de alleenstaande ouder pas deel kan nemen aan een voorziening indien kinderopvang beschikbaar is. De alleenstaande ouder heeft een inspanningsverplichting ten aanzien van het verkrijgen van adequate kinderopvang. Dit strookt met de uitgangspunten van de Wet kinderopvang (Wk) waarbij oudres een belangrijke rol krijgen toebedeeld waar het gaat om het regelen en bekostigen van kinderopvang. De uitkeringsgerechtigde kan de gemeente wel vragen om ondersteuning bij het organiseren van kinderopvang. Verplichtingen verbonden aan een voorziening Aan het toekennen van een voorziening kan de klantmanager nadere verplichtingen verbinden. Deze verplichtingen dienen altijd een relatie te hebben met de aard en het doel van de voorziening. Beëindigen van een voorziening De klantmanager kan besluiten om een bepaalde voorziening te beëindigen indien: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen op grond van of artikel 9 WWB niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer tot de doelgroep van het gemeentelijke reïntegratiebeleid hoort (uitkeringsgerechtigden, niet-uitkeringsgerechtigden, personen met een Anw-uitkering of personen met een dienstverband dat geheel of gedeeltelijk uit het reïntegratiebudget gefinancierd wordt); de persoon die deelneemt aan een voorziening neveninkomsten heeft, die naar het oordeel van de klantmanger betekenen dat hij/zij in staat is om zonder voorziening een plaats te vinden of te behouden op de arbeidsmarkt; indien de voorziening naar oordeel van de klantmanager onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; of een andere voorziening geschikter wordt geacht. Budget- en subsidieplafond Er wordt voor 2005 een maximum gesteld aan de kosten die de gemeente per uitkeringsgerechtigde voor zijn rekening neemt in het kader van de arbeidsinschakeling. Een totaal reïntegratietraject, dus inclusief scholing of een subsidie voor scholing, mag per uitkeringsgerechtigde niet meer kosten dan € 5.000,--. (Zie artikel 12 en de bijbehorende bijlage bij deze beleidsregels.) Hierbij gaan wij uit van de looptijd van een traject van een jaar. Het spreekt voor zich dat de begeleiding van personen met meervoudige problemen (bijv. een samen gaan van verslaving, schulden en een verouderde opleiding) een langer traject vergen. De klantmanagers hebben het mandaat om overeenkomsten aan te gaan tot een bedrag van € 5.000,--. Wanneer een traject meer kost dan wordt deze casus ingebracht in een afstemmingsoverleg, waarbij naast de klantmanager en de manager ook de beleidsadviseur inkoopbeleid van de afdeling aanwezig is. Voor niet-uitkeringsgerechtigden geldt een limiet aan de gemeentelijke bijdrage van € 3.000,-- per cliënt voor een totaaltraject. Een cliënt mag eenmaal per drie jaar een beroep doen op deze € 3.000,-- voor een totaaltraject. Eventuele meerkosten komen voor eigen rekening. Er is afgesproken dat per jaar aan 70 belanghebbenden uit de geprioriteerde doelgroepen nieuwe trajecten worden aangeboden. De reden om het aantal nieuwe trajecten op 70 te stellen per jaar, is een financiële. We zijn uitgegaan van het budget dat we in 2004 beschikbaar hebben in het Werkfonds voor reïntegratietrajecten. Wanneer we daar de kosten voor gesubsidieerde arbeid aftrekken en de lopende verplichtingen, zouden we budget overhouden voor 70 nieuwe trajecten. In 2004 hebben we in het kader van de invoering van de WWB ook onze verplichtingadministratie verbeterd. Of we na 70 nieuwe trajecten nog meer nieuwe trajecten kunnen starten hangt af van de ruimte in ons Werkfonds en van de uitstroom die is gerealiseerd uit de bijstand. Wanneer er daardoor ruimte is ontstaan in ons Inkomensdeel van het Fonds Werk en Inkomen dan mag deze financiële ruimte ingezet worden voor reïntegratietrajecten. Het is dus niet alleen belangrijk om nieuwe trajecten te starten; het is ook belangrijk om uitstroom te realiseren. De realiteit gebiedt ons echter om het percentage uitstroom niet te hoog te stellen. Dit heeft o.a. te maken met de slechte economische situatie en met de problematiek van onze klanten. Uit een bestandsanalyse, uitgevoerd door een extern bureau, blijkt dat meer dan 80% van onze klanten een zeer grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt. Wij stellen ons uitstroompercentage op 5%. In 2005 geldt het werkdeel van het Fonds Werk en Inkomen onder aftrek van de kosten voor gesubsidieerde arbeid in verband met de uitvoering van artikel 23 van de Reïntegratieverordening en de overige verplichtingen voor 2005, als budgetplafond voor voorzieningen in het kader van arbeidsinschakeling. Richtlijn W003 Afspraken met cliënt over de gevolgen van het niet nakomen/ voortijdig afbreken van een reïntegratie In deze richtlijn kan het college aangeven welke afspraken er met belanghebbenden die een Anw-uitkering ontvangen of niet-uitkeringsgerechtigd zijn, voor het geval zij niet naar behoren meewerken aan hun reïntegratie en of het traject voortijdig afbreken. Voldoet een Anw-gerechtigde of een niet-uitkeringsgerechtigde die gebruik maakt van een bepaalde voorziening, niet aan de wettelijke verplichtingen, dan wel aan de verplichtingen die in het individuele geval aan het gebruik van de voorziening zijn verbonden, dan kan de voorziening beëindigd worden. Daarnaast kunnen kosten van de voorziening of verstrekte subsidie geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden. Richtlijn W004 Overzicht aangeboden reïntegratievoorzieningen (vervallen) Gemeente Wijchen De gemeente Wijchen biedt de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling: werkstages sociale activering loonkostensubsidies gericht op reïntegratie scholing voorbereiding op eigen bedrijf recht op uitstroompremie Kinderopvang kan deel uitmaken van de bovenstaande voorzieningen.

  1. werkstages Doel: het verkrijgen van werkervaring in een bepaalde richting en/of het behouden en versterken van werknemersvaardigheden. De werkstage is overwegend gericht op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de belanghebbende. Na de werkstage is belanghebbende in principe klaar om door te stromen naar regulier werk. In alle gevallen staat de positieve bijdrage aan de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling centraal. Een werkstage is onderdeel van een reïntegratietraject maar kan tevens in het kader van een “work first programma” worden ingezet. In 2005 willen wij de mogelijkheden van een dergelijk project onderzoeken. In het geval van een “Work first” programma is de werkstage ook een middel om instroom in de uitkering te beperken en geeft de wijze waarop de klant de werkstage doorloopt een indruk van de capaciteiten en motivatie van betrokkene. Dit kan behulpzaam zijn bij het samenstellen van een eventueel vervolgtraject. Doelgroep: Personen die behoren tot één van de doelgroepen van het gemeentelijk reïntegratiebeleid en als zodanig in de Reïntegratieverordening zijn genoemd. Het betreft dus zowel uitkeringsgerechtigden (WWB, IOAW, IOAZ) als niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-ers. Over het algemeen is sprake van een kleine afstand tot de arbeidsmarkt (fase 2). (In uitzonderingsgevallen kan deze vorm van werkervaring ook opengesteld worden voor klanten in fase
  2. Een advies hierover zal, als de situatie zich voordoet, voorgelegd worden door de klantmanager aan het college. De klantmanager beoordeelt of een werkstage onderdeel dient uit te maken van het reïntegratietraject. Voor niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-ers is de werkstage het enige beschikbare werkervaringsinstrument, aangezien subsidie op arbeid en detacheringbanen uitsluitend open staan voor personen met een bijstandsuitkering. Werkplekken: De werkplekken kunnen in alle sectoren worden gecreëerd, dus zowel bij bedrijven met winstoogmerk als zonder winstoogmerk. Werkplekken waarbij de kans op doorstroom naar regulier werk (intern of extern) het grootst is hebben de voorkeur. Voorwaarden: de aanbieder zorgt voor instructie en voldoende begeleiding bij de uit te voeren werkzaamheden;' de werkstage mag niet leiden tot verdringing van regulier werk. De werkzaamheden zullen gepaard moeten gaan met goede individuele begeleiding en afstemming op de capaciteiten van de cliënt. De werkzaamheden zijn gericht op het bevorderen van de mogelijkheden van de cliënt om uit de bijstand te stromen en niet op het realiseren van het bedrijfsdoel van de werkgever. Duur: De termijn van deze werkstage is afhankelijk van het aantal uren dat iemand stage loopt op een betreffende werkstageplek. Als marges houden wij aan: 20 uren stagelopen per week, dan mag de plaatsing maximaal 6 maanden duren; 4 uren stagelopen per week, dan mag de plaatsing maximaal een jaar duren. Vastleggen afspraken: De werkstage is een voorziening gericht op arbeidsinschakeling en dient als zodanig altijd vervat te zijn in een individuele beschikking. Voorafgaand aan de werkstage maken reïntegratiebedrijf en aanbieder afspraken over: (leer)doel van de werkstage; de werkzaamheden die de belanghebbende gaat verrichten; begin- en einddatum, aantal uren per week, werktijden; indien aan de orde: afspraken over onkostenvergoedingen, verzekeringen en dergelijke; de wijze waarop en door wie de begeleiding, terugkoppeling en rapportage plaatsvinden. Vergoeding: De werkzaamheden worden niet betaald. Wel kan de aanbieder een onkostenvergoeding verstrekken. In voorkomende gevallen kan de gemeente de onkosten vergoeden. Voor de term werkstage is gekozen om te benadrukken dat het gaat om een soort scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het leren werken staat centraal. Om dit te benadrukken kan voor het vervullen van een werkstage als bedoeld in dit artikel geen stagevergoeding worden verstrekt, anders dan een vergoeding voor werkelijk gemaakte onkosten. Bij het aangaan van een werkstage is het van belang dat het onderscheid met een arbeidsovereenkomst duidelijk is. Om de schijn van een arbeidsovereenkomst te vermijden is het van belang zorgvuldig om te springen met een eventuele financiële vergoeding. Uitgangspunt is daarom dat: de belanghebbende geen vergoeding voor de werkzaamheden die hij verricht ontvangt; alleen indien daadwerkelijk onkosten worden gemaakt de aanbieder een onkostenvergoeding mag verstrekken. Die vergoeding mag niet ruimer zijn dan de gemaakte onkosten.
  3. sociale activering Sociale activering wordt alleen aangeboden als het een onderdeel is van traject gericht op arbeidsinschakeling en de noodzaak daarvan in zijn specifieke situatie vast staat. Hiervan is alleen sprake indien er door de betrokkene binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de aanvraag voor sociale activering, een aantoonbare inspanning heeft verricht tot het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid en belanghebbende er niet in slaagt deze arbeid ondanks deze inspanningen te verkrijgen wegen het ontbreken van de noodzakelijke (sociale) vaardigheden om te kunnen functioneren op een arbeidsplaats.
  4. loonkostensubsidies gericht op reïntegratie (subsidie op arbeid) Doel: uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt geschikt maken voor regulier werk door het aanbieden van een dienstverband, in combinatie met intensieve begeleiding. Doelgroep: uitkeringsgerechtigden (WWB, IOAW, IOAZ) met een (grote) afstand tot de arbeidsmarkt (fase 2, 3 of 4) en geïndiceerd voor een arbeidsplaats met subsidie of een detacheringsbaan (zie artikel 15). Bij de indicatie alsook bij een eventuele verlenging dient altijd bekeken te worden of betrokkene wellicht behoort tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening. De indicatie wordt afgegeven door een of meer van de volgende partijen: (indien van toepassing) de uitvoerder van Work First; een door de gemeente ingeschakeld reïntegratiebedrijf; het Centrum voor Werk en Inkomen in het kader van de kwalificerende intake. In alle gevallen is het oordeel van de klantmanager doorslaggevend. Op basis van diens advies beslist de gemeente of daadwerkelijk een detacheringsbaan wordt aangeboden. Werkgeversschap: Het formele werkgeversschap wordt uitgevoerd door de organisatie waar de belanghebbende gaat werken. De werkgever krijgt subsidie op arbeid die de belanghebbende verricht, als de werkgever zich houdt aan de gestelde voorwaarden. Via deze constructie houdt de gemeente de regie over het traject en kan ze de uitstroom actief bevorderen. Een voordeel van deze constructie t.o.v. de detacheringsbanen is dat er geen derde partij (het detacheringsbedrijf c.q. reïntegratiebedrijf) betrokken is bij de overeenkomst tussen de betrokkenen. Werkplekken: De werkplekken kunnen in alle sectoren worden gecreëerd, dus zowel bij bedrijven met winstoogmerk als zonder winstoogmerk. Passende werkplekken waarbij de kans op doorstroom naar regulier werk (intern of extern) voor de werknemer het grootst is hebben de voorkeur. Voorwaarden: bedrijven dienen bereid te zijn mee te werken aan doorstroom naar niet-gesubsidieerde arbeid, zowel intern als extern; bedrijven bieden begeleiding op de werkplek; het aantal dienstverbanden waarvoor de werkgever subsidie krijgt, mag niet meer zijn dan 25% van het aantal formatieplaatsen binnen het bedrijf; de klantmanager van de gemeente Wijchen is ervan overtuigd dat de plaatsing bijdraagt aan de snelste weg richting duurzame uitstroom van de belanghebbende; de klantmanager van de gemeente Wijchen is ervan overtuigd dat de belanghebbende goed begeleid wordt door de werkgever; de klantmanager van de gemeente Wijchen is ervan overtuigd dat de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er vindt geen verdringing plaats. Duur dienstverband: Uitgangspunt is een contract voor een jaar, eventueel nog ten hoogste eenmaal te verlengen met wederom maximaal een jaar. Hierbinnen is ruimte voor maatwerk, zij het met de volgende restricties: de minimale duur van een dienstverband is 6 maanden; bij opeenvolgende contracten mag de totale periode (waarin in enige vorm werkervaring wordt aangeboden) nooit meer dan 36 maanden zijn, dit overeenkomstig hetgeen hierover is bepaald in de wet Flexibiliteit en Zekerheid; binnen deze periode mag het contract ten hoogste twee maal worden verlengd, eveneens overeenkomstig hetgeen hierover is bepaald in de wet Flexibiliteit en Zekerheid. Omvang dienstverband: Uitgangspunt is dat de werknemer uit de uitkering is; de minimale omvang van het dienstverband is derhalve afgestemd op het aantal uren dat nodig is om uitstroom uit de uitkering te realiseren. Standaard is een dienstverband van 32 uur per week. Minder uren is mogelijk indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is. Loon: De werknemer heeft recht op het wettelijk minimumloon naar rato van de overeengekomen arbeidsduur. Hoogte inleenvergoeding: Vaststelling van de hoogte van de subsidie op arbeid gebeurt steeds voor een jaar op grond van de verdiencapaciteit (arbeidswaarde) van de werknemer. Op basis van een integrale intake vindt een voorlopige vaststelling van de verdiencapaciteit plaats. De klant zal vervolgens een week met behoud van uitkering bij de potentiële inlener werken om de verdiencapaciteit definitief te kunnen vaststellen (korte werkstage). De hoogte van de verdiencapaciteit bepaalt direct de hoogte van de subsidie op arbeid. Het percentage verdiencapaciteit is gelijk aan het percentage van de brutoloonkosten -/- het percentage verdiencapaciteit dat de werkgever gesubsidieerd krijgt. Uitgangspunt is een minimale bijdrage in de loonkosten door de werkgever van 25% van de bruto loonkosten. Verdiencapaciteit: Bij het bepalen van de verdiencapaciteit worden meegewogen de motivatie en attitude, de mate van kennis en vaardigheden die benodigd zijn voor de functie alsmede de verwachte prestatie/productiviteit in vergelijking tot de normen die gelden voor de functie. Het bepalen van de verdiencapaciteit dient zo objectief en eenduidig mogelijk te geschieden. De potentiële werkgever wordt vooraf zo goed mogelijk geïnformeerd over hoe de verdiencapaciteit, en daarmee de inleenvergoeding, tot stand komt. Arrangementen: Binnen het systeem kunnen verschillende arrangementen bestaan. Doel is het functioneren en de doorstroomkansen van de geplaatste belanghebbende te bevorderen. Verloop subsidie op arbeid: Gedurende de periode dat er voor belanghebbende subsidie op arbeid wordt ontvangen door de betrokken werkgever vindt intensieve begeleiding, door de werkgever, plaats gericht op het realiseren van doorstroom naar regulier werk. De ervaring leert dat niet iedereen de capaciteiten heeft om binnen een jaar door te groeien naar regulier werk. Voor deze personen staat de mogelijkheid open het contract met een jaar te verlengen. Dit kán hetzelfde werk bij dezelfde werkgever zijn, maar dat hoeft niet. Ook hierover dienen tijdig en in alle openheid afspraken met de werkgever te worden gemaakt. Indien verlenging aan de orde is vindt opnieuw een beoordeling plaats van de verdiencapaciteit om de hoogte van de subsidie vast te stellen. Tijdens het tweede contractjaar volgt dezelfde werkwijze. Wij gaan ervan uit dat arrangementen in de vorm van werkstages, subsidie op arbeid en detacheringsbanen voor de individuele belanghebbende niet langer dan 36 maanden mogen duren. Rekening houdend met de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (opeenvolgende contracten voor bepaalde tijd mogen tezamen maximaal 36 maanden duren) is nog één maal verlenging van het tijdelijk dienstverband mogelijk. Wordt de 36 maanden termijn overschreden, dan is automatisch sprake van een dienstverband voor onbepaalde tijd bij de betrokken werkgever. Voorts regelt de Wet Flexibiliteit en Zekerheid dat wanneer meer dan drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Samengevat: de elkaar opvolgende tijdelijke contracten met subsidie op arbeid en detacheringscontracten mogen bij elkaar maximaal een periode van 36 maanden bestrijken (perioden tussen de contracten van minder dan drie maanden tellen ook mee!) en in die periode mogen maximaal drie tijdelijke contracten worden aangegaan. Toets uitkeringsafhankelijkheid: Bij de beoordeling of tot verlenging van subsidie op arbeid moet worden overgegaan is van belang of de betrokken werknemer zonder subsidie op arbeid weer een beroep op een uitkering zou moeten doen. Zo kan het zijn dat inmiddels de partner werk heeft gevonden, waarmee het gezinsinkomen boven de uitkeringsnorm komt. Reïntegratie met de bedoeling uitstroom uit de uitkering te realiseren is in dat geval niet meer aan de orde. Wanneer het waarschijnlijk is dat de uitstroom uit de uitkering “duurzaam” is zoals gedefinieerd in de reïntegratieverordening, eindigt de overeenkomst en komt betrokkene niet meer voor verlenging in aanmerking. Geen regulier werk? Na maximaal 3 jaar lopen de arrangementen om werkervaring op te doen af. Wat nu als de inspanningen niet hebben geresulteerd in uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt? Weer een uitkering: Betrokkene komt terug in de uitkering. In eerste instantie, wanneer voldoende dagen gewerkt is, zal dit een WW-uitkering van het UWV zijn. Daarna zal betrokkene weer een beroep doen op een bijstandsuitkering. Subsidie op arbeid voor onbepaalde tijd? Om te voorkomen dat betrokkene weer aangewezen zal zijn op een uitkering kán de gemeente een subsidie op arbeid voor onbepaalde tijd aanbieden. In verband met de structurele financiële consequenties (langlopende verplichtingen!) van dienstverbanden voor onbepaalde tijd voor het reïntegratiebudget is het de vraag of het verstandig is om dergelijke dienstverbanden in het leven te roepen. De kans op uitstroom is voor de betreffende personen niet of nauwelijks aanwezig. Gezien de kosten van een gesubsidieerde baan betekent dit dat een vrij fors deel van het reïntegratiebudget besteed wordt aan een relatief kleine groep en gedurende langere tijd niet meer inzetbaar is voor andere reïntegratieactiviteiten. Vooralsnog zal daarom geen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om een arbeidsplaats met subsidie op arbeid voor bepaalde tijd om te zetten in een subsidie op arbeid voor onbepaalde tijd indien dit volledig ten laste van het reïntegratiebudget komt. Een alternatief is het creëren van arbeidsplaats met subsidie voor onbepaalde tijd bij maatschappelijke organisaties, waarbij (een deel van) de kosten worden gedragen door de betreffende organisatie en/of worden gedekt uit andere door de gemeente beschikbaar gestelde budgetten. Dit heeft voordelen voor de werknemer (die werk houdt) en voor de maatschappelijke organisatie (die iemand heeft om ondersteunende werkzaamheden uit te voeren). Wij willen dit overwegen voor diegenen die op een “oude” Wiw-dienstbetrekking zijn geplaatst met een contract voor onbepaalde tijd. Uitgangspunten voor ons zijn: Het formeel werkgeverschap wordt overgenomen door de betrokken organisatie of instelling; Diegene die geplaatst is op de “oude” Wiw-dienstbetrekking is 57,5 jaar of ouder. Zorgtraject (artikel 18) en vrijwilligerswerk Is er geen reëel arbeidsperspectief dan dient te worden bezien of wellicht een zorgtraject aan de orde is. De term zorgtraject dient ruim te worden uitgelegd; het gaat om afspraken tussen gemeente en uitkeringsgerechtigde over hoe de uitkeringsgerechtigde de periode waarin hij niet bezig zal zijn met arbeidsinschakeling gaat invullen. Ook het doen van vrijwilligerswerk kan een zorgtraject-activiteit zijn. Overgang gesubsidieerde banen oude stijl naar nieuwe systematiek De gemeente werkt toe naar één systeem voor gesubsidieerd werk c.q. subsidie op arbeid. Voor zover mogelijk zullen daarom de “oude” In- en Doorstroombanen en WIW-dienstverbanden in de nieuwe systematiek worden gepast (stroomlijning). Voorop staat dat de betrokken werknemers er in arbeidsvoorwaardelijke en rechtspositionele zin niet op achteruit gaan. Volledige uniformiteit zal hierdoor niet mogelijk zijn omdat dat doorgaans een achteruitgang zou impliceren. Onderstaand overzicht geeft de belangrijkste kenmerken van de nieuwe systematiek weer alsmede de mogelijkheden tot stroomlijning: ID-banen Subsidie op arbeid ID-baan Gelijk maken aan elkaar ? Rechtstreeks dienstverband rechtstreeks dienstverband Gelijk aan voorwaarden subsidie op arbeid Contract bepaalde tijd contract onbepaalde tijd Niet mogelijk. Subsidie op arbeid o.b.v. verdiencapaciteit subsidie van loonkosten Ja, subsidiehoogte afstemmen op verdiencapaciteit (overgangsregeling) Jaarlijkse herbeoordeling verdiencapaciteit geen herbeoordeling Herbeoordeling ja, maar deze hoeft niet perse directe consequenties te hebben voor de subsidie aan de werkgever wanneer het gaat om een contract voor onbepaalde tijd. Aanpassing subsidie bijv. eens per twee jaar. Bij hoge verdiencapaciteit is uitstroom naar regulier werk echter reëel. Intensieve uitstroomgerichte begeleiding door werkgever Ondersteuning beperkt + alleen op verzoek werkgever Ja, uitstroomgerichter maken bij I/D-werkgever Aanvullende faciliteiten door maatwerkarrangementen zoals, aanvullende scholing e.d. mogelijk Mogelijkheid vergoeding aanvullende kosten (bv. Scholingskosten) Ja, meer gericht op uitstroom WIW-dienstverbanden voor onbepaalde tijd Subsidie op arbeid WIW-dienstverband voor onbepaalde tijd * Stroomlijnen? Rechtstreeks dienstverband Via WiZ Bij voorkeur omzetten in subsidie op arbeid Contract bepaalde tijd Er is sprake van een contract voor onbepaalde tijd Niet mogelijk. Loonkostensubsidie o.b.v. verdiencapaciteit Inleenvergoeding die niet gerelateerd is aan verdiencapaciteit Ja, naar loonkostensubsidie op basis van verdiencapaciteit. Jaarlijkse herbeoordeling verdiencapaciteit Per kwartaal onderzoek naar uitstroommogelijkheden; had geen invloed op hoogte inleenvergoeding Ja. intensieve uitstroomgerichte begeleiding door werkgever Komt in praktijk zelden voor. Ja, meer uitstroomgericht. aanvullende faciliteiten door maatwerkarrangementen zoals begeleiding op de werkplek, aanvullende scholing e.d. mogelijk Faciliteiten konden aangevraagd worden. Ja, onder voorwaarden * De Wiw-dienstverbanden voor bepaalde tijd laten wij van rechtswege eindigen, zodra het dienstverband voor bepaalde tijd afloopt. Conclusie is dat de rechtspositie van de “oude” WIW-ers en ID-ers gehandhaafd dient te blijven, maar dat de wijze van begeleiding, facilitering en financiering kunnen worden gestroomlijnd. DETACHERINGSBANEN Doel: uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt geschikt maken voor regulier werk door het aanbieden van een dienstverband, in combinatie met intensieve begeleiding. Doelgroep: uitkeringsgerechtigden (WWB, IOAW, IOAZ) met een (grote) afstand tot de arbeidsmarkt (fase 2, 3 of 4) en geïndiceerd voor een detacheringsbaan. Bij de indicatie alsook bij een eventuele verlenging dient altijd bekeken te worden of betrokkene wellicht behoort tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening. De indicatie wordt afgegeven door een of meer van de volgende partijen: (indien van toepassing) de uitvoerder van Work First; een door de gemeente ingeschakeld reïntegratiebedrijf; het Centrum voor Werk en Inkomen in het kader van de kwalificerende intake. In alle gevallen is het oordeel van de klantmanager doorslaggevend. Op basis van diens advies beslist de gemeente of daadwerkelijk een detacheringsbaan wordt aangeboden. Werkgeversschap: De gemeente draagt het formeel werkgeversschap op aan een private rechtspersoon (het detacherend bedrijf). Dit kan een op basis van de aanbestedingsprocedure gekozen reïntegratiebedrijf zijn. Deze neemt de uitkeringsgerechtigde in dienst en plaatst deze bij een inlenende organisatie. Het detacherende bedrijf is verantwoordelijk voor begeleiding van werknemer en inlener. Via deze constructie houdt de gemeente de regie over het traject en kan ze de uitstroom actief bevorderen. Een ander voordeel van detachering is dat bedrijven door het geringere risico eerder bereid zullen zijn om personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een werkplek aan te bieden. Werkplekken: De werkplekken kunnen in alle sectoren worden gecreëerd, dus zowel bij bedrijven met winstoogmerk als zonder winstoogmerk. Passende werkplekken waarbij de kans op doorstroom naar regulier werk (intern of extern) voor de werknemer het grootst is hebben de voorkeur. Voorwaarden: Bedrijven dienen bereid te zijn mee te werken aan doorstroom naar niet-gesubsidieerde arbeid, zowel intern als extern; Bedrijven bieden begeleiding op de werkplek; Het aantal dienstverbanden waarvoor de werkgever subsidie krijgt, mag niet meer zijn dan 25% van het aantal formatieplaatsen binnen het bedrijf De klantmanager van de gemeente Wijchen is ervan overtuigd dat de plaatsing bijdraagt aan de kansen op duurzame uitstroom van de belanghebbende. De klantmanager van de gemeente Wijchen is ervan overtuigd dat de belanghebbende goed begeleid wordt door zowel de organisatie die het werkgeverschap voor de detacheringbaan uitvoert als de inlenende organisatie. Duur dienstverband: Uitgangspunt is een contract voor een jaar, eventueel nog ten hoogste twee maal te verlengen met wederom maximaal een jaar. Dit ligt aan de voorzieningen die de belanghebbende al zijn aangeboden. Hierbinnen is ruimte voor maatwerk, zij het met de volgende restricties: de minimale duur van een dienstverband is 6 maanden; bij opeenvolgende contracten mag de totale periode nooit meer dan 36 maanden zijn, dit overeenkomstig hetgeen hierover is bepaald in de wet Flexibiliteit en Zekerheid; binnen deze periode mag het contract ten hoogste twee maal worden verlengd, eveneens overeenkomstig hetgeen hierover is bepaald in de wet Flexibiliteit en Zekerheid. Zie verder “Verloop detacheringsbaan”. Omvang dienstverband: Uitgangspunt is dat de werknemer uit de uitkering is; de minimale omvang van het dienstverband is derhalve afgestemd op het aantal uren dat nodig is om uitstroom uit de uitkering te realiseren Standaard is een dienstverband van 32 uur per week. Minder uren is mogelijk indien dit naar het oordeel van het college van B&W noodzakelijk is. Loon: De werknemer heeft recht op het wettelijk minimumloon naar rato van de overeengekomen arbeidsduur. Arbeidsvoorwaardenregeling: Van toepassing is de Arbeidsvoorwaardenregeling die geldt voor het betrokken detacheringsbedrijf. Hoogte subsidie: Vaststelling van de hoogte van de vergoeding aan het detacheringsbedrijf gebeurt steeds voor een jaar op grond van de verdiencapaciteit van de werknemer. Op basis van een integrale intake vindt een voorlopige vaststelling van de verdiencapaciteit plaats. De klant zal vervolgens een week met behoud van uitkering bij de potentiële inlener werken om de verdiencapaciteit definitief te kunnen vaststellen (korte werkstage). De hoogte van de verdiencapaciteit bepaalt direct de hoogte van de subsidie op arbeid. Het percentage verdiencapaciteit is gelijk aan het percentage van de brutoloonkosten -/- het percentage verdiencapaciteit dat de werkgever gesubsidieerd krijgt. Het is aan het detacheringsbedrijf zelf om te onderhandelen met de betrokken “inlener” of deze werkgever het detacheringsbedrijf een vergoeding betaalt voor de betrokken werknemer. Uitgangspunt is dat het detacheringsbedrijf minimaal 25% van de bruto loonkosten van de belanghebbende betaalt. Verdiencapaciteit: Bij het bepalen van de verdiencapaciteit worden meegewogen de motivatie en attitude, de mate van kennis en vaardigheden die benodigd zijn voor de functie alsmede de verwachte prestatie/productiviteit in vergelijking tot de normen die gelden voor de functie. Het bepalen van de verdiencapaciteit dient zo objectief en eenduidig mogelijk te geschieden. De potentiële werkgever wordt vooraf zo goed mogelijk geïnformeerd over hoe de verdiencapaciteit, en daarmee de inleenvergoeding, tot stand komt. Arrangementen: Binnen het systeem kunnen verschillende arrangementen bestaan. Doel is het functioneren en de doorstroomkansen van de geplaatste te bevorderen. Verloop detacheringsbaan: Gedurende de detachering vindt intensieve begeleiding plaats gericht op het realiseren van doorstroom naar regulier werk. De ervaring leert dat niet iedereen de capaciteiten heeft om binnen een jaar door te groeien naar regulier werk. Voor deze personen staat de mogelijkheid open het contract met een jaar te verlengen. Dit kán hetzelfde werk bij dezelfde werkgever zijn, maar dat hoeft niet. Ook hierover dienen tijdig en in alle openheid afspraken met de werkgever te worden gemaakt. Indien verlenging aan de orde is vindt opnieuw een beoordeling plaats van de verdiencapaciteit om de hoogte van de inleenvergoeding vast te stellen. Tijdens het tweede contractjaar volgt dezelfde werkwijze. Rekening houdend met de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (opeenvolgende contracten voor bepaalde tijd mogen tezamen maximaal 36 maanden duren) is nog één maal verlenging van het tijdelijk dienstverband mogelijk. Wordt de 36 maanden termijn overschreden, dan is automatisch sprake van een dienstverband voor onbepaalde tijd. Voorts regelt de Wet Flexibiliteit en Zekerheid dat wanneer meer dan drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Samengevat: de elkaar opvolgende tijdelijke contracten (om werkervaring op te doen) mogen bij elkaar maximaal een periode van 36 maanden bestrijken (perioden tussen de contracten van minder dan drie maanden tellen ook mee!) en in die periode mogen maximaal drie tijdelijke contracten worden aangegaan. Toets uitkeringsafhankelijkheid: Bij de beoordeling of tot verlenging van de detacheringsbaan moet worden overgegaan is van belang of de betrokken werknemer zonder detacheringsbaan weer een beroep op een uitkering zou moeten doen. Zo kan het zijn dat inmiddels de partner werk heeft gevonden, waarmee het gezinsinkomen boven de uitkeringsnorm komt. Reïntegratie met de bedoeling uitstroom uit de uitkering te realiseren is in dat geval niet meer aan de orde. Wanneer het waarschijnlijk is dat de uitstroom uit de uitkering “duurzaam” is zoals gedefinieerd in de reïntegratieverordening, eindigt de overeenkomst en komt betrokkene niet meer voor verlenging in aanmerking. Geen regulier werk? Na maximaal 3 jaar loopt de detacheringsbaan af. Wat nu als de inspanningen niet hebben geresulteerd in uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt? Weer een uitkering Betrokkene komt terug in de uitkering. In eerste instantie, wanneer voldoende dagen gewerkt is, zal dit een WW-uitkering van het UWV zijn. Daarna zal betrokkene weer een beroep doen op een bijstandsuitkering. Detacheringsbaan voor onbepaalde tijd? Om te voorkomen dat betrokkene weer aangewezen zal zijn op een uitkering kán de gemeente een detacheringsbaan voor onbepaalde tijd aanbieden. In verband met de structurele financiële consequenties (langlopende verplichtingen!) van dienstverbanden voor onbepaalde tijd voor het reïntegratiebudget is het de vraag of het verstandig is om dergelijke dienstverbanden in het leven te roepen. De kans op uitstroom is voor de betreffende personen niet of nauwelijks aanwezig. Gezien de kosten van een gesubsidieerde baan betekent dit dat een vrij fors deel van het reïntegratiebudget besteed wordt aan een relatief kleine groep en gedurende langere tijd niet meer inzetbaar is voor andere reïntegratieactiviteiten. Vooralsnog zal daarom geen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid een detacheringsbaan voor bepaalde tijd om te zetten in een detacheringsbaan voor onbepaalde tijd indien dit volledig ten laste van het reïntegratiebudget komt. Een alternatief is het creëren van detacheringsbanen voor onbepaalde tijd bij maatschappelijke organisaties, waarbij (een deel van) de kosten worden gedragen door de betreffende organisatie en/of worden gedekt uit andere door de gemeente beschikbaar gestelde budgetten. Dit heeft voordelen voor de werknemer (die werk houdt) en voor de maatschappelijke organisatie (die iemand heeft om ondersteunende werkzaamheden uit te voeren). Wij geven echter de voorkeur aan het creëren van arbeidsplaatsen met subsidie. (Zie hiervoor bij “Loonkostensubsidies gericht op reïntegratie (subsidie op arbeid)”. Wij willen een uitzondering hierop overwegen voor die organisaties die het formeel werkgeverschap niet uit kunnen voeren omdat er geen professionele arbeidskracht aanwezig is om begeleiding te bieden. Bijv. doordat het bestuur bestaat uit vrijwilligers en er verder niemand op de loonlijst staat. Zorgtraject (artikel 18) en vrijwilligerswerk Is er geen reëel arbeidsperspectief dan dient te worden bezien of wellicht een zorgtraject aan de orde is. De term zorgtraject dient ruim te worden uitgelegd; het gaat om afspraken tussen gemeente en uitkeringsgerechtigde over hoe de uitkeringsgerechtigde de periode waarin hij niet bezig zal zijn met arbeidsinschakeling gaat invullen. Ook het doen van vrijwilligerswerk kan een zorgtraject-activiteit zijn. Overgang gesubsidieerde banen oude stijl naar nieuwe systematiek De gemeente werkt toe naar één systeem voor gesubsidieerd werk. Voor zover mogelijk zullen daarom de “oude” In- en Doorstroombanen en WIW-dienstverbanden in de nieuwe systematiek worden gepast (stroomlijning). Voorop staat dat de betrokken werknemers er in arbeidsvoorwaardelijke en rechtspositionele zin niet op achteruit gaan. Volledige uniformiteit zal hierdoor niet mogelijk zijn omdat dat doorgaans een achteruitgang zou impliceren. Onderstaand overzicht geeft de belangrijkste kenmerken van de nieuwe systematiek weer alsmede de mogelijkheden tot stroomlijning: ID-banen Detacheringsbaan nieuwe stijl ID-baan Stroomlijnen? Detacheringsformule rechtstreeks dienstverband Niet mogelijk Contract bepaalde tijd contract onbepaalde tijd Niet mogelijk inleenvergoeding o.b.v. verdiencapaciteit subsidie van loonkosten ja, subsidiehoogte afstemmen op verdiencapaciteit (overgangsregeling) Jaarlijkse herbeoordeling verdiencapaciteit geen herbeoordeling Herbeoordeling ja, maar deze hoeft niet per se directe consequenties te hebben voor de subsidie aan de werkgever. Aanpassing subsidie bv. eens per drie jaar. Bij hoge verdiencapaciteit is uitstroom naar regulier werk echter reëel. Intensieve uitstroomgerichte begeleiding door uitvoerder detacheringsbanen ondersteuning beperkt + alleen op verzoek werkgever Ja, uitstroomgerichter maken bij I/D-werkgever aanvullende faciliteiten zoals begeleiding op de werkplek, aanvullende scholing e.d. mogelijk mogelijkheid vergoeding aanvullende kosten (bv. scholingskosten) Ja, meer gericht op uitstroom WIW-dienstverbanden detacheringsbaan nieuwe stijl WIW-dienstverband Stroomlijnen? Detacheringsformule Ja Ja Contract bepaalde tijd in de meeste gevallen is sprake van een contract voor onbepaalde tijd Niet mogelijk wanneer het gaat om contracten voor onbepaalde tijd. inleenvergoeding o.b.v. verdiencapaciteit Regime oude inleenvergoeding geldt Ja, naar verdiencapaciteit Jaarlijkse herbeoordeling verdiencapaciteit Per kwartaal onderzoek naar uitstroommogelijkheden; had geen invloed op hoogte inleenvergoeding Ja Intensieve uitstroomgerichte begeleiding door uitvoerder detacheringsbanen Komt in praktijk zelden voor. Ja, meer uitstroomgerichter maken. aanvullende faciliteiten zoals begeleiding op de werkplek, aanvullende scholing e.d. mogelijk Faciliteiten konden aangevraagd worden. Ja. Conclusie is dat de rechtspositie van de “oude” WIW-ers en ID-ers gehandhaafd dient te blijven, maar dat de wijze van begeleiding, facilitering en financiering kunnen worden gestroomlijnd.
  5. scholing Voorwaarden voor toekenning van een scholingsaanvraag Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de scholing dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de criteria die gelden voor de aanvrager enerzijds en voor het scholingsproject op zichzelf in verband met het bereiken van het goed perspectief van belanghebbende op de arbeidsmarkt, gelet op zijn verplichting algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Scholing gericht op arbeidsinschakeling kan aangeboden worden indien de noodzaak daarvan in zijn specifieke situatie vast staat. Hiervan is alleen sprake indien: er door de betrokkene binnen de periode van een half jaar voorafgaande aan de scholingsaanvraag, een aantoonbare inspanning is verricht tot het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid en belanghebbende er niet in slaagt deze arbeid ondanks deze inspanningen te verkrijgen wegens het ontbreken van noodzakelijke kwalificaties; en de scholing na afronding een redelijk tot goed perspectief op de arbeidsmarkt geeft Een scholingsaanvraag wordt slechts toegekend indien in het voor de klant geldende trajectplan scholing is opgenomen als een passende voorziening ter verwezenlijking van (een deel van) het doel van het traject. Scholing is immers slechts een instrument om een doel te bereiken, waarvan op voorhand duidelijk moet zijn dat dit bijdraagt aan de kortste weg naar duurzame arbeid voor belanghebbende. Zonder trajectplan kan er dus nooit een scholingsaanvraag toegekend worden. De hiervoor bedoelde scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie. Het kan van belang zijn deze mogelijkheid te bieden, indien de cliënt op eigen initiatief met een vorm van scholing komt die door het college als noodzakelijk wordt geacht, maar die niet bestaat binnen het reguliere scholingsaanbod van de gemeente. Aan welke voorwaarden moet de scholing voldoen Voor de scholing die wordt aangeboden of waarvoor subsidie wordt verleend gelden de volgende voorwaarden: De scholing dient te zijn gericht op het behalen van een startkwalificatie arbeidsmarkt. Met startkwalificatie wordt bedoeld het succesvol afronden van een beroepsopleiding op niveau 2 in het MBO of met het behalen van een diploma van het HAVO of het VWO. Andere scholing dan genoemd hiervoor onder 1 genoemd, dient beroepsgericht en kortdurend te zijn en gericht te zijn op snelle arbeidsinschakeling; De goedkoopste scholingsmogelijkheid moet worden benut; De scholing wordt eerst toegekend voor een periode van één jaar; Voor niet-uitkeringsgerechtigden en personen die een uitkering ontvangen op basis van de Algemene Nabestaandenwet geldt als aanvullende voorwaarde dat belanghebbende zich beschikbaar dient te stellen voor de arbeidsmarkt voor tenminste 16 uur per week. Noodzakelijke scholing op niveau van hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs De genoemde voorwaarden beogen een terughoudende toepassing van de scholing op dit niveau nu de deelnemers hieraan in de meeste gevallen al een voldoende startkwalificatie hebben voor hun toetreding tot de arbeidsmarkt. Het hoger beroeps- of wetenschappelijk onderwijs kan slechts noodzakelijk worden geacht voor de inschakeling in de arbeid, indien de scholing of opleiding, naast de voorwaarden zoals hierboven vermeld, voldoet aan de volgende voorwaarden: de scholing wordt gegeven in een specifiek op werklozen gericht project; een praktijkcomponent van de scholing mag niet meer dan de helft van het programma uitmaken. Advies Bij de beoordeling van de hierboven genoemde aspecten, zoals arbeidsmarktrelevantie, kan advies gevraagd worden aan het CWI of het reïntegratiebedrijf dat benaderd voor uitvoering van (een deel van) het reïntegratietraject. Voor de beoordeling van de vraag of de scholing leidt tot snelle arbeidsinschakeling, wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie van het CWI. In beginsel wordt enkel scholing ingezet die opleidt naar beroepssectoren, waarnaar volgens het CWI op de korte of middellange termijn vraag naar is. Niet-noodzakelijke scholing Ongeacht de toekenningsvoorwaarden, zoals ze hierboven beschreven staan, wordt de volgende scholing in elk geval als niet-noodzakelijk aangemerkt in verband met de arbeidsinschakeling: opleidingen waarvoor belanghebbende studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering kan of redelijkerwijs had kunnen verkrijgen; opleidingen waarvoor belanghebbende een vergoeding van de kosten op grond van de Wet Tegemoetkoming Studiekosten kan of redelijkerwijs had kunnen verkrijgen; algemeen vormende opleidingen die na afronding binnen een jaar, niet leiden tot een concreet uitzicht op toetreding tot de arbeidsmarkt in een specifiek beroep of specifieke functie. Kostenplafond Er geldt een subsidie-/kostenplafond van € 5.000-- voor de kosten van een totaal reïntegratietraject per uitkeringsgerechtigde. Dit is dus inclusief de kosten voor scholing. Voor niet-uitkeringsgerechtigde en personen die een uitkering ontvangen op grond van de Algemene Nabestaandenwet geldt een subsidie-/kostenplafond van € 3.000,-- als bijdrage aan een totaal reïntegratietraject per drie jaar. De meerkosten zullen door niet-uitkeringsgerechtigde en Anw-er zelf moeten worden betaald. Specifieke kosten in verband met scholing Voor het volgen van scholing waarvoor wij een toekenning hebben gegeven kunnen de volgende kostensoorten voor vergoeding of subsidie in aanmerking komen: Opleidingskosten en cursusbijdragen; Boeken en leermiddelen die door het opleidingsinstituut verplicht zijn gesteld. Specifieke kosten in verband met scholing worden niet vergoed voor zover belanghebbende aanspraken op een geldelijke vergoeding kan ontlenen aan een voorliggende voorziening. Scholing en de ontheffing van de plicht tot aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid Aan een belanghebbende die deelneemt aan een noodzakelijke scholing gedurende een bepaalde tijdsduur per week ontheffing van de plicht tot aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid, voorzover dit noodzakelijk is voor een succesvolle afronding van het scholingstraject. Bij de beoordeling van de duur van de ontheffing betrekt het college de objectieve informatie van het scholingsinstituut. Deze benadering biedt ruimte voor het sluiten van zogenaamde duale trajecten waarbinnen aan een belanghebbende naast scholing, relevante werkervaring wordt aangeboden. Uit ervaring is landelijk gebleken dat deze duale trajecten een grote slaagkans hebben bij de reïntegratie van belanghebbende tot de arbeidsmarkt.
  6. voorbereiding op eigen bedrijf Tot de voorzieningen die aangeboden worden als onderdeel van een reïntegratietraject behoren ook voorbereiding op de oriëntatie op en het opstarten van een eigen bedrijf. Deze voorzieningen worden toegekend voor de duur van maximaal 12 maanden. Voor het toekennen van deze voorziening gelden eveneens de vastgestelde budget- en subsidieplafonds (artikel 5 en artikel 6 van de Reïntegratieverordening).
  7. uitstroompremie In artikel 31 lid 2 sub j WWB is een nieuwe mogelijkheid opgenomen om een premie te verstrekken. Het gaat daarbij om een premie die kan worden toegekend in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Achterliggende reden om opnieuw een recht op premie op te nemen in de WWB vormt de verwachting dat van een premie een positieve prikkel uitgaat bij de activering van de cliënt naar betaald werk. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van de WWB waarbij de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan en uitstroom richting arbeid centraal staan. De gemeente Wijchen heeft dit vertaald in een actief reïntegratiebeleid en een sober minimabeleid voor mensen met een arbeidsperspectief. Een prikkel in de vorm van een uitstroompremie ondersteunt dit beleid. Een voorziening gericht op arbeidsinschakeling De premie op rond van artikel 31 lid 2 sub j WWB wordt verstrekt in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. De premie daarmee op die manier ingezet als een reïntegratie-instrument. Om te voorkomen dat er een soort gewenning optreedt, kan er slechts eenmaal per kalenderjaar een premie worden verstrekt. Onder arbeidsinschakeling wordt verstaan: het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een daarop gerichte voorziening die door de gemeente wordt aangeboden. Met algemeen geaccepteerde arbeid wordt bedoeld; arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. De arbeid blijft dus niet beperkt tot arbeid waarmee de klant affiniteit heeft of arbeid die aansluit bij de werkervaring of het opleidingsniveau. In geval van subsidie op arbeid is er weliswaar sprake van algemeen geaccepteerde arbeid, van arbeidsinschakeling is echter geen sprake. Er is immers door de gemeente een voorziening geboden om de arbeid te realiseren. Uitstroom naar subsidie op arbeid valt hiermee dan ook buiten het premiebeleid. Hetzelfde geldt voor voorzieningen als werkstages en door de gemeente aangeboden detacheringscontracten. Uitstroompremie De gemeente Wijchen heeft er binnen haar reïntegratiebeleid voor gekozen om alleen een uitstroompremie in te zetten als activeringsinstrument. In tegenstelling tot het premiebeleid zoals geldend ten tijde van de Abw is er dus niet langer sprake van een scholingspremie, deeltijdpremie en een premie sociale activering. Door middel van de uitstroompremie ontstaat een extra stimulans om uit te stromen richting arbeid. Daarnaast neemt de uitstroompremie belemmeringen weg voor diegene die vanwege een mogelijke armoedeval beperkingen ervaren ten aanzien van de uitstroom. Het vervallen van de overige premies sluit aan bij de in de WWB opgenomen eigen verantwoordelijkheid van de klant ten aanzien van de uitstroom. Daarnaast worden klanten door middel van een reïntegratietraject begeleid en gestimuleerd bij het vinden van een baan. De uitstroompremie wordt hierbij als aanvullend reïntegratie-instrument ingezet om de daadwerkelijk uitstroom te realiseren. Welke voorwaarden worden er aan het recht op uitstroompremie gesteld? Om voor een uitstroompremie in aanmerking te komen gelden de volgende voorwaarden: iemand is volledig uitgestroomd uit de bijstand door het aanvaarden van regulier, niet-gesubsidieerd-, werk. Volledige uitstroom kan eveneens plaats vinden vanuit gesubsidieerde arbeid naar regulier werk. de duur van de verrichte arbeid is op het moment van aanvragen minimaal gelijk aan de referteperiode zoals opgenomen in de Werkloosheidswet. gedurende deze periode is geen nieuw recht op bijstand ontstaan (bijvoorbeeld omdat de partner geen inkomsten meer verwerft). iemand behoort op het moment van uitstromen in elk geval tot de volgende doelgroep: alleenstaande ouders waarvan het jongste ten laste komende kind de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt; en/of cliënten van 57,5 jaar of ouder: en/of cliënten die vanwege sociale of medische beperkingen belemmeringen ervaren richting de uitstroom; en/of cliënten die in fase 3 of 4 zijn ingedeeld. De klantmanager licht actief voor over het recht op uitstroompremie. Hoogte uitstroompremie: De uitstroompremie bedraagt € 1.000,- en wordt, nadat aan alle voorwaarden is voldaan, ineens uitbetaald. Aanvraagprocedure: De uitstroompremie wordt verstrekt op aanvraag. Er dienen door de klant bewijsstukken overgelegd te worden waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden zoals gesteld aan het recht op premie. De klantmanager handelt de aanvraag af. Het recht op premie is persoonsgebonden. Dit betekent dat de partner die (aanvullende) inkomsten is gaan verwerven, met als gevolg de gerealiseerde uitstroom, een recht op uitstroompremie heeft. Er wordt altijd een beschikking gestuurd waarin het recht op premie wordt toegekend. Tegen dit besluit staat de mogelijkheid van bezwaar open. Gevolgen voor het recht op huursubsidie: Indien voldaan wordt aan de voorwaarde dat het om een eenmalige premie gaat binnen het desbetreffende kalenderjaar, dan betreft het een onbelaste uitkering. Als gevolg hiervan heeft de uitstroompremie verder geen gevolgen voor het recht op huursubsidie. Ten onrechte verstrekte premie: Indien achteraf blijkt dat de uitstroompremie ten onrechte is verstrekt, bijvoorbeeld omdat de onjuiste bewijsstukken zijn overgelegd, dan wordt het recht op uitstroompremie herzien. De verstrekte uitstroompremie wordt teruggevorderd. De premie betreft een uitgave uit het Werkdeel fonds Wet werk en bijstand. Terugvordering vindt plaats op basis van de gemeentelijk reïntegratieverordening waarin is bepaald dat overgegaan wordt tot een terugvordering indien er ten onrechte gebruik is gemaakt van een reïntegratie-instrument. Overgangsregeling premiebeleid: In tegenstelling tot het recht op vrijlating is er bij invoering van de WWB bewust niet gekozen voor een afbouwregeling ten aanzien van het recht op premie. In de voorliggende jaren bestond er geen recht op een uitstroompremie. Oorspronkelijk is een dergelijk recht wel opgenomen in de gemeentelijke premieverordening. Het recht is echter vervallen bij invoering van de toetredingskorting met ingang van 1 januari
  8. In zoverre heeft het van rechtswege vervallen van de gemeentelijke verordening ook niet tot een verlies aan (uitstroom)premies toe geleid. Het recht op een uitstroompremie op grond van de WWB gaat gelden vanaf 1 januari
  9. Iemand dient in elk geval op of na 1 januari 2005 aan de gestelde voorwaarden te voldoen. De datum van uitstroom kan wel liggen voor 1 januari 2005, maar vond niet voor 1 januari 2004 plaats. Ook iemand die in 2004 is uitgestroomd, en in 2005 nog steeds aan de voorwaarden voldoet, wordt hiermee dus onder het premiebeleid gebracht. Iemand dient in elk geval op het moment van aanvragen aan alle voorwaarden te voldoen. De uitstroompremie zou anders immers zijn doel missen: het stimuleren van mensen om duurzaam uit te stromen. Hardheidsclausule Indien het met ingang van 1 januari 2005 in werking treden van het premiebeleid in het individuele geval leidt tot ernstige benadeling, dan kan hiervan afgeweken worden. Voordat tot besluitvorming wordt overgegaan brengt de klantmanager eerst een onderbouwd voorstel ter advisering in het BAT. Richtlijn W005 Overzicht gemeentelijke reïntegratiepartners In deze richtlijn kan het college een overzicht opnemen van de partner waarmee de gemeente samenwerkt in het kader de arbeidsreïntegratie. Sinds de invoering van de SUWI hebben wij de bestaande contracten met Werk in Zicht en Kliq BV voortgezet Overzicht van de bedrijven waarmee we samenwerken op het gebied van reïntegratie: ROC Nijmegen Bezoek en postadres: Energieweg 35, 6541 CW Nijmegen Telefoon: 024- 372 66 22 Faxnummer: 024- 372 66 23 E- mail adres: aanmelding.re-integratie@roc-nijmegen.nl Bovenstaande adres is ook de uitvoeringslocatie ROC/CBB VierL B.V. Bezoekadres: Zuidgeest 3, 4625 DG Bergen op Zoom Postadres: Postbus 979, 4600 AZ Bergen op Zoom Telefoonnummer: 06- 21834347 (mobiel Sofie Jansen) 06- 46384136 (mobiel Heidy Daatzelaar) 06- 46320435 (mobiel Linda Thomissen) Faxnummer: 073- 6131614 of 0164-254935 E- mail adres: s.jansen@vierl.nl en b.daatzelaar@vierl.nl Internet: http://www.vierl.nl/ Naast bovenstaande bedrijven blijven trajecten die al eerder zijn afgesloten bij andere reïntegratie bedrijven, doorlopen. Overzicht bedrijven waarmee nog contacten kunnen zijn: Breed / Support Centaurus BHP Group Plexus Richtlijn W006 Overzicht diagnostische instrumenten Op grond van de Reïntegratieverordening kunnen de volgende diagnostische instrumenten worden aangeboden: psychologisch onderzoek Het psychologisch onderzoek geeft een beeld van de mentale belastbaarheid van de belanghebbende in relatie tot arbeidsinschakeling. medische keuring Een medische keuring geeft inzicht in de lichamelijke belastbaarheid en/of de lichamelijke beperkingen van de belanghebbende in relatie tot arbeidsinschakeling. Medische keuringen worden uitgevoerd door: beroepskeuze- of interessetest Een beroepskeuze- of interessetest geeft een beeld van de persoonlijke ambities en interessen van belanghebbende in relatie tot arbeidsinschakeling. Richtlijn W007 Trajectplan Ten behoeve van de reïntegratie wordt een trajectplan gemaakt. Dit trajectplan beschrijft welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden ingezet c.q. aangeboden, alsmede de daaraan verbonden rechten en plichten van de belanghebbende. Tevens wordt het beoogde einddoel in het trajectplan opgenomen. Richtlijn W008 Hulpverleningsinstellingen Zorg Instelling Activiteiten Schuldhulpverlening en budgetbegeleiding • Gemeentelijke Kredietbank • Algemeen Maatschappelijk Werk • Gemeente, Afdeling Schuldhulpverlening • Minnelijk schuldsaneringstraject • Aanvraag WSNP • Budgetteringsadviezen • Periodieke betalingen • Financieel beheer • Voorlichting • Cursussen Verslavingszorg • RIAGG • Algemeen Maatschappelijk Werk • Leger des Heils • Psychotherapie • Methadonproject • Dagopvang • Nachtopvang Richtlijn W009 Sociale activering Geen Richtlijn W010 Scholing Geen Richtlijn W011 Loonkostensubsidie Geen Richtlijn W012 Overige voorzieningen De gemeente Wijchen biedt de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling: werkstages sociale activering loonkostensubsidies gericht op reïntegratie scholing voorbereiding op eigen bedrijf recht op uitstroompremie Kinderopvang kan deel uitmaken van de bovenstaande voorzieningen.
  10. werkstages Doel: het verkrijgen van werkervaring in een bepaalde richting en/of het behouden en versterken van werknemersvaardigheden. De werkstage is overwegend gericht op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de belanghebbende. Na de werkstage is belanghebbende in principe klaar om door te stromen naar regulier werk. In alle gevallen staat de positieve bijdrage aan de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling centraal. Een werkstage is onderdeel van een reïntegratietraject maar kan tevens in het kader van een “work first programma” worden ingezet. In 2005 willen wij de mogelijkheden van een dergelijk project onderzoeken. In het geval van een “Work first” programma is de werkstage ook een middel om instroom in de uitkering te beperken en geeft de wijze waarop de klant de werkstage doorloopt een indruk van de capaciteiten en motivatie van betrokkene. Dit kan behulpzaam zijn bij het samenstellen van een eventueel vervolgtraject. Doelgroep: Personen die behoren tot één van de doelgroepen van het gemeentelijk reïntegratiebeleid en als zodanig in de Reïntegratieverordening zijn genoemd. Het betreft dus zowel uitkeringsgerechtigden (WWB, IOAW, IOAZ) als niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-ers. Over het algemeen is sprake van een kleine afstand tot de arbeidsmarkt (fase 2). (In uitzonderingsgevallen kan deze vorm van werkervaring ook opengesteld worden voor klanten in fase
  11. Een advies hierover zal, als de situatie zich voordoet, voorgelegd worden door de klantmanager aan het college.) De klantmanager beoordeelt of een werkstage onderdeel dient uit te maken van het reïntegratietraject. Voor niet-uitkeringsgerechtigden en ANW-ers is de werkstage het enige beschikbare werkervaringsinstrument, aangezien subsidie op arbeid en detacheringbanen uitsluitend open staan voor personen met een bijstandsuitkering. Werkplekken: De werkplekken kunnen in alle sectoren worden gecreëerd, dus zowel bij bedrijven met winstoogmerk als zonder winstoogmerk. Werkplekken waarbij de kans op doorstroom naar regulier werk (intern of extern) het grootst is hebben de voorkeur. Voorwaarden: de aanbieder zorgt voor instructie en voldoende begeleiding bij de uit te voeren werkzaamheden;' de werkstage mag niet leiden tot verdringing van regulier werk. De werkzaamheden zullen gepaard moeten gaan met goede individuele begeleiding en afstemming op de capaciteiten van de cliënt. De werkzaamheden zijn gericht op het bevorderen van de mogelijkheden van de cliënt om uit de bijstand te stromen en niet op het realiseren van het bedrijfsdoel van de werkgever. Duur: De termijn van deze werkstage is afhankelijk van het aantal uren dat iemand stage loopt op een betreffende werkstageplek. Als marges houden wij aan: 20 uren stagelopen per week, dan mag de plaatsing maximaal 6 maanden duren; 4 uren stagelopen per week, dan mag de plaatsing maximaal een jaar duren. Vastleggen afspraken: De werkstage is een voorziening gericht op arbeidsinschakeling en dient als zodanig altijd vervat te zijn in een individuele beschikking. Voorafgaand aan de werkstage maken reïntegratiebedrijf en aanbieder afspraken over: (leer)doel van de werkstage; de werkzaamheden die de belanghebbende gaat verrichten; begin- en einddatum, aantal uren per week, werktijden; indien aan de orde: afspraken over onkostenvergoedingen, verzekeringen en dergelijke; de wijze waarop en door wie de begeleiding, terugkoppeling en rapportage plaatsvinden. Vergoeding: De werkzaamheden worden niet betaald. Wel kan de aanbieder een onkostenvergoeding verstrekken. In voorkomende gevallen kan de gemeente de onkosten vergoeden. Voor de term werkstage is gekozen om te benadrukken dat het gaat om een soort scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het leren werken staat centraal. Om dit te benadrukken kan voor het vervullen van een werkstage als bedoeld in dit artikel geen stagevergoeding worden verstrekt, anders dan een vergoeding voor werkelijk gemaakte onkosten. Bij het aangaan van een werkstage is het van belang dat het onderscheid met een arbeidsovereenkomst duidelijk is. Om de schijn van een arbeidsovereenkomst te vermijden is het van belang zorgvuldig om te springen met een eventuele financiële vergoeding. Uitgangspunt is daarom dat: de belanghebbende geen vergoeding voor de werkzaamheden die hij verricht ontvangt; alleen indien daadwerkelijk onkosten worden gemaakt de aanbieder een onkostenvergoeding mag verstrekken. Die vergoeding mag niet ruimer zijn dan de gemaakte onkosten.
  12. sociale activering Sociale activering wordt alleen aangeboden als het een onderdeel is van traject gericht op arbeidsinschakeling en de noodzaak daarvan in zijn specifieke situatie vast staat. Hiervan is alleen sprake indien er door de betrokkene binnen de periode van een jaar voorafgaand aan de aanvraag voor sociale activering, een aantoonbare inspanning heeft verricht tot het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid en belanghebbende er niet in slaagt deze arbeid ondanks deze inspanningen te verkrijgen wegen het ontbreken van de noodzakelijke (sociale) vaardigheden om te kunnen functioneren op een arbeidsplaats.
  13. loonkostensubsidies gericht op reïntegratie (subsidie op arbeid) Doel: uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt geschikt maken voor regulier werk door het aanbieden van een dienstverband, in combinatie met intensieve begeleiding. Doelgroep: uitkeringsgerechtigden (WWB, IOAW, IOAZ) met een (grote) afstand tot de arbeidsmarkt (fase 2, 3 of 4) en geïndiceerd voor een arbeidsplaats met subsidie of een detacheringsbaan (zie artikel 15). Bij de indicatie alsook bij een eventuele verlenging dient altijd bekeken te worden of betrokkene wellicht behoort tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening. De indicatie wordt afgegeven door een of meer van de volgende partijen: (indien van toepassing) de uitvoerder van Work First; een door de gemeente ingeschakeld reïntegratiebedrijf; het Centrum voor Werk en Inkomen in het kader van de kwalificerende intake. In alle gevallen is het oordeel van de klantmanager doorslaggevend. Op basis van diens advies beslist de gemeente of daadwerkelijk een detacheringsbaan wordt aangeboden. Werkgeversschap: Het formele werkgeversschap wordt uitgevoerd door de organisatie waar de belanghebbende gaat werken. De werkgever krijgt subsidie op arbeid die de belanghebbende verricht, als de werkgever zich houdt aan de gestelde voorwaarden. Via deze constructie houdt de gemeente de regie over het traject en kan ze de uitstroom actief bevorderen. Een voordeel van deze constructie t.o.v. de detacheringsbanen is dat er geen derde partij (het detacheringsbedrijf c.q. reïntegratiebedrijf) betrokken is bij de overeenkomst tussen de betrokkenen. Werkplekken: De werkplekken kunnen in alle sectoren worden gecreëerd, dus zowel bij bedrijven met winstoogmerk als zonder winstoogmerk. Passende werkplekken waarbij de kans op doorstroom naar regulier werk (intern of extern) voor de werknemer het grootst is hebben de voorkeur. Voorwaarden: bedrijven dienen bereid te zijn mee te werken aan doorstroom naar niet-gesubsidieerde arbeid, zowel intern als extern; bedrijven bieden begeleiding op de werkplek; het aantal dienstverbanden waarvoor de werkgever subsidie krijgt, mag niet meer zijn dan 25% van het aantal formatieplaatsen binnen het bedrijf; de klantmanager van de gemeente Wijchen is ervan overtuigd dat de plaatsing bijdraagt aan de snelste weg richting duurzame uitstroom van de belanghebbende; de klantmanager van de gemeente Wijchen is ervan overtuigd dat de belanghebbende goed begeleid wordt door de werkgever; de klantmanager van de gemeente Wijchen is ervan overtuigd dat de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er vindt geen verdringing plaats Duur dienstverband: Uitgangspunt is een contract voor een jaar, eventueel nog ten hoogste eenmaal te verlengen met wederom maximaal een jaar. Hierbinnen is ruimte voor maatwerk, zij het met de volgende restricties: de minimale duur van een dienstverband is 6 maanden; bij opeenvolgende contracten mag de totale periode (waarin in enige vorm werkervaring wordt aangeboden) nooit meer dan 36 maanden zijn, dit overeenkomstig hetgeen hierover is bepaald in de wet Flexibiliteit en Zekerheid; binnen deze periode mag het contract ten hoogste twee maal worden verlengd, eveneens overeenkomstig hetgeen hierover is bepaald in de wet Flexibiliteit en Zekerheid. Omvang dienstverband: Uitgangspunt is dat de werknemer uit de uitkering is; de minimale omvang van het dienstverband is derhalve afgestemd op het aantal uren dat nodig is om uitstroom uit de uitkering te realiseren. Standaard is een dienstverband van 32 uur per week. Minder uren is mogelijk indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is. Loon: De werknemer heeft recht op het wettelijk minimumloon naar rato van de overeengekomen arbeidsduur. Hoogte inleenvergoeding: Vaststelling van de hoogte van de subsidie op arbeid gebeurt steeds voor een jaar op grond van de verdiencapaciteit (arbeidswaarde) van de werknemer. Op basis van een integrale intake vindt een voorlopige vaststelling van de verdiencapaciteit plaats. De klant zal vervolgens een week met behoud van uitkering bij de potentiële inlener werken om de verdiencapaciteit definitief te kunnen vaststellen (korte werkstage). De hoogte van de verdiencapaciteit bepaalt direct de hoogte van de subsidie op arbeid. Het percentage verdiencapaciteit is gelijk aan het percentage van de brutoloonkosten -/- het percentage verdiencapaciteit dat de werkgever gesubsidieerd krijgt. Uitgangspunt is een minimale bijdrage in de loonkosten door de werkgever van 25% van de bruto loonkosten. Verdiencapaciteit: Bij het bepalen van de verdiencapaciteit worden meegewogen de motivatie en attitude, de mate van kennis en vaardigheden die benodigd zijn voor de functie alsmede de verwachte prestatie/productiviteit in vergelijking tot de normen die gelden voor de functie. Het bepalen van de verdiencapaciteit dient zo objectief en eenduidig mogelijk te geschieden. De potentiële werkgever wordt vooraf zo goed mogelijk geïnformeerd over hoe de verdiencapaciteit, en daarmee de inleenvergoeding, tot stand komt. Arrangementen: Binnen het systeem kunnen verschillende arrangementen bestaan. Doel is het functioneren en de doorstroomkansen van de geplaatste belanghebbende te bevorderen. Verloop subsidie op arbeid: Gedurende de periode dat er voor belanghebbende subsidie op arbeid wordt ontvangen door de betrokken werkgever vindt intensieve begeleiding, door de werkgever, plaats gericht op het realiseren van doorstroom naar regulier werk. De ervaring leert dat niet iedereen de capaciteiten heeft om binnen een jaar door te groeien naar regulier werk. Voor deze personen staat de mogelijkheid open het contract met een jaar te verlengen. Dit kán hetzelfde werk bij dezelfde werkgever zijn, maar dat hoeft niet. Ook hierover dienen tijdig en in alle openheid afspraken met de werkgever te worden gemaakt. Indien verlenging aan de orde is vindt opnieuw een beoordeling plaats van de verdiencapaciteit om de hoogte van de subsidie vast te stellen. Tijdens het tweede contractjaar volgt dezelfde werkwijze. Wij gaan ervan uit dat arrangementen in de vorm van werkstages, subsidie op arbeid en detacheringsbanen voor de individuele belanghebbende niet langer dan 36 maanden mogen duren. Rekening houdend met de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (opeenvolgende contracten voor bepaalde tijd mogen tezamen maximaal 36 maanden duren) is nog één maal verlenging van het tijdelijk dienstverband mogelijk. Wordt de 36 maanden termijn overschreden, dan is automatisch sprake van een dienstverband voor onbepaalde tijd bij de betrokken werkgever. Voorts regelt de Wet Flexibiliteit en Zekerheid dat wanneer meer dan drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Samengevat: de elkaar opvolgende tijdelijke contracten met subsidie op arbeid en detacheringscontracten mogen bij elkaar maximaal een periode van 36 maanden bestrijken (perioden tussen de contracten van minder dan drie maanden tellen ook mee!) en in die periode mogen maximaal drie tijdelijke contracten worden aangegaan. Toets uitkeringsafhankelijkheid: Bij de beoordeling of tot verlenging van subsidie op arbeid moet worden overgegaan is van belang of de betrokken werknemer zonder subsidie op arbeid weer een beroep op een uitkering zou moeten doen. Zo kan het zijn dat inmiddels de partner werk heeft gevonden, waarmee het gezinsinkomen boven de uitkeringsnorm komt. Reïntegratie met de bedoeling uitstroom uit de uitkering te realiseren is in dat geval niet meer aan de orde. Wanneer het waarschijnlijk is dat de uitstroom uit de uitkering “duurzaam” is zoals gedefinieerd in de reïntegratieverordening, eindigt de overeenkomst en komt betrokkene niet meer voor verlenging in aanmerking. Geen regulier werk? Na maximaal 3 jaar lopen de arrangementen om werkervaring op te doen af. Wat nu als de inspanningen niet hebben geresulteerd in uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt? Weer een uitkering: Betrokkene komt terug in de uitkering. In eerste instantie, wanneer voldoende dagen gewerkt is, zal dit een WW-uitkering van het UWV zijn. Daarna zal betrokkene weer een beroep doen op een bijstandsuitkering. Subsidie op arbeid voor onbepaalde tijd? Om te voorkomen dat betrokkene weer aangewezen zal zijn op een uitkering kán de gemeente een subsidie op arbeid voor onbepaalde tijd aanbieden. In verband met de structurele financiële consequenties (langlopende verplichtingen!) van dienstverbanden voor onbepaalde tijd voor het reïntegratiebudget is het de vraag of het verstandig is om dergelijke dienstverbanden in het leven te roepen. De kans op uitstroom is voor de betreffende personen niet of nauwelijks aanwezig. Gezien de kosten van een gesubsidieerde baan betekent dit dat een vrij fors deel van het reïntegratiebudget besteed wordt aan een relatief kleine groep en gedurende langere tijd niet meer inzetbaar is voor andere reïntegratieactiviteiten. Vooralsnog zal daarom geen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om een arbeidsplaats met subsidie op arbeid voor bepaalde tijd om te zetten in een subsidie op arbeid voor onbepaalde tijd indien dit volledig ten laste van het reïntegratiebudget komt. Een alternatief is het creëren van arbeidsplaats met subsidie voor onbepaalde tijd bij maatschappelijke organisaties, waarbij (een deel van) de kosten worden gedragen door de betreffende organisatie en/of worden gedekt uit andere door de gemeente beschikbaar gestelde budgetten. Dit heeft voordelen voor de werknemer (die werk houdt) en voor de maatschappelijke organisatie (die iemand heeft om ondersteunende werkzaamheden uit te voeren). Wij willen dit overwegen voor diegenen die op een “oude” Wiw-dienstbetrekking zijn geplaatst met een contract voor onbepaalde tijd. Uitgangspunten voor ons zijn: Het formeel werkgeverschap wordt overgenomen door de betrokken organisatie of instelling; Diegene die geplaatst is op de “oude” Wiw-dienstbetrekking is 57,5 jaar of ouder. Zorgtraject (artikel 18) en vrijwilligerswerk Is er geen reëel arbeidsperspectief dan dient te worden bezien of wellicht een zorgtraject aan de orde is. De term zorgtraject dient ruim te worden uitgelegd; het gaat om afspraken tussen gemeente en uitkeringsgerechtigde over hoe de uitkeringsgerechtigde de periode waarin hij niet bezig zal zijn met arbeidsinschakeling gaat invullen. Ook het doen van vrijwilligerswerk kan een zorgtrajectactiviteit zijn. Overgang gesubsidieerde banen oude stijl naar nieuwe systematiek De gemeente werkt toe naar één systeem voor gesubsidieerd werk c.q. subsidie op arbeid. Voor zover mogelijk zullen daarom de “oude” In- en Doorstroombanen en WIW-dienstverbanden in de nieuwe systematiek worden gepast (stroomlijning). Voorop staat dat de betrokken werknemers er in arbeidsvoorwaardelijke en rechtspositionele zin niet op achteruit gaan. Volledige uniformiteit zal hierdoor niet mogelijk zijn omdat dat doorgaans een achteruitgang zou impliceren. Onderstaand overzicht geeft de belangrijkste kenmerken van de nieuwe systematiek weer alsmede de mogelijkheden tot stroomlijning: ID-banen Subsidie op arbeid ID-baan Gelijk maken aan elkaar ? Rechtstreeks dienstverband rechtstreeks dienstverband Gelijk aan voorwaarden subsidie op arbeid Contract bepaalde tijd contract onbepaalde tijd Niet mogelijk. Subsidie op arbeid o.b.v. verdiencapaciteit subsidie van loonkosten Ja, subsidiehoogte afstemmen op verdiencapaciteit (overgangsregeling) Jaarlijkse herbeoordeling verdiencapaciteit geen herbeoordeling Herbeoordeling ja, maar deze hoeft niet perse directe consequenties te hebben voor de subsidie aan de werkgever wanneer het gaat om een contract voor onbepaalde tijd. Aanpassing subsidie bijv. eens per twee jaar. Bij hoge verdiencapaciteit is uitstroom naar regulier werk echter reëel. Intensieve uitstroomgerichte begeleiding door werkgever Ondersteuning beperkt + alleen op verzoek werkgever Ja, uitstroomgerichter maken bij I/D-werkgever Aanvullende faciliteiten door maatwerkarrangementen zoals, aanvullende scholing e.d. mogelijk Mogelijkheid vergoeding aanvullende kosten (bv. Scholingskosten) Ja, meer gericht op uitstroom WIW-dienstverbanden voor onbepaalde tijd Subsidie op arbeid WIW-dienstverband voor onbepaalde tijd * Stroomlijnen? Rechtstreeks dienstverband Via WiZ Bij voorkeur omzetten in subsidie op arbeid Contract bepaalde tijd Er is sprake van een contract voor onbepaalde tijd Niet mogelijk. Loonkostensubsidie o.b.v. verdiencapaciteit Inleenvergoeding die niet gerelateerd is aan verdiencapaciteit Ja, naar loonkostensubsidie op basis van verdiencapaciteit. Jaarlijkse herbeoordeling verdiencapaciteit Per kwartaal onderzoek naar uitstroommogelijkheden; had geen invloed op hoogte inleenvergoeding Ja. intensieve uitstroomgerichte begeleiding door werkgever Komt in praktijk zelden voor. Ja, meer uitstroomgericht. aanvullende faciliteiten door maatwerkarrangementen zoals begeleiding op de werkplek, aanvullende scholing e.d. mogelijk Faciliteiten konden aangevraagd worden. Ja, onder voorwaarden * De Wiw-dienstverbanden voor bepaalde tijd laten wij van rechtswege eindigen, zodra het dienstverband voor bepaalde tijd afloopt. Conclusie is dat de rechtspositie van de “oude” WIW-ers en ID-ers gehandhaafd dient te blijven, maar dat de wijze van begeleiding, facilitering en financiering kunnen worden gestroomlijnd. DETACHERINGSBANEN Doel: uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt geschikt maken voor regulier werk door het aanbieden van een dienstverband, in combinatie met intensieve begeleiding. Doelgroep: uitkeringsgerechtigden (WWB, IOAW, IOAZ) met een (grote) afstand tot de arbeidsmarkt (fase 2, 3 of 4) en geïndiceerd voor een detacheringsbaan. Bij de indicatie alsook bij een eventuele verlenging dient altijd bekeken te worden of betrokkene wellicht behoort tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening. De indicatie wordt afgegeven door een of meer van de volgende partijen: (indien van toepassing) de uitvoerder van Work First; een door de gemeente ingeschakeld reïntegratiebedrijf; het Centrum voor Werk en Inkomen in het kader van de kwalificerende intake. In alle gevallen is het oordeel van de klantmanager doorslaggevend. Op basis van diens advies beslist de gemeente of daadwerkelijk een detacheringsbaan wordt aangeboden. Werkgeversschap: De gemeente draagt het formeel werkgeversschap op aan een private rechtspersoon (het detacherend bedrijf). Dit kan een op basis van de aanbestedingsprocedure gekozen reïntegratiebedrijf zijn. Deze neemt de uitkeringsgerechtigde in dienst en plaatst deze bij een inlenende organisatie. Het detacherende bedrijf is verantwoordelijk voor begeleiding van werknemer en inlener. Via deze constructie houdt de gemeente de regie over het traject en kan ze de uitstroom actief bevorderen. Een ander voordeel van detachering is dat bedrijven door het geringere risico eerder bereid zullen zijn om personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een werkplek aan te bieden. Werkplekken: De werkplekken kunnen in alle sectoren worden gecreëerd, dus zowel bij bedrijven met winstoogmerk als zonder winstoogmerk. Passende werkplekken waarbij de kans op doorstroom naar regulier werk (intern of extern) voor de werknemer het grootst is hebben de voorkeur. Voorwaarden: Bedrijven dienen bereid te zijn mee te werken aan doorstroom naar niet-gesubsidieerde arbeid, zowel intern als extern; Bedrijven bieden begeleiding op de werkplek; Het aantal dienstverbanden waarvoor de werkgever subsidie krijgt, mag niet meer zijn dan 25% van het aantal formatieplaatsen binnen het bedrijf De klantmanager van de gemeente Wijchen is ervan overtuigd dat de plaatsing bijdraagt aan de kansen op duurzame uitstroom van de belanghebbende. De klantmanager van de gemeente Wijchen is ervan overtuigd dat de belanghebbende goed begeleid wordt door zowel de organisatie die het werkgeverschap voor de detacheringbaan uitvoert als de inlenende organisatie. Duur dienstverband: Uitgangspunt is een contract voor een jaar, eventueel nog ten hoogste twee maal te verlengen met wederom maximaal een jaar. Dit ligt aan de voorzieningen die de belanghebbende al zijn aangeboden. Hierbinnen is ruimte voor maatwerk, zij het met de volgende restricties: de minimale duur van een dienstverband is 6 maanden; bij opeenvolgende contracten mag de totale periode nooit meer dan 36 maanden zijn, dit overeenkomstig hetgeen hierover is bepaald in de wet Flexibiliteit en Zekerheid; binnen deze periode mag het contract ten hoogste twee maal worden verlengd, eveneens overeenkomstig hetgeen hierover is bepaald in de wet Flexibiliteit en Zekerheid. Zie verder “Verloop detacheringsbaan”. Omvang dienstverband: Uitgangspunt is dat de werknemer uit de uitkering is; de minimale omvang van het dienstverband is derhalve afgestemd op het aantal uren dat nodig is om uitstroom uit de uitkering te realiseren Standaard is een dienstverband van 32 uur per week. Minder uren is mogelijk indien dit naar het oordeel van het college van B&W noodzakelijk is. Loon: De werknemer heeft recht op het wettelijk minimumloon naar rato van de overeengekomen arbeidsduur. Arbeidsvoorwaardenregeling: Van toepassing is de Arbeidsvoorwaardenregeling die geldt voor het betrokken detacheringsbedrijf. Hoogte subsidie: Vaststelling van de hoogte van de vergoeding aan het detacheringsbedrijf gebeurt steeds voor een jaar op grond van de verdiencapaciteit van de werknemer. Op basis van een integrale intake vindt een voorlopige vaststelling van de verdiencapaciteit plaats. De klant zal vervolgens een week met behoud van uitkering bij de potentiële inlener werken om de verdiencapaciteit definitief te kunnen vaststellen (korte werkstage). De hoogte van de verdiencapaciteit bepaalt direct de hoogte van de subsidie op arbeid. Het percentage verdiencapaciteit is gelijk aan het percentage van de brutoloonkosten -/- het percentage verdiencapaciteit dat de werkgever gesubsidieerd krijgt. Het is aan het detacheringsbedrijf zelf om te onderhandelen met de betrokken “inlener” of deze werkgever het detacheringsbedrijf een vergoeding betaalt voor de betrokken werknemer. Uitgangspunt is dat het detacheringsbedrijf minimaal 25% van de bruto loonkosten van de belanghebbende betaalt. Verdiencapaciteit: Bij het bepalen van de verdiencapaciteit worden meegewogen de motivatie en attitude, de mate van kennis en vaardigheden die benodigd zijn voor de functie alsmede de verwachte prestatie/productiviteit in vergelijking tot de normen die gelden voor de functie. Het bepalen van de verdiencapaciteit dient zo objectief en eenduidig mogelijk te geschieden. De potentiële werkgever wordt vooraf zo goed mogelijk geïnformeerd over hoe de verdiencapaciteit, en daarmee de inleenvergoeding, tot stand komt. Arrangementen: Binnen het systeem kunnen verschillende arrangementen bestaan. Doel is het functioneren en de doorstroomkansen van de geplaatste te bevorderen. Verloop detacheringsbaan: Gedurende de detachering vindt intensieve begeleiding plaats gericht op het realiseren van doorstroom naar regulier werk. De ervaring leert dat niet iedereen de capaciteiten heeft om binnen een jaar door te groeien naar regulier werk. Voor deze personen staat de mogelijkheid open het contract met een jaar te verlengen. Dit kán hetzelfde werk bij dezelfde werkgever zijn, maar dat hoeft niet. Ook hierover dienen tijdig en in alle openheid afspraken met de werkgever te worden gemaakt. Indien verlenging aan de orde is vindt opnieuw een beoordeling plaats van de verdiencapaciteit om de hoogte van de inleenvergoeding vast te stellen. Tijdens het tweede contractjaar volgt dezelfde werkwijze. Rekening houdend met de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (opeenvolgende contracten voor bepaalde tijd mogen tezamen maximaal 36 maanden duren) is nog één maal verlenging van het tijdelijk dienstverband mogelijk. Wordt de 36 maanden termijn overschreden, dan is automatisch sprake van een dienstverband voor onbepaalde tijd. Voorts regelt de Wet Flexibiliteit en Zekerheid dat wanneer meer dan drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. Samengevat: de elkaar opvolgende tijdelijke contracten (om werkervaring op te doen) mogen bij elkaar maximaal een periode van 36 maanden bestrijken (perioden tussen de contracten van minder dan drie maanden tellen ook mee!) en in die periode mogen maximaal drie tijdelijke contracten worden aangegaan. Toets uitkeringsafhankelijkheid: Bij de beoordeling of tot verlenging van de detacheringsbaan moet worden overgegaan is van belang of de betrokken werknemer zonder detacheringsbaan weer een beroep op een uitkering zou moeten doen. Zo kan het zijn dat inmiddels de partner werk heeft gevonden, waarmee het gezinsinkomen boven de uitkeringsnorm komt. Reïntegratie met de bedoeling uitstroom uit de uitkering te realiseren is in dat geval niet meer aan de orde. Wanneer het waarschijnlijk is dat de uitstroom uit de uitkering “duurzaam” is zoals gedefinieerd in de reïntegratieverordening, eindigt de overeenkomst en komt betrokkene niet meer voor verlenging in aanmerking. Geen regulier werk? Na maximaal 3 jaar loopt de detacheringsbaan af. Wat nu als de inspanningen niet hebben geresulteerd in uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt? Weer een uitkering Betrokkene komt terug in de uitkering. In eerste instantie, wanneer voldoende dagen gewerkt is, zal dit een WW-uitkering van het UWV zijn. Daarna zal betrokkene weer een beroep doen op een bijstandsuitkering. Detacheringsbaan voor onbepaalde tijd? Om te voorkomen dat betrokkene weer aangewezen zal zijn op een uitkering kán de gemeente een detacheringsbaan voor onbepaalde tijd aanbieden. In verband met de structurele financiële consequenties (langlopende verplichtingen!) van dienstverbanden voor onbepaalde tijd voor het reïntegratiebudget is het de vraag of het verstandig is om dergelijke dienstverbanden in het leven te roepen. De kans op uitstroom is voor de betreffende personen niet of nauwelijks aanwezig. Gezien de kosten van een gesubsidieerde baan betekent dit dat een vrij fors deel van het reïntegratiebudget besteed wordt aan een relatief kleine groep en gedurende langere tijd niet meer inzetbaar is voor andere reïntegratieactiviteiten. Vooralsnog zal daarom geen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid een detacheringsbaan voor bepaalde tijd om te zetten in een detacheringsbaan voor onbepaalde tijd indien dit volledig ten laste van het reïntegratiebudget komt. Een alternatief is het creëren van detacheringsbanen voor onbepaalde tijd bij maatschappelijke organisaties, waarbij (een deel van) de kosten worden gedragen door de betreffende organisatie en/of worden gedekt uit andere door de gemeente beschikbaar gestelde budgetten. Dit heeft voordelen voor de werknemer (die werk houdt) en voor de maatschappelijke organisatie (die iemand heeft om ondersteunende werkzaamheden uit te voeren). Wij geven echter de voorkeur aan het creëren van arbeidsplaatsen met subsidie. (Zie hiervoor bij “Loonkostensubsidies gericht op reïntegratie (subsidie op arbeid)”. Wij willen een uitzondering hierop overwegen voor die organisaties die het formeel werkgeverschap niet uit kunnen voeren omdat er geen professionele arbeidskracht aanwezig is om begeleiding te bieden. Bijv. doordat het bestuur bestaat uit vrijwilligers en er verder niemand op de loonlijst staat. Zorgtraject (artikel 18) en vrijwilligerswerk Is er geen reëel arbeidsperspectief dan dient te worden bezien of wellicht een zorgtraject aan de orde is. De term zorgtraject dient ruim te worden uitgelegd; het gaat om afspraken tussen gemeente en uitkeringsgerechtigde over hoe de uitkeringsgerechtigde de periode waarin hij niet bezig zal zijn met arbeidsinschakeling gaat invullen. Ook het doen van vrijwilligerswerk kan een zorgtraject-activiteit zijn. Overgang gesubsidieerde banen oude stijl naar nieuwe systematiek De gemeente werkt toe naar één systeem voor gesubsidieerd werk. Voor zover mogelijk zullen daarom de “oude” In- en Doorstroombanen en WIW-dienstverbanden in de nieuwe systematiek worden gepast (stroomlijning). Voorop staat dat de betrokken werknemers er in arbeidsvoorwaardelijke en rechtspositionele zin niet op achteruit gaan. Volledige uniformiteit zal hierdoor niet mogelijk zijn omdat dat doorgaans een achteruitgang zou impliceren. Onderstaand overzicht geeft de belangrijkste kenmerken van de nieuwe systematiek weer alsmede de mogelijkheden tot stroomlijning: ID-banen Detacheringsbaan nieuwe stijl ID-baan Stroomlijnen? Detacheringsformule rechtstreeks dienstverband Niet mogelijk Contract bepaalde tijd contract onbepaalde tijd Niet mogelijk inleenvergoeding o.b.v. verdiencapaciteit subsidie van loonkosten ja, subsidiehoogte afstemmen op verdiencapaciteit (overgangsregeling) Jaarlijkse herbeoordeling verdiencapaciteit geen herbeoordeling Herbeoordeling ja, maar deze hoeft niet per se directe consequenties te hebben voor de subsidie aan de werkgever. Aanpassing subsidie bv. eens per drie jaar. Bij hoge verdiencapaciteit is uitstroom naar regulier werk echter reëel. Intensieve uitstroomgerichte begeleiding door uitvoerder detacheringsbanen ondersteuning beperkt + alleen op verzoek werkgever Ja, uitstroomgerichter maken bij I/D-werkgever aanvullende faciliteiten zoals begeleiding op de werkplek, aanvullende scholing e.d. mogelijk mogelijkheid vergoeding aanvullende kosten (bv. scholingskosten) Ja, meer gericht op uitstroom WIW-dienstverbanden detacheringsbaan nieuwe stijl WIW-dienstverband Stroomlijnen? Detacheringsformule Ja Ja Contract bepaalde tijd in de meeste gevallen is sprake van een contract voor onbepaalde tijd Niet mogelijk wanneer het gaat om contracten voor onbepaalde tijd. inleenvergoeding o.b.v. verdiencapaciteit Regime oude inleenvergoeding geldt Ja, naar verdiencapaciteit Jaarlijkse herbeoordeling verdiencapaciteit Per kwartaal onderzoek naar uitstroommogelijkheden; had geen invloed op hoogte inleenvergoeding Ja Intensieve uitstroomgerichte begeleiding door uitvoerder detacheringsbanen Komt in praktijk zelden voor. Ja, meer uitstroomgerichter maken. aanvullende faciliteiten zoals begeleiding op de werkplek, aanvullende scholing e.d. mogelijk Faciliteiten konden aangevraagd worden. Ja. Conclusie is dat de rechtspositie van de “oude” WIW-ers en ID-ers gehandhaafd dient te blijven, maar dat de wijze van begeleiding, facilitering en financiering kunnen worden gestroomlijnd.
  14. scholing Voorwaarden voor toekenning van een scholingsaanvraag Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de scholing dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de criteria die gelden voor de aanvrager enerzijds en voor het scholingsproject op zichzelf in verband met het bereiken van het goed perspectief van belanghebbende op de arbeidsmarkt, gelet op zijn verplichting algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Scholing gericht op arbeidsinschakeling kan aangeboden worden indien de noodzaak daarvan in zijn specifieke situatie vast staat. Hiervan is alleen sprake indien: er door de betrokkene binnen de periode van een half jaar voorafgaande aan de scholingsaanvraag, een aantoonbare inspanning is verricht tot het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid en belanghebbende er niet in slaagt deze arbeid ondanks deze inspanningen te verkrijgen wegens het ontbreken van noodzakelijke kwalificaties; en de scholing na afronding een redelijk tot goed perspectief op de arbeidsmarkt geeft Een scholingsaanvraag wordt slechts toegekend indien in het voor de klant geldende trajectplan scholing is opgenomen als een passende voorziening ter verwezenlijking van (een deel van) het doel van het traject. Scholing is immers slechts een instrument om een doel te bereiken, waarvan op voorhand duidelijk moet zijn dat dit bijdraagt aan de kortste weg naar duurzame arbeid voor belanghebbende. Zonder trajectplan kan er dus nooit een scholingsaanvraag toegekend worden. De hiervoor bedoelde scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie. Het kan van belang zijn deze mogelijkheid te bieden, indien de cliënt op eigen initiatief met een vorm van scholing komt die door het college als noodzakelijk wordt geacht, maar die niet bestaat binnen het reguliere scholingsaanbod van de gemeente. Aan welke voorwaarden moet de scholing voldoen Voor de scholing die wordt aangeboden of waarvoor subsidie wordt verleend gelden de volgende voorwaarden: De scholing dient te zijn gericht op het behalen van een startkwalificatie arbeidsmarkt. Met startkwalificatie wordt bedoeld het succesvol afronden van een beroepsopleiding op niveau 2 in het MBO of met het behalen van een diploma van het HAVO of het VWO. Andere scholing dan genoemd hiervoor onder 1 genoemd, dient beroepsgericht en kortdurend te zijn en gericht te zijn op snelle arbeidsinschakeling; De goedkoopste scholingsmogelijkheid moet worden benut; De scholing wordt eerst toegekend voor een periode van één jaar; Voor niet-uitkeringsgerechtigden en personen die een uitkering ontvangen op basis van de Algemene Nabestaandenwet geldt als aanvullende voorwaarde dat belanghebbende zich beschikbaar dient te stellen voor de arbeidsmarkt voor tenminste 16 uur per week. Noodzakelijke scholing op niveau van hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs De genoemde voorwaarden beogen een terughoudende toepassing van de scholing op dit niveau nu de deelnemers hieraan in de meeste gevallen al een voldoende startkwalificatie hebben voor hun toetreding tot de arbeidsmarkt. Het hoger beroeps- of wetenschappelijk onderwijs kan slechts noodzakelijk worden geacht voor de inschakeling in de arbeid, indien de scholing of opleiding, naast de voorwaarden zoals hierboven vermeld, voldoet aan de volgende voorwaarden: de scholing wordt gegeven in een specifiek op werklozen gericht project; een praktijkcomponent van de scholing mag niet meer dan de helft van het programma uitmaken. Advies Bij de beoordeling van de hierboven genoemde aspecten, zoals arbeidsmarktrelevantie, kan advies gevraagd worden aan het CWI of het reïntegratiebedrijf dat benaderd voor uitvoering van (een deel van) het reïntegratietraject. Voor de beoordeling van de vraag of de scholing leidt tot snelle arbeidsinschakeling, wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie van het CWI. In beginsel wordt enkel scholing ingezet die opleidt naar beroepssectoren, waarnaar volgens het CWI op de korte of middellange termijn vraag naar is. Niet-noodzakelijke scholing Ongeacht de toekenningsvoorwaarden, zoals ze hierboven beschreven staan, wordt de volgende scholing in elk geval als niet-noodzakelijk aangemerkt in verband met de arbeidsinschakeling: opleidingen waarvoor belanghebbende studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering kan of redelijkerwijs had kunnen verkrijgen; opleidingen waarvoor belanghebbende een vergoeding van de kosten op grond van de Wet Tegemoetkoming Studiekosten kan of redelijkerwijs had kunnen verkrijgen; algemeen vormende opleidingen die na afronding binnen een jaar, niet leiden tot een concreet uitzicht op toetreding tot de arbeidsmarkt in een specifiek beroep of specifieke functie. Kostenplafond Er geldt een subsidie-/kostenplafond van € 5.000-- voor de kosten van een totaal reïntegratietraject per uitkeringsgerechtigde. Dit is dus inclusief de kosten voor scholing. Voor niet-uitkeringsgerechtigde en personen die een uitkering ontvangen op grond van de Algemene Nabestaandenwet geldt een subsidie-/kostenplafond van € 3.000,-- als bijdrage aan een totaal reïntegratietraject per drie jaar. De meerkosten zullen door niet-uitkeringsgerechtigde en Anw-er zelf moeten worden betaald. Specifieke kosten in verband met scholing Voor het volgen van scholing waarvoor wij een toekenning hebben gegeven kunnen de volgende kostensoorten voor vergoeding of subsidie in aanmerking komen: Opleidingskosten en cursusbijdragen; Boeken en leermiddelen die door het opleidingsinstituut verplicht zijn gesteld. Specifieke kosten in verband met scholing worden niet vergoed voor zover belanghebbende aanspraken op een geldelijke vergoeding kan ontlenen aan een voorliggende voorziening. Scholing en de ontheffing van de plicht tot aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid Aan een belanghebbende die deelneemt aan een noodzakelijke scholing gedurende een bepaalde tijdsduur per week ontheffing van de plicht tot aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid, voorzover dit noodzakelijk is voor een succesvolle afronding van het scholingstraject. Bij de beoordeling van de duur van de ontheffing betrekt het college de objectieve informatie van het scholingsinstituut. Deze benadering biedt ruimte voor het sluiten van zogenaamde duale trajecten waarbinnen aan een belanghebbende naast scholing, relevante werkervaring wordt aangeboden. Uit ervaring is landelijk gebleken dat deze duale trajecten een grote slaagkans hebben bij de reïntegratie van belanghebbende tot de arbeidsmarkt.
  15. voorbereiding op eigen bedrijf Tot de voorzieningen die aangeboden worden als onderdeel van een reïntegratietraject behoren ook voorbereiding op de oriëntatie op en het opstarten van een eigen bedrijf. Deze voorzieningen worden toegekend voor de duur van maximaal 12 maanden. Voor het toekennen van deze voorziening gelden eveneens de vastgestelde budget- en subsidieplafonds (artikel 5 en artikel 6 van de Reïntegratieverordening).
  16. uitstroompremie In artikel 31 lid 2 sub j WWB is de mogelijkheid opgenomen om een premie te verstrekken. Het gaat daarbij om een premie die kan worden toegekend in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Achterliggende reden om een recht op premie op te nemen in de WWB vormt de verwachting dat van een premie een positieve prikkel uitgaat bij de activering van de cliënt naar betaald werk. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van de WWB waarbij de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan en uitstroom richting arbeid centraal staan. De gemeente Wijchen heeft dit vertaald in een actief reïntegratiebeleid en een sober minimabeleid voor mensen met een arbeidsperspectief. Een prikkel in de vorm van een uitstroompremie ondersteunt dit beleid. Een voorziening gericht op arbeidsinschakeling De premie op grond van artikel 31 lid 2 sub j WWB wordt verstrekt in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. De premie daarmee op die manier ingezet als een reïntegratie-instrument. Om te voorkomen dat er een soort gewenning optreedt, kan er slechts eenmaal per kalenderjaar een premie worden verstrekt. Onder arbeidsinschakeling wordt verstaan: het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een daarop gerichte voorziening die door de gemeente wordt aangeboden. Met algemeen geaccepteerde arbeid wordt bedoeld; arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. De arbeid blijft dus niet beperkt tot arbeid waarmee de klant affiniteit heeft of arbeid die aansluit bij de werkervaring of het opleidingsniveau. In geval van subsidie op arbeid is er weliswaar sprake van algemeen geaccepteerde arbeid, van arbeidsinschakeling is echter geen sprake. Er is immers door de gemeente een voorziening geboden om de arbeid te realiseren. Uitstroom naar subsidie op arbeid valt hiermee dan ook buiten het premiebeleid. Hetzelfde geldt voor voorzieningen als werkstages en door de gemeente aangeboden detacheringscontracten. Uitstroompremie De gemeente Wijchen heeft er binnen haar reïntegratiebeleid voor gekozen om alleen een uitstroompremie in te zetten als activeringsinstrument. In tegenstelling tot het premiebeleid zoals geldend ten tijde van de Abw is er dus niet langer sprake van een scholingspremie, deeltijdpremie en een premie sociale activering. Door middel van de uitstroompremie ontstaat een extra stimulans om uit te stromen richting arbeid. Daarnaast neemt de uitstroompremie belemmeringen weg voor diegene die vanwege een mogelijke armoedeval beperkingen ervaren ten aanzien van de uitstroom. Het vervallen van de overige premies sluit aan bij de in de WWB opgenomen eigen verantwoordelijkheid van de klant ten aanzien van de uitstroom. Daarnaast worden klanten door middel van een reïntegratietraject begeleid en gestimuleerd bij het vinden van een baan. De uitstroompremie wordt hierbij als aanvullend reïntegratie-instrument ingezet om de daadwerkelijk uitstroom te realiseren. Welke voorwaarden worden er aan het recht op uitstroompremie gesteld? Om voor een uitstroompremie in aanmerking te komen gelden de volgende voorwaarden: iemand is volledig uitgestroomd uit de bijstand door het aanvaarden van regulier, niet-gesubsidieerd-, werk. Volledige uitstroom kan eveneens plaats vinden vanuit gesubsidieerde arbeid naar regulier werk. de duur van de verrichte arbeid is op het moment van aanvragen minimaal gelijk aan de referteperiode zoals opgenomen in de Werkloosheidswet. gedurende deze periode is geen nieuw recht op bijstand ontstaan (bijvoorbeeld omdat de partner geen inkomsten meer verwerft). iemand behoort op het moment van uitstromen in elk geval tot de volgende doelgroep: alleenstaande ouders waarvan het jongste ten laste komende kind de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt; en/of cliënten van 57,5 jaar of ouder: en/of cliënten die vanwege sociale of medische beperkingen belemmeringen ervaren richting de uitstroom. De klantmanager licht actief voor over het recht op uitstroompremie. Hoogte uitstroompremie: De uitstroompremie bedraagt 50% van het in artikel 31, lid 2 onder j WWB genoemde bedrag en wordt, nadat aan alle voorwaarden is voldaan, ineens uitbetaald. Aanvraagprocedure: De uitstroompremie wordt verstrekt op aanvraag. Er dienen door de klant bewijsstukken overgelegd te worden waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden zoals gesteld aan het recht op premie. De klantmanager handelt de aanvraag af. Het recht op premie is persoonsgebonden. Dit betekent dat de partner die (aanvullende) inkomsten is gaan verwerven, met als gevolg de gerealiseerde uitstroom, een recht op uitstroompremie heeft. Er wordt altijd een beschikking gestuurd waarin het recht op premie wordt toegekend. Tegen dit besluit staat de mogelijkheid van bezwaar open. Gevolgen voor het recht op huursubsidie: Indien voldaan wordt aan de voorwaarde dat het om een eenmalige premie gaat binnen het desbetreffende kalenderjaar, dan betreft het een onbelaste uitkering. Als gevolg hiervan heeft de uitstroompremie verder geen gevolgen voor het recht op huursubsidie. Ten onrechte verstrekte premie: Indien achteraf blijkt dat de uitstroompremie ten onrechte is verstrekt, bijvoorbeeld omdat de onjuiste bewijsstukken zijn overgelegd, dan wordt het recht op uitstroompremie herzien. De verstrekte uitstroompremie wordt teruggevorderd. De premie betreft een uitgave uit het participatiebudget. Terugvordering vindt plaats op basis van de gemeentelijk reïntegratieverordening waarin is bepaald dat overgegaan wordt tot een terugvordering indien er ten onrechte gebruik is gemaakt van een reïntegratie-instrument. Het recht op een uitstroompremie op grond van de WWB gaat gelden vanaf 1 januari
  17. Iemand dient in elk geval op of na 1 januari 2005 aan de gestelde voorwaarden te voldoen. De datum van uitstroom kan wel liggen voor 1 januari 2005, maar vond niet voor 1 januari 2004 plaats. Ook iemand die in 2004 is uitgestroomd, en in 2005 nog steeds aan de voorwaarden voldoet, wordt hiermee dus onder het premiebeleid gebracht. Iemand dient in elk geval op het moment van aanvragen aan alle voorwaarden te voldoen. De uitstroompremie zou anders immers zijn doel missen: het stimuleren van mensen om duurzaam uit te stromen. Hardheidsclausule Indien het met ingang van 1 januari 2005 in werking treden van het premiebeleid in het individuele geval leidt tot ernstige benadeling, dan kan hiervan afgeweken worden. Voordat tot besluitvorming wordt overgegaan brengt de klantmanager eerst een onderbouwd voorstel ter advisering in het Beleids Advies Team(BAT). Richtlijnen “Bijstand” Hoofdstuk 1 - Begrippen Richtlijn B001 Voorbeelden van inrichtingen In deze richtlijn kan het college van B&W concrete voorbeelden van instellingen in de regio noemen die moeten worden aangemerkt als inrichting in de zin van de WWB en van instellingen die, hoewel men anders zou kunnen vermoeden, juist geen inrichting zijn Inrichtingen: Ziekenhuizen Psychiatrische inrichtingen (zoals bijvoorbeeld het Psychiatrisch Centrum Nijmegen te Nijmegen) Geen inrichtingen: Blijf-van-mijn-lijfhuizen Projecten voor begeleid zelfstandig wonen Opvang voor dak- en thuislozen (sociale pensions) Hoofdstuk 2 - Aanvraag Richtlijn B142 Verkorte aanvraagprocedure na korte onderbreking bijstand In deze richtlijn kan het college van B&W aangeven in welke gevallen er een verkorte aanvraagprocedure gehanteerd wordt bij een nieuwe aanvraag na een eerdere beindiging van de bijstand. Het college hanteert geen vereenvoudigde aanvraagprocedure. Alle aanvragen dienen volgens de normale procedure gedaan te worden. Indien belanghebbende minder dan 30 dagen voor de datum van melding nog recht op bijstand had, wordt dit recht niet geacht te zijn geëindigd en hoeft geen nieuwe aanvraag te worden gedaan. Richtlijn B002 Eerste termijn inleveren gegevens bij aanvraag In deze richtlijn kan het college van B&W aangeven binnen welke eerste termijn belanghebbende bij het aanvragen van een bijstandsuitkering de voor deze aanvraag van belang zijnde gegevens dient te verstrekken. De belanghebbende wordt verzocht om binnen 5 werkdagen na die datum het (volledig) ingevulde en ondertekende inlichtingenformulier alsmede de gevraagde bewijsstukken bij de afdeling Sociale Zaken in te leveren. Richtlijn B003 Ingangsdatum bijstand na afgewezen WW-aanvraag Het college van B&W kan in deze richtlijn het beleid aangeven inzake het bepalen van de ingangsdatum van de bijstand nadat een aanvraag voor een WW-uitkering is afgewezen. De belanghebbende wiens WW-aanvraag is afgewezen dient zich binnen acht dagen na ontvangst van de afwijzing te melden voor een WWB-aanvraag. B&W kennen de bijstand in dat geval in beginsel toe per datum van de WW-aanvraag. Bij een latere melding kennen B&W de bijstand toe per datum melding, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die de latere melding rechtvaardigen. Richtlijn B004 Afhandeling ingetrokken aanvragen In deze richtlijn kan het college van B&W aangeven hoe te handelen indien belanghebbende aangeeft dat hij de aanvraag intrekt. Het intrekken van een aanvraag moet door de belanghebbende altijd schriftelijk worden bevestigd. Verder geldt dat het intrekken van een aanvraag altijd door de afdeling Sociale Zaken schriftelijk wordt bevestigd. Wordt de aanvraag namens de belanghebbende ingetrokken door een derde, dan dient eveneens een machtiging overgelegd te worden. Richtlijn B005 Categorieën aanvragen bij UWV i.p.v. college In deze richtlijn kunnen de categorieën van aanvragen worden aangegeven welke in afwijking van artikel 41 lid 2 WWB niet bij het college van B&W maar bij het UWV Werkbedrijf moeten worden ingediend. Op grond van een aanwezig geachte urgentie verwijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen direct na of bij de melding de volgende groepen door naar de gemeente (zie ook bijlage G.10): cliënten die in een inrichting verblijven cliënten die gerekend worden tot de groep gevestigde zelfstandigen cliënten die ouder zijn dan 65 jaar. In geval van een echtpaar waarbij één van beide partners jonger is dan 65 jaar dient het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het normale intakeproces te volgen. de ex-alleenstaande minderjarige asielzoeker (ex-ama) en cliënten die een aanvraag doen voor een WWIK-uitkering worden verwezen aar de gemeente Arnhem (centrumgemeente). Voor personen waarvoor het naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aannemelijk te achten is dat zij in acute geldnood verkeren in relatie tot de eerste levensbehoeften verkeren zijn tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de gemeente werkafspraken gemaakt. Indien personen voor het indienen van een aanvraag direct naar de gemeente worden verwezen laat dit de mogelijkheid om bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een werkintake te laten plaatsvinden onverlet. Richtlijn B006 Locatie(s) indienen aanvragen In deze richtlijn wordt aangegeven op welk adres belanghebbende zich moet melden om een aanvraag voor bijstand te kunnen indienen. Voor aanvragen die bij het UWV werkbedrijf moeten worden ingediend, moet de aanvrager zich melden bij: UWV werkbedrijf Mariënburg 30 6511 PS Nijmegen 024 3293700 Richtlijn B007 Overdrachtstermijn In deze richtlijn kan worden aangegeven of de overdrachtstermijn voor aanvragen welke bij de Centrale organisatie werk en inkomen zijn ingediend wordt verlengd. Er zijn afspraken gemaakt met dehet UWV Werkbedrijf inzake verlenging van de overdrachtstermijn (zie ook bijlage G.10). Partijen (Werkbedrijf en gemeente) zijn namelijk van mening dat het prioriteit heeft het dossier van het Werkbedrijf naar de gemeente zo volledig mogelijk over te dragen. De termijn van 8 werkdagen mag daarom indien nodig worden opgerekt naar 10 werkdagen. Binnen die termijn wordt belanghebbende de mogelijkheid gegeven eventueel ontbrekende gegevens bij de uitkeringsintake alsnog aan te leveren. Het Werkbedrijf wijst de klant op mogelijke consequenties voor de uitkering t.a.v. het niet of niet tijdig inleveren van de benodigde gegevens. Na maximaal 10 werkdagen wordt het dossier compleet overgedragen. Hoofdstuk 3 Recht op bijstand Richtlijn B012 Bijzondere bijstand voor legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie Het college van B&W kunnen in deze richtlijn hun beleid ten aanzien van het verstrekken van bijzondere bijstand voor de (leges)kosten van verblijfsvergunningen en naturalisatie aangeven. De legeskosten voor naturalisatie van vreemdelingen worden vanuit een positieve benadering van integratie voor vreemdelingen als "bijzonder noodzakelijk" aangemerkt. Dit betekent dat deze kosten voor de verlening van bijzondere bijstand in aanmerking komen. Naturalisatie wordt in het kader van het integratiebeleid namelijk gezien als een wenselijke stap. Richtlijn B013 Bijstand voor vaste lasten woning gedetineerde Het college van B&W kan in deze richtlijn aangeven hoe het omgaat met het (al dan niet) verstrekken van bijstand voor de vaste lasten van de woning aan een gedetineerde alleenstaande om hem in staat te stellen zijn woning aan te houden gedurende de detent Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor het aanhouden van de woning tijdens detentie. Eventueel met hulp van de reclassering, zal de belanghebbende zelf zorg moeten dragen voor het (kunnen) aanhouden van de woning door tijdige reservering voor deze kosten, het afsluiten van een lening of het tijdelijk (onder)verhuren van de woning. Richtlijn B014 Bijstand voor reiskosten bezoek gedetineerde Het college van B&W kan in deze richtlijn aangeven wat zijn beleid is ten aanzien van het verstrekken van bijzondere bijstand voor reiskosten in verband met het bezoeken van een gedetineerde. Omschrijving van de kosten Het betreft de kosten die gemaakt moeten worden om het traject van thuis naar het verblijfadres van het gedetineerde gezinslid af te leggen. Voorliggende voorzieningen Er is geen voorliggende voorziening. Recht op bijzondere bijstand Indien een gedetineerde geen recht heeft (weekend)verlof is het mogelijk om aan gezinsleden bijzondere bijstand te verlenen in de reiskosten die verband houden met het bezoeken van de gedetineerde. In het algemeen wordt geen bijstand verstrekt voor reiskosten gemaakt in verband met een bezoek gebracht aan een persoon die niet tot het gezin behoort. De kosten van een familiebezoek betreffen algemene kosten en dienen uit de norm dan wel het inkomen te worden voldaan. Slechts in geval van zeer bijzondere omstandigheden wordt hierop een uitzondering gemaakt. Hierbij kan bijvoorbeeld een rol spelen dat er geen andere gezinsleden zijn, de duur van detentie of de reisafstand die gezinsleden af moeten leggen. In beginsel worden vergoed de reiskosten van twee bezoeken per maand door één persoon of één bezoek per maand door twee personen. Afhankelijk van de situatie kan indien noodzakelijk voor een andere frequentie worden gekozen. De noodzaak van meer bezoeken per maand moet door middel van een schriftelijke verklaring van de reclassering of de inrichting worden gemotiveerd. Hoogte bijzondere bijstand De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de kosten van openbaar vervoer (2e klas). Indien het gebruik van een auto goedkoper is, dan wel het reizen met het openbaar vervoer geen reëel alternatief is, geldt een kilometervergoeding van € 0,18 (bedrag geldt per 01-01-2004). Voorwaarde is wel dat de enkele reisafstand meer bedraagt dan 10 kilometer. Is dit het geval, dan worden alle reiskosten vergoed. Dus ook over de eerste 10 kilometer. Draagkracht Bepaal de draagkracht overeenkomstig de hoofdregel en breng deze in mindering op de voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Zie ook paragraaf B
  18. Richtlijn B015 Bijstand en het vervullen van alternatieve straffen Het college van B&W kan in deze richtlijn aangeven wat het beleid is ten aanzien van de reële beschikbaarheid voor arbeid van een belanghebbende die een taakstraf (alternatieve straf) moet vervullen. In het algemeen kan gesteld worden dat een veroordeelde reëel beschikbaar is voor arbeid indien hij zijn alternatieve straf in de weekends, avonduren en vakantie vervult en wanneer hij zijn alternatieve straf door de week overdag vervult omdat hij niet in staat wordt gesteld tot vervulling er van op andere tijdstippen. Er is geen sprake van een reële beschikbaarheid voor arbeid wanneer de alternatieve straf door de week overdag wordt vervuld, terwijl de mogelijkheid bestaat om dit ook op andere tijdstippen te doen. In dat geval zal een aanvraag om (algemene) bijstand geweigerd moeten worden. Om te controleren op welke momenten de belanghebbende zijn alternatieve straf kan vervullen wordt een verklaring van het bureau alternatieve straffen verlangd, alvorens tot verlening van bijstand wordt overgegaan. Het verrichten van onbetaalde arbeid als alternatieve straf op zich kan niet leiden tot een (gedeeltelijke) ontheffing van de arbeidsplicht. Let op: Tot inwerkingtreding van de gemeentelijke Reïntegratieverordening blijft de arbeidsverplichting gelden zoals opgenomen in de Abw. Na inwerkingtreding van de Reïntegratieverordening gaat WWB, nog op basis van de WWB en de onderliggende gemeentelijke verordeningen te worden gebracht. Richtlijn B016 Meldingsplicht studie Het college van B&W kan in deze richtlijn aangeven wanneer en hoe de belanghebbende inlichtingen over het (gaan) volgen van een studie of opleiding moet verstrekken om te voldoen aan zijn algemene inlichtingenplicht. De bijstandsontvanger is verplicht vooraf schriftelijk via het maandelijkse IB te melden dat hij een studie wil gaan volgen. Naar aanleiding van de melding beoordeelt b en w of zij toestemming kan verlenen voor het volgen van de studie met behoud van uitkering. Middels een beschikking wordt de belanghebbende op de hoogte gesteld van de beslissing. Indien b en w toestemming verlenen, dan wordt in de beschikking duidelijk omschreven waarvoor toestemming is verleend en onder welke voorwaarden. De belanghebbende dient binnen een maand na aanvang van de studie een bewijs van inschrijving van het opleidingsinstituut te overleggen. Let op: Tot inwerkingtreding van de gemeentelijke Reïntegratieverordening en Afstemmingsverordening blijft de inlichtingenverplichting gelden zoals opgenomen in WWB. Richtlijn B017 Meldingsplicht vakantie/verblijf in het buitenland Het college van B&W kan in deze richtlijn aangeven wanneer en hoe de belanghebbende inlichtingen over zijn verblijf in het buitenland en/of (langdurig) verblijf buiten de gemeente moet verstrekken om te voldoen aan zijn algemene inlichtingenplicht. De belanghebbende dient op het inkomstenformulier melding te maken van een voorgenomen vakantie (in het buitenland) onder vermelding van de vakantieperiode of van een reeds genoten vakantie over een voorliggende periode die nog niet op het inkomstenformulier kon worden vermeld. Vakanties van langer dan 1 week worden door UA vastgelegd in een apart tekstblok voor vakanties. Blijkt uit de opgave op het inkomstenformulier of bij de vastlegging dat de maximaal toegestane termijn van 4 of 13 weken per jaar wordt/is overschreden, dan wordt de uitkering geblokkeerd en gaat er een signalering uit naar de consulent. Na terugkomst in Wijchen vindt deblokkering van de uitkering plaats nadat door de consulent over (de reden van) deze te lange vakantieduur is gerapporteerd. In deze rapportage wordt bezien of er aanleiding is om tot een uitsluiting van het recht op bijstand over te gaan. Bij een voorgenomen verblijf buiten Nederland dient in principe altijd vooraf toestemming gevraagd te worden. Deze instructie geldt ook voor belanghebbende met een IOAW- of IOAZ-uitkering. Hoofdstuk 4 – Middelentoets Richtlijn B147 Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating In deze richtlijn kan het College van B&W aangeven in welke gevallen het van mening is, dat het vrijlaten van inkomsten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel o WWB bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende. Vrijlatingsbeleid Onder vrijlatingsbeleid wordt verstaan het (gedeeltelijk) vrijlaten van inkomsten uit arbeid door deze niet (geheel) te korten op de bijstandsuitkering. Naast de (aanvullende) bijstandsuitkering heeft de cliënt dus eveneens de beschikking over een gedeelte van zijn vrijgelaten inkomsten. Met de komst van de Wet werk en bijstand zijn de mogelijkheden van het vrijlatingsbeleid veranderd. Nog meer nadruk is komen te liggen op de eigen verantwoordelijkheid. Het recht op vrijlating zoals opgenomen in de Abw stemt hier niet mee overeen. Gekozen is daarom, na een amendement, voor een beperkt recht op vrijlating. Sinds 1 januari 2004 mogen inkomsten worden vrijgelaten op basis van: een afbouwregeling (artikel 9 Invoeringswet) voor bestaande gevallen [1]; artikel 31 lid 2 sub o WWB: de mogelijkheid om gedurende maximaal zes maanden inkomsten gedeeltelijk (25% tot een maximum bedrag, thans € 165,00 per maand) vrij te laten, "voor zover de werkzaamheden naar het oodeel van het College bijdragen tot arbeidsinschakeling". Voorwaarden voor een recht op vrijlating Aan het recht op een vrijlating zijn de volgende voorwaarden verbonden: iemand beschikt over inkomsten uit arbeid. Als inkomsten uit arbeid worden eveneens aangemerkt een doorbetaling van loon tijdens ziekte gedurende 104 weken, een uitkering aan een werknemer in verband met zwangerschap of bevalling op basis van de Wet arbeid en zorg en inkomsten uit additionele arbeid. iemand beschikt naast deze inkomsten over een aanvullende bijstandsuitkering. M.a.w. de inkomsten die iemand heeft bedragen minder dan de toepasselijke bijstandsnorm (bijstandsnorm + gemeentelijke toeslagen of verlagingen; er is eerder nog geen vrijlating toegekend op grond van artikel 31 lid 2 sub o van de WWB; het recht op vrijlating wordt voor maximaal zes maanden toegekend. Het gaat hierbij om een aaneengesloten periode [2] de werkzaamheden dragen bij tot arbeidsinschakeling. Werkzaamheden dragen bij tot arbeidsinschakeling Een voorwaarde voor het recht op vrijlating is dat de werkzaamheden bijdragen tot arbeidsinschakeling. Wanneer hiervan sprake is wordt niet nader aangegeven in de WWB. De gemeente Wijchen heeft hierbij een eigen beleidsvrijheid. Wij hanteren de volgende uitgangspunten bij de beoordeling of de werkzaamheden bijdragen tot arbeidsinschakeling: deeltijdwerk is een noodzakelijke stap om uitstroom uit de bijstand te realiseren. de deeltijdarbeid vindt plaats in het kader van een reïntegratietraject waarbij duurzame uitstroom uit de bijstand het einddoel is. er is een duidelijke aanwijzing dat de klant na het verrichten van de deeltijdarbeid ook volledig kan uitstromen. personen die subsidie op arbeid krijgen of vrijwilligerswerk [3] verrichten vallen niet onder het vrijlatingsbeleid. Uit de bovenstaande criteria blijkt dat de deeltijdarbeid geen doel op zichzelf mag zijn. Het betreft een noodzakelijke stap om volledige uitstroom te realiseren. Duurzame uitstroom moet dan ook het uiteindelijke doel van het reïntegratietraject zijn. Het recht op vrijlating is dus niet bedoeld voor: mensen die ook zonder de stap deeltijdarbeid uit kunnen stromen. Voor deze groep uitkeringsgerechtigden staat het gemeentelijke premiebeleid open. mensen die al deeltijdarbeid verrichten of gaan verrichten en hier feitelijk op aangewezen blijven. Bijvoorbeeld vanwege sociale of medische beperkingen. mensen die reeds voorafgaand aan het reïntegratietraject deeltijdarbeid verrichten. Duurzame uitstroom Van duurzame uitstroom is sprake wanneer de arbeid voldoende uren omvat om uit de uitkering te geraken en een minimale duur heeft overeenkomstig de referte-eis zoals opgenomen in de WW. Vrijlating gedurende maximaal zes maanden De vrijlating wordt toegekend over maximaal een aaneengesloten periode van zes maanden. Is de vrijlating eenmaal toegekend, dan eindigt het recht hierop dus zes maanden later. Ook als de inkomsten tussentijds worden onderbroken. Dit feit leidt dus niet tot een opschorting van het recht op vrijlating. Iemand gaat bijvoorbeeld werkzaamheden verrichten vanaf 1 februari
  19. In februari en maart ontvangt hij inkomsten uit arbeid, in april en mei niet, maar in juni worden de werkzaamheden weer hervat. Er bestaat een recht op vrijlating in de maanden februari, maart, juni en juli. Het recht op vrijlating eindigt op 1 augustus 200

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.