← Nederland

Regionaal Water en Bodem Programma (Noord-Brabant)

Kort samengevat

Deze wet, het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027, beschrijft hoe de provincie Noord-Brabant de komende jaren werkt aan voldoende, schoon en veilig water, een vitale bodem en klimaatadaptatie. Het programma richt zich op een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem in Brabant, met een doorkijk naar 2050.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/provincie/2025/CVDR738324 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv30/2025/2_25 /join/id/stop/work_019 2025-04-17 2025-04-17 /akn/nl/act/provincie/2025/CVDR738324/nld@2025-04-17 /join/id/proces/pv30/2025/2_67_nieuweregeling 2025-04-17 2025-04-17 /akn/nl/act/pv30/2025/2_25/nld@67 /akn/nl/act/pv30/2025/2_25 /akn/nl/act/pv30/2025/2_25/nld@67 /join/id/stop/work_019 v1 Regionaal Water en Bodem Programma Voorwoord 2022 Voor u ligt het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP). In dit RWP leest u hoe de provincie Noord-Brabant de komende jaren gaat werken aan voldoende water, schoon water, veilig water, vitale bodem en klimaatadaptatie. Dit doen we natuurlijk niet alleen. We werken goed samen met onze partners om onze gezamenlijke doelen te realiseren. Die samenwerking zal de komende jaren alleen maar intensiever worden. De urgentie is namelijk groot. Het is vijf voor twaalf. Uit de praktijk blijkt dat de huidige aanpak niet voldoende is om onze doelen te halen. Samen met de partners maken we daarom afspraken om de uitvoering slagvaardiger te maken en geven we invulling aan de benodigde trendbreuk. Water mag niet langer beschouwd worden als een vanzelfsprekend product. Het bewustzijn dient te groeien dat we goed voor ons water en onze bodem moeten zorgen. Dat vraagt van ons allen een andere manier van werken; ruimte om samen met inwoners, agrariërs, industrie, natuurbeheerders en andere overheden op zoek te gaan naar nieuwe oplossingen. Dit gebeurt o.a. in de gebiedsgerichte aanpak groenblauw, waar verschillende opgaven in een gebied samen worden opgepakt. Daarnaast gaan we ook slimmer werken, door innovatie en de inzet van data, en laten we onze leidende principes doorwerken in de andere programma’s binnen de provincie. Op deze manier werken we aan een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem! Hagar Roijackersgedeputeerde Water en Bodem provincie Noord-Brabant 3 december 2021 Voorwoord Addendum 2025 Het addendum-RWP geeft inzicht in de aanvullende stappen die we als provincie op het vlak van water en bodem gaan zetten als aanvulling op ons Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP). Ons water- en bodemsysteem heeft direct invloed op de manier waarop we wonen, werken en recreëren in Brabant, en hoe de Brabantse samenleving gebruikmaakt van ruimte. Schoon en voldoende water, een vitale bodem en waterveiligheid zijn de fundamenten onder onze welvaart, onze gezondheid én onze veiligheid. Schoon drinkwater en de daarmee gepaarde gezondheidswinst is een vanzelfsprekendheid. Net als voldoende en gezond voedsel kunnen verbouwen. En dat we met een gerust hart, zonder angst voor overstromingen, kunnen gaan slapen. Om die vanzelfsprekendheid te behouden is een robuust water- en bodemsysteem is ontzettend belangrijk. Juist omdat de wens van de samenleving en het klimaat verandert. In ons Regionaal Water en Bodem Programma 2022- 2027 (RWP) zijn al veel noodzakelijke stappen voor een robuust water- en bodemsysteem vastgelegd. Tegelijkertijd zien we dat de ontwikkelingen elkaar in rap tempo opvolgen. Reden genoeg om ons RWP aan te vullen met dit addendum. Werken aan water en bodem is belangrijk voor ons allemaal. We kiezen voor een fundamenteel ander waterbeheer, waarbij we de systeemwerking van ons water en bodemsysteem herstellen en onze bodem en grondwatervoorraden beschermen. Zaken die vanzelfsprekend waren zullen veranderen voor ons allemaal: provincie, gemeenten, waterschappen, bedrijven én inwoners. Onze opdracht is om het water- en bodemsysteem meer sturend te laten zijn. Dit vraagt om anders denken én doen. Dat is best spannend en zal keuzes vragen die niet altijd makkelijk zijn. De provincie helpt waar het kan, maar is ook streng als het moet om de benodigde omslag te bereiken. Ik hoop dat u met mij ziet dat deze omslag ook kansen biedt. Werken aan water en bodem kan een sleutelrol vervullen in het verwezenlijken van de opgaven waarvoor Brabant staat, door het komen tot een slimme en toekomstbestendige ruimtelijke inrichting. Multifunctioneel ruimtegebruik met een klimaatrobuust water- en bodemsysteem als basis speelt daarin een belangrijke rol. Als provincie kunnen we niet alleen deze omslag maken. Daarom zijn veel partijen betrokken geweest bij de totstandkoming van dit addendum. Dank aan de Brabantse waterschappen, gemeenten, maatschappelijke partners en vertegenwoordigers van ondernemers voor het meedenken! Ik wil u graag oproepen om samen op te trekken bij de uitwerking en uitvoering van ons beleid Het jaartal 2030 is belangrijk als omslagmoment in de transitie. Dat jaar moeten water en bodem meer sturend zijn in de manier waarop we wonen, werken, recreëren en gebruikmaken van de ruimte in Brabant. Laten we samen in de actiestand gaan om op deze verandering voorbereid te zijn. Ons water- en bodemsysteem is een verborgen goed, van onschatbare waarde, voor deze en toekomstige generaties. Saskia BoelemaGedeputeerde Water en Bodem Provincie Noord-Brabant 18 februari 2025 Hoofdstuk

  1. Inleiding 1.1 Aanleiding voor dit programma Het klimaat verandert en dat merken we ook in Brabant. Het wordt warmer, droger, natter en de zeespiegel stijgt. En het gaat sneller dan we denken. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020 drukken ons met de neus op de feiten: Brabant verdroogt. De hoge waterstanden in de eerste maandenen de zomer van 2021 laten zien dat ook hoogwaterveiligheid onverminderd aandacht nodig heeft. De bodem verarmt en klinkt in, waardoor de sponswerking verdwijnt. Dit alles heeft merkbare gevolgen voor de manier waarop we in Brabant wonen, werken en recreëren. Het raakt onze gezondheid, de kwaliteit van onze leefomgeving, landbouw, natuur en onze economie. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: De gevolgen van de klimaatverandering laten ons zien dat het watersysteem een echt systeem is, met onderlinge samenhang en verbindingen. Ze hebben zichtbaar en urgent gemaakt dat we af moeten van een aanpak die gericht is op afzonderlijke problemen in het systeem en dat we toe moeten naar een systemische aanpak. De provincie heeft de belangrijke taak om samen met haar partners goed voor het water en de bodem in Brabant te zorgen. “Water is geen gewone handelswaar, maar een erfgoed dat als zodanig beschermd, verdedigd en behandeld moet worden”. Dat is de letterlijke formulering uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) waar het Nederlandse planstelsel een afgeleide van is. Daarbij gaat het niet alleen om het anders omgaan met het watersysteem, maar ook om te komen tot een vitale bodem. De titel van het nieuwe programma is daarom: Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP)
  2. Het RWP omvat de volledige water- en vitale bodemopgave in Noord-Brabant voor de planperiode 2022-2027, met een doorkijk naar
  3. 1 De provincie voert een integraal beleid op het gebied van water en vitale bodem. Om die reden spreken we van Regionaal Water en Bodem Programma 2022 -
  4. Landelijk en vanuit de wettelijke kaders is de afkorting RWP ingeburgerd. Om die reden handhaven we deze afkorting. 1.2 Vertrekpunt Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant - Visie op de Brabantse leefomgeving' De Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant - visie op de Brabantse leefomgeving’ bevat de ambitie van de provincie en is het overkoepelend en leidend kader voor het RWP. In het RWP wordt voor het thema water en bodem nadere uitwerking en invulling gegeven aan de Brabantse Omgevingsvisie. De Brabantse Omgevingsvisie zet in op het vinden van een balans tussen beschermen en benutten: optimaal gebruiken en ontwikkelen van de leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen. Het werken aan een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit is de basis voor al het handelen vanuit de Omgevingsvisie. Schoon en voldoende water, vitale bodem, waterveiligheid en klimaatadaptatie dragen bij aan een verbetering van de omgevingskwaliteit. Door goed voor onze omgeving te zorgen, kunnen we Brabant op verantwoorde manier doorgeven aan volgende generaties. Hiervoor is het belangrijk om vanuit meerdere richtingen te kijken: het ‘diep, breed en rond’ kijken uit onze Omgevingsvisie. De Brabantse Omgevingsvisie legt daarnaast de focus op vier hoofdopgaven voor de lange termijn: de Brabantse energietransitie, de slimme netwerkstad, een concurrerende, duurzame economie en een klimaatproof Brabant.De Visie klimaatadaptatie is een uitwerking van de hoofdopgave ‘Brabant klimaatproof’. Provinciale Staten hebben op 19 juni 2020 de Visie klimaatadaptatie - inclusief een uitwerking van de bestuursopdracht ‘Stoppen van de verdroging met een waterrobuuste inrichting van Brabant’ - vastgesteld. De visie en aanpak zijn verwerkt in dit RWP. 1.3 Het op orde houden van het natuurlijk systeem Dit RWP geeft invulling aan het op orde houden van de basis van het natuurlijk systeem: water en bodem, en is mede gebaseerd op wettelijke regels en beleid. Dit is onder andere vastgelegd in de wettelijk omschreven rollen en taken in het waterbeleid in Nederland, dat uitgaat van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het RWP formuleert de tussendoelen voor 2027 die nodig zijn om de uiteindelijke ambitie in 2050 te behalen. De KRW is Europese regelgeving die door alle lidstaten wettelijk is verankerd. Het planstelsel voor het waterbeleid in Nederland is daarvan afgeleid, en bestaat uit een Nationaal Water Programma op rijksniveau, Regionale Water Programma’s op provinciaal niveau en waterbeheerprogramma’s op waterschap niveau. Het doel van de KRW is dat uiterlijk in 2027 alle maatregelen zijn uitgevoerd om het water in Europa schoon en gezond te krijgen en te houden. De KRW kent drie planperiodes: 2009-2015, 2016-2021 en 2022-
  5. Naast Europese regelgeving voor waterkwaliteit is er ook Europese regelgeving voor waterveiligheid: de Richtlijn Overstroming Risico’s (ROR). Het planstelsel inclusief deze Europese regelgeving voor het waterbeleid, is onverkort overgenomen in de nieuwe Omgevingswet en is de basis voor dit RWP. 1.4 De status en totstandkoming van dit programma Dit RWP is voorbereid onder de Waterwet en door Provinciale Staten vastgesteld als regionaal waterplan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet, naar verwachting op 1 juli 2022, is dit RWP een verplicht programma onder de Omgevingswet. Samen met het middels de Visie Klimaatadaptatie door Provinciale Staten vastgestelde beleidskader voor klimaatadaptatie (incl. vitale bodem) en verdrogingsbestrijding vormen zij het kader voor de uitvoering van de wettelijke taken en de doelen uit de Brabantse Omgevingsvisie. In het kader van het RWP wordt met het begrip “Bodem” de RWP-beleidsopgave “Vitale Bodem” bedoeld, waarin de relatie tussen de bodem en het watersysteem in vooral het landelijk gebied primair centraal staat. De overige facetten van bodem zoals beleidsontwikkelingen rond bodemkwaliteit, saneringen en ondergrond zijn geen onderdeel van het RWP. Deze onderwerpen worden ingevuld vanuit het Beleidskader Milieu. Ook stedelijke bodem behoort niet tot de scope van het RWP, dit onderwerp valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Het beleid voor vitale bodem is weliswaar geen wettelijke taak, maar wordt wel ingezet mede om de wettelijke taken op het vlak van verdrogingsbestrijding en doelbereik KRW in te vullen. Ditzelfde geldt voor de beleidsopgave klimaatadaptatie: dit is geen wettelijke taak, maar draagt wel bij aan wettelijke taken op het vlak van verdrogingsbestrijding en doelbereik KRW. Het RWP biedt waterschappen en gemeenten een kader voor hun eigen beleid. Een belangrijk onderdeel van dit kader is de toekenning van functies en de vastlegging van grond- en oppervlaktewaterlichamen om te voldoen aan de KRW. Voor een aantal aspecten van het oppervlakte- en grondwater, zoals vastgelegd in de KRW, is het rechtstreeks bindend voor waterschappen. Ook geeft het RWP inwoners en ondernemers zicht op de provinciale koers en nodigt het overheden en de samenleving uit om samen de schouders te zetten onder het realiseren van een klimaatbestendig en waterrobuust Brabant in
  6. Het RWP staat niet op zichzelf, maar wordt in samenhang gezien met andere opgaven op het gebied van leefbaarheid, cultuur en vrije tijd, wonen en werken, leefbaarheid, energie, land- bouw, natuur en biodiversiteit, archeologie en cultuurhistorie, en duurzame circulaire economie. Op deze manier draagt het bij aan een integrale benadering van de duurzame (fysieke) leef- omgeving. Ook in de uitvoering wordt een samenhangende aanpak van opgaven opgezocht. Het opgenomen beleid in dit RWP is een doorontwikkeling van het beleid zoals opgenomen in het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP). De urgentie is echter afgelopen jaren sterk toegenomen. Beleidswijzigingen zijn gebaseerd op de resultaten van uitgevoerde onderzoeken, beleidsevaluaties en tussentijdse stappen zoals statenmededelingen en de Visie Klimaatadaptatie. Ook wordt er rekening gehouden met nieuwe inzichten in de werking van het water- en bodemsysteem. Zo is er in 2018 een ‘Tussenevaluatie milieu- en waterbeleid Noord-Brabant’2 opgeleverd. Deze evaluatie is mede gebaseerd op achterliggende diepgaandere evaluaties voor bijvoorbeeld de verdrogingsbestrijding. Daarnaast is er voor de versnelling en intensivering van de aanpak van waterkwaliteitsproblemen (KRW) een breed regionaal en nationaal proces doorlopen met alle betrokkenen. Door het Planbureau van de Leefomgeving is in dit kader de ‘Nationale analyse waterkwaliteit, onderdeel van de Delta-aanpak Waterkwaliteit’3 opgesteld. De uitkomsten hiervan zijn meegenomen in dit RWP. Het RWP is opgesteld als onderdeel van de beleidscyclus voor water en bodem (zie Hoofdstuk
  7. Samen werken aan uitvoering). We doorlopen deze beleidscyclus met alle betrokken partijen om beleid op te stellen, uit te voeren, te verantwoorden en periodiek te actualiseren. 2 Panteia/Kwink Groep,
  8. Tussenevaluatie milieu- en waterbeleid Noord-Brabant. 3 Planbureau voor de Leefomgeving,
  9. Nationale analyse waterkwaliteit. Onderdeel van de Delta-aanpak Waterkwaliteit. 1.5 Samenhang met waterbeheerprogramma's en nationale programma's Voor alle beleidsopgaven uit het RWP vindt intensieve samenwerking plaats met de waterschappen en wordt in onderling overleg gewerkt aan verdere stroomlijning en aanscherping van de wederzijdse plannen. De samenhang met het Nationaal Waterprogramma ende Deltaprogramma’s komt tot uitdrukking in de aanpak voor de diverse beleidsopgaven. Zo is er voor beleidsopgave voldoende water een relatie met het Deltaprogramma Zoetwater, de openbare drinkwatervoorziening en zoetwatervoorziening via het hoofdwatersysteem. Voor klimaatadaptatie ligt de samenhang in het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie, voor de beleidsopgave schoon water in respectievelijk de landelijke KRW- en Nitraataanpak en de Delta-aanpak Waterkwaliteit en voor veilig water in het Deltaprogramma Waterveiligheid. 1.6 Beoordeling milieueffecten De milieueffecten van de voorgenomen beleidswijzigingen in dit plan zijn beschreven in een plan-Milieueffectrapport (plan-MER). In een vroeg stadium van het tot stand komen van het RWP zijn verschillende beleidsopties (alternatieven) verkend. De effecten, kansen en risico’s voor de fysieke leefomgeving (globaal) van de alternatieve beleidsopties zijn in beeld gebracht, en uitgewerkt naar een voorkeursscenario. Door het expliciet volgen van deze procedure, is het brede milieubelang meegewogen in de totstandkoming van het programma en zijn kaders en randvoorwaarden aangegeven. Het voorkeursscenario van het plan-MER geeft inzicht in de milieuambitie en het doelbereik op de langere termijn. Voor de beperkte doorlooptijd van het programma (korte termijn) heeft de provincie gekozen voor een andere combinatie van alternatieven dan voorgesteld in het voorkeursscenario. De gekozen combinatie van alternatieven vraagt een meer realistische inzet van middelen en capaciteit van de provincie binnen de doorlooptijd van het programma. 1.7 Gezamenlijk de koers bepalen De provincie heeft de koers voor de komende jaren niet alleen bepaald. In dialoogsessies hebben vele partners en belanghebbenden actief meegedacht over de wijze waarop wij gezamenlijk invulling kunnen geven aan onze rol en verantwoordelijkheid. Naast de Brabantse waterschappen, terreinbeherende organisaties (TBO’s), de Vereniging Industriewater, drinkwaterbedrijven, de Brabantse Milieu Federatie, Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) en verschillende onderwijsinstellingen, waren ook een groot aantal gemeenten aangesloten. Gezamenlijk is kritisch gekeken naar de beleidskeuzes en zijn waardevolle suggesties afgewogen voor de uitwerking van dit programma. Het RWP is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Addendum 2025 Inleiding: aanvulling op het RWP, waarom nu en samenwerking met partners Een aanvulling op het Regionaal Water- en Bodemprogramma 2022-2027 Op 3 december 2021 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant het Regionaal Water- en Bodem Programma 2022- 2027 vastgesteld (hierna: RWP). Sinds de vaststelling van het RWP zijn er verschillende ontwikkelingen die ingrijpend effect hebben op het beleid, aanpak en uitvoering van het bestaande RWP (zie hoofdstuk
  10. Addendum 2025 Ontwikkelingen sinds vaststelling RWP). Om goed in te spelen op deze ontwikkelingen én de manier waarop water en bodem richting geven aan ruimtelijke opgaven, is een actualisatie nodig van het RWP: het addendum vult het RWP aan. De beleidsopgaven, doelen en ambities die in het in het RWP staan, blijven ongewijzigd. Ook de zeven handelingsprincipes in het RWP blijven leidend. Met het addendum wordt wel een verdere invulling van de handelingsprincipes gegeven. Ten slotte blijven ook de zes integrale lijnen (‘de Rode Draden’) van het RWP de verbindende factor tussen de beleidsopgaven. Daarnaast wordt met het addendum van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal ambtshalve aanpassingen te verwerken en de aanpak uit het RWP 2022-2027 aan te vullen (zie hoofdstuk 7.0 Beleidsopgaven RWP). Het addendum volgt het bestaande RWP in opzet en indeling. Ten behoeve van de vaststelling is er eerst een ontwerp-addendum vastgesteld ten behoeve van inspraak, inclusief een bijbehorend plan-mer. Gedurende de ter inzage legging zijn 38 zienswijzen ingekomen. De ingediende zienswijzen zijn verwerkt, inclusief de adviezen van de Commissie-m.e.r. en de Provinciale Raad voor de Leefomgeving. Robuust water- en bodemsysteem is van groot belang voor Brabant In de Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant heeft de provincie als doel gesteld dat Brabant in 2050 (breed) welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend is en daarbij een goede leefomgevingskwaliteit biedt voor alle Brabanders. Een (klimaat)robuust water- en bodemsysteem is van groot belang voor alle Brabanders: Voor de gezondheid van Brabanders hebben we voldoende en schoon drinkwater nodig, en schone beken, meren en rivieren; Ook de Brabantse economie is afhankelijk van schoon grondwater en oppervlaktewater. Bedrijven gebruiken dit als grondstof voor hun producten, of in de productieprocessen; Voldoende en gezond voedsel begint bij een vitale bodem en schoon en voldoende water voor het telen van de gewassen; De natuur is afhankelijk van voldoende en schoon (grond)water; Veilig en gezond wonen en werken vraagt om een water- en bodemsysteem dat weersextremen zo goed mogelijk opvangt. Werken aan water en bodem is van iedereen en voor iedereen in Brabant. De provincie heeft de belangrijke taak om samen met andere overheden inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen goed voor het water en de bodem in Brabant te zorgen. Waarom nu een addendum, relatie met tussentijdse evaluatie RWP De provincie acht het van groot belang om nu het bestaande RWP 2022-2027 aan te vullen, en niet te wachten op een nieuwe planperiode vanaf 2028, om de volgende redenen: a. Een robuust water- en bodemsysteem, voldoende en schoon water en een gezonde bodem, geeft perspectief aan de landbouwsector en draagt bij aan stabiele voedselproductie; b. Hoe eerder we ingrijpen, hoe lager de totale kosten zullen zijn. Met een ander water- en bodembeheer kan een deel van de toekomstige kosten veroorzaakt door weersextremen, drinkwater tekorten en biodiversiteitsverlies vermeden worden; c. Door nu richting aan te geven, ontstaat duidelijkheid en daarmee handelingsperspectief voor bedrijven die vooruit willen denken. Het geeft ze de mogelijkheid om nu al in te spelen op de kansen die met de nieuwe manier van water- en bodembeheer ontstaan; d. Inwoners, ondernemers en overheden hebben tijd nodig om zich aan te passen aan een wezenlijk andere manier van waterbeheer en sturing in de ruimtelijke ordening op basis van het water- en bodemsysteem. Door nú haar beleid aan te vullen, bereidt de provincie iedereen in Brabant voor op de veranderingen die gaan plaatsvinden en vanaf 2030 doorgewerkt moeten zijn in het handelen van inwoners, ondernemers en overheden; e. Het kost tijd om de samenhang en natuurlijke werking van het water- en bodemsysteem (‘de (grond) watermachine’) te herstellen en de voor Brabant zo belangrijke grondwatervoorraden weer aan te vullen. De provincie gaat er van uit dat er ca. twee decennia nodig zijn om maatregelen te treffen, effecten te monitoren, bij te sturen waar nodig en in de loop van de tijd voldoende in te kunnen spelen op de zich ontvouwende effecten van klimaatverandering. Een klimaatrobuust water- en bodemsysteem in 2050 vereist dus dat beleid en aanpak van de provincie in 2030 volledig toegepast kunnen worden; f. Provincie, waterschappen en gemeenten hebben tijd nodig om het wijzigende beleid op te nemen in hun planvorming. Voor waterschappen en gemeenten worden de waterbeheerprogramma’s resp. omgevingsplannen komende jaren opgesteld (waterbeheerprogramma’s 2027, omgevingsplannen tussen nu en uiterlijk eind 2031). Daarnaast heeft de provincie een beleidsbasis nodig om de Omgevingsverordening aan te kunnen passen. Het addendum-RWP biedt de benodigde beleidsbasis. In het RWP is aangekondigd dat halverwege de planperiode een tussenevaluatie plaats vindt om te bepalen of de uitvoering van het RWP en het doelbereik op koers liggen. In het proces van het opstellen van het addendum, zijn de doelen en aanpakken uit het RWP op hoofdlijnen tegen het licht gehouden in het kader van de diverse ontwikkelingen zoals geschetst in hoofdstuk
  11. Addendum 2025 Ontwikkelingen sinds vaststelling RWP. De geplande tussenevaluatie halverwege de planperiode zoals bedoeld in het RWP blijft desondanks bestaan, om over voortgang van aanpak en acties uit het RWP verantwoording te kunnen afleggen, om tussentijds verder te kunnen bijsturen en om vooruit te kijken naar de volgende planperiode. Voor wat betreft het doelbereik van de Kaderrichtlijn Water (KRW) in 2027 is inmiddels duidelijk dat dit niet zonder meer in zicht is. Op verschillende overheidsniveaus wordt er gewerkt aan het uitbreiden van het maatregelenpakket om de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) te behalen. Het Rijk komt eind 2024 met een landelijke tussenevaluatie hierover. Op basis hiervan, en in aanvulling op het addendum-RWP, werken de Provincie Noord- Brabant en de Brabantse waterschappen aan de KRW-impuls Brabant waarin wordt bekeken hoe het Brabantse KRW-maatregelenpakket uitgebreid en aangescherpt kan worden om de KRW-doelen voor 2027 en verder te halen. Eventuele aanpassingen van het provinciale beleid ten behoeve van KRW-doelbereik zullen worden verwerkt in een nieuw Regionaal Water- en Bodem Programma voor de volgende planperiode (2028-2033). Samenwerking met partners Het water- en bodembeheer in Brabant is een samenspel van beleid en uitvoering van veel partners, waaronder provincie, waterschappen, gemeenten, drinkwaterbedrijven, terreinbeherende organisaties, agrarische sector en maatschappelijke partners. De provincie werkt nauw samen met deze partners en wil deze samenwerking verder intensiveren. Met de waterschappen zijn in de voorbereiding van voorliggend addendum uitgebreide gesprekken geweest, mede in het licht van het in diezelfde periode in ontwikkeling zijnde Brabants Programma Landelijk Gebied (BPLG). De waterschappen hebben hiervoor het rapport ‘Bouwsteen water en bodem’ (Royal HaskoningDHV, juni 2023) aan de provincie aangeboden. Ook met andere partners zoals gemeenten, drinkwaterbedrijven, terreinbeherende organisaties, de agrarische sector en maatschappelijke partners is over de ontwikkeling van beleid en de uitvoering regelmatig overlegd. Ten behoeve van het addendum zijn daarnaast netwerkbijeenkomsten gehouden om alle partners over de ontwikkeling van het addendum te informeren en input op te halen. Leeswijzer In februari 2025 is een aanvulling ('addendum') op het Regionaal Water en Bodem Programma 2022 - 2027 (RWP) vastgesteld. Deze aanvulling is geconsolideerd met het eind 2021 vastgestelde RWP. Dit RWP is een programma onder de Omgevingswet en daarom gepubliceerd en raadpleegbaar via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De versie die is opgenomen in het DSO is bindend. In hoofdstuk 2 worden de ambitie en visie toegelicht waar het RWP op is gebaseerd: Brabant heeft in 2050 een klimaatbestendig en water- en bodemsysteem en is bestand tegen extremen. In hoofdstuk 3 wordt verder ingegaan op de huidige toestand van ons water en bodemsysteem en waarom het nodig is om anders – systeemgericht - te gaan handelen. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende ontwikkelingen die van invloed zijn op de opgaven voor water en bodem en worden de ontwikkelingen van afgelopen 2 jaar weergegeven die hebben geleid tot het addendum-RWP. Hoofdstuk 5 gaat in op zeven handelingsprincipes die zijn geformuleerd om te komen tot een klimaatbestendig en robuust watersysteem, beschrijft de essentie van aanvulling van het RWP en het streefbeeld met ontwikkelrichtingen van het water- en bodemsysteem. In hoofdstuk 6 wordt invulling gegeven aan onze werkwijze voor de komende planperiode. In hoofdstuk 7 zijn de vijf beleidsopgaven uitgewerkt waarbij doelen en aanpak per beleidsopgaven worden omschreven. Hoofdstuk 8 gaat in op de uitvoering met onze partners, hoe om te gaan met voorzienbaarheid, het zoeken naar kansen voor ontwikkeling en een routekaart richting
  12. Hoofdstuk 9 beschrijft het financiële kader. Hoofdstuk
  13. Ambitie en Visie 2.1 Ambitie voor 2050 Voldoende water, schoon water, veilig water, vitale bodem en klimaatadaptatie zijn van belang voor vrijwel alle provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, energietransitie, etc. Hiervoor hebben we een klimaatbestending en veerkrachtig water- en bodemsysteem nodig. Daarbij is een trendbreuk nodig: een nieuwe manier van denken waarbij de draagkracht van het water- en bodemsysteem leidend is voor het gebruik, in plaats van andersom. Dit vertaalt zich in de volgende ambitie: Brabant heeft in 20250 een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem en is bestand tegen extremen. De urgentie is groot: de verdroging en andere effecten van klimaatverandering nemen sneller toe dan we hebben kunnen opvangen in de huidige aanpak. Dus niet alleen in ons denken, maar ook in de aanpak is een trendbreuk nodig. De provincie zet alles in het werk om in 2027 tot een maximaal doelbereik van de KRW te komen. Het RWP is de start van de verdere samenwerking met uitvoeringspartners waarin zichtbaar wordt gemaakt hoe tot een versnelling in de aanpak wordt gekomen, en zichtbaar is welke afwegingen en keuzes worden gemaakt. Hierbij houden we rekening met het feit dat de provincie afhankelijk is van de inspanningen van anderen, waaronder het rijk en het buitenland. Met de waterschappen wordt intensief samengewerkt, en er zullen middels bestuursovereenkomsten heldere afspraken worden gemaakt. We zullen door middel van monitoring en rapportage inzichtelijk maken wat we hebben gedaan om de KRW-doelen in 2027 te behalen. Het behalen van de KRW-doelen is een belangrijke mijlpaal op weg naar een klimaatbestendig en waterrobuust Brabant in
  14. Indien nodig neemt de provincie aanvullende maatregelen, binnen de eigen verantwoordelijkheden, in de periode 2022-2027 om het doelbereik van de KRW verder te vergroten. Halverwege de planperiode vindt een evaluatie plaats om te beoordelen in hoeverre het doelbereik behaald kan worden, welke bijsturing eventueel nodig is gedurende de planperiode en om signalerend te zijn richting de nieuwe planperiode. 2.2 De visie: van probleemgericht naar systeemgericht De natuurlijke veerkracht van het water- en bodemsysteem staat onder druk. Er is een afnemend vermogen om piekbelastingen op te vangen, periodes van droogte te doorstaan en de biodiversiteit te borgen. De rek is eruit. Tot nu toe is geprobeerd om de vraagstukken rondom het water- en bodemsysteem te beheersen en technisch op te lossen en het landgebruik op elke plek en voor elke functie optimaal te bedienen. Dit is niet langer houdbaar. Het is nodig om betere aansluiting te zoeken bij de natuurlijke en bewezen principes en werking van een robuust water- en bodemsysteem. Daarbij kan nog steeds techniek worden ingezet waar dat noodzakelijk is om bijvoorbeeld snel te kunnen reageren op weersextremen of om een goede waterkwaliteit te kunnen garanderen. Uit diverse evaluaties komt naar voren dat de inspanningen om het water- en bodemsysteem op orde te krijgen tot nu toe ontoereikend zijn. Er zal een schep bovenop moeten. Naast de omslag naar een systeemgerichte aanpak, zijn er extra inspanningen nodig om de doelen te kunnen halen. Het is een én-én-aanpak. Een systeemgerichte aanpak betekent: ► een (deel)stroomgebied benadering waarbij water en bodem, het gebruik ervan, en eventuele ingrepen in samenhang worden bekeken;► handelen en denken vanuit het integrale perspectief van de provinciale Omgevingsvisie: diep, rond en breed; ► meerdere doelen slim met elkaar verbinden, zoals natuurherstel, klimaatadaptatie en wateraanbod voor landbouw, natuur en stedelijk gebied, cultuurhistorie, de energietransitie, verminderen van de milieudruk en dergelijke. Waar mogelijk wordt de inhoudelijke samenhang tussen de beleidsopgaven actief versterkt door deze zo veel mogelijk te combineren in een gezamenlijke aanpak;► behoud van de beschermende mechanismen die in het water- en bodemsysteem van nature aanwezig zijn zoals de kleilagen die het diepere grondwater beschermen tegen vervuilingen. Met de maatregelen die uitgevoerd gaan worden, wordt prioriteit gegeven aan de meest urgente doelstellingen voor waterkwaliteit, het in balans brengen van de grondwater- voorraden en de verdrogingsaanpak die zijn beschreven in de beleidskaders die zijn vastgesteld door Rijk en provincie. 2.3 Rol van de provincie en samenwerking met andere partners De provincie neemt de rol van richting geven, beweging stimuleren en ontwikkeling mogelijk maken door samen, slagvaardig en slim te handelen: Samen Met vele directe partners zoals waterschappen, drinkwaterbedrijven, TBO’s en maatschappelijke organisaties. Maar ook samen met maatschappelijke initiatieven, inwoners en ondernemers. Zo maken we meerjarenafspraken over programmering van projecten en (gebieds)programma’s met de waterschappen, werken samen in proefprojecten met kennisinstellingen, (sociale) ondernemingen, ontwerpend en impactvol onderzoek met groepen inwoners en maatschappelijke partijen, etc. Slagvaardig Veel aandacht zal komende jaren uitgaan naar het versterken van de uitvoeringskracht van de provincie en onze partners. We gaan door met gebiedsgericht realiseren van inrichtingsmaatregelen en systeemherstel en we zorgen dat de doelen van de water- en natuuropgaven (waaronder realiseren natuurnetwerk en natuurherstel) in Brabant behaald worden. De noodzakelijke trendbreuk maakt dat we de uitvoering waar nodig veel integraler oppakken dan voorheen, waarbij systeemherstel wordt gecombineerd met andere doelen zoals de transitie binnen de landbouwsector naar kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw. Hiertoe worden afspraken gemaakt over prioritering, rollen, ontwikkeling van instrumenten voor beleid en uitvoering en inzet met uitvoeringspartners zoals de waterschappen, gemeenten, de grondeigenaren en terrein beherende organisaties. Slim We versterken onze innovatiekracht en zetten in op data-gedreven werken. Dit doen we zowel bij de ontwikkeling van nieuwe technologie als bij het verzamelen en analyseren van gegevens over de toestand van het Brabantse water- en bodemsysteem en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. Denk hierbij aan precisielandbouw en kunstmatige intelligentie voor het optimaliseren van onttrekkingen voor menselijke consumptie. In Hoofdstuk
  15. Doelen en aanpak beleidsopgaven is dit meegenomen. 2.4 Werken aan water en bodem staat nooit op zichzelf Samenhang provinciaal beleid Het RWP en de in het RWP beschreven water en bodem opgave staat niet op zichzelf, maar wordt in samenhang gezien met andere provinciale opgaven. De provincie heeft er voor gekozen om de hoofdopgaven uit de omgevingsvisie uit te werken in thema-gerichte beleidskaders (o.a. Economie, Gezondheid, Landbouw en Voedsel, Natuur en Levendig Brabant). De beleidskaders worden in samenhang ontwikkeld en er wordt rekening gehouden met het RWP, onder andere door: ► Elk beleidsprogramma doet een analyse welke activiteiten en beleidsopgaven de komende jaren onder de loep moeten worden genomen om de provinciale activiteiten en programma’s klimaatproof te maken. Het RWP heeft daarmee rechtstreekse doorwerking in de andere beleidsprogramma’s. ► Het RWP stelt via de Omgevingsverordening kaders aan andere beleidskaders, zoals economie (economische sector drankenindustrie), energie (bodemenergiesystemen), ruimtelijke inrichting (zonering ‘Groenblauwe waarden’) en generiek aan activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden. ► De realisatie van de groenblauwe opgaven wordt actief en in samenhang met andere relevante opgaven opgepakt via de gebiedsgerichte aanpak groenblauwe opgaven (GGA). Het RWP benoemt deze aanpak expliciet omdat dit mede moet bewerkstelligen dat de doelen uit het RWP behaald worden. ► De hydrologische situatie in en om de natuurgebieden moet op orde zijn ten behoeve van het natuurherstel. De natuuropgave stelt dus eisen aan het water- en bodemsysteem, met name in de zones rondom de natuurgebieden. Daarnaast worden in het beleidskader Natuur doelen uitgewerkt die gerelateerd zijn aan het RWP. Onder andere vanwege de toegenomen urgentie en impact van de stikstofproblematiek, de intensivering van de landbouw en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Omgevingskwaliteit en (cultuur)historie Het werken aan het water- en bodemsysteem is onlosmakelijk verbonden aan het versterken van de omgevingskwaliteit vanuit de sturingsfilosofie diep-breed-rond en de landschappelijke waarden uit de Omgevingsvisie. Met specifieke aandacht voor een goed ontwerp kunnen de opgaven uit het RWP, zowel in het stedelijke als in het landelijke gebied, op een inspirerende wijze verbonden worden aan het vergroten van de omgevingskwaliteit.Daarnaast biedt de rijke Brabantse historie en het rijke landschap talloze kansen om inwoners en partijen te verbinden aan de opgave om Brabant klimaatproof te maken en het verhaal van het water- en bodembeleid te vertellen. Te denken valt bijvoorbeeld aan: ► De ‘Naad van Brabant’, door zijn bijzondere waterhuishouding dé locatie voor de ontwikkeling van de Zuiderwaterlinie; met vestingsteden, inundatiegebieden en forten. In deze gebieden werken we vanuit het RWP aan het herstel van grondwaterafhankelijke natuur en waterbergingsgebieden.► Het bekenlandschap van Brabant is een belangrijke verbindende structuur tussen vijf Brabantse steden en vormt de ruggengraat van het Van Gogh Nationaal Park.► De eeuwenoude systemen van vloeiweiden langs Brabantse beken, de overlaatgebieden (zoals ten noordoosten van Oss), het netwerk aan turfvaarten in West-Brabant, de Brabantse kanalen die zowel en grote cultuurhistorische betekenis hebben, maar tevens een belangrijke hedendaagse rol spelen bij de aanvoer van voldoende zoetwater, de Maas als een van de belangrijkste drinkwateraanvoerlijnen van Nederland: allemaal voorbeelden waarbij historische waarden en een eigentijdse water- en bodemopgave vervlochten kunnen worden. Gezondheid Dit RWP draagt ook bij aan het aspect gezondheid uit de basisopgave gezonde leefomgeving van de Brabantse Omgevingsvisie. Het RWP bevat een aanpak voor diverse aspecten die direct van invloed zijn op de gezondheid van onze inwoners: verbetering van de waterkwaliteit van beken en rivieren, tegengaan van hittestress in stedelijk gebied, voorzien in voldoende drinkwater van goede kwaliteit en de zorg voor voldoende en schoon zwemwater.Daarnaast draagt dit RWP indirect bij aan de kwaliteit van leven van inwoners door de aanpak om verdroging tegen te gaan en daarmee natuur te herstellen, het bijdragen aan groenblauwe verbindingen tussen stad en landelijk gebied, en het creëren van een aantrekkelijke openbare ruimte door ontwerpkwaliteit in te zetten bij het werken aan water en bodem in stad en landelijk gebied. Het RWP draagt hiermee zowel bij aan gezondheidsbescherming als gezondheidsbevordering bij de Brabanders. Hoofdstuk
  16. De toestand van het Brabantse water- en bodemsysteem 3.1 Inleiding In Nederland zijn we gewend aan altijd en overal voldoende water. We zagen het water- en bodemsysteem als maakbaar. We pasten het steeds verder aan voor het door ons gewenste landgebruik en om de veiligheid tegen hoog water te garanderen. We lopen nu echter tegen de grenzen van die maakbaarheid aan. Steeds meer wordt duidelijk dat door de huidige inrichting van het bodem- en watersysteem we ook in Nederland een schaarste aan water ervaren en het niet alleen een watervraagstuk is, maar ook een vraagstuk waar de bodem een aanzienlijke rol in speelt. De toestand van water en bodem in Brabant is op veel plekken onvoldoende en er wordt niet voldaan aan de doelen voor een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem dat bestand is tegen extremen (zie figuur 3.1). De onderliggende gegevens zijn ook beschikbaar op Brabant InZicht. 3.2 Onvoldoende aanvulling van grondwater Door de klimaatverandering en veranderingen in het watersysteem in de vorige eeuw is er nu sprake van zowel droogte als langdurige en structurele verdroging in grote delen van Brabant. Dit heeft grote gevolgen voor de landbouw en natuur. Ook al valt er in Brabant genoeg regen en komt er voldoende water via rivieren het land binnen, er is toch sprake van droogte en verdroging. Het ont- en afwateringssysteem in het landelijk en het stedelijk gebied is nu nog vooral ingericht op afvoeren en niet op het vasthouden van water. Daarmee is er onvoldoende aanvulling van het grondwater mogelijk. Daarnaast neemt de watervraag voor drinkwater, landbouw en industrie toe. Het grootste deel van de diepe grondwateronttrekkingen vindt plaats voor de drinkwatervoorziening. Drinkwater van hoogwaardige kwaliteit wordt in sommige gevallen gebruikt voor laagwaardige toepassingen in zowel huishoudens als de industrie. Afnemende aanvulling en toenemende vraag leiden tot structureel afnemende grondwatervoorraden en het droogvallen van oppervlaktewateren. De afname van de grondwatervoorraden is een proces dat al decennia speelt als gevolg van de sterk toegenomen hoeveelheid onttrekkingen, maar ook door inrichting van het watersysteem gericht op ontwatering. Na een stabilisatie van de grondwaterstanden en stijghoogten eind vorige eeuw, zien we de laatste 10 jaar een duidelijke afname van de stijghoogten van het grondwater in de diepe ondergrond, dat tot een afname van de opwaartse grondwaterstroming (kwel) leidt. Droogte en verdroging hebben nu vooral effect op de natuur, biodiversiteit en de gewasopbrengsten uit de landbouw. De effecten op bebouwing, industrie, leefbaarheid en mobiliteit zijn tot nu toe beperkt, maar we verwachten dat die in de toekomst veel groter zullen worden. 3.3 Hoogwater-extremen worden groter De verwachting is dat door klimaatverandering niet alleen droogte en verdroging, maar ook hoogwater-extremen groter worden. De rivieren en beken krijgen in extreme situaties hogere afvoerpieken te verwerken, terwijl de te beschermen inwonersaantallen en de economische waarde achter de dijken zijn toegenomen. Het ophogen van de waterkeringen is eindig.Daarom moet er nog meer dan voorheen worden ingezet op bovenstroomse maatregelen via infiltreren, vasthouden, bergen en (vertraagd) afvoeren. 3.4 Waterkwaliteit onder druk De kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in onze provincie is niet op orde en de diversiteit aan, en concentraties van antropogene stoffen nemen toe. Het diepe grondwater is nog schoon, maar staat in toenemende mate onder druk, gezien de al ondiep aangetroffen antropogene stoffen en verhoogde gehalten aan ook van nature voorkomende stoffen (stikstof, metalen). Deze druk neemt verder toe onder andere door verstedelijking en het afkoppelen van hemelwater (dat in contact is geweest met oppervlakken als daken en wegen van waaraf chemische verontreinigingen kunnen meekomen) en do­­or risico’s die ontstaan bij doorboring van beschermende lagen bij benutting van de ondergrond voor bodemenergie en geothermie systemen. Klimaatverandering leidt ook hier tot extra urgentie, omdat waterkwaliteit beïnvloed wordt door droogte, extreme neerslag en watertemperatuur. Klimaatverandering leidt mogelijk ook tot verschuivingen in het gebruik van antropogene stoffen: zo kunnen meer en andere gewasbeschermingsmiddelen gebruikt gaan worden. 3.5 Bodemkwaliteit en -vitaliteit onvoldoende De bodemkwaliteit en -vitaliteit is in Brabant achteruitgegaan, onder meer door het intensieve grondgebruik in de landbouw. Hierdoor is de verdichting van de bodem toegenomen en de sponswerking van de bodem voor water en mineralen verminderd. Het natuurlijke productievermogen van de landbouwbodem en diversiteit aan bodemleven en biodiversiteit zijn aangetast en gewasziekten krijgen hierdoor meer kans. Zonder passende maatregelen gaan de bodemkwaliteit en -vitaliteit de komende jaren verder achteruit en nemen de nadelige gevolgen van klimaatverandering voor de voedselproductie toe. Figuur 3.1 Toestand van het Brabantse water- en bodemsysteem op basis van gegevens eind 2020: Hoofdstuk
  17. Trends en Ontwikkelingen Waar moeten we rekening mee houden? Onze omgeving verandert. Ontwikkelingen volgen elkaar snel op en zijn van invloed op de opgaven op het gebied van water en bodem. Welk effect die ontwikkelingen hebben voor het water- en bodemsysteem, is nog onzeker. Belangrijke trends en ontwikkelingen waar rekening mee is gehouden in dit regionaal water- en bodemprogramma zijn: Klimaatverandering Klimaatverandering leidt in Brabant tot meer extreem weer met hittegolven, hogere piekwaterafvoer in rivieren en beken, piekbuien en droogte. Dit heeft negatieve gevolgen voor de leefbaarheid in Brabant en daarmee nemen risico’s op schade door wateroverlast en waterschaarste toe. In 2023 werden nieuwe klimaatscenario’s vastgesteld die leiden tot bij- en aanscherping van de opgaven. Transitie van de landbouw- en voedselketen De landbouw is de grootste ruimtegebruiker op het Brabantse platteland. Daarmee is de landbouw een belangrijke beheerder van het landschap en van invloed op de gesteldheid van het water- en bodemsysteem. De landbouwsector vormt hierdoor een belangrijke partner in het realiseren van de doelen van dit RWP. De provinciale koers is onder andere gericht op het sluiten van kringlopen van het landbouw- en voedselsysteem en innovatie gericht op verduurzaming en concurrentiekracht. De transitie naar een kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw leidt tot een efficiënter gebruik van water, het beter benutten van voedingsstoffen en verbetert de kwaliteit van het water- en bodemsysteem. Digitalisering en technologische ontwikkelingen Een steeds groter deel van ons leven verloopt via digitale kanalen. De data-gedreven samenleving is volop in ontwikkeling. Data dragen bij aan actuele kennis van het water- en bodemsysteem en het gebruik daarvan. En daarmee aan innovatie, slimmer gebruik van het systeem en transparantie richting de maatschappij. Zo ondersteunen we o.a. het gebiedsgericht werken door de ontwikkeling van dashboards, stimuleren we het gebruik van sensoren en real-time data in projecten en geven we agrariërs o.b.v. data meer inzicht in de toestand van de bodemvitaliteit en waterkwaliteit op hun bedrijf. In hoofdstuk 6 gaan we nader in op het data- gedreven werken inzake het water- en bodemsysteem. Veranderende houding en rol van de overheid De komst van de Omgevingswet vervangt de Waterwet en zorgt voor een vereenvoudiging en versnelling van procedures. Deze wet wil inspelen op het steeds complexer worden van de vraagstukken die in de samenleving spelen doordat verschillende overheden samenwerken als één overheid aan maatschappelijke vraagstukken. Hierdoor wordt er ruimte geboden aan initiatieven die bijdragen aan een oplossing. Transitie naar een circulaire economie Een circulaire economie vraagt een ingrijpende verandering in het gebruik van afval en grondstoffen. Het betekent een economie zonder afval, waarbij minder grondstoffen nodig zijn en alles draait op herbruikbare grondstoffen. Dit heeft gevolgen voor de hele maatschappij. Vanuit het perspectief van water en bodem is het van belang zoveel mogelijk te komen tot een kringloop van het gebruik van water (zoals hergebruik van afvalwater) en stoffen (nutriënten, antropogene stoffen, etc.). De provincie steunt initiatieven die bijdragen aan deze omschakeling en stimuleert bedrijven en kennisinstellingen om samen te werken aan nieuwe producten en processen waardoor minder wordt verspild. Verlies aan biodiversiteit Door intensivering van het grondgebruik voor wonen, werken, vervoer en voedselproductie gaan de natuur en het landschap hard achteruit. De gezamenlijke overheden willen deze achteruitgang van de Nederlandse natuur en biodiversiteit tegengaan en juist behouden en versterken. De evaluatie van de verdrogingsbestrijding

(2018)heeft uitgewezen dat het niet volstaat om alleen in natuurgebieden zelf maatregelen te treffen. Ook daarbuiten zijn maatregelen nodig die effect hebben binnen de natuurgebieden. Bevolkingsgroei, vergrijzing en verstedelijking De komende 10 jaar worden 120.000 nieuwe woningen gebouwd in Brabant. De woningbouwopgave wordt steeds vaker binnen het bebouwd gebied gezocht (Bevolkingsprognose Brabant 2030). Een juiste inrichting kan zorgen voor minder overlast van water en hitte en biedt tegelijkertijd mogelijkheden om steden en dorpen leefbaarder en gezonder te maken. Door bevolkingsgroei en vergrijzing zullen effecten daarvan op het watersysteem mogelijk vergroten. Energietransitie De komende 30 jaar wordt voor alle woningen en gebouwen in Brabant een alternatief gezocht voor het gebruik van aardgas. Hierbij wordt gekeken naar hoe de goede eigenschappen van water en bodem benut kunnen worden. In de Brabantse Omgevingsvisie hebben we aangegeven dat we het beschermen van een aantal waarden in de ondergrond belangrijker vinden dan het benutten ervan. Dit vraagt om duidelijke regels en zorgvuldige afwegingen tussen het belang van water in de ondergrond en de energietransitie. Aantasting van het water- en bodemsysteem moeten we zoveel mogelijk voorkomen. Addendum 2025 Ontwikkelingen sinds vaststelling RWP Uitvoering na vaststelling RWP In het eerste deel van de planperiode van het RWP zijn al veel van de beleidsvoornemens uitgewerkt en is begonnen met de uitvoering. Het gaat dan onder meer om: Grondwaterconvenant 2021-2027 en de Droogteagenda Uitvoering Maatwerkovereenkomsten met de waterschappen en projecten Droge Hoge Zandgronden met provinciale subsidies ten behoeve van:- Robuust en gezond watersysteem;- Beekherstelprojecten;- Aanpak vismigratieknelpunten;- Hydrologisch herstel Natte Natuurparels;- Waterconserveringsprojecten;- Waterkwaliteitsmaatregelen en -projecten zoals Schoon Water voor Brabant Bodem UP 2.0 Bijdrageregeling klimaatadaptatie Rivierprojecten Meanderende Maas Uitwerken van overstromingsscenario’s Watersignaleringskaart. Met deze resultaten ligt de uitvoering van het RWP op hoofdlijnen op koers. In 2025 vindt een tussenevaluatie plaats om voortgang en resultaten van alle onderdelen van het RWP te bezien. Sinds de vaststelling van het RWP zijn er verschillende ontwikkelingen die ingrijpend effect hebben op de beleidsrichting en uitwerking van het bestaande RWP (zie figuur 2.1). Figuur 2.1 Ontwikkelingen sinds vaststelling RWP 2022 - 2027 Beleidsontwikkeling Water en Bodem sturend Water en Bodem sturend betekent een omslag in denken, beleid en handelen.Het betekent dat er een einde komt aan de houding dat het water- en bodemsysteem ‘maakbaar’ is en aangepast wordt aan de ‘(ruimtelijke) wensen’ van de samenleving. In plaats daarvan volgt de functionele inrichting van de ruimte de kenmerken van het water- en bodemsysteem (zie figuur 2.2). Zo ontstaat een robuuster water- en bodemsysteem, een systeem dat beter bestand is tegen weersextremen, bijdraagt aan natuurherstel en zorgt voor schoon en voldoende water. Figuur 2.2 Toename van ruimtelijke kwaliteit bij inrichting volgens de kenmerken van het water-enbodemsysteem. Bron: Planbureau voor de Leefomgeving Water en Bodem sturend is niet nieuw, het is vastgelegd in het provinciale Beleidskader Leefomgeving uit 2023, heeft al een goede basis in het huidige RWP (onder andere met het handelingsprincipe ‘niet alles kan overal’) en maakt deel uit van het 'diep, rond en breed' kijken in de Brabantse Omgevingsvisie. De Brabantse waterschappen hebben de provincie in 2023 de ‘Bouwsteen Water en Bodem’ aangeboden, met daarin een visie en handelingsperspectief om te komen tot water- en bodemsysteemherstel. Op 25 november 2022 heeft de Minister van I&W de Tweede-Kamerbrief ‘Water en Bodem sturend’ verstuurd en op 22 oktober 2024 de Tweede Kamerbrief over de visie op water en bodem. Kern van dit rijksbeleid is om het water- en bodemsysteem meer sturend te maken voor de ruimtelijke inrichting van Nederland. In de Kamerbrief ‘Water en Bodem sturend’ geeft het Rijk met zeven uitgangspunten en drieëndertig structurerende keuzes (zie Bijlage IX Addendum 2025: Checklist structurerende keuzes Water en Bodem sturend) richting en vraagt aan medeoverheden, maatschappelijke organisaties en bedrijven hieraan actief bij te dragen. In dit addendum beweegt de provincie zich binnen het vigerend rijksbeleid. De provincie heeft de beleidsontwikkelingen rondom ‘Water en Bodem sturend’ waar nodig verwerkt in het voorliggende addendum en in de uitwerking de door de Brabantse waterschappen aangereikte inhoudelijke bouwsteen benut (zie hoofdstuk
  1. Addendum 2025 Essentie aanvulling RWP: Herstel water- en bodemsysteem, Sturing in de ruimtelijke ontwikkeling, Ontwikkelingen in bestaand gebruik en bestaande functies en Bijlage IX Addendum 2025: Checklist structurerende keuzes Water en Bodem sturend', waarin is aangegeven hoe de provincie omgaat met de 33 structurerende keuzes die het Rijk heeft opgenomen in de brief van 25 november 2022). Brabants bestuursakkoord Samen maken we Brabant In het Brabantse bestuursakkoord 'Samen maken we Brabant’ zijn de volgende beleidsvoornemens opgenomen die verwerkt zijn in voorliggend addendum: 'Het maximaal inspannen om te voldoen aan de eisen van de KRW’ komt terug in deze paragraaf onder het kopje ‘KRW Impuls’.‘ Aandacht voor duurzaam grondwaterbeheer, met een verbreding en mogelijke verhoging van de Grondwaterheffing’ komt voor wat betreft inhoudelijk grondwaterbeleid terug in een aanvulling van de aanpak ‘Voldoende water’. Uitwerking van het voornemen tot verbreding van de Grondwaterheffing is geen onderdeel van het addendum-RWP. De ‘aanwijzing van infiltratiegebieden’ komt terug bij het in lijn brengen van de verschillende beschermingsregimes uit de Omgevingsverordening met onze water- en bodemopgaven. ‘Onderzoeken hoe, wanneer en onder welke omstandigheden latente ruimte in watervergunningen in te trekken’ komt terug in Addendum 2025 Aanvulling op de aanpak: Voldoende water. ‘Bodembeheer op agrarische gronden als sleutel in het landelijk gebied’ is reeds voldoende opgenomen in het RWP onder de beleidsopgave ‘Vitale Bodem’. Advies 'Zonder water, geen later' en Droogteagenda In september 2022 verscheen het advies van de Brabantse Adviescommissie Droogte ‘Zonder water, geen later’. Het advies heeft de grote urgentie onderstreept van het teruglopen van de Brabantse grondwatervoorraden, de opgave voor herstel in cijfers uitgedrukt en handelingsperspectief gegeven. Op basis daarvan is de provincie met partijen gekomen tot een Droogteagenda
  2. De provincie legt in het addendum de kwantitatieve opgave voor herstel van de grondwatervoorraden vast, inclusief de orde van grootte van herstel van de grondwaterpeilen Brabant-breed (als onderdeel van de aanpak om tot herstel van de grondwatervoorraden te komen). Toestand van het Brabantse water- en bodemsysteem De toestand van het Brabantse water- en bodemsysteem is de afgelopen decennia weliswaar op onderdelen vooruitgegaan, maar blijft zorgelijk waarbij veelal niet wordt voldaan aan gestelde normen. Dit blijkt uit www.brabantinzicht.nl dat jaarlijks wordt bijgesteld op basis van uitgebreide monitoring door provincie, waterschappen en andere partners. Er wordt nog niet voldaan aan de doelen voor een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem dat bestand is tegen extremen. Door waterinlaat, effluent van de zuiveringen en intensief grondgebruik in de landbouw, met name daar waar gronden er niet voldoende draagkracht voor hebben, staan bodemkwaliteit, bodemvitaliteit en waterkwaliteit nog steeds onder druk. Door verbeterde analysetechnieken kunnen we steeds meer stoffen meten. Sommige van deze stoffen treffen wij breed aan in het bodem- en watersysteem. Dit zien we bijvoorbeeld voor PFAS en (afbraakproducten van) bestrijdingsmiddelen. Schoon drinkwater wordt schaars. Hoogwater-extremen op de Brabantse rivieren zijn door klimaatverandering (toename van droogtes, nattere winters en extremere zomerbuien) een groeiend risico voor steden en dorpskernen, landbouw en natuur en zowel wateroverlastsituaties als watertekorten in het regionale watersysteem nemen toe. De provincie laat via dit addendum zien dat het op basis daarvan aanvullende actie onderneemt, zie hoofdstuk 7 voor aanvullingen op de aanpak uit het RWP vanaf
  3. Extreme weersomstandigheden ten gevolge van klimaatverandering In de afgelopen jaren zijn we steeds meer geconfronteerd met extreme weersomstandigheden. In juli 2021 leidde de extreme neerslag tot overstromingen in Duitsland, België en Limburg. Het jaar 2022 kenmerkte zich door langdurige droogte, met o.a. beregeningsverboden tot gevolg en 2023 was het warmste en tegelijkertijd natste jaar sinds het begin van de metingen in
  4. Ook in het voorjaar van 2024 werd een nieuw record gehaald, de lente was de warmste sinds het begin van de metingen. Het was tegelijkertijd ook zeer nat, de op één na natste lente sinds het begin van de metingen. Waardoor aardappels, bieten en uien pas later gepoot en gezaaid konden worden. Eind 2023 zijn ook de nieuwe klimaatscenario’s van het KNMI gepubliceerd. In vergelijking met de vorige klimaatscenario's uit 2014 zijn vrijwel alle indicatoren fors naar boven bijgesteld. De urgentie van klimaatadaptatie wordt dan ook steeds meer gevoeld. Naar aanleiding van de overstromingen in 2021 is het eindadvies ‘Voorkomen kan niet, voorbereiden wel’ van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater verschenen. In het advies worden voorstellen gedaan om beter voorbereid te zijn op extreme neerslag en hoogwater. Een van deze voorstellen is het uitvoeren van bovenregionale stresstesten voor extreme neerslag. De provincie coördineert in de periode 2024-2026 twee stresstesten en daaropvolgende risicodialogen en uitvoeringsagenda's. De bovenregionale stresstesten worden opgepakt binnen de bovenregionale samenwerking met alle relevante partners op hoogwater en extreem weer die door de provincie, naar aanleiding van de gebeurtenis in 2021 is geïnitieerd en geformaliseerd. KRW Impuls landelijk en Brabant De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel het realiseren en behouden van chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlakte- en grondwater, inclusief de kwaliteit van het onttrokken water ten behoeve van de drinkwatervoorziening. Dit raakt zowel kwalitatieve (‘schoon water’) als kwantitatieve (‘voldoende water’) aspecten van het oppervlakte- en grondwater. Alle waterbeheerders in Nederland zijn verantwoordelijk voor een deel van de uitvoering van de KRW en spannen zich hiervoor in. De KRW-opgave is fors. Dat geldt zowel voor het realiseren van een ‘goede toestand’ van het oppervlakte- en grondwater in 2027 als voor de uitdagingen in de periode daarna, zoals de normering van nieuwe, opkomende stoffen en microverontreinigingen, modernisering van de monitoring-verplichtingen en aandacht voor de effecten van klimaatverandering. Voor wat betreft het doelbereik in 2027 is inmiddels duidelijk dat dit niet zonder meer in zicht is. Zo constateert de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli, Goed water goed geregeld, mei 2023) dat, hoewel er al veel is bereikt (en de toenemende aandacht voor Water en Bodem sturend een positieve impuls kan leveren), de kwaliteit en kwantiteit van het oppervlakte- en grondwater onder druk staan. Met het huidige beleid zijn de KRW-doelen voor 2027 buiten bereik. Ook signaleert de Rli dat de uitvoering van het beleid door een aantal factoren dusdanig wordt belemmerd, dat de KRW-doelen ook na 2027 waarschijnlijk niet realiseerbaar zijn zonder aangescherpte beleidsaanpak. Het Rli-rapport beschrijft de situatie voor Nederland, maar is tegelijkertijd representatief voor Brabant. Het niet bereiken van de doelen heeft negatieve impact op de beschikbaarheid van zoet water, veiligheid, gezondheid en economie. Daarnaast kan het niet voldoen aan wettelijke doelen op korte termijn leiden tot het intrekken van bestaande vergunningen en het niet verlenen van nieuwe vergunningen, met als gevolg dat activiteiten stil komen te liggen. Bovendien kan de EU overgaan tot boetes en dwangsommen bij niet voldoen aan de KRW-eisen. In het Bestuursakkoord van de Provincie Noord-Brabant (september 2023) is het belang van de KRW-opgave onderkend en heeft het provinciebestuur aangegeven zich maximaal in te spannen om te voldoen aan de eisen van de KRW. Een goed functionerend water- en bodemsysteem is een randvoorwaarde voor het ook op langere termijn (blijvend) behalen van de KRW-doelen. Dit doen we via systeemherstel zoals uitgewerkt in voorliggend addendum. Om aanvullende maatregelen te ontwikkelen voor de KRW-opgave van 2027 in Noord-Brabant, werken de provincie en waterschappen samen aan een strategisch plan met een brede aanpak voor de komende periode. Dit strategisch plan, onder de naam ‘KRW Impuls Brabant’, sluit aan bij verschillende lopende processen, zoals landelijk het KRW- impulsprogramma, de activiteiten en afspraken in het kader van de stroomgebied-overleggen Maas en Schelde, en provinciaal onder meer voorliggend addendum-RWP, het opstellen van een Brabants Programma Landelijk Gebied en de Droogteagenda.Onderdeel van het RWP en het addendum is dat we ernaar streven om zo goed mogelijk invulling te geven aan de doelen van de KRW. Wat daar nog aanvullend voor nodig is bovenop het bestaande pakket aan KRW maatregelen en acties werken provincie en waterschappen uit in het strategisch plan ‘KRW Impuls Brabant’. Het opstellen van de KRW Impuls Brabant is onder meer afhankelijk van diverse landelijke en regionale processen die een tijdlijn kennen die te ver uiteenlopen met die van het addendum-RWP. Hierdoor is de inhoud van de KRW-Impuls Brabant nog niet verwerkt in dit RWP. Consistentie en samenhang met ander provinciaal beleid De provincie werkte ten tijde van het opstellen van het addendum-RWP, met haar partners, aan de in ontwikkeling zijnde Aanpak Landelijk Gebied (ALG) en heeft het Ruimtelijk Voorstel Brabant opgesteld. Het Ruimtelijk Voorstel Brabant bevat de nieuwe inzichten over het water- en bodemsysteem (in diverse kaartlagen), en de noodzaak tot sturing van de ruimtelijke ontwikkelingen op basis van het water- en bodemsysteem. Ten tijde van opstellen van het addendum-RWP had de provincie een voorontwerp-Brabants Programma Landelijk Gebied (BPLG) gepubliceerd als bespreekstuk met haar partners om tot een Aanpak Landelijk Gebied (ALG) te komen. Het addendum-RWP biedt de beleidsbasis vanuit het water- en bodemdomein voor het in ontwikkeling zijnde ALG en wordt daarmee ingepast in een integrale aanpak van de provinciale opgaven in het landelijk gebied. De inzichten uit de bestaande beleidskaders, programma’s, uitvoeringsagenda’s en het Ruimtelijk Voorstel worden benut om de Brabantse Omgevingsvisie te herijken. In 2024 zijn de uitvoeringsagenda’s geactualiseerd die uitvoering geven aan de door PS vastgestelde beleidskaders. Dit betreft onder meer de uitvoeringsagenda’s Landbouw & Voedsel, Wonen en Werken, Milieu, Gezondheid, Brede Welvaart en Economie. 'Water en Bodem sturend' is richtinggevend en helpend voor de grote transities die op ons af komen en draagt zo bij om de ambities die voortkomen uit de verschillende beleidskaders en uitvoeringsagenda’s te borgen en versterken. Beleidskader Wonen en Werken, Ontwikkelperspectief Verstedelijking / Uitvoeringsagenda NOVEX Stedelijk Brabant Het Beleidskader Wonen en Werken en de uitvoering van de verstedelijkingsopgave met NOVEX Stedelijk Brabanthebben betrekking op opgaven van verstedelijking en de opgaven die daar direct mee samenhangen. Water en bodem zijn een basis voor verdere verstedelijking. In de Uitvoeringsagenda NOVEX Stedelijk Brabant en de Uitvoeringsagenda Wonen en Werken zijn hierover uitvoeringsacties opgenomen en worden nadere afspraken gemaakt. Daarbij gaat het met name over strategisch overleg over woon- en werklocaties en de toepassing van de Watersignaleringskaart en de Maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Landelijke ontwikkelingen Ten slotte zijn er sinds eind 2021 op landelijk niveau diverse invloedrijke onderzoeken uitgevoerd en programma’s geëntameerd. Denk daarbij aan de Tussenbalans van Kennisprogramma Zeespiegelstijging, recente beelden over het doelbereik van de Kaderrichtlijn Water (KRW), de landelijke Beleidstafel wateroverlast en hoogwater, programma Integraal Riviermanagement (IRM) en de preverkenningen Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). Inzichten hieruit zijn gebruikt voor een aanvulling van de aanpak uit het RWP, zie Hoofdstuk
  5. Daarnaast is rekening gehouden met het regeerprogramma van het Kabinet Schoof I. Provincie geeft met het addendum aan hoe zij vanuit haar rol en positie tegen Water en Bodem sturend aankijkt, en welke beleidsmatige keuzes hierin gemaakt worden. Hoofdstuk
  6. Zeven handelingsprincipes Water en Bodem De basis De Brabantse Omgevingsvisie kent kernwaarden voor het handelen van de provincie. Dit zijn meerwaardecreatie, kwaliteit boven kwantiteit, sociale en technologische innovatie, continue verbetering van de leefomgeving en proactief en preventief handelen. Ze zijn vertaald in zeven handelingsprincipes, specifiek voor het beleid en de uitvoering op het vlak van water- en bodem. De eerste zes handelingsprincipes hebben betrekking op het komen tot een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem. Deze principes zijn ontleend aan de Visie Klimaatadaptatie (Besluit Provinciale Staten, 19 juni 2020) waarin de principes voor het eerst zijn geformuleerd en vastgesteld.Mede gelet op de invloed van de trends en ontwikkelingen, zoals omschreven in het vorige hoofdstuk, is er voor het regionaal water- en bodemsysteem aanvullend een handelingsprincipe toegevoegd over circulair handelen. Dit zijn de zeven handelingsprincipes waarop dit programma is gebouwd : Principe 1 Watervoorraad in balans De watervoorraad is in balans als zowel de totale voorraad aan grondwater als de ondiepe grondwaterstanden voldoende zijn. Daarbij zullen we rekening houden met de verschillen in het watersysteem tussen de hoge zandgronden en het peilgestuurde deel binnen de provincie. Aan het oppervlaktewater en het ondiepe en diepe grondwater wordt niet meer onttrokken dan er is aangevuld. Alleen dan is er blijvend genoeg water voor menselijke consumptie, landbouw, industrie, natuur en het tegengaan van schadelijke droogval in oppervlaktewateren. Principe 2 Elke druppel telt Het (regen)water wordt zo min mogelijk afgevoerd en wordt zoveel mogelijk vastgehouden in de bodem zodat het kan infiltreren in het grondwater. Hoger gelegen gebieden functioneren als infiltratiegebieden, lager gelegen gebieden zijn structureel natter. Principe 3 Niet alles kan overal Het grondgebruik is volgend op wat het water- en bodemsysteem aan kan: niet alle gebruiksfuncties kunnen overal plaatsvinden in Brabant. Zo zijn in gebieden waar we ons drinkwater halen uit ondiepe pakketten de mogelijkheden voor bodemenergie beperkt. Principe 4 Brabant is in staat extreme weersituaties op te vangen Bij het optreden van extreme situaties zoals piekbuien, hoogwater of langdurige droogte, is er minder snel of minder ernstige overlast of schade. In de toekomst biedt het water- en bodemsysteem ‘ruimte’ om extreme situaties zoals piekbuien, hoogwater of langdurige droogte op te vangen in ruimte en tijd. Bij het optreden van extremen is er sprake van minder snel of minder ernstige overlast of schade. Principe 5 Bescherming van water- en bodemkwaliteit De kwaliteit van het water- en bodemsysteem is op orde. Bij het ruimtegebruik - zoals voor landbouw, wonen en industrie – is er aandacht voor de water- en bodemkwaliteit. In daartoe aangewezen gebieden wordt het grondwater aanvullend beschermd: in een grondwaterbeschermingsgebied voor het gebruik van het grondwater voor menselijke consumptie (drinkwater) en in en nabij natuurgebieden ten behoeve van het behalen van natuurdoelen. Principe 6 Gebruikers zijn maximaal verantwoordelijk Gebruikers zijn maximaal verantwoordelijk voor het voorkomen van watervervuiling en verstoring van bodemprocessen die leiden tot een verminderde kwaliteit. Daar waar lozingen of afspoelingen plaatsvinden moeten maatregelen worden getroffen om vervuilingen en verstoringen van het water- en bodemsysteem zoveel als mogelijk te voorkomen. Uitgangspunt is en blijft het principe dat de vervuiler of verstoorder betaalt. Principe 7 Circulair denken en doen Kringlopen worden zoveel mogelijk gesloten. Vrijkomende stromen vanuit het ene proces vormen de grondstoffen voor één of meerdere ander(e) proces(sen). De bodem en het bodemleven zijn een essentieel onderdeel van de kringloop. Voor het watergebruik wordt zoveel mogelijk gewerkt volgens de trits ‘reduceren > hergebruiken > recyclen’: hoogwaardig (grond)water niet verspillen voor laagwaardige functies, verminderen van watergebruik en afvalstromen, hergebruik van stoffen uit het water of opwerken naar nieuwe grondstoffen. Addendum 2025 Essentie aanvulling RWP: Herstel water- en bodemsysteem, Sturing in de ruimtelijke ontwikkeling, Ontwikkelingen in bestaand gebruik en bestaande functies Inleiding Ons water- en bodemsysteem is decennialang geoptimaliseerd voor menselijk gebruik (landbouw, verstedelijking, bedrijven, etc.) en ‘peil volgt functie’ was het adagium. De keerzijde hiervan wordt echter steeds duidelijker. Denk hierbij aan de oplopende maatschappelijke kosten voor waterzuivering en waterbeheer, de toenemende risico’s van weersextremen, het verlies aan biodiversiteit zowel in het water als op het land en aan de afname van zoetwaterbeschikbaarheid wat zowel de natuur, de agrarische sector als de inwoner raakt i.h.k.v. drinkwater. Door klimaatverandering worden we steeds vaker en nadrukkelijker geconfronteerd met deze keerzijde. De gevolgen van langdurige perioden van droogte en van extreme regenval laten zien dat de grenzen aan de maakbaarheid van het water- en bodemsysteem zijn bereikt. Kiezen voor Water en Bodem sturend betekent dat het natuurlijk functioneren van het water- en bodemsysteem zoveel mogelijk wordt hersteld én zoveel mogelijk leidend is in ruimtelijke inrichting en grondgebruik voor natuur, landbouw, wonen, werken, energieopwekking, recreatie, etc. Hierdoor wordt afwenteling van water- en bodemgerelateerde problemen naar andere gebieden, naar volgende generaties en van privaat naar publiek voorkomen. We spreken nadrukkelijk van herstel van het natuurlijk functioneren zoveel als mogelijk: het is zaak om, waar mogelijk, niet afhankelijk te zijn van sturing in het systeem (met uitzondering van polders, deze hebben per definitie een gestuurd systeem), echter door het intensieve ruimtegebruik in Brabant zal op plaatsen een combinatie van (elementen van) een stuurbaar systeem en natuurlijke werking noodzakelijk zijn. De keuze voor water- en bodemsysteemherstel is in hoofdlijnen verankerd in de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’
(2018), het Beleidskader Leefomgeving en in het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027. Dit zien we onder meer terug in de daarin opgenomen visie over gericht herstel van het water- en bodemsysteem en het handelingsprincipe ‘Niet alles kan overal’. Met het addendum concretiseren we dit en vullen we ons beleid aan. Herstel water- en bodemsysteem In het RWP heeft de provincie opgenomen dat een systeemgerichte aanpak nodig is, oftewel herstel van de systeemwerking. In dit addendum concretiseren we dit met een doorvertaling van het Brabantse water- en bodemsysteem naar watersysteemeenheden, en ontwikkelrichtingen voor elk van deze watersysteemeenheden. Deze uitwerking is mede gebaseerd op de ‘Bouwsteen Water en bodem’, die de Brabantse waterschappen in 2023 aan de provincie hebben aangeboden, met daarin een visie en handelingsperspectief om te komen tot water- en bodemsysteemherstel. Het grondwater, het oppervlaktewater en de bodem vormen één groot samenhangend geheel. Keuzes die bovenstrooms gemaakt worden, hebben direct gevolgen voor de situatie benedenstrooms. Snelle ontwatering en afwatering in hoger gelegen gebieden kan tot wateroverlast in lagergelegen gebieden leiden. Ook leidt een dergelijke snelle ontwatering tot het dalen van grondwaterstanden en het droogtrekken van de hoge gebieden, waardoor de kwelstroom naar de lagergelegen gebieden stokt en daar ook de grondwaterstanden dalen. Om het water- en bodemsysteem klimaatbestendig en water robuust te maken, is het van belang dat de hele (grond)watermachine met kwelstromen weer beter gaat functioneren. In de polders is een stuurbaar systeem het uitgangspunt. De polders blijven voor hun zoetwatervoorziening de komende decennia vooral afhankelijk van inlaat uit het hoofd-watersysteem, met een toenemende kans op perioden van inlaatbeperkingen. Hier past een robuuste inrichting van het watersysteem bij waarin water kan worden gebufferd om zo weerbaarder te zijn tegen droge perioden met inlaatbeperkingen vanuit de rivieren, en ruimte is voor voldoende wateropvang in natte perioden. Het water- en bodemsysteem en de deelstroomgebieden die tezamen het water- en bodemsysteem van Brabant vormen, wordt gekarakteriseerd door watersysteemeenheden: ruggen, flanken, beekdalen, polders en rivierbed. Hoe deze eenheden met elkaar samenhangen en met elkaar een natuurlijk werkend water- en bodemsysteem vormen, is zichtbaar gemaakt in figuur 3.1 addendum. Figuur 3.1 addendum Samenhang watersysteemeenheden De watersysteemeenheden hebben ieder hun hydrologische kenmerken en kennen daarmee verschillende accenten in benodigde ontwikkelrichting en gewenste maatregelen. De watersysteemeenheden vormen daarmee de basis voor de uitwerking van Water en Bodem sturend voor wat betreft systeemherstel van het water- en bodemsysteem. Een streefbeeld voor het Brabantse water- en bodemsysteem 2050 en de ontwikkelrichtingen voor de watersysteemeenheden zijn samengevat in hoofdstuk 5. Addendum 2025 Ontwikkelrichtingen water- en bodemsysteem en in meer detail uitgewerkt in het rapport ‘Bouwsteen water en bodem’ (Royal HaskoningDHV, juni 2023). Aanvullend op het rapport is in het addendum nog een vijfde watersysteemeenheid toegevoegd, namelijk het rivierbed. De situering van de watersysteemeenheden in het watersysteem in Noord-Brabant is weergegeven in figuur 3.2 addendum. Fig. 3.2 addendum: Situering vier watersysteemeenheden in provincie Noord-Brabant: ruggen en peelruggen (geel en donkergeel), flanken (groen), beekdalen (paars), polders (oranje). (Bron: Royal HaskoningDHV, 2023) De in figuur 3.2 addendum opgenomen ruimtelijke vertaling is grofmazig, en kan bij ‘inzoomen’ op gebiedsniveau tot nadere vragen over precieze afbakening leiden. Provincie is voornemens op korte termijn, samen met de waterschappen, een verfijnings- en kwaliteitsslag te maken. Het betreft onder meer een verfijning tot een niveau waarop de systeemkenmerken op ruwweg deelstroomgebiedsniveau herkenbaar zijn, het toevoegen van de watersysteemeenheid ‘rivierbed’ aan de kaart en het rekening houden met oude bouwlanden (enkeerden) en andere gronden met een gunstige waterhuishouding op de hoge ruggen. De kaart in figuur 3.2 addendum is vooralsnog dan ook als richtinggevend te beschouwen en niet bedoeld om direct doorwerkend beleid op te baseren. Voor eventuele doorwerking via de provinciale Omgevingsverordening is een ruimtelijke vertaling naar perceelsniveau nodig. Deze vindt voor de beekdalen plaats via de voorgenomen aanpassing van de ‘reserveringsgebieden waterberging’ in de Omgevingsverordening, zie hiervoor het onderdeel ‘Water en Bodem sturend in beekdalen’ verderop in deze tekst. In lichtgrijs is op de kaart het bebouwde gebied weergegeven. Het streefbeeld voor de watersysteemeenheden stopt niet in het bebouwde gebied. Zo geldt bijvoorbeeld ook voor het bebouwde gebied op de ruggen het streven om zoveel mogelijk water vast te houden en te infiltreren. Ook in het stedelijk gebied geldt dus een opgave, uiteraard met een bij het stedelijk gebied passende invulling en met meer beperkingen vanuit de huidige functies dan in het landelijk gebied. Sturing in de ruimtelijke ontwikkeling Uitgangspunten Het RWP kent al het principe ‘niet alles kan overal’. In het Brabantse bestuursakkoord 2023 – 2027 ‘Samen maken we Brabant’ is aangegeven dat het water- en bodemsysteem sturend moet zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling. In dit addendum op het RWP geven we aan hoe we dat invullen, dit in het verlengde van de Omgevingsvisie, het Brabants Ruimtelijk Voorstel en het Beleidskader Leefomgeving (vastgesteld door Provinciale Staten op 27 oktober 2023), waarin ‘Water- en bodemsysteem leidend’ één van de vijf stelregels is om te sturen op omgevingskwaliteit. Door het samenhangend water- en bodemsysteem sturend te laten zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen zoals opgenomen in de beleidskader Leefomgeving, ontstaan mogelijkheden om de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd (klimaat, natuur, waterbeheer, landbouw, verstedelijking) toekomstbestendig vorm te geven. Het water- en bodemsysteem bepaalt de randvoorwaarden en het gebruik wordt daarop aangepast. Daarnaast wordt het natuurlijk functioneren van het water- en bodemsysteem zoveel mogelijk hersteld. De basis hiervoor vormen de watersysteemeenheden (ruggen, flanken, beekdalen, polders, rivierbed) in combinatie met de opbouw van de bodem en grondsoort. De randvoorwaarden, gebruik en herstel werken door in iedere sectorale opgave. Dat geldt zowel voor nieuwe ontwikkelingen als voor bestaande functies en (grond)gebruik. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen vinden zoveel mogelijk plaats op die plekken die hiervoor op basis van het water- en bodemsysteem het meest geschikt zijn. Provincie onderzoekt de mogelijkheden om via de Omgevingsverordening gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen meer rekening te laten houden met de sturende functie van het water- en bodemsysteem. Voor bestaande functies en grondgebruik ligt dit meer genuanceerd, omdat de mogelijkheid tot aanpassing niet altijd reëel is. Denk aan bestaand stedelijk gebied en infrastructuur. Toepassing geven aan Water en Bodem sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen lukt alleen in nauwe samenwerking met onze partners, waarbij naast de waterschappen de gemeenten een belangrijke rol hebben. Het addendum en de uitvoering daarvan leidt tevens tot een versterking van deze samenwerking. Water en Bodem sturend borgen via toepassing van de lagenbenadering De provincie ziet goede mogelijkheden om de watersysteemeenheden met bijbehorend ontwikkelperspectief toe te voegen aan de lagenbenadering. De toepassing van de lagenbenadering is opgenomen in de Omgevingsverordening (artikel 5.9) als verplichting voor gemeenten bij het beoordelen van nieuwe ontwikkelingen, inclusief nieuwbouw. De lagenbenadering is een hulpmiddel voor het maken van een goede afweging over nieuwe ontwikkelingen. In de lagenbenadering is de ondergrond met onder andere het water- en bodemsysteem één van de drie lagen. Provincie onderzoekt op korte termijn hoe het onderdeel water- en bodemsysteem uit de lagenbenadering in de Omgevingsverordening kan worden verduidelijkt met onder meer de watersysteemeenheden en bijbehorend ontwikkelperspectief. Hiermee krijgt Water en Bodem sturend ook een plek in de gemeentelijke omgevingsplannen bij de afweging voor het toelaten van nieuwe ontwikkelingen. Water en Bodem sturend bij drinkwatergebieden Een goede inpassing van de gebieden die een functie vervullen in de drinkwatervoorziening is van belang. Dit draagt bij aan zowel de grondwaterkwaliteit als de grondwaterkwantiteit. Water en Bodem sturend bij de verstedelijkingsopgave Om sturing te geven aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de verstedelijkingsopgave, is afgelopen jaren al een eerste stap gezet door ontwikkeling van de Watersignaleringskaart. De Watersignaleringskaart is opgesteld in het kader van het NOVEX-gebied Stedelijk Brabant. In dit proces werken Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen samen aan een toekomstbestendige stedelijke ontwikkeling van Brabant. De Watersignaleringskaart is onderdeel van het Ontwikkelperspectief en de Uitvoeringsagenda NOVEX stedelijk Brabant. Het is een belangrijke gespreksstarter in de besluitvorming over de locatiekeuze van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals een nieuwe woonwijk of bedrijventerrein. Gebruik van deze Watersignaleringskaart, en de resultaten daarvan, wordt gestimuleerd via de provinciale Omgevingsverordening bij toepassing van de lagenbenadering (zie artikel 5.9 Omgevingsverordening en de toelichting daarop). De lagenbenadering moet conform de Omgevingsverordening verplicht worden toegepast bij nieuwe ontwikkelingen. De Watersignaleringskaart is nu gebaseerd op de lagen/indicatoren overstromingsrisico’s vanuit het primaire systeem, wateroverlast vanuit grondwater en ruimte voor een robuust watersysteem (beekdalen). De Watersignaleringskaart wordt door provincie en partners doorontwikkeld zowel voor wat betreft lagen/indicatoren, waaronder bodem, als nieuwe inzichten uit onder meer nieuwe klimaatscenario’s en overstromingsrisico’s. Ook zal worden nagegaan of en hoe de toepasbaarheid voor gemeenten kan worden verbeterd. Naast de locatiekeuze, is ook de inrichting van een nieuwbouwlocatie van groot belang. Hiervoor is de landelijke ‘Maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ een belangrijk instrument. In de samenwerking met de gemeenten (DPRA-werkregio’
  1. s)stimuleren we de implementatie van de Maatlat. In IPO-verband zet de provincie in op een sterkere juridische borging van klimaatadaptatie bij nieuwbouw zoveel mogelijk door het Rijk, met het oog op een landelijk level-playing-field. De toepassing van de landelijke Maatlat is opgenomen in de toelichting op de Omgevingsverordening, als hulpmiddel om invulling te geven aan de voorwaarde dat er bij verstedelijking (zowel binnen als buiten bestaand stedelijk gebied) rekening moet worden gehouden met klimaatadaptieve maatregelen. Positie van landbouwgronden bij ruimtelijke afwegingen in het landelijk gebied Het behouden van waardevolle landbouwgronden voor de toekomst is van belang vanuit het oogpunt van voedselvoorziening. Op gronden met een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en een goede waterhuishouding, is het mogelijk een goede gewasopbrengst te realiseren met minder inputs, zoals meststoffen, bestrijdingsmiddelen en water en met minder emissies naar bodem, water en lucht. Het beschikbaar houden van geschikte gronden voor de landbouw, draagt daardoor bij aan het herstel van het water- en bodemsysteem. Om het beschikbaar houden van ‘beste landbouwgronden’ goed te kunnen betrekken in de integrale afweging onderzoekt de provincie hoe zij hiervoor aandacht kan vragen bij nieuwe ontwikkelingen, bijvoorbeeld met een afwegingskader of -ladder, dat bij ruimtelijke afwegingen wordt ingezet. In 2022 heeft Wageningen Environmental Research op basis van de ‘WaterWijzer Landbouw (WWL) 3.0’ bodemgeschiktheidskaarten voor de landbouw in de provincie Noord-Brabant opgesteld. Deze kaarten zijn in het voorontwerp van het BPLG gebruikt om de gronden in kaart te brengen, die gezien hun landbouwkundige kwaliteit het meest geschikt zijn voor het telen van voedselgewassen. Op de kaartbijlage ‘Ruimtelijk Ontwikkelperspectief Voorontwerp BPLG’ is met de indicatieve aanduiding ‘beste landbouwgrond’ aangeduid waar deze gronden liggen. In bijlage 5 van het voorontwerp-BPLG is een onderbouwing opgenomen over de totstandkoming van deze kaartlaag. Water en Bodem sturend in beekdalen In de beekdalen zal het door water- en bodemsysteemherstel in de toekomst op veel plaatsen natter worden (vaker natte omstandigheden, grotere waterdynamiek), en is meer ruimte nodig om piekbuien op te vangen. Om die reden breidt de provincie in de beekdalen de reserveringsgebieden waterberging uit, en past zij het beschermingsregime van de reserveringsgebieden waterberging aan. Uitgangspunt bij uitbreiding is het begrenzen van het gehele morfologische beekdal daar waar dat nog niet het geval is (zie figuur 3.2 voor de loop van de beekdalen in Brabant) én de lokale natuurlijke laagtes buiten de beekdalen als reserveringsgebied voor waterberging. Denklijn hierbij is dat bestaande bebouwing (waarvoor het maaiveld meestal toch al verhoogd
  2. is)buiten de begrenzing wordt gehouden. Aangezien in het merendeel van de beekdalen in Brabant al geen norm geldt voor wateroverlast (met uitzondering van de beekdalen in het beheergebied van Waterschap Aa en Maas) is de feitelijke consequentie voor deze gebieden in hoofdzaak dat nieuwbouw slechts in zeer beperkte mate mogelijk is: in het deel van het beekdal dat wordt aangewezen als reserveringsgebied waterberging mag alleen nog gebouwd worden als reële alternatieven ontbreken en dit niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen. Voor de gebieden waar nu nog wel een norm voor wateroverlast geldt, geldt dat het waterschap een eigen afweging kan maken, met goede argumenten zoals bestaande bestuurlijke afspraken, om deze norm op specifieke plekken en voor een bepaalde termijn in de praktijk nog te handhaven. Bestaande maatregelen om te voldoen aan de huidige wateroverlast norm in de beekdalen blijven daarnaast gehandhaafd, en daarmee worden dus geen actieve ingrepen gedaan om de bescherming tegen wateroverlast te verminderen. In deze gebieden is het daarnaast van belang dat er geen drainerende werking op de omgeving is van drainagesystemen op plekken die vanuit het oogpunt van water- en bodemherstel om vernatting vragen. Provincie onderzoekt in overleg met de waterschappen op welke manier tot een transparante en toetsbare wijze van afweging over drainage systemen in de beekdalen gekomen kan worden, ofwel via de provinciale Omgevingsverordening, ofwel via de Waterschapsverordening. Beleidsuitgangspunt is dat er bij zowel nieuwe drainagesystemen als bij het vervangen van bestaande drainagesystemen geen drainerende werking is op de omgeving. Genoemd onderzoek over drainagesystemen vindt tevens plaats voor de attentiezones waterhuishouding (deze zijn deels buiten de beekdalen gesitueerd; er bestaat voor deze zones reeds een verbod op plaatsen van nieuwe drainage), die in de provinciale Omgevingsverordening zijn opgenomen ter bescherming van de Natte Natuurparels. Ook vindt dit onderzoek plaats voor het beschermingsregime ‘Behoud en herstel watersystemen’ aan. Zie voor meer toelichting hoofdstuk 8.4.2a Inzet Omgevingsverordening. Water en Bodem sturend in het rivierbed De watersysteemeenheid Rivierbed bestaat uit het hele buitendijkse gebied, inclusief de uiterwaarden langs de grote rivieren van het hoofdwatersysteem: Maas en Waal-Merwede en de deltawateren (Hollands Diep-Haringvliet, Volkerak- Zoommeer-Binnenschelde-Markiezaatsmeer). Hieraan voegen we het gebied tussen de regionale keringen van een aantal regionale rivieren, die hierin uitmonden, zoals de Mark en de Vliet toe. De provincie gaat voor de regionale rivieren soortgelijk beleid voor uitwerken als voor het hoofdwatersysteem, voor wat betreft bebouwing in het rivierbed. Rivieren (hoofd- en regionaal) krijgen in extreme situaties hogere piekafvoeren én extreem lage waterstanden te verwerken. Deze situaties zullen ook vaker voorkomen. Om de lage gebieden rondom de rivieren te beschermen tegen overstromingen, is het belangrijk dat het rivierbed beschikbaar blijft voor de doorstroming en het opvangen van water. Daarnaast vraagt dit meer ruimte(reservering) voor water en toekomstige dijkversterkingen. De nationale beleidslijn Grote Rivieren stelt regels aan een deel van het Brabantse Rivierbed. In aanvulling hierop zal de provincie de regels in de omgevingsverordening aanpassen om nieuwe (niet-riviergebonden) bebouwing in het gehele rivierbed te voorkomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de in het BO Water vastgestelde redeneerlijn: Functies die binnendijks ontwikkeld kúnnen worden, dienen ook binnendijks ontwikkeld te worden (bv. de functie Wonen). Water en Bodem sturend bij het beperken van risico's door extreme neerslag In 2024 en verder voeren we, samen met de waterschappen, twee bovenregionale stresstesten uit. Dit naar aanleiding van het advies van de Beleidstafel wateroverlast en hoogwater. We gaan na wat de gevolgen kunnen zijn van een extreme bui in Noord-Brabant, vergelijkbaar met de gebeurtenis in de zomer van 2021 in Limburg. De bovenregionale stresstesten worden gevolgd door risicodialogen en uitvoeringsagenda's. In de bovenregionale stresstesten staat de gehele meerlaagsveiligheid, waaronder aanpassingen en keuzes in de ruimtelijke inrichting centraal. Ontwikkelingen in bestaand gebruik en bestaande functies Voor een succesvolle transitie naar een klimaatrobuust water- en bodemsysteem is ook nodig dat veranderingen plaatsvinden in, of maatregelen worden getroffen ten aanzien van, bestaand gebruik en bestaande functies. Voor bestaand bebouwd gebied gaat het vooral om het waar mogelijk treffen van klimaatadaptieve maatregelen in verband met weersextremen. De 'Maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ geeft hiervoor goede en concrete handvaten. Indien gewenst is provincie altijd bereid om met gemeenten en waterschappen mee te denken over implementatie van klimaatadaptieve oplossingen. Het landelijk gebied biedt ruimte aan diverse functies en gebruik, zoals landbouw, natuur, recreatie, energieproductie, etc. Van al deze functies en vormen van grondgebruik verwacht de provincie dat zij een bijdrage leveren aan de transitie naar een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Voor functies als natuur en energieproductie kan bijvoorbeeld worden gedacht aan kansrijke functiecombinaties zoals de combinatie waterberging en natuur, of waterberging en energieproductie. De landbouw heeft invloed op de waterkwaliteit, het watervasthoudend en doorlatend vermogen van de bodem, het grondwaterpeil en de biodiversiteit. Door de toenemende kansen op extreme regenval en droogte, biodiversiteitsverlies en het dreigende watertekort, nemen de risico's voor de landbouw toe. Een robuust water en bodemsysteem, met voldoende en schoon water en een vitale bodem, is essentieel voor het voortbestaan van de agrarische sector in Nederland. Kansrijke combinaties voor de landbouw, zoals combineren van voedselproductie met bieden van maatschappelijke groene en blauwe diensten bieden nieuwe perspectieven voor agrarische ondernemers. Wanneer het principe van ‘Water en Bodem sturend’ wordt vertaald naar de landbouw, zal de gewaskeuze en teeltmethode beïnvloed worden door het water- en bodemsysteem van het perceel. Teelt van het juiste gewas op de juiste plek, met de juiste teeltmethode, draagt bij aan het behalen van onze doelen voor waterkwaliteit-, kwantiteit, klimaatadaptatie en biodiversiteitsherstel én aan een stabielere gewasproductie. Op gronden met een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en een goede waterhuishouding, is het mogelijk een goede gewasopbrengst te realiseren met minder inputs, zoals meststoffen, bestrijdingsmiddelen en water en met minder emissies naar bodem, water en lucht. Anderzijds geeft teelt op minder geschikte gronden, meer risico op uit- en afspoeling en vraagt meer water. De randvoorwaarden vanuit water, bodem en natuur zijn bepalend voor de kansen en mogelijkheden voor de agrarische bedrijfsvoering in een gebied. Het is aan agrarische ondernemers om keuzes te maken t.a.v. hun bedrijfsvoering en verdienmodel om binnen deze randvoorwaarden te opereren. Op basis van ‘Water en Bodem sturend’ zijn kansrijke ontwikkelrichtingen ruimtelijk gedifferentieerd. Voor hoogproductieve, grondgebonden bedrijven geldt dat ze op een intensievere manier van de bodem en van meer grond- en hulpstoffen gebruikmaken. Gemiddeld genomen ligt de productie ook op een hoger niveau. Kwalitatief goede landbouwgronden hiervoor liggen hoofdzakelijk op de flanken en in de polders. Dit zijn gronden die op basis van de bodemgeschiktheid en de waterhuishoudkundige inrichting beperkte kans hebben op opbrengstverliezen door te natte of droge omstandigheden. Bij meer extensieve vormen van land- en tuinbouw wordt er minder grond- en hulpstoffen gebruikt en wordt er minder op chemisch/technologische en meer op agro-ecologische processen vertrouwd. De opbrengsten liggen fysiek vaak op een lager niveau, de bedrijfsopbrengsten hoeven dankzij de lagere kosten of hogere opbrengstprijzen (biologische landbouw) niet lager te zijn. In de gebieden direct rond Natura 2000-gebieden, Natte natuurparels, in beekdalen en in de grondwaterbeschermingsgebieden zijn in het algemeen hogere grondwaterstanden en verdergaand aangepast gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen nodig om de doelen voor natuur en water te realiseren. In die gebieden streeft de provincie daarom naar overwegend extensieve vormen van landbouw (graasdierhouderij / voedergewassen, gewassen voor biobased (bouw)materialen, bosbouw, agroforestry, et cetera). Deze landbouw is meer natuur- en landschapsinclusief: het ontwikkelen, versterken en behouden van een grote biodiversiteit, waaronder bodemleven, insecten en soorten van de Vogelrichtlijn, en een hoogwaardig landschap zijn integraal onderdeel van het bedrijfsmodel. De producten van deze bedrijven onderscheiden zich in de markt. Daarnaast zijn inkomsten uit beloning voor ecosysteemdiensten en vergoedingen voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer structureel onderdeel van het verdienmodel. In deze gebieden liggen ook kansen voor functiecombinaties, bijvoorbeeld met energieopwekking, recreatie, natuur en landschap. In de beken en beekdalen wordt het water op een zo hoog mogelijk peil gehouden; oppervlaktewaterpeilen en grondwaterstanden staan in de beekdalen dicht aan het maaiveld. Hier bestaan alleen mogelijkheden voor vormen van landbouw die binnen deze randvoorwaarden en hoge, gebiedsgerichte kwaliteitseisen kunnen worden gerealiseerd. Ook op de hoge zandgronden (ruggen)– waar gronden liggen met een lagere natuurlijke bodemvruchtbaarheid en met hogere milieurisico’s – stuurt de provincie op een extensivering van het grondgebruik door de landbouw. De keuzes vanuit het water- en bodemsysteem – vergroten inzijging, verminderen wateronttrekking en daarmee het vergroten van de grondwatervoorraden – zijn hier bepalend voor de mogelijkheden voor de landbouw. Dit biedt kansen voor niet- grondgebonden teelten, agroforestry, recreatie en verbredingsactiviteiten.] De provincie spant zich in voor bijsturing van passend grondgebruik in het landelijk gebied. De snelheid waarmee de brede doelen voor transitie in het landelijk gebied (water en bodem sturend, transitie van de landbouwsector, versterking van de natuur en realisatie van energieopgaven) gerealiseerd worden, hangt af van de snelheid van de transitie van het landelijk gebied en van de middelen en instrumenten die daarvoor beschikbaar zijn. Hiervoor kijkt Brabant ook nadrukkelijk naar de Rijksoverheid. Provincie ontwikkelt een aanpak om te komen tot passend grondgebruik in het landelijk gebied onder andere met de Aanpak Landelijk Gebied (ALG). Addendum 2025 Ontwikkelrichtingen water- en bodemsysteem Inleiding Dit beschrijft het toekomstbeeld voor het water- en bodemsysteem in provincie Noord-Brabant. Dit is de situatie die we nastreven gelet op de specifieke kenmerken van het water- en bodemsysteem. Volledige realisatie van het toekomstbeeld heeft als zichtjaar het jaar 2050. Terug redenerend vanuit 2050 zijn nu al keuzes nodig om het water- en bodemsysteem anders in te richten. Afhankelijk van bestaande situaties, afspraken en gebied specifieke omstandigheden zullen hierin (bestuurlijke) afwegingen moeten worden gemaakt, zowel voor wat betreft inrichting van het systeem, voor wat betreft gebruik als voor de momenten in de tijd. Het streefbeeld wordt beschreven per onderscheiden watersysteem-eenheid met voor elk gebied specifieke accenten. Een meer gedetailleerde beschrijving is te vinden in het rapport ‘Bouwsteen water en bodem’ (Royal HaskoningDHV, juni 2023). Grond- en oppervlaktewatersysteem In de hoger gelegen delen van het landschap (Ruggen) ligt de grondwaterstand over het algemeen diep onder het maaiveld en is vaak sprake van een dik pakket aan beter doorlatende grondlagen. Al het regenwater dat op de ruggen valt, gaan we in het gebied vasthouden om ter plekke te infiltreren. Hierdoor wordt het grondwatersysteem maximaal gevoed en ontstaat er tevens (vertraagde) voeding van de lagergelegen gronden. In reguliere situaties wordt elke druppel vastgehouden en infiltreert deze ter plekke. Alleen in pieksituaties stroomt water af naar de laaggelegen delen. Binnen de categorie ruggen zijn de Peelruggen als een aparte categorie opgenomen. Dit betreft wel hoger gelegen delen, maar als gevolg van de aanwezigheid van breuken en een relatief ondiepe ondoorlatende laag zakt het grondwater hier minder diep weg. Als streefbeeld wordt hier net als bij de overige ruggen gestreefd naar het maximaal conserveren en infiltreren van water. Op de hogere ruggen in Noord-Brabant bevinden zich deels oude bouwlanden met een dik cultuurdek, ook wel enkeerden genoemd, die zich hier historisch hebben ontwikkeld en deel uitmaken van de beste landbouwgronden. Ondanks dat ook deze bodems tegenwoordig te kampen kunnen hebben met een verminderd vocht leverend vermogen, kennen deze gronden over het algemeen minder beregeningsbehoefte en uitspoelingsrisico’s. Op de overgang van de ruggen naar de beekdalen liggen de Flanken. De flanken vormen in alles een overgangsgebied, dat zich kenmerkt door landschappelijke en hydrologische gradiënten. Er komen drogere en nattere delen voor, er zijn delen met infiltratie maar ook delen met kwel. Op de flanken is sprake van een ondiep grondwatersysteem, dat ingebed ligt in het diepere grondwatersysteem tussen de ruggen en beekdalen. De grond- en oppervlaktewaterstanden op de flanken zijn hoog om de onttrekkende werking op de ruggen te beperken. Hoger op de flanken infiltreert hemelwater deels via de bodem en wordt het deels opgevangen en vastgehouden in greppels, sloten en laagten. Vanuit hier kan het hemelwater vervolgens verder infiltreren. Hoger op de flanken is tevens sprake van opkwellend grondwater vanuit de ruggen, dat via het vasthouden in greppels, sloten en laagten lager op de flank ook weer kan infiltreren. Lager op de flanken treedt ondiepe kwel uit van de ruggen en van de gebieden hoger op de flanken. Ook hier is vasthouden en infiltreren het streefbeeld. Bij piekbuien wordt overtollig hemelwater afgevoerd. De Beekdalen vormen de laagste natuurlijke gebieden in het Brabantse waterlandschap. Het water dat op de ruggen is geïnfiltreerd, kwelt hier op. Door vertraagde voeding vanuit het grondwatersysteem op de hoger gelegen delen is er sprake van een jaarronde voeding met relatief stabiele, hoge grondwaterstanden en toestroom van water naar de beek zelf. Alleen bovenstrooms in het systeem (waar dit vanuit de natuurlijke werking van het systeem logisch
  3. is)kan sprake zijn van droogval van de beek. Het streefbeeld is om zoveel mogelijk water in het grondwatersysteem vast te houden. Dit betekent dat in de beken en beekdalen water op een zo hoog mogelijk peil wordt gehouden. Oppervlaktewaterpeilen en grondwaterstanden staan in de beekdalen daarom (relatief) dicht aan maaiveld. In de beken is verder sprake van een dynamiek van water aan- en afvoer die de natuurlijke werking van het systeem ondersteunt en vergroot. De beekdalen leveren ook een belangrijke bijdrage aan groenblauwe dooradering en het opvangen van piekafvoeren. De beekdalen vormen het verzamelpunt van het oppervlaktewater dat van de flanken afstroomt. In de beekdalen is de ruimte om pieken op te vangen en vast te houden door overstroming van de beekdalbodem onderdeel van de natuurlijke werking van het systeem. Langs de noordrand van Noord-Brabant liggen de Polders, ingeklemd tussen de hoge ruggen en de rivieren Maas en Waal (Altena). De polders bestaan uit een vrij vlak landschap met overwegend laaggelegen zeeklei- en rivierklei gronden en relatief hoge grondwaterstanden. Er is sprake van een fijnmazig stelsel van watergangen en een sterk gestuurd waterpeil. Het systeem wordt gevoed door kwel afkomstig van de hoge gronden, kwel afkomstig van de rivier en afvoer van de beken. Door de klimaatverandering kan er veel minder dan in de huidige situatie worden vertrouwd op inlaat van Maaswater. In de polders in West-Brabant wordt daarom bij zeer lage rivierafvoeren hoofdzakelijk Waalwater ingelaten. De polders blijven voor hun zoetwatervoorziening de komende decennia vooral afhankelijk van inlaat uit het hoofd-watersysteem, met een toenemende kans op perioden van inlaatbeperkingen. Hier past een robuuste inrichting van het watersysteem bij waarin water kan worden gebufferd om zo weerbaarder te zijn tegen droge perioden met inlaatbeperkingen vanuit de rivieren. In het streefbeeld is het systeem daarom meer ingericht op het vasthouden en benutten van de toestromende kwel en oppervlaktewater en het bergen van piekbuien. Langs de west- en noordranden van Noord-Brabant ligt het Rivierbed. Het bevat het hele buitendijkse gebied, inclusief de uiterwaarden in het hoofdwatersysteem van de grote rivieren Maas en Waal-Merwede en de deltawateren (Hollands Diep-Haringvliet, Volkerak-Zoommeer-Binnenschelde-Markiezaatsmeer).Het regionaal watersysteem mondt hierin uit. Ook langs een aantal regionale rivieren, zoals de Mark en de Vliet, bevindt zich buitendijks gebied, hier beschermen regionale keringen de omgeving tegen overstromingen. .Rivieren krijgen in extreme situaties hogere piekafvoeren én extreem lage waterstanden te verwerken. Dit vraagt om meer ruimte(reservering) voor water en dat heeft consequenties voor de ruimtelijke inrichting en het landgebruik. In lijn met de landelijke beleidslijn Grote Rivieren (BGR) blijft het rivierbed beschikbaar voor de doorstroming en het opvangen van water. Functies die binnendijks kunnen, dienen ook binnendijks ontwikkeld worden, bijvoorbeeld de functie wonen. De rivieren en de Delta zijn belangrijk voor de zoetwaterbeschikbaarheid. Nationale en internationale afspraken hierover zijn van belang, maar ook bij inrichting en ontwikkeling is dit een belangrijk aspect. Het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem hangen met elkaar samen. Bij maatregelen in het hoofdwatersysteem wordt rekening gehouden met de effecten op het regionale systeem en vice versa. Bodem en waterkwaliteit In het hele water- en bodemsysteem streven we naar schoon grond- en oppervlaktewater. Dit betekent dat het water niet wordt belast door nutriënten, bestrijdingsmiddelen, medicijnen, verzilting en andere verontreinigende stoffen.Schoon water moet schoon blijven. Hoewel dit voor alle watersysteemeenheden geldt, is dit het belangrijkste op de ruggen: het infiltrerend regenwater op de ruggen vormt immers de basis van het robuuste watersysteem. In laagtes op de ruggen gaan we meer infiltreren en vasthouden. Op de ruggen (dekzandruggen en plateau’
  4. s)komen daarnaast vooral schrale gronden voor, waaruit stoffen snel uitspoelen. Het water dat daar infiltreert moet schoon zijn. Door het grondgebruik in de afgelopen decennia zijn de bodem en het grondwater belast met nutriënten en andere stoffen. De bodem op de flanken, in de beekdalen en polders houden nutriënten en vele andere stoffen gemakkelijk vast, met uitzondering van de leem- of hellinggronden. Door de hoge belasting in het verleden is deze capaciteit echter grotendeels al benut en spoelen deze stoffen ook weer uit deze bodems uit. Hierdoor zal nog tientallen jaren met nutriënten en andere stoffen belast grondwater opkwellen in de flanken, beekdalen en polders. ln alle deze watersysteemeenheden worden daarom maatregelen getroffen om belasting van het systeem te voorkomen dan wel te verminderen. Het ontwikkelperspectief voor de watersysteemeenheden is samengevat als volgt : Ruggen Watersysteem inrichten op vasthouden; alleen afvoeren bij pieksituaties en dan bij voorkeur naar lokale laagtes;Watersysteem inrichten op infiltreren;De ont- en afwatering wordt niet meer afgestemd op de laagste delen. In lokale laagten kan weer periodiek water op maaiveld komen te staan. Ook kunnen laagten worden benut om water vast te houden;Zoveel mogelijk voorkomen dat stoffen zoals nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen uitspoelen naar het grond- en oppervlaktewater. Flanken Op de drogere delen ligt de focus op infiltreren van water;In de nattere delen ligt de focus op vertraagd afvoeren;Het ont- en afwateringsysteem is niet meer afgestemd op de laagste delen. De lokale laagten benutten we juist om water in vast te houden. Daardoor komt in lokale laagten weer periodiek water op maaiveld te staan;Uitspoeling van nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en andere vervuilingsbronnen wordt voorkomen en/of het belast water wordt gezuiverd. Beekdalen Om een robuuste basis te vormen voor het grondwatersysteem is het noodzakelijk dat het oppervlaktewaterpeil en de grondwaterstanden in de beekdalen zo hoog mogelijk worden;Er is voldoende ruimte in de beekdalen om in natte tijden, op de locaties waar het afstromend oppervlaktewater in de beekdalen komt, afvoerpieken op te vangen en vertraagd af te voeren;Er is sprake van een natuurlijke afvoerdynamiek in de beken. Droogval treedt alleen op waar dit vanuit het systeem natuurlijk is;De hydromorfologie van de beken dient op orde te zijn ter ondersteuning van de flora en fauna;Tot slot moet vervuiling van beekwater door uitspoeling en bij overstroming worden voorkomen. Polders De waterbeschikbaarheid zo lang mogelijk rekken door in te zetten op het handhaven van peilen en benutten van beschikbaar aanvoerwater, maar ook het accepteren dat in periode van droogte water beperkt beschikbaar is;De ont- en afwatering wordt niet meer afgestemd op de laagste delen. In lokale laagten kan weer periodiek water op maaiveld komen te staan. Ook kunnen laagten worden benut om water vast te houden;Water schoonhouden of schoon maken. Rivierbed 1 Waterveiligheid borgen door een combinatie van dijkversterking en ruimte voor de rivier;Waterveiligheidsprojecten als integrale gebiedsontwikkeling benaderen: waar mogelijk opgaven voor ecologie, zoetwaterbeschikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en economische functies combineren;Ruimte beschikbaar houden voor toekomstige dijkversterkingen en waterberging;Niet bouwen in het rivierbed(wat binnendijks kan moet binnendijks;De rivieren zijn belangrijk voor de zoetwaterbeschikbaarheid Nationale en internationale afspraken hierover zijn van belang. Bij (her)inrichting van het rivierbed is dit een belangrijk aspect;Het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem hangen met elkaar samen. Bij maatregelen in het hoofdwatersysteem rekening houden met de effecten op het regionale systeem en vice versa. 1 Dit is een aanvulling op de ontwikkelrichting voor de watersysteemeenheden en betreft rivierbed in zowel hoofd- als regionaal watersysteem. Hoofdstuk 6. De Rode Draden in onze aanpak 6.1 Zes integrale lijnen Om te komen tot een samenhangende aanpak voor voldoende, schoon en veilig water, een vitale bodem en klimaatadaptatie, en te voldoen aan onze ambitie werken we langs zes integrale lijnen: 1. Herstellen systeemwerking Onder systeemwerking wordt verstaan: het zoveel mogelijk laten functioneren van het abiotische en biotische systeem volgens natuurlijke principes, zodat de veerkracht en robuustheid van het systeem toeneemt. Hiermee minimaliseren we maatschappelijke en financiële kwetsbaarheid voor extreme situaties. De handelingsprincipes uit Hoofdstuk 5. Zeven handelingsprincipes Water en Bodem geven invulling aan de betekenis van een klimaatbestendig en veerkrachtig systeem. De belangrijkste omslag is dat we voor heel Brabant veel meer de nadruk moeten leggen op het zo min mogelijk afvoeren en juist zo veel mogelijk vasthouden van water. Het werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig systeem en het herstellen van de systeemwerking betekent dat gebruiksfuncties zich zullen moeten aanpassen aan de lokale water- en bodemsysteemeigenschappen. ‘De juiste functie op de juiste plek’ is een kans voor gebruiksfuncties om in te spelen op de omstandigheden: functies die gevoelig zijn voor droogte passen in lager gelegen natte gebieden, functies die gevoelig zijn voor wateroverlast passen in hogere infiltratiegebieden. Het herstellen van de systeemwerking is ook een omslag in hoe we naar problemen kijken. Zodra we gaan werken aan onze opgaven in projecten of gebieden is het noodzakelijk om het systeem te analyseren op het niveau van een deelstroomgebied en niet alleen naar het concrete projectgebied. Op die manier komen de maatregelen in beeld, die passen bij het herstel van de systeemwerking. Daarbij is niet het doel om een ‘natuurlijk systeem’ te herstellen of terug te gaan naar ‘vroeger’, maar om de werking van het systeem te herstellen. Dat kan ook met technische maatregelen. Herstel van de systeemwerking en systeemgericht werken dragen bij aan alle beleidsopgaven van dit programma. Door het herstellen van de systeemwerking zal de kwetsbaarheid voor watertekort en een teveel aan water afnemen en kunnen de KRW-doelstellingen eenvoudiger worden behaald. Het herstellen van de systeemwerking zal voor het regionale systeem de afvoerextremen aftoppen. Door het grondgebruik en intensiteit hiervan meer af te stemmen op de abiotische karakteristieken en potenties van het systeem, het bevorderen het bodemleven en het voorkomen van bodemverdichting is er meer potentie om de bodem vitaler te laten worden waardoor het systeem zich kan herstellen. 2. Optimaal gebruiken van wettelijke kaders en instrumenten We zetten instrumenten in waar wij vanuit de Omgevingswet en andere wettelijke kaders beschikking over hebben. Ook is het onze taak voor de primaire keringen om de dijkversterkingsplannen van de waterschappen goed te keuren. Onderdeel van deze instrumenten is de provinciale omgevingsverordening. Hierin zijn rechtstreeks werkende regels opgenomen en instructieregels voor gemeenten en waterschappen. Ook de gebiedsbegrenzingen die juridisch doorwerken zijn in de omgevingsverordening opgenomen. Vanuit de Omgevingswet hebben we als provincie de taak functies toe te kennen aan het watersysteem (zie Bijlage IV Waterhuishoudkundige functies en Hoofdstuk 8. Samen werken aan uitvoering. voor verdere uitwerking). Ook leggen we de grond- en oppervlaktewaterlichamen juridisch vast en stellen we doelen voor het oppervlaktewater (zie hiervoor Bijlage V Vastlegging KRW-waterlichamen en doelstellingen oppervlaktewater). Functies en grond- en oppervlaktewaterlichamen zijn vastgelegd op de plankaarten, zie hiervoor Bijlage VII Plankaarten. We benutten de wettelijke kaders maximaal voor het water- en bodembeleid en onderzoeken mogelijkheden en alternatieven voor een gezamenlijke verandering in het water- en bodemsysteem. We werken toe naar een samenhangend wettelijk kader en instrumentarium dat niet alleen ongewenste nieuwe ontwikkelingen tegengaat, maar juist ook gewenste nieuwe ontwikkelingen bevordert. De provincie gaat, in overleg met waterschappen en gemeenten, verkennen en onderzoeken of er ruimtelijke doorwerking nodig is voor het nemen van maatregelen om meer water te laten infiltreren in de hogere delen van Brabant (infiltratiegebieden). Dat gaat zowel over het voorkomen van ongewenste nieuwe ontwikkelingen als om het stimuleren van gewenste ontwikkelingen en het tegengaan van intensivering van het grondgebruik.Het behalen van de doelstellingen van de KRW in 2027 is sterk afhankelijk van reeds vigerende (inter)nationale wetgeving zoals mestwetgeving en toelatingsbeleid van stoffen. Gezien het belang om de KRW doelstellingen en doelstellingen vanuit andere beleidskaders te behalen, zal de provincie het doelbereik nauwkeurig in de gaten houden. Waar nodig wordt aangedrongen op aanvullende regelgeving bij het rijk. 3. Sluiten kringlopen en benutten economische waarde Het huidige economische systeem is vooral lineair te noemen. Dit geldt ook voor de manier waarop we omgaan met ons natuurlijk kapitaal, zoals het water en een vitale bodem. Er wordt grondwater onttrokken zonder dat het weer voldoende wordt aangevuld. Het water dat we hebben onttrokken, gebruiken we en, wanneer het daardoor vervuild raakt, lozen we het als afvalwater. Het afvalwater wordt gezuiverd, geloosd op oppervlaktewater en afgevoerd naar zee. Voor onze voedselproductie gebruiken we de bodem, die daardoor uitgeput raakt; het bodemleven verdwijnt, de bodemstructuur verandert en minerale en spoorelementen raken op. Het huidige financiële en economische systeem ondersteunt het lineair denken en doen. Er hangt nagenoeg geen prijs aan het gebruik van natuurlijk kapitaal. De schade die ontstaat bij het gebruik van het natuurlijk kapitaal is grotendeels voor rekening van de gemeenschap. Zo kost het gebruik van (grond)water bijna niets en wordt de prijs van de grond voornamelijk door andere factoren bepaald dan door de vitaliteit van die grond. De kosten voor waterzuivering, herstel van biodiversiteit, maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan en om ons aan te passen aan het veranderende klimaat liggen grotendeels bij de overheid. Het systeem loopt echter tegen grenzen aan. De oplossing is de transitie van een lineaire naar een circulaire manier van denken en doen. De natuurlijke systemen - zelfs op regionaal niveau - zijn cyclisch. Wanneer kringlopen worden gesloten, bestaat er geen afval meer. Grondwateraanvulling en -onttrekking zijn weer in balans, nutriënten zoals stikstof en fosfaat lekken niet weg en hopen zich niet op in het grond- en oppervlaktewater. Zo werken we toe naar een weerbaar, veerkrachtig en robuust water- en bodemsysteem dat tegen een stootje kan. Binnen een circulair systeem worden grondwater, oppervlaktewater, een vitale bodem, landschap en natuur gezien als gemeenschappelijke eigendommen met een economische waarde. Van dit natuurlijk kapitaal zijn we gezamenlijk eigenaar en dragen we ook gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor instandhouding en herstel. In dit RWP stimuleren we een circulaire bedrijfsvoering, het sluiten van kringlopen en benutten van economische waarde. Een van de uitgangspunten is dat diegene die het natuurlijk kapitaal vergroot, hiervoor wordt beloond. In dit verband dient ook gewezen te worden op het naar nog te actualiseren provinciale ontgrondingenbeleid. De in voorbereiding zijnde Omgevingswet en daaraan gekoppelde Omgevingsverordening maken het nodig om nieuw ontgrondingenbeleid te ontwikkelen. Dit biedt kansen om het ontgrondingenbeleid beter aan te laten sluiten op provinciaal beleid op het gebied van bevorderen circulariteit. Daarnaast zou grondstoffenwinning een rol moeten spelen bij projecten die vanuit maatschappelijk belang door overheidsorganisaties worden geïnitieerd (bijvoorbeeld Hoogwaterveiligheidsprojecten). Bij het maken van plannen hiervoor zal in een vroegtijdig stadium, meer dan tot nu toe het geval is, rekening gehouden moeten worden met het grondstoffenbelang. Dit betekent dat bij het realiseren van projecten, de winning en toepassing van vrijkomende grond, zand, klei of grind in de afweging betrokken worden. Daarnaast acht de provincie het van belang bij infrastructurele projecten het voorbeeld te geven om meer circulair te gaan werken en zo nodig voor duurzaam grondstoffenbeleid afwegingskaders in de Omgevingsverordening vast te leggen. 4. Verbinden met de samenleving De beleidsopgaven kunnen alleen worden gerealiseerd als overheden, inwoners en andere partijen samenwerken. De keuzes van inwoners en bedrijven zijn medebepalend voor hoe het water- en bodemsysteem functioneert. Het gaat om het maken van de verbinding met de leefwereld van mensen, en het leren kennen van de drijfveren die aan die keuzes ten grondslag liggen. Wat hebben mensen nodig om mee te gaan in de transitie naar een klimaatbestendig en veerkrachtig systeem? En wat betekent dat voor ons als provincie? We gebruiken de opgedane kennis en ervaring uit het voormalig programma Sociale Veerkracht over het betrekken van Brabanders bij de water- en bodemopgaven. We willen dat mensen zich bewust zijn van de waarde van water en een gezonde bodem en van hun eigen rol in de opgaven. Dat betekent water niet langer beschouwen als product, maar als iets waar we goed voor moeten zorgen. Met andere woorden, we willen dat water leeft. Dit bereiken we niet door alleen te communiceren vanuit onze beleidsopgaven met objectieve feiten. Dat vraagt oog en oor voor achterliggende en aanpalende vraagstukken.En dat vraagt ruimte om samen met inwoners, agrariërs, industrie, natuurbeheerders en andere overheden op zoek te gaan naar nieuwe oplossingen. Samenwerken met de samenleving betekent dus ook dat de provincie en andere overheden ook zelf integraal over verschillende opgaven heen moeten kijken om ook die te verbinden. Soms spelen er andere grote opgaven in een gebied die de hefboom vormen voor een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem. Tegelijkertijd willen dat mensen zich herkennen in onze aanpak en er draagvlak is. Ook is het van belang dat mensen vanuit hun eigen rol, verantwoordelijkheid en leefwereld initiatief kunnen nemen en zich hier gesteund in voelen. Dat vraagt om bewuste keuzes. De inzet van ontwerpkracht en verbeelding helpt ons hierbij. In de afgelopen jaren hebben we in verschillende projecten ervaring opgedaan door de samenleving te betrekken bij de water- en bodemopgaven. De lessen hieruit nemen we mee in de uitvoering van dit RWP. 5. Benutten mogelijkheden innovatie en kennisontwikkeling Innovatie is een breed begrip. Het gaat enerzijds over het toepassen van nieuwe technologieën in producten, diensten of processen. Anderzijds gaat innovatie over het ontwikkelen van nieuwe producten of diensten en processen zelf. Om deze innovaties vervolgens snel te verspreiden en op te schalen, is het goed borgen en delen van kennis cruciaal. Dit betekent dat niet we niet alleen kijken naar nieuwe technologische toepassingen die nodig zijn om onze doelen te behalen, maar dat we ook het beleid zelf op een nieuwe manier willen vormgeven. We stimuleren innovaties op het gebied van een klimaatbestendig en robuust water- en bodemsysteem en onderzoeken waar we anders moeten gaan denken en doen. Zo vinden we nieuwe oplossingen voor bestaande problemen. Hiervoor is samenwerking met partners essentieel. Bovendien sluiten we gericht aan bij landelijke en internationale (kennis)netwerken en projecten, inclusief Europese samenwerkingsprogramma’s. Ten slotte staan we hiervoor sterk in verbinding met de samenleving via de meest geschikte netwerken. Onze ambitie is het versterken van het kennis- en innovatie-ecosysteem voor water en vitale bodem, samen met onze partners. Het doel is het ontwikkelen van nieuwe manieren van denken en doen die nieuwe oplossingen en antwoorden geven op de beleidsopgaven. Het gaat hierbij om technologische-, sociale-, organisatorische en financiële innovaties. Kennisontwikkeling speelt bij elk van deze invalshoeken een belangrijke rol. Om voorop te blijven lopen, realiseren wij ons dat er bij kennisontwikkeling steeds nieuwe inzichten komen. Innovatie gaat veel verder dan het op kleine schaal uitproberen van nieuwe technische oplossingen. Opschaling tot substantiële bijdragen aan de opgave is cruciaal en essentieel in dit stadium van urgentie en deze planperiode. Het gaat om technologische innovaties die de transitie naar kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw ondersteunen, de waterveiligheid helpen te vergroten, de warmtetransitie ondersteunen zonder een risico te vormen voor de waterkwaliteit en om effecten van beleid beter te monitoren (via nieuwe databronnen en sensoren). Bij sociale innovaties gaat het om het teweegbrengen van veranderingen in de samenleving in de manier waarop deze georganiseerd is. Denk aan veranderingen in de afzetketen voor agrarische producten, nieuwe samenwerkingsverbanden om grond duurzaam te verpachten, gebiedsgericht werken of bewoners die actief bijdragen aan het verzamelen en delen van informatie over diverse watervraagstukken. Het gaat ook over financiële innovatie: het creëren van nieuwe verdienmodellen, in samenwerking met de markt en het maatschappelijk middenveld. 6. Data-gedreven werken In de afgelopen decennia is binnen het thema water en bodem digitalisering een steeds grotere rol gaan spelen. Niet alleen komen grote hoeveelheden data beschikbaar vanuit digitale processen, maar processen worden ook weer gevoed met data. Nieuwe technologische ontwikkelingen zoals kunstmatige intelligentie, machine learning, remote sensing en Business Intelligence tools maken het mogelijk deze data sneller en efficiënter te analyseren en te ontsluiten. Met data kunnen we een gemeenschappelijk en feitelijk beeld van onze omgeving schetsen, terugkijkend naar hoe het was, om ons heen kijkend hoe het is en vooruitkijkend naar wat gaat komen. Dit gedeelde beeld geeft draagvlak voor uit te voeren maatregelen. We kunnen met elkaar het verhaal delen over waar we naar toe willen. Maar uiteindelijk willen we vooral ook toewerken naar het ontdekken van nieuwe opties in beleid, op basis van data. Kunnen we op basis van het inzicht dat we uit data halen, komen tot ni

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.