Obsah (6)
Artikel3Artikel4Artikel5Artikel6Artikel7Artikel8wet bestuursrecht en de nazorgbepalingen voor stortplaatsen in paragraaf 8.2 van de Wet milieubeheer bekend dat zij in hun vergadering van 14 maart 2023 het volgende besluit hebben genomen: Gedeputeer
Artikel3
Baggerspeciestortplaatsen Gedeputeerde Staten beoordelen een nazorgplan voor een baggerspeciestortplaats aan de hand van de Checklist 2022 baggerdepots. Deze checklist is te vinden via de link: http://www.nazorgstortplaatsen.nl/WM/IPOChecklisten.
Artikel4
Rekenmodel Gedeputeerde Staten berekenen het doelvermogen voor een afvalstortplaats of baggerspeciestortplaats aan de hand van het rekenmodel RINAS versie 4.1 en 4.2 (prijspeil 2022), gevalideerd op 10 juli 2022 met het prijspeil van 2022. Dit rekenmodel inclusief handleiding is te vinden via de link: http://www.nazorgstortplaatsen.nl/WM/RINAS.
Artikel5
Risicomodel Gedeputeerde Staten hanteren bij de berekening van het risicobedrag voor een afvalstortplaats en baggerspeciestortplaats het risicomodel @RISK. Dit risicomodel inclusief handleiding is te vinden via de link: http://www.nazorgstortplaatsen.nl/WM/Risicomodel.
Artikel6
Sluitingsverklaring Gedeputeerde Staten hanteren voor het doorlopen van het sluitingsproces en het afgeven van een sluitingsverklaring de ‘Handreiking sluiting stortplaatsen en baggerdepots’. Deze handreiking is te vinden via de link: http://www.nazorgstortplaatsen.nl/WM/Achtergronddocumenten.
Artikel7
Herontwikkeling (gesloten) stortplaatsen Gedeputeerde Staten hanteren voor het herontwikkelen van (gesloten) stortplaatsen de ‘Notitie herontwikkeling (gesloten) stortplaatsen’. Deze notitie is te vinden via de link: http://www.nazorgstortplaatsen.nl/WM/Achtergronddocumenten.
Artikel8
Intrekking De Beleidsregels nazorg stortplaatsen en baggerdepots Provincie Limburg 2018 worden ingetrokken. Artikel9Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij worden geplaatst. Artikel10Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels nazorg stortplaatsen en baggerdepots Provincie Limburg 2023. Maastricht, d.d. 14 maart 2023Gedeputeerde Staten voornoemdde voorzitter, de heer E.G.M. Roemersecretaris,de heer mr. P.M. DíezBijlageIPO Checklist stortplaatsen 1 Inleiding 1.1 Inleiding Op 1 april 1998 is de nazorgregeling voor stortplaatsen van de Wet milieubeheer (Wm) in werking getreden. De nazorgregeling bepaalt dat de provincies organisatorisch en financieel verantwoordelijk zijn voor de nazorg van die stortplaatsen waar, op of na 1 september 1996, ‘droog’ afval en baggerspecie is gestort. Voor het bepalen van de nazorginspanning en voor het berekenen van de nazorgkosten van een stortplaats dient de provincie een nazorgplan, opgesteld door de exploitant, te hebben goedgekeurd. Als hulpmiddel voor de toetsing van een nazorgplan en de berekening van het doelvermogen zijn de Checklist nazorgplannen stortplaatsen en de Checklist nazorgplannen baggerdepots opgesteld. De Checklisten en de daarin opgenomen tarieven en bedragen worden in principe eenmaal per vijf jaar geactualiseerd, of later afhankelijk van nieuwe kennis en inzichten. De Checklisten worden door de interprovinciale werkgroep nazorg en BOOG behandeld en worden vervolgens als advies aan de provincies verzonden die de Checklist daarna vaststellen als beleidsdocument, óf de Checklisten hanteren als hulpmiddel voor toetsing van nazorgplannen. De huidige versie van de Checklisten is in 2014 vastgesteld en dient geactualiseerd te worden. Royal HaskoningDHV heeft opdracht gekregen de twee Checklisten te actualiseren. 1.2 Doelstelling Doelstelling van de actualisatie is het aanpassen van de huidige Checklist waarin de richtlijnen voor de nazorg van stortplaatsen zijn vastgelegd, op basis van nieuwe kennis en inzichten. Daarbij dient de Checklist: Voor de exploitant van een stortplaats ondersteuning te bieden bij het opstellen van een nazorgplan; Een gedegen beoordeling mogelijk te maken van zowel de omvang als de kwaliteit van de aangeleverde informatie in die nazorgplannen; Voor het bevoegd gezag een handreiking te bieden voor de toetsing van nazorgplannen; Voor het bevoegd gezag een pakket van standaardwaarden (frequenties, eenheidsprijzen, etc.) te geven voor vaststelling van de omvang en kosten van te verrichten nazorgactiviteiten ten behoeve van het doelvermogen. In het geval standaardwaarden niet toepasbaar zijn, worden criteria gegeven voor beoordeling van de locatie specifieke invulling van nazorgactiviteiten. 1.3 Leeswijzer Dit document betreft de Checklist voor afvalstortplaatsen. In deze Checklist wordt hiervoor de term ‘stortplaatsen’ gehanteerd. Voor nazorgplannen van stortplaatsen voor baggerspecie is een separate Checklist beschikbaar. De Checklist stortplaatsen bestaat uit de hoofdtekst met daarin een toelichting op de uitgevoerde actualisatie, achtergronden, en de hoofdindeling van de Checklist. Er zijn vier bijlagen opgenomen, die het hoofdbestanddeel van de Checklist zijn en respectievelijk inhouden: Bijlage 1: Een toelichting op de Checklist per rubriek/onderdeel; Bijlage 2: Een overzicht van frequenties en eenheidsprijzen; Bijlage 3: Beschikbare informatie over leeglooptijd en nalevering percolaat; Bijlage 4: Een overzicht van ontwikkelingen over de levensduur van afdichtingsmaterialen. 2 Achtergrond 2.1 Inleiding De actualisatie is in 2022 uitgevoerd. Bij de start van de actualisatie is een vragenformulier voorgelegd aan deskundigen op het gebied van inrichting en nazorg van stortplaatsen. Hieronder vallen bevoegde gezagen, exploitanten, en adviesbureaus. Reacties per mail zijn ontvangen van drie provincies en van exploitanten, via de VA en 2 afzonderlijk. Reacties via de enquête zijn ontvangen van 6 provincies, van 1 adviesbureau, van exploitanten via de VA, van exploitanten via adviseurs en van 2 exploitanten zelfstandig. De actualisatie is uitgevoerd na bespreking in de begeleidingscommissie (zie Hoofstuk 6). De antwoorden zijn in een notitie opgenomen (Actualisatie IPO Checklisten 2022, Resultaten enquête, BI2026-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001, 4 maart 2022) en 10 maart 2022 in de begeleidingscommissie besproken. De resultaten van de enquête en de ontvangen informatie zijn in de actualisatie betrokken. 2.2 Wet- en regelgeving De Wet milieubeheer en de Omgevingswet De sluiting en nazorg van stortplaatsen is in Nederland geregeld in hoofdstuk 8, paragraaf 8.2 van de Wet milieubeheer. Hierin worden nadere regels gesteld aan de nazorg, die van belang zijn bij het bepalen van de nazorgactiviteiten. In Titel 15.11, Financiering van de zorg voor gesloten stortplaatsen, wordt de financiering van de nazorg geregeld. Deze regelgeving gaat niet over naar de Omgevingswet. Het begrip “Inrichting” uit de Wet Milieubeheer vervalt op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. In plaats daarvan wordt in deze Checklist het begrip nazorggebied gebruikt. Crisis en herstelwet Via de Crisis- en herstelwet zijn de experimenten in het kader van duurzaam stortbeheer juridisch mogelijk gemaakt (Besluit inwerkingtreding artikel III 3e tranche Cisis en Herstel Wet 23-5-2016, Stortbesluit Bodembescherming HIIIa en Wijziging Uitvoeringregeling Stortbesluit bodembescherming 3-6- 2016). Zie verder onder “Green deal duurzaam stortbeheer”. Het Stortbesluit bodembescherming en de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming Het Stortbesluit bodembescherming en de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming gaan over in de Omgevingswet- en regelgeving (https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/totstandkoming/hoofdlijnen-invoeringsbesluit/#h98b39c46-29f0- e832-0800-14330b2cb1df). Artikel 39D Wet bodembescherming niet van toepassing voor deze Checklist Het is mogelijk dat bij een stortplaats een bodemverontreiniging aanwezig is of gesaneerd is waarvoor een nazorgplan is beschikt volgens art. 39d van de Wbb (valt onder de Omgevingswet onder het overgangsrecht). Deze Checklist ziet niet toe op een nazorgplan in dit kader. Activiteitenbesluit paragraaf 3.2.1.en Activiteitenregeling artikel 3.7b lid 2 Dit betreft respectievelijk keuring van stookinstallaties en eisen voor emissiemetingen, van toepassing op verwerking van stortgas. Deze regelgeving gaat op in de omgevingswet. Besluit bodemkwaliteit De werkzaamheden op of in de bodem, die worden gedaan bij de nazorg van stortplaatsen vallen formeel ook onder hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit. Niet alle bepalingen van het huidige Besluit bodemkwaliteit zijn onderdeel geworden van de Omgevingswet (de zogenaamde ‘knip’ tussen plaatsgebonden en niet plaatsgebonden regels). Alleen de regels voor het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie (de zogenaamde plaatsgebonden regels) zijn ingebouwd in regelgeving onder de Omgevingswet. Deze regels richten zich tot de initiatiefnemer en zijn als milieubelastende activiteiten opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Eisen aan andere normadressanten en product gerelateerde eisen vallen niet onder de scope van de Omgevingswet en blijven daarom achter in het Besluit bodemkwaliteit en de onderliggende Regeling bodemkwaliteit 2021. Het gaat om niet-plaatsgebonden regels die zich richten tot de producent, importeur, transporteur, handelaar van bouwstoffen en de regels die zich richten tot degene die onderzoeken verrichten en milieuverklaringen afgeven voor bouwstoffen, grond en baggerspecie. Daarnaast blijven ook de regels voor de kwaliteitsborging (zogenoemde kwalibo-regels, zie paragraaf 2.4) in het Besluit bodemkwaliteit staan. 2.3 Overige relevante ontwikkelingen en informatie Modernisering Stortbesluit bodembescherming Er is door overheden en de branche verenigingen in het verleden nagedacht en gesproken over modernisering van het Stortbesluit. Deze modernisering is nog niet tot stand gekomen. Het Stortbesluit en de daaraan verbonden regelgeving en richtlijnen zijn ongewijzigd. Specifiek is veel aandacht gegeven aan aanpassing van analysepakketten. Het Stortbesluit voorziet echter al in de mogelijkheid van stortspecifieke aanpassing van analysepakketten. Green deal Duurzaam stortbeheer Op 16 juli 2018 is de Green Deal Duurzaam Stortbeheer gepubliceerd. Partijen verenigd in de Green Deal Duurzaam Stortbeheer willen onderzoeken hoe zij de emissie van schadelijke stoffen en de kosten voor nazorg van stortplaatsen kunnen beperken. Uit eerdere onderzoeken bleek dat gedoseerde toevoeging van lucht en water natuurlijke afbraakprocessen en vastlegging van stoffen bevordert. Om dat op grote schaal te testen zijn drie stortplaatsen aangewezen als pilotlocatie: Wieringermeer, Braambergen en De Kragge. Op deze stortplaatsen zijn verduurzamingsexperimenten in uitvoering en indien nodig uitstel van aanleg van bovenafdichtingen mogelijk gemaakt. Daarnaast zijn er de Potentieel Duurzaam Stortbeheer (PDS)-locaties. Dit zijn stortplaatsen die bij een succesvol verloop van het experiment in aanmerking komen voor duurzaam stortbeheer. Zij krijgen eveneens (indien nodig) gedurende de looptijd van het experiment uitstel voor het aanbrengen van een bovenafdichting. Het uiteindelijke doel is om op basis van de onderzoeksgegevens te komen tot een wettelijke regeling waarin duurzaam stortbeheer verankerd is en de aanleg van een bovenafdichting niet meer nodig is. Daarna kan er voor de nazorg vanuit worden gegaan dat er voor succesvol verduurzaamde locaties geen bovenafdichting meer aanwezig hoeft te zijn bij sluiting. Handreiking sluiting De Handreiking sluiting stortplaatsen en baggerspeciedepots ( IPO werkgroep Nazorg , versie 29 augustus 2017) beschrijft de eindinspectie en sluitingsverklaring. De Handreiking gaat nader in op het juridisch onderzoek bij sluiting van de stortplaats en behandelt in bijlage 5 de juridische aspecten bij overdracht van de nazorg. Herontwikkeling en nabestemming De notitie herontwikkeling (gesloten) stortplaatsen (IPO 2019) gaat uitgebreid in op belangrijke aspecten die spelen bij herontwikkeling en nabestemming van stortplaatsen. In een nazorgplan kan hier van gebruik worden gemaakt indien er vóór sluiting al sprake is van herontwikkeling of nabestemming of plannen daartoe. Rekenrente De langdurig lage rentestanden hebben geleid tot verlaging van de rekenrente voor berekening van het doelvermogen voor de nazorg door een aantal provincies. Landelijk is hierover veel discussie en naar aanleiding daarvan is het Ministerie van I&W verzocht om te (laten) onderzoeken of de rekenrente aanpassing behoeft. 2.4 Beoordeling gelijkwaardigheid en levensduur voorzieningen In het Stortbesluit zijn voor stortplaatsen voorzieningen voorgeschreven waarmee de omgeving van de stortplaats wordt beschermd. Deze voorzieningen zijn als referentievoorzieningen uitgewerkt in de bij het Stortbesluit behorende richtlijnen. Onder andere is de aan te leggen bovenafdichting beschreven. In de Uitvoeringsregeling Stortbesluit is ook aangegeven dat andere bovenafdichtingen mogen worden geaccepteerd als deze minimaal een gelijkwaardig beschermingsniveau realiseren. In 2013 is de Advieskamer Stortbesluit (AKS 1 Met ingang van 1 juli 2022 is de Advieskamer Stortbesluit voortgezet als Advieskamer Bodembescherming (zie www.advieskamerstortbesluit.nl).) op verzoek van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en de gezamenlijke provincies gestart, als opvolger van het Expertisenetwerk Bodembescherming (ENBB) en het Expertisenetwerk Stortbesluit (ENS). De Advieskamer Stortbesluit adviseert op verzoek van overheden en bedrijfsleven over de toepassing van (alternatieve) bodembeschermende voorzieningen bij stortplaatsen. Zij brengt onafhankelijke en deskundige adviezen uit over de bodembeschermende voorzieningen, waaronder adviezen op het gebied van gelijkwaardigheid en levensduur. Een advies van de Advieskamer zal door het bevoegd gezag als zwaarwegend worden beschouwd bij de beoordeling en het geven van instemming (beschikkingen) voor de aanleg, beheer en nazorg van stortplaatsen. Alleen generieke openbare AKS adviezen worden betrokken bij actualisatie van gelijkwaardigheid en levensduur in de Checklist. Als het advies van AKS relevant is voor de nazorg, dan zal de interprovinciale werkgroep Nazorg streven naar een zoveel mogelijk eenduidig advies van de werkgroep daarover, dat via BOOG bij actualisatie van (of eerder als addendum
- op)deze Checklist richting de individuele provincies wordt geleid. Iedere provincie is als bevoegd gezag zelf verantwoordelijk voor het implementeren van deze Checklist en het overnemen van de adviezen. 2.5 Kwaliteitsborging Kwalibo staat voor Kwaliteitsborging bij bodemintermediairs. Bodemintermediairs zijn onder meer adviesbureaus, laboratoria, aannemers, grondbanken, aanleggers en inspecteurs van bodembeschermende voorzieningen en bedrijven die grond en baggerspecie reinigen of verwerken. Kwalibo is wettelijk geregeld in hoofdstuk 2 “Kwaliteit van de uitvoering van een werkzaamheid” van het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) van 22 november 2007. De werkzaamheden op of in de bodem, die worden gedaan bij de nazorg van stortplaatsen vallen formeel ook onder hoofdstuk 2 van het Bbk: in artikel 21 Bbk wordt verwezen naar artikel 8.49 Wet milieubeheer (hierna: Wm). In artikel 8.49 Wm wordt aangegeven dat er maatregelen moeten worden getroffen, die ervoor zorgen dat de stortplaats géén nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, dan wel dat de grootst mogelijke bescherming wordt geboden tegen nadelige gevolgen. Kwalibo is van toepassing op werkzaamheden als bedoeld in artikel 11a.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, die worden uitgevoerd met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of bouwstoffen. Deze werkzaamheden zijn: het verrichten van berekeningen, metingen of tellingen; het nemen of analyseren van monsters of het anderszins verrichten van onderzoek naar de aard of mate van verontreinigingen in stoffen, producten, afvalstoffen, afvalwater, lucht, oppervlaktewater, grond, organismen of bodem; het beperken, ongedaan maken of anderszins saneren van een verontreiniging in stoffen, producten, afvalstoffen, afvalwater, lucht, oppervlaktewater, grond of bodem; het beoordelen of inspecteren van stoffen, producten, voorzieningen of installaties; het toepassen of geschikt maken voor toepassing, van stoffen, producten of afvalstoffen in een werk of het uitvoeren van een werk op of in de bodem; het houden van toezicht op of het voorbereiden of begeleiden van werkzaamheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met e; bemiddelen bij, beoordelen van of adviseren of rapporteren over werkzaamheden als bedoeld in de onderdelen a tot en met f; het afgeven, wijzigen, schorsen, intrekken of weigeren van certificaten, of; werkzaamheden met betrekking tot een bodemenergiesysteem. Dit betekent dat op bovengenoemde werkzaamheden die in het kader van de nazorg van stortplaatsen worden uitgevoerd Kwalibo van toepassing is, mits er een beschikking van een bestuursorgaan op moet worden gegeven (artikel 21.1 Bbk). Daarvoor zijn BRL-en en protocollen beschikbaar; een actueel overzicht is beschikbaar via www.sikb.nl. Via SIKB zijn ook richtlijnen en protocollen beschikbaar die niet direct geschreven zijn voor nazorg van stortplaatsen, maar die informatie geven over bodembescherming. 3 De Checklist De Checklist is opgenomen in Bijlage 1 en hanteert een uniforme indeling voor nazorgplannen. In de Checklist zijn de relevante nazorgvoorzieningen en bijbehorende nazorgactiviteiten (instandhouden, onderhoud, controle en monitoring, vervanging) beschreven. Checklist geeft een algemeen kader Bij het opstellen van de Checklist is een afweging gemaakt tussen volledigheid en bruikbaarheid. De Checklist moet dan ook worden beschouwd als een minimum aan te verstrekken gegevens. Er is bij het opstellen van de Checklist rekening gehouden met algemene toepasbaarheid. Het uitgangspunt voor de nazorg is een “standaard” stortplaats van 10 ha die voldoet aan de volgende kenmerken: De stortplaats is geheel aangelegd volgens het Stortbesluit bodembescherming en de bijbehorende Uitvoeringsregeling naar de laatste stand der techniek; De bovenafdichting van de stortplaats bestaat uit een 2 mm dik gecertificeerd HDPE-folie, een minerale laag en een steunlaag van maximaal 30 cm dik. De drainage bestaat uit drainagematten met een verzamelringleiding en afvoerleidingen. De deklaag op de stortplaats is 1 meter dik, bestaande uit vruchtbare grond van natuurlijke herkomst; Er is nulonderzoek uitgevoerd op grond waarvan voor de gehele afdichtingsconstructie een levensduur van 75 jaar volgt conform de Checklist; De aanwezige drainage en andere leidingen worden gelijktijdig met de bovenafdichting vervangen; De oppervlakte van de stortplaats is 10 hectare (in 2d) (250 meter breed en 400 meter lang) met 4 compartimenten van 100 m breed en 250 m lang. Het aantal putten en doorspuitpunten van de verschillende drainagesystemen zijn conform de richtlijnen van het Stortbesluit; De vorm van de stortplaats is een afgeknotte heuvel met een relatief groot bovenvlak: maximaal 30% helling 1:3 met geruwde folie en de rest bovenvlak met gladde folie; Er is een onderafdichting aanwezig met een levensduur van minimaal 50 jaar en er zijn geen tussenafdichtingen aanwezig; Er is een onderhoudspad aanwezig met halfverharding puingranulaat met een lengte van 1250 meter; Er is geen oppervlaktewater binnen de begrenzing van de stortplaats; Nutsvoorzieningen en lozingspunten liggen direct aan de grens van de gesloten stortplaats; Er is geen wildbestrijding nodig in de nazorg; Er is geen grondwaterverontreinigingssituatie en geen beheersmaatregel zoals grondwateronttrekking; Ter plaatse van de bovenafdichting liggen geen elektriciteitsleidingen en communicatieleidingen. Locatiespecifieke voorzieningen in de Checklist Indien voorzieningen slechts op enkele locaties zijn toegepast, zijn deze niet als standaard in de Checklist opgenomen. Daarom zijn niet alle voorkomende locatiespecifieke aspecten behandeld. Inhoud van een nazorgplan De Checklist is richtinggevend voor de structuur en inhoud van het nazorgplan. Het nazorgplan beschrijft de voorzieningen die in de nazorg van belang zijn en in de nazorgperiode nog aanwezig zijn. Dat kan op hoofdlijnen, met detaillering beperkt tot wat nodig is om de aan de voorzieningen verbonden nazorgwerkzaamheden te bepalen. Reeds aangelegde voorzieningen moeten wel in detail worden beschreven en vastgelegd ter behoud van kennis van aangelegde voorzieningen. Dat kan in andere documenten, waarnaar in het nazorgplan kan worden verwezen. Voor de nog aan te leggen voorzieningen mogen in (voorlopige/tussentijdse) nazorgplannen aannamen worden gedaan. Deze voorzieningen worden dan in hoofdlijnen beschreven en in de daaropvolgende nazorgplannen verder gedetailleerd. Een nazorgplan moet zelfstandig leesbaar zijn, maar mag dus voor detailuitwerkingen verwijzen naar andere documenten. Deze andere documenten moeten beschikbaar zijn voor raadpleging bij beoordeling van het nazorgplan. Dit wordt het beste geborgd door deze documenten separaat aan te leveren bij indienen van het nazorgplan of als bijlagen in het nazorgplan op te nemen. Het nazorgplan wordt uitgebreider en meer gedetailleerd naarmate de sluiting nadert en het een definitief nazorgplan bij sluiting wordt. Het verdient aanbeveling om het monitoringsplan en het inspectie- en onderhoudsplan in de prenazorgfase (nog eens) te actualiseren en te gebruiken bij het opstellen/actualiseren van het nazorgplan. Het kan dan als bijlage bij in het nazorgplan worden opgenomen. Recente ontwikkelingen op het gebied van bodembescherming bij stortplaatsen zijn in de huidige Checklist meegenomen, mits deze ontwikkelingen een formele status hebben. Zodra nieuwe ontwikkelingen in (rechtstreeks werkende) regelgeving en/of de omgevingsvergunning (locatiespecifiek) zijn vastgelegd, of binnen het kader van de omgevingsvergunning worden toegestaan, dan kan dit bij actualisatie van het nazorgplan voor desbetreffende locatie worden meegenomen.\ Relevante informatie waarin de Checklist niet voorziet dient de exploitant toe te voegen. Tevens moet telkens per locatie worden bezien of: met de Checklist alle aspecten zijn onderkend; locatiespecifieke situaties aanleiding geven tot het afwijken van in de Checklist opgenomen uitgangspunten. 4 Lijst van gebruikte afkortingen Afkorting Betekenis AKS Advieskamer Stortbesluit Bbk Besluit bodemkwaliteit BOOG BOdemOntwikkelGroep (IPO Vakberaad Bodem) BRL Beoordelingsrichtlijn ENBB (voormalige) Expertisenetwerk bodembescherming Kwalibo Kwaliteitsborging bij bodemintermediairs (onderdeel besluit bodemkwaliteit) PDS Potentieel duurzaam stortbeheer SIKB Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer Wabo Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Wbb Wet bodembescherming Wm Wet milieubeheer 5 Termen en definities Term Definitie Afdichtingsconstructie Een integrale constructie, die in meer of mindere mate gas en/of vloeistofdicht is, waardoor een scheiding tussen twee grondlagen kan worden bewerkstelligd; hierin komen ook lagen voor met een niet direct afdichtende functie (bijvoorbeeld (gas)drainagelaag). Afdichtingslaag Minerale laag en/of kunststoflaag met een vloeistof- en gas remmende functie, die onderdeel vormt van de bovenafdichting. Bovenafdichting Voorziening die tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert. Combinatieafdichting Afdichting bestaande uit een minerale laag en een geomembraan. Beide lagen zijn zonder tussenlaag in volledig contact met elkaar. Drainagemat Een ruimtelijke structuur van geotextielen waardoor gas en/of vloeistof kan worden afgevoerd. Exploitatiefase Periode van aanvang van het storten tot beëindiging van de stortactiviteiten, inclusief aanleg van de bovenafdichting. Geomembranen vloeistofdichte membranen die worden gebruikt als vloeistof- of damp/gasbarrière in samenhang met grond of andere aanverwante materialen als een integraal onderdeel van een geotechnische constructie. Geotextiel Textiel dat wordt aangewend voor verbetering of voor aanvulling van de eigenschappen van grond. Klink Het afnemen van de dikte van het afvalpakket. Lekdetectie Detectie van lekken door meten van potentiaalverschillen over een afdichting (geoelektrische lekdetectie). Leeglooptijd Periode van percolaat afname in het stortlichaam na aanbrengen van de bovenafdichting. Levensduur De periode waarin de prestatiecapaciteit van een product groter dan of gelijk is aan de gestelde eisen. Nazorgfase Periode na overdracht van de stortplaats door de exploitant aan de nazorgorganisatie. Nabestemming Bestemde gebruik van de stortplaats in de nazorgfase. Nazorggebied Stortoppervlak en overig oppervlak met voorzieningen die nodig zijn voor de nazorg. Onderafdichting Voorziening die tegengaat dat water vanuit het stortlichaam naar de bodem infiltreert. Prenazorgfase Periode na het einde van de exploitatiefase tot aan de formele sluiting. Sluitingsfase Periode van overdracht van de stortplaats door de exploitant aan de nazorgorganisatie, die eindigt met de sluitingsverklaring. Storten Op of in de bodem brengen van afvalstoffen, al dan niet in verpakking, om deze stoffen daar te laten. Tussenafdichting Voorziening die tussen twee afvallagen is aangebracht om infiltratie naar het onderliggende afval te voorkomen. Zetting Deformaties van de ondergrond. zettings-/klinkverschil verschil in klink en zetting van plaats tot plaats, waardoor deformaties in de afdichting zouden kunnen ontstaan. 6 De begeleidingscommissie De begeleidingscommissie is samengesteld uit de volgende personen: Wouter van Hoorn, provincie Gelderland (projectleider, voorzitter) David van Rijn , provincie Zuid-Holland IJsbrand de Haan, provincie Zuid-Holland Martien Romviel, provincie Noord-Brabant Roger Smeets, provincie Noord-Brabant Hans Hermkes, namens de VA Sander Feenstra, namens de VA Hans Kolijn, namens de VA De rol van de VA is adviserend. Na bespreking in de begeleidingscommissie is een deel van de adviezen wel en een deel niet meegenomen in de actualisatie van de checklist. Bijlage 1: Checklist 0 Inleiding Indeling In deze bijlage wordt per onderdeel van de checklist een toelichting gegeven. Als hoofdindeling is daarbij uitgegaan van de verschillende nazorgactiviteiten: monitoring en controle (H2); doorspuiten en onderhoud (H3) en periodieke vervangingen en amovering (H4). Per onderscheiden nazorgactiviteit is een verdere onderverdeling in relevante nazorgvoorzieningen gemaakt. Rinas kent een afwijkende hoofdindeling in nazorgactiviteiten en noemt dit rubrieken: De overzichtstabel met de eenheidsprijzen in bijlage 2 van deze checklist is overeenkomstig alle voorgaande checklisten ingedeeld conform de bovenstaande indeling in Rinas. De activiteiten in Rinas onder “Instandhouden” worden in deze Checklist beschreven onder doorspuiten en onderhoud (H3). Verwijzing naar wet- en regelgeving In de hoofdtekst van deze checklist is aangegeven welke voor de nazorg relevante wet- er regelgeving er over gaat naar de Omgevingswet en welke niet. In deze bijlage 1 wordt naar de actuele wet-en regelgeving verwezen omdat het van kracht worden van de nieuwe Omgevingswet al diverse malen is uitgesteld en nu niet eerder dan op 1 januari 2023 is voorzien, na de actualisatie van deze Checklist. 1 Locatiespecifieke aspecten De hoofdrubriek “Locatiespecifieke aspecten” gaat in op de inrichting/opbouw, de historie, de directe omgeving, en de exploitatie van de stortplaats. 1.1 Algemeen In het nazorgplan moet onder andere worden ingegaan op de topografische ligging van de stortplaats en de ligging ten opzichte van de directe omgeving (bijv. de ligging ten opzichte van bebouwing en open water). Verder dienen de bodemopbouw, de geohydrologische situatie, eventuele verontreinigingen van de bodem veroorzaakt door het storten en mogelijke saneringsmaatregelen op en rondom de stortplaats beschreven te worden. Met betrekking tot de historie van de stortplaats zijn de herkomst en samenstelling van het afval van belang. Daarnaast dienen de mogelijke uitloging van verontreinigende stoffen en de hoeveelheid aanwezig afval te worden behandeld. Ook de wijze waarop dit afval is gestort (opbouw stortlichaam, stortvakken, compartimenten voor specifieke categorieën afvalstoffen), de resterende duur van de exploitatie en de resterende stortcapaciteit dienen in deze context vermeld te worden. 1.1.1 Exploitanten/eigenaars Exploitanten, en eigenaars in verleden, heden en toekomst (voor zover concreet bekend) dienen te worden vermeld. Tevens moeten de adressering, de kadastrale gegevens en de van kracht zijnde vergunningen (onder andere Wet milieubeheer en Waterwet en vergunninghouders) van het stort vermeld te worden. Ook van toepassing zijn regelgeving met een directe werking moet hier worden vermeld (zoals bijvoorbeeld het Besluit lozen buitten inrichtingen), 1.1.2 Historie/omgeving In het verleden is voor het storten van afval vaak gebruik gemaakt van voormalige ontgrondingslocaties, en kan er sprake zijn van oude stortlocaties in de directe nabijheid. Het risico van (permanente) verspreiding van verontreinigingen naar bodem en grondwater is groter wanneer het afval in direct contact staat of heeft gestaan met het grondwater. Het niveau, de kwaliteit en de staat van voorzieningen kunnen mede worden afgeleid uit het tijdstip waarop het eerste afval is gestort. Dit betreft zowel de kwaliteit van de aangebrachte voorzieningen op basis van de toen geldende wet- en regelgeving, alsmede de ouderdom van de aanwezige voorzieningen. Het moment van de eerste stortingen zegt tevens iets over de tijd dat de locatie als een bron van verontreiniging voor het omliggende milieu heeft kunnen functioneren. De aard van het gestorte afval is mede bepalend voor het risico van falen van de aanwezige voorzieningen. Het aanwezige afval zal tevens bepalend zijn voor de aard, omvang en ernst van een mogelijke emissie/verspreiding vanuit het stort. 1.1.3 Geometrie Indeling De hoeveelheid/volume van het gestort afval moet worden aangegeven. Het stort kan bestaan uit een aantal duidelijk te onderscheiden compartimenten. De monitoring, controle, onderhoud en vervangingen kunnen per compartiment verschillen. Compartimenten kunnen bijvoorbeeld worden onderscheiden op basis van: aangebrachte voorzieningen onder het gestorte afval; datum van realisatie van compartimenten; ligging van compartimenten ten opzichte van elkaar (nieuwe compartimenten kunnen ook op bestaande compartimenten zijn aangelegd); aard van de in het compartiment gestorte stoffen (bijvoorbeeld asbesthoudende materialen); aard van of fasering in de aangebrachte bovenafdichting. Tekeningen Verder worden in het nazorgplan tekeningen opgenomen met daarop de compartimentering van het stort, de fasering van de aanleg van de bovenafdichtingen en een schematische weergave van de doorsnede van het stort met de daaronder liggende bodem te worden opgenomen. Hierin kunnen ook de GHG, de GLG en bijvoorbeeld de hoogteligging van controledrains schematisch worden weergegeven. Maten zijn zowel ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld (meter +/-
- mv)als absolute hoogten (meter t.o.v. NAP) van belang. Oppervlaktes Het oppervlak van het totale terrein dat onder beheer komt bij de nazorgorganisatie, het nazorggebied, dient vermeld te worden. Dit nazorgoppervlak kan groter zijn wanneer de stort bestaat uit verschillende, niet aansluitend gelegen stortcompartimenten. De begrenzingen van de stortcompartimenten en het (eventuele) bijbehorende terrein, dienen in het veld duidelijk zichtbaar te zijn (bijvoorbeeld met markeringspalen) zodat nazorg gericht en doelmatig kan worden uitgevoerd. Het ‘extra' oppervlak, niet zijnde stortcompartimenten, kan een rol spelen bij het onderhoud van het terrein (begroeiing, wegen, sloten en dergelijke) en de af te voeren waterhoeveelheden. Indien dit oppervlak geen functie of belemmering heeft voor de nazorg hoeft het geen onderdeel te zijn van het nazorggebied. Verder dient bij bepaling van het oppervlakte (beheer, vervanging) van de bovenafdichting rekening te worden gehouden met de werkelijke taludlengte, die afwijkt van de lengte op een vlakke kaartprojectie (bijvoorbeeld: verschil bij talud 1:3 ruim 5%). Oppervlakten worden dan ook weergegeven in 2D (plat vlak) en 3D (werkelijke oppervlakte in het veld). Taluds Met het oog op het onderhoud van het stort en voor het inschatten van risico's op instabiliteit is het noodzakelijk om inzicht te hebben in het verloop van de taluds, het oppervlak van de taluds en van de vlakke delen en van de opbouw van de afgewerkte bovenafdichting. Met betrekking tot mogelijke instabiliteit wordt hierbij onderscheid gemaakt in taluds die steiler of minder steil zijn dan 1:3. Het is nodig dat steilere taluds op kaart zijn aangegeven en dat het oppervlak van dit type taluds en een onderbouwd geotechnisch ontwerp bekend zijn. Ook voor eventuele nog af te werken gedeelten dienen deze gegevens verstrekt te worden. Zetting en klink Zetting kan van invloed zijn op de onderhoudskosten van voorzieningen en op de kans op (vervroegd) falen van de boven- of onderafdichting. Voor de bovenafdichting is daarnaast de klink van het afval van belang. Relevante gegevens zijn de wijze van registratie van vervorming, bestaande meetgegevens en prognoses. 1.1.4 Begin en einde exploitatie en nabestemming Begin en einde exploitatie De resterende exploitatieduur is van belang voor de berekening van het doelvermogen en de nazorgheffing. Bij de exploitatieduur zijn de prognose van het afvalaanbod en de resterende capaciteit van belang. Het moment dat de nazorg aanvangt wordt in het nazorgplan aangegeven. Nazorg start na het afgeven van een sluitingsverklaring door het bevoegd gezag. Uitgangspunt voor de berekening van de nazorgkosten en -heffingen is dat de sluitingsverklaring twee jaar na het aanbrengen van het laatste deel van de bovenafdichting wordt afgegeven op basis van de sluitingsprocedure, zoals beschreven in Handreiking sluiting stortplaatsen en baggerspeciedepots, IPO werkgroep Nazorg , versie 29 augustus 2017. In de praktijk is gebleken dat stappen in de sluitingsprocedure aanzienlijk meer tijd kunnen vergen. Dit betreft bijvoorbeeld eigendom, erfpacht, het borgen van de nazorg bij een voorziene nabestemming en aanvullend levensduuronderzoek van aangelegde bovenafdichtingen. In sommige gevallen worden op stortplaatsen experimenten of onderzoeken uitgevoerd met bijvoorbeeld alternatieve afdichtingsmaterialen, duurzaam stortconcepten, etc. In die gevallen bestaat de mogelijkheid dat er een langere periode tussen het einde van de exploitatie en de start van de nazorg gewenst is, om de experimenten/onderzoeken uit te kunnen voeren. Dit wordt voor het einde van de exploitatie met het bevoegd gezag overeengekomen, of volgt al uit de regelgeving (Pilot en uitstel locaties Duurzaam stortbeheer). Een aantal voorschriften uit de vergunning blijft voor de exploitant van kracht (mits dit conform artikel 14 van het Stortbesluit is opgenomen in de vergunning) in de periode tussen het aanbrengen van de bovenafdichting en het begin van de nazorg. De vergunning wordt (actief) door de provincie ingetrokken conform Wabo artikel 2.33f indien de stortplaats krachtens het derde lid van artikel 8.47 voor gesloten is verklaard. De nazorgorganisatie (provincie) is na het afgeven van de sluitingsverklaring verantwoordelijk voor het beheer van de gesloten stortplaats. Nabestemming Onder nabestemming wordt verstaan het gebruik van de stortlocatie in de nazorg. De nabestemming die ná sluiting wordt ontwikkeld is geen onderdeel van de nazorg en hoeft daarom niet in het nazorgplan te worden beschreven. Als de nabestemming vóór sluiting al bekend is, dient deze wel beschreven te worden in het nazorgplan. Daarbij geldt dat de functionaliteit van de nazorgvoorzieningen in de nabestemming intact moet blijven. Een gelijkwaardig niveau van milieubescherming aan dat van de richtlijnen van het Stortbesluit blijft vereist. De uitvoering van de nazorg moet doorgang kunnen vinden in een nabestemming. Eventuele meerkosten dienen niet voorrekening van de nazorg te komen. De provincies hebben, voor initiatiefnemers en overige betrokken partijen, een notitie laten opstellen om inzicht te geven in de verschillende specifieke randvoorwaarden, onderzoeken, juridische aspecten, contractuele afspraken en eventuele aanvullende maatregelen die van toepassing zijn om een goede nazorg én nabestemming te waarborgen. Dit is de Notitie herontwikkeling (gesloten) stortplaatsen, IPO-werkgroep Nazorg Stortplaatsen, 7 februari 2019. De vereisten voor de beschrijving van een nabestemming in het nazorgplan volgen uit deze notitie. De nabestemming conform het bestemmingsplan is maatgevend, en dient hier vermeld te worden. Voorbeelden van een hoogwaardiger afwerking en nabestemming van de stortplaats betreffen: recreatieheuvel met paden en voorzieningen; (bos)plantsoen in stedelijk gebied; skiheuvel, golfbaan en dergelijke. Een hoogwaardiger nabestemming/aankleding zal vaak leiden tot hogere onderhouds- en vervangingskosten. Het is van belang dit, indien bekend vóór afgifte van de sluitingsverklaring, in het nazorgplan te vermelden. De contracten en/of schriftelijke afspraken met de beheerder/eigenaar/gebruiker van de nabestemming worden als bijlage in het nazorgplan opgenomen. Overigens komen extra kosten als gevolg van een eventuele nabestemming niet ten laste van het doelvermogen. Deze dienen aan de beheerder/eigenaar/gebruiker te worden toegeschreven, en het verdient aanbeveling dit vroegtijdig contractueel vast te leggen. Dit betreft dus ook het voor eigen kosten herstellen van opstallen en terreinvoorzieningen van de gebruiker zelf, bij (incidentele of reguliere) nazorgactiviteiten, zoals bijvoorbeeld onderhoud, reparaties en vervangingen. 1.1.5 Bodemopbouw Beschreven dient te worden: de regionale en lokale bodemopbouw en geologie, de zettingsgevoeligheid, alsmede de zettingsberekeningen op basis van eindhoogten (afval en bovenafdichting), ingeschat of bepaald door deskundigen. 1.1.6 Geohydrologie De geohydrologie dient beschreven te worden, waarbij onder andere aandacht moet worden besteed aan: freatische grondwaterstand; grondwaterstanden en waterspanningen in de watervoerende pakketten; verticale en horizontale doorlatendheid van de bodem; grondwaterstromingsrichtingen en –snelheden horizontaal en verticaal. Het is mogelijk om voor details naar een onderzoeksrapport te verwijzen. Gemiddeld hoogste grondwaterstand en drooglegging In het Stortbesluit bodembescherming is vastgelegd dat een stortplaats zo ingericht moet zijn dat het afval na zetting van de bodem niet in contact kan komen met het grondwater. Artikel 3 lid 1 van het stortbesluit stelt: “Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting dat het storten van afvalstoffen zodanig plaatsvindt dat de gestorte afvalstoffen – na zetting van de bodem – niet beneden 0,7 meter boven de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand kunnen geraken.” In artikel 3.2 is aangegeven dat als een capillair onderbrekende laag van ten minste 0,2 meter in de onderafdichting wordt aangebracht, de drooglegging na zetting ten minste 0,5 meter boven GHG moet zijn. Ten aanzien van de interpretatie van de droogleggingseis geven adviezen van het voormalige ENBB (adviezen nr.2, 4 en 9) aan dat de mate van drooglegging geen of een verwaarloosbare betekenis heeft bij de vertraging van verspreiding van verontreiniging in grondwater. ENBB stelde in advies nr. 4: “In de nazorgfase zal de bovenafdichting een hoofdrol spelen. Hieraan verbonden taken zijn wel controle (visuele inspectie van het oppervlak, beoordeling van wijzigingen in de waterhuishouding in de omgeving, monitoring van de verspreidingssituatie) en waar nodig onderhoud van bovenafdichting. Het maken van een draaiboek met criteria voor ingrijpen en wijze van ingrijpen wordt aanbevolen. Het in stand houden van de 70cm+GHG grens is minder dringend maar indringen van grondwater in het stortlichaam is ook niet gewenst”. Conform het Stortbesluit moeten aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden met de verplichting om (na zetting van de bodem) aan de droogleggingseis te voldoen. Indien het niet meer mogelijk is om aan de droogleggingseis te voldoen, kan (volgens artikel 3, lid 3 van het Stortbesluit) het bevoegd gezag aan de vergunning voorschriften verbinden, met de verplichting dat civieltechnische of geohydrologische maatregelen worden getroffen die voldoende waarborgen bieden dat het grondwater niet met de afvalstoffen in contact kan komen. Als aannemelijk is dat in de nazorgfase niet meer aan de droogleggingseis wordt voldaan, moeten in het nazorgplan maatregelen worden opgenomen om te voorkomen dat het grondwater in contact kan komen met het afval. Deze maatregelen moeten technisch haalbaar en kosteneffectief zijn. Als blijkt dat niet meer aan de droogleggingseis kan worden voldaan wordt er in de risico-evaluatie rekening gehouden met de kans op contact van stortmateriaal met het grondwater. Bij enkele stortplaatsen wordt in plaats daarvan verspreiding van verontreiniging voorkomen door civieltechnische of geohydrologische maatregelen die conform de vergunning voorschriften zijn genomen. Gemiddeld laagste grondwaterstand Voor het bepalen van de effectieve werking van de controledrainage dient de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) vermeld te worden. Grondwaterstroming De stromingsrichting van het grondwater kan worden afgeleid uit lokale isohypsenkaarten voor zowel het natte als droge jaargetijde, respectievelijk in april en augustus. De stromingsrichting kan per jaargetijde verschillen. Een overzichtskaart van de isohypsen en GLG/GHG dient in het nazorgplan te worden opgenomen. De effectieve stroomsnelheid van het grondwater is gerelateerd aan de horizontale snelheid waarmee het grondwater door de beter watervoerende (zandige) lagen stroomt. De snelheid wordt mede bepaald door de horizontale doorlatendheid van de betreffende lagen. Kwel en inzijging hebben betrekking op de verticale stromingsrichting en betreffen respectievelijk opwaartse en neerwaartse stroming. Grondwateronttrekkingen in de omgeving of op het terrein van de stortplaats kunnen de stromingsrichting en -snelheid van het grondwater beïnvloeden. Afhankelijk van het gebruik van het gewonnen water, kan een winning beschouwd worden als een mogelijk door de stortplaats bedreigd object. Voorbeelden van winningen zijn: drinkwaterproductie; industriewaterproductie; landbouwdoeleinden; warmte- of koudeopslag; (tijdelijke) bemaling ten behoeve van een ontgraving; (tijdelijke) onttrekking ten behoeve van een grondwatersanering. 1.1.7 Bodemkwaliteit Op grond van de ervaringen met monitoring in de exploitatiefase en prenazorgfase wordt de actuele bodemkwaliteit beschreven in deze paragraaf. Het is echter mogelijk dat andere of eerdere activiteiten hebben geleid tot een verontreiniging van de bodem. Daarom moeten hier ook eventuele (beschikkingen
- op)saneringsplannen of -maatregelen worden vermeld. Monitoring en maatregelen ten behoeve van verontreinigingen die in een ander kader aangepakt worden, of niet gerelateerd zijn aan de stortplaats, dienen goed te worden onderscheiden van die ten behoeve van de nazorg (ook wat betreft de risico-evaluatie in het nazorgplan). In deze paragraaf dient te worden aangegeven welk (goedgekeurd) monitoringsplan van toepassing is, bij voorkeur met een doorzicht naar de nazorgfase (uitwerking daarvan in hoofdstuk 2 van het nazorgplan). De toetsingswaarden worden in het nazorgplan opgenomen. Bepaling van de toetsingswaarden Voor Wm-stortplaatsen geldt dat het referentiekader wordt begrensd door het interventiepunt. Wanneer het interventiepunt bereikt is, dient een urgentieplan in werking te treden om maatregelen te treffen tegen verdere verslechtering van de grondwaterkwaliteit. Het interventiepunt is bereikt als voor een bepaalde stof in het grondwater de toetsingswaarde is overschreden (en als dit nogmaals door herbemonstering en analyse door een ‘ter zake kundige’ is aangetoond en als is onderzocht of dit daadwerkelijk wordt veroorzaakt door de stortplaats). Voor het bepalen van de toetsingswaarden van stoffen zijn de analyseresultaten uit de referentieputten (stroomopwaartse putten dicht bij de stortplaats) van belang. Allereerst dient van het grondwater de signaalwaarde te worden bepaald. De signaalwaarde van de desbetreffende stof is: het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarden grondwater die op een referentiepunt zijn gemeten, vermenigvuldigd met 1,3, indien minder dan 30 metingen zijn verricht, dan wel de waarde waar beneden 98% van de waarnemingen liggen, indien 30 of meer metingen zijn uitgevoerd. (Indien meer dan één referentiepunt is aangewezen, kan als signaalwaarde voor een stof worden gehanteerd het gemiddelde van de signaalwaarden op de afzonderlijke referentiepunten). Vervolgens kunnen de toetsingswaarden worden bepaald. De toetsingswaarde voor een stof is de signaalwaarde voor de desbetreffende stof, gemeten op het referentiepunt, vermeerderd met 0,3 maal de streefwaarde (bedoeld wordt de streefwaarde, zoals omschreven in de Circulaire "Streef- en Interventiewaarden bodemsanering", Staatscourant 2000, nr.39) voor die stof 1 Vervangen door de Circulaire bodemsanering en voor desbetreffende diepte. 1.1.8 Oppervlaktewater Bij oppervlaktewater kan onderscheid gemaakt worden tussen lokale watergangen en regionaal oppervlaktewater. De lokale watergangen (rond het stort) kunnen een rol spelen bij de afvoer van diverse waterstromen (hemelwater en gezuiverd percolaat). Op dit oppervlakte water kan monitoring van toepassing zijn. Als monitoring van het oppervlaktewater van toepassing is, behoort dit beschreven te worden in het nazorgplan. Een dergelijke watergang zal vaak ook door de nazorgorganisatie onderhouden moeten worden. Indien dit niet het geval is wordt in deze paragraaf in het nazorgplan beschreven door wie een dergelijke watergang wordt onderhouden in de nazorg. Het oppervlaktewater in de ruimere omgeving kan van invloed zijn op de grondwaterstroming en -standen onder het stort (bijvoorbeeld op de GHG) en kan beschouwd worden als een bedreigd object wanneer verontreinigingen zich vanuit de stortplaats via het grondwater verspreiden. Op grond hiervan kunnen beheersmaatregelen en monitoringsverplichtingen van toepassing zijn. Naast een beschrijving van het oppervlaktewater in de omgeving van de stortplaats dienen in deze paragraaf de (voor de nazorg van toepassing zijnde) voorschriften en bepalingen vanuit de Waterwetvergunning te worden beschreven. 1.2 Reguliere voorzieningen (per stortcompartiment) Op, rond en onder de stortplaats zijn voorzieningen aangebracht, waarvan een aantal periodiek gecontroleerd of onderhouden dient te worden om het functioneren van alle milieubeschermende voorzieningen als geheel te kunnen waarborgen. In deze paragraaf worden de voorzieningen in detail beschreven. Zijn compartimenten nog niet aangelegd, of vindt overdracht pas over enkele decennia plaats, dan kan voor specifieke voorzieningen met aannamen worden gewerkt; dit geldt ook voor peilbuizen die mogelijk voorafgaand aan de nazorg nog vervangen worden. Tekeningen in nazorgdossier Van alle voorzieningen dienen revisietekeningen te worden opgenomen in het nazorgdossier. Als revisietekeningen in het verleden niet zijn gemaakt, worden ontwerp- en bestekstekeningen in het nazorgdossier opgenomen. Tekeningen in nazorgplan Het nazorgplan biedt tenminste duidelijke overzichtstekeningen bij elke beschrijving van een voorziening. Dit betreffen tekeningen op hoofdlijnen die de beschrijving verduidelijken. 1.2.1 Controledrainage Stortplaatsen hebben vaak meer stortcompartimenten met verschillen in ontwerp en inrichting van de controledrainage. Bij de oudere stortcompartimenten ontbreekt soms een controledrainage. Ook voor nog te ontwikkelen stortcompartimenten worden de gegevens uit de checklist, voor zover mogelijk, in het nazorgplan opgenomen. Beschreven wordt: jaar van aanleg; onderlinge afstand; ligging ten opzichte van de grondwaterstromingsrichting; totale lengte en diameter van de aangebrachte drainage per compartiment; aard van het materiaal en de verwachte levensduur; aantal bemonsteringpunten; aanlegdiepte, het eventueel (tijdelijk) droogvallen en het huidig functioneren van het systeem (gedeelte doorsteekbaar bij laatste inspectieronde); wijze van voorpompen (centrale pompput, het aantal aanwezige pompen; afzonderlijke drains, onderbouwing van de hoeveelheid voor te pompen water, etc.) en bemonstering; indien doorspuiten nodig is, de wijze van doorspuiten gedurende exploitatie en nazorg periode. Signaleringsdrainage Controle op lekkages kan in specifieke gevallen (bijvoorbeeld stortplaatsen in groeves) ook plaatsvinden door middel van signaleringsdrains. Dit type drains is aangebracht in de onderafdichtingsconstructie, tussen afdichtingslagen in. Via deze drains kan worden waargenomen of vloeistoflekkage (percolaat) optreedt door de afdichtingslaag. Beschreven wordt: jaar van aanleg; onderlinge afstand; aard van het materiaal en de verwachte levensduur; aantal bemonsteringpunten; totale lengte, diameter en materiaal van de aangebrachte drainage per compartiment; het huidig functioneren van het systeem; wijze van controle op lekkages. 1.2.2 Onderafdichting Tot de primaire milieubeschermende voorzieningen behoort de onderafdichting van het stort. In de loop der tijd is de kwaliteit van de onder de stortplaats aan te brengen voorzieningen aanzienlijk verbeterd. Oude stortcompartimenten zijn vaak aangelegd zonder onderafdichting. Vervolgens werden enkelvoudige constructies (hypoforce, folies of een minerale laag) toegepast. Na 1993 zijn combinatieafdichtingen toegepast (folie met een minerale afdichtingslaag). In sommige gevallen is onder de combinatieafdichting een drainagelaag als signaleringslaag aangebracht, die aan de onderzijde is voorzien van een afdichtende laag (folie of minerale laag). In de drainagelaag worden signaleringsdrains aangebracht. In zettingsgevoelige gebieden worden onder de onderafdichting ook wel zettingsslangen opgenomen, waarmee de monitoring van vervormingen (en dus de kans op falen van de onderafdichting bij ongewenste vervormingen) mogelijk is. Als een nieuw compartiment op een bestaand compartiment is aangelegd kan een tussenafdichting aanwezig zijn. Een tussenafdichting kan als bovenafdichting worden gezien maar fungeert feitelijk als onderafdichting om verder te kunnen storten op een bestaand/ouder deel van de stortplaats. De volgende informatie met betrekking tot de onderafdichting c.q. tussenafdichting dient minimaal in het nazorgplan te worden opgenomen (per stortcompartiment): algemene beschrijving van het systeem (oppervlakten en ligging in het stort); compartimentering, inclusief extra voorzieningen zoals bijvoorbeeld de genoemde zettingsslangen); jaar van aanleg; aard van de gebruikte materialen en de dikte van de verschillende lagen, inclusief de grondlagen die waar nodig zijn aangebracht om aan de droogleggingseis te kunnen voldoen; goedkeuring aanleg door provincie vermelden onder verwijzing naar het nazorgdossier (voor zover beschikbaar) en conclusies van recente tweejaarlijkse keuringen; verwachte levensduur; drooglegging. 1.2.3 Percolaatdrainage en leeglooptijd Als gevolg van tijdens de exploitatie inzijgend hemelwater ontstaat percolaat in het stort. In de stortcompartimenten wordt percolaatdrainage aangebracht om het percolaat op te vangen en af te voeren. Ook na het afdichten van het stort zal, als gevolg van het (langzaam) uitzakken van water uit het stort, percolaat afgevoerd moeten worden. De periode van percolaatafname na aanbrengen van de bovenafdichting wordt de ‘leeglooptijd’ genoemd. In § 2.1.3 moet de leeglooptijd en het leegloop volume worden ingeschat. Met betrekking tot de percolaatdrainage dienen per stortvak de volgende gegevens in het nazorgplan opgenomen te worden: algemene beschrijving van het systeem; jaar van aanleg; aanlegdiepte; totale lengte en diameter de aangebrachte drainage per compartiment; aard van het materiaal en de verwachte levensduur; aantal pompputten; aantal bemonsteringspunten; aantal doorspuitpunten; lengte van verzamel- en afvoerleidingen; gedeelte doorspuitbaar bij laatste inspectieronde(s); beschrijving van de wijze van doorspuiten gedurende exploitatie en nazorgperiode. 1.2.4 Percolaatbehandeling In de nazorgfase zal nog steeds percolaat worden afgevoerd. Het is noodzakelijk om vóór de overdracht van de stortplaats inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de volgende zaken: geregistreerde percolaathoeveelheid en –kwaliteit in de afgelopen jaren; verwachte ontwikkelingen kwaliteit percolaat; lozingseisen in de nazorg; de wijze waarop het percolaat op de locatie wordt (voor)gezuiverd (beschrijving van de methode van (voor)zuivering). Wordt het percolaat als deelstroom aangeboden op een zuivering die ook andere afvalwaterstromen (van exploitant of derden) zuivert, dan geeft de exploitant een visie op de wijze van percolaatbehandeling in de nazorgperiode; geregistreerde lozingsheffingen in de afgelopen jaren; afvoerwijze van het percolaat en eventueel onderhoud van het gehele systeem (bijvoorbeeld een persleiding naar een AWZI); zakelijke rechten van leidingen; revisietekeningen van installaties en leidingen; de partij die de percolaatbehandeling uitvoert (indien bekend). 1.2.5 Bovenafdichting In de nazorgfase zijn de milieurisico's mede afhankelijk van het goed functioneren van de bovenafdichting. Vanuit een risicomijdende benadering van nazorg wordt aan de bovenafdichting een eindige levensduur toegekend, en wordt de afdichtingsconstructie na het verstrijken van de levensduur vervangen. Opgemerkt wordt dat vooral bij stortplaatsen die lang in exploitatie zijn een deel van de bovenafdichting bij overdracht reeds relatief oud kan zijn. Hiermee dient bij de bepaling van het moment van vervanging rekening te worden gehouden. Ook dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat na beëindiging van het storten nog een, met het bevoegd gezag overeengekomen, periode gewacht wordt met het aanbrengen van (delen van) de bovenafdichting. De bovenafdichting wordt beschreven per aanlegfase. Samengevat dient het nazorgplan met betrekking tot de aangebrachte en/of aan te brengen bovenafdichting minimaal de volgende aspecten te behandelen (zie ook § 4.1.1): algemene beschrijving van het systeem (aanlegfasen, feitelijke netto oppervlakte (3D), inclusief beplanting en andere elementen van belang voor de bepaling van de kosten voor onderhoud en vervanging); jaar van aanleg, helling van bovenvlak en taluds per aanlegfase; aard, kwaliteit (verontreinigingen, pH, zouten, SAR-waarde van steunlaag) en laagdikten van de gebruikte materialen (steunlaag, afdichtingslagen, drainagelaag en afdek- en toplagen); zakkingsprognose (zetting en vooral klink) in relatie tot voldoende afschot; verwachte levensduur van de bovenafdichting per fase; staat van onderhoud en conclusies van de laatste (periodieke) keuring; indien aanwezig beschrijving lekdetectiesysteem (het lekdetectiesysteem wordt in paragraaf 1.3.7 uitgebreid beschreven); revisietekeningen: Opnemen van aanlegfasen met 3D oppervlakte, aanlegjaar, bovenvlak en taluds, type afdichting en onderliggende compartimentgrenzen; vermelding van goedkeuringsbrieven (referentie, datum) voor zover deze door het bevoegd gezag zijn afgegeven voor bestek en oplevering; vermelding van levensduuronderzoeken (indien uitgevoerd) en verwijzing naar nazorgdossier. Bij het gebruik van grond in de deklaag is de klasseindeling afhankelijk van de wet- en regelgeving die op het moment van aanbrengen van de grond van toepassing was/is. Vermeld wordt welke klasse is toegepast (bijvoorbeeld: categorie I grond, of Bbk klasse ‘wonen’ of ‘industrie’). In het nazorgplan wordt rekening gehouden met de effecten van eventuele uitloging van de toegepaste grond: uitloging kan van invloed zijn op de kwaliteit van water dat wordt opgevangen en afgevoerd via de hemelwaterdrainage. Uitloging kan ook leiden tot onduidelijke (of onjuiste) interpretatie van meetgegevens, en de herleidbaarheid compliceren van geconstateerde overschrijdingen van (lozings)eisen. 1.2.6 Hemelwateropvang/afvoer Effectieve afvoer van hemelwater voorkomt o.a. uitspoeling, verweking en instabiliteit van de taluds. Beschrijf hier de opvang en afvoer van het hemelwater. Per aanlegfase van de bovenafdichting wordt aangegeven: ligging, totale lengte (of oppervlakte in geval van drainagemat), gebruikte materialen, diameters en het aantal bemonsteringspunten van het drainagesysteem); lengte, materiaal en diameters van verzamel- en afvoerleidingen; inspectieresultaten van, en gedeelte doorsteekbaar bij, laatste inspectieronde(s); kwaliteit van het drainagewater; lozing op oppervlaktewater (heffing); eventuele afvoer via riool (heffing) of afvoer via persleiding (onderhoud/heffing); infiltratie (onderhoud); kwaliteit en korrelverdeling van de toegepaste grond in de deklaag moet afgestemd zijn op de poriegrootte van de drainage. Dit vermelden in het nazorgplan of verwijzen naar het document in het nazorgdossier waarin dit is opgenomen. 1.2.7 Stortgasonttrekking De werkzaamheden en kosten die aan de stortgasonttrekking verbonden zijn in de nazorg dienen te worden opgenomen in het nazorgplan, ook indien de provincie stortgasonttrekking zal uitbesteden in de nazorg. Op stortplaatsen waar organisch afval is gestort wordt gedurende een aantal jaren stortgas gevormd. Dit gas wordt opgevangen en afgevoerd om schade aan de aangebrachte voorzieningen en aan het milieu te voorkomen. Dit kan met een passief ontgassingssysteem of een actief onttrekkingssysteem inclusief stortgasbenutting (bijvoorbeeld omzetting in elektrische energie of opwerking tot aardgaskwaliteit). De stortgasvorming wordt met een stortgasprognose onderbouwd. De ervaring bij de provincie Gelderland2 Ingebracht voor de actualisatie en beschikbaar gesteld aan de begeleidingscommissie is dat periode van actieve stortgas onttrekking en benutting langer kan zijn dan de standaard termijn van 15 jaar na afdichten. Dat geldt ook voor de verwerking met een fakkel. Hiermee kan in de prognose rekening worden gehouden. Als in het nazorgplan geen onderbouwing gegeven wordt, dan volgt daar automatisch uit dat standaardtermijnen voor actieve en passieve ontgassing zoals opgenomen in de voorgaande checklisten toegepast worden. Naast de schatting van de onttrekkingsperiode (waarna eventueel vervanging door een laagwaardiger onttrekkingssysteem tot de mogelijkheden behoort) wordt bij actieve systemen die in de nazorg nog in gebruik zijn met name informatie gegeven met betrekking tot het ontwerp (revisietekeningen, de onderhoudshandleiding, Process and Instrumentation Diagram (P&ID), functionele beschrijving) en gebruik van de installatie inclusief fakkel. Dit kan een beschrijving op hoofdlijnen zijn met verwijzing naar de betreffende documenten in het nazorgdossier. Ook dient inzicht te worden verstrekt in lopende contracten met voorwaarden, rechten en plichten. 1.2.8 Stortgasverwerking De werkzaamheden en kosten die aan de stortgasonttrekking verbonden zijn in de nazorg dienen te worden opgenomen in het nazorgplan, ook indien de provincie stortgasonttrekking zal uitbesteden in de nazorg. Hier worden het verwerkingssysteem en de te verwachten verwerkingsperiode behandeld. Informatie wordt gegeven over het ontwerp en beheer van het systeem (vermelding van revisietekeningen, onderhoudshandleiding, P&ID, functionele omschrijving en verwijzing naar de betreffende documenten in het nazorgdossier). Ook te vermelden de samenstelling, inclusief de verontreinigingen, van het stortgas en de verwachte ontwikkeling daarvan en de wijze van inregeling van het stortgasonttrekkingssysteem in het veld. Tijdens de periode van actieve stortgasonttrekking wordt de energetische inhoud van stortgas benut (bijvoorbeeld door opwerking tot aardgaskwaliteit of elektriciteitsopwekking) en overtollig stortgas afgefakkeld. Het methaangehalte, en daarmee de calorische waarde van stortgas, zal in de nazorgperiode afnemen. Zolang het debiet en het methaangehalte voldoende zijn, wordt het netwerk van stortgasleidingen in stand gehouden, en wordt enkel de stortgasverwerking aangepast (overgang van fase ‘energetische benutting/affakkelen stortgas’ naar de fase ‘gasbehandeling met methaanreductie’). De “Handreiking methaanreductie stortplaatsen” (SenterNovem, 2007) is daarbij richtinggevend. Deze handreiking is in de bijlage van de Ministeriële regeling omgevingsrecht opgenomen als Nederlands Informatiedocument over BBT, en wordt ook gebruikt bij het opstellen van de omgevingsvergunning voor een stortplaats. Stortgasbenutting bij afnemend methaangehalte Het afnemende methaangehalte en het lagere stortgasdebiet geeft aanleiding tot aanpassingen. Bij bestaande stortgasmotoren is een methaangehalte van circa 45 procent de ondergrens voor een goede werking. Nieuwe installaties, zoals moderne biogasmotoren, kunnen stortgas met lagere methaangehalten verwerken. Afhankelijk van de techniek worden methaangehalten van 38 procent genoemd. Bestaande gasmotoren kunnen soms daarop worden aangepast. Nog lagere methaangehalten kunnen worden toegepast in microgasturbines, in experimentele situaties tot 15 procent en zelfs 12,5 procent methaan (Boerboom, Zegers, & Oonk, 2014). Ook de toepassing van Stirlingmotoren kan in de toekomst leiden tot benutting van stortgas tot minimaal 20 procent methaan (Seyfert, 2014). Stortgasverwerking door affakkelen Affakkelen (verbranden van stortgas) vindt plaats wanneer stortgas door onvoldoende kwaliteit niet kan worden benut of wanneer een benuttingsinstallatie in onderhoud of tijdelijk defect is. Standaard gaat het om gas met een methaangehalte van tenminste 40 procent. Door fakkels aan te passen kan gas met een laag methaangehalte worden verbrand, waardoor dit methaan niet in de atmosfeer komt. De aanpassing van een bestaande fakkel is mogelijk, echter kan deze overgedimensioneerd zijn vanwege de afname van het onttrokken debiet. Vervanging met een fakkel voor laagcalorisch gas is mogelijk. De huidige fakkeltechniek maakt verbranding van stortgas met methaanconcentraties van minimaal 12 procent mogelijk (Hofsttetter HOFGAS- MFO 1 en 2). De aanpassingen worden gebaseerd op technische haalbaarheid en kosteneffectiviteit. Zie voor een nadere uitwerking en inschatting van de kosten de “Handreiking methaanreductie stortplaatsen” (SenterNovem, 2007) en ‘Potentiële maatregelen voor de reductie van methaanemissies uit stortplaatsen’ (Zegers & Boerboom, 2009). Voor fakkels die in de nazorg aanwezig zijn en in de nazorg worden geamoveerd dient te worden vermeld of deze fakkels zijn voorzien van isolatiemateriaal dat zirkonium bevat en zo ja, geregistreerd zijn bij de ANVS. Dit materiaal kan van nature radio actief zijn en is aangetroffen in fakkels van het type Hofstetter EGH 06F-500EST en Hofstetter EGH 06F-500/0,3 s EST. Passieve stortgas onttrekking en verwerking Nadat de actieve stortgasonttrekking wordt beëindigd, zal passieve afvoer van stortgas over het algemeen nog nodig blijken te zijn. Als de eerder genoemde stortgasprognose geen duidelijkheid biedt, dan geldt als uitgangspunt dat passieve afvoer nodig is over een periode van 16 tot 30 jaar na aanleg van het laatste deel van de bovenafdichting. Rekening dient te worden gehouden met eventuele gefaseerde aanleg van de bovenafdichting (lang afgedichte stortdelen vormen vrijwel geen stortgas meer). Passieve afvoer kan door middel van de overdruk in een stortlichaam. Gasbehandeling is wenselijk uit oogpunt van klimaatveranderingen en noodzakelijk indien dit is voorgeschreven, of verwacht wordt dat emissienormen zullen worden overschreden of vanwege de veiligheid van gebruikers. Voor gasbehandeling kunnen bijvoorbeeld compostfilters, een minerale methaanreducerende laag, kleikorrels, actief kool, etc. worden toegepast (zie onder andere (Prechtl, Scholz, Faulstich, & Huber, 2007)). Het komt voor dat bij het ontwerp van de bovenafdichting al rekening gehouden met de plaatsing van methaanreducerende filters of de toepassing van minerale filtermedia (in de deklaag). Voor een effectieve reductie van methaanemissies is het noodzakelijk dat het methaan evenwichtig in de toplaag terechtkomt. Hiervoor is een verdeellaag onder de toplaag noodzakelijk. Deze laag verdeelt het aanbod van methaan vanuit het afvalpakket naar de toplaag. In tegenstelling tot organische filters zijn minerale filtermedia niet aan biologische afbraak onderhevig. Minerale filtermedia klinken naar verwachting niet in en behouden zodoende langer hun porositeit en daarmee hun oxiderend vermogen. De nazorginspanning voor minerale filtermedia is daarmee ook gering (Geck, Gebert, Röwer, Scharff, & Pfeiffer, 2013), en bestaat uit monitoring door inspectie van vegetatie en waar nodig het meten van de effectiviteit van de emissiereductie. In een onderzoek naar de efficiëntie van methaanoxidatie in een geoptimaliseerde methaan oxidatie laag werd een efficiency tot 99% bereikt. Dit vergt een goed ontwerp en juiste aanleg (Geck, Gebert, Röwer, & Pfeiffer, 2014) . Vanuit een Deens onderzoek werd in 2018 nog melding gemaakt van overwegend toepassing van compost voor bio-oxidatie van methaan (Peter Kjeldsen, LANDSS Forum Meeting 20 March 2018, Birmingham, UK). Het aantal emissiepunten waar eventueel behandeling nodig is afhankelijk van het aanwezige stortgassysteem van drainages, doorvoeren, bronnen en verzamelleidingen. Vaak kan het leidingennetwerk van het actieve stortgasonttrekkingssysteem worden gebruikt. In dat geval kan bijvoorbeeld op de plaats waar bronleidingen samenkomen (bijvoorbeeld gascollectoren) één methaanreducerend filter worden toegepast (bijvoorbeeld (Röwer, et al., 2011)). Als er nog geen systeem aanwezig is waar in het nazorgplan het passieve systeem op kan worden gebaseerd kan ter indicatie één emissiepunt per hectare worden aangehouden. 1.2.9 Peilbuizen Het grondwatermonitoringssysteem bestaat naast controledrains uit peilbuizen (bemonsteringsbuizen met één of meerdere filters op verschillende diepten). Beschrijf: aantal en type; diepte van filter(s); wijze van bescherming; jaar van plaatsing; staat en functioneren; x- en y-coördinaten; NAP hoogte, datum laatste hoogtemeting en frequentie hoogtemetingen; aanwezigheid van automatische peilregistratie apparatuur. 1.3 Locatiespecifieke voorzieningen en/of -maatregelen Niet elke stortplaats is aangelegd met de standaard milieubeschermende voorzieningen uit het Stortbesluit. Bij een aantal locaties zijn andere voorzieningen toegepast, is er sprake van een verontreiniging uit het verleden, of wordt reeds ingespeeld op het toekomstig falen van bepaalde voorzieningen. Dit betreft veelal locatiespecifieke (niet reguliere) IBC-maatregelen waarvan in de navolgende paragrafen een niet uitputtende, globale beschrijving is gegeven. Het nazorgplan beschrijft alle voorzieningen die voor de nazorgfase relevant zijn, inclusief bijzondere maatregelen die zijn of moeten worden genomen bijvoorbeeld vanwege arbeidsomstandigheden. Indien nog voorzieningen aanwezig zijn die in de nazorgfase niet worden ingezet, worden deze voorafgaand aan de nazorg verwijderd of beschreven in paragraaf 4.2 (amoveringen). 1.3.1 Civieltechnische voorzieningen Een verticaal scherm (bijvoorbeeld een damwand of cementbentonietwand) kan samen met de grondwateronttrekking onderdeel vormen van een geohydrologisch beheerssysteem (1.3.2). De constructie, het onderhoud en eventuele vervanging van het scherm worden beschreven. Ook dient vermeld te worden of een dergelijke voorziening binnen de exploitatieperiode aangebracht zal worden. Inzicht dient te worden gegeven in de kosten en voorwaarden die zijn gekoppeld aan de toepassing van een geohydrologisch beheerssysteem. In specifieke gevallen zijn op de stortplaats civieltechnische voorzieningen getroffen om het storten op delen met onvoldoende bodembeschermende voorzieningen mogelijk te maken. Onderhoud, monitoring en eventuele vervanging van (onderdelen van) deze voorzieningen, zoals bijvoorbeeld ‘tussenafdichtingen’ (zie 1.2.2) dienen in het nazorgplan opgenomen te worden. Verder wordt in voorkomende gevallen een tunnelconstructie toegepast. Ook deze dient in het nazorgplan te worden behandeld. 1.3.2 Grondwateronttrekking-/beheersing Er kunnen verschillende redenen zijn voor het realiseren van een grondwateronttrekking. Enerzijds kan het gericht zijn op het verlagen van de grondwaterstand onder het stort, om te kunnen voldoen aan de droogleggingseis voor de stortzool. Hierbij zal schoon water worden opgepompt dat waarschijnlijk relatief eenvoudig kan worden afgevoerd. Anderzijds kan de onttrekking gericht zijn op het saneren van een grondwaterverontreiniging. In veel gevallen zal bij een sanering een relatief uitgebreid programma van monitoring, controle en sturing uitgevoerd moeten worden. De duur van een grondwatersanering wordt hoofdzakelijk bepaald door de (na)levering van verontreiniging of het instandhouden van voldoende drooglegging van de stortzool. Onder bepaalde locatiespecifieke omstandigheden kan het mogelijk zijn dat de onttrekking min of meer 'eeuwigdurend' in stand gehouden moet worden. Voor het nazorgplan zijn de volgende zaken van belang: beschrijving van het aanwezige, of op zeer korte termijn aan te leggen onttrekkingssysteem (aantal putten, diepten, pompen, debieten, v.e.’s, lozingseisen, kabels en leidingen (ook buiten de terreingrens indien nodig voor de nazorg), telemetrie, debietmetingen); beoogde/verwachte jaar van aanleg van een in het urgentieplan geplande onttrekking; aspecten met betrekking tot onderhoud en vervanging (relatie met het jaar van aanleg) van het systeem. 1.3.3 Behandeling verontreinigd grondwater Bij een grondwateronttrekking gericht op de sanering of beheersing van een verontreiniging van het grondwater zal er gedurende een aanzienlijke periode water worden onttrokken dat elders of ter plaatse wordt behandeld. Het nazorgplan geeft inzicht in de verwachte periode van onttrekking, de onderhoudswerkzaamheden, de exploitatiekosten en de verwachte levensduur van het systeem. Dit betreft: beschrijving van het behandelingssysteem (aard, debiet, civiel, installaties, pompen, leidingen); aspecten met betrekking tot onderhoud en vervanging (relatie met het jaar van aanleg) van het systeem; afspraken en contracten met voorwaarden, vergunningsvoorschriften, rechten en plichten; kosten. 1.3.4 Afvoer/infiltratie van water De wijze van afvoer van al dan niet behandeld water is afhankelijk van de kwantiteit en kwaliteit van het water en van lokale mogelijkheden en lozingseisen. Mogelijkheden zijn: lozing op oppervlaktewater (heffing); afvoer via riool (heffing); afvoer via persleiding (onderhoud, heffing, zakelijk recht); infiltratie (onderhoud, vervanging). Het nazorgplan beschrijft de wijze waarop de afvoer van het water is geregeld, inclusief lozingsvoorschriften (vergunning toevoegen) en revisietekeningen. 1.3.5 Maatregelen ter voorkoming van vandalisme Peilbuizen, drainage- en inspectieputten, zuiveringsinstallaties etc. zijn gevoelig voor schade door vandalisme. Het nazorgplan beschrijft de beschermingsmaatregelen die hiervoor zijn of worden getroffen. 1.3.6 Bouwkundige voorzieningen Deze paragraaf beschrijft de tijdens de nazorgperiode in stand te houden bouwkundige voorzieningen: type, bouwjaar; staat van onderhoud; beveiligingsvoorzieningen (alarm, bliksembeveiliging, etc.); bijbehorende nutsvoorzieningen; aspecten met betrekking tot onderhoud en vervanging (relatie met jaar van realisatie). Alle overige bouwkundige werken worden voorafgaand aan de sluiting verwijderd of overgedragen aan derden, waarbij afspraken over gebruik van de bouwkundige werken op de locatie zorgvuldig in contracten worden vastgelegd. 1.3.7 Lekdetectie Een aantal stortplaatsen in Nederland heeft een bovenafdichting, waarvan de werking wordt gecontroleerd via lekdetectie. Lekdetectie kan worden toegepast als extra voorziening bij een combinatieafdichting, en kan ook in plaats van de minerale laag worden toegepast. De zekerheid op afdichting die de minerale laag geeft wordt dan overgenomen door het lekdetectiesysteem. De bovenafdichtingsconstructie van folie met lekdetectie wordt als een gelijkwaardig alternatief voor een referentieafdichting volgens de Richtlijn Dichte Eindafwerking (VROM, 1991) beschouwd als ook blijvend regelmatig lekdetectiemetingen uitgevoerd worden en gemeten lekkages binnen 10 dagen worden gerepareerd. Van het product Geologger is de gelijkwaardigheid door BOOG geaccepteerd (zie bijlage 4 van de checklist). De lekdetectie wordt vermeld in paragraaf 1.2.5 ‘Bovenafdichting’ van het nazorgplan, en wordt in paragraaf 1.3.7 van het nazorgplan verder beschreven. Van de lekdetectie wordt ten minste aangegeven: jaar van aanleg; wijze van onderhoud; restlevensduur; kosten; leverancier en type lekdetectie; meetmethode; meetnauwkeurigheid (minimaal detecteerbare gatgrootte, locatie lekkage); werkingsprincipe; meetfrequentie; melding- en rapportagevorm; installatieonderdelen; elektriciteitsverbruik; contracten met leveranciers en derden (contractduur, of het contract overdraagbaar is aan de nazorgorganisatie en de met de leverancier afgesproken waarborgen); toepasbaarheid onafhankelijk van leverancier; revisietekening. De toepassing van lekdetectie leidt tot een andere vorm van monitoring en controle van de bovenafdichting. De lekdetectiemeting wordt als nazorgactiviteit toegevoegd, en de inspectie van de bovenafdichting en overige metingen kunnen anders worden ingevuld. Het nazorgplan beschrijft in ieder hoofdstuk op welke wijze het gebruik van lekdetectie invloed heeft op de nazorginspanning. Het onderhoud, herstel en vervanging van het lekdetectiesysteem worden in het nazorgplan beschreven, en het elektriciteitsverbruik wordt vermeld. Ook wordt het lekdetectiesysteem meegenomen als onderdeel van de risicoparagraaf. 1.3.8 Overige voorzieningen Deze paragraaf beschrijft voorzieningen die na sluiting aanwezig blijven en gebruikt worden in de nazorgperiode. Dit zijn onder andere telemetriesystemen. Telemetrie Telemetriesystemen worden gebruikt bij pompinstallaties, waterzuivering en stortgasonttrekking en –verwerking en geo-elektrische lekdetectie systemen. De telemetriesystemen zorgen voor registratie van debieten en niveaumetingen, lekdetetectie metingen en worden ook gebruikt voor instelling van alarmeringen en schakelingen, en bij de aansturing van pompen etc. op afstand. Op de locatie worden een of meerdere centrale units opgesteld die door elektriciteit gevoed worden. De telemetriesystemen werken via een vaste of mobiele netwerkaansluiting. Van de telemetriesystemen wordt ten minste aangegeven: leverancier en type telemetriesysteem; werkingsprincipe; wijze van instellen, registratie en aansturing; benodigde hardware en software (versie, leverancier, licenties); installatieonderdelen; elektriciteitsverbruik; contracten met leveranciers en derden; jaar van aanleg; wijze van onderhoud; vervangingen; restlevensduur; kosten. Het nazorgplan beschrijft ook het beheer en onderhoud (paragraaf 3.2.4) en vervanging (paragraaf 4.1.4) van het telemetriesysteem inclusief de kosten (apart geraamd, niet met de percentuele range voor investeringskosten). Omdat percolaat en stortgas afnemen in de nazorg kan het gebruik van telemetrie daarbij van minder waarde worden in de nazorg. Bij storingen of schade aan de telemetrie kan mogelijk worden overgestapt op een eenvoudigere passende aansturing en controle. Omdat tijdelijke uitval/stilstand van een stortgasinstallatie in de nazorgfase niet tot een milieuhygiënisch onverantwoorde of onveilige situatie leidt, kan mogelijk volstaan worden met een eenvoudige storingsmelder. Nutsvoorzieningen Nutsvoorzieningen zijn nodig bij pompinstallaties, waterzuivering en stortgasonttrekking en –verwerking en geo-elektrische lekdetectie systemen en worden daarbij beschreven in het nazorgplan. 2 Monitoring en controle Voor de monitoring en controle van het grondwater is het Stortbesluit maatgevend. Relevant zijn de in het Stortbesluit beschreven begrippen toetsingswaarde en (het daaraan gekoppelde) interventiepunt (zie ook 1.1.7 Bodemkwaliteit). In het nazorgplan wordt, analoog aan de aanvraag om omgevingsvergunning dan wel in de omgevingsvergunning, een urgentieplan op hoofdlijnen beschreven, waarin wordt aangegeven welke maatregelen dienen te worden getroffen als een interventiepunt wordt bereikt. Het urgentieplan (artikel 9 Stortbesluit) op hoofdlijnen bevat ten minste: de te treffen maatregelen om verdere verspreiding van de verontreinigende stoffen te voorkomen. Voor zover geohydrologische maatregelen dienen te worden getroffen, dienen deze maatregelen in overeenstemming te zijn met de Richtlijn geohydrologische isolatie; de te treffen maatregelen om de veroorzaakte bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan te maken; de termijnen die in acht dienen te worden genomen bij het uitvoeren van de maatregelen. Bij daadwerkelijke overschrijding van een interventiepunt (VROM, 1993) dient: de overschrijding direct aan Gedeputeerde Staten te worden gemeld; een planning/plan van aanpak te worden ingediend waaruit moet blijken op welke wijze aan het gestelde in lid c zal worden voldaan; op basis van het urgentieplan op hoofdlijnen een uitgewerkt urgentieplan (het maatregelenpakket) te worden opgesteld, toegespitst op de dan actuele situatie. Bij de risico-evaluatie in hoofdstuk 5 wordt ingeschat of er een kans bestaat dat dit eventueel verwacht kan worden en zo ja, hoe groot die kans is, welke maatregelen dan zijn te verwachten en wat de kosten daarvan zijn. Naast de monitoringsverplichting die volgt uit de Wet milieubeheer, kan op de locatie ook monitoring moeten worden uitgevoerd ingevolge de: Waterwet (oppervlaktewater, grondwaterpeil bij grondwateronttrekkingen); Wet bodembescherming (Wbb) in geval van saneringssituaties. 2.1 Bemonstering en chemische analyses (waterkwaliteit) De exploitant geeft aan voor alle voorzieningen aan hoe deze gemonitord en gecontroleerd worden. Voor de frequentie van nazorgactiviteiten worden standaardfrequenties gehanteerd, onder andere conform de EU-richtlijn die is doorvertaald in het Stortbesluit. Daar waar deze richtlijnen voor specifieke zaken ontbreken, zijn op basis van diverse onderzoeken de gewenste frequenties vastgesteld. In bijlage 2 is een overzicht gegeven van standaard analysepakketten voor grondwater, percolaat en hemelwater. In (Boerboom & Meijden, IPO Deelonderzoek A1, 2002) is de monitoring tijdens de nazorg uitgebreid beschreven. Het is mogelijk dat op basis van de beschikbare monitoringsgegevens uit de exploitatiefase door een ter zake kundige geconcludeerd wordt dat met een efficiëntere (minder intensieve) maar betrouwbare monitoringsstrategie hetzelfde beschermingsniveau kan worden bereikt. Bijvoorbeeld door de bemonstering op te zetten vanuit verschillende meetlinies (controledrains, peilbuizen op terreingrens en peilbuizen op grotere afstand) en te werken met gidsparameters. Dit dient met het een evaluatie van alle onderling relevante locatiespecifieke monitoringsgegevens (percolaat, controledrainage, signaleringsdrainage, peilbuizen) te gebeuren. In principe gaat het nazorgplan voor de monitoring in de nazorg van het laatst voor de nazorg periode geactualiseerde monitoringsplan uit. 2.1.1 Controledrains onderafdichting (grondwater) Een goede werking van de onderafdichting en het controledrainagesysteem is noodzakelijk zolang significante nalevering van percolaat optreedt nadat de bovenafdichting is aangebracht. Hiertoe worden de controledrains regelmatig gecontroleerd door bemonstering en analyse van het water in deze drains. Wanneer geen significante nalevering meer optreedt (einde leegloop- en signaleringstijd), of de controledrains niet meer functioneren (einde levensduur) vervallen deze activiteiten en neemt het monitoringsnet van peilbuizen de controlefunctie over. De frequentie wordt bepaald door de stroomsnelheid van het grondwater ter plaatse: 1x/jaar bij een stroomsnelheid van 0-5 m/jaar; 2x/jaar bij een stroomsnelheid van 5-30 m/jaar; 3x/jaar bij een stroomsnelheid van meer dan 30 m/jaar. Bemonstering en analyse kunnen variëren. Aangezien het onduidelijk is welke stoffen uit een stortplaats kunnen uittreden wordt voor de analyses van het bemonsterde water in de nazorgfase in principe een uitgebreid analysepakket (pakket “grondwater bron” volgens bijlage 3) gehanteerd. Dit uitgebreide pakket dient standaard minimaal 1 keer per jaar te worden toegepast. Afwijking van de standaard is mogelijk indien aangetoond is dat locatiespecifieke omstandigheden hiertoe aanleiding geven. Bij de overige monitoringsronden kan worden volstaan met een beperkt grondwaterpakket (= een selectie van gidsparameters uit het pakket “grondwater bron”, zie bijlage 3). De selectie wordt bepaald door de meetresultaten van de percolaatkwaliteit uit het verleden. Tot aan het einde van de technische levensduur van de controledrains kan eventueel sprake zijn van een lagere frequentie en/of een geringer aantal monsters per keer, hetzij periodiek, hetzij vanaf een bepaald jaar continu. Een reden hiervoor kan bijvoorbeeld zijn dat de nalevering van percolaat sterk afneemt (zie voor leeglooptijd § 2.1.3) en de grondwaterkwaliteit al jaren constant is. De activiteit wordt geheel gestaakt zodra de technische levensduur van de controledrains is verstreken (controledrains zullen doorgaans niet worden vervangen). De activiteit wordt ook gestaakt als de levensduur nog niet verstreken is en er via een locatiespecifieke berekening of ervaringsgegevens aangetoond wordt dat minder dan 5 mm per jaar aan percolaat wordt gevormd (zie voor leeglooptijd § 2.1.3). De ‘percolaatdruk’ is dan verwaarloosbaar en een lekkage in de onderafdichting zal dan veel minder groot zijn met weinig effect op de grondwaterkwaliteit.. Met onzekerheid in de bepaling van de leeglooptijd en met de signaleringstijd (verblijftijd) tussen controledrains moet nog rekening worden gehouden. Voor de onzekerheid in de leeglooptijd en signaleringstijd worden 2 jaar respectievelijk 5 jaar aangenomen. In totaal wordt tot 7 jaar na de theoretische leeglooptijd het grondwater in de controledrains bemonsterd met de standaard frequentie en geanalyseerd op gidsparameters, tenzij onderbouwd (met bijvoorbeeld gegevens uit MER of vergunningaanvraag) wordt dat een andere periode toepasbaar is. Na deze periode wordt tot het einde van de levensduur rekening gehouden met jaarlijkse bemonstering van 1 controledrain per stortvak voor incidentele metingen (bij vermoeden van lekkage of naar aanleiding van visuele inspecties) en analyse op gidsparameters. De levensduur van gecertificeerde PVC drains (met kunststof omhulling) en gecertificeerde PE drains bedraagt in grondwater onder normale omstandigheden (lage temperatuur, geen overschrijding van de maximaal toelaatbare gronddruk, niet agressief milieu, geen grote zettingsverschillen) meer dan vijftig jaar, zie o.a. (Boels & Breen, 2001). De bovenstaande informatie wordt in het nazorgplan opgenomen: beschrijving van de wijze van monstername (afpompvolume, individuele drains etc.); beschrijving van de monitoring (aantal monsters, kosten per monster, periodiciteit, beginjaar, eindjaar); criteria (interventiepunt) waaraan de aangetroffen kwaliteit van het grondwater moet voldoen; maatregelen, die getroffen dienen te worden bij overschrijding van de gestelde criteria (verwijzing naar het urgentieplan op hoofdlijnen); de te monitoren controledrains per stortcompartiment (indien verschillend, dan apart beschrijven). Indien het meest recente monitoringsrapport de bovengenoemde informatie bevat kan deze aan het nazorgplan worden toegevoegd en kan met een beknopte beschrijving in het nazorgplan worden volstaan. Signaleringsdrains (zie § 1.2.1) Bij signaleringsdrains zal, indien aanwezig, bemonstering alleen nodig zijn als op basis van visuele inspectie (vrijkomend water, verkleuring e.d.) er een indicatie van lekkage is. De inspectie- en eventuele bemonsteringsfrequentie dienen te worden afgestemd op het in de exploitatiefase toegepaste (goedgekeurde) monitoringsplan. 2.1.2 Peilbuizen voor grondwaterbemonstering Om het optreden van verontreinigingen door falende voorzieningen te kunnen constateren wordt het grondwater in de peilbuizen van het grondwatermonitoringsnet periodiek gecontroleerd door bemonstering en analyse. Deze monitoring vindt eeuwigdurend plaats. De frequentie wordt bepaald door de stroomsnelheid van het grondwater ter plaatse: 1 keer per jaar bij een stroomsnelheid van 0-5 m/jaar; 2 keer per jaar bij een stroomsnelheid van 5-30 m/jaar; 3 keer per jaar bij een stroomsnelheid van meer dan 30 m/jaar. In bijlage 2 zijn de van toepassing zijn de standaard grondwaterpakketten (en selecties van gidsparameters daaruit) weergegeven. Locatiespecifieke afwijkingen dienen nader te worden onderbouwd, op basis van het goedgekeurde monitoringsplan en een evaluatie van alle onderzoeksresultaten. Onder deze locatiespecifieke afwijkingen wordt ook de toepassing van een lekdetectiesysteem verstaan. Door het aantonen van lekdichtheid kan de monitoringsinspanning worden aangepast (maar niet beëindigd). De bovenstaande informatie wordt in het nazorgplan vertaald naar de locatiespecifieke omstandigheden. Hierbij komen de volgende zaken aan de orde: beschrijving van de methodiek (aantal monsters, kosten per monster, periodiciteit, beginjaar, eindjaar); criteria (interventiepunt) waaraan de aangetroffen kwaliteit van het grondwater moet voldoen; maatregelen, die in hoofdlijnen getroffen dienen te worden bij overschrijding van de gestelde criteria (verwijzing naar het urgentieplan op hoofdlijnen); de te monitoren peilbuizen (indien voor bepaalde filters verschillende analysepakketten worden gehanteerd, dan dienen deze apart beschreven te worden); keuze van specifieke aanvullende parameters vanwege de afvalsamenstelling of gesignaleerde verhoogde concentraties in het grondwater. Indien het meest recente monitoringsplan de bovengenoemde informatie bevat kan deze aan het nazorgplan worden toegevoegd en kan met een beknopte beschrijving in het nazorgplan worden volstaan. 2.1.3 Leeglooptijd en percolaatkwaliteit Leeglooptijd Na het aanbrengen van de bovenafdichting vindt nog een aantal jaren nalevering van percolaat plaats. Om dit percolaat te verwijderen en om inzicht te houden in de uitloogprocessen in het stort is debietmeting, bemonstering en analyse van percolaat per stortcompartiment noodzakelijk. Monitoring van het percolaat zal plaats moeten vinden totdat er geen of nauwelijks percolaat meer wordt gevormd. Uit de nazorg ervaringen3 Ingebracht voor de actualisaties, besproken in voortgangsoverleg en beschikbaar gesteld aan de begeleidingscommissie met leegloop blijkt dat berekening van de leegloop volgens de voorgaande checklist leidt tot een leeglooptijd die in de praktijk vaak veel langer blijkt. Als uitgangspunt voor nalevering wordt daarom in deze checklist van een langere nalevering uitgegaan: Na het aanbrengen van de bovenafdichting de eerste 3 jaar een jaarlijkse afname met 50% en daarna een jaarlijkse afname met 30%, tot een waarde van 5 mm/jaar (50 m3/ha/jaar). Daarna wordt gerekend met een periode van 10 jaar waarin er nog een nalevering van 5 mm/j plaatsvindt (zie bijlage 3). De onzekerheid over de omvang van de leegloop kan worden beperkt met goede (gekalibreerde) meetgegevens van percolaatvorming van open en al afgedekte stortcompartimenten, jaarlijkse hoeveelheden percolaat in de prenazorgfase tot vlak voor de sluitingsverklaring en gemeten neerslag. Dat levert goede informatie voor een onderbouwde en definitieve inschatting van de nazorginspanning. Indien de informatie ontbreekt voor een goed onderbouwde inschatting van de leegloop kan een inzicht in de mate van onzekerheid eenvoudig worden verkregen door de leegloop te berekenen voor verschillende hoeveelheden aanwezig percolaat op moment van afdichten (zie Bijlage 3). De percolaatafvoer kan langer duren indien het afvalpakket nog veel vocht bevat bij het aanbrengen van de bovenafdichting. Aspecten die daarbij een rol spelen zijn de factoren die de verblijftijd bepalen zoals de dikte van het afvalpakket, samenstelling van het afval, voorkeurskanalen, slecht doorlatende lagen, compartimentering van de stortplaats en eventuele accumulatie van vocht bij langdurig openliggen van het bovenvlak. De percolaatafvoer kan ook in kortere tijd afnemen of stoppen; ook dit zal met meetgegevens onderbouwd moeten worden De frequenties en uitvoeringstermijnen van de volgende activiteiten die gekoppeld zijn aan de leeglooptijd worden daarop afgestemd: monitoring percolaat; inspectie en onderhoud percolaatdrains en -leidingen; percolaatzuivering en/of percolaatafvoer; lozing van (voorgezuiverd) percolaat. Hierbij geldt dat rekening moet worden gehouden met de fasering: de nalevering van de eerste fasen van een stortplaats die van een bovenafdichting zijn voorzien kan al gestopt zijn terwijl de laatst afgedichte fase(
- n)nog percolaat naleveren. Percolaat monitoring De monitoring van percolaat dat vrijkomt volgt uit het vigerende monitoringsplan c.q. vergunningvoorschrift. Daar kan vanaf worden geweken indien de voorziene monitoring in de nazorg gedurende de leegloop en de wijze van verwerking van percolaat daar toe aanleiding geeft. In het nazorgplan wordt hiervoor dan een onderbouwing opgenomen. Analysepakket Als analysepakket wordt in principe het percolaat pakket (zie bijlage 2) gehanteerd. Indien er aanleiding voor bestaat (bepaald soort afval, resultaten monitoring uit het verleden) kan het analysepakket worden aangepast. Het verdient aanbeveling om de Waterwetvergunning als bijlage aan het nazorgplan toe te voegen. Frequentie Vanuit de EU Richtlijn storten dient het percolaat 2 keer per jaar te worden onderzocht met een monster dat representatief is voor de gemiddelde samenstelling. Voor de monitoring wordt uitgegaan van het vigerende monitoringsplan. Periode De bovenafdichting wordt aangelegd voordat de onderafdichting niet meer goed functioneert; volgens het Stortbesluit moet de bovenafdichting zo spoedig als technisch mogelijk, maar binnen 30 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting, worden aangelegd. Voor de pilot en uitstel stortplaatsen in de regelgeving van duurzaam stortbeheer is hier tijdelijk uitstel aan verleend, uitgaande van een levensduur van minimaal 50 jaar van de onderafdichtingen en uitgaande van een nog functionerende percolaatdrainage en -afvoer. Het is aannemelijk dat de kwaliteit van de bovenafdichting dan beter is dan de kwaliteit van de onderafdichting, en dat de hoeveelheid water die (in theorie) infiltreert via de bovenafdichting kleiner is dan de infiltratie van percolaat door de onderafdichting. Het is dan ook niet reëel te verwachten dat aan percolaatvorming gerelateerde activiteiten eeuwigdurend worden voortgezet. Dit betekent ook dat geen aanvullende maatregelen in het nazorgplan opgenomen hoeven te worden om bijvoorbeeld na het einde van de levensduur van de percolaatdrainage nog percolaat te kunnen afpompen. De voorgaande informatie dient in het nazorgplan te worden vertaald naar de locatiespecifieke omstandigheden. Hierbij komen de volgende zaken aan de orde: de genoemde standaard nalevering en leeglooptijd, of indien gegevens van de prenazorgfase bekend zijn een locatiespecifieke benadering van de ontwikkelingen van de percolaatafvoer; beschrijving van de methodiek (aantal monsters, kosten per monster, periodiciteit, beginjaar, eindjaar); criteria waaraan de aangetroffen kwaliteit van het percolaat moet voldoen (relatie met Waterwetvergunning); maatregelen, die getroffen dienen te worden bij overschrijding van de gestelde criteria; de te monitoren percolaatdrains/-putten per stortcompartiment. 2.1.4 Percolaatzuivering en lozing Percolaatzuivering De werkzaamheden en kosten die aan die zuivering en lozing verbonden zijn dienen te worden opgenomen in het nazorgplan, ook als wordt voorzien dat de provincie percolaatzuivering en lozing zal uitbesteden in de nazorg. Indien het percolaat op de locatie zelf wordt gezuiverd is controle van de zuivering door bemonstering en analyse van het influent en effluent van de zuiveringsinstallatie noodzakelijk. De bemonstering van effluent is ook voor de lozing noodzakelijk. Met het oog op de exploitatie van de zuivering is het noodzakelijk inzicht te hebben in de te verwachten ontwikkeling van de jaarlijkse hoeveelheid en kwaliteit van het percolaat (zie § 2.1.3: percolaatdrainage en leeglooptijd). Lozing effluent of percolaat In geval van lozing op oppervlaktewater wordt uitgegaan van een Waterwetvergunning als volgt: Monstername en analyse Standaardfrequenties: in (Boerboom & Meijden, Deelonderzoek A3, 2002) is uitgegaan van 12 keer per jaar bemonsteren volgens de vigerende Waterwetvergunning (of een andere frequentie als die in vigerende vergunning is voorgeschreven), gedurende 10 jaar na het aanbrengen van de bovenafdichting. Ook de analyse van de watermonsters vindt plaats conform de vigerende Waterwetvergunning. De bemonsteringsperiode is echter afhankelijk van de periode van nalevering conform § 2.1.3. In overleg met de waterkwaliteitsbeheerder kan de frequentie worden teruggebracht naar (minimaal) 2 keer per jaar, conform de Richtlijn Storten (EU, 1999). Dit dient door de waterkwaliteitsbeheerder schriftelijk te worden bevestigd. Er wordt uitgegaan van één controlepunt voor de lozing. De monsternames vinden plaats tot het einde van de levensduur van het percolaatdrainagesysteem, of korter als er geen percolaat meer wordt gevormd (zie § 2.1.3). Bij beperkte fluctuaties in waterkwaliteit en waterhoeveelheden kan met minder hoge frequenties worden volstaan, mits de waterkwaliteitsbeheerder dit toestaat. Deze frequentieverlaging kan plaatsvinden op basis van een betrouwbare onderbouwing (statistisch voldoende meetresultaten uit het verleden). Opgemerkt wordt dat met het oog op de vaststelling van een lozings- of zuiveringsheffing (tijdelijk) een hogere frequentie kan worden opgelegd. In geval van lozing van percolaat op de RWZI wordt van het volgende uitgegaan: De percolaatkwaliteit is sterk afhankelijk van de afvalsamenstelling en de leeftijd van het afval. Het is aan te bevelen om tijdens de exploitatie de percolaatkwaliteit per compartiment te monitoren en op basis daarvan de gewogen gemiddelde vervuilingsgraad van het percolaat (uitgedrukt in v.e. per m3) te bepalen. Het gewogen gemiddelde kan gebruikt worden voor het locatiespecifiek vaststellen van de zuiveringslasten in de nazorgperiode. Als er geen indicatie op basis van beschikbaar gestelde percolaatgegevens beschikbaar is kan een bandbreedte van 0,03 tot 0,13 v.e. per m3 worden gehanteerd. De bovenstaande informatie wordt in het nazorgplan vertaald naar de locatiespecifieke omstandigheden. Hierbij komen de volgende zaken aan de orde: beschrijving van de methodiek (aantal monsters, kosten per monster, periodiciteit, beginjaar, eindjaar); criteria waaraan de aangetroffen kwaliteit van het effluent moet voldoen (Waterwetvergunning); maatregelen, die getroffen dienen te worden bij overschrijding van de gestelde criteria; de te monitoren monsternamepunten. b. Overige waterstromen, bijvoorbeeld van een grondwaterontrekking Voor de lozing van de overige waterstromen (influent en effluent onttrekkingen, etc.) dient per stroom de monitoringsstrategie te worden vastgelegd. Bij het bepalen van de monitoringsstrategie dient rekening te worden gehouden met de voorschriften uit de Waterwetvergunning en voorschriften uit de van toepassing zijnde verordening zuiveringsheffing van het waterschap. Monitoring van influent en effluent vindt plaats om het rendement van een zuivering te bepalen. 2.1.5 Hemelwaterdrainage Bijlage III van de EU Richtlijn Storten (EU, 1999) betreft de controle- en toezichtprocedures in de exploitatie- en nazorgfase. Deze bijlage III gaat niet specifiek in op monitoring van hemelwaterdrainage. In het Stortbesluit wordt ook geen invulling gegeven aan monitoring van de hemelwaterdrainage. Als de percolaatdrainage en -afvoer en de bovenafdichting goed functioneren, en er is in de exploitatiefase geen sprake geweest van zijdelings uittredend percolaat (via taluds), is het niet waarschijnlijk dat er na aanleg van de bovenafdichting vanuit het stortlichaam beïnvloeding van de kwaliteit van hemelwater kan optreden. Dit geldt ook zodra de nalevering van percolaat kleiner dan 5 mm per jaar is. Ook als een lekdetectiesysteem in de bovenafdichting is toegepast is beïnvloeding vanuit het stortlichaam niet aannemelijk. Monitoring van de kwaliteit van hemelwater is in die situaties dan ook niet nodig. Zodra er bij de aanleg van de bovenafdichting grond of bouwstoffen binnen de wettelijk kaders zijn toegepast (te beschrijven in paragraaf 1.2.5) die de kwaliteit van het hemelwater negatief kunnen beïnvloeden, dan zal mede in het kader van lozing van hemelwater op oppervlaktewater of bodem moeten worden beoordeeld of kwaliteitsmetingen noodzakelijk zijn. Dit vraagt om een locatiespecifieke benadering, en wordt in het nazorgplan vertaald naar de locatiespecifieke omstandigheden. In het nazorgplan wordt daarom aan de hand van ontwerp-, exploitatie- en revisiegegevens een onderbouwde beoordeling gegeven of monitoring van de hemelwaterkwaliteit noodzakelijk is. Aspecten die in de beoordeling aandacht verdienen zijn de aard van de in de bovenafdichting toegepaste bouwstoffen, de kwaliteit van de bovenafdichting en de eisen (bijvoorbeeld macroparameters) die vanuit een lozingsvergunning, of vanuit de zorgplicht bij het afvoeren van hemelwater naar oppervlaktewater of bodem, zijn gesteld. Eisen die de waterkwaliteitsbeheerder (oppervlaktewater) of gemeente (infiltratie) stelt voor wat betreft de monitoring en tijdsduur moeten worden nagekomen en in het nazorgplan zijn beschreven. Verder is het zinvol om metingen uit te voeren om aan omwonenden en andere belanghebbenden aan te tonen dat de bodembeschermende voorzieningen goed functioneren. Als monitoring van de hemelwaterkwaliteit zinvol is, dienen de volgende aspecten te worden beschreven: methodiek (aantal monsters, analysepakket, kosten per monster, periodiciteit, beginjaar, eindjaar (bijvoorbeeld afhankelijk van uitloging uit dekgrond)); voorschriften bemonstering en toetsingscriteria (o.a. vanuit Waterwet) lozingspunt(en); de te monitoren monsternamepunten. 2.1.6 Oppervlaktewater De kwaliteit van het oppervlaktewater in de nabijheid van een stort kan worden beïnvloed door: directe lozing van bijvoorbeeld effluent van de waterzuivering; directe oppervlakkige afstroming van verontreinigd hemelwater van het stort; toestroming van verontreinigd grondwater. In de nazorgfase dient volgens bijlage III van de EU Richtlijn Storten halfjaarlijks de hoeveelheid en samenstelling van het oppervlaktewater te worden vastgesteld. Als voetnoot is hierbij aangegeven: “Op grond van de kenmerken van het stortterrein mag de bevoegde instantie bepalen dat deze niet vereist zijn; zij brengt dienovereenkomstig verslag uit volgens de procedure van artikel 15 van de Richtlijn”. In de EU Richtlijn Storten is geen eis gesteld aan analysepakketten voor beoordeling van de samenstelling van oppervlaktewater. In artikel 8a van het Stortbesluit wordt het volgende gesteld: Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voorschriften, inhoudende de verplichting de hoeveelheid en de samenstelling van het in de omgeving van de stortplaats aanwezig oppervlaktewater driemaandelijks vast te stellen; bemonstering geschiedt op ten minste twee door het bevoegd gezag aan te geven punten, één stroomopwaarts en één stroomafwaarts. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bepalen dat de metingen van de hoeveelheid en samenstelling van het oppervlaktewater: op grond van kenmerken van de stortplaats niet vereist zijn, dan wel minder frequent mogen worden uitgevoerd als de evaluatie van de gegevens aangeeft dat langere tussenpozen even effectief zijn. In artikel 9, lid 2 van het Stortbesluit wordt gesteld: “Onze Minister kan nadere regels stellen, inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag aan de vergunning voorschriften te verbinden, waarvan de inhoud in die regels is aangegeven, met betrekking tot (…) d. de bemonstering van het oppervlaktewater”. Kwaliteitsonderzoek van oppervlaktewater in de nazorgfase wordt daarom alleen uitgevoerd als hiervoor in de exploitatiefase een verplichting (vanuit de vergunningvoorschriften) bestond, en afhankelijk van het type oppervlaktewater: bij bijvoorbeeld (snel) stromend oppervlaktewater is bemonstering en analyse niet zinvol. Indien tijdens exploitatie geen metingen worden voorgeschreven zijn die ook niet van toepassing in de nazorg. De periode waarin oppervlaktewater wordt onderzocht is afhankelijk van de lokale situatie. Het ligt voor de hand om de monitoring van oppervlaktewater te beëindigen zodra: er geen nalevering van percolaat uit het stortlichaam meer optreedt, en er geen uitloging meer optreedt van grond of bouwstoffen die binnen de wettelijk kaders in de bovenafdichting zijn toegepast (te beschrijven in paragraaf 1.2.5) waarbij de kwaliteit van het oppervlaktewater negatief kan worden beïnvloed, en er in het grondwater geen verontreinigingen zijn aangetroffen die kunnen leiden tot beïnvloeding van het oppervlaktewater. De monitoringsfrequenties worden afgestemd op locatiespecifieke omstandigheden zoals de aard (gebruik) van het betreffende oppervlaktewater; de standaardfrequentie is 2 keer per jaar. Analysepakket De bijlage behorende bij artikel 13, eerste lid van de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming stelt als doel voor monstername en analyses van het oppervlaktewater: bepaling van run-off water in de ringsloot; bepalen van de beïnvloeding van de werking en capaciteit van de zuiveringsinstallatie. De gehalten van verontreinigingen in het oppervlaktewater zijn laag. Consequenties voor onderzoek, conservering en analyse: de metingen zijn voornamelijk gericht op kwaliteitsparameters (zouten, macroparameters en zuurstofgehalte), minder op verontreinigingsparameters. Uitgangspunten bij de selectie van te analyseren parameters voor het oppervlaktewater zijn: de percolaatsamenstelling en de samenstelling van het gestorte afval; de toegepaste bouwstoffen in de bovenafdichting (zie § 2.1.5); samenstelling van het grondwater tussen de stortplaats en het oppervlaktewater; samenstelling van het oppervlaktewater (bovenstrooms); voorschriften in de Waterwetvergunning; goedgekeurde monitoringsplan. Beïnvloeding van de oppervlaktewaterkwaliteit kan vooral worden beoordeeld via macroparameters (zoals bijvoorbeeld zouten). Zolang er nog zuivering plaatsvindt, en er wordt geloosd op het oppervlaktewater, dienen analyses in het kader van de lozingsvergunning te worden uitgevoerd. Vaak is dat het percolaat pakket (zie bijlage 3). In overige gevallen kan een beperkt pakket van macroparameters (CZV, chloride, sulfaat, stikstof-Kj, pH, EC) worden toegepast, tenzij er aanleiding is om specifieke verontreinigingen in het oppervlaktewater te verwachten. Voor het toetsen van de kwaliteit van het oppervlaktewater zijn oppervlaktewaternormen van toepassing, en dient tevens te worden getoetst aan de waterkwaliteit bovenstrooms van de locatie. De voorgaande informatie dient in het nazorgplan te worden vertaald naar de locatiespecifieke omstandigheden. Hierbij komen de volgende zaken aan de orde: beschrijving van de methodiek (aantal monsters, kosten per monster, periodiciteit, beginjaar, eindjaar); criteria waaraan de aangetroffen kwaliteit van het oppervlaktewater moet voldoen (relatie met de Waterwetvergunning); maatregelen, die getroffen dienen te worden bij overschrijding van de gestelde criteria; de te monitoren monsternamepunten (minimaal 1 boven- en 1 benedenstrooms). Bij stortplaatsen die nog in exploitatie zijn worden de monsternamepunten in de omgevingsvergunning vastgelegd. Deze monsternamepunten kunnen ook in de nazorgfase worden gehanteerd. 2.1.7 Overige grondwateronttrekking/-beheersing Indien sprake is van grondwateronttrekking op de locatie, zoals bijvoorbeeld een permanente onderbemaling of saneringsmaatregel, dan wordt hier een beschrijving gegeven van de grondwateronttrekking en de duur van deze onttrekking zoals vergund: beschrijving van de methodiek (aantal monsters, kosten per monster, periodiciteit, beginjaar, eindjaar); toetsingscriteria; vergunningvoorschriften: eisen die worden gesteld aan monitoring van de grondwateronttrekking; maatregelen, die in hoofdlijnen getroffen dienen te worden bij overschrijding van de gestelde criteria (verwijzing naar het urgentieplan op hoofdlijnen); de te monitoren peilbuizen (indien voor bepaalde filters verschillende analysepakketten worden gehanteerd, dan dienen deze apart beschreven te worden). In het kader van onderhoud van pomp- of infiltratiefilters zijn metingen gericht op het functioneren van deze filters noodzakelijk. Deze metingen worden als onderdeel van het reguliere onderhoud van het onttrekkingssysteem beschouwd, zoals beschreven in § 3.2.4 (onderdeel regeneratie pomp- en infiltratiefilters). 2.2 Metingen en visuele inspecties 2.2.1 Klink en zetting Klink en zetting zijn twee onomkeerbare processen die optreden bij stortplaatsen. Onder ‘klink’ wordt in dit geval verstaan ‘het afnemen van de dikte van het afvalpakket’ als gevolg van een combinatie van factoren, waaronder bovenbelasting en afbraakprocessen in het stortlichaam. Zetting is het proces waar grond onder invloed van een belasting wordt samengedrukt; deze term wordt bij stortplaatsen vooral gebruikt in relatie tot de ondergrond (onder de onderafdichting). Zetting Voor en tijdens de exploitatiefase wordt in zettingsgevoelige gebieden de zetting onder een stortplaats gemeten, bijvoorbeeld door toepassing van zakbaken of door hoogtemeting van het daartoe meest geschikte drainagesysteem of speciaal daarvoor aangelegde zettingsslangen. Daarbij wordt met druksensoren de hoogteligging van de leiding - en daarmee de zetting - gemeten. De verkregen data worden getoetst aan de initiële zettingsprognose. De zettingsmetingen die zijn gericht op de ondergrond worden in de nazorgfase uitgevoerd totdat een groot deel van de zetting heeft plaatsgevonden. De exacte periode dient op basis van zettingsprognoses in het nazorgplan te worden vastgesteld. Factoren die daarbij een rol spelen zijn: zettingsgevoeligheid van de ondergrond; hoogte onderzijde afvalpakket ten opzichte van GHG; toelaatbare (verschil)zetting; reeds opgetreden zetting (per aanlegfase); prognose van de nog te verwachten zetting van de ondergrond, in relatie tot de aangebrachte belasting (afvalpakket, bovenafdichting, deklaag). Uit de zettingsprognose blijkt hoeveel zetting er nog zal optreden, en in welk tijdsbestek. De verkregen data in de nazorgfase worden getoetst aan de zettingsprognose. De meetfrequentie is afhankelijk van de meetfrequentie tijdens de exploitatiefase, en zal in de nazorgfase 1 keer per jaar moeten plaatsvinden om extrapolatie van meetgegevens mogelijk te maken. Als standaard voor de periode dat zettingsmetingen zullen plaatsvinden kan een periode van vijf jaar na het aanbrengen van de (laatste fase van
- de)bovenafdichting worden gehanteerd. Op basis van zettingsgevoeligheid van de ondergrond, locatiespecifieke zettingsprognoses en de nauwkeurigheid van toepasbare meetmethoden kunnen frequentie en/of periode worden aangepast. Klink Het afnemen van de dikte van het afvalpakket kan van invloed zijn op de bovenafdichting, vooral als er op korte afstand grote verschillen optreden. Grote verschillen kunnen bijvoorbeeld ontstaan door ongelijkmatig volstorten of op een overgang van stortfasen. Dit kan door middel van (regelmatige) visuele inspecties worden waargenomen, en hoogtemetingen van het terrein bieden daarbij een hulpmiddel voor onderbouwing van de waarnemingen (Pereboom, Knoeff, Thijssen, & Meesters, 2010). De klink van het stortlichaam zal geleidelijk afnemen, en afhankelijk van de opbouw van het stort en de samenstelling van het afval, binnen een periode van 10 tot 30 jaar na aanleg van de bovenafdichting vrijwel nihil zijn. De grootste verschillen in klink worden in de beginperiode tot vijf jaar na aanleg van de bovenafdichting verwacht. In bijlage 3 van de EU Richtlijn Storten is aangegeven dat ‘aflezing’ van het inklinkingsgedrag van de gestorte massa in de nazorgfase jaarlijks moet plaatsvinden. Er is geen eindtermijn voor deze aflezing aangegeven. Gelet op de hierboven beschreven afname van de klink kan eeuwigdurende lezing van de klink, zoals gesteld in de EU Richtlijn, als niet doelmatig worden beschouwd. De meting van klink zal derhalve 1 keer per jaar worden uitgevoerd gedurende de eerste vijf jaar na aanleg van de (laatste fase van
- de)bovenafdichting. Wordt een sterke klink verwacht, bijvoorbeeld omdat delen van het stort binnen korte tijd over een grote hoogte zijn volgestort, dan is een frequentie van 2 keer per jaar op deze delen van het stort nodig. Na de eerste periode van vijf jaar kan de meting worden teruggebracht tot 1 keer per 5 jaar, totdat de afbraakprocessen in het stortlichaam minimaal zijn. Voor de afbraakprocessen kan, in relatie tot stortgasvorming, een periode van circa dertig jaar na het aanbrengen van de bovenafdichting worden aangenomen. Voor oude stortvakken of stortplaatsen met weinig of geen afbraakprocessen kan deze periode worden verkort tot 10 jaar na het aanbrengen van de bovenafdichting. Samengevat zijn de volgende factoren bepalend: samenstelling van het afval; mate van verdichting tijdens de exploitatie; snelheid van volstorten (vooral bij laatste stortfase(
- n)van belang); optreden van klink; periode tussen aanbrengen van het afval en begin van de nazorg: bij oudere stortvakken (>10 jaar) is klink bijvoorbeeld grotendeels opgetreden; afschot van het bovenvlak. Bij sluiting zal definitief moeten blijken uit de klinkmetingen tot dat moment (en historie van stortvakken) wat de daarmee samenhangende frequentie van de metingen moet worden. De bovenstaande informatie wordt in het nazorgplan vertaald naar de locatiespecifieke omstandigheden. Hierbij komen de volgende zaken aan de orde: beschrijving van de toegepaste methodiek: bijvoorbeeld met vaste punten gemarkeerd in het veld of metingen in een vast raster met GPS of metingen met een drone; criteria waarbinnen de optredende (verschil)zettingen dienen te blijven; maatregelen, die getroffen dienen te worden bij overschrijding van de gestelde criteria; de te monitoren compartimenten; toegepaste frequenties en de doorlooptijd; de in gebruik zijnde meetpunten (weergave op tekening) of dichtheid van rasterpunten; wijze van beoordelen; kosten van monitoring (inclusief beoordeling). Verandering van storthoogtes treedt op door klink en zetting. Het monitoren van de veranderingen van storthoogtes met gebruik van een drone/vliegtuig in plaats van het gebruik van rastermeting of meettegels vertegenwoordigt meer aandacht en kosten. Daarom wordt dit als te locatiespecifiek gezien en niet meegenomen in de standaard prijsbandbreedtes. 2.2.2 Dikte afdeklaag Als de afdeklaag dunner wordt, wordt de kans op beschadiging van de hemelwaterdrainage en de daaronder gelegen afdichtende lagen groter. Oorzaken kunnen zijn: het toepassen van klinkgevoelige grond (veen of sterk humushoudende grond), het terreingebruik (veepaden, etc.) en erosie. Erosie door afspoeling treedt geleidelijk op en kan in Nederland gemiddeld circa 10 ton per hectare per jaar (circa 1mm/jaar) bedragen (mondelinge mededeling D. Boels, d.d. 29 januari 2008). Plaatselijk kan snellere afspoeling door erosie optreden, bijvoorbeeld daar waar oppervlakkig afstromend water samenkomt, de vegetatie onvoldoende ontwikkeld is of als er steile taluds aanwezig zijn. Vooral door visuele inspectie, maar ook door regelmatig de dikte van de afdeklaag te meten, kunnen tijdig maatregelen worden genomen om beschadiging aan de bovenafdichting van de stortplaats te voorkomen. Deze metingen zijn in principe 'eeuwigdurend'. Er zijn drie momenten waarop gemeten moet worden: Standaard metingen ter verificatie van de (gemiddelde) laagdikte. Deze metingen kunnen gelijktijdig met het materiaalonderzoek van de afdichtingslagen (zie § 2.2.6) worden uitgevoerd, en vergen dan vrijwel geen extra handelingen. De standaardfrequentie van laagdiktemeting wordt derhalve gekoppeld aan de frequentie van materiaalonderzoek, en de kosten daarvan worden niet apart geraamd; Periodieke meting van laagdikten op kwetsbare plaatsen: bijvoorbeeld als er sterk veenhoudende grond is toegepast, of als er erosiegevoelige grond is toegepast op erosiegevoelige delen, bijvoorbeeld taluds en greppels. Hier kan op een aantal vaste punten periodiek de laagdikte worden gemeten. In het ontwerp wordt bij voorkeur gekozen voor materialen die niet inklinken of erosiegevoelig zijn. Incidentele meting van de laagdikte naar aanleiding van visuele inspectie. Deze laagdiktemeting vindt plaats als bij visuele inspectie is gebleken dat de laagdikte afneemt (door processen zoals bij punt 2 zijn beschreven). De bovenstaande informatie wordt in het nazorgplan vertaald naar de locatiespecifieke omstandigheden. Hierbij komen de volgende zaken aan de orde: beschrijving van de toegepaste methodiek; criteria waarbinnen de aangetroffen dikten van de afdeklaag dienen te blijven; de te monitoren compartimenten; toegepaste frequenties en de doorlooptijd; de in gebruik zijnde meetlocaties (weergave op tekening); kosten van monitoring. 2.2.3 Grondwaterstanden De zool van het stort mag niet in contact komen met het grondwater. Hiertoe dient aan de droogleggingseis te worden voldaan (zie §1.1.6). De grondwaterstand is verder van belang bij een grondwaterbeheersing of -onttrekking. Controle van de grondwaterstand dient regelmatig te worden uitgevoerd (‘eeuwigdurend'). De metingen kunnen zowel handmatig (peillint/klokje) als automatisch worden uitgevoerd (drukopnemers met dataloggers). Standaardfrequentie: in principe dienen de grondwaterstanden 2 keer per jaar gemeten te worden (conform de EU-richtlijn Storten). Dit is voldoende als de fluctuatie van de grondwaterstanden gelijk is aan metingen van het landelijk meetnet in de nabijheid van de stortplaats (binnen hetzelfde geohydrologisch systeem). Wanneer bij een stortplaats sprake is van een geohydrologische isolatie of sterk afwijkende grondwaterstanden (gerelateerd aan de amplitude binnen het landelijke meetnet, beschikbaar via www.dinoloket.nl), wordt een meetfrequentie van 2 keer per maand (op de 14e en 28e dag) oftewel 24 keer per jaar voorgeschreven. Deze frequentie is ook noodzakelijk voor bepaling van de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Indien het landelijk meetnet nabij de stortplaats geen meetpunten heeft, kan een beoordeling van de beschikbare meetgegevens door een deskundige, uitsluitsel bieden. Een frequentie van 2 keer per maand bij een aantal maatgevende peilfilters bij de stortplaats is dan het uitgangspunt. Bij automatische registratie van peilgegevens is het aflezen van de geregistreerde waarnemingen mogelijk, en wordt 2 keer per jaar een handmatige controlemeting uitgevoerd. De voorgaande informatie wordt in het nazorgplan vertaald naar de locatiespecifieke omstandigheden. Hierbij komen de volgende zaken aan de orde: beschrijving van de toegepaste methodiek; criteria waaraan de waargenomen grondwaterstanden dienen te voldoen; de te monitoren peilbuizen (zoveel als nodig om de ruimtelijke verdeling van grondwaterstanden en isohypsen bij de stortplaats te kunnen bepalen); toegepaste frequenties en de doorlooptijd; de in gebruik zijnde meetpunten (weergave op tekening); kosten. Controle hoogte peilbuizen Uitgegaan wordt van één keer per 10 jaar controle van maaiveldhoogte en bovenkant peilbuis met gps, eventueel gelijktijdig met een monitoringsronde grondwaterkwaliteit of meting grondwaterstanden. 2.2.4 Visuele inspecties: algemeen, bovenafdichting, stortgasonttrekking en drainagesystemen Per onderdeel van de stortplaats en de bijbehorende voorzieningen moet worden aangegeven op welke wijze visuele inspectie plaatsvindt. Hieronder volgt een aantal inspecties die in ieder geval plaats moeten vinden. Voor wat betreft afrasteringen, beplantingen etc. wordt ervan uitgegaan dat deze onderdeel vormen van de algemene terreininspectie (in bijlage 2 aangegeven als “Terrein, visuele inspectie”). Visuele inspectie controledrainage en signaleringsdr