Welstandsnota Alkmaar 2016 De raad van de gemeente Alkmaar; gelet op het voorstel van burgemeester en wethouders, bijlage nr. 2016-1091; gelet op het advies van de commissie Ruimte b e s l u i t de Welstandsnota Alkmaar 2013, zoals vastgesteld op 16-05-2013, in te trekken, de Welstandsnota Graft-De Rijp 2012, zoals vastgesteld in oktober 2003 met een herziening in 2008 en een herziening (t.g.v. Wabo) in 2012, in te trekken, de Welstandsnota Schermer 2002 zoals vastgesteld op 27-02-2002, in te trekken, de Welstandsnota Alkmaar 2016 vast te stellen, met uitzondering van pagina 32 “Kleine Windtubines”. Deze tekst in de nota te vervangen door: “Alkmaar kent op moment van het vaststellen van de Welstandsnota 2016, d.d. 26 september 2016, géén kadernota kleine windturbines. Derhalve is de tekst over voorwaarden en eisen verwijderd. En verwijst dit artikel naar de (in een later stadium) vast te stellen Kadernota Kleine Windturbines”. Hoofdstuk1Inleiding Alkmaar is een aantrekkelijke gemeente om te wonen en te werken, te winkelen en te verblijven. De gemeente is het aanzien waard. Welstand is één van de manieren, om het aanzien van de gemeente in goede banen te leiden. Op 1 januari 2015 zijn de gemeenten Alkmaar, Graft-De Rijp en Schermer samengevoegd tot een nieuwe gemeente Alkmaar. Het beleid van de voormalige gemeenten wordt daarom geïntegreerd en waar nodig geactualiseerd. De voormalige gemeenten werkten zoals aangegeven in de Woningwet sinds 2004 met een welstandsnota, waarin criteria zijn opgenomen voor de beoordeling van plannen. Hierin zijn beoordelingskaders opgenomen voor gebieden en objecten, die hun grondslag vinden in de samenhang van het bebouwingsbeeld en de historisch gegroeide structuren. De voorliggende nota is een samenvoeging van de nota’s van de voormalige gemeenten. Het beleid is samenvoegen en waar nodig geactualiseerd. Uitgangspunten Uitgangspunt bij het opstellen van deze nota is bij het samenvoegen van de nota’s het beleid kort en krachtig te houden. De gemeente gaat in het welstandsbeleid met name uit van het algemeen belang. Eenvoud in gebruik en verantwoordelijkheid voor de burger staan daarbij voorop. Het bestuur gaat uit van de verantwoordelijkheid van de burger, die waar mogelijk voldoende ruimte moet hebben voor eigen initiatief. Tegelijkertijd wil de overheid burgers beschermen door het bewaken van de omgevingskwaliteit. Daarom moet een plan voldoen aan redelijke eisen van welstand. Tegen deze achtergrond is het beleid samengevoegd. Waar mogelijk biedt de nota ruimte, waar nodig stelt de gemeente meer eisen. Deze eisen betreffen het bouwwerk op zichzelf en in zijn omgeving, waarbij de nadruk ligt op de beleving van de bebouwing vanuit de openbare ruimte en omgeving. Bouwdelen in het zicht zijn belangrijker voor het algemeen belang dan bouwdelen die aan het oog onttrokken zijn. In de beschrijvingen en uitgangspunten wordt daarom de invloed van een plan op het straatbeeld en het aanzien van de gemeente als geheel gewogen. Naarmate een plan meer invloed heeft op de identiteit van de gemeente zullen er meer aspecten worden betrokken bij de beoordeling en zal er zo nodig zorgvuldiger worden gewogen. In deze samengevoegde nota is gekozen voor een ruimhartige benadering van welstand. Onder het motto ‘meer ruimte geven en minder regelen’ wil de gemeente kiezen voor ruimte en balans in de afweging tussen particuliere vrijheid en gemeenschappelijk belang. In een aanzienlijk deel van de gemeente wordt beperkt getoetst op welstand. In de meeste beheersgebieden zoals woongebieden, bedrijventerreinen, groen en parken stelt de gemeente zich wat welstand betreft dus terughoudend op en laat ruimte voor particulier initiatief. In de Binnenstad, het Westerhoutkwartier, De Rijp, in het landelijk gebied, langs de hoofdroutes en in gebieden met een grote hoeveelheid beeldbepalende panden of monumenten is het redelijk om welstand een zwaardere rol te geven en op deze wijze geen verkeerde verwachtingen te wekken bij de burger. Gebruik van de nota De welstandsnota is niet bedoeld als leesboek, maar opgesteld als een naslagwerk. De nota bevat verschillende beoordelingskaders. De verschillende hoofdstukken bevatten de criteria, die de gemeente hanteert bij de beoordeling van bouwplannen. Wie wil weten welke criteria op een aanvraag van toepassing zijn, doorloopt het hiernaast afgebeelde stroomschema. In de bijlage is een straatnamenregister opgenomen met een verwijzing naar de gebiedsindeling. Indien gewenst kunnen bij de gemeente inlichtingen worden ingewonnen over de interpretatie van de welstandsnota in het licht van het beoogde plan. Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de grondslag van welstand en toetsingsbeginselen toegelicht aan de hand van de begrippen ‘leefbaarheid’ en ‘karakteristiek’. Ook komen hier de algemene criteria, excessen en grote ontwikkelingen aan bod. Hoofdstuk 3 bevat criteria voor veel voorkomende objecten zoals dakkapellen, gevelwijzigingen, aanen bijgebouwen. Hoofdstuk 4 bevat beschrijvingen en uitgangspunten voor gebieden. Hoofdstuk 5 bevat algemene uitgangspunten voor de behandeling van bouwplannen voor cultureel erfgoed. In de bijlage is een begrippenlijst, een uitwerking van de algemene criteria en een register van straatnamen met een verwijzing naar de betreffende gebiedsbeschrijving(en) opgenomen. Hoofdstuk2Welstand op hoofdlijnen De gemeente Alkmaar wil met de samengevoegde nota het beleid en de uitvoering in de hele gemeente op gelijke leest te schoeien en het initiatief waar mogelijk bij de aanvrager leggen. In dit hoofdstuk wordt een korte uitleg gegeven van deze aanpak aan de hand van de begrippen ‘karakteristiek’ en ‘leefbaarheid’. Grondslag welstand De basis voor welstand ligt in redelijke eisen aan het uiterlijk van het bouwwerk op zichzelf en in zijn omgeving. In Alkmaar is bij de interpretatie daarvan gekozen voor twee principes: ‘aansluiten op de bestaande karakteristiek’ en ‘de leefbaarheid behouden of positief beïnvloeden’. Karakteristiek De karakteristiek van een gebied en een gebouw bestaat uit de stedenbouwkundige, architectonische en mogelijke cultuurhistorische eigenschappen. Voor het maken van een plan dat voldoet aan redelijke eisen van welstand geldt als basisuitgangspunt, dat een bouwplan niet uit de toon valt in de omgeving of aan een gebied juist zijn eigen kwaliteit toevoegt. Het aansluiten op de context staat centraal. Leefbaarheid Het behouden of positief beïnvloeden van de leefbaarheid is de grondslag voor het afwegen van plannen. Bij de meeste gebouwen is in dit licht een logisch onderscheid te maken tussen de voorkant en de achterkant. De achterkant is in de regel privé. Bij een woning is dit de achtertuin, bij een bedrijf het achtererf. De voorkant is de representatieve zijde, die deel uitmaakt van het openbaar gebied en daarmee een aanzienlijk invloed heeft op de leefbaarheid van gebieden. Beredeneerd vanuit de leefbaarheid weegt aan de achterkant het private belang zwaarder en beperkt welstand zich tot het voorkomen van excessen. Aan de voorkant legt het openbare belang meer gewicht in de schaal en zal een plan redelijkerwijs moeten worden afgestemd op de context. Wat geldt op de schaal van de woning, geldt ook voor een buurt of wijk. Het openbare belang is bij een pand aan een woonstraat minder groot, dan bij de entreeroute of het winkelgebied. Hoe meer mensen gebruik maken van een gebied, hoe groter het openbaar belang. De entreeroutes zoals de Kennemerstraatweg en Nieuwe Schermerweg zijn de voordeur van de stad Alkmaar, hetzelfde geldt voor de hoofdroutes in het landelijk gebied zoals de Noordervaart en Provincialeweg N
- Dit zijn wat betreft welstand bijzondere lijnen. Voor de rijksbeschermde stadsen dorpsgezichten Binnenstad, het Westerhoutkwartier en De Rijp komt daar ook nog een grote cultuurhistorische waarde bij. Het zijn gebieden, waar een bijzondere inzet op zijn plaats is om het aanzien van de gemeente op orde te houden voor zowel de bewoners als bezoekers. Op kleinere schaal geldt dit ook voor monumenten en beeldbepalende panden. Vanuit het begrip leefbaarheid is er in de nota dus een onderscheid gemaakt tussen voorkant en achterkant, tussen gewone en bijzondere gebieden. Voor de gewone gebieden moet deze benadering leiden tot een aanzienlijk grotere bandbreedte, voor bijzondere gebieden is dit te vertalen als een verplichting om de bestaande structuur te behouden en versterken. In de beschermde gezichten blijft behoud van een levendige stad en een aantrekkelijk oud Hollands dorp voorop staan, waarbij met name het respect voor de bestaande architectonische kwaliteit en de historische structuur aandacht krijgen. Objecten Voor plannen zoals bijgebouwen bij en dakkapellen op een woning zijn objectcriteria opgenomen. Het gaat hierbij om bescheiden objecten, die zich lenen voor vereenvoudigde toetsing. Voor dit soort plannen zijn zo eenduidig en meetbaar mogelijke criteria opgenomen, die de planindiener vooraf een grote mate van duidelijkheid geven over de uitkomst van de toetsing. Daarnaast is het voor deze categorie plannen makkelijk gemaakt om aan te sluiten op reeds eerder gerealiseerde bouwwerken. Het gaat daarbij om plannen, die het navolgen waard zijn (de zogeheten trendsetters). Aansluiten op dit soort voorbeeldplannen past goed bij het uitgangspunt ‘aansluiten op de bestaande karakteristiek’. Gebieden Voor plannen die niet passen binnen de criteria voor de objecten, moet op een andere manier aansluiting worden gevonden op de stedenbouwkundige en architectonische context. Hiervoor is het hoofdstuk met gebiedsbeschrijvingen een handreiking. De gemeente is verdeeld in gebieden met een eigen identiteit zoals linten, woonwijken en bedrijventerreinen. Van deze gebieden is het ruimtelijk en architectonisch beeld beschreven gevolgd door een waardering en een verwachting over eventuele veranderingen. Deze bepalen de uitgangspunten voor de welstandstoets. In de gebieden is gekozen voor een globale omschrijving van de context, waarmee de welstand een aanzienlijke mate van flexibiliteit krijgt. Deze omschrijvingen zijn aangevuld met uitgangspunten voor de beoordeling, die te lezen zijn als afspraken voor alle partijen in het proces. Om gebruikers houvast te geven is een lijst opgenomen met de belangrijkste kenmerken. Deze gaan in op de ligging, bouwmassa, architectonische uitwerking, kleur en materiaal. Ook worden eventuele bijzonderheden aangegeven, die een uitzondering vormen op het gangbare, zoals kerken en scholen. Welstandsniveaus Voor elk welstandsgebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven. Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. Beschermd, bijzonder en regulier In het beschermde welstandsgebied is de welstandstoets gebaseerd op het behoud van het waardevolle historische beeld. Dit is aan de orde in de rijksbeschermde stadsen dorpsgezichten Binnenstad, Westerhout en De Rijp. Daarnaast zijn enkele oudere woonbuurten, de meeste dorpskernen en (historische) linten, het landelijk gebied en een winkelcentrum in het noorden van de stad Alkmaar aangewezen als bijzonder welstandsgebied. In deze gebieden is enige inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. Het grootste deel van de gemeente is regulier welstandsgebied. Hier heeft de gemeente gekozen voor het handhaven van een goede basiskwaliteit voor het aanzien van de openbare ruimte met daar bij voldoende vrijheid voor de burger of ondernemer om invulling te geven aan eigen initiatieven. Bouwplannen in deze gebieden mogen in principe geen afbreuk doen aan de basiskwaliteit van de openbare ruimte. Vanwege de beperkte invloed op het straatbeeld worden bouwplannen aan achterkanten niet preventief getoetst. Hoofdroutes en ontwikkelingslocaties Naast deze niveaus zijn er nog twee aparte categorieën op de kaart te onderscheiden. Voor ontwikkellocaties (geel gekleurd op de kaart) bevat de nota geen nadere uitwerkingen. Hier gelden de beginselen zoals beschreven in de algemene welstandscriteria. Eventuele beeldkwaliteitsplannen geven de ambitie aan. Ze kunnen worden gezien als een uitwerking van het gebiedskarakter en richtlijnen voor de interpretatie van de algemene welstandscriteria. Daarnaast zijn enkele hoofdroutes aangewezen als bijzonder aandachtsgebied. Voor het gezicht naar de route toe wordt zo nodig extra aandacht gevraagd, terwijl verder het niveau van het betreffende gebied wordt gevolgd. De niveaukaart is te vinden op bladzijde
- Interpretatie en advies Bij de interpretatie van uitgangspunten en kenmerken wordt uitgegaan van de beschrijving, dus van de huidige context van het bouwplan. Karakteristiek en leefbaarheid geven richting aan de beoordeling van de plannen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de hoofdindeling zoals die voor de kenmerken wordt gehanteerd. De vier onderstaande toelichtingen kunnen worden gebruikt als handreiking voor het bekijken van het bouwwerk op zich in relatie tot de omgeving. Ligging Een bouwwerk moet passen in de omgeving. De regels voor de plaatsing zijn voor een groot deel vastgelegd in de bestemmingsplannen. Welstand bekijkt binnen de grenzen van de ruimtelijke ordening of het ontwerp op zijn plek is. Zo zal bij een tussenwoning de voorgevel vrijwel altijd in een doorgetrokken rooilijn liggen, terwijl een vrijstaande woning in positie vaak enigszins zal afwijken van de naastgelegen panden. In het algemeen geldt, dat het bestaande bebouwingspatroon de mogelijkheden bepaalt. Waar gelijkheid in een rij of binnen een cluster het straatbeeld vormt, zal een uitzondering een stedenbouwkundige aanleiding moeten hebben door bijvoorbeeld een wijkentree te benadrukken. Op het kavel kunnen meerdere gebouwen staan. In het algemeen kan er een onderscheid worden gemaakt tussen het hoofdgebouw en bijgebouwen zoals een schuren en garages. Het hoofdgebouw is het gezicht naar de openbare ruimte. Omdat sommige kavels aan meer dan één kant grenzen aan de openbare ruimte, heeft een bouwwerk soms meerdere voorkanten. Op een aantal plaatsen in de gemeente kan tussen de gebouwen door worden gekeken. Dit soort doorzichten komt voor langs de oude linten, maar is ook te vinden tussen sommige flatgebouwen. Binnen de grenzen en mogelijkheden van het bestemmingsplan zal welstand waar mogelijk kiezen voor het behoud van dergelijke doorzichten als onderdeel van de beleving van het ruimtelijk patroon. Bouwmassa Als een gebouw op de juiste plek staat, kan worden gekeken of de hoofdvorm past in zijn omgeving, bijvoorbeeld in het onderscheid tussen hoofdvolume en ondergeschikte bouwdelen. Van belang is de opbouw van het volume. Het bestemmingsplan geeft om te beginnen richtlijnen voor de maximale hoogte en dakvorm. De bouwmassa is in het algemeen onderdeel van een stedenbouwkundig plan of patroon. Het is dus logisch als het zich hiernaar voegt. In buurten met een sterke nadruk op herhaling betekent dit, dat een nieuwe vorm niet zonder reden sterk afwijkt van de bestaande vormen. De hoofdrichting van de nok bijvoorbeeld is een van de overwegingen, die veelal samenhang met de stedenbouwkundige opzet van een gebied. Een gebouw staat zelden op zichzelf. De bouwmassa verhoudt zich in maat en schaal tot zijn omgeving. Een portiekflat kan groot lijken tussen bungalows of eengezinswoningen, maar klein als het staat tussen torens van meer dan tien lagen. Het bestemmingsplan bepaalt welke omvang een bouwwerk mag krijgen, maar binnen die grenzen maakt het veel uit op welke manier een gebouw meegaat in de maat en schaal van zijn omgeving. Ongeacht de massa kan een gebouw grof of juist fijn overkomen. Door een grote massa onder te verdelen in meerdere volumes of gecombineerde vormen zal deze eerder meegaan in het karakter van een kleinschalige omgeving. Door te kiezen voor een enkelvoudige hoofdvorm zoals een rechthoekige doos zonder onderverdeling zal een bouwwerk qua ontwerp eerder overeind blijven in een grootschalige omgeving. Door een passende uitwerking en onderverdeling van de massa te kiezen kan ook een gebouw met een afwijkende maat redelijkerwijs passen in de schaal van de omgeving. Architectonische uitwerking De architectonische uitwerking van het bouwwerk is het volgende onderdeel. Op dit niveau moet worden gezocht of de uitwerking van het bouwvolume past in de omgeving, maar ook of het ontwerp op zichzelf van voldoende kwaliteit is om niet uit de toon te vallen. Ook in de architectonische uitwerking spelen maaten schaalverhoudingen een grote rol. Met name de gevel is hierbij van belang. Een blinde muur oogt heel anders dan één met ramen en deuren. Ook dakranden, balkons en aanbouwen zijn van belang voor de onderverdeling zorgen van een ontwerp. De mate waarin onderverdeling wenselijk is, is opnieuw afhankelijk van het karakter van de omgeving. Op een bedrijventerrein zal de verfijning van de historische stadshuizen waarschijnlijk uit de toon vallen, terwijl die langs de singels in de meeste gevallen goed zou passen. Ook binnen moderne architectuur is een onderscheid in maat en schaal te herkennen. In de architectuur is een voorkant een openbare zijde van het gebouw. Dit is vanoudsher de representatieve kant, de zijde van het gebouw die het meest van betekenis is voor de omgeving. Aan de achterkant ligt de nadruk meer op het privégebruik. Soms heeft een gebouw gezien zijn plaatsing meerdere voorkanten, denk daarbij aan een hoekwoning of een gebouw dat met zijn ‘achterkant’ aan doorgaande weg staat. Afhankelijk van de omgeving zullen de gevels meer of minder representatief moeten zijn. Met ritmiek wordt in de architectuur de samenhang bedoeld, die ontstaat door het spel van herhaling en afwisseling. De gevelritmiek van een woningrij is meestal te definiëren als de herhaling van onder meer (identieke) ramen en deuren, waarmee ook de woningbreedte zichtbaar wordt gemaakt. Verbijzonderingen van een dergelijk ritme dienen meestal een stedenbouwkundige aanleiding te hebben. Denk hierbij aan een hoekpand of een bijzondere functie. Symmetrie (en dus ook asymmetrie) is een vergelijkbaar ordeningsprincipe, dat meestal per pand wordt toegepast maar soms ook in een straatwand terugkomt. Een architectonisch ontwerp kan zich aanpassen aan of een variatie vormen op de in de omgeving gebruikte ritmiek en symmetrie. In de architectuur wordt veel gebruik gemaakt van horizontale en verticale lijnen. Oude huizen hebben vaak staande ramen, waarmee de nadruk wordt gelegd op de verticale lijnen. Woonflats leggen met hun balkons en galerijen vaak juist een nadruk op de horizontale belijning. Deze nadrukken zijn deels afhankelijk van de gekozen stijl, die bij aanpassingen aan bestaande gebouwen voldoende zal moeten worden gerespecteerd. De detaillering van een gebouw is in dit verband de mate waarin het architectonische ontwerp is uitgewerkt in detail. Het gaat hier dus om de mate van zorgvuldigheid in de manier, waarop overgangen van materialen en kleuren worden toegepast in de uitwerking. Gezocht moet worden naar samenhang met de architectuur en de omgeving van het bouwwerk. Detaillering kan ook overmatig zijn of qua stijl uit de toon vallen. Materiaal en kleur Het gebruik van materiaal en kleur kan de verschijningsvorm van een gebouw maken of breken. Inpassing in de omgeving is te bereiken op verschillende manieren, maar de keuze van dezelfde of vergelijkbare materialen en kleuren leidt sneller tot een aanvaardbaar resultaat. Materialen hebben ieder hun eigen vorm en textuur. In een gemetselde gevel zijn de stenen en voegen te zien. Met de keuze voor baksteen wordt naast de textuur van de stenen ook een structuur gekozen. Dezelfde muur ziet er in metselwerk, stucwerk of beton anders uit en zal in gevouwen staalplaat weer een ander uiterlijk krijgen. Elk materiaal heeft zijn eigen mogelijkheden. Met hout, steen, beton, glas, kunststof, staal, zink, koper of aluminium kiest de maker van een ontwerp voor de verschillende architectonische mogelijkheden. De kleur van een gebouw is deels terug te voeren op de materialen. Beton en baksteen worden zelden verder afgewerkt, maar bijvoorbeeld staal en hout worden vrijwel altijd geschilderd en kunnen dus zo ongeveer elke denkbare kleur krijgen. Meestal krijgen grote vlakken terughoudende kleuren. De reden daarvoor is eenvoudig. Een flinke bedrijfshal ziet er bijvoorbeeld in lichtgrijs rustig uit en doet in felroze al snel pijn aan de ogen. Kleuren op kleinere elementen als kozijnen en deuren zijn geschikt om het gebouw te verlevendigen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan witte kozijnen in een gemetselde gevel of lichtgekleurde daklijsten voor een pannendak. Ook stucaccenten in klassieke gevels hebben een dergelijk doel. De kleurkeuze kan de architectuur van het gebouw ondersteunen. Afwijkende plannen De criteria voor gebieden en objecten gaan uit van de aanwezige kwaliteit en geven richtlijnen voor veranderingen, die redelijkerwijs passen in hun omgeving. Het kan voorkomen, dat een bouwwerk of een plan afwijkt van zijn omgeving. In dat geval kan er gebruik worden gemaakt van de criteria voor excessen of van de algemene criteria. Excessen Van een exces is sprake als het uiterlijk van een bouwwerk sterk afwijkt van en afbreuk doet aan de omgeving. Ook plannen die niet preventief worden getoetst moeten passen in het beeld van de gemeente. De burger heeft vrijheid binnen de structuur en architectuur van het bestaande gebied. De initiatiefnemer zal in redelijkerwijs moeten aansluiten op wat in de omgeving gebruikelijk is (uitgezonderd bouwwerken of gebieden, die expliciet als welstandsvrij zijn aangewezen). Daarbij geldt, dat er eerder sprake is van strijdigheid naarmate een bouwwerk meer zichtbaar is vanuit de openbare ruimte. Een aanbouw aan de achterzijde van een woning in een bouwblok is minder van invloed op het aanzien van de gemeente dan een aanbouw aan de zijgevel van een vrijstaande woning aan een doorgaande route. Ook is er eerder sprake van een exces bij cultureel erfgoed. Volgens de wet moeten de criteria voor het beoordelen op excessen in de welstandsnota zijn opgenomen. De hier opgenomen criteria zijn niet bedoeld om de plaatsing van een bouwwerk tegen te gaan. De gemeente hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het criterium, dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft dit betrekking op: Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving De plaatsing van een schuur of hoge schutting voor de voorgevel of het dichttimmeren van gevel openingen kan het zicht op een bouwwerk hinderen. Het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden Aanpassingen aan een bouwwerk kunnen de architectonische bijzonderheden van een pand zodanig beschadigen dat het in strijd is met redelijke eisen van welstand. Een toegevoegd wezensvreemd element dat de architectuur van een pand ontkent, kan het oorspronkelijk karakter van een bouwwerk (deels) teniet doen, net als achterstallig onderhoud aan de buitenzijde van een bouwwerk. Van een andere orde zijn bouwwerken die door een calamiteit geheel of gedeeltelijk onherstelbaar zijn beschadigd. Het in stand laten van dit soort objecten kan een exces zijn. Armoedig materiaalgebruik Omdat materialen die niet geschikt zijn als bouwmateriaal kunnen leiden tot een armoedige en ook gevaarlijke situaties, kan de gemeente op basis van welstand verlangen dat een ander materiaal wordt gebruikt. Felle of contrasterende kleuren Het toepassen van felle kleuren of kleuren die contrasteren met de directe omgeving, kan leiden tot een onrustig beeld en is daarom welstandshalve ongewenst. Te opdringerige reclames Een veelheid of hinderlijk in het oog springende reclame kan een exces zijn. Of er daadwerkelijk sprake is van een exces is onder andere afhankelijk van de ligging en de omvang van het gebouw. Een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is Een gevel kan door een veelvoud van kleine toegevoegde elementen te veel uit de toon vallen. Daarnaast kunnen een of meerdere nieuwe gebouwen de samenhang in een gebied verstoren doordat de kenmerken hiervan teveel afwijken van wat gebruikelijk is. Aan de hand van de gebiedsgerichte welstandscriteria kan bekeken worden wat redelijkerwijs verwacht kan worden van een nieuw gebouw. Voor de reguliere welstandsgebieden worden deze criteria wat soepeler geïnterpreteerd, in de bijzondere gebieden juist wat preciezer. Bij de beoordeling of een object al dan niet een exces is, wordt hiermee rekening gehouden. Grote projecten De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor grotere (her) ontwikkelingsprojecten, die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Dergelijke welstandscriteria kunnen namelijk niet vantevoren worden opgesteld, maar maken onderdeel uit van een planningsproces. Voor ontwikkelingslocaties werkt de gemeente veelal met beeldkwaliteitplannen, waarin welstandscriteria zijn opgenomen. Deze plannen gaan in procedure veelal gelijk op met de stedenbouwkundige plannen. In beeldkwaliteitplannen staat de ambitie voor de gewenste kwaliteit van het te ontwikkelen gebied beschreven. Deze richtlijnen worden per locatie bepaald. Algemene criteria (zie ook bijlage 2) De algemene welstandscriteria richten zich op het vakmanschap. In bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene welstandscriteria. Dit kan het geval zijn als een bouwplan past binnen de criteria voor objecten of gebieden en toch duidelijk onder de maat blijft of als het afwijkt van de omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. Ook daar waar (grootschalige) ontwikkelingen plaatsvinden en geen aanvullende regels gelden, zijn de algemene criteria van toepassing. In dit hoofdstuk is een samenvatting opgenomen van deze algemeen geldende criteria. De volledige tekst is opgenomen in de bijlage. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of de omgeving groter is. Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Welstand objecten Hoofdstuk 3 De gemeente streeft ernaar veel voorkomende bescheiden objecten snel te beoordelen om zo de burger tegemoet te komen. Het gaat daarbij om relatief eenvoudige en meetbare criteria, die de planindiener vooraf zo veel mogelijk duidelijkheid geven. Objectcriteria zijn opgesteld voor aanbouwen, bijgebouwen, gevelwijzigingen, dakkapellen, dakopbouwen, erfafscheidingen en rolluiken. De objectcriteria voor de rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten zijn bij de betreffende gebieden in hoofdstuk 4 opgenomen. Vergunning Bovengenoemde bouwwerken zijn deels vergunningvrij binnen bepaalde randvoorwaarden. Dat betekent dat een deel van deze plannen niet vooraf wordt getoetst aan redelijke eisen van welstand. Indien een bouwwerk niet vergunningvrij is, is een welstandstoets nodig. In dit geval treden het bestemmingsplan en het afwijkingenbeleid in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als het bestemmingsplan en afwijkingenbeleid geen bezwaar opleveren, wordt het bouwplan getoetst aan de objectcriteria. Voldoet het bouwplan niet aan deze criteria of is er sprake van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt bij de beoordeling van het bouwplan tevens gebruik maakt van de gebiedscriteria en algemene criteria. Bij de beoordeling staan de karakteristiek en leefbaarheid van gebouw en gebied voorop. Herhalingsplan Een herhalingsplan is een plan, dat in vergelijkbare situaties als uitgangspunt gehanteerd kan worden. Ook als deze enigszins afwijken van de criteria op de volgende bladzijden. Het zijn plannen die navolging verdienen, waarbij met name een gelijke uitvoering van belang is. Van belang daarbij zijn de architectonische verhoudingen, materiaal en kleur. Niet ieder bouwwerk is automatisch een herhalingsplan. Een eerder op of aan dezelfde woning of hetzelfde bouwblok goedgekeurd plan is dit in de regel wel. Ook een oorspronkelijke optie of een trendsetter voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een herhalingsplan is van toepassing op een bouwblok, cluster of een groter gebied. Voor- en achterkant Bij de criteria is er onderscheid in de voor- en de achterkant van bouwwerken. Voorkanten zijn gericht naar de openbare ruimte, terwijl achterkanten vaak niet of nauwelijks waarneembaar zijn vanaf de openbare ruimte. Onder achterkant wordt verstaan het erf achter de lijn op 1,00 m achter de voorgevellijn die evenwijdig loopt aan het openbaar toegankelijk gebied, inclusief de grond onder het hoofdgebouw en het gehele achtererf, alsmede de gevels en dakvlakken ter plaatse van dit deel van het erf. Onder voorkant wordt verstaan het erf en de daarboven gelegen gevels en dakvlakken die geen onderdeel van een achterkant zijn. Welstandsvrije objecten Kleine objecten op volkstuincomplexen, zoals tuinhuisjes en hobbykassen, zijn welstandsvrij. Voorwaarde is dat ze niet in de directe nabijheid van cultureel erfgoed, zoals monumenten, worden gebouwd. Aanbouwen
(1)Een aanbouw is een grondgebonden toevoeging van één bouwlaag aan een gebouw zoals een erker, serre, garage of overkapping. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft de rooilijnen en maximale afmetingen. Beoordeling Een aanbouw voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een herhalingsplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan zoals bij monumenten, stolpen en ander cultureel erfgoed, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria. Basiscriteria Aanbouwen in reguliere welstandsgebieden worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria: aanbouwen zijn ondergeschikte toevoegingen aan het hoofdgebouw vormgeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond of een op de situatie afgestemde plattegrond (bijvoorbeeld een schuine erfgrens) overkapping is minimaal aan drie zijden open materialen en kleuren afstemmen op hoofdgebouw, aan een achterkant eventueel uitvoeren als serre bij tussenwoningen een overgang toepassen door bijvoorbeeld een gemetselde muur op de erfgrens Aanvullende criteria Voor de bijzondere gebieden gelden de volgende aanvullende criteria: Plaatsing en aantal één aanbouw per gevel aanbouw direct tegen de hoofdmassa plaatsen of een bestaande aanbouw vergroten in identieke vormgeving aan voorgevel of op minstens 1,00 m achter de voorgevel (hoekaanbouw alleen aan achterkanten) Vorm en maat vormgeving afstemmen op oorspronkelijk pand met een bescheiden detaillering zonder nadrukkelijke ornamenten aan voorkanten voorzien van ramen, met uitzondering van overkappingen plat afdekken of aan achterkanten voorzien van eenvoudige kap of serredak (kap hoofdgebouw niet doortrekken over aanbouw) goothoogte maximaal 0,30 m boven het vloerpeil van de eerste verdieping, nokhoogte aan achterkanten maximaal 4,50 m diepte aan voorgevel maximaal 1,00 m, tenzij het bestemmingsplan meer toelaat Bijgebouwen
(2)Een bijgebouw is een grondgebonden bouwwerk los van het hoofdgebouw en van in beginsel één bouwlaag, zoals een garage, schuur of overkapping. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Beoordeling Een bijgebouw voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een herhalingsplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan zoals bij monumenten, stolpen en ander cultureel erfgoed, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria. Basiscriteria Bijgebouwen in reguliere welstandsgebieden worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria: vormgeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond overkapping is minimaal aan drie zijden open materialen en kleuren gelijk aan hoofdgebouw danwel uitvoeren in traditionele materialen zoals hout en baksteen Aanvullende criteria Voor de bijzondere gebieden gelden de volgende aanvullende criteria: Plaatsing en aantal minstens 1,00 m achter de voorgevellijn afstand tot hoofdgebouw minstens 2,00 m per erf hoogstens twee bijgebouwen (eventueel te vergroten in identieke vormgeving) Vorm en maat vormgeving aan voorkanten is bescheiden plat afdekken of aan achterkanten voorzien van een eenvoudige kap kleuren zijn in beginsel donker en onopvallend bij integratie in erfafscheiding materialen en kleuren gelijk aan erfafscheiding Gevelwijzigingen
(3)Van een gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Ook het verhogen van de gevel valt onder deze categorie. De opbouw en indeling van de gevel is een belangrijk onderdeel van de architectonische vormgeving van het gebouw en het aanzicht van de straat. Beoordeling Een gevelwijziging voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een herhalingsplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan zoals bij monumenten, stolpen en ander cultureel erfgoed, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria. Basiscriteria Gevelwijzigingen in reguliere welstandsgebieden worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria: samenhang straatwand op hoofdlijnen behouden materialen en kleuren gelijk aan of gelijkend op die van het hoofdgebouw profilering kozijnen monumenten en beeldbepalende panden blijft gelijk Aanvullende criteria Voor de bijzondere gebieden gelden de volgende aanvullende criteria: Vorm en maat hoofdindeling gelijk aan huidig of oorspronkelijk kozijn (bij rijen en complexen eventueel gelijk aan andere kozijnen in dezelfde gevel) vormgeving beeldbepalende panden en monumenten gelijk aan de architectuur en het tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel, indeling en detaillering bij monumenten en beeldbepalende panden alleen toepassen als het herstel betreft van historisch wenselijke eigenschappen (zoals staande gevelopeningen en verdiept liggende kozijnen) Dakkapellen en dakramen
(4)Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap. Dakkapellen kunnen bepalend zijn voor het straatbeeld. Ze moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar herhaling van uniforme exemplaren en regelmatige rangschikking op horizontale lijn. Beoordeling Een dakkapel voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een herhalingsplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan zoals bij monumenten, stolpen en ander cultureel erfgoed, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria. Basiscriteria Dakkapellen in reguliere welstandsgebieden worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria: een dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan een gebouw meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatig rangschikken op horizontale lijn (bovenlijn aanhouden) minstens 0,50 m dakvlak rondom de dakkapel en plaatsen in onderste kaplaag dakkapellen raken de gootlijn als dit bijdraagt aan de architectuur van de gevel als onderdeel van de straatwand hoogte aan voorkanten maximaal 1,50 m breedte aan voorkanten hoogstens 2/3 van het dakvlak met in totaal een maximum van 4,00 m dakramen (en zonnepanelen) in schuine daken vlak aanbrengen met dezelfde hoek als het dak Aanvullende criteria Voor de bijzondere gebieden gelden de volgende aanvullende criteria: Plaatsing en aantal in een mansardekap aansluiten op de knik hoogstens 1,00 m dakvlak onder de dakkapel op individueel pand centreren in dakvlak of lijnen aan geleding gevel aan voorkanten hoogstens één dakkapel per woning per dakvlak Vorm en maat bescheiden detailleren zonder nadrukkelijke ornamenten plat afdekken of bij een dakhelling van meer dan 45 graden aankappen met een minimale dakhelling van 25 graden zijwangen donker, wit, zinkgrijs of in kleur van de rest van de dakkapel kleuren kozijnen afstemmen op kozijnen hoofdgebouw voorvlak grotendeels invullen met glas (panelen zijn ondergeschikt) hoogte platte dakkapellen aan achterkanten maximaal 1,75 m breedte aan voorkanten hoogstens 1/2 van het dakvlak met een maximum van 3,00 m Dakopbouw
(5)Een dakopbouw is een nieuwe ruimte op een dak of een vergroting van een kaplaag. Bij meerdere opbouwen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar herhaling van gelijke exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Beoordeling Een dakopbouw voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een herhalingsplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan zoals bij monumenten, stolpen en ander cultureel erfgoed, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria. Criteria Dakopbouwen in reguliere en bijzondere gebieden worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria: Plaatsing en aantal het hoofdgebouw heeft minstens twee bouwlagen en een plat dak of een (a)symmetrisch zadeldak van maximaal één verdieping hoog rangschikken op horizontale lijn, één dakopbouw per woning op zadeldaken enkelzijdige nokverhoging aan achterkanten, tweezijdige nokverhoging alleen als dakhelling minder dan 35 graden op platte daken in beginsel terugliggend vanaf de voorgevel onderkant kozijn direct aansluiten op het dakvlak één dakopbouw per woning Vorm en maat de dakopbouw is gelijk in plaatsing, oriëntatie, vorm en uitwerking aan eerder geplaatste dakopbouwen op het betreffende dakvlak van het bouwblok (als deze een positieve welstandsbeoordeling hebben gehad) op een zadeldak als nokverhoging: de bestaande ruimte is tussen de 2,00 m en de 2,50 m hoog de goot niet hoger dan de oorspronkelijke daknok kozijn tussen 0,90 en 1,20 m hoog hellingshoek gelijk aan het bestaande dak in beginsel aanbrengen over de gehele breedte van de woning in stijl en afwerking gelijk aan het hoofdgebouw boeiboord bescheiden, invulling kozijn zoveel mogelijk transparant op een plat dak: hoogstens één bouwlaag toevoegen met een plat dak of kap hoogte maximaal 3,00 m, oppervlak hoogstens 75% van de dakvloer bij rijwoningen in vorm en maat aansluiten op de belendingen in stijl en afwerking afstemmen op woning of vormgeven in contrast gevelverhogingen in beginsel alleen aan achterkanten of op hoeken en: uitvoeren met kap of op hoofdgebouwen van één bouwlaag eventueel met plat dak detaillering, materiaal en kleur gelijk aan de onderliggende gevel hoogte tot 0,20 m onder de nok op hoeken de oorspronkelijke kap tussen de zijgevel en de nieuwe nok verwijderen, zodat een zijdakvlak zonder toevoegingen ontstaat Erfafscheidingen
(6)Een erfafscheiding is bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Erfafscheidingen aan de openbare ruimte zijn van invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Beoordeling Een erfafscheiding voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een herhalingsplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan zoals bij monumenten, stolpen en ander cultureel erfgoed, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria. Basiscriteria Erfafscheidingen in reguliere welstandsgebieden worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria: eenduidige vormgeving (geen combinatie van diverse vormen) materialen als metselwerk, hout of draadstaal (of spijlen) gebruiken aansluitend op erfafscheiding naastgelegen percelen (ook combinaties tussen gemetselde penanten en hout of metaal zijn mogelijk) op het voorerf van een stolp kan een toegangshek worden geplaatst met gemetselde penanten en een open hekwerk, in uitvoering afgestemd op het hoofdgebouw Aanvullende criteria Voor de bijzondere gebieden gelden de volgende aanvullende criteria: Vorm en maat afstemmen op afscheiding naastgelegen perceel mits deze voldoet aan de objectcriteria voor erfafscheidingen terughoudend in kleur het gedeelte hoger dan 1,00 m bij voorkeur open uitvoeren, zoals een metalen rasterwerk Installaties
(7)Installaties voor bijvoorbeeld airconditioning en antennes kunnen vrijstaand worden geplaatst of op of aan een bouwwerk worden aangebracht. Een zorgvuldige plaatsbepaling kan een goed middel zijn om deze voorzieningen in te passen in de omgeving. Beoordeling Een installatie voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een herhalingsplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan zoals bij monumenten, stolpen en ander cultureel erfgoed, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria. Basiscriteria Installaties in reguliere welstandsgebieden worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria: meerdere installaties per pand clusteren (eventueel afschermen) in beginsel aan een achtergevel bevestigen en op platte daken terugliggend van gevels grenzend aan de openbare ruimte (niet nadrukkelijk zichtbaar vanaf de openbare ruimte) hoogte relateren aan nabijgelegen bebouwing indien zichtbaar vanaf het openbaar toegankelijk gebied zo slank mogelijk vormgeven en omkleden materialen en kleuren onopvallend (zoals gegalvaniseerd, antraciet of grijs) Aanvullende criteria Voor de bijzondere gebieden gelden de volgende aanvullende criteria: Plaatsing achter de voorgevellijn bij gestapelde woningbouw op het platte dak plaatsen danwel op of aan het balkon binnen het vlak van het balkon Vorm en maat installatie en bijbehorende voorzieningen als één geheel vormgeven en opnemen in een kast als onderdeel van de bouwmassa en architectuur van het gebouw sprietof staafantenne maximaal 5,00 m hoog (gemeten vanaf maaiveld of het snijpunt met het aangrenzende dakvlak bij plaatsing aan gevel) schotelantenne hoogstens 2,00 m in doorsnede en maximaal 3,00 m hoog (gemeten vanaf de voet van de antenne of antennedrager) Rolluiken
(8)Rolluiken zijn voorzieningen om gebouwen te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving een rommelig of onherbergzaam aanzien geven. Het plaatsen van rolluiken aan de binnenzijde van een pui is in veel gevallen vergunningvrij. Beoordeling Een rolluik voldoet aan redelijke eisen van welstand als deze gelijk is aan een herhalingsplan of als aan de onderstaande criteria wordt voldaan. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan zoals bij monumenten, stolpen en ander cultureel erfgoed, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebieds- en eventuele andere criteria. Basiscriteria Rolluiken in reguliere welstandsgebieden worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria: kleuren zijn ingetogen of afgestemd op de gevel Aanvullende criteria Voor de bijzondere gebieden gelden de volgende aanvullende criteria: Plaatsing aan de binnenzijde van de pui, mits voor minstens 50% doorzichtig aan de buitenzijde van de pui, mits: plaatsing aan binnenzijde niet mogelijk is geplaatst in het kozijngat (in de dag) voor minstens 70% doorzichtig rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel worden ingepast Kleine windturbines
(9)Alkmaar kent op moment van het vaststellen van de Welstandsnota 2016, d.d. 26 september 2016, géén kadernota kleine windturbines. Derhalve is de tekst over voorwaarden en eisen verwijderd. En verwijst dit artikel naar de (in een later stadium ) vast te stellen Kadernota Kleine Windturbines. Welstand gebieden Hoofdstuk 4 Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte beschrijvingen en uitgangspunten worden vooral gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen, die passen in de context van het gebied. Gebieden De gebiedsgerichte kaders zijn gebaseerd op het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden aangetroffen. De beschrijvingen en uitgangspunten geven aan hoe een bouwwerk ‘zich moet gedragen’ om in zijn omgeving niet teveel uit de toon te vallen en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving bij het ontwerp van belang zijn. Per gebied is een beschrijving opgesteld, waarin aandacht wordt besteed aan de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige of landschappelijke omgeving, een typering van de bouwwerken, het materiaal- en kleurgebruik en de detaillering. Dit in combinatie met het ruimtelijke kwaliteitsbeleid vormt de grondslag voor het welstandsniveau, waarbij tevens de hoofdpunten voor de beoordeling worden genoemd. Daarna volgen per deelgebied de uitgangspunten aangevuld met hoofdkenmerken. Voor elk welstandsgebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven. Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. Niveaus Voor elk welstandsgebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven. Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. De kaart met welstandniveaus is op pagina 20 te vinden. Er zijn drie welstandsniveaus: regulier, bijzonder en beschermd. Er zijn geen welstandsvrije gebieden aangewezen: in alle gebieden wil de gemeente minstens een basiskwaliteit handhaven. Beschermde gezichten Bij de beschermde gezichten (gebied 1, 2 en 3) zijn objectcriteria toegevoegd, die specifiek zijn voor het betreffende gebied en de criteria uit hoofdstuk 3 vervangen. Overig beleid Voor diverse ontwikkelingslocaties zijn geen gebiedsbeschrijvingen en uitgangspunten opgenomen. Toetsing van bouwplannen vindt in deze gebieden plaats aan de hand van afzonderlijke beleidskaders. De ontwikkelingsgebieden lopen niet geheel parallel met de gebiedsindeling. Op de kaart op bladzijde 22 zijn de grenzen duidelijk weergegeven. Beschermde gezichten Gebied 1 tot en met 3 Gebied 1 Binnenstad-gebied De binnenstad van Alkmaar is het levendige hart van de gemeente. Het is een goed bewaard gebleven historische stad met straten en waterlopen, waarlangs kleinschalige woonhuizen en winkelpanden staan met daartussen een aantal grotere gebouwen zoals de Grote Kerk, het stadhuis en de waag. Een aanzienlijk deel van de binnenstadsbebouwing is monument. Een levendig stadshart In de structuurvisie Centrumgebied Alkmaar uit 1997 werd aangegeven, dat de stad zich meer wilde manifesteren als hoofdstad van Noord-Holland Noord. Vanuit deze visie is gewerkt aan de versterking van de centrumpositie door uitbreiding van bestaande functies en toevoeging van nieuwe. Daarbij is ook gewerkt aan het koppelen van het centrum aan Overstad en het stationsgebied. De structuurvisie gaat uit van: het bestaande en te versterken karakter en de kwaliteit van de drie deelgebieden Spoorbuurt, Overstad en Binnenstad het functioneel en ruimtelijk/visueel versterken van de randen van deze deelgebieden (Stationsomgeving, Hoornse Vaart en Singelgracht) het geven van een nieuwe inhoud en verblijfskwaliteit aan de Kanaalzone, zoals we de ruimte noemen die zich tussen de drie deelgebieden bevindt het functioneel en ruimtelijk spreiden van stedelijke activiteiten zodat een centrumdriehoek ontstaat met specifieke zwaartepunten van activiteiten in de hoeken en een multifunctioneel karakter zowel in het hart als in de spanningslijnen die de centrumdeelgebieden onderling verbinden De interne samenhang binnen de centrumdriehoek wordt door nieuwe en te versterken routes voor langzaam verkeer gewaarborgd. Ten eerste gaat het daarbij om de route Binnenstad-Overstad via de Gedempte Nieuwesloot, voetgangersbrug en Noorderkadeboulevard met een koppeling tussen groot en kleinschalige detailhandel. Ten tweede betreft het de route Binnenstad-Station via Fnidsen, Waagplein, Gedempte Nieuwesloot, Canadaplein en Geesterweg met een koppeling tussen recreatief winkelen en culturele functies. Deze routes worden aangevuld met langzaam-verkeersroutes die het Schiereiland bij het afgesneden kanaalvak verbinden met de drie centrumdelen. Het Schiereiland wint hierdoor aan kracht als de ‘parel’ van het centrum. Naast de Spoorstraat en de Noorderstraat in de andere delen van het centrumgebied is dit in de binnenstad de Paternosterstraat. Deze vormt de verbinding tussen de concentratie van culturele functies aan het Canadaplein en de Paardenmarkt en functies zoals de gemeentelijke diensten op het Schiereiland. Deze route sluit in de andere richting aan op de parkeergarage onder de Singelgracht. Tussen het Kerkplein en de Noorderkade liggen enkele pleinen die samen een wandelroute vormen vanuit de oude stad naar Overstad. Vanaf het Kerkplein loopt deze in noordelijke richting via het Canadaplein en de Paardenmarkt naar de Kanaalade. Vanaf de Kanaalkade ligt een brug naar het afgesneden kanaalvak. Hiervandaan kan men via de Tesselsebrug het kanaal oversteken richting het plein aan de Noorderkade. Naast deze reeks van beelddragende openbare ruimten, zijn er nog twee belangrijke met een groenkarakter: het Bolwerk en het Victoriepark. Tussen de spanningsvelden en ontwikkelingsassen is een aantal gebieden te onderscheiden die vanuit zichzelf een kwaliteit moeten ontwikkelen als stiltegebieden oftewel luwtes in het centrum. In deze gebieden zal vooral in stedelijke vorm moeten worden gewoond, maar ze dienen mogelijk ook te fungeren als verlengstuk van het openbaar gebied in het centrum. Rijksbeschermd stadsgezicht Het gebied is vanwege de cultuurhistorische waarde voor een groot deel door het Rijk aangewezen als beschermd stadsgezicht. Doel van de aanwijzing is de karakteristieke met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkeling binnen het gebied. Belangrijk daarbij is het behoud van het historisch karakter. De aanwijzing beoogt een basis te geven voor een ruimtelijke ontwikkeling, die voortbouwt op aanwezige kwaliteiten. De bescherming richt zich vooral op de stedenbouwkundig-architectonische structuren. In het aangewezen gebied is het patroon van straten en waterlopen van belang in samenhang met de schaal van de bebouwing. Die bebouwing kenmerkt zich door een grote intensiteit, die vooral wordt veroorzaakt door de aaneengesloten bebouwing van de grotendeels individuele panden, de diversiteit in bouwhoogten, de sterk verticale geleding van de architectuur en de vaak geaccentueerde hoekoplossingen. Het bebouwingsbeeld wordt tevens gekenmerkt door een kleinschalig karakter. In het grootste deel van het aangewezen gezicht is het historisch karakter in sterke mate bewaard gebleven. De profilering en inrichting van de openbare ruimten en de structuur van verkaveling en bebouwing zijn daar van betekenis. Kenmerkend voor de ruimtelijke opbouw zijn de aan alle zijden gesloten bouwblokken. De bebouwing staat ononderbroken direct aan de straat. Tuinen en erven liggen binnen de bouwblokken, duidelijk afgeschermd van de openbare ruimte. De breedte van de afzonderlijke panden is gevarieerd en ligt hoofdzakelijke tussen vier en zeven meter. De bouwhoogte is in het algemeen twee bouwlagen, vaak met een steile kap met de nok loodrecht op de straat. In het centrum van de oude stad aan de Langestraat, in de omgeving van de Mient en langs het middengedeelte van de Laat is de hoogte gemiddeld iets groter. Aan de rand van de stad en in de minder belangrijke straten is deze soms wat lager. In de omgeving van de Grote Kerk ligt een gebied met een ingrijpend gewijzigde structuur. De Grote Kerk en de Paardenmarkt met de daaraan gelegen voormalige Rijks Hogere Burgerschool zijn er de belangrijkste nog aanwezige historische elementen. Het belang van de aanwijzing tot rijksbeschermd stadsgezicht is hier beperkt tot de hoofdlijnen. De nadruk ligt daarbij op de nog aanwezige elementen van de oorspronkelijke structuur en op de relatie met het omliggende gebied. Historische topografie Alkmaar ontstond voor het jaar 1000 als geestnederzetting op de noordoostelijke punt van de middelste Noordkennemerstrandwal. Een uitgroei tot grachtenstad in de drassige strandvlakte naar oostelijker gelegen open water, ging gepaard met het ontstaan van een regionale handelsfunctie vanaf de twaalfde eeuw. De kaart van Jacob van Deventer geeft een redelijk betrouwbaar beeld van de stad aan het eind van de middeleeuwen. De kaart geeft de belangrijkste toegangswegen en de plaats van de stadspoorten weer. De vestinggordel op deze kaart dateert van omstreeks 1530. Tussen 1560 en 1590 werd de vestinggordel door een ruimter en een meer modern verdedigingssysteem vervangen, dat aan de oostzij de de haven omsloot. Buiten deze omwalling vonden tot het laatste decennium van de negentiende eeuw geen stadsuitbreidingen plaats. Wel ontstond in de zeventiende eeuw een wandel-, lusten moestuingebied op de zandgronden aan de zuidwestzijde van de stad. Een belangrijke ingreep in de structuur van de stad is het tussen 1819 en 1824 gegraven Noordhollandsch Kanaal, dat het oostelijk deel van de haven isoleerde van het centrum. Een deel van vestinggracht kwam buiten het tracé te liggen waardoor het Victoriepark kon worden aangelegd. Verderop langs het kanaal verscheen een aantal pakhuizen voor de handel in landbouwproducten. De kadastrale kaart van 1823 geeft een indruk van de historische binnenstad in volgroeide vorm van vlak voor de industrialisatie, schaalvergroting en stadsvernieuwing. Bij vergelijking met de huidige plattegrond van de binnenstad valt op, dat een deel van de stadsgrachten is gedempt (de Nieuwe Sloot, de Laat, de Baansloot, Keetkolk en het Geestwater). Ook een aantal anders ingrepen in de openbare ruimte valt op, waaronder de doorbraak tussen Waagplein en de Gedempte Nieuwsloot met de aanleg van de Marktstraat en de vergroting van het Waagplein. Tussen Ritsevoort en Baangracht werd omstreeks 1873 het Kennemerpark ontwikkeld. Op deze voormalige lijnbaar verrezen villa’s en herenhuizen, die met hun tuinen aansloten op het groen van het stadspark dat werd aangelegd op de voormalige bolwerken. Aan het eind van de negentiende eeuw ontwikkelde zich langs de Laat en het oostelijk deel van de Langestraat een winkelgebied. Een deel van de woonhuizen werd verbouwd tot winkel. Ook verscheen er nieuwbouw met een grotere schaal. Op een vergelijkbare manier verschenen er in de binnenstad relatief grootschalige gebouwen voor dienstverlening waaronder banken, kadaster, post en onderwijs. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw volgden aanpassingen om het toenemend autoverkeer te faciliteren. Met de aanleg van de Korte Vondelstraat ontstond een route voor doorgaand verkeer via de Bierkade en Wageweg. Vanaf de jaren zestig volgde ook de sanering en reconstructie van het gebied rond de Grote Kerk. Vergelijkbare maar minder grote reconstructies zijn ook elders te vinden, bijvoorbeeld aan de Keizerstraat en Doelenstraat. Bebouwingsstructuur Om de ruimtelijk opbouw van de binnenstad te doorgronden, is een onderscheid gemaakt in vier historische bebouwingscategorieën. categorie I: grote panden tot vier lagen; breedte 6,00 tot 12,00 m, goothoogte 8,00 tot 12,00 m; hoogte begane grond verdieping minstens 3,50 m. categorie II: middelgrote panden van twee of drie lagen; breedte 5,00 tot 7,00 m; goothoogte 5,00 tot 8,00 m. categorie III: kleine panden van één of twee lagen; breedte 4,50 tot 6,00 m breed; goothoogte 3,50 tot 4,50 m. categorie IV: bijzondere objecten en complexen, zoals kerken, een theater, een politiebureau en negen hofjes, die identiteit en uitstraling aan de binnenstad as geheel geven; deze gebouwen vragen in verband met hun openbare functie extra herkenbaarheid in de omgeving. Objecten in categorie I, II en III is vrijwel altijd voorzien van een kap, met een helling van 45 tot 60 graden. De nok staat veelal loodrecht op de straat. Enkele straten zoals de Langestraat met Mient en Voordam worden vooral gekenmerkt door grote panden van categorie I. Bebouwing van categorie III kenmerkt de St. Jacobsstraat, Nieuwstraat, St. Annastraat, Keizerstraat, het oostelijke deel van Fnidsen, de woonstraathes Groot Nieuwland, Bloemstraat, het Klein Nieuwland, de Westeren Oosterburgerstraat met aansluitende Oude Gracht en tenslotte de Clarissenbuurt met de Geest en Lindegracht. In de overige gebieden van de binnenstad is voornamelijk sprake van middelgrote stadspanden van categorie II. De bebouwingsopzet komt in grote lijnen overeen met de hiërarchie in de stadsplattegrond op de kaart van Van Deventer. De status van de Langestraat als hoofdas van de stad komt vooral naar voren in de hoge concentratie voorname panden met een forse breedte. Stadsruimten Een belangrijk deel van het beeld van de stad wordt gevormd door de inrichting van de openbare ruimte. Deze zou het beeld moeten ondersteunen dan wel versterken. Dit kan bereikt worden door inrichting te baseren op de hiërarchische onderverdeling van de verschillende plekken in de stad. Per straattype kunnen uitgangspunten worden geformuleerd over bijvoorbeeld de profilering, de keuze voor bestratingsmateriaal en afwatering. Hetzelfde geldt voor de keuze van bijvoorbeeld het aanzien van het straatmeubilair, de verlichting en beleid voor terrassen. De huidige inrichting van de openbare ruimte kenmerkt zich door een grote verscheidenheid in detaillering en materiaalsoorten. De stadsplattegrond van Alkmaar heeft een vrij rechthoekige aanleg met een hoofdrol voor de waterwegen als gevolg van de aanleg op terrein dat voorheen waterrijk gebied was. Kenmerkend is de oostwest richting van straten en grachten. De breedte van de verbindingsstraten is beperkt. Opvallend is het grote aantal particuliere stegen. De ruimtelijke ontwikkeling van de binnenstad heeft grotendeels binnen de structuur van de zeventiende eeuwse stad plaatsgevonden. Slechts een beperkt aantal straten is als doorbraak ontstaan. In de stad zijn diverse specifieke stadsruimten te onderscheiden: de randen van de stad: kades (kanaalkade, Bierkade) en groengebieden (Singel en Victoriepark) grachten, zoals: de Oudegracht, Verdronkenoord, Luttik Oudorp, Voordam, Kaarsemakersgracht, Mient, Kooltuin, Baangracht straten breder dan 10,00 m, zoals: Ritsevoort, Koorstraat, Langestraat, Breedstraat, Laat, Ridderstraat, Limmerhoek, Gasthuisstraat, Paternosterstraat, Bagijnenstraat, Heul, St. Laurensstraat, Gedempte Nieuwesloot, Marktstraat en de Dijk straten van 5,70 tot 10,00 m breed, zoals: Koningsweg, Geest, Doelenstraat, Dubbele Buurt, Torenburg, Ramen, Voorstraat en Sebastiaanstraat straten en stegen smaller dan 5,70 m die vaak karakteristieke doorsteekjes vormen in het oost-west gerichte hoofdstratenpatroon bijzondere elementen zoals pleinen en andere plekken Groen en water De groenen waterstructuur van de binnenstad van Alkmaar bestaat uit de volgende onderdelen: de singels aan de zuiden westzijde met grote boomgroepen, heesters en gazons, ontsloten door wandelpaden het Bolwerk met zijn monumentale karakter het Victoriepark met bomen, heesters en gazons, dat van de binnenstad is afgesneden door de Wageweg de beeldbepalende stadsgrachten zijn aan weerszijden beplant met bomen, net als De Laat het overige groen bestaat uit boomgroepen op pleinen, binnentuinen en in hofjes, zoals het groen bij het Hof van Sonoy, de museumtuin en het groen rond de Grote Kerk De hoeveelheid groen in de binnenstad is beperkt. Het streven is dit groen te behouden. De bomen springen het meest in het oog. Een deel van de bomen, zoals op het Bolwerk en rond de kerk is monumentaal. Algemene richtlijnen Voor de bebouwing in de hele binnenstad gelden in principe dezelfde algemene richtlijnen. Aangezien het gebied met name is aangewezen als beschermd stadsgezicht vanwege de gaaf bewaard gebleven historische structuur uit de periode voor 1850, is deze structuur in eerste instantie maatgevend voor de bebouwingsrichtlijnen. De historische structuur ligt vast in het verkavelingspatroon, de rooilijnen, de bebouwingsstructuur en de bouwmassa’s. In de richtlijnen ligt de nadruk op de bescherming van de structuur en minder op de bescherming van de objecten. De stedenbouwkundige structuur in de binnenstad is in het algemeen maatgevend voor de hoofdmassa van de gebouwen. Het ontwerp van bebouwing wordt in beginsel beargumenteerd in relatie tot de naastgelegen bebouwing. Ook de betekenis van de stadsruimten speelt hierbij een rol. In de stadsruimten waar men sen relatief lang verblijven en waar sprake is van de mogelijkheid op afstand waar te nemen, is extra zorgvuldigheid gewenst met betrekking tot de architectonische samenhang van de bebouwing. Deze collectieve ruimten bepalen voor een belangrijk deel de beleving van de binnenstad. Bij nieuwbouw zal overal afstemming moeten plaatsvinden op de historische structuur. Waar deze dermate zwak is dat zij onvoldoende aanknopingspunten biedt voor herstel, wordt in principe uitgegaan van een eigentijdse stedelijke invulling. Beoordeling verbouwplannen In geval van verbouwplannen wordt uitgegaan van de volgende principes: verbouw gericht op uitbreiding van een pand houdt het oorspronkelijke casco in ere en vindt bij voorkeur plaats aan de achterzijde van een pand het afzonderlijke karakter per pand behouden, ook bij samenvoeging kleine ingrepen zoals dakkapellen of kozijnwijzigingen afstemmen op de oorspronkelijke architectuur in detaillering, materiaal- en kleurgebruik (herstel van oorspronkelijke kenmerken heeft de voorkeur) uitbreidingen en veranderingen aan gevelbeëindiging en dak blijven ondergeschikt aan de hoofdmassa, waarbij het aanzien vanuit openbaar toegankelijk gebied van belang is raamindeling en profielen van kozijnen in gebouwen met traditionele architectuur behouden (aluminium alleen exact nabootsen in geval van toepassing aluminium en kunststof) Beoordeling nieuwbouwplannen Bij de beoordeling van nieuwbouwplannen in de gehele binnenstad wordt in ieder geval gekeken naar de kapvorm, gevelindeling, bouwkundige detaillering, architectonische elementen, materialen en kleuren. Daarbij wordt uitgegaan van de volgende principes: de hoogte van verdieping en de articulatie van de gevel (de dimensionering van raam- en deuropeningen) dragen bij aan een van belendende panden afwijkende verschijningsvorm de gevelbeëindiging levert een passende bijdrage aan het silhouet van de straat en gehele binnenstad het peil van de beganegrondlaag is afgestemd op het peil van de belendende panden en wordt beargumenteerd vanuit de functie en betekenis van het gebouw de begane grondlaag is ongevoelig voor vandalisme gevelwanden van pleinen en straten van meer dan 5,70 m breedte hebben een bewoond karakter (in beginsel geen bergingen, garages en opslag in de straatwand opnemen) materialen en kleuren beargumenteren, waarbij overeenkomsten met belendende panden zwaarder wegen dan de verschillen kleuren dragen bij aan de geschakeerde kleurstelling in het stadsbeeld, zonder dat dit leidt tot scherpe contrasten technische voorzieningen zoals ventilatie, brandtrap en zonwering zijn in het ontwerp van het gebouw opgenomen hoofdgebouw, aanbouwen, erfbebouwing en erfafscheidingen zijn onderling in samenhang dakkapellen en dakramen op minstens 3,00 m achter de voorgevellijn plaatsen, in verband met het aanzicht vanuit de openbare ruimte Afwijkingen zijn bij uitzondering en na zorgvuldige weging mogelijk. Daarnaast zijn ter verfijning enkele deelgebieden aangewezen met een eigen beschrijving, uitgangspunten en kenmerken. Deelgebieden Gezien de verschillen in sferen is een onderscheid gemaakt naar negen deelgebieden. Daarbij is gekozen stedenbouwkundige ruimten zoals straten, grachten en pleinen samen met de aanliggende bebouwing als één geheel te zien. In de verdeling is rekening gehouden met de historische hoofdstructuur en gebiedsfuncties. De negen deelgebieden zijn: Stadshart (
- a)Stadsloper (
- b)Stadspodium (
- c)Stadsgracht (
- d)Stadshoven (
- e)Achter de kerk (
- f)Havenkwartier (
- g)Stadssingel (
- h)Stadskades (
- i)Gebied 1 wordt afgesloten met specifieke objectcriteria voor het rijksbeschermd stadsgezicht Binnenstad. Binnenstad - deelgebieden Gebied 1a Binnenstad - Stadshart Beschrijving Het Stadshart is het centrum van Alkmaar en omgeving en heeft verschillende sferen. Het deelgebied bestaat voornamelijk uit de bebouwing aan en in de omgeving van de Langestraat, Gedempte Nieuwesloot, Achterstraat, Markstraat, het Waagplein, de Vismarkt, Mient, Voordam en de Achterdam. Naast winkels zijn er gebouwen met een culturele of uitgaansfunctie. Ook kantoren en andere vormen van dienstverlening zijn aanwezig in het Stadshart. In de overige panden en op de verdiepingen wordt veelal gewoond. Het zwaartepunt van het gebied ligt aan de Langestraat, Vismarkt, de Mient, het Waagplein en Voordam. Dit gebied heeft brede straten en pleinruimten met relatief omvangrijke percelen en statige panden. In de omringende, achterliggende gebieden zijn de panden veelal kleinschaliger, hoewel er ook diverse historische uitzonderingen zoals enkele kerken, het stadhuis, het Hooge Huys en enkele bankgebouwen voorkomen. De rooilijnen zijn aaneengesloten en recht en worden slechts onderbroken door straten en stegen. In het winkelgebied is het winkelfront vrijwel aaneengesloten. Bebouwing aan de hoofdroutes heeft veelal twee of drie lagen met een kap, waarbij de begane grondlaag hoger is dan de overige lagen. Bebouwing in de stegen is veelal kleinschaliger met anderhalf tot twee lagen en een kap. De panden en bijbehorende functies hebben van oorsprong een gevarieerde samenstelling en een fijne ritmiek. In de loop der tijd zijn diverse panden vervangen, waarbij de oorspronkelijke variatie en verfijndheid soms in meer of mindere mate verloren is gegaan. Het appartementencomplex aan het Hofplein, het warenhuis aan de Van den Boschsteeg en in mindere mate de entree van garage Karperton aan de Dijk zijn hier voorbeelden van. De architectonische uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig en variëren van sober tot rijk. Siermetselwerk, fijn gedetailleerde gootklossen, daklijsten en kozijnen komen voor. Oorspronkelijke gevels hebben veel accenten terwijl bij nieuwere panden de detaillering vaak sober is. Het materiaal- en kleurgebruik is divers en terughoudend. Gevels zijn van baksteen, soms geverfd of gepleisterd in een lichte tint en de kap is afgedekt met keramische pannen. Kozijnen zijn gewoonlijk uitgevoerd in geschilderd houtwerk. De begane grondlaag van winkels en bedrijven is vaak voorzien van panelen, afwijkende kleuren en reclame. Uitgangspunten De historische structuur en kleinschalige bebouwing zijn uitgangspunt. Naast de stedenbouwkundige structuur staat hierbij de variatie in panden en functies centraal. De bebouwingsstructuur van individuele panden vertoont een sterke regelmaat, die slechts door enkele verspreid voorkomende bijzondere incidenten zoals het stadhuis en de Waag wordt onderbroken. Hierdoor is een levendig geheel ontstaan. In de architectuur is afstemming van de begane grond met zijn publieke functies en de meer private bovengelegen verdiepingen punt van aandacht, terwijl ook afstemming op de naastgelegen panden wordt gevraagd. Wat betreft de architectuur zijn gesloten baksteengevels met een sterke verticale ritmiek en een zorgvuldige detaillering uitgangspunt. Om inzicht te krijgen in het traditionele kleurgebruik, is het mogelijk om kleuronderzoek te doen. Kenmerken het straatbeeld wordt bepaald door aaneengesloten straatwanden van individuele panden met een eigen architectuur de voorgevel is gericht op de belangrijkste openbare ruimte de historische panden hebben een gemiddelde breedte van 6,00 m de begane grondlaag is op het oog relatief hoog, met name bij winkels en voorhuizen panden hebben meestal twee of drie lagen met een topof lijstgevel en een eigen kap nokken staan veelal loodrecht op de voorgevel, de kaphelling is 50 tot 60 graden de bakstenen gevels zijn relatief gesloten en vlak, ramen hebben een staande rechthoek de begane grondlaag van winkels en bedrijven heeft een afwijkende invulling die afgestemd is op de geleding, ritmiek en stijl van de hele gevel met muurdammen op perceelsscheidingen materialen en kleuren passen in de historische context: in baksteengevels overheerst de kleur rood, gepleisterde gevels zijn veelal wit of crèmekleurig daken zijn gedekt met oranje en donkergrijze keramische pannen, leien komen voor bij onder meer kerken en torens kozijnen zijn veelal van hout en geverfd in een lichte tint als wit of crème, bewegende delen zijn in beginsel uitgevoerd in een contrasterende kleur, zoals donkerrood, donkergroen, bruin, wit of crème etalages zijn ingevuld met puien van bijvoorbeeld hout of natuursteen, met als bijzonder element de beëindiging bovenin met een lijst, puibalk of vergelijkbaar onderdeel puien zijn van oorsprong uitgevoerd in traditionele kleuren, afhankelijk van het gebruikte materiaal Beschrijving De Stadsloper is een langgerekte ruimte ter plaatse van een voormalige gracht. Het deelgebied bestaat voornamelijk uit de bebouwing aan de Laat en een deel van de bebouwing aan de aangrenzende straten en stegen. Het westelijke deel is belangrijk onderdeel van het winkelgebied met een zoveel mogelijk aaneengesloten winkelfront. Het oostelijke deel heeft meer gemengde functies. De Stadsloper heeft over vrijwel de gehele lengte één type bestrating met veel ruimte voor voetgangers en doorlopende bomenrijen aan weerszijden van de weg. In het oosten gaat de Stadsloper vrij abrupt over in het aangrenzende woongebied. Het gebied heeft aaneengesloten straatwanden. Percelen zijn in beginsel smal en bebouwd met individuele panden. Deze oorspronkelijke parcellering is ter plaatse van enkele grootschalige winkels niet meer herkenbaar. Het recente blok aan de Limmerhoek is groot in vergelijking met de kleinschalige bebouwing aan de overzijde van de straat. Door geledingen in massa en uitwerking is het gebouw in meerdere delen geknipt. De hoogte is fors, drie tot vier lagen met een hoekaccent van vierenhalve laag met kap. De bouwhoogte loopt oorspronkelijk op richting de Koorstraat tot drie lagen met kap. Momenteel staan er ook enkele panden van vier lagen met kap. De gevelopbouw is divers, waarbij ook trap- en klokgevels voorkomen. Ook het kaplandschap is divers. Er is een grote verscheidenheid aan architectonische uitwerkingen, waarbij traditionele baksteengevels worden afgewisseld met hedendaagse betonnen draagconstructies. De begane grondlaag is meestal in gebruik als winkel en voorzien van panelen, afwijkende kleuren en reclame. Meer eenheid in het bebouwingsbeeld kan bereikt worden door de architectonische contrasten enigszins te beperken. Uitgangspunten De historische bebouwingsstructuur en het levendig straatbeeld zijn uitgangspunt. Naast de stedenbouwkundige structuur is hier de balans tussen de eenheid in de gesloten straatwanden en de afwisseling tussen panden van groot belang. De variëteit in bouwmassa’s is één van de waarden van deze winkelstraat, waarbij de historische schaal van de bebouwing maatgevend is. In de architectuur is afstemming van de begane grond met zijn publieke functies en de meer private bovengelegen verdiepingen punt van aandacht, terwijl ook afstemming op de naastgelegen panden wordt gevraagd. Wat betreft de architectuur zijn gesloten baksteengevels met een sterke verticale ritmiek en een zorgvuldige detaillering uitgangspunt. Om inzicht te krijgen in het traditionele kleurgebruik, is het mogelijk om kleuronderzoek te doen. Kenmerken het straatbeeld wordt bepaald door aaneengesloten straatwanden van individuele panden met een eigen architectuur de voorgevel is gericht op de belangrijkste openbare ruimte de historische panden hebben een gemiddelde breedte van 6,00 m de begane grondlaag is op het oog relatief hoog, met name bij winkels en voorhuizen panden hebben veelal een topof lijstgevel en een eigen kap nokken staan veelal loodrecht op de voorgevel, de kaphelling is 50 tot 60 graden de bakstenen gevels zijn relatief gesloten en vlak de begane grondlaag van winkels heeft een afwijkende invulling die afgestemd is op de geleding, ritmiek en stijl van de hele gevel materialen en kleuren passen in de historische context: in baksteengevels overheerst de kleur rood, gepleisterde gevels zijn veelal wit of crèmekleurig daken zijn gedekt met oranje en donkergrijze keramische pannen, leien komen voor bij onder meer kerken en torens kozijnen zijn veelal van hout en geverfd in een lichte tint als wit of crème, bewegende delen zijn in beginsel uitgevoerd in een contrasterende kleur zoals donkerrood, donkergroen, bruin, wit of crème etalages zijn ingevuld met puien van bijvoorbeeld hout of aluminium, met als bijzonder element de beëindiging bovenin met een lijst, puibalk of vergelijkbaar onderdeel Gebied 1c Binnenstad - Stadspodium Beschrijving In het deelgebied Stadspodium staat de culturele sector voorop. Daarnaast zijn er enkele winkels en bedrijven en wordt er gewoond. Het Stadspodium bestaat voornamelijk uit de bebouwing aan en in de omgeving van het Kerkplein, Canadaplein en de Paardenmarkt. Waar in de overige delen van de binnenstad de oorspronkelijke structuur bepalend is, wordt in dit deelgebied de toon gezet door grootschalige en veelal recente gebouwen en enkele pleinen. De Sint Laurenskerk is een opvallende verschijning aan het Kerkplein. De bebouwing bestaat uit grote objecten, enkele gesloten blokken en aaneengesloten straatwanden van individuele panden. De traditionele bebouwing is deels kleinschalig en bestaat uit twee tot drie lagen met kap of plat dak. Daarnaast zijn er enkele grootschaligere gebouwen met een traditionele uitwerking. De architectonische uitwerking van deze objecten is zorgvuldig, materialen en kleuren traditioneel. Gevels zijn van baksteen, hellende daken veelal gedekt met pannen. Grotere gebouwen hebben een kenmerkende uitwerking met herhaalde elementen als lijsten, lateien en natuurstenen penanten. De recentere gebouwen en complexen zijn eenvoudig van opzet. Het theater is hier een uitzondering op met een samengestelde massa. De gebouwen hebben meerdere lagen. Daken zijn plat en hier en daar uitgevoerd met een (samengestelde) kap. De uitwerking is veelal ingetogen en varieert van eenvoudig tot zorgvuldig. Bij de woonblokken zorgen repeterende elementen in de gevel zoals dwarsnokken, kozijnen, balkons en een enkel kleuraccent voor samenhang. Naast diverse tinten baksteen zijn in de gevels van de recentere gebouwen ook moderne invullingen als glazen puien gebruikt. De begane grondlaag van individuele panden en woonblokken is regelmatig in gebruik als winkel, bedrijf of café en voorzien van puien, afwijkende kleuren en reclame. Uitgangspunten De vernieuwde openbare ruimte en historische bebouwing zijn uitgangspunt. Het stadspodium is een gebied met een eigen sfeer en grotere schaal dan de rest van de binnenstad, maar is ondanks dat in sfeer en karakter daar wel een onderdeel van gebleven. Van belang voor welstand is de balans tussen de historische routes met oude gebouwen en de representatieve openbare ruimten met eigentijdse gebouwen. Hier staan van oudsher veel gebouwen van een behoorlijke maat en schaal in (bak)steen, waarvoor het van belang is om deze op elkaar af te stemmen met bijvoorbeeld een verticale belijning, verfijnde detaillering en zorgvuldige materiaalkeuze. In de architectuur is afstemming van de begane grond met zijn publieke functies en de meer private bovengelegen verdiepingen punt van aandacht. Om inzicht te krijgen in het traditionele kleurgebruik, is het mogelijk om kleuronderzoek te doen. Kenmerken het straatbeeld wordt bepaald door complexen uit diverse bouwperiodes en enkele aaneengesloten individuele panden met een eigen architectuur de voorgevel is gericht op de belangrijkste openbare ruimte de stedenbouwkundige ruimte is begrensd met overwegend rechte voorgevelrooilijnen en enkele hoogteaccenten op zichtlocaties gebouwen variëren in massa en hebben een kap of plat dak met of zonder een dakopbouw historische objecten spelen de hoofdrol in het beeld, gevels van recente gebouwen zijn vlak en rustig materialen en kleuren passen in de historische context: gevels zijn uitgevoerd in bruine, rode, beige of grijstinten etalages zijn ingevuld met puien van bijvoorbeeld hout, ijzer of aluminium met als bijzonder element de balk bovenin kozijnen en bewegende delen van ramen en deuren zijn veelal van hout, aluminium of ijzer en geverfd in variërende kleuren traditionele en kleinschalige panden hebben veelal: wisselende kappen en ramen met een staande rechthoek baksteengevels waar de kleur rood overheerst met oranje en donkergrijze keramische pannen gedekte daken Gebied 1d Binnenstad - Stadsgracht Beschrijving De Stadsgracht is een grote en sterk stedenbouwkundige ruimte met een hoge woonkwaliteit. Het deelgebied bestaat voornamelijk uit de bebouwing aan de Oude Gracht en een deel van de bebouwing aan de aangrenzende straten en stegen. Ter plaatse van de kruisingen met grotere straten komen veel winkels voor. De bebouwing is in het westelijk deel van het gebied in het algemeen hoger dan in het oostelijk deel. In het oostelijke deel staan veel kleine arbeidershuisjes, al dan niet als onderdeel van een complex. Opvallend in het straatbeeld is hier de regelmaat met traditionele panden met topen lijstgevels. In het algemeen heeft de bebouwing aan het oostelijk deel een ingetogen karakter. Naar het westen toe heeft de bebouwing een voornamer karakter met fraaie herenhuizen op relatief grote percelen. Aan de gracht liggen ook enkele hofjes en kerken. De relatie tussen de bebouwingswanden aan beide zijden van de gracht is in het vernauwde oostelijke gedeelte belangrijker dan in het westelijke deel. Nieuwbouw zal met name in het nauwe deel goed aan moeten sluiten op de bebouwing aan de overkant. De historische bebouwingsstructuur met smalle, aaneengebouwde panden en afwisselende architectuur is leidend bij de inpassing van nieuwe objecten. Uitgangspunten De historische bebouwingsstructuur en het goed behouden straatbeeld zijn uitgangspunt. Naast de kleinschalige stedenbouwkundige structuur is hier de balans tussen de eenheid in de straatwanden en de beperkte afwisseling tussen massa’s van de panden van groot belang. De individualiteit van de panden en variëteit in gevelvormen is één van de waarden van deze gracht. In de architectuur is de traditionele baksteengevel met staande ramen en lijstwerk in al zijn verschijningsvormen uitgangspunt. Om inzicht te krijgen in het traditionele kleurgebruik, is het mogelijk om kleuronderzoek te doen. Kenmerken het straatbeeld wordt bepaald door aaneengesloten straatwanden van individuele panden met een eigen architectuur en enkele kleinschalige complexen in het oosten van het gebied de voorgevel is gericht op de belangrijkste openbare ruimte de meeste panden hebben een zadelkap of mansardedak, brede herenhuizen hebben veelal een schilddak de dakvormen wisselen elkaar af in het straatbeeld de nok veelal haaks op de straat, de kaphelling is 50 tot 60 graden herenhuizen hebben veelal een symmetrische gevelcompositie met een risaliet of cordonlijst ramen hebben een staande rechthoek materialen en kleuren passen in de historische context: gevels zijn hoofdzakelijk van baksteen en incidenteel gepleisterd in baksteengevels overheerst de kleur rood, gepleisterde gevels zijn veelal wit of crèmekleurig daken zijn gedekt met oranje en donkergrijze keramische pannen, leien komen voor bij onder meer kerken en torens kozijnen zijn veelal van hout en geverfd in een lichte tint als wit of crème, bewegende delen zijn in beginsel uitgevoerd in een contrasterende tint als donkerrood, donkergroen, bruin, wit of crème Gebied 1e Binnenstad - Stadshoven Beschrijving De Stadshoven liggen ten westen van het hoofdwinkelgebied en heeft een gedifferentieerd karakter met woonbebouwing, voorzieningen, enkele bedrijfjes en horecagelegenheden. Het deelgebied bestaat voornamelijk uit de bebouwing aan en in de omgeving van de Koningsweg, Ramen, Veerstraat, Sint Jorisstraat, Lombardsteeg en Doelenstraat. Stadshoven is een enigszins besloten gebied met smalle straten en stegen en dichte bebouwing. Centraal in het gebied ligt het Doelenveld, waar vooral achterkanten aan grenzen. De bebouwing vormt veelal aaneengesloten rooilijnen. Hier en daar worden rooilijnen overschreden door erkers op de verdieping. De panden zijn kleinschalig en hebben een gevarieerde opbouw van één tot twee lagen met kap. De nok staat veelal haaks op de weg. De historische panden hebben een breedte van minder dan 6,00 m. Op enkele plekken is de oorspronkelijke structuur niet meer herkenbaar doordat nieuwe panden meerdere percelen beslaan. Gevels hebben in het algemeen een traditionele opbouw, waronder top-, kloken lijstgevels. Er komen veel verschillende open aanbouwen voor. Stadshoven heeft een grote diversiteit aan architectuurstijlen en een zorgvuldige detaillering, sober tot rijk. Siermetselwerk, fijn gedetailleerde kozijnen en daklijsten komen voor. Oorspronkelijke gevels hebben veel accenten terwijl bij nieuwere panden de detaillering vaak sober is. Garagedeuren komen voor. De maat van deze deuren is gekoppeld aan de maat van het pand, waarbij de breedte in de regel maximaal 2,20 m is. Materialen en kleuren zijn divers en terughoudend. Gevels zijn van bakof natuursteen, soms geverfd of gepleisterd in een lichte tint. Hellende kappen zijn gedekt met keramische pannen. Kozijnen zijn gewoonlijk uitgevoerd in geschilderd houtwerk. Uitgangspunten De historische bebouwingsstructuur en het kleinschalig straatbeeld zijn uitgangspunt. Naast de stedenbouwkundige structuur met individuele panden afgewisseld met enkele rijen is hier de traditionele architectuur van belang voor welstand. Wat betreft de architectuur zijn traditionele gesloten baksteengevels met een sterke verticale ritmiek en een zorgvuldige detaillering uitgangspunt. Om inzicht te krijgen in het traditionele kleurgebruik, is het mogelijk om kleuronderzoek te doen. Kenmerken het straatbeeld wordt bepaald door aaneengesloten straatwanden van individuele panden met een eigen architectuur de voorgevel is gericht op de belangrijkste openbare ruimte de historische panden hebben een gemiddelde breedte van 6,00 m de begane grondlaag is op het oog relatief hoog, met name bij winkels en voorhuizen panden hebben veelal een topof lijstgevel en een eigen kap met de nok loodrecht op de voorgevel gevels zijn relatief gesloten en vlak en hebben ramen met een staande rechthoek materialen en kleuren passen in de historische context: in baksteengevels overheerst de kleur rood, gepleisterde gevels zijn veelal wit of crèmekleurig daken zijn gedekt met oranje en donkergrijze keramische pannen kozijnen zijn veelal van hout en geverfd in een lichte tint als wit, crème of (oker)geel, bewegende delen zijn in beginsel uitgevoerd in een contrasterende kleur als donkerrood, donkergroen, bruin, wit of crème etalages zijn ingevuld met puien van bijvoorbeeld hout en afgestemd op de geleding, ritmiek en stijl van de hele gevel Gebied 1f - Achter de kerk Beschrijving Achter de Grote Kerk ligt een buurtje in de luwte van het centrum en bevat gevarieerde en overwegend kleinschalige bebouwing met voornamelijk een woonfunctie. Het deelgebied bestaat uit de bebouwing aan en in de omgeving van de Geest, Heul, Clarissenbuurt, Lindegracht en Vrouwenstraat. Kenmerkend voor het gebied zijn de smalle straten met kleine individuele arbeidershuisjes en hier en daar een klein ensemble. De oorspronkelijk bebouwing heeft één tot twee lagen met een kap, nieuwe invullingen hebben ook wel drie en soms zelfs vier lagen met of zonder kap. Een deel van de woningen grenst met de achterkant aan de groenzone van het bolwerk. De woningen hebben een individuele vormgeving of zijn onderdeel van een klein ensemble. De bebouwing is zorgvuldig vormgegeven. Siermetselwerk, fijn gedetailleerde kozijnen en daklijsten komen voor. Enkele stadsvernieuwingscomplexen en korte rijen woningen uit ongeveer dezelfde bouwperiode zijn hier een uitzondering op. De architectonische uitwerking van deze objecten is eenvoudig. Uitgangspunten De historische bebouwingsstructuur en het kleinschalig straatbeeld zijn uitgangspunt. Naast de stedenbouwkundige structuur met individuele panden afgewisseld met enkele rijen is hier de traditionele architectuur van belang voor welstand. Wat betreft de architectuur zijn traditionele gesloten baksteengevels met een verticale ritmiek en een zorgvuldige detaillering uitgangspunt. Om inzicht te krijgen in het traditionele kleurgebruik, is het mogelijk om kleuronderzoek te doen. Kenmerken het straatbeeld wordt bepaald door aaneengesloten straatwanden van individuele panden met een eigen architectuur en enkele korte rijen en kleinschalige complexen de voorgevel is gericht op de belangrijkste openbare ruimte de dakvormen wisselen elkaar af in het straatbeeld, waarbij zadeldaken het meest voorkomen de nok staat haaks op of evenwijdig aan de straat, de kaphelling is 45 tot 60 graden erkers, dakkapellen, tuinmuren en smeedijzeren hekwerken zijn veel voorkomende elementen een eenduidige architectonische uitwerking en detaillering maken van complexen en ensembles samenhangende eenheden gevels zijn relatief gesloten en vlak en hebben ramen met een staande rechthoek materialen en kleuren passen in de historische context: gevels zijn hoofdzakelijk van baksteen en soms gepleisterd in baksteengevels overheerst de kleur rood, gepleisterde gevels zijn veelal wit of crèmekleurig daken zijn gedekt met oranje en donkergrijze keramische pannen kozijnen zijn veelal van hout en geverfd in een lichte tint als wit of crème, bewegende delen zijn in beginsel uitgevoerd in een contrasterende tint als donkerrood, donkergroen, bruin, wit of crème Gebied 1g Binnenstad - Havenkwartier Beschrijving Het Havenkwartier in het oosten van het centrum heeft een woonfunctie. Daarnaast zijn er diverse uitgaansgelegenheden in dit gebied. Het deelgebied bestaat uit de bebouwing aan en in de omgeving van de Verdronkenoord, Sint Jacobsstraat, Nieuwstraat, Sint Annastraat, Fnidsen, Luttik Oudorp, Mosterdsteeg en Spanjaardstraat. Het Havenkwartier heeft een hiërarchie in structuur, bouwmassa en uitwerking. Langs de grachten liggen relatief brede en diepe kavels met panden van twee tot drie lagen en een kap. Gebouwen hebben veelal een dwarskap en een lijstgevel. Ook trap-, tuit-, kloken enkele halsgevels komen voor. De architectonische uitwerking is rijk, waarbij er aan de Verdronkenoord ook enkele herenhuizen staan. Materialen en kleuren zijn divers en terughoudend. Gevels zijn van bakof natuursteen, soms geverfd of gepleisterd in een lichte tint. Hellende kappen zijn gedekt met keramische pannen. Kozijnen zijn gewoonlijk uitgevoerd in geschilderd houtwerk. Aan de stegen is het karakter intiem met kleine, ondiepe kavels. De bebouwing is eenvoudig en bestaat voor een deel uit stadsvernieuwingscomplexen. De oorspronkelijke rooilijnen en pandoriëntatie zijn in deze complexen nog herkenbaar. De oorspronkelijke verkaveling is hier en daar verloren gegaan door de herhaling van relatief brede panden. De uitwerking en detaillering is ingetogen. Garagedeuren komen voor. De maat van deze deuren is gekoppeld aan de maat van het pand, waarbij de breedte in de regel maximaal 2,20 m is. Uitgangspunten De historische bebouwingsstructuur en het kleinschalig straatbeeld zijn uitgangspunt. Naast de goed behouden stedenbouwkundige structuur met smalle straten is de kleinschaligheid van de bebouwing van belang voor welstand. In de architectonische afwisseling moet rekening worden gehouden met de positie van de gebouwen in de structuur, waarbij de rijkere panden langs de grachten staan en de meer bescheiden bebouwing aan de kleinere straten en stegen. Wat betreft de detaillering van de panden zijn de veel aanwezige historische baksteengevels met een verticale ritmiek en een zorgvuldige detaillering uitgangspunt. Om inzicht te krijgen in het traditionele kleurgebruik, is het mogelijk om kleuronderzoek te doen. Kenmerken het straatbeeld wordt bepaald door aaneengesloten straatwanden van individuele panden met een eigen architectuur de voorgevel is gericht op de belangrijkste openbare ruimte de historische panden aan grachten hebben een breedte van 7,00 m of minder en aan de dwarsstegen is de breedte maximaal 5,50 m de begane grondlaag is op het oog relatief hoog, met name bij winkels en voorhuizen panden hebben veelal een topof lijstgevel en een eigen kap met de nok loodrecht op de voorgevel hier en daar staan panden met tuit-, kloken trapgevels de nok veelal haaks op de straat, de kaphelling is 50 tot 60 graden gevels zijn relatief gesloten en vlak en hebben ramen met een staande rechthoek een eenduidige architectonische uitwerking en detaillering maken van complexen en ensembles samenhangende eenheden materialen en kleuren passen in de historische context: in baksteengevels overheerst de kleur rood, gepleisterde gevels zijn veelal wit of crèmekleurig daken zijn gedekt met oranje en donkergrijze keramische pannen kozijnen zijn veelal van hout en geverfd in een lichte tint als wit, crème of (oker)geel, bewegende delen zijn in beginsel uitgevoerd in een contrastkleur als donkerrood, donkergroen, bruin, wit of crème etalages zijn ingevuld met puien van bijvoorbeeld hout en afgestemd op de geleding, ritmiek en stijl van de hele gevel Gebied 1h Binnenstad - Stadssingel Beschrijving De Stadssingel bevat het bolwerk en de singels aan de zuidelijke en westelijke rand van de binnenstad. Het deelgebied bestaat uit de bebouwing aan en in de omgeving van de Wildemanstraat, Kwerenpad, Kennemerpark, Clarissenbuurt en Molenbuurt. De singels zijn ingericht in de Engelse landschapsstijl met slingerende paden en veel groen. De bebouwing bestaat voornamelijk uit aaneengebouwde villa’s en herenhuizen in een aaneengesloten, golvende rooilijn. Ten oosten van de Emmabrug staan ook enkele samenhangende complexen. De meeste bebouwing heeft een voornaam karakter, dat aansluit op de parkachtige omgeving. De architectonische uitwerking en detaillering zijn verzorgd, gevarieerd en rijk. Gevels zijn van baksteen en soms van natuursteen of voorzien van een stuclaag. De panden zijn in het algemeen rijk versierd. Materialen en kleuren zijn veelal traditioneel. Bijzondere elementen zijn de molen op het Clarissenbolwerk en de tot appartementen verbouwde kerk aan het Kwerenpad. Uitgangspunten De historische bebouwingsstructuur met representatieve panden langs het groene park op de voormalige stadswallen is uitgangspunt. Van belang voor welstand is de maat en schaal van de woonhuizen. De stedenbouwkundige afwisseling tussen rijen en villa’s is een te behouden kenmerk. De variatie in architectuur is van een vergelijkbaar belang, waarbij de rijke en vaak statige architectuur van eind negentiende eeuw de toon zet maar er ook eenvoudiger panden voorkomen en het behouden waard zijn. Een deel van de panden vormt door een gelijke uitvoering een architectonisch ensemble, waardoor eventuele veranderingen ook moeten worden afgestemd op de andere panden. Mede vanwege de halfopen verkaveling hebben veel panden meer dan één voorgevel. Wat betreft de detaillering van de panden zijn de veel aanwezige historische baksteengevels met een verticale ritmiek en een zorgvuldige detaillering uitgangspunt. Om inzicht te krijgen in het traditionele kleurgebruik, is het mogelijk om kleuronderzoek te doen. Kenmerken het straatbeeld wordt bepaald door aaneengesloten straatwanden van individuele panden met een eigen architectuur en enkele korte rijen en kleinschalige complexen hier en daar is er een opening in de straatwand de voorgevel is gericht op de belangrijkste openbare ruimte kappen zijn hoog en wisselen elkaar af in het straatbeeld, waarbij zadeldaken en samengestelde daken het meest voorkomen de nok staat haaks op of evenwijdig aan de straat, de kaphelling is 45 tot 60 graden erkers, dakkapellen, tuinmuren en smeedijzeren hekwerken zijn veel voorkomende elementen een eenduidige architectonische uitwerking en detaillering maken van complexen en ensembles samenhangende eenheden gevels zijn relatief gesloten en vlak en hebben ramen met een staande rechthoek entreepartijen zijn veelal voorzien van ornamenten materialen en kleuren passen in de historische context: gevels zijn hoofdzakelijk van baksteen en soms gepleisterd in baksteengevels overheersen de kleur rood en grijs, gepleisterde gevels zijn veelal wit, grijs of crèmekleurig, in het Kennemerpark komt grijswitte siersteen voor daken zijn gedekt met oranje en donkergrijze keramische pannen kozijnen zijn veelal van hout en geverfd in een lichte tint als wit of crème, bewegende delen zijn in beginsel uitgevoerd in een contrasterende tint als donkerrood, donkergroen, bruin, wit of crème Gebied 1i Binnenstad - Stadskades Beschrijving De Stadskades aan de noorden oostzijde van de binnenstad zijn ontstaan door de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal. De bebouwing bestaat uit een mix van historische objecten en recentere invullingen, die aan relatief brede verkeersroutes liggen. Het Victoriepark is aangelegd ter plaatse de voormalige vestinggracht. Het deelgebied bestaat voornamelijk uit de bebouwing aan de Korte Vondelstraat, Limmerhoek, Bierkade, Wageweg en Kanaalkade. De bebouwing langs de kades zijn wisselend van karakter en kwaliteit. De Bierkade met de historische bebouwing en opvallende Accijnstoren vormt het fraaie gezicht op de oostzijde van de binnenstad. De bebouwing in deze straatwand bestaat uit individuele panden van twee tot drie bouwlagen met variërende kappen en een zorgvuldige architectonische uitwerking en detaillering. Uitzondering hierop is de Korte Vondelstraat, waar enkele relatief grootschalige en recente invullingen van wisselende kwaliteit het beeld bepalen. De noordelijke rand is een overgangsgebied tussen centrum en Overstad. De gevelwanden zijn deels herkenbaar als onderdeel van de historische binnenstad. In deze rand worden historische panden, waaronder ook enkele grootschalige objecten als pakhuis Van Eijssen en ‘t Automobielhus aan de Wageweg, afgewisseld met recentere invullingen van wisselende kwaliteit. Bij recente invullingen zoals de parkeergarage, is de historische perceelsbreedte niet altijd meer te herkennen. De Kanaalkade en Wageweg bestaan uit straatwanden van aaneengesloten individuele panden van verschillende breedte. De architectonische uitwerking en detaillering variëren van eenvoudig tot zorgvuldig. Toekomstige ontwikkelingen zullen aan moeten sluiten op de schaal van de openbare ruimte en het wensbeeld van een passende overgangszone tussen binnenstad en Overstad. Uitgangspunten De historische bebouwingsstructuur en het kleinschalig straatbeeld zijn uitgangspunt. Naast de historische stedenbouwkundige structuur doorgaande straatwanden is de schaal van de bebouwing van belang voor welstand. De individualiteit van de panden en variëteit in gevelvormen is één van de waarden van de kades. In de architectuur is de traditionele baksteengevel met staande ramen en lijstwerk in al zijn verschijningsvormen uitgangspunt. Om inzicht te krijgen in het traditionele kleurgebruik, is het mogelijk om kleuronderzoek te doen. Kenmerken het straatbeeld wordt bepaald door aaneengesloten straatwanden van individuele panden van verschillende maten en met een eigen architectuur de voorgevel is gericht op de belangrijkste openbare ruimte de begane grondlaag is op het oog relatief hoog, met name bij winkels en voorhuizen de nok staat haaks op of is evenwijdig aan de straat, de kaphelling is maximaal 60 graden de bebouwing vertoont een grote diversiteit in architectuurstijlen, varierend van traditioneel tot modern historische gevels zijn relatief gesloten en vlak en hebben ramen met een staande rechthoek materialen en kleuren passen in de historische context: in baksteengevels overheerst de kleur rood, gepleisterde gevels zijn veelal wit of crèmekleurig hellende daken zijn gedekt met oranje en donkergrijze pannen kozijnen zijn veelal van hout, ijzer of aluminium en geverfd in een lichte tint als wit, crème of (oker)geel, bewegende delen zijn uitgevoerd in een contrasterende kleur als donkerrood, donkergroen, bruin, wit of crème etalages zijn ingevuld met puien van veelal hout, ijzer of aluminium en afgestemd op de geleding, ritmiek en stijl van de hele gevel Gebied 1 Binnenstad - objecten Objecten De gemeente streeft ook in het rijksbeschermd stadsgezicht Binnenstad ernaar veel voorkomende bescheiden objecten snel te beoordelen om zo de burger tegemoet te komen. Het gaat daarbij om relatief eenvoudige en meetbare criteria, die de planindiener vooraf zo veel mogelijk duidelijkheid geven. Bescheiden bouwwerken zijn ook in het beschermd gezicht deels vergunningvrij binnen bepaalde randvoorwaarden. Dat betekent dat een deel van deze plannen niet vooraf wordt getoetst aan redelijke eisen van welstand. Indien een bouwwerk niet vergunningvrij is, is een welstandstoets nodig. In dit geval treden het bestemmingsplan en het afwijkingenbeleid in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als hier geen bezwaar uit voort komt, wordt het bouwplan getoetst aan de objectcriteria. Voldoet het bouwplan niet aan deze criteria of is er sprake van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt bij de beoordeling van het bouwplan tevens gebruik maakt van de gebiedscriteria en algemene criteria. Bij de beoordeling staan de karakteristiek en leefbaarheid van gebouw en gebied voorop. Een trendsetter is een plan, dat in vergelijkbare situaties als uitgangspunt gehanteerd kan worden. Ook als deze enigszins afwijkt van de criteria op de volgende bladzijden. Het zijn plannen die navolging verdienen, waarbij met name een gelijke uitvoering van belang is. Van belang daarbij zijn de architectonische verhoudingen, materiaal en kleur. Een trendsetter is van toepassing op een bouwblok, cluster of een groter gebied. Voor- en achterkant Bij de criteria is er onderscheid in de voor- en de achterkant van bouwwerken. Onder achterkant wordt verstaan het erf achter de lijn op 1,00 m achter de voorgevellijn die evenwijdig loopt aan het openbaar toegankelijk gebied, inclusief de grond onder het hoofdgebouw en het gehele achtererf, alsmede de gevels en dakvlakken ter plaatse van dit deel van het erf. Onder voorkant wordt verstaan het erf en de daarboven gelegen gevels en dakvlakken die geen onderdeel van een achterkant zijn. Objectcriteria De objectcriteria voor het rijksbeschermd stadsgezicht vormen een handreiking voor het vergemakkelijken van de aanvraag. De inpassing van plannen in een rijksbeschermd stadsgezicht blijft echter altijd maatwerk. Algemeen herstel van historisch wenselijke eigenschappen en architectonische verfijning heeft prioriteit wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat, schaal en detaillering zorgvuldig afstemmen op architectuur en bouwstijl van het hoofdgebouw objecten zijn ondergeschikte toevoegingen aan het hoofdgebouw (bij aanpassingen blijft hoofdvorm van het gebouw duidelijk herkenbaar) materialen en kleuren zijn in beginsel terughoudend en afgestemd op het straatbeeld Aanbouwen plaatsen achter de voorgevelrooilijn en op minstens 1,00 m uit de erfgrens (anders opnemen in de straatwand) goothoogte maximaal 0,30 m boven het vloerpeil van de eerste verdieping, nokhoogte maximaal 4,50 m (nok alleen toepassen als deze past bij bouwstijl hoofdgebouw) diepte aan voorkanten maximaal 1,50 m en aan achterkanten maximaal 3,00 m maximaal 50% van oorspronkelijk voor-, zijof achtererf bebouwen vormgeven in één laag met een rechthoekige plattegrond en voorzien van een plat of een van het hoofdgebouw afgeleide kap met bijpassende detaillering aan voorgevels uitvoeren als erker met transparante uitstraling de massaopbouw en de gevelgeleding van het hoofdgebouw blijven goed leesbaar (in beginsel geen hoekaanbouwen) in architectuur en detaillering zorgvuldig afstemmen op het hoofdgebouw met inbegrip van de indeling van de kozijnen en raamprofielen materialen en kleuren aan voorkanten gelijk aan het hoofdgebouw Bijgebouwen maximaal twee bijgebouwen op het gehele erf plaatsen achter de voorgevelrooilijn en op minstens 1,00 m uit de erfgrens (in andere gevallen opnemen in de straatwand of integreren in de erfafscheiding) afstand tot gevels hoofdgebouw aan voorkanten minstens 3,00 m en aan achterkanten minstens 2,00 m goothoogte maximaal 0,30 m boven het vloerpeil van de eerste verdieping, nokhoogte maximaal 4,50 m (nok alleen toepassen als deze past bij bouwstijl hoofdgebouw) oppervlakte hoogstens 15 m2 en in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijke zijof achtererf bebouwen in architectuur en detaillering zorgvuldig afstemmen op het hoofdgebouw met inbegrip van de indeling van de kozijnen en raamprofielen (boeiboord maximaal 0,25 m hoog) materialen en kleuren aan voorkanten gelijk aan het hoofdgebouw Kozijn- en gevelwijzigingen samenhang en ritmiek straatwand behouden kozijnwijzigingen blijven binnen de bestaande gevelopening aan voorgevel in beginsel gelijk aan oorspronkelijk profiel, maatvoering, hoofdindeling en kleurstelling gevelwijzigingen alleen in zijen achtergevels en daarbij in beginsel hoogstens één nieuwe opening toevoegen binnen de belijning van gevelarchitectuur Dakkapellen alleen op hoofdgebouwen plaatsen en per woning per dakvlak in zoverre zichtbaar vanuit de openbare ruimte één dakkapel (of meerdere bescheiden dakkapellen) meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatig rangschikken op horizontale lijn (bovenlijn aanhouden), op individueel gebouw centreren in dakvlak of lijnen aan geleding voorgevel minstens 0,50 m dakvlak boven de dakkapel, minstens 1,00 m dakvlak naast de dakkapel en tussen 0,50 tot 1,00 m dakvlak onder de dakkapel hoogte tot de helft van het verticaal geprojecteerde dakvlak met aan voorkanten een maximum van 1,30 m en aan achterkanten een maximum van 1,50 m dakkapellen raken de gootlijn als dit bijdraagt aan de architectuur van de gevel als onderdeel van de straatwand in een mansardekap aansluiten op de knik en in beginsel in de gootlijn plaatsen breedte tot 2/3 van het dakvlak met aan voorkanten een maximum van 2,00 m en aan achterkanten een maximum van 3,00 m een eventuele kap past bij architectuur en bouwstijl hoofdgebouw gevelgeleding en detaillering zorgvuldig afstemmen op hoofdgebouw materialen en kleuren kozijnen gelijk aan hoofdgebouw, voorvlak grotendeels invullen met glas Dakopbouwen dakopbouwen zijn niet of nauwelijks zichtbaar vanuit openbaar gebied, waarbij wordt gekeken vanaf het maaiveld dakopbouwen moeten op een redelijke maat achter de gevel worden geplaatst (minimaal 1,0 meter) hoogte dakopbouw maximaal tot 1 pan onder de nok in materiaal en kleur afstemmen op de omgeving en daarbij uitgaan van een donkere of zinken afwerking (geen kunststof) Erfafscheidingen hoogte voor de voorgevellijn maximaal 1,00 m hoogte achter de voorgevellijn maximaal 2,00 m vormgeving, materiaal en kleur gelijk aan erfafscheiding belendend perceel, mits deze een positieve welstandsbeoordeling hebben gehad traditionele materialen als metselwerk, hout, draadstaal (of spijlen), gietof smeedijzer gebruiken metselwerk gelijk aan hoofdgebouw, eventuele metalen stijlen in een donkere kleur of afstemmen op hoofdgebouw Installaties antennes plaatsen op achtererf (niet aan gebouw bevestigen), overige installaties alleen aan achterkanten en niet nadrukkelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte meerdere installaties per pand clusteren (eventueel afschermen) installaties zijn lager dan het hoofdgebouw sprietof staafantenne maximaal 5,00 m hoog (gemeten vanaf maaiveld of snijpunt met aangrenzend dakvlak bij plaatsing aan gevel) schotelantenne hoogstens 2,00 m in doorsnede en maximaal 3,00 m hoog (gemeten vanaf de voet van de antenne of antennedrager) installatie en bijbehorende voorzieningen als één geheel vormgeven slank vormgeven, materialen en kleuren onopvallend (zoals gegalvaniseerd, antraciet of grijs) Zonnepanelen en -collectoren niet zichtbaar vanuit openbaar gebied op platte daken: plat neerleggen of onder een flauwe hoek in een aaneengesloten patroon met een passende afstand tot de dakranden plaatsing bekijken in combinatie met andere op het dak aangebrachte elementen en de opbouw van de gevel op hellende daken alleen als: het betreffende dakvak is geen prominent onderdeel van de architectuur van het pand of het monumentale voorkomen van pand of gebied de dakbedekking is niet zeldzaam, van leien of van koper niet onder de hoekkepers plaatsen aanbrengen op het dak (niet in het dak) en onder dezelfde hellingshoek als het dak afstand tot de nok is minstens drie dakpannen, afstand tot de goot is minstens twee dakpannen het aantal panelen en collectoren beperken en afstemmen op al aanwezige voorzieningen, zoals loggia’s, dakkapellen en -ramen bij voorkeur in de lengterichting plaatsen in het midden van het dak breedte in totaal maximaal 1/3 van het dakvlak Rolhekken en rolluiken plaatsen in het kozijngat (‘in de dag’) van bouwlagen met winkelfunctie aan de binnenzijde van de pui, mits: minstens 2,00 m teruggelegen van de uitwendige scheidingsconstructie voor minstens 70% bestaand uit (glasheldere) openingen aan de buitenzijde van de pui, mits: plaatsing aan binnenzijde niet mogelijk is voor minstens 85% bestaand uit (glasheldere) openingen rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel worden ingepast kleuren zijn ingetogen en zorgvuldig afgestemd op de gevel Gebied 2 Westerhoutkwartier - gebied Beschrijving Rijksbeschermd stadsgezicht Westerhoutkwartier is een groen woongebied net buiten de singelgracht met villa’s, woonhuizen en enkele bijzondere gebouwen waaronder de voormalige Cadettenschool. Het gebied is grotendeels aangelegd als een stedelijk park, waarin gedurende de twee helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw overwegend voorname bebouwing is gerealiseerd. Het Westerhoutkwartier ligt ten westen van de binnenstad en wordt globaal begrensd door de Singel, de Westerweg, de Prins Bernhardlaan en de Kennemerstraatweg. Gebied Het Westerhoutkwartier is een bijzonder woongebied, dat in een aantal fasen is aangelegd in een parkachtige zone aan de rand van de binnenstad. Het gebied was tot midden negentiende eeuw nauwelijks bebouwd. Het maakte tot die periode deel uit van de verdediging van de stad en bestond voornamelijk uit wandelroutes en tuinen met hier en daar een buitenhuis. Het huidige groen, een aantal routes en een klein deel van de bebouwing is hier op terug te voeren. Het gebied kent meerdere sferen. Langs routes zoals de Kennemersingel, Wilhelminalaan en Lindenlaan bestaat de bebouwing voornamelijk uit individuele panden. De panden hebben voortuinen en gevels die de weg vrijelijk volgen. De bebouwing is afhankelijk van de plek in de stedenbouwkundige structuur gevarieerd in maat en schaal. Aan de Wilhelminalaan en Metiusgracht staan representatieve woonhuizen met een statig aanzien. Deze huizen hebben in de regel een samengestelde kap, erker, balkon, bijzondere entreepartij en accenten zoals spekbanden en sierlijsten. Aan de Lindenlaan zijn de panden juist bescheiden met veelal een eenvoudige topgevel voorzien van enig siermetselwerk in een contrastkleur. Langs de Kennemersingel is het beeld een menging tussen deze twee uitersten. Het Nassaukwartier heeft een meer seriematig karakter. Dit deel van het beschermd gezicht is gebouwd achter de Kennemersingel en wordt ontsloten door de statige Nassaulaan, die met een middenberm en laanbeplanting aansluit op het groen van het Nassauplein. Hier zijn de meeste huizen onderdeel van een ensemble met een vergelijkbare massaopbouw of van een rij. De architectuur is verzorgd, maar heeft minder ornamenten dan de individuele bebouwing. Hier is in de regel gekozen voor een nadruk op de kap en de daklijst of voor bijzon dere elementen zoals balkons of een erker. Het siermetselwerk is hier meestal uitgevoerd zonder een contrastkleur. Aan de zuidzijde van het gebied ligt de Alkmaarderhout, waar in een parkachtige aanleg ruimte biedt aan instellingen zoals de Cadettenschool (later verbouwd tot ziekenhuis), enkele begraafplaatsen en een hertenkamp. In de architectuur vertonen de gebouwen bijna alle stijlen vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw. De architectonische uitwerking is in de regel verzorgd. Bij de oudere panden is vaak sprake van een rijke architectuur met bijzondere detaillering met onder meer luifels en ornamenten, die naadloos passen bij de plastiek van de gevels. Bij de woningen uit de jaren twintig en dertig is de architectuur wat betreft de ornamenten vaak iets minder uitbundig, maar zijn de gevels met lijsten en raampartijen verlevendigd. Wat betreft de materialen en kleuren overheersen bij de oude bebouwing de terughoudende tinten van rode baksteen en traditionele dakpannen, waarbij de houten kozijnen en het stucwerk in lichte tinten voor een accent zorgen. De ramen en deuren zijn veelal donker van kleur. Uitzonderingen Het kwartier kent een aantal in het oog springende uitzonderingen. Binnen deze bebouwingsstructuur zijn bijzondere gebouwen opgenomen, waaronder goed zichtbare objecten zoals de kerk aan de Kennemersingel en het gymnasium aan de Westerweg. Een meer in zichzelf gekeerde oudere uitzondering is de gevangenis aan de Westerweg. Ook in de afgelopen decennia is voortgebouwd. Het ziekenhuis is vernieuwd, aan de Geestersingel verscheen een modern hotel, aan de rand van het Nassauplein en aan de Westerweg zijn appartementencomplexen gebouwd. Uitgangspunten Het rijksbeschermd stadsgezicht Westerhoutkwartier is een beschermd welstandsgebied. De samenhang tussen de landschappelijke, stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten maken het een gebied met een grote cultuurhistorische waarde. Diverse panden en ensembles zijn door hun ligging, vorm en bouwperiode cultuurhistorisch waardevol. Het beleid is er op gericht deze kwaliteiten te beheren. Uitgangspunt is het behoud van het groene en afwisselende beeld van het rijksbeschermd stadsgezicht met een grote variëteit aan statige woonhuizen en daartussen bijzondere gebouwen zoals kerken en scholen, eenvoudige huizen en enkele gebouwen uit een verder verleden. Wijzigingen kunnen een aanzienlijke invloed hebben op de samenhang en moeten zorgvuldig worden ingepast. Van belang zijn daarbij naast een logische plaatsing een zorgvuldige detaillering met traditionele materialen en kleuren in harmonie met de omgeving. Waarin wijzigingen en nieuwbouw mogelijk zijn, heeft behoud en herstel van historisch wenselijke eigenschappen prioriteit. Overig beleid Het ziekenhuisterrein is aangewezen als ontwikkellocatie. Kenmerken gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon, dat bestaat uit verschillende fragmenten en buurten: gebouwen zijn georiënteerd op de belangrijkste openbare ruimte (of ruimten) bouwmassa’s zijn gedifferentieerd en gevarieerd met aandacht voor ornamentiek: gebouwen hebben representatieve voor- en zijgevels de bouwmassa is afgestemd op de samenhang van het fragment of ensemble woningen hebben een onderbouw van één maar meestal twee lagen met (samengestelde) kap appartementengebouwen hebben meerdere lagen met kap of plat dak voorzien van overstek, lijst of vergelijkbare gevelbeëindiging accenten in hoogte en vormgeving hebben een ondersteunende rol in het stedenbouwkundige patroon de architectonische uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig, gevarieerd en afgestemd op belendingen: baksteenarchitectuur voert de boventoon zichtbare gevels zijn representatief gevels hebben een evenwichtige verdeling met zowel een horizontale als een verticale geleding kozijnen en profileringen zijn traditioneel Hollands de overgang van privé naar openbaar is zorgvuldig vormgegeven (oorspronkelijke erfafscheidingen zoals gemetselde muurtjes, hekwerken en hagen zijn regelmatig aanwezig in het straatbeeld) materialen zijn in beginsel traditioneel, verouderen mooi en zijn afgestemd op de omgeving: gevels zijn in hoofdzaak van oranje of bruine baksteen met stucen siermetselwerkaccenten hellende daken dekken met keramische dakpannen kozijnen, lijsten en dergelijke in beginsel uitvoeren in hout kleuren harmoniëren met de omgeving, zijn terughoudend en per ensemble in samenhang uitbreidingen als aanbouwen en dakkapellen zijn vormgegeven als ondergeschikt element met een stijl en afwerking afgestemd op het hoofdvolume uitzonderingen zoals de poort naar de begraafplaats dragen bij aan het historische karakter van het gebied Gebied 2 Westerhoutkwartier - objecten Objecten De gemeente streeft ook in het rijksbeschermd stadsgezicht Westerhout ernaar veel voorkomende bescheiden objecten snel te beoordelen om zo de burger tegemoet te komen. Het gaat daarbij om relatief eenvoudige en meetbare criteria, die de planindiener vooraf zo veel mogelijk duidelijkheid geven. Bescheiden bouwwerken zijn ook in het beschermd gezicht deels vergunningvrij binnen bepaalde randvoorwaarden. Dat betekent dat een deel van deze plannen niet vooraf wordt getoetst aan redelijke eisen van welstand. Indien een bouwwerk niet vergunningvrij is, is een welstandstoets nodig. In dit geval treden het bestemmingsplan en het afwijkingenbeleid in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als hier geen bezwaar uit voort komt, wordt het bouwplan getoetst aan de objectcriteria. Voldoet het bouwplan niet aan deze criteria of is er sprake van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt bij de beoordeling van het bouwplan tevens gebruik maakt van de gebiedscriteria en algemene criteria. Bij de beoordeling staan de karakteristiek en leefbaarheid van gebouw en gebied voorop. Een trendsetter is een plan, dat in vergelijkbare situaties als uitgangspunt gehanteerd kan worden. Ook als deze enigszins afwijkt van de criteria op de volgende bladzijden. Het zijn plannen die navolging verdienen, waarbij met name een gelijke uitvoering van belang is. Van belang daarbij zijn de architectonische verhoudingen, materiaal en kleur. Een trendsetter is van toepassing op een bouwblok, cluster of een groter gebied. Voor- en achterkant Bij de criteria is er onderscheid in de voor- en de achterkant van bouwwerken. Onder achterkant wordt verstaan het erf achter de lijn op 1,00 m achter de voorgevellijn die evenwijdig loopt aan het openbaar toegankelijk gebied, inclusief de grond onder het hoofdgebouw en het gehele achtererf, alsmede de gevels en dakvlakken ter plaatse van dit deel van het erf. Onder voorkant wordt verstaan het erf en de daarboven gelegen gevels en dakvlakken die geen onderdeel van een achterkant zijn. Objectcriteria De objectcriteria voor het rijksbeschermd stadsgezicht vormen een handreiking voor het vergemakkelijken van de aanvraag. De inpassing van plannen in een beschermd gezicht blijft echter altijd maatwerk. Algemeen herstel van historisch wenselijke eigenschappen en architectonische verfijning heeft prioriteit wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat, schaal en detaillering zorgvuldig afstemmen op architectuur en bouwstijl van het hoofdgebouw objecten zijn ondergeschikte toevoegingen aan het hoofdgebouw (bij aanpassingen blijft hoofdvorm van het gebouw duidelijk herkenbaar) materialen en kleuren zijn in beginsel terughoudend Aanbouwen plaatsen op minstens 3,00 m achter de voorgevelrooilijn, minstens 3,00 m van de openbare ruimte en bij hoekwoningen minstens 2,00 m uit de zijerfgrens goothoogte maximaal 0,30 m boven het vloerpeil van de eerste verdieping, nokhoogte maximaal 4,50 m (nok alleen toepassen als deze past bij bouwstijl hoofdgebouw) breedte aan voorkanten tot 2/3 oorspronkelijke gevel met een maximum van 3,50 m, aan achterkanten tot 100% oorspronkelijke gevel diepte aan voorkanten maximaal 1,50 m en aan achterkanten 3,00 m maximaal 50% van oorspronkelijk voor-, zijof achtererf bebouwen vormgeven in één laag met een rechthoekige of afgeschuinde plattegrond en voorzien van een plat of een van het hoofdgebouw afgeleide kap voorzien van een lijst aan voorgevels uitvoeren als erker met transparante uitstraling de massaopbouw en de gevelgeleding van het hoofdgebouw blijven goed leesbaar (in beginsel geen hoekaanbouwen) in architectuur en detaillering zorgvuldig afstemmen op het hoofdgebouw met inbegrip van de indeling van de kozijnen en raamprofielen materialen en kleuren aan voorkanten gelijk aan het hoofdgebouw Bijgebouwen maximaal twee bijgebouwen op het gehele erf plaatsen op minstens 3,00 m achter de voorgevelrooilijn of op minstens 5,00 m van de voorerfgrens op zijerf achter erfafscheiding plaatsen of integreren in erfafscheiding afstand tot gevels hoofdgebouw aan voorkanten minstens 3,00 m en aan achterkanten minstens 2,00 m goothoogte maximaal 0,30 m boven het vloerpeil van de eerste verdieping, nokhoogte maximaal 4,50 m (nok alleen toepassen als deze past bij bouwstijl hoofdgebouw) oppervlakte hoogstens 15 m2 en in totaal maximaal 50% van het oorspronkelijke zijof achtererf bebouwen in architectuur en detaillering zorgvuldig afstemmen op het hoofdgebouw met inbegrip van de indeling van de kozijnen en raamprofielen (boeiboord maximaal 0,25 m hoog) materialen en kleuren aan voorkanten gelijk aan het hoofdgebouw Kozijnen gevelwijzigingen samenhang en ritmiek straatwand behouden kozijnwijzigingen blijven binnen de bestaande gevelopening aan voorgevel gelijk aan oorspronkelijk profiel, maatvoering, hoofdindeling en kleurstelling gevelwijzigingen alleen in zijen achtergevels en daarbij hoogstens één nieuwe opening toevoegen binnen belijning gevelarchitectuur Dakkapellen alleen op hoofdgebouw en per woning per dakvlak één dakkapel (of meerdere bescheiden dakkapellen) meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatig rangschikken op horizontale lijn (bovenlijn aanhouden), op individueel gebouw centreren in dakvlak of lijnen aan geleding voorgevel minstens 0,50 m dakvl