Deze regeling beschrijft de arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren in dienst van de gemeente Den Haag en definieert belangrijke begrippen die daarbij komen kijken. Het is een herziene versie van eerdere regelingen.
1:1Begripsomschrijvingen 1.Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder: ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan; betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten; pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling; feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt; overwerk: werkzaamheden die de ambtenaar voor wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienstopdracht verricht boven de feitelijke arbeidsduur per week; werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige betrekking herberekende -salaris van de ambtenaar per maand; Zvw: de Zorgverzekeringswet; CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; UWO: Uitwerkingsovereenkomst; functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver; waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking; LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden; WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van
18, eerste lid, van de WAO; WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO; WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA; WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; Waz: Wet arbeid en zorg SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in
39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; WPA: de Wet privatisering ABP; FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in
2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in
6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; deeltijdbetreking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt; ZW: de Ziektewet; ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. salaris: maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens formele arbeidsduur; salaristoelagen: de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de inconveniëntentoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan de ambtenaar zijn toegekend en die tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging werden gerekend; functieschaal: de salarisschaal die bij een functie hoort; periodiek: het maandbedrag in een salarisschaal; salarisschaal: een reeks maandbedragen als opgenomen in de bijlage bij hoofdstuk 3 achterblijvende partner: weduwe, weduwnaar, geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar; vakantietoelage: jaarlijkse toelage van 8% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), hetgeen met ingang van 1 januari 2017 een vast onderdeel van het Individueel Keuze Budget vormt. Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd.
1:2Geen ambtenaar 1.Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs; het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel; de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig; de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in
231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid; de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid; hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in
7 van de Wet sociale werkvoorziening; de ambtenaar als bedoeld in
1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg. 2.Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad.
1:2:1 1.Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn
3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25a, 7:25b, en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. 2.Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing 3.Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. 4.Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.
1:2a Stageplaats 1.Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een stage-overeenkomst. 2.Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17 en
en 2:1A, 2:1B, 2:
2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP. Artkel1:2b Werkervaringsplaats 1.Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervaringsplaats aanbieden op basis van een werkervaringsovereenkomst. 2.Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17 en
en 2:1A, 2:1B en 2:4. 3.De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, voor een periode van maximaal 6 maanden. De werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal 6 maanden. 4.De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker centraal staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding. 5.Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald. 6.De medewerker is geen werknemer in de zin van
2:4 van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.
1:2cAanstelling op grond van banenafspraken In afwijking van
3:3 lid 1 kan het college salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. In afwijking van
3:3 lid 1 kan het college vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage van het salaris lager dan het wettelijk minimumloon, dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon. Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 1 gelden niet de in
3:28 lid 2, onderdelen a , b en c genoemde minimumbedragen. Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 2 gelden als minimumbedragen, de bedragen genoemd in
3:28 lid 2, onderdelen a, b en c naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor. Indien het college voor de in lid 2 genoemde ambtenaar loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen. 6a:7, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de levensloopbijdrage. 6. Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering het in
3:6, eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor. 7. Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de vakantietoelage het in de toelichting op
6:3, tweede lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor. 8. Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de levensloopbijdrage het in
6a:7 eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor. 9. Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen.
1:2DAanstellingen beschut werk
1:2d Aanstellingen beschut werk 1. Dit
is van toepassing op de ambtenaar ten aanzien van wie door het college is vastgesteld dat hij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in
10b van de Participatiewet, en die om die reden door het college is aangesteld. 2. Voor de ambtenaar geldt het volgende: a. de ambtenaar wordt aangesteld op basis van een aanstelling voor een bepaalde tijd van twaalf maanden, gevolgd door een aanstelling voor onbepaalde tijd; b. in afwijking van
3:3, eerste lid, geldt het salaris dat behoort bij schaal A, periodiek 0, volgens de bijlage bij hoofdstuk 3; c.
3:4 is niet van toepassing; d.
7:16 is niet van toepassing, met dien verstande dat als de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn huidige arbeid te verrichten nog wel in staat is om andere arbeid als bedoeld in het eerste lid te verrichten, de mogelijkheden daartoe worden onderzocht; e. paragraaf 5 van hoofdstuk 10d en de daarmee verband houdende
en in het Sociaal Beleidskader Den Haag 2015-2018 zijn niet van toepassing, met dien verstande dat bij ontslagverlening op grond van
8:3 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag een opzegtermijn van negen maanden in acht wordt genomen en dat zodanig ontslagverlening slechts kan plaatsvinden nadat de mogelijkheid van toepassing van het vierde lid van dit
is onderzocht; f. hoofdstuk 17 en de Regeling PVB-cyclus zijn niet van toepassing.
1:2c, nadat het heeft vastgesteld dat de mogelijkheden van de ambtenaar tot arbeidsparticipatie structureel zijn verhoogd waardoor hij niet meer uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in
10b van de Participatiewet.
1:3Toepassing 1.De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld. 2.Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt -met redenen omkleed -gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.
1:3a Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.
1:4:1Voorschriften en instructies Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen.
1:4:2Uitreiking van ARG 1.Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van
125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen. 2.Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken: de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt.
1:4:3 1.Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen 2.Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.
1:4:4Voordragen van belangen De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen.
1:5Omvang van de betrekking Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.
1:6Vrijstelling 1.In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van
2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van bovengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is. 2.De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden. 2Aanstelling en arbeidsovereenkomst
2:1Aanstelling; het bevoegd gezag Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college.
2:1AAanstelling in algemene dienst 1.De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. 2.Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van dit
. 3.De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van de gemeente.
2:1B 1.De ambtenaar is - nadat hij is gehoord - verplicht om in het belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. 2.Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de ambtenaar verplicht om: tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen; tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden; beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken. 3.Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij - onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen - daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.
2:2Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid 1.Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. 2.Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. 3.Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvordelijke gegevens. 4.De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens
3 van de Wet arbeid vreemdelingen.
2:3Aanstelling; geneeskundig onderzoek 1.Onverminderd
2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. 2.De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente.
2:4Duur van de aanstelling 1.De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd. 2.Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang van die dag als een aanstelling voor onbepaalde tijd. 3.Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden, geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde tijd. 4.Dit
is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. 5.In afwijking op de bepalingen in dit
geldt, ten aanzien van de deelnemers aan het traineeprogramma of diegenen die het traineeprogramma hebben afgerond met een voldoende of goede beoordeling, dat de termijn zoals genoemd in het tweede lid wordt gesteld op 48 maanden en het aantal in het derde lid op vier aanstellingen; - aan degenen die op het moment van inwerkingtreding van deze regeling het traineeprogramma hebben afgerond en aansluitend zijn aangesteld voor bepaalde tijd, kan ten hoogste tweemaal aansluitend een aanstelling voor bepaalde tijd worden verleend, voor een maximale duur van 24 maanden in totaliteit, voor zover het maximale aantal aanstellingen en de maximale termijn, genoemd in
2:4, zevende lid, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze regeling, niet wordt overschreden. Bericht 6.Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, geldt de aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf de dag waarop: a. de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan zes maandenhebben opgevolgd en een periode van 48 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden; b. meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes maanden. 7.Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal opvolgende aanstellingen is overschreden, worden alleen de aanstellingen in tijdelijke dienst in aanmerking genomen die zijn aangegaan na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.
2:4:1Bericht van aanstelling 1.De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de gegevens genoemd in
II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635); de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar; de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld: in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd; voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef; voor een project met een eenmalig en uniek karakter; hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming; als vakantiekracht; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot een of meer bepaalde groepen van werklozen; als werkzoekende in tijdelijke dienst. 2.Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld. 3.De mededeling als bedoeld in het zesde lid van
II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos
2:4:2Vacatures 1.De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet 2.Het bepaalde in het vorige lid van dit
is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente.
2:5Arbeidsovereenkomst 1.Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. 2.De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. 3.
125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.
2:5:1 Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in
2:5 zijn de
en 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.
2:5:2Minimum-urengarantie bij oproepkrachten De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.
2:5:3Inhoud oproepovereenkomst De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten: de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden; de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten; een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven; de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht; Een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim; indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van
8:13.
2:5:4Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht 1.De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in
2:5:2. 2.De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur. 3.Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht.
2:6Overgangsrecht Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van
2:4 (oud), wordt
2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling.
2:7Aanpassing arbeidsduur 1.Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen of de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uur van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 2.Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de werktijden aan te passen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. 3.Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan het college verzoeken tot aanpassing van zijn arbeidsplaats. 4.De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.
2:7a 1.Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. 2. - de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; - het salaris evenredig wordt verhoogd; - de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; - de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; - het IKB, bedoeld in
3:28 lid 2, onderdeel a evenredig wordt verhoogd; - het IKB, bedoeld in
3:28 lid 2, onderdeel b evenredig wordt verhoogd; - instemming van de ambtenaar is vereist; - de verkoop van vakantieuren op grond van
3:36 voor de duur van de verruiming niet is toegestaan 3.Wanneer lid 1 van dit
wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR. 4.Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.
2:8 (vervallen) Hoofdstuk3Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen § 1 Algemene bepalingen Functies en functiewaardering
3:1
3:2
3:3 Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de functieschaal. Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de functieschaal worden vastgesteld. Salarisverhoging
3:4 Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: de ambtenaar functioneert voldoende; de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet bereikt; er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie. Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen. Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging toekennen. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum vaststellen. Aanvullende voorwaarden salarisverhoging
3:4DH Als aan de voorwaarde, bedoeld in
3:4, eerste lid, onder a, niet is voldaan blijkens een vastgesteld verslag van het gesprek over de beoordeling als bedoeld in de Regeling PVB-cyclus, blijft salarisverhoging achterwege, met schriftelijke kennisgeving aan de betrokken ambtenaar. Salarisverhoging op grond van
3:4, eerste lid, blijft achterwege als de ambtenaar gedurende het voorafgaande jaar volledig arbeidsongeschikt is geweest, met schriftelijke kennisgeving aan de betrokken ambtenaar. Een extra periodieke salarisverhoging als bedoeld in
3:4, derde lid, kan worden toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: de ambtenaar functioneert uitstekend blijkens een vastgesteld verslag van het gesprek over de beoordeling als bedoeld in de Regeling PVB-cyclus; de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet bereikt; er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie. Verlaging salarisschaal
3:5 Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een grond aanwezig is. In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het salaris. In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van
7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het salaris. In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal plan of sociaal statuut. Inpassing in hogere schaal
3:6 De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat, recht op een hoger salaris. Aanvullende bepalingen inpassing in hogere schaal
3:6DH Als de ambtenaar door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, wordt het salaris verhoogd tot het naasthogere bedrag in die salarisschaal. Als de ambtenaar door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, wordt het salaris verhoogd tot het salaris dat direct volgt op het naasthogere salaris in de hogere salarisschaal als: de verhoging, bedoeld in het eerste lid, minder dan 75% bedraagt van het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het naasthogere salaris in dezelfde schaal, of de ambtenaar reeds het maximum van de salarisschaal heeft bereikt en de verhoging, bedoeld in het eerste lid, minder dan 75% bedraagt van het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het naastlagere salaris in dezelfde schaal. Bij overgang naar een hogere salarisschaal door promotie kan een hoger salaris als bedoeld in het eerst of tweede lid worden toegekend als bedoeld in het eerste of tweede lid worden toegekend als daartoe aanleiding bestaat. Uitloopschaal
3:7 (niet van toepassing) § 3 Salaristoelagen Functioneringstoelage
3:8 Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage toekennen. De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze opnieuw worden toegekend. De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris. Aanvullende bepalingen functioneringstoelage
3:8DH Het oordeel over het functioneren of de prestaties van een ambtenaar, bedoeld in
3:8, eerste lid, dient te zijn vastgelegd in een vastgesteld verslag van het gesprek over de beoordeling als bedoeld in de Regeling PVB-cyclus. Voor de toepassing van
3:8 wordt onder “zeer goed” hetzelfde verstaan als onder “uitstekend”. Arbeidsmarkttoelage
3:9 Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan personeel. De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld, met een maximum van 3 jaar. De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris. Aanvullende bepalingen arbeidsmarkttoelage
3:9DH Als de toelage, bedoeld in
3:9, eerste lid, wordt toegekend om de ambtenaar te behouden, dient deze reden te zijn vastgelegd in een vastgesteld verslag van het gesprek over de beoordeling als bedoeld in de Regeling PVB-cyclus. Waarnemingstoelage
3:10 Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen functie. Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij de start van de waarneming in de hogere schaal zou zijn ingedeeld. Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid toegekend. Toelage onregelmatige dienst
3:11 De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week: -maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20%; -maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur: 40%; -zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40%; -zondag en op de feestdagen genoemd in
4:5, derde lid, tussen 0.00 en 24.00 uur: 65%. Het uurloon is voor de toepassing van dit
maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 6. De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in het eerste lid genoemde tijdvakken heeft gewerkt. Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding worden uitbetaald. Aanvullende bepalingen toelage onregelmatige dienst
3:11DH In geval van ziekte wordt een periodieke toelage als bedoeld in
3.11 doorbetaald ter grootte van hetgeen gemiddeld in de voorafgaande twaalf volle kalendermaanden is genoten. Buitendagvenstertoelage
3:12 De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster, heeft recht op een buitendagvenstertoelage. De buitendagvenstertoelage bedraagt: -50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur; -75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag; -100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in
4:5, derde lid. De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage. Toelage beschikbaarheidsdienst
3:13 De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaarheidsdienst. De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in
4:5, derde lid. Het uurloon is voor de toepassing van dit
maximaal gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 7. Aanvullende bepalingen toelage beschikbaarheidsdienst
3:13DH In geval van ziekte wordt een periodieke toelage als bedoeld in
3.13 doorbetaald ter grootte van hetgeen gemiddeld in de voorafgaande twaalf volle kalendermaanden is genoten. Inconveniëntentoelage
3:14 Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke arbeid. Garantietoelage
3:15 Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen. Afbouwtoelage
3:16 De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien: -hij de toelage(
3:17 De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in
15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht. De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar. Overwerkvergoeding
3:18 De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden, heeft recht op een overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige dienst worden uitbetaald. De overwerkvergoeding bestaat uit: verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar: -100% voor overwerk op een zondag of feestdag tussen 0:00 en 24.00 uur; -75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur; -75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur; -50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur; -50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur; -25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur. Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede lid onder b. De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een overwerkvergoeding. De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding. Ambtsjubileum
3:19 Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever. Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(
8:3 of 8:4 en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de maatgevende maand aangemerkt. Herinneringsinsigne
3:19DH Wegens langdurige trouwe gemeentedienst kan het college aan de ambtenaar een herinneringsinsigne toekennen. De in het eerste lid bedoelde herinneringsinsigne bestaat bij: -25-jarige gemeentedienst uit een in goud uitgevoerde insigne; -40-jarige gemeentedienst uit een in goud uitgevoerde insigne voorzien van een briljant; -50-jarige gemeentedienst uit een in goud uitgevoerde insigne voorzien van twee briljanten. De ambtenaar aan wie functioneel leeftijdsontslag is verleend, kan slechts voor een insigne in aanmerking komen, indien hij bij aanblijven tot de 65-jarige leeftijd een gemeentelijke diensttijd van ten minste 25 jaar zou hebben volbracht. Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties
3:20 Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere prestaties. Reis- en verblijfkostenvergoeding
3:21 Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse tarief. Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer
3:22 Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer toekennen. Overlijdensuitkering
3:23 Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de ambtenaar. Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen – een overlijdensuitkering, die bestaat uit: driemaal het laatst genoten salaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%. Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de dienst
3:24 Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige kinderen. De uitkering bedraagt één jaarsalaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden. Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid genoemde uitkering. Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. Overgangsrecht hoofdstuk 3 met toelichting per 1 januari 2016
3:27
3:
1 van het overgangsrecht en de tijdelijke toelagen met een schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom afgesproken om medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het dienstverband ongewijzigd bestaan. De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee verschillende soorten toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men in de tijd achter elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is een vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt, bijvoorbeeld een extra eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2 is lastiger te bepalen, omdat deze voor iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of toeslag of vergoeding die in de lokale bezoldigingsverordening is opgenomen. En niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of rooster. Om de TOR 2 te kunnen bepalen is afgesproken 2014 als refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is dat 2014 een recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is duidelijk wat aan onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk is gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014 geldende (lokale) regels. De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van het nieuwe hoofdstuk
3:
in hoofdstuk 3 de oude regeling op te nemen. Paragraaf5 Individueel Keuzebudget
3:27 Algemeen De ambtenaar heeft recht op een Individueel Keuzebudget, hierna te noemen: IKB. Het college Het IKB is een maandelijks, in geld uitgedrukt budget dat de ambtenaar naar keuze kan gebruiken voor de doelen, genoemd in
3:29, op de wijze zoals vastgelegd in deze paragraaf.
:28 Opbouw IKB 1.Het IKB wordt per maand opgebouwd en bestaat uit een deel waarover pensioen wordt opgebouwd en een deel waarover geen pensioen wordt opgebouwd. 2.Het deel van het IKB waarover pensioen wordt opgebouwd bedraagt: a. 8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris vermeerderd met de salaristoelagen genoemd in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en b. 6% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 145,83 bij een volledig dienstverband, en c. 1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig dienstverband. 3.Het deel van het IKB waarover geen pensioen wordt opgebouwd bedraagt: a. 0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, en b. indien en voor zolang hoofdstuk 9a van toepassing is op de ambtenaar, 1% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit voor maximaal 20 jaar geldt, tenzij
9a:9 lid 1, onderdeel b van toepassing is. 4.Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(
7:3 lid 2 tot en met 4 dan wordt, in afwijking van lid 4 van dit
, het IKB in die maand berekend op basis van het volledige salaris en toegekende salaristoelage(n). 6.Het college kan bronnen toevoegen aan het IKB. Een bron kan zijn een persoonlijk budget, voor zover dat in de gemeente bestaat en niet is opgenomen in de TOR zoals omschreven in paragraaf 7 van hoofdstuk 3. 7.Op de ambtenaar bedoeld in
9b:1 is lid 2, onderdeel c van dit
niet van toepassing. De vorige volzin geldt niet voor de ambtenaar bedoeld in
9b:50.
3:29 Doelen IKB De ambtenaar kan het IKB gebruiken voor: het kopen van vakantie-uren, tot een maximum van vier maal de aanstellingsduur per week gedurende het kalenderjaar; extra inkomen door uitbetaling van het IKB tot een maximum van het tot aan de datum van uitbetaling opgebouwde IKB; het financieren van een opleiding, indien en voor zover deze niet door de gemeente wordt vergoed en de geldende fiscale regelgeving de besteding van het IKB aan dit doel belastingvrij mogelijk maakt. Het college kan de bestedingsdoelen zoals omschreven in lid 1 aanvullen.
3:29DH Aanvulling doelen IKB In aanvulling op
3:29, eerste lid kan de ambtenaar het IKB gebruiken voor: de aanschaf van een fiets voor het woon-werkverkeer, met de aanschaf van vakliteratuur; een fiscaal onbelaste aanvullende vergoeding voor de reiskosten van woon-werkverkeer; het voldoen van vakbondscontributies; bedrijfsfitness die plaatsvindt bij de gemeente Den Haag in een fitnessruimte die de gemeente voor alle ambtenaren heeft aangewezen. De ambtenaar kan ten hoogste eenmaal per vijf jaar het IKB gebruiken voor aanschaf van een fiets, bedoeld in het eerste lid, onder a. Voor met de fiets samenhangende zaken kan het IKB worden ingezet tot een bedrag van € 82,- per jaar. 3. De aanvullende vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onder c, kan slechts als doel wordengekozen als de ambtenaar met een voltijds dienstverband in het kalenderjaar waarop hetverzoek betrekking heeft, minimaal 128 dagen van zijn woonplaats naar de plaats vantewerkstelling en vice versa reist, ongeacht de wijze van vervoer. In geval van een deeltijdsdienstverband bedraagt het minimale aantal dagen: 128, vermenigvuldigd met een breukwaarvan de noemer 5 is en de teller het aantal dagen per week waarop woon-werkverkeer doorde ambtenaar plaatsvindt. Onder woon-werkverkeer, woonadres en plaats van tewerkstellingwordt verstaan hetgeen daarover in de Regeling mobiliteitsbudget woon-werkverkeer DenHaag is vastgelegd. 4.De aanvullende vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt vastgesteld overeenkomstig
3 van de Regeling mobiliteitsbudget woon-werkverkeer Den Haag, met dien verstande dat: in afwijking van het tweede lid van voorgenoemd
geen vermindering plaatsvindt met alle kilometers boven het aantal van 30, in afwijking van het vierde lid van voornoemd
het daarin bedoelde berekeningsresultaat wordt vermenigvuldigd met de fiscaal vrijgestelde vergoeding per kilometer en c. het mobiliteitsbudget dat de ambtenaar in dat jaar ontvangt uit hoofde van voornoemde regeling, in mindering wordt gebracht op het uiteindelijk resultaat van de berekening. 5.Bij afwezigheid van de ambtenaar gedurende een aaneengesloten periode van meer dan vier volledige weken wegens ziekte, disciplinaire maatregel, ordemaatregel, non-activiteit of verlof anders dan vakantie, kan het IKB vanaf die datum niet worden gebruikt voor het bestedingsdoel, bedoeld in het eerste lid, onder c, totdat de ambtenaar weer aanwezig is. 6.Bij gebruikmaking van het IKB voor een of meer doelen als genoemd in het eerste lid verstrekt de ambtenaar de daarop betrekking hebbende informatie.
:30 Gebruik IKB 1.De ambtenaar kan elke maand een keuze maken om zijn IKB te gebruiken voor één of meerdere van de in
3:29 en in 3:29DH genoemde doelen. Hij heeft voor deze keuze geen toestemming nodig. 2.Het college wijst in verband met de salarisverwerking voor elke maand een uiterste datum aan waarop de ambtenaar zijn keuze kenbaar moet maken. 3.Als de ambtenaar geen keuze maakt, of bij zijn keuze slechts een deel van zijn IKB gebruikt, dan wordt het IKB over die maand, of het resterende deel daarvan, gereserveerd. De ambtenaar kan het gereserveerde IKB op een later moment in het lopende kalenderjaar besteden. 4.Heeft de ambtenaar na de sluitingsdatum van de salarisverwerking in december nog een resterend IKB dan wordt dit bij de salarisbetaling van die maand uitbetaald. 5.Besteding van het IKB kan alleen voor zover het beschikbare budget toereikend is. De keuze voor een doel heeft uitsluitend betrekking op hetzelfde kalenderjaar. 6.Bedragen die uit het IKB zijn gebruikt, kunnen niet meer worden teruggestort in het IKB.
:30DH Uiterste bevestigingsdatum in een maand Ter invulling van
3:30 tweede lid geldt voor de gemeente Den Haag de 7e dag van iedere kalendermaand als uiterste datum om zijn keuze voor het gebruik van het IKB via het daarvoor bestemde digitale systeem te bevestigen.
:31 Waarde van een vakantie-uur Als de ambtenaar kiest voor het kopen van vakantie-uren dan wordt het IKB per vakantie-uur verlaagd met het voor de ambtenaar geldende uurloon in de maand waarin hij de vakantie-uren koopt.
3:33 Wet- en regelgeving Het gebruiken van het IKB kan gevolgen hebben voor loonheffingen, pensioen en sociale verzekeringen. De ambtenaar wordt geacht deze gevolgen te kennen. Als blijkt dat een bedrag uit het IKB ten onrechte belastingvrij is uitgekeerd doordat de ambtenaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, verhaalt het college de verschuldigde loonheffing of eventuele boetes op de ambtenaar. Als een netto voordeel voor de ambtenaar vervalt door wijzigingen in wet- en regelgeving, dan wordt dat niet gecompenseerd door het college. Alle transacties in het IKB moeten in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving.
3:34 Vakantietoelage 2016 De vakantietoelage die de ambtenaar heeft opgebouwd in de periode van juni 2016 tot en met december 2016 op grond van
6:3 zoals dat gold op 31 december 2016, wordt uitbetaald bij de salarisbetaling van mei 2017. Dit bedrag maakt geen onderdeel uit van het IKB. Indien de ambtenaar ontslag verleend wordt voor 1 mei 2017 dan wordt de opgebouwde vakantietoelage over 2016 uitbetaald bij de laatste salarisbetaling.
:35 Overige bepalingen Voor de ambtenaar die werkzaam is in de kunsteducatie en op wie
19b:10 van toepassing is, is
3:28, lid 3, niet van toepassing. Paragraaf6Overige individuele keuzemogelijkheden
3:36 Verkoop van vakantie-uren 1.De ambtenaar kan elk kalenderjaar een verzoek doen om ten hoogste 72 uren bovenwettelijk vakantieverlof te verkopen. Bij een deeltijd dienstverband wordt dit aantal naar rato vastgesteld. 2.Vakantie-uren die de ambtenaar heeft gekocht op grond van
3:29 lid 1, sub a kunnen niet worden verkocht op grond van dit
. 3.Een verzoek als bedoeld in lid 1 wordt toegewezen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 4.Het college kan regels stellen over de aanvraagprocedure. 5.Het bepaalde in
3:31 is van overeenkomstige toepassing. 4Arbeidsduur en werktijden
4:1. 1.Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden
4:2 De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het dagvenster. Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00 uur. De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende jaar. Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het college; de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven; de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken. Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de werktijden aangepast worden. De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden. Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof. De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als bedoeld in
3:12. Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in
4:5 van overeenkomstige toepassing. Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk. Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in
3:12.
3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan afwijken. Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden. Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden
4:3 Werkingssfeer Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd eenzijdig wordt vastgesteld door het college. Bijzondere regeling
4:4 Vaststelling werktijden Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college deze vast in een rooster. Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht genomen: De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar. De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een toelage onregelmatige dienst wordt ontweken.
4:5 Werken op zon- en feestdagen De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. Hetgeen in dit
ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd. Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit
ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten Het bepaalde in dit
vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.
4:6 Indien door de ambtenaar, bedoeld in
3:11, arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.
4:7 Nadere regels Het college kan ter uitvoering van de
en 4:1 tot en met 4:6 nadere regels stellen. Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters
4:8 De
en 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster. Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit
een werktijdenregeling vast. Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden. Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid
4:9 Voor de toepassing van dit
wordt verstaan onder: opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid; kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode. De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan. In geval van ontslag op grond van
8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. In geval van ontslag op grond van
8:3, 8:6, 8:7, 8:8, of 8:10 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. In geval van ontslag op grond van
8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed. In geval van ontslag op grond van
8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid. In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van
8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed. Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. 5Seniorenmaatregelen (Vervallen per 1 april 2012, zie ledenbrief LOGA ECCVA/U201100883 van 30 januari 2012) §1FPU Gemeenten
5a:1Recht op uitkering De ambtenaar die: ontslag wordt verleend op grond van
8:11 en geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld, heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever.
5a:2Berekeningsgrondslag 1.In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat. 2.Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in
1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever.
5a:3Hoogte van de Aanvulling werkgever 1.De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt: Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005 Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd 56 6,9 57 8,0 58 9,4 59 11,3 60 14 61 of ouder 16 2.De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd. 3.De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.
5a:4Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten 1Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar
5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. 2Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar
5a:4b, eerste lid. 3De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren: vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden; na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden; Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.
5a:4aAftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten 1Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar
5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar. 2Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar
5a:4b eerste lid. 3De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren vóór of op 1 april 1947: 60 jaar na 1 april 1947: 61 jaar
5a:4bAftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten. 1.Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van: de FPU-uitkering; de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van ; de berekeningsgrondslag zoals genoemd in , eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van ; de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking. 2.De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag. 3.De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van . 4.Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement. 5.Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens
9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing van dit
uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering.
5a:5Einde van het recht op een Aanvulling werkgever Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van
8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling.
5a:6Pensioenopbouw De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten een Vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van
8:11.
5a:7Lokaal beleid Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.
5a:8 (vervallen) §2Pensioenopbouw bij afloop loopbaan
5a:9 Indien de ambtenaar op grond van
3:1, zevende lid, bij dezelfde of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling. 6Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof
6:1Vakantie In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van bezoldiging.
6:1:1 1.De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge
6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in
6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan
6:2:6. 2.De vakantie wordt verleend door het college.
6:2 1.De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Hiervan is 144 uur per kalenderjaar wettelijk verlof. 2.Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum. 3.Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.
6:2a Vervaltermijn wettelijkverlof 1.Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen , vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest. 2.Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.
6:2bVerjaringstermijn bovenwettelijk verlof Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat kalenderjaar.
6:2:1 1.Met inachtneming van het bepaalde in
6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie. 2.De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd. 3.Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is. 4.De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de
en 3:3 en 3:3:1, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in
3:3:1 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust. 5.In gevallen waarin dit
niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast. 6.In afwijking van het gestelde in
6:2 wordt, met ingang van de dag waarop de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar op grond van
5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd en vervalt het recht op vermeerdering van vakantie als bedoeld in het derde lid van dit
. 7.Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het derde lid van dit
vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in hoofdstuk 5a.
6:2:2 1.De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend. 2.De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiele feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in
4:2:1, derde lid, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing. 3.De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.
6:2:3Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid 1.De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn betrekking vervult. 2.Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking vervult, wordt de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde lid. 3.Onverminderd het bepaalde in
6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoelding het tweede lid, niet toegepast: a. gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling; b. gedurende afwezigheid wegens ziekte. 4.Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest. 5.Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.
6:2:4 1.Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend. 2.Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in
6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.
6:2:5 1.Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren. 2.Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.
6:2:6 1.Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend: op verzoek van de ambtenaar; als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren. 2.De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen. 3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens
6:2:1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.
6:2:7 Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn betrekking zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.
6:3:1 1.De vakantietoelage, bedoeld in
6:3, wordt eenmaal per kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar. 2.
6:3, alsmede het eerste lid van dit
zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk is gesteld in de zin van
9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst; Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van
9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage -mits dit hoger is -dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging. 3.Bij de toepassing van dit
wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is bepaald.
8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. 4.Met betrekking tot de uitvoering van dit
kunnen burgemeester en wethouders nadere regels stellen.
6:4Buitengewoon verlof 1.De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging. 2.In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van de bezoldiging kan worden verleend. 3.In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van
12:1, derde lid, toegelaten organisatie. 4.In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vutfonds bijdrage als bedoeld in
21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.
6:4:1 1Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken. 2De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.
6:4:1aLangdurend zorgverlof 1De ambtenaar die op grond van deWaz recht heeft op langdurend zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn bezoldiging. 2Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats. 3De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging. 4De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof. 5Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd. 6De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd in het eerste lid. 7Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.
6:4:2Vakbondsverlof 1.Voor de toepassing van dit
worden verstaan onder: Centrales van overheidspersoneel: de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP); de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs personeel (CCOOP); de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF). Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel. 2.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar: voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad; voor het bijwonen van een algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt. 3.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend : a. om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen - om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar; - als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers; - als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een arbeidsvoorwaardenadviseur b. voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren. 4.Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd. 5.Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten. lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale. Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, naar evenredigheid verminderd. 6.Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b. 7.Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in
12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in
12:1, tweede lid. 8.Het college kan omtrent het bepaalde in dit
nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.
6:4:2aKortdurend zorgverlof (vervallen)
6:4:3 1.De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz. 2.Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd. 3.Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar. 4.Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in
6:2 is mogelijk
6:4:4Non-activiteit 1.Bij non-activiteit, bedoeld in
125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging en vakantietoelage. 2.Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in
125c, tweede lid, Ambtenarenwet, aanspraak heeft op een vaste vergoeding -niet zijnde een onkostenvergoeding -wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat
lid verleende verlof geniet een Inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven. 3.Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.
6:4:5Overige redenen buitengewoon verlof Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van de gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in
6:4 tot en met
6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.
6:4:5a 1Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren. 2Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in
21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.
6:4:6Buitengewoon verlof is geen vakantie Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.
6:5Ouderschapsverlof 1.De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn bezoldiging. 2.Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt bezoldigd volgens: schaal 1: 90% schaal 2: 85% schaal 3: 80% schaal 4: 70% schaal 5: 60% schaal 6 en hoger: 50% 3.Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen. 4.Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof is
6:9 niet van toepassing. 5.De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt opgeschort.
6:5:1 is Vervallen
6:5:2Meerlingen 1.Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak betaald ouderschapsverlof. 2.De bepalingen uit
6:5:1, 6:5:3, 6:5:4, en 6:5:7 zijn van overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.
6:5:3 is vervallen
6:5:4Opbouw vakantie en vakantie-toelage 1.De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof. 2.Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beeindigd. 3.De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald. 4.Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.
6:5:5Terugbetaling 1.De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van
8:1, eerste lid, of
8:13, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van
6:5 heeft genoten, terug te betalen. 2.Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in
8:1, eerste lid: het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij een andere gemeente; en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen. 3.De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een betrekking aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van
6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen. 4.De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.
6:5:6 (vervallen)
6:5:7 Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.
6:5aOvergangsrecht ouderschapsverlof 1.De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, berekend naar een percentage bepaald in het tweede en derde lid, indien: hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die jonger zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen ouderschapsverlof is genoten, en hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van de gemeente. 2.De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van 75% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt. 3.De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1, 2 of 3 van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van respectievelijk 90%, 85% of 80% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt. 4.Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen. 5.Over de uren waarop de ambtenaar betaald ouderschapsverlof geniet wordt het bedrag van de bezoldiging, berekend op grond van het tweede en derde lid, verminderd met het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken. 6.Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is
6:9 niet van toepassing.
6:5a:1 Op de ambtenaar die gebruikmaakt van het overgangsrecht betaald ouderschapsverlof zijn de
en 6:5:1 tot en met 6:5:7 van overeenkomstige toepassing.
6:6 -vervallen -
6:7Zwangerschaps- en bevallingsverlof 1.De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Waz zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige bezoldiging. 2.De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft. 3.De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV. 4.Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Wazuitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.
6:8Adoptie- en pleegzorgverlof 1.De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging. 2.De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft. 3.De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV. 4.Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht. 5.Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in
7:3, niet op.
6:9Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloopregeling 1De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden. 2De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof. 3Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden. 4Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan. 5De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend. 6Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college. 7Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.