← Nederland

Beleidsnota Erfgoed: archeologie, gebouwd erfgoed en historisch landschap Gemeente Nuenen 2023-2029 (Nuenen, Gerwen en Nederwetten)

Kort samengevat

Deze nota beschrijft het erfgoedbeleid van de gemeente Nuenen voor de periode 2023-2029, gericht op het behoud en de ontwikkeling van onroerend materieel erfgoed. Het vervangt een ouder beleidsplan en dient als voorbereiding op het Omgevingsplan.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Beleidsnota Erfgoed: archeologie, gebouwd erfgoed en historisch landschap Gemeente Nuenen 2023-2029Samenvatting Erfgoednota 2023-2029 gemeente Nuenen Wat is de Nota Bouwstenen voor de toekomst? De gemeente Nuenen formuleert in de Erfgoednota Bouwstenen voor de toekomst haar erfgoedbeleid voor de komende zes jaar (2023-2029). Deze nota: Gaat hoofdzakelijk over het onroerend materieel erfgoed: de gebouwde monumenten, het archeologische erfgoed en het historisch cultuurlandschap. Oftewel de scope zoals dat ook binnen de Omgevingswet wordt gedefinieerd. Vervangt het verouderde beleidsplan Archeologische Monumentenzorg van de gemeente Nuenen, SRE Milieudienst maart

  1. Geeft de noodzakelijke beleidskaders die voorwaarde zijn voor een consistente en heldere borging van gebouwd erfgoed, archeologie en historisch cultuurlandschap in de gemeente Nuenen. Is een voorbereiding op het Omgevingsplan en sluit aan bij het gedachtengoed van de Omgevingswet. Is een “technische” en praktische nota, wat staat ons te doen? Wat willen we met erfgoed en hoe gaan we dat doen? We willen een consistente en heldere borging van het erfgoed. We willen dat erfgoed integraal onderdeel uitmaakt van de gebiedsgerichte aanpak in ruimtelijke ontwikkelingen. We willen ons erfgoed zo inzetten dat de gemeente Nuenen zich ook in de toekomst kan blijven ontwikkelen, met behoud van haar unieke historische karakter. Dit gaan we doen door het optimaliseren van instrumenten en werkprocessen. Concreet houdt dit in: Het vaststellen van de geactualiseerde Erfgoedkaart. Borging van de erfgoedwaarden door instructie- en maatwerkregels op te nemen in het Omgevingsplan. 1 fte beleidsambtenaar erfgoed structureel vastleggen in de organisatie. Werken vanuit richtlijnen en een onderzoeksagenda om onderzoek naar erfgoedwaarden efficiënter te maken. Vaststellen van een Regionale Onderzoeksagenda Erfgoed. Zo vroeg mogelijk in het proces rekening houden met het eventueel aanwezige erfgoed. Erfgoeddeskundigen al vroeg in het traject mee laten praten en denken. Een uitgebreidere vorm van vooroverleg organiseren, in de vorm van een Omgevingstafel. Meer aandacht voor erfgoed in het gemeentelijk handhavingsbeleid. Inzetten op periodieke bouwkundige inspecties van monumenten door Monumentenwacht. Voorafgaand aan de vergunningsaanvraag een bouwhistorisch onderzoek uit te laten voeren. Vaststellen van de gemeentelijke richtlijnen voor archeologisch/bouwhistorisch/ cultuurhistorisch onderzoek. Voorwaarden hanteren voor het behoud in situ van archeologische waarden. Structureel budget reserveren voor de inzet van erfgoeddeskundigen. Continuering van jaarlijks budget voor actueel houden van de Erfgoedkaart. Onderzoek doen naar het instellen van een Erfgoedfonds. Archeologiegelden in het gemeentefonds oormerken en inzetten voor het op te richten Erfgoedfonds. Structureel (nieuwe) medewerkers d.m.v. een workshop informeren over wat het betekent om in een erfgoedgemeente te werken. Extra’s die deze nota biedt Attentiewaarde: signaleert dat roerend erfgoed (collecties) meer aandacht verdient. Inspiratiebron: hoe erfgoed kan bijdragen aan het versterken van het eigen karakter van de gemeente Nuenen. Economische impuls: het actief beleven van erfgoed zorgt voor meer toerisme. Zicht op vervolgstappen: een eerste aanzet tot een uitvoeringsprogramma erfgoed. Over welk erfgoed gaat het? Leeswijzer Deze Erfgoednota bestaat uit de volgende drie delen met bijbehorende hoofdstukken: Achtergronden Hoofdstuk 1 Verantwoording: aanleiding voor en doel van deze erfgoednota en toelichting op de gehanteerde begrippen. Hoofdstuk 2 Wettelijk kader: wat is een gemeente verplicht ten aanzien van cultureel erfgoed op basis van de Erfgoedwet, Omgevingswet en provinciaal beleid. Toelichting op de instelling van de verplichte gemeentelijke adviescommissie voor omgevingskwaliteit. Hoofdstuk 3 Waar komen we vandaan? Analyse van de gemeentelijke beleidsvorming met betrekking tot erfgoed. De kern van deze Erfgoednota Hoofdstuk 4 Hoe gaan we erfgoed borgen? Toelichting op de verschillende archeologische en cultuurhistorische waarden binnen de gemeente. Verder wordt toegelicht hoe de gemeente rekening kan houden met haar cultureel erfgoed en wanneer nader onderzoek noodzakelijk is. Hoofdstuk 5 Verbeteren erfgoedinstrumenten: analyse van het bestaand instrumentarium ten aanzien van ruimtelijk erfgoed in de gemeente Nuenen. Per instrument wordt aangegeven of en hoe daar verbeteringen in kunnen worden aangebracht. Hoofdstuk 6 De inzet van middelen voor erfgoed vanuit de gemeente: toelichting op de eisen aan de gemeentelijke organisatie met betrekking tot erfgoed alsmede de kosten en baten. Extra’s Hoofdstuk 7 Versterken eigen karakter. Hierin wordt beschreven hoe het draagvlak voor erfgoed versterkt kan worden en hoe erfgoed beleefbaar en zichtbaar gemaakt kan worden. Ook wordt kort toegelicht dat roerend en immaterieel erfgoed aandacht verdienen maar vallen buiten de scope van deze nota vallen. Hoofdstuk 8 Vervolgstappen: opstellen uitvoeringsprogramma erfgoed. Aan het eind van ieder hoofdstuk staan actiepunten vermeld in een kadertekst. Bijlagen Bijlage 1 Erfgoed meetlat gemeente Nuenen: instrument voor zorgvuldige afweging van cultuurhistorische waarden. Bijlage 2 Handleiding archeologische beleidskaart: stappenplan waarmee kan worden bepaald wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Bijlage 3 Randvoorwaarden voor duurzaam behoud archeologie: criteria voor archeologievriendelijk bouwen en duurzaam behoud van archeologische vindplaatsen. Bijlage 4 Basisregels archeologie en cultuurhistorie: voorbeeldregels voor erfgoedwaarden in het omgevingsplan. Bijlage 5 Richtlijnen erfgoed onderzoek: Minimale richtlijnen t.b.v. (de rapportage van) een cultuurhistorisch, bouwhistorisch en archeologisch onderzoek. Bijlage 6 Onderzoeksagenda erfgoed: Instrument waardoor meer efficiënt onderzoek wordt uitgevoerd dat meer kennis oplevert over de lokale historie. Nuene, Gerwen en Nederwetten op de kaart van Van der Voordt-Pieck uit
  2. 1Waarom erfgoedbeleid 1.1Aanleiding Door de komst van de Omgevingswet en veranderingen in de omgang met erfgoed, is het noodzakelijk om het erfgoedbeleid van de gemeente Nuenen te herzien. In 2010 heeft de gemeenteraad van Nuenen het ‘Beleidsplan archeologische monumentenzorg gemeente Nuenen’ vastgesteld samen met de archeologische beleidskaart, waarin de archeologische waarden en verwachtingen zijn opgenomen. Een breed erfgoedbeleid ontbrak echter, evenals een cultuurhistorische waardenkaart. Het opstellen van erfgoedbeleid en een erfgoedkaart waarin zowel de archeologische waarden en verwachtingen als de cultuurhistorische waarden zijn opgenomen, komt in essentie voort uit de verplichting in het Besluit ruimtelijke ordening

(2012)om in een bestemmingsplan een afweging te maken ten aanzien van archeologische en cultuurhistorische verwachtingen en waarden. Dit wettelijk vertrekpunt heeft vervolgens geleid tot een stevige verankering van het brede erfgoedveld in de toekomstige Omgevingswet. Onder de Omgevingswet is de omgevingsvisie hét samenhangende kader dat de leidraad vormt voor de regels in het omgevingsplan en het beheer van de fysieke leefomgeving. De omgang met erfgoedwaarden wordt verder geborgd door regels op te nemen in het omgevingsplan, die de huidige regels in de bestemmingsplannen en erfgoedverordening vervangen. Bovendien komt de nadruk bij het beschermen van cultureel erfgoed te liggen op de omgevingskwaliteit en niet meer op het individuele monument. Het gaat niet alleen om de voorkant van een pand maar net zozeer over de samenhang met het interieur, de erfinrichting en de omgeving. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het erfgoed mogelijk. De gemeente wil graag eenduidig en integraal beleid rondom cultureel erfgoed formuleren, waarin zowel aandacht is voor archeologie als historisch cultuurlandschap en gebouwd erfgoed, en heeft om die reden de ODZOB gevraagd om de vigerende beleidsnota ten aanzien van archeologie te actualiseren en uit te breiden met historisch cultuurlandschap en gebouwd erfgoed. De nota “Bouwstenen voor de toekomst. Beleidsnota erfgoed: archeologie, gebouwd erfgoed en historisch landschap, gemeente Nuenen 2023-2029” vervangt hiermee het archeologisch beleidsplan uit 2010. Om een zorgvuldig erfgoedbeleid te kunnen voeren, wil de gemeente Nuenen weten welke kennis er voorhanden is over haar grondgebied; wat daarin de lacunes zijn, wat de waarde van de bekende archeologische en cultuurhistorische terreinen en relicten is en waar een kans is dat nog onbekende archeologische vindplaatsen of cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Zonder degelijke kennis is een goede zorg voor het erfgoed niet mogelijk. Om het bodemarchief te beschermen is de archeologische waarden- en verwachtingenkaart de afgelopen jaren door vertaald in de diverse bestemmingsplannen van de gemeente Nuenen. Dat is echter nog niet gebeurd met de cultuurhistorische waarden, waardoor de cultuurhistorie in de ruimtelijke context, zoals laanstructuren en landschapselementen, nog niet goed geborgd zijn of een beschermde status hebben. Die vertaalslag zal nu alsnog worden gemaakt, mede met het oog op de nieuwe Omgevingswet. 1.2Doelstelling Doelstelling van deze nota is om de kernkwaliteiten van Nuenen, Gerwen en Nederwetten zichtbaar en beleefbaar te maken en de herkenbaarheid in de toekomst te behouden én te ontwikkelen. Hoofddoel is consistente borging, subdoel is duidelijk maken hoe Nuenen dat moet gaan doen, door aanpassingen in processen en verbetering van bestaand instrumentarium. De erfgoedkaart geeft met de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en de cultuurhistorische waardenkaart, een compleet overzicht van de waardevolle archeologische en cultuurhistorische gebieden en structuren binnen de gemeente Nuenen, zie https://odzob.nl/kaarten-erfgoed-archeologie. Het is de bedoeling om de waardenkaarten op te nemen in het nog te ontwikkelen Omgevingsplan. Doel van deze nota is ook om inspiratie te bieden hoe erfgoed kan bijdragen aan de versterking van het eigen karakter. Erfgoed kan bijdragen aan inventieve oplossingen voor ruimtelijke, sociaal economische en maatschappelijke opgaven. Dit vraagt om een creatieve en pro-actieve houding ten aanzien van erfgoed. Erfgoed zien als een kans in ruimtelijke ontwikkelingen en niet als een hindermacht. Denken in kansen in plaats van in belemmeringen. Erfgoed zien als een lust en niet als een last. De watermolen van Hooidonk (Foto beeldbank Heemkundekring De Drijehornick). 1.3Definiëring erfgoed Er worden vele begrippen gebruikt binnen het vakgebied. Cultureel erfgoed is een optelsom van geschiedenis, gebouwd en aangelegd erfgoed, musea, archieven, historisch landschap en archeologie. Het gaat dus om roerend en onroerend erfgoed. Centraal staat de verbintenis daartussen. Onroerend erfgoed zoals een historisch landschap met alle archeologische relicten en gebouwd en aangelegd erfgoed daarin en daaronder, kan niet zonder het historische verhaal van de mensen die in dat landschap leefden (dus een sterk immaterieel erfgoed). Gebouwd en aangelegd erfgoed heeft het historisch landschap en de natuur eromheen als context nodig om volledig tot zijn recht te komen, zowel esthetisch als om hun betekenis en geschiedenis te kunnen begrijpen. Ook de erfgoedconsument vraagt om een integrale aanpak. Zij nemen vooral het geheel waar: het klooster in een rustiek landschap, de kerk met pastorie en tuin aan een aardig plein, de grafheuvels in een natuurgebied. Ze zijn niet of slechts bij uitzondering geïnteresseerd in de afzonderlijke postzegels in het album, maar in het album als geheel, of, misschien nog wel meer, in de verhalen die het album vertelt. Mensen willen het erfgoed beleven door hun eigen verhalen te verbinden aan de verhalen die het erfgoed vertelt. Het begrip cultureel erfgoed bestrijkt de volgende gebieden: onroerend erfgoed roerend erfgoed immaterieel erfgoed informatief erfgoed Diagram met toelichting op het begrip cultureel erfgoed (Bron ODZOB).1Onder informatief erfgoed verstaan we ook informatieborden op locatie over lokale historie en websites zoals van heemkundekring De Drijehornick. In de Erfgoedwet en Omgevingswet worden verschillende definities gehanteerd voor cultureel erfgoed: Definitie uit de Erfgoedwet (art 1.1) cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden Definitie uit de Omgevingswet (Bijlage bij art 1.1) cultureel erfgoed: monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De definitie uit de Omgevingswet is dus ‘smaller’ omdat de Omgevingswet zich beperkt tot de fysieke leefomgeving en immaterieel erfgoed er per definitie niet in thuis hoort. Ander cultureel erfgoed zoals roerend erfgoed of immaterieel cultureel erfgoed is alleen onderdeel van de definitie in de Omgevingswet als het deel uitmaakt van de fysieke leefomgeving, of als het daar anderszins relevant voor is. Een voorbeeld hiervan zijn regels voor een haven met historische schepen of het toedelen van een functie aan een locatie die samenhangt met een (lokaal) volksgebruik dat wordt aangemerkt als immaterieel erfgoed. In deze nota is ervoor gekozen om de definitie van cultureel erfgoed uit de Omgevingswet te gebruiken en waar immaterieel erfgoed ter sprake komt dit expliciet zo te noemen. Daardoor kan de nota direct worden opgenomen in het Omgevingsplan. Dit heeft wel tot gevolg dat er in deze beleidsnota maar beperkt aandacht is voor het immaterieel, informatieve en roerende erfgoed. Deze nota gaat over onroerend erfgoed, dit bestaat uit 3 typen erfgoed:2Dit is conform de terminologie die het Rijk hanteert. Archeologie (sporen van menselijke activiteiten in de bodem). Gebouwd en aangelegd erfgoed (zowel gebouwen als parken, begraafplaatsen, wegen, dijken). Historisch landschap (de historische structuren in het landschap). Deze gebieden overlappen elkaar: het historisch landschap kan een rol spelen in dorpsgezichten, verdwenen gebouwen kunnen door archeologie weer in beeld komen, en landschappelijke structuren kunnen met archeologie soms worden verklaard. 1.4Erfgoed begrippen in de Omgevings- en Erfgoedwet3Handreiking begrippenkader cultureel erfgoed onder de Omgevingswet. Hoe gemeenten cultureel erfgoed beter kunnen beschermen, door wettelijke begrippen eenduidig toe te passen (in het omgevingsplan) (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed), 2020. Voor bepaalde functietoedelingen en regels in het omgevingsplan is het noodzakelijk dat de gemeente de wettelijke begrippen voor cultureel erfgoed hanteert: Archeologisch monument = terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Aantoonbaar te verwachten archeologisch monument = op basis van archeologische, bodemkundige of historische informatie op een locatie te verwachten archeologisch monument. Cultuurgoed = roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed. Cultuurlandschappen = gebieden zoals die door mensen worden waargenomen, waarvan het karakter wordt bepaald door natuurlijke of menselijke factoren en de interactie daartussen, die deel uitmaken van cultureel erfgoed. Hieronder kunnen zowel aangelegd erfgoed als historisch landschap vallen. Gemeentelijk monument = monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Immaterieel cultureel erfgoed = de praktijken, voorstellingen, uitdrukkingen, kennis, vaardigheden – met inbegrip van de bijbehorende instrumenten, voorwerpen, artefacten en culturele ruimtes – die gemeenschappen, groepen en, in sommige gevallen, individuen erkennen als deel van hun cultureel erfgoed. Dit immaterieel cultureel erfgoed, dat van generatie op generatie wordt overgeleverd, wordt voortdurend opnieuw gecreëerd door gemeenschappen en groepen in reactie op hun omgeving, hun interactie met de natuur en hun geschiedenis en geef hun een gevoel van identiteit en continuïteit. Monument = onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed. Een monument is altijd de gehele onroerende zaak en kan bijvoorbeeld geen bestanddeel zijn, zoals alleen een voorgevel. Eén monument kan wel uit meerdere onroerende zaken bestaan. Denk aan een blok arbeiderswoningen, een boerderij (woning + deel) met vrijstaande schuur en hooiberg, of een groenaanleg. Rijksmonument = monumenten en archeologische monumenten die op grond van de Erfgoedwet in het rijksmonumentenregister staan ingeschreven. Stads- en dorpsgezicht = groepen van onroerende zaken, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten bevinden. Hieronder kunnen zowel gebouwd en aangelegd erfgoed als historisch landschap vallen. Werelderfgoed = op het grondgebied van Nederland gelegen cultureel en natuurlijk erfgoed dat op grond van het werelderfgoed verdrag is opgenomen in de Lijst van het Werelderfgoed (Unesco). Er is ook een Voorlopige Lijst werelderfgoed. Hierop staan erfgoederen die Nederland bij Unesco wil voordragen om op de Lijst van het Werelderfgoed te plaatsen. Ook hiervoor zijn in sommige gevallen regels opgesteld. Het Eindhovens Kanaal, foto genomen vanaf de brug van Nuenen naar Geldrop (Google streetview 2022). Het Nuenens Broek met populierenlaan en Hooidonkse beek (foto’s M. Bink & C. v.d. Meijden via Google Maps). 2De gemeente en het wetgevend kader In dit hoofdstuk worden de wettelijke kaders vanuit Rijk en provincie beschreven, waarbij ingezoomd wordt op de gemeentelijke taken die hieruit voortvloeien, en de veranderingen in het stelsel als gevolg van de komst van de Omgevingswet. De zorg voor het cultureel erfgoed wordt voor een groot deel bepaald door het Rijk. Het gedachtengoed van de Omgevingswet en de Erfgoedwet vormen dan ook belangrijke ingrediënten van deze erfgoednota en zijn maatgevend voor de uitgangspunten in de benadering en omgang met erfgoed. Maar ook de provincie Noord-Brabant heeft maatregelen neergelegd die betrekking hebben op erfgoed van provinciale waarde. Hieronder worden de belangrijkste regels toegelicht en wordt ingegaan op de wettelijke taken die hieruit voortvloeien voor de gemeente. Deze infographic laat zien welke aspecten van de Monumentenwet over zijn gegaan naar de Erfgoedwet en welke onderdelen overgaan naar de Omgevingswet zodra die in werking treedt (Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). 2.1Erfgoedwet 2.1.1Erfgoedwet en Omgevingswet De Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 vervangen als het gaat om gebouwde monumenten en archeologie. De Erfgoedwet bundelt wetten op het gebied van museale objecten, musea, monumenten, archeologie en archieven. In de wet is vastgelegd hoe er met het cultureel erfgoed wordt omgegaan, wie daarbij welke verantwoordelijkheid heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgevoerd. Daarnaast gaat de Erfgoedwet ook over roerend erfgoed. Onderdelen van de Erfgoedwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zoals vergunningen, gaan naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. De Erfgoedwet blijft bestaan naast de Omgevingswet. De Erfgoedwet verandert een aantal zaken voor het erfgoedveld. De belangrijkste veranderingen zijn: In de Erfgoedwet is een instandhoudingsplicht voor rijksmonumenten opgenomen. Een eigenaar moet zorgen dat zijn of haar rijksmonument zodanig onderhouden wordt dat behoud gewaarborgd is. Eenvoudigere procedure aanwijzing rijksmonumenten: De procedure tot aanwijzing van rijksmonumenten is vervangen door de eenvoudigere Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure zoals geregeld in de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor is de procedure verkort van 10 naar 6 maanden, terwijl inspraak mogelijk blijft. De Erfgoedwet regelt ook dat een rijksmonument samen met interieuronderdelen kan worden aangewezen als ensemble, wanneer het geheel van rijksmonument en de cultuurgoederen in onderlinge samenhang van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is. Zorgvuldige afstoting van cultuurgoederen4Onder cultuurgoederen wordt in de Erfgoedwet verstaan: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed.: Het Rijk, de provincies, gemeenten, waterschappen, universiteiten en andere publiekrechtelijke rechtspersonen zijn verplicht een advies van een commissie van deskundigen in te winnen als zij cultuurgoederen willen afstoten waarvan zij eigenaar zijn. Het moet dan gaan om cultuurgoederen die mogelijk van bijzondere cultuurhistorische, wetenschappelijke of uitzonderlijke schoonheid zijn, en onvervangbaar en onmisbaar voor het Nederlands cultuurbezit. Meer particulier initiatief bij behoud cultuurgoederen voor Nederland: Ook andere partijen dan de Staat, zoals musea, kunnen beschermde cultuurgoederen kopen die naar het buitenland dreigen te verdwijnen. Aanvaardingsplicht voor cultuurgoederen van hoge kwaliteit: Wanneer een eigenaar niet langer in staat is om te zorgen voor cultuurgoederen of verzamelingen van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die onvervangbaar en onmisbaar zijn voor het Nederlandse cultuurbezit en deze onbezwaard en zonder voorwaarden overdraagt, heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de plicht deze voor de rijkscollectie te aanvaarden. Certificeringsstelsel in de archeologie: Het vergunningstelsel voor het doen van archeologische opgravingen is vervangen door een certificeringsstelsel. Betere bescherming maritiem erfgoed: In de Erfgoedwet is aangegeven dat het verwijderen van cultureel erfgoed onder water een opgraving is. Dit verbetert de mogelijkheden om tegen diefstal van maritiem erfgoed op te treden. Harmonisering handhaving en toezicht: De handhaving en het toezicht op musea en cultuurgoederen is geharmoniseerd. Onder de Erfgoedwet is rechtstreeks toezicht mogelijk bij alle partijen (overheid en musea) die de rijkscollectie beheren. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 over beschermde (archeologische) rijksmonumenten en stads- en dorpsgezichten zijn met ingang van 1 juli 2016 van toepassing op grond van het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet gaan deze bepalingen over naar die wet. Inhoudelijk verandert er tot dat moment niets. 2.1.2Aanwijzing rijksmonumenten De Minister heeft de mogelijkheid en verantwoordelijkheid om monumenten van Nationaal Belang aan te wijzen als beschermd rijksmonument. Sinds 2010 wijst de Minister geen nieuwe rijksmonumenten meer aan, slechts op incidentele basis en ook in de toekomst zal dat op beperkte schaal plaatsvinden. De nadruk ligt de komende jaren vooral op structurele verbetering van het monumentenbestand en niet op vergroten van de omvang ervan. De wettelijke criteria voor aanwijzing van rijksmonumenten – van algemeen belang vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde – blijven ongewijzigd. Op grond van de Erfgoedwet kan een interieur in samenhang met een rijksmonument worden aangewezen als ensemble wanneer deze samenhang van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is (Erfgoedwet art. 3.13). Het beschermde rijksmonument betreft in dit geval alle elementen die tot het geheel behoren, tenzij het expliciet is uitgesloten van de bescherming. Een aangewezen interieurensemble wordt geregistreerd in een aan het rijksmonumentenregister gekoppeld openbaar informatiesysteem (Erfgoedwet art. 3.14). De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed5Formeel de minister van OCW. ontwikkelt een digitaal informatiesysteem met beschikbare informatie over rijksmonumenten.6In de Erfgoedwet worden verschillende informatiesystemen genoemd, zoals het monumentenregister (Erfgoedwet art. 3.3), het informatiesysteem van aangewezen (interieur)ensembles (Erfgoedwet art. 3.14) en het archeologisch informatiesysteem Archis (Erfgoedwet art. 5.12). Gemeenten en eigenaren kunnen deze informatie gebruiken voor (beslissingen
  1. op)vergunningaanvragen. 2.1.3Aanwijzing gemeentelijk cultureel erfgoed Een gemeente moet bij het maken van ruimtelijke plannen rekening houden met cultuurhistorische waarden. Daartoe kunnen zij een beschermingsregime vastleggen in het bestemmings- / omgevingsplan. Daarnaast is het mogelijk om onroerend en/of roerend cultureel erfgoed van lokaal of (boven)regionaal belang aan te wijzen als gemeentelijk monument, op basis van de gemeentelijke Erfgoedverordening. Dit kunnen zowel objecten (bijvoorbeeld een kerk) als structuren (bijvoorbeeld een woonwijk of kasseienweg) zijn. In de aanwijzing zijn net als bij rijksmonumenten alle elementen die tot het geheel behoren, onderdeel van de bescherming. Indien de gemeente gemeentelijke monumenten of cultuurgoederen aanwijst, is zij op basis van de Erfgoedwet verplicht hier een register van bij te houden. Dit erfgoedregister moet gegevens bevatten over de inschrijving en identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. Een aangewezen monument wordt geregistreerd in een openbaar informatiesysteem, zoals het Kadaster. 2.1.4Instandhoudingsplicht In de Erfgoedwet is opgenomen dat een eigenaar moet zorgen dat zijn of haar rijksmonument zodanig onderhouden wordt, dat het behoud van het monument gewaarborgd is. Wanneer onvoldoende onderhoud leidt tot verval en schade, is het de taak van de gemeente om handhavend op te treden. Dit is mogelijk via de wettelijke instandhoudingsregeling en de (doorwerking
  2. in)de erfgoedverordening en handhavingsbeleid. De gemeente kan ook bestuurlijke boetes opleggen. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de categorie 4 opgehoogd naar categorie 5; dat wil zeggen een zeer hoge boete en strafmaat. Beschadiging of verwaarlozing van beschermd cultureel erfgoed is een economisch delict. De gemeente moet hierbij dan ook niet wachten tot er een ingrijpende restauratie nodig is. Om dat te kunnen bepalen is de gemeente verplicht de (bouwtechnische) staat van de monumenten te monitoren. Dit kan alleen door periodiek (visuele) bouwkundige inspecties uit te (laten) voeren. Door tijdig ingrijpen wordt onnodig verlies aan het erfgoed voorkomen en lange strafrechtelijke trajecten. De instandhoudingsplicht is opgenomen in het Overgangsrecht van de Erfgoedwet en gaat over naar de Omgevingswet wanneer deze in werking treedt. 2.1.5Certificering Om de kwaliteitsborging in de archeologie te moderniseren en om de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van archeologische opgravingen zoveel mogelijk bij de markt neer te leggen, is de opgravingsvergunning vervangen door een wettelijk geregelde certificering. Alleen gecertificeerde bedrijven of organisaties mogen archeologische resten opgraven. Deze kwaliteitsborging richt zich op een zorgvuldige inrichting van processen. Uitgangspunt is de huidige Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.7Zie voor de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie: https://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-4000 De norm gaat niet alleen om het opgraven zelf, maar ook over het conserveren en documenteren van archeologische vondsten en het opstellen van een rapport over de opgraving. De certificerende instellingen zijn verantwoordelijk voor het toezicht op naleving van de norm door archeologische bedrijven. Via audits controleert de certificerende instelling of het bedrijf tijdens zijn werk daadwerkelijk voldoet aan de gestelde eisen. Deze infographic laat zien welke uitzonderingen er gelden voor de certificeringsplicht (Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). 2.1.6Amateurarcheologie Amateurarcheologen in verenigingsverband worden in bepaalde gevallen vrijgesteld van de verplichting om een certificaat te hebben.8In Nuenen is dit de werkgroep archeologie en monumenten (WAM) van de heemkundekring De Drijehornick. In regionaal verband is er ook nog de Archeologische Vereniging Kempen- en Peelland. Bijvoorbeeld bij opgravingen op een terrein dat wordt verstoord, waarvan is vast komen te staan dat er beperkte archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn en waarvan de gemeente vindt dat er geen professionele opgraving noodzakelijk is. Ook voor detectoramateurs kunnen uitzonderingen op de certificatieplicht gelden. Metaaldetectie met als doel het opgraven van de vondst is toegestaan tot een diepte van 30 cm. Dit deel van de bodem is over het algemeen al verstoord. De uitzondering geldt niet: voor gebieden waarvan de gemeente heeft bepaald dat die een archeologische bestemming hebben; voor rijks, provinciale of gemeentelijke monumenten; onder water (magneetvissen). Ook voor universiteiten en hogescholen bestaat een uitzondering op de certificeringsplicht. Voorwaarde voor deze uitzondering is dat het gaat om archeologisch onderzoek in het kader van een onderwijsprogramma. Het archeologisch onderzoek mag geen commercieel karakter hebben. 2.2Omgevingswet 2.2.1Inleiding De Omgevingswet bundelt wetten en regelingen over onder meer ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Cultureel erfgoed is een van de belangen binnen de Omgevingswet. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. ‘Ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit’ is het motto. De wet beoogt een samenhangende benadering van diverse belangen. De Omgevingswet definieert cultureel erfgoed als: monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Ander cultureel erfgoed zoals roerend erfgoed of immaterieel cultureel erfgoed is alleen onderdeel van de definitie als het deel uitmaakt van de fysieke leefomgeving, of als het daar anderszins relevant voor is. Een voorbeeld hiervan is het toedelen van een functie aan een locatie die samenhangt met een (lokaal) volksgebruik dat wordt aangemerkt als immaterieel erfgoed. Deze infographic laat de verschillende instrumenten zien die er gelden onder de Omgevingswet (Bron: Omgevingswetportaal). 2.2.2Veranderingen voor erfgoed als gevolg van de Omgevingswet Tot voor kort vond de bescherming van erfgoed met name plaats door aanwijzing; rijksmonumenten op basis van de Erfgoedwet en gemeentelijke monumenten op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening. Met de komst van de Omgevingswet zal bescherming plaats gaan vinden door het opnemen van rijks- en gemeentelijke monumenten in het omgevingsplan en een hieraan gekoppeld vergunningstelsel.9De gemeente is hierbij alleen verantwoordelijk voor het opnemen van gemeentelijke monumenten. Het rijk zorgt dat rijksmonumenten in het Digitale Stelsel van de Omgevingswet (DSO) komen (zie voor uitleg p. 24). Daarnaast is de nadruk bij het beschermen van cultureel erfgoed verschoven van het individuele monument naar de omgevingskwaliteit. Het gaat niet alleen om de voorkant van een pand maar net zozeer over de samenhang met het interieur, de erfinrichting en de omgeving. In de Omgevingswet is erfgoed als ruimtelijke factor stevig verankerd. Dat betekent onder meer dat in de Omgevingswet specifieke regels zijn opgenomen vanuit de zorgplicht die de gemeente heeft om het cultureel erfgoed in stand te houden.10Instandhoudingsplicht (Artikel 10.18 Erfgoedwet en 11 lid 1 Monumentenwet 1988 in overgangsrecht Erfgoedwet). De belangrijkste taken voor de gemeente voortvloeiend uit de regelgeving van de rijksoverheid zijn: Er wordt een brede definitie van cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving gehanteerd. Het gaat om gebouwde en aangelegde monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten én historische landschappen. De gemeente moet aantasting van de omgeving van beschermde monumenten voorkomen. Dat moet voor zover die aantasting een negatieve invloed heeft op het aanzicht of de waardering van die monumenten. Dit geldt voor alle beschermde monumenten: rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Hiervoor moeten gemeenten regels opnemen in het omgevingsplan. In de omgevingsvisie staan de ontwikkelingen en ambities op lange termijn voor bouwwerken, infrastructuur, cultureel erfgoed, bodem, lucht, natuur en andere aspecten van de fysieke leefomgeving. Dat betekent onder meer dat aangegeven moet worden hoe de gemeente met zijn erfgoed omgaat en de instandhouding ervan voor de lange termijn waarborgt. Het omgevingsplan komt in de plaats van het huidige bestemmingsplan en de gemeentelijke erfgoedverordening. Ook de regels voor de bescherming van rijksmonumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (en landgoederen) vallen daaronder. Hierbij moeten de instructies uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl art. 5.130) worden gehanteerd.11Het gaat daarbij om regels die in het omgevingsplan moeten worden opgenomen voor: het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van in het plan beschermde monumenten; het voorkomen van verplaatsen van zulke monumenten, tenzij voor het monument noodzakelijk; het bevorderen van het gebruik van monumenten; het voorkomen van aantasting van het karakter van beschermde dorps- en stadsgezichten en van cultuurlandschappen door sloop van bestaande gebouwen, bouw van nieuwe of andere veranderingen; het conserveren / in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur ‘in situ’. Ook het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten vindt via het omgevingsplan plaats. De bestaande gemeentelijke monumenten moeten door de gemeente worden overgezet naar het omgevingsplan.12Art 22.8 Omgevingswet regelt dat vergunningsplichten die geregeld zijn in gemeentelijke verordeningen onder het ‘oude’ recht ook gelden onder de Omgevingswet, zolang gemeenten nog geen omgevingsplan hebben dat aan alle wettelijke eisen voldoet. De taken en bevoegdheden van de huidige monumentencommissie of commissie voor welstand en monumenten vervallen van rechtswege bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. De nieuwe gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit zal dan in werking treden. De minimale wettelijke taak van de gemeentelijke adviescommissie is het uitbrengen van advies over vergunningaanvragen met betrekking tot rijksmonumenten (uitgezonderd archeologische rijksmonumenten). Gemeenten kunnen er voor kiezen meer taken toe te bedelen aan deze adviescommissie (Omgevingsbesluit art. 4.20 t/m 4.22). Wanneer een rijksmonumentenactiviteit aan een archeologisch rijksmonument wordt aangevraagd in combinatie met (een) andere activiteit(
  3. en)verleent het bevoegd gezag voor de andere activiteit(
  4. en)ook de vergunning voor de rijksmonumentenactiviteit. Het bevoegd gezag is meestal de gemeente maar kan ook de provincie of het Rijk zijn, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een ontgronding. De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dan recht van advies en instemming. De minister van OCW blijft bevoegd gezag bij ‘enkelvoudige aanvragen’. In de Omgevingswet is geregeld dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang het bevoegd gezag bodemverstorende werkzaamheden kan stilleggen (Omgevingswet art. 19.2). In de Omgevingswet, artikelen 1.6, 1.7 en 1.7a is een algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving opgenomen. Deze is nader uitgewerkt in het Omgevingsbesluit (art. 1.3). Doordat cultureel erfgoed hierin expliciet benoemd is kan er gehandhaafd worden op beschadigingen aan beschermd cultureel erfgoed, ook als die niet onder een expliciet verbod vallen. Naast deze algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving wordt ook expliciet een onderhoudsplicht voor (beschermd) cultureel erfgoed opgelegd (Omgevingsbesluit art. 1.3 lid
  5. c)en specifiek voor rijksmonumenten in het Besluit activiteiten leefomgeving (art. 13.11 ). Deze laatste onderhoudsplicht geldt specifiek voor degene die geacht wordt dit erfgoed te onderhouden, voor rijksmonumenten bijvoorbeeld de eigenaar, huurder, pachter of beheerder. Deze moet ervoor zorgen dat beschermd erfgoed zodanig onderhouden wordt dat instandhouding van het object en de monumentale bouwkundige elementen gewaarborgd is. Het toetsingskader voor een sloopvergunning binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht moet in het omgevingsplan worden opgenomen. Gemeenten moeten via een Omgevingsloket op uniforme wijze de gegevens vanuit de bronnen ontsluiten, en deze bovendien vertalen naar gebruikstoepassingen. Dit heet het Digitale Stelsel van de Omgevingswet (DSO). Bedoeling van dit stelsel is dat initiatiefnemers, belanghebbenden en het bevoegd gezag straks met een klik op de kaart alle beschikbare informatie met rechtsgevolgen kunnen raadplegen, die nodig is voor het gebruik van de Omgevingswet. Een digitale databank met cultuurhistorische waardenkaart waarop al het erfgoed bij elkaar gebracht is, is hiervoor een beproefd instrument. Gemeenten moeten de DSO op orde brengen door alle gemeentelijk beschermde objecten en structuren digitaal in het Kadaster te verwerken. Ook gemeentelijke kaarten moeten volgens de DSO-systematiek worden getransformeerd. 2.3Provinciaal beleid 2.3.1Omgevingsverordening De provincie werkt eraan om in 2024 klaar te zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Vooruitlopend hierop heeft de provincie alvast een Omgevingsvisie gemaakt en al haar regels voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant (geconsolideerd 1-3-2020)13https://noord-brabant.tercera-ro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9930InterimOvrgc-0422 zijn instructieregels over de fysieke leefomgeving opgenomen. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan/omgevingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren. Het gaat voor Nuenen om instructieregels die betrekking hebben op aardkundige waarden en cultuurhistorisch waardevolle gebieden (zie figuur hieronder). In de instructieregels wordt aan gemeenten voorgeschreven om voor deze gebieden van provinciaal belang in het bestemmingsplan/omgevingsplan passende regels op te nemen ter bescherming van de aardkundige of cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Daarnaast zijn ontwikkelingen hier mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige en cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant14https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=ae83285be89f4501b60b1346cf9c3acd en de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant. Voor complexen van cultuurhistorisch belang is verder bepaald dat alleen de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten, tenzij nieuwvestiging van functies bijdraagt aan het behoud of het herstel van het cultuurhistorisch karakter van het complex en past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarin het complex is gelegen. De regels en cultuurhistorische waarden uit de provinciale kaart zijn opgenomen in de Erfgoedkaart. Uitsnede uit de kaart van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant met daarop geprojecteerd de aardkundige en cultuurhistorische waarden.15Zie ook: https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8 2.3.2Provinciaal erfgoed beleid16Momenteel wordt gewerkt aan een actualisatie van het erfgoedbeleid. In het provinciale beleidskader Levendig Brabant 2030 (meer info: www.levendigbrabant2030.
  6. nl)geeft de provincie aan te focussen op vijf hoofddoelen, soms nog onderverdeeld in subdoelen. Deze worden hieronder per doel en subdoel toegelicht. Doel 1: Passend aanbod: Het aanbod van de producten en diensten van de vier sectoren cultuur, erfgoed, sport en vrijetijd sluit in 2030 aan op de behoeften van Brabanders, buitenlandse werknemers en (inter)nationale bezoekers. Het aanbod draagt ertoe bij dat Brabant een aantrekkelijke en fijne plek is om te wonen en te werken. Doel 2: Inclusief aanbod: Voor doelgroepen die nu nog niet of onvoldoende worden bereikt is er een passend aanbod van de vier sectoren cultuur, erfgoed, sport en vrijetijd. Daarbij richten wij ons specifiek ook op jongeren. Doel 3: Innovatie en vernieuwing: De vier sectoren cultuur, erfgoed, sport en vrijetijd zijn vitaal en hebben voldoende ruimte en mogelijkheden om te vernieuwen. Daarmee sluiten we aan op het innovatieve profiel van Brabant. Doel 4: Aanbod voor Jeugd en talentontwikkeling: Jongeren worden door het cultuur-, erfgoed- en sportaanbod breed gestimuleerd, toptalenten dragen bij aan de vernieuwing van het aanbod en krijgen kansen om zich te ontwikkelen in hun eerste stappen naar een beroepspraktijk. Doel 5: Bijdragen aan maatschappelijke opgaven: Levendig Brabant draagt met cultuur, erfgoed, sport en vrijetijd bij aan een gezonde en aantrekkelijke omgeving om te wonen, werken en verblijven, waar voldoende te doen en te beleven is en waar cultuurhistorie behouden blijft en de sectoren worden verbonden met de maatschappelijke opgaven. De komende jaren zal dit vastgestelde beleid verder worden uitgewerkt in een uitvoeringsagenda. Daarin wordt vastgelegd welke acties en activiteiten worden ontplooit om de ambitie en doelen van dit beleidskader te kunnen realiseren. Het beleidskader beslaat twee bestuursperiodes, daarmee zijn meerdere uitvoeringsagenda’s voorzien om het beleid uit te werken. Dat maakt het mogelijk om stap voor stap richting de stip op de horizon in 2030 te bewegen. Niet alles zal hoeven te veranderen. Veel van wat de provincie doet, draagt al in meer of mindere mate bij aan de ambitie en doelen van dit beleidskader. 2.3.3Ontgrondingen Voor ontgrondingen is een omgevingsvergunning nodig, tenzij het gaat om een in het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen vergunningvrij geval (Bal artikel 16.7). De lijst met vergunningvrije gevallen is verruimd ten opzichte van de huidige (provinciale) lijsten. Zo zijn bijvoorbeeld vergunningvrij: vijvers e.d. tot 3 m diep en 1000 m3; aanleggen van natuurvriendelijke oevers tot 10 m breed; opgravingen zoals bedoeld in de Erfgoedwet; ontgrondingen voor werk aan buisleidingen etc. (geen maximale maat). Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kan de gemeente in het omgevingsplan verdere beperkingen aan de vergunningvrije gevallen stellen. De vergunningverlening voor omgevingsvergunningen voor ontgronden verschuift grotendeels van de provincie naar de gemeente. Uitzonderingen zijn (Omgevingsbesluit art. 4.6): een ontgronding die een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang is; een ontgrondingsactiviteit in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier of buiten de rijkswateren. De eisen ten aanzien van archeologie met betrekking tot ontgronden verwijzen naar de Erfgoedwet; hierin vinden door de Omgevingswet geen wijzigingen plaats. 2.3.4Depot en vondstmeldingen De provincie vervult als eigenaar van de archeologische vondsten die in de provincie gedaan worden, een belangrijke rol bij het archiveren en bewaren van de meeste archeologische vondsten uit opgravingen in de provincie Noord-Brabant in het provinciaal depot voor bodemvondsten. Behalve de taak om een provinciaal depot aan te wijzen en te onderhouden, hebben de provincies ook de bevoegdheid gemeentelijke depots aan te wijzen. Aan die aanwijzing worden voorwaarden gesteld op het gebied van toegankelijkheid, veiligheid en conservering. Deze infographic laat de verschillen zien tussen het bestemmingsplan en omgevingsplan (Bron: Omgevingswetportaal). 2.4Overgangsrecht en Bruidsschat Om een goede overgang tussen de huidige wet- en regelgeving en de Omgevingswet te borgen is het overgangsrecht in het leven geroepen. In het overgangsrecht is opgenomen dat als een gemeente in 2024 nog geen omgevingsplan heeft, de geldende planregimes zullen worden samengevoegd en tot uiterlijk 2030 van kracht blijven. Het overgangsrecht regelt dat het omgevingsplan na 2022 uit twee delen bestaat: een tijdelijk en een nieuw deel. Besluitvorming ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen zullen tijdens de overgangsfase plaatsvinden aan de hand van het nieuwe deel. Het tijdelijke deel is weer opgedeeld in 2 delen: Bestaande ruimtelijke regels en enkele gemeentelijke verordeningen; De rijksregels die gedecentraliseerd worden (de bruidsschat). In de overgangsfase tot 2030, moet de gemeente de regels uit het tijdelijke deel laten vervallen en deze onderwerpen (al dan niet in gewijzigde vorm) gaan reguleren in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet draagt het Rijk een aantal taken over aan gemeenten, waaronder de vergunningverlening met betrekking tot (archeologische) rijksmonumenten en rijksbeschermde dorpsgezichten, met het idee dat regels om deze waarden te beschermen lokaal beter afgewogen kunnen worden. Dit pakket voormalige rijksregels dat in het omgevingsplan wordt opgenomen, wordt de bruidsschat genoemd. Het moet voorkomen dat er regels vervallen waarvoor nog geen nieuwe regels zijn opgesteld. Gemeenten kunnen al deze onderwerpen hoogstwaarschijnlijk niet op tijd in het omgevingsplan verwerken. Het Rijk heeft er daarom met het Invoeringsbesluit voor gezorgd dat deze regels in 2024 automatisch aan het omgevingsplan worden toegevoegd. Gemeenten krijgen door de bruidsschat de tijd om zelf een afweging te maken hoe ze deze onderwerpen willen regelen. In de overgangsperiode moeten zij de regels van de bruidsschat overnemen, wijzigen of laten vervallen. (Bron: Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland). 2.5Conclusie Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de omgang met erfgoedwaarden geborgd worden door regels op te nemen in het omgevingsplan. De huidige regels in de bestemmingsplannen en verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving vervallen. Ook het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten vindt dan via het omgevingsplan plaats. Extra taken die met ingang van de Omgevingswet vanuit het Rijk aan de gemeente worden overgedragen, betreffen vergunningverlening met betrekking tot (archeologische) rijksmonumenten en rijks beschermde dorpsgezichten. De taken en bevoegdheden van de huidige monumentencommissie vervallen van rechtswege bij inwerkingtreding van de Omgevingswet en worden vervangen door de nieuwe gemeentelijke adviescommissie. De commissie wordt in ieder geval betrokken bij de advisering over een (rijks)monumentenactiviteit. De gemeente kan zelf de verantwoordelijkheid nemen om er een brede adviescommissie voor omgevingskwaliteit van te maken, die ook aspecten van bijvoorbeeld welstand, landschap, stedenbouw en infrastructuur behandelt. De gemeente is zelf vrij leden met specifieke deskundigheid toe te (laten) voegen, zoals vertegenwoordigers van de historische verenigingen. Het verantwoord omgaan met alle aspecten van het culturele erfgoed in de gemeente Nuenen vereist een grote deskundigheid en zorgvuldigheid. Specialistische kennis aan de voorkant op cultuurhistorisch, technisch, procedureel en financieel vlak is onontbeerlijk. Een brede commissie kan het college van B&W van het noodzakelijke advies voorzien voor het nemen van een besluit. Rijks- en gemeentelijke monumenten als ook objecten of gebieden met archeologische of cultuurhistorische waarden, waaronder de aardkundige waarden en ensembles, zullen via instructie- en maatwerkregels in het omgevingsplan moeten worden opgenomen ter bescherming van de aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarden. De archeologische verwachtingen- en waardenkaart en de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nuenen vormen hiervoor de onderlegger. Actiepunten: Na inwerkingtreding van de Omgevingswet, moeten de erfgoedwaarden, zoals opgenomen in de archeologische verwachtingen- en waardenkaart en de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Nuenen, worden geborgd door regels op te nemen in het omgevingsplan. In welke mate de verschillende erfgoedwaarden beschermd worden, is een politiek besluit. Een brede gemeentelijke adviescommissie Omgevingskwaliteit, die al aan de voorkant van het ruimtelijke proces adviseert, is cruciaal voor de bescherming en omgang met erfgoed in de gemeente Nuenen. Beschadiging of verwaarlozing van beschermd cultureel erfgoed is een economisch delict. In het gemeentelijke handhavingsbeleid zal meer aandacht moeten komen voor cultureel erfgoed. Wanneer onvoldoende onderhoud leidt tot verval en schade, is het de taak van de gemeente om handhavend op te treden. De gemeente kan daartoe bestuurlijke boetes opleggen. In het kader van de instandhoudingsplicht is de gemeente verplicht de (bouwtechnische) staat van de monumenten te monitoren. Dit kan alleen door periodiek (visuele) bouwkundige inspecties uit te (laten) voeren. De contouren van de oude kerktoren op de Tomakker in Nuenen zijn zichtbaar gemaakt door middel van steenkorven (foto J. Timmers, SAS). Villa Den Bergh. De foto is waarschijnlijk gemaakt na de aankoop door de gemeente in 1952. De villa wordt in 1930 gebouwd als buitenplaats Den Bergh van baron van Hardenbroek. Eind 1953 wordt de villa als gemeentehuis in gebruik genomen (bron: beeldbank heemkundekring De Drijehornick). De boerderij Collse Hoefdijk 24 was waarschijnlijk in de 12e eeuw een ontginningsboerderij, vanwaar het omliggend gebied werd ontgonnen. In 1309 wordt het eigendom van de kloosterorde De Bossche Wilhelmieten. In 1973 koopt de gemeente Nuenen om planologische redenen de hoeve. In 1985 is de boerderij verbouwd tot hotel-restaurant De Collse Hoeve (foto S. Wijnhoven, DCI Media Eindhovens Dagblad). 3Van ambitie naar beleid 3.1Inleiding Nuenen heeft diverse ambities waarbij erfgoed een belangrijke rol speelt. In verschillende strategische beleidsdocumenten (o.a. Omgevingsvisie, Landschapsvisie en Wereld van Van Gogh) zijn deze ambities verwoord en wordt de kracht van Nuenen als erfgoed gemeente benoemd en onderschreven. In dit hoofdstuk wordt een analyse gegeven van bestaand en in ontwikkeling zijnd (erfgoed) beleid. Met het oog op de Omgevingswet is het noodzakelijk om het bestaande of in ontwikkeling zijnde beleid ten aanzien van klimaatopgaven (duurzaamheid/energie), biodiversiteit/natuur, economie en ondernemen, verkeer/vervoer en waterkundige zaken tegen het erfgoedbeleid aan te houden zodat tegenstrijdige ambities kunnen worden herkend. De onderlinge afstemming en het integraal borgen van cultureel erfgoed met de vakdisciplines moeten zorgen voor een afgewogen belangenafweging en kwaliteit. Belangen worden aan de voorzijde integraal afgewogen. Omdat er voor erfgoed geen sprake is van een omgevingswaarde (een minimumnorm, zoals bijvoorbeeld bij geluid) is goed inzicht in de cultuurhistorische waarden door middel van onderzoek van groot belang. Om bovenstaand te realiseren is het nodig om het erfgoedbeleid af te stemmen op het reeds ingezette gemeentelijke omgevingsbeleid ten aanzien van erfgoed. Om meer inzicht te krijgen in de ambitie en visie van de gemeente, zijn de volgende documenten van belang: Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg gemeente Nuenen 2010 Erfgoedverordening 2023 Bestemmingsplannen Omgevingsvisie Nuenen Structuurvisies Nuenen, Gerwen en Nederwetten Landschapsvisie en Groenstructuurplan Nuenen c.a. Welstandsnota Wereld van Van Gogh 3.2Erfgoedzorg tot nu toe 3.2.1Archeologiebeleid17Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg gemeente Nuenen c.a. 2010. In 2010 heeft de gemeente een apart archeologiebeleid opgesteld. Aanleiding hiertoe was de in 2007 in werking getreden Wet op de archeologische monumentenzorg waardoor de gemeente bevoegd gezag werd inzake de zorg voor archeologische waarden. Omdat tegenwoordig onze blik op erfgoed verbreed is van een object-gerichte benadering naar een gebiedsgerichte aanpak, is een meer integrale benadering van erfgoed nodig. Dit betekent ook een mentaliteitsverandering in het denken over en de omgang met erfgoed. In deze nota geven we hier verder invulling en inhoud aan. In het beleidsplan Archeologische Monumentenzorg gemeente Nuenen 2010 zijn de volgende doelstellingen opgenomen: De bekende archeologische waarden worden zoveel mogelijk ontzien. In die gebieden waar kans is op de aanwezigheid van belangrijke waarden, wordt hier vroegtijdig rekening mee gehouden door ze op te nemen in het bestemmingsplan, zodat bouwprojecten e.d. het erfgoed zo min mogelijk schaden. Archeologie mag geen belemmering zijn voor ontwikkeling en gebruik van de grond; door voldoende vooronderzoek uit te voeren wordt vertraging door onverwachte vondsten voorkomen. Onderzoek naar archeologie moet, waar dat kan, leiden tot kwaliteitsvolle beeldvorming en kennisvermeerdering over het verleden van de gemeente Nuenen en deze informatie moet toegankelijk zijn voor de inwoners/publiek. Opgraving bij de Luistruik in Nuenen in 2015 (foto ODZOB). Om na te gaan waar en hoe de archeologie en cultuurhistorie momenteel geborgd is in het gemeentelijke beleid, is nagegaan welke instrumenten hiervoor ter beschikking staan en hoe deze worden toegepast. 3.2.2Erfgoedverordening18https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR677863/1 In de erfgoedverordening van de gemeente Nuenen 2023 (vastgesteld in 2022) zijn regels opgenomen omtrent de aanwijzing van gemeentelijke monumenten, beschermde dorpsgezichten, vergunningverlening en de rol van de gemeentelijke adviescommissie. De erfgoedverordening is vernieuwd vanwege de invoering van de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Omgevingswet. In de Omgevingswet wordt het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-op-één overgenomen. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke monumentencommissies, de aanwijzing van gemeentelijke beschermde dorpsgezichten en in dat kader het opstellen van beschermende bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gaan over naar de Omgevingswet. Ook zijn hierin regels opgenomen conform het gemeentelijke archeologiebeleid om, vooruitlopend op de noodzakelijke vastlegging van de archeologische waarden en verwachtingen in bestemmingsplannen, het archeologische bodemarchief beter te kunnen beschermen. Dit komt omdat er binnen de gemeente nog bestemmingsplannen zijn waarin de bescherming van archeologische monumenten niet is opgenomen, die na de inwerkingtreding van de Omgevingswet deel uitmaken van het (tijdelijk) omgevingsplan, is in de erfgoedverordening in een vangnetbepaling archeologie voorzien. De praktijk wijst uit dat de regels, zoals deze ten aanzien van de archeologische verwachtingsgebieden in de erfgoedverordening zijn opgenomen, vrijwel niet worden geraadpleegd door de vergunningverleners. Dit instrument lijkt dan ook niet te werken wat betreft archeologie. In het kader van het proces naar ‘anders werken’ onder de Omgevingswet is dit wel een aandachtspunt. Dan zal er immers informatie op nog veel meer aspecten (en veelal binnen kortere procedures) door de vergunningverleners moeten worden gedeeld. Het Kostershuisje aan de Berg in Nuenen uit 1763, sinds 1972 Rijksmonument (foto heemkundekring De Drijehornick). 3.2.3Bestemmingsplan en omgevingsvergunning Om na te gaan of de gemeente de archeologische en cultuurhistorische waarden en verwachtingen, zoals vastgelegd in het gemeentelijke beleid uit 2010, voldoende heeft geborgd in het bestemmingsplan, is een inventarisatie van archeologie, gebouwd en aangelegd erfgoed als ook het historisch landschap gemaakt van de grootste bestemmingsplannen die binnen de gemeente Nuenen gelden. In het bestemmingsplan buitengebied uit 2018 is archeologie zowel in de toelichting als in de regels van het plan beschreven, waarbij de regels conform het vastgestelde archeologiebeleid zijn opgenomen. Dit geldt ook voor de bestemmingsplannen van de bebouwde kom van Nuenen (Nuenen-Zuidoost 2018, Nuenen-Noordwest 2013 en Nuenen Centrum 2012). Op de gronden met een archeologische dubbelbestemming is bouwen uitsluitend toegestaan indien uit onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de waarden voldoende worden veilig gesteld. Daarnaast geldt er een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerk zijnde, of van bepaalde werkzaamheden. Afhankelijk van het soort archeologische verwachting geldt een vrijstelling voor bouw(werkzaamheden) tot een bepaalde oppervlakte en diepte. In de bestemmingsplannen van de dorpen Nederwetten en Gerwen is vrijwel geen dubbelbestemming archeologie opgenomen. Slechts enkele delen hebben een dubbelbestemming die gebaseerd is op de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische waarden (IKAW). Voor gebouwd en aangelegd erfgoed en het historisch landschap is ook nagegaan wat er aan waarden in de bestemmingsplannen is opgenomen en beschermd door middel van regels. In het bestemmingsplan Buitengebied 2018 zijn op basis van de Verordening ruimte Noord-Brabant dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van gebieden met 'aardkundige waarden' en met 'gebieden met historische verkaveling' en als 'attentiegebied akkerbouwcomplex'. De begrenzing is afgestemd op de zonering van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. Het gaat om de volgende waarden: Bij de aardkundige waarden gaat het om de bescherming van waarden als dalglooiingen, steilranden en bodemovergangen. Bij de historische verkaveling gaat het om de bescherming van de verkavelingsstructuur en de kleinschaligheid van het landschap, herkenbaar aan waterlopen en begroeiing op perceelsgrenzen. Bij het akkerbouwcomplex gaat het om de bescherming van de openheid en het reliëfrijke karakter van het akkerbouwcomplex. De drie dubbelbestemmingen sluiten een aantal werkzaamheden uit die deze waarden kunnen schaden en staan ze uitsluitend toe op basis van een omgevingsvergunning die verleend kan worden als beoordeeld is dat de betreffende waarden niet onevenredig aangetast worden. In het bestemmingsplan Buitengebied 2018 zijn ook de beschermde dorpsgezichten opgenomen. In de bouwregels zijn karakteristieke eigenschappen van gebouwen, waaronder verschijningsvorm, gevelindeling, gevelbreedte en dakhelling vastgelegd en zijn wijzigingen hieraan uitsluitend via afwijking toegestaan waarbij advies wordt ingewonnen bij de Monumentencommissie. Ook werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op het beschermd dorpsgezicht zijn via eenzelfde constructie beschermd. De rijks- en gemeentelijke monumenten zijn opgenomen onder een functieaanduiding, omdat de bescherming van de panden geregeld is in de erfgoedverordening. Een uitzondering vormt de categorie beeldbepalende panden welke voorzien zijn van een aparte aanduiding 'beeldbepalend' pand. In de regels geldt voor deze panden een sloopverbod en bepalingen die erop gericht zijn om de cultuurhistorische waarden niet onevenredig te schaden. Ter bescherming van het zicht op de molens en de windvang van de molen De Roosdonck worden twee cirkelvormige molenbiotopen opgenomen rondom de molen. Binnen deze zones gelden beperkingen voor het realiseren van bebouwing (met name de bouwhoogte). In de bestemmingsplannen van de dorpen Nederwetten en Gerwen is voor de cultuurhistorische waarden vrijwel niets opgenomen. In Gerwen zijn slechts drie beeldbepalende panden opgenomen. Voor deze panden geldt een sloopverbod en bepalingen die erop gericht zijn om de cultuurhistorische waarden niet onevenredig te schaden. In Nederwetten zijn twee monumentale bomen opgenomen. Hiervoor geldt een kapverbod en zijn regels opgenomen voor het behoud, beheer en herstel. In de bestemmingsplannen van de bebouwde kom van Nuenen (Nuenen-Zuidoost 2018, Nuenen-Noordwest 2013 en Nuenen Centrum 2012) is voor de opname van cultuurhistorische waarden uitgegaan van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant
(2016). Op de verbeelding en in de regels van de bestemmingsplan Nuenen-Zuidoost zijn echter alleen de beeldbepalende panden als functieaanduiding opgenomen; regels voor behoud van aanwezige waarden ontbreken. Voor waardevolle bomen zijn wel regels opgenomen, wat ook geldt voor het bestemmingsplan Nuenen-Noordwest. Verder cultuurhistorische waarden ontbreken in het plan van Nuenen-Noordwest. In het bestemmingsplan Nuenen Centrum zijn de (beschermde) dorpsgezichten Park, Berg en Papenvoort door middel van een dubbelbestemming op de verbeelding en in de regels opgenomen. In deze gebieden mag aan de bebouwing, zonder omgevingsvergunning, geen verandering worden aangebracht ten aanzien van diverse karakteristieken als situering, gevel, kap en kleur- en materiaalgebruik. Voorwaarde is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische waarde en het beeldbepalende karakter van de aanwezige bebouwing en de karakteristieke inrichting van het aangewezen gebied. Voor de aanwezige monumenten, waaronder beeldbepalende panden, is een beschermende regeling opgenomen, waardoor de bestaande waarden ook juridisch zijn gewaarborgd. De twee driehoekige pleinen zijn voorzien van een groenbestemming en een beschermende regeling. Ter bescherming van de aanwezige waardevolle bomen is een beschermende regeling opgenomen die het kappen en snoeien van waardevolle bomen moeilijker maakt. De verschillende cultuurhistorische waarden binnen het dorpsgezicht Papenvoort / Houtrijk (uit Frank & Boerefijn 2001). Geconcludeerd kan worden dat de in 2010 vastgestelde archeologische verwachtingen- en waardenkaart nog niet volledig is door vertaald in de bestemmingsplannen. De bescherming van cultuurhistorische waarden is per plan zeer verschillend. Hoewel het in een aantal bestemmingsplannen al redelijk goed geborgd is, geldt dit niet voor alle plannen en is het ook niet op een eenduidige wijze gebeurd. Dit vraagt dan ook om verbetering. De gemeente wil dan ook toewerken naar het benoemen van de waardevolle cultuurhistorische gebieden en objecten, welke vervolgens bescherming krijgen via regels in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Daarbij vormen de erfgoedkaart en de kennis van de lokale erfgoedinstellingen input voor het beleid. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de omgang met erfgoedwaarden geborgd worden door regels op te nemen in het omgevingsplan, die de huidige regels in de bestemmingsplannen en andere verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving vervangen. De gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit krijgt hierin een prominente rol om het college te adviseren over de ruimtelijke kwaliteit. 3.3Omgevingsvisie Nuenen19Omgevingsvisie Nuenen, vastgesteld door gemeente Nuenen
  1. In de Omgevingsvisie Nuenen staat het toekomstbeeld van de gemeente Nuenen beschreven. De visie beschrijft de kernkwaliteiten van Nuenen, benoemt de opgaven voor de fysieke leefomgeving en hoe deze samenkomen. De omgevingsvisie is de basis voor het later op te stellen omgevingsplan. De visie geeft ook richting aan alle andere – deels verplichte – gemeentelijke programma´s en plannen. In de omgevingsvisie wordt geschetst hoe Nuenen op lange termijn groen, dorps, rustig, gezellig en gezond blijft én hoe hierbij omgegaan wordt met de verschillende opgaven. In deze visie komen de kwaliteiten en opgaven samen, wat leidt tot een visie met daarin de strategische keuzes voor de fysieke leefomgeving. De keuzes in de omgevingsvisie zijn voor een groot deel op de visiekaart ingetekend. Zo is in één oogopslag te zien wat de gemeente Nuenen wil met haar omgeving op de lange termijn. Uitsnede van de Omgevingsvisie gemeente Nuenen (https://omgevingsvisie-nuenen.ireporting.nl/). Visiekaart van Nuenen (uit Omgevingsvisie Nuenen). Voor de uitvoering van de gestelde doelen in de Omgevingsvisie op korte en middellange termijn worden programma’s opgesteld. Dit betekent dat de programma’s betrekking hebben op de opgaven/ beleidsdoelen van de omgevingsvisie en rekening houden met de kernkwaliteiten van Nuenen. Een apart programma erfgoed wordt hierin nog niet genoemd, maar de programma’s Centrum en Toerisme en recreatie richten zich mede op de beleving en ontwikkeling van erfgoed. Bij de opgave ‘hoogwaardige woon- en leefomgeving’ wordt bijvoorbeeld de bescherming, het behoud en het versterken van de cultuurhistorische waarde van het centrum van Nuenen benadrukt, waarbij het zowel gaat om de gebouwde omgeving (monumenten en het beschermde dorpsgezicht), als de (historische) groenstructuren en het landschap. Het erfgoed van Van Gogh mag worden gezien, maar moet niet toeristisch 'uitgemolken' worden. Bij de opgave ‘robuust landschap’ wordt ook onder meer ingezet op de beleving van cultuurhistorie. 3.4Structuurvisies gemeente Nuenen Eerder in 2020 heeft de gemeente Nuenen de “Structuurvisie Nuenen ca., wijziging 2020” vastgesteld. De eerste versie van de structuurvisie dateerde uit
  2. In de structuurvisie formuleert de gemeente haar ruimtelijke beleidsdoelen en geeft zij inzicht waarop zij deze doelen tot uitvoering wil brengen. Het is een toetsingskader maar tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Ruimtelijk Casco, dat bestaat uit een kaartbeeld en toelichting, brengt het gewenste structuurvisiebeleid van de hele gemeente voor de lange termijn in beeld. Hierop staan ook verschillende cultuurhistorische waardevolle gebieden aangegeven zoals de bolle akkercomplexen, molen de Roosdonck en de oude toren bij Kerkhoef. In het bijgevoegde projectenplan (bijlage Structuurvisie 2020), dat periodiek zal worden geactualiseerd, worden de ruimtelijke projecten en plannen voor de korte en middellange termijn benoemd en staat beschreven met welke instrumenten de uitvoering gestalte krijgt. Algemeen wordt in het projectenplan gesteld dat de gemeente de komende jaren sterk wil inzetten op behoud, maar vooral ook het benutten van aanwezige erfgoedwaarden voor het versterken van de kwaliteit en identiteit van de leefomgeving. Bij nieuwbouwprojecten zal de komende jaren gezocht worden naar aanleidingen en inspiratie met betrekking tot de cultuurhistorische waarde. Kwetsbare waarden worden vastgelegd in een geactualiseerde monumentenlijst, beschermde dorpsgezichten en een nieuw archeologiebeleid. Daarnaast zal de beleefbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle plekken vergroot worden door zoveel mogelijk doorlopende paden aan te leggen. Bij alle ontwikkelingen in het buitengebied die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, maar waaraan vanuit ruimtelijke overwegingen toch medewerking kan worden verleend, hanteert de gemeente Nuenen de Landschapsinvesteringsregeling Nuenen c.a.
(2020). Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied moeten bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap. Er kan op meerdere wijze geïnvesteerd worden in kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals fysieke inrichtingsmaatregelen gericht op behoud en herstel van cultuurhistorie en archeologie maar ook in de vorm van gestandaardiseerde normbedragen (forfaitaire bedragen) per ruimtelijke ontwikkeling. Voorbeelden van fysieke inrichtingsmaatregelen zijn herstel en restauratie van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, bestaande drinkpoelen, wegkruizen en groenelementen. Gedeeltelijk kan de systematiek van STIKA hiervoor gebruikt worden. Voor de investering in cultuurhistorisch waardevolle gebouwen zijn de specifieke restauratiekosten een aanknopingspunt. Hoe bijdragen aan erfgoed worden besteed, zou uitgewerkt kunnen worden in een kwaliteitskader voor het buitengebied (inspiratieatlas) met kwaliteit-verbeterende maatregelen. Gelijksoortige doelstellingen gericht op het behoud en de ontwikkeling van cultuurhistorische waarden, zijn ook te lezen in de structuurvisies van de verschillende dorpen. In de structuurvisie Nuenen c.a. zijn onder meer de volgende ruimtelijke doelstellingen met betrekking tot de stedenbouwkundige en landschappelijke hoofdstructuur van de kern van Nuenen opgenomen: de historische lintstructuur van Nuenen in stand houden en waar mogelijk versterken. behoud van de cultuurhistorische kwaliteiten en de identiteit van het gebied dienen leidend te zijn bij ontwikkelingen in het centrumgebied. Dit betreft met name het Park en de historische ‘linten’. In de Structuurvisie Nederwetten
(2014)wordt ingezet op behoud en versterking van de aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden van de bolle akker en op behoud van de openheid en het reliëf. In de structuurvisie van Gerwen
(2011)wordt vermeld dat uitbreiding van het dorp richting Hool/Laar niet gewenst is vanwege de unieke cultuurhistorische ontwikkeling en de ruimtelijke kwaliteit. In de gebiedsdekkende visie voor het gemeentelijke buitengebied20Visie Ruimte voor Ruimte – Bouwen in het buitengebied van Nuenen 2022 (vastgesteld raadsbesluit 22 september 2022): https://www.nuenen.nl/ruimte-voor-ruimte-regeling zijn richtlijnen opgenomen voor Ruimte voor Ruimte-initiatieven in bebouwingsconcentraties. Een eenduidige visie voor alle bebouwingsconcentraties moet voor zowel de gemeente als burgers duidelijk maken wat het wensbeeld is waarop gestuurd kan worden. Hierdoor kunnen verzoeken efficiënt worden behandeld en is sprake van een consistente onderbouwing richting de aanvragers. De voorwaarden hebben betrekking op de percelen zelf, maar ook op de locatie ten opzichte van landschappelijke, cultuurhistorische en bebouwde elementen. Een Ruimte voor Ruimte-ontwikkeling gaat altijd gepaard met een goede landschappelijke inpassing in de omgeving. Hiertoe dient de initiatiefnemer zowel een beeldkwaliteitsplan als een landschapsplan in. In een cultuurhistorisch waardevol gebied draagt een plan bij aan de cultuurhistorie. De cultuurhistorische waardekaart van de provincie en het bestemmingsplan geven deze gebieden aan. Het toevoegen van bebouwing op bolle akkers en steilranden is onwenselijk vanwege de aardkundige en cultuurhistorische waarde daarvan. Ruimte voor Ruimte-ontwikkelingen op bolle akkers en steilranden zijn dus uitgesloten. 3.5Landschapsvisie en groenstructuurplan In mei 2020 is de Landschapsstudie Buitengebied Nuenen afgerond.21Buitengebied gemeente Nuenen. Landschapsstudie met toolbox voor de landschappelijke inpassing van een aantal hedendaagse ruimtelijke inrichtingsopgaven (Aksis landschapsarchitecten voor Bureau Verkuylen),
  1. Deze studie beschrijft het landschap in Nuenen en geeft richtlijnen hoe ruimtelijke projecten dienen te worden ingepast. De studie vormt een onderdeel van de toets bij aanvragen om Ruimte voor Ruimte woningen, grootschalige energieopwekking en andere bestemmingsplanwijzigingen. Een belangrijk doel van de landschapsvisie is om aanvullend aan eerder opgestelde beleidsstukken een adequaat antwoord te kunnen geven op actuele inpassingsvragen. Deze vragen kunnen op basis van de karakteristiek van de ingreep en de te verwachten impact op de omgeving ingedeeld worden in drie categorieën: relatief kleinschalig met ruraal karakter, relatief grootschalig met overwegend ruraal karakter en relatief grootschalig met industrieel karakter. In deze laatste categorie vallen de maatregelen die te maken hebben met de energietransitie; zonneweides en windturbines. Tot de eerste twee categorieën horen de bouwprojecten binnen de ‘Ruimte voor ruimte regeling’, de BiO-regeling, de realisatie van nieuwe landgoederen en diverse ontwikkelingen van recreatieve aard. Een belangrijke afweging bij deze inpassingsvraagstukken betreft het gebied waarvoor inpassing wordt gevraagd. Voor het overgrote deel van het Nuenens buitengebied geldt dat de mogelijkheden voor toevoeging van nieuwe elementen beperkt zijn vanwege de positie binnen het Natuur Netwerk Brabant en de groenblauwe mantel. Buiten deze zones is meer mogelijk. Hier is plaats voor meer grootschalige initiatieven zoals zonnefarms en windturbines. In 2010 heeft de gemeente Nuenen een groenstructuurplan laten opstellen.22B.T.L. Advies B.V., 2010: Groenstructuurplan gemeente Nuenen c.a. Dit groenstructuurplan legt het belang van groen en de waardevolle elementen vast en biedt handvatten om de kwaliteiten te bewaken en ontwikkelen. Ten aanzien van de groenstructuur zijn uitgangspunten opgenomen om de uitstraling en herkenbaarhied van de gemeentelijke groenstructuur in de toekomst verder te versterken. Als landschappelijke en cultuurhistorische uitgangspunten voor de groenstructuren worden genoemd: De aanwezige cultuurhistorische structuren zijn een leidraad bij de ontwikkeling en inrichting van de gewenste groenstructuur. De inrichting van de overgangen bebouwing – landschappelijk vindt in harmonie plaats. Dit betekent dat de kleinschaligheid behouden blijft en boomstructuren de kern met het buitengebied verbinden. Het Groenbeheerplan 2020-2026 gemeente Nuenen23KYBYS B.V., 2019: Groenbeheerplan 2020-2026 gemeente Nuenen, Boxtel. biedt een actueel en compleet kader voor het beheer en de (her)inrichting van het gemeentelijk groenareaal. Het groen bestaat uit meerdere beheergroepen zoals bijvoorbeeld bomen, heesters, en bermen. In al deze beheergroepen worden werkzaamheden uitgevoerd om de beplanting in stand te houden. Het doel van deze werkzaamheden is het behouden van de beplanting conform beheergroep volgens een vastgesteld kwaliteitsbeeld. Nuenen herbergt bijvoorbeeld meer dan 2300 waardevolle bomen. Enkele van deze bomen zijn zeer bijzonder en vergen extra aandacht, evenals onderhoud. Park Houtrijk is een voormalige tuin bijbehorende bij de villa ‘Houtrijk’ en functioneert als locatie om te ontspannen en recreëren voor de inwoners van Nuenen. Daarnaast bevinden zich in park Houtrijk verschillende historische bomen. Het Park is een driehoekig plantsoen in Nuenen, met een bijzondere geschiedenis. Doordat zowel park Houtrijk als het Park een prominente plaats innemen in het straatbeeld van Nuenen dienen beiden goed en op een hoog onderhoudsniveau onderhouden te worden om op een positieve manier een bijdrage te leveren aan de uitstraling van het dorp. Uitsnede uit de Landschapsstudie buitengebied Nuenen (Aksis landschapsarchitecten voor Bureau Verkuylen). 3.6Welstandsnota24Welstandsnota Nuenen c.a.
  2. De welstandsnota geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. De nota bevat de criteria, die de gemeente hanteert bij de beoordeling van bouwplannen en geeft richtlijnen voor het bouwen aan of nabij monumenten, waar het cultuurhistorisch belang moet worden meegewogen in de beoordeling. De gemeente heeft aandacht voor ruimtelijke kwaliteit en zorg voor identiteit. De afwisselende landschappen, kleinschalige kernen en cultuurhistorische waarden zijn dragers van de gewenste kwaliteit. Het welstandsbeleid moet deze kwaliteit ondersteunen en waar mogelijk versterken zonder vernieuwing onmogelijk te maken. De welstandsnota moet eveneens dienen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en waar mogelijk de leefbaarheid te vergroten. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. Per gebied is een samenhangend beoordelingskader opgesteld met daarin een korte beschrijving van het gebied, waarbij aandacht wordt besteed aan de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige of landschappelijke omgeving, een typering van de bouwwerken, het materiaal- en kleurgebruik en de detaillering. Ook wordt er een samenvatting gegeven van te verwachten of gewenste ontwikkelingen en een waardering voor het gebied op grond van de belevingswaarde en eventuele bijzondere cultuurhistorische, stedenbouwkundige of architectonische werken. Dit is de grondslag voor het welstandsniveau, waarbij tevens de hoofdpunten voor de beoordeling worden genoemd. Daarna volgen de welstandscriteria, steeds onderverdeeld in criteria betreffende de relatie met de omgeving van het bouwwerk, de bouwmassa, de architectonische uitwerking, materiaal en kleur. Met de welstandscriteria kan de adviescommissie zich binnen de grenzen van het bestemmingsplan een gewogen oordeel vormen. Overzcht diverse welstandsniveaus in Nuenen (uit Welstandsnota 2010). 3.7Wereld van Van Gogh25MTD landschapsarchitecten, 2020: Structuurvisie Ruimtelijke beeldkwaliteit kern Nuenen. De Wereld van Van Gogh, ’s-Hertogenbosch. Van 1883 tot 1885 woonde en werkte Vincent van Gogh in Nuenen. Nadat hij een periode in Den Haag verbleef, trok hij naar het Brabantse platteland. Hij trok in bij zijn ouders, die in Nuenen woonden, waar zijn vader dominee was. Vincent Van Gogh nam de schuur in de tuin van de pastorie in gebruik als atelier. Van Gogh was in zijn Nuenense periode zeer productief; hij maakte in twee jaar tijd circa 196 schilderijen, 286 tekeningen en waterverfschilderijen en 1 litho. Dit omvat een kwart van zijn totale oeuvre. In deze periode ontwikkelde Van Gogh zijn fascinatie voor het boerenleven. Dit komt tot uitdrukking in talrijke taferelen van het dagelijkse leven van wevers en boeren, die hij in deze periode schilderde. Ook schilderde hij geposeerde taferelen van boerenfamilies, zoals het tafereel van familie de Groot tijdens de maaltijd; later beter bekend als zijn eerste meesterwerk ‘De Aardappeleters’. Hij belichtte hierbij vooral de armoede en de harde kanten van het boeren bestaan. Op een gegeven moment verbood de pastoor de inwoners van Nuenen te poseren voor Van Gogh. Vanaf dit moment richtte hij zich op meer landschappelijke taferelen; hij schilderde vooral landschappen met korenvelden, korenschoven, knotwilgen en populierenlanen. Ook in deze landschappelijke taferelen speelden de mensen, die het land bewerkten een belangrijke rol. De verhalen en het erfgoed van Vincent van Gogh leven niet enkel voort in zijn brieven en schilderijen, maar ook in de talrijke plekken, gebouwen, landschappen en taferelen, die nog aanwezig zijn, zoals Van Gogh ze heeft waargenomen en geschilderd. Om dit erfgoed te beschermen hebben de Provincie Noord-Brabant, de Stichting Van Gogh Brabant, drie erfgoedorganisaties en negen gemeenten, op 30 oktober 2017, het Convenant Van Gogh Monumenten ondertekend. Binnen dit convenant worden de waardevolle plekken, die samenhangen met het leven en werk van Van Gogh beschreven en krijgen de status ‘Van Gogh Monument’ toebedeeld. Hiermee wordt de gezamenlijke ambitie onderschreven om deze bijzondere locaties te behouden en in hun betekenis als Van Gogh Monument te versterken. Uiteindelijk zijn er in Noord-Brabant 39 plekken aangemerkt als Van Gogh Monument, waarvan er 19 gesitueerd zijn in Nuenen. Vrijwel al deze 19 monumenten bevinden zich binnen de historische kern van Nuenen. Zij vormen belangrijke dragers van de cultuurhistorische identiteit en belangrijke aangrijpingspunten voor ontwerp. De structuurvisie de Wereld van Van Gogh beschrijft en verbeeldt de mogelijkheden om binnen het gebied van het Park, het Klooster en de Kloostertuin, de Berg, het Van Gogh Kerkje, de Hooidonkse Beek en het aangrenzende buitengebied met de Molen de Roosdonck, de stedenbouwkundige en landschappelijke structuren en kwaliteiten te versterken; er worden uitspraken gedaan met betrekking tot de belangrijkste structuurdragers van de openbare ruimte en het aangrenzende landschap en de zonering van het gebruik naar intensiteit en gebruiksvorm. Hierbij is het streven gericht op het behoud, het versterken en het beter beleefbaar maken van de cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten in het gebied en meer specifiek van het beschermde dorpsgezicht, zoals deze direct of indirect gerelateerd zijn aan het leven en werken van Van Gogh. De structuurvisie focust op de mogelijkheden om de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied te verbeteren. Ruimtelijke kwaliteit in de zin van een aantrekkelijke omgeving en een decor waarin de monumentale bebouwing goed tot haar recht komt. Het structuurbeeld zet hierbij in op een aantal doelen, die de identiteit en ruimtelijke kwaliteit van Nuenen en het aangrenzende landschap zullen versterken: het versterken van de overgang van de kern van Nuenen naar het aangrenzende landschap; het verbinden van de kern van Nuenen en het aangrenzende landschapen hiermee het beleefbaar maken van deze overgang; het versterken van de verblijfskwaliteit van de openbare ruimte in relatie tot de verkeersfunctie en in relatie tot de programmering van een aantal belangrijke gebouwen, zoals het Klooster, het Van Gogh Village Museum, het Weefhuis; het versterken van de groene en blauwe structuurdragers van de openbare ruimte en van de bomenstructuur als belangrijke basis voor de ruimtelijke kwaliteit; het versterken van de beleving van de Van Gogh Monumenten in hun onderlinge samenhang en context (rondwandeling). Impressie van de mogelijke herinrichting bij het Van Gogh-kerkje zoals opgenomen binnen ‘De Wereld van Van Gogh’ (bron gemeente Nuenen). 3.8Van ambitie naar uitvoering Bovenstaande gemeentelijke beleidsstukken geven aan dat er bestuurlijk groot draagvlak is voor behoud en ontwikkeling van het cultureel erfgoed. De gemeente streeft er dan ook naar om het erfgoed van Nuenen, Gerwen en Nederwetten in de toekomst meer te benutten en uit te dragen. Het verrijken van de gemeente met iets wat al eeuwen aanwezig is, vraagt om een duidelijke concretisering in ambities en acties in het te voeren erfgoedbeleid. Wat willen we? Wat gaan we concreet doen? Concrete stappen in drie hoofdstukken: Erfgoed verankeren (hoofdstuk 4); Verbeteren van Erfgoedinstrumenten (hoofdstuk 5). De inzet van middelen voor erfgoed vanuit de gemeente (hoofdstuk 6). En een inspiratiehoofdstuk over versterken van het eigen karakter (hoofdstuk 7). Dit betekent overigens niet dat de gemeente die ambities ook allemaal zelf moet oppakken. Erfgoed is immers van en voor ons allemaal en daarom wordt ingezet op gedeelde verantwoordelijkheid en partnerschap. Zowel inwoners als ondernemers worden uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan behoud, benutting en het uitdragen van het erfgoed van Nuenen. Vooral het thema “Versterken eigen karakter” nodigt inwoners en ondernemers uit om mee te denken en uit te voeren. Restaurant Olio, vroeger café vanaf 1910, aan de Moorvensedijk 2 in Gerwen (foto beeldbank heemkundekring De Drijehornick). Gemeentelijk monument langgevelboerderij Soeterbeekseweg 25 uit midden 19e eeuw (foto Google streetview 2021). 4Erfgoed verankeren In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de gemeente rekening kan houden met haar cultureel erfgoed. Wat houden de verschillende waarden precies in en wanneer is nader onderzoek noodzakelijk? Daarbij wordt ingegaan op de verantwoordelijkheden van de gemeente en hoe dit vorm kan worden gegeven? §4.2 t/m 4.5 gaat over archeologie en §4.6 t/m 4.9 over cultuurhistorie (=historisch landschap en gebouwd en aangelegd erfgoed). 4.1Inleiding Bij het opstellen van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met haar cultureel erfgoed door terreinen geen functie te geven die de archeologie, het gebouwde en aangelegde erfgoed of het historische landschap kunnen schaden. Artikel 13.6 Bal26In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels op te nemen ter invulling van de specifieke zorgplicht. Voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt, zal een toereikend beschermingsregime opgenomen moeten worden in het omgevingsplan. Bij het verlenen van vergunningen wordt rekening gehouden met bekende of te verwachte erfgoedwaarden door indien nodig, eerst een onderzoek naar de waarde te laten instellen en zo nodig aan de vergunning voorwaarden te verbinden. De kosten die samenhangen met het uitvoeren van dit onderzoek en het naleven van de vergunningvoorschriften komen voor rekening van de vergunningaanvrager. De regels die worden gesteld ten aanzien van archeologie zijn gebonden aan de omvang, diepte en locatie van de beoogde bodemingrepen. Voor gebouwd en aangelegd erfgoed en historisch landschap geldt dat de regels alleen zijn gebonden aan een bepaalde locatie. De gemeente kan in het belang van de zorg voor het cultureel erfgoed regels stellen in het omgevingsplan aan archeologisch, cultuurhistorisch dan wel bouwhistorisch onderzoek. Hiermee houdt de gemeente de inhoudelijke regie en kan ze bijvoorbeeld regelen dat lokale onderzoeksthema's meer aandacht krijgen of lokale vrijwilligers betrokken worden bij het onderzoek. Hoe zwaar de regels voor bescherming van het cultureel erfgoed gaan worden, is aan de gemeente. Verplichtingen voor de gemeente: Bij het opstellen van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met haar cultureel erfgoed door een toereikend beschermingsregime op te nemen. Bij het verlenen van vergunningen wordt rekening gehouden met bekende of te verwachte erfgoedwaarden door indien nodig, eerst een onderzoek naar de waarde te laten instellen en zo nodig aan de vergunning voorwaarden te verbinden. 4.2Archeologisch onderzoeksproces Omdat in het bodemarchief meer dan 99 % van onze nog onbekende geschiedenis is opgeslagen en het lezen van dit archief door het op te graven, maar één keer mogelijk is, moet dit goed gebeuren. Om hier zorgvuldig mee om te gaan, is er een aantal spelregels opgesteld. Deze komen samen in de cyclus van de archeologische monumentenzorg (AMZ). De AMZ-cyclus kent diverse stadia van verkennend, karterend en/of waarderend onderzoek in de vorm van bureau- en booronderzoek tot proefsleuven welke zijn vastgelegd in de protocollen en leidraden van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) (zie schema hieronder). Of het geheel of delen van deze trechterende cyclus doorlopen moet worden is per gebied en per ontwikkeling vanwege de specifieke aard van de te verwachten archeologische waarden, vrijwel altijd verschillend. Om te weten te komen of er sprake is van archeologische waarden in een gebied waar een ontwikkeling gaat plaatsvinden, is maatwerk maar bovenal lokale/regionale kennis nodig. Alleen met de nodige gebiedskennis is het mogelijk om meer te weten te komen over het verleden, zoals de vermoede Romeinse cultusplaats in het Dommeldal en de ontstaansgeschiedenis van het middeleeuwse Nuenen. De ervaring van de afgelopen jaren leert ons dat ruime archeologische kennis en praktische ervaring noodzakelijk zijn om de juiste adviezen te kunnen geven en afwegingen te kunnen maken. Daarom wordt kritisch gekeken naar de onderzoeksrapporten van uitvoerende archeologiebureaus. Zeker als het gaat om adviezen op basis van bureau- en booronderzoeken. Ondanks het feit dat bureaus gecertificeerd zijn, mankeert er vooral inhoudelijk nogal eens wat aan. De verschillende processtappen van de archeologische monumentenzorg (Bron: KwaliteitsnormNederlandse Archeologie SIKB). Het selectiebesluit wordt telkens genomen na een archeologische onderzoekstap. Na elke onderzoeksfase volgt een beslismoment waarin vastgesteld wordt of de archeologische waarde in voldoende mate is vastgesteld en of deze behoudens-/onderzoekswaardig is. Centraal daarin staat de potentiële kenniswinst die daarbij te behalen valt. Het juiste gedoseerde onderzoek en bij twijfel over resultaten of interpretatie: (mee)kijken in het veld, overleg en afstemming met de archeologen van de archeologische onderzoekbureaus. Bij knelpunten, met initiatiefnemers om de tafel en zoeken naar een oplossing die recht doet aan het belang van het archeologisch erfgoed. Alleen indien behoud in de bodem niet mogelijk is, kan de gemeente eisen dat het terrein wordt opgegraven. Conform wetgeving betaald de initiatiefnemer hiervoor de kosten, inclusief de conservering van vondsten. Doorsnee door een boomstam-waterput met een diameter van 85 cm daterend rond 1100 n. Chr., opgegraven bij de Nuenen-Luistruik in 2008 (bron: Wattenberghe 2011). 4.3Archeologische verwachtingen- en waarden Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn de in de gemeente aanwezige archeologische waarden en archeologische verwachtingen aangegeven. Binnen het grondgebied van de gemeente Nuenen zijn acht zones van archeologische verwachtingen of waarden toegekend: (wettelijk beschermde) archeologische monumenten27Dit betreft momenteel alleen archeologische rijksmonumenten. Er zijn nog geen gemeentelijke archeologische monumenten aangewezen. gebieden met zeer hoge archeologische waarde gebieden met (hoge) archeologische waarde historische kernen met een hoge archeologische verwachting gebieden met een hoge archeologische verwachting gebieden met een middelhoge archeologische verwachting gebieden met een lage archeologische verwachting gebieden zonder archeologische verwachting. In het bestemmings-/omgevingsplan zullen alleen aan de categorieën 1 tot en met 7 door middel van een dubbelbestemming of aanduiding instructie- dan wel maatwerkregels verbonden moeten worden. Voor categorie 8 geldt dit niet omdat hier geen onderzoeksplicht aan is verbonden. Hieronder wordt per categorie kort ingegaan op de typering van de daartoe behorende gebieden. In bijlage 2 is een handleiding voor de archeologische beleidskaart van de gemeente Nuenen opgenomen waarmee aan de hand van een schema en stappenplan kan worden bepaald wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Een beschrijving van de archeologische vindplaatsen, onderzoeken, verwachtingen en waarden is te vinden in de toelichting op de erfgoedkaart en de bijbehorende bijlagen, zie de website https://odzob.nl/kaarten-erfgoed-archeologie. 4.3.1Wettelijk beschermde archeologische monumenten Archeologische resten die vanuit nationaal of gemeentelijk oogpunt behouden dienen te blijven en daarom als monument beschermd zijn ingevolge de Erfgoedwet 2016 (voor Rijksmonumenten) of via een functietoedeling in het gemeentelijke omgevingsplan. Van deze gebieden staat op basis van archeologisch onderzoek of waarnemingen vast dat hier belangrijke archeologische resten in de grond zitten. De wettelijke bescherming verbiedt hier de meeste bodemverstorende activiteiten, tenzij de Minister van OCW hiervoor vooraf vergunning verleent. Op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening bestaat de mogelijkheid hieraan ook gemeentelijke archeologische monumenten toe te voegen. De gemeente Nuenen telt drie beschermde archeologische monumenten, die alle drie bij elkaar liggen, namelijk het urnenveld uit de late Bronstijd-IJzertijd bij de Gulberg-Collse Heide. De ligging van de drie archeologische rijksmonumenten nabij Gulbergen (TOP10NL) en één van de urnen uit het urnenveld te vinden in de collectie van het Noord-Brabants Museum in Den Bosch (foto http://collectie.hetnoordbrabantsmuseum.nl/ ). 4.3.2Gebieden van zeer hoge archeologische waarde In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. In deze gebieden is dus sprake van vastgestelde archeologische waarden, waaronder het terrein van het middeleeuwse klooster Hooidonk en de middeleeuwse kerklocaties met begraafplaatsen van Nederwetten, Gerwen en Nuenen. De archeologische resten op deze terreinen zijn geconcentreerd in deze gebieden aanwezig waardoor kleine bodemingrepen reeds grote gevolgen kunnen hebben (denk aan middeleeuwse begraafplaatsen). Het valt te overwegen een aantal van deze terreinen in de toekomst op te nemen op de lijst van gemeentelijke archeologische monumenten. Op de plek van het middeleeuwse klooster Hooidonk zijn nog fundamenten bewaard en deels zichtbaar aan het oppervlak. Opgravingen in de jaren ’90 hebben ook veel vondsten waaronder deze aardewerken olielampjes opgeleverd (bron: heemkundekring De Drijehornick). 4.3.3Gebieden van (hoge) archeologische waarde Voor deze delen van de gemeente is het op basis van de reeds bekende archeologische gegevens en/of op basis van de landschappelijke of historische ligging van de terreinen vrijwel zeker dat er belangrijke archeologische waarden in de grond aanwezig zijn. Het betreft de delen van de gemeente die op basis van de bekende archeologische waarnemingen aantoonbaar vindplaatsen bevatten of die vanwege hun ligging een zeer grote kans op het herbergen van een vindplaats hebben. Complete laatmiddeleeuwse aardewerken kan die gevonden werd in een kuil bij opgravingen in 2018 aan het Witte Hondpad in Nuenen. Het aardewerk dateert in het tijdvak 1475-1550 (Foto VUhbs bv, uit Bink 2020). 4.3.4Gebieden met een hoge archeologische verwachting - historische kernen De historische kernen met een hoge verwachting betreffen de van oorsprong laatmiddeleeuwse gehuchten en historische woonlinten. In deze woonkernen is in ieder geval vanaf de Late Middeleeuwen tot heden geconcentreerde bebouwing aanwezig geweest. De archeologische resten bevinden zich dan ook op geringe diepte onder het huidige maaiveld. De meeste bebouwingsresten zijn te verwachten langs de oude straten maar ook op achterterreinen kunnen archeologische resten aanwezig zijn. Daarnaast weten we uit historische bronnen dat de kernen van de gehuchten door de tijd heen zijn verschoven, waardoor een grotere zone rondom de historische kernen als gebied met een hoge archeologische verwachting is aangegeven. De verwachting wordt bevestigd door de deels nog aanwezige historische bebouwing in de vorm van boerderijen. Het gehucht Hool-Laar op de kadasterkaart van 1830; de historische bebouwing met erven is als historische kern op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart opgenomen. 4.3.5Gebieden met een hoge archeologische verwachting De terreinen met een hoge verwachting buiten de dorpskernen liggen in zones van het landschap waar de meeste archeologische vindplaatsen verwacht mogen worden. De uitgestrektheid van het gebied met een hoge archeologische verwachting houdt een direct verband met de ligging van de regio op een groot aantal langgerekte vruchtbare dekzandruggen met de aanwezigheid van laaggelegen beemden en een uitgestrekt heidegebied. Deze ligging verklaart de verwachte grote archeologische rijkdom van de gemeente. Deze gebieden waren in het verleden geschikte locaties voor bewoning. Meestal gaat het hierbij om hogere zandruggen die relatief dicht bij de beken lagen. Vanaf de Late Middeleeuwen zijn deze terreinen vaak als akker gebruikt waarbij door plaggenbemesting de gronden langzamerhand zijn opgehoogd en een zogenaamd plaggendek is ontstaan. Dit ophogingspakket heeft oudere bewoningssporen vaak goed geconserveerd. Veel van de archeologische vondsten die in het verleden zijn gedaan, zijn afkomstig van deze terreinen. Ook in naburige gemeenten is vastgesteld dat vergelijkbare gebieden vaak rijk zijn aan archeologische resten. De kans op het aantreffen van relatief goed bewaarde sporen van vroegere bewoners is derhalve vrij groot. De gebieden met een hoge archeologische verwachting: Concentratie van archeologische vindplaatsen (rode punten) op de hogere dekzanden (oranje en bruine gebieden) ten oosten van de Dommel in Nederwetten-Nuenen (uitsnede kaart van het fysisch en archeologisch landschap van Nuenen). 4.3.6Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting Op de dekzandvlakten en in de beekdalen is de trefkans op archeologische waarden middelhoog. Deze gebieden waren in het verleden geschikt voor bewoning maar werden ook voor andere activiteiten gebruikt. Deze gebieden zijn in het verleden niet zo sterk opgehoogd als de plaggendekken, waardoor eventuele resten minder goed beschermd zijn. Sporen van zandwinning bij het proefsleuvenonderzoek op de Kerkakkers in Gerwen (foto RAAP). 4.3.7Gebieden met een lage archeologische verwachting Het gaat meestal om lager gelegen en minder vruchtbare gronden. Toch werden deze gebieden incidenteel wel gebruikt. Zo kunnen hier grafvelden voorkomen, liepen er wegen en werd er vee geweid of plaggen gestoken; ook zijn er nederzettingen uit de Steentijd te verwachten. In moerassige gebieden, met vennen en beekdalen kunnen rituele deposities aanwezig zijn. De conservering van organisch materiaal (bijvoorbeeld: hout, leer en bot) in deze natte zones is bovendien erg goed. Het probleem van deze vondstcategorieën is echter dat het uiterst geringe dichtheden betreft die qua ruimtelijk beslag zeer klein zijn en geen ruimtelijk beslag hebben waardoor ze zich ook nog eens zeer lastig laten opsporen. Over het gebruik van de beekdalen is weinig bekend, en incidenteel zijn spectaculaire en bijzondere vondsten zoals bronzen bijlen of goed geconserveerd organisch materiaal aangetroffen. Om die reden zijn deze beekdalen tot speerpunt van rijksbeleid gemaakt en zijn ze niet gevrijwaard van archeologisch onderzoek. 4.3.8Gebieden zonder archeologische verwachting Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart vallen onder gebieden zonder archeologische verwachting: gebieden waar archeologisch vooronderzoek heeft plaatsgevonden en waarbij is vastgesteld door veldonderzoek dat de archeologische verwachting of archeologische waarde niet meer aanwezig is of door middel van archeologisch onderzoek is opgegraven; gebieden waarvan is vastgesteld dat de bodem dermate verstoord is door ontgronding, (snel)wegen, ondergrondse leidingen, diepe sanering of diepe grondbewerking bij bepaalde gewasteelt, waardoor hier geen behoudenswaardige archeologie meer te verwachten is; grootschalige aangelegde nieuwbouwwijken. Archeologisch onderzoek is hier niet meer nodig. Alleen losstaande en diepe archeologische sporen als waterputten, zullen hier mogelijk nog aanwezig zijn. Bij MER plichtige inrichtingsprojecten is de onderbouwing zoals in dit beleidsstuk is opgenomen, voldoende. 4.4Onderzoeksverplichtingen archeologie De archeologische beleidskaart geeft een vlakdekkend overzicht van alle bekende en verwachte archeologische waarden en verwachtingen binnen het grondgebied van de gemeente Nuenen waaraan het archeologische beleid van de gemeente is gekoppeld. In 2010 heeft de gemeente Nuenen al vrijstellingsgrenzen vastgesteld voor archeologisch onderzoek die gelden voor de verschillende aanwezige archeologische verwachtingen- en waarden binnen de gemeente.28Beleidsplan Archeologische monumentenzorg (inclusief erfgoedverordening) gemeente Nuenen
  3. Het archeologiebeleid van 2023 borduurt hier op voort en maakt onderscheid in 8 gebiedscategorieën. De vrijstellingsgrenzen zijn bepaald voor zowel de diepte-ingreep als de oppervlakte-ingreep (zie tabel 1). Archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht zodra beide vrijstellingsgrenzen overschreden worden. Onder onderzoeksverplichting wordt de verplichting verstaan om door middel van inventariserend onderzoek de archeologische waarde te laten bepalen van een terrein waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Deze verplichting is afhankelijk van het risico dat de geplande ingreep voor het bodemarchief vormt, gemeten aan oppervlakte en diepte. Per categorie wordt het risico anders ingeschat. Hoe waardevoller het gebied of hoe hoger de trefkans, des te groter is het risico dat een beperkte ingreep schade aanricht. Omgekeerd is er in een gebied van een minder waardevolle categorie pas bij een grote ingreep een risico op het verlies van zinvolle informatie. De systematiek is dat het al dan niet opleggen van een onderzoeksplicht eerst bepaald wordt door de oppervlakte van het plangebied, waarvoor een vergunning wordt gevraagd. Als die meer is dan de vrijstellingsdiepte voor de betreffende gebiedscategorie bepaalt vervolgens de diepte van de geplande ingreep of er een onderzoeksplicht geldt (zie bijlage 2: handleiding archeologische beleidskaart). Na het vaststellen van de waarde en het selectiebesluit kan in tweede instantie de uitvoering van een opgraving als onderzoeksverplichting worden opgelegd, of de verplichting tot het nemen van technische maatregelen welke direct gerelateerd zijn aan de werkzaamheden waarvoor de vergunning verleend wordt. Omdat de kosten van het onderzoek (tot en met deponering van vondsten en rapportage) en van de technische maatregelen voor rekening van de initiatiefnemer29De initiatiefnemer is de aanvrager van de vergunning of de ontwikkelaar die een nieuwe ontwikkeling initieert. zijn, is bij het bepalen van de grenzen voor de onderzoeksverplichting gezocht naar proportionaliteit. Er dient een redelijke verhouding te bestaan tussen het verwachte kennisrendement en de belasting voor vergunningvrager en ambtelijk apparaat. In veel gevallen geldt dat een onderzoek op terreinen kleiner dan 250 m2 of van een beperkte gaafheid meestal weinig meerwaarde heeft, terwijl een groot aantal van de vergunningen op een dergelijke beperkte oppervlakte betrekking heeft. Uitzonderingen bevestigen echter de regel, bijvoorbeeld bij graven, deposities of kampen van jagers-verzamelaars. Deze hebben een kleine omvang, kunnen veel (nieuwe) kennis opleveren en kunnen binnen grotere gebieden aanwezig zijn. Om te bepalen of een aanpassing van de ondergrenzen in oppervlak en diepte noodzakelijk is, is een analyse gemaakt van de archeologische onderzoeken die de afgelopen tien jaar binnen de gemeente Nuenen zijn uitgevoerd (zie hoofdstuk 6 van de toelichting op de erfgoedkaart). Daarbij is gekeken naar de geldende archeologische verwachting en of en hoe vaak de verschillende archeologische onderzoeken vondsten en/of nieuwe kennis hebben opgeleverd. Uit deze evaluatie is gebleken dat de opgenomen ondergrenzen in oppervlakte en diepte, zoals die zijn vastgesteld in 2010, naar behoren functioneren zowel vanuit het oogpunt van erfgoedbescherming als belasting voor de initiatiefnemer. Alleen bij de archeologische waarden was een kleine aanpassing nodig. Net zoals bij de archeologische verwachtingen, geldt ook bij de archeologische waarden een gradatie in waardering van waardevol naar zeer hoge waarde en tot slot beschermd monument. Deze gradatie in waardering was echter nog niet door vertaald in de ondergrenzen, waardoor het in de praktijk mogelijk was om van een middeleeuwse begraafplaats 100 m2 weg te graven zonder archeologisch onderzoek. Dat is met de aanpassing, zie hieronder, nu opgelost. Tabel 1 Categorieën en bijhorende vrijstellingsgrenzen gemeente Nuenen Cat. Naam Dubbel-bestemming archeologie Ontgravingen dieper dan Totaal te vergraven oppervlak in m2 1 Beschermd archeologisch monument Ja 0 cm 0 m2 2 Zeer hoge archeologische waarde Ja 30 cm 10 m² 3 (Hoge) archeologische waarde Ja 30 cm 100 m² 4 Hoge archeologische verwachting, historische kern Ja 30 cm 250 m² 5 Hoge archeologische verwachting Ja 30 of 50 cm (bij esdek) 500 m² 6 Middelhoge archeologische verwachting Ja 30 of 50 cm (bij esdek) 2500 m² 7 Lage archeologische verwachting Ja 40 cm 2,5 ha 8 Geen archeologische verwachting Nee Vrijstelling Vrijstelling Categorie
  4. Beschermde archeologische monumenten (blauw op de kaart) Geen vrijstelling. Hier is altijd een monumentenvergunning vereist, tenzij de richtlijnen van het specifieke monument vrijstelling geven van deze vergunningplicht. Categorie
  5. Gebieden van zeer hoge archeologische waarde (donker rood op de kaart) Vanwege de aanwezige concentraties aan archeologische waarden is hier een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 10 m² en dieper gaan dan 30 cm onder maaiveld. Categorie
  6. Gebieden van (hoge) archeologische waarde (licht rood op de kaart) Bij deze categorie ligt de vrijstellingsgrens op 100 m2 oppervlakte van het totaal te vergraven gebied en de diepte op 30 cm onder het maaiveld, aangezien het hier om het waardevolle delen van het bodemarchief van Nuenen gaat. Categorie
  7. Historische kernen met een hoge archeologische verwachting (paars op de kaart) Bij deze categorie is de vrijstellingsgrens van de oppervlakte van het totaal te vergraven gebied verruimd tot 250 m2, aangezien het risico op verlies van waardevolle informatie hier geringer is en grotere ingrepen hier meer kennisrendement geven. Hierdoor wordt de belasting voor betrokkenen beperkt, aangezien een groot deel van de aanvragen onder deze grens vallen. De vrijstellingsgrens van 30 cm diepte blijft gehandhaafd. De grens van 30 cm is gekozen, omdat onder deze diepte gemiddeld genomen nog volop informatie aanwezig is en omdat het bodemarchief in de regio door velerlei verstoringen al veel geleden heeft. Een diepere vrijstellingsgrens kan in kwetsbare gebieden tot onherstelbare schade leiden. Categorie
  8. Gebieden met een hoge archeologische verwachting (donker oranje op de kaart) Bij deze categorie is de vrijstellingsgrens van de oppervlakte van het totaal te vergraven gebied, verruimd tot 500 m2, aangezien het risico hier geringer is dan in de eerdere categorieën, terwijl de belasting voor betrokkenen verminderd wordt. De vrijstellingsgrens van 30 cm diepte blijft gehandhaafd, om dezelfde reden als bij categorie
  9. De vrijstellingsdiepte in gebieden met een esdek wordt verruimd tot 50 cm onder het maaiveld, enerzijds om de belasting voor betrokkenen te verminderen, anderzijds omdat in deze categorie relatief veel door plaggendekken afgedekte zones aanwezig zijn, hetgeen conserverend werkt voor onderliggend bodemarchief. Categorie
  10. Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting, waaronder ook de beekdalen met een specifieke archeologische verwachting (licht oranje op de kaart) Bij deze categorie is de vrijstellingsgrens van de oppervlakte van het totaal te vergraven gebied verruimd tot 2500 m2, aangezien het risico hier geringer is dan in de eerdere categorieën, terwijl de belasting voor betrokkenen verminderd wordt. De vrijstellingsgrens van 30 cm diepte blijft gehandhaafd. De vrijstellingsdiepte in gebieden met een esdek wordt verruimd tot 50 cm onder het maaiveld, enerzijds om de belasting voor betrokkenen te verminderen, anderzijds omdat in deze categorie relatief veel door plaggendekken afgedekte zones aanwezig zijn, hetgeen conserverend werkt voor onderliggend bodemarchief. Categorie
  11. Gebieden met een lage archeologische verwachting (geel op de kaart) In gebieden van deze categorie gelden geen beperkingen voor de activiteiten bouwen, slopen en aanleggen in het kader van de omgevingsvergunning. Voor een wijziging van het bestemmingsplan geldt dat, wanneer het plangebied groter is dan 25.000 m2 middels een quickscan of een bureauonderzoek een onderzoek naar de risico’s voor het bodemarchief moet worden ingesteld. Indien hieruit blijkt dat er binnen het plangebied risico’s zijn voor het bodemarchief, kan alsnog een rapport naar de waarde van het te verstoren terrein of een deel daarvan worden verlangd. Ingrepen als gevolg van een omgevingsvergunning (tbv projectbesluit) die ondieper zijn dan 40 cm onder het maaiveld gelden niet als een risico. Categorie
  12. Gebieden zonder archeologische verwachting (wit op de kaart) Hier geldt geen onderzoeksverplichting. Burgemeester en Wethouders kunnen van de verplichting tot het laten uitvoeren van inventariserend onderzoek en het overhandigen van een rapport over de waarde van het terrein, vrijstelling verlenen indien een onafhankelijke deskundige het initiatief in kwestie heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat geen archeologisch relevante waarden in het geding zijn. De archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Nuenen van
  13. 4.5Nadere beleidsafwegingen archeologie 4.5.1Plangebied versus bodemverstorende ingreep30Van de Water
  14. Bij wijzigingen van het omgevingsplan dient steeds het gehele plangebied onderzocht te worden, ongeacht de -vermoedelijke- bodemroering. Dit principe wordt gehanteerd om bij het aantreffen van (behoudenswaardige) archeologische resten planaanpassing door bijvoorbeeld verplaatsen van de bodemverstorende ingrepen mogelijk te maken zonder dat bijkomend onderzoek op de nieuwe verstoringslocatie noodzakelijk is. Bij concrete plannen (omgevingsvergunningen diverse activiteiten) dient uitgegaan te worden van de omvang van de feitelijke bodemverstoring in het plangebied. Overschrijdt deze de oppervlakte-ondergrens én de diepte-ondergrens niet, dan is er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Worden beide gestelde ondergrenzen overschreden, dan dient het gehele plangebied middels een vooronderonderzoek (doorgaans een bureau- en booronderzoek) onderzocht te worden. In het kader van eventueel vervolgonderzoek (proefsleuvenonderzoek en/of opgraving) dient het onderzoeksgebied afgestemd te worden op het verstoringsgebied (wat kleiner kan zijn dan het plangebied). Bij het berekenen van het verstoringsoppervlak, wordt boven het te bebouwen oppervlak een marge 5-10 % opgeteld om de feitelijke omvang van de bouwput, de aan te leggen kabels en leidingsleuven en dergelijke, qua verstoring mee te rekenen. Op plangebieden waarvoor een bepaalde archeologische waarde geldt, maar die qua bodemingreep beneden de vrijstellingsdrempel voor onderzoek vallen, blijft de dubbelbestemming onverminderd van kracht. Indien uit (voor)onderzoek is gebleken dat geen archeologische waarden in het (plan)gebied meer te verwachten zijn, kan de functietoekenning Waarde-Archeologie uit het omgevingsplan verwijderd worden. 4.5.2Bodemingrepen met een geleidelijk effect Een aparte categorie vormen de bodemingrepen die een geleidelijk effect hebben op de dieper liggende archeologische resten. Het betreft dan met name bodemingrepen die de afvoer van grond met zich meebrengt die niet opnieuw wordt aangevuld. Hierbij kan gedacht worden aan het afplaggen van heide of het verschralen van bemeste landbouwgronden in het kader van natuurbeheer en -ontwikkeling, (laan)bomenteelt en graszodenteelt. Maar ook activiteiten die kunnen leiden tot een cumulatief aantasten van het archeologische bodemarchief. Hierbij kan gedacht worden aan: diepploegen, aspergeteelt, drainagesystemen aanleggen, enz. Deze ingrepen kunnen leiden tot een ongeziene en ongewenste verstoring van de archeologische resten. Door het afgraven van de bovengrond kunnen archeologische resten, die net onder het nieuwe oppervlak aanwezig zijn, binnen enkele jaren door natuurlijke processen worden vernietigd, omdat de bodem als beschermde deken boven deze archeologisch vindplaatsen is afgegraven. Bij natuurbouw (terreinen met bosploeg en/of plantgaten omvormen tot bos) geldt dat de mogelijke gevolgen voor de archeologische verwachtingswaarden eerst in beeld moeten worden gebracht t.b.v. afweging van belangen. Dit geldt voor terreinen met archeologische waarden en een hoge tot middelhoge archeologische verwachting, De aanplant mag niet leiden tot onevenredige schade aan het archeologisch bodemarchief. In dergelijke gevallen is het belangrijk in het kader van een omgevingsvergunning eerst vast te stellen wat het effect van de ingreep (op de langere termijn) kan zijn op de eventueel aanwezige archeologische ondergrond. Dit kan gebeuren door bijvoorbeeld het bestuderen van bewijsvoering om historische verstoringen vast te stellen of het vaststellen van de dikte van de bouwvoor of het beschermende akkerdek en de diepteligging van de archeologisch relevante laag met behulp van verkennende boringen en/of profielputjes. In het kader van de vergunningaanvraag of omgevingsplanwijziging dient dan ook telkens afgewogen te worden of het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek wenselijk dan wel noodzakelijk is. Het primaire doel van het archeologisch onderzoek is om eventuele archeologische waarden in kaart te brengen en te waarderen, pas daarna kan de keuze worden gemaakt om behoudenswaardige archeologische waarden op te graven, dan wel de plannen zodanig aan te passen dat archeologisch erfgoed in situ bewaard blijft. 4.5.3Plangebied met verschillende archeologische waarden Indien binnen een plangebied waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd volgens de archeologische beleidskaart verschillende archeologische waarden voorkomen, dan geldt de hoogste aanwezige waarde met bijbehorende vrijstellingsdrempel ter bepaling van de onderzoeksverplichting. Slechts als de hoogste waarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10 %), kan na afweging worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied. Gaaf bewaard bronzen zegelstempel dat afkomstig is van de voormalige priorij van Hooidonk bij Nederwetten, het oudste vrouwenklooster in de Meierij van ’s-Hertogenbosch. De zegelstempel werd in 1989 gevonden op een ontgronde akker bij het gehucht Genoenhuis te Geldrop. Het moet een kostbare bezitting zijn geweest want de echtheid van documenten werd ermee gegarandeerd (bron: Noord-Brabants Museum).31Zie verder https://www.heemkundekring-hlz.nl/heemkronijken/item/595/een-middeleeuws-zegelstempel-van-de-priorij-van-hooidonk. 4.5.4Doorschuiven van de archeologische onderzoeksplicht Wanneer een bestemmingsplan toekomstige ontwikkelingen mogelijk maakt, zal veelal een waarderend archeologisch onderzoek (bijvoorbeeld proefsleuven) plaats moeten vinden om zeker te zijn dat de bestemmingen concreet haalbaar en wenselijk zijn. Dit om financiële lasten voor de gebruiker zoveel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar te maken. Voordat concrete bestemmingen aan een locatie toegewezen kunnen worden zal moeten blijken of deze, ook vanuit archeologisch oogpunt, haalbaar zijn. Hierdoor worden financiële lasten bij werkzaamheden zoveel mogelijk voorzien en vermeden. Ook maakt dit het mogelijk om door middel van een vergunningenstelsel voorwaarden in het plan op te nemen die de bescherming van archeologische waarden kunnen waarborgen, wat soms een verzwaring van de ondergrens in oppervlakte en diepte betekent. In de praktijk komt het echter vaak voor dat het waarderende proefsleuvenonderzoek pas plaats vindt na vaststelling van het bestemmingsplan, wat gevolgen kan hebben, bijvoorbeeld omdat het plangebied nog niet toegankelijk is voor een proefsleuvenonderzoek. Als er dan bij het waarderende proefsleuvenonderzoek een waardevolle vindplaats wordt aangetroffen en de oppervlaktegrens blijft bijvoorbeeld staan op de eerder van de gemeentelijke verwachtingen- en waardenkaart overgenomen 250 m2, dan kan er vervolgens bij de aanvraag van de bouwvergunning geen archeologisch onderzoek meer worden afgedwongen omdat de bouw van een huis meestal niet boven de 250 m2 komt. Als er dan archeologische waarden tevoorschijn komen, is niet de vergunning vrager verantwoordelijk, maar is de gemeente aan zet en draait op voor de kosten van archeologisch onderzoek. Om dit te voorkomen zal bij het doorschuiven van het waarderend archeologisch onderzoek naar de aanvraag van een bouw- of aanlegvergunning, in het vast te stellen nieuwe bestemmingsplan altijd de stringentere oppervlaktemaat van 100 m2 als ondergrens voor archeologisch onderzoek aangehouden moeten worden, ongeacht de ondergrens zoals aangeduid op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart. In het Dommeldal onder Nederwetten zijn de afgelopen honderd jaar vele Romeinse muntvondsten gedaan, die wijzen op de aanwezigheid van een heiligdom of cultusplaats (foto D. Vlasblom, Erfgoedhuis gemeente Eindhoven). 4.5.5Toevalsvondsten32Toevalsvondsten zijn onder de Omgevingswet ondergebracht in hoofdstuk 19: bevoegdheden in bijzondere omstandigheden. In plangebieden die niet onderzoeksplichtig zijn of waar de initiatiefnemer heeft voldaan aan de onderzoeksverplichting, hetzij van alleen inventariserend onderzoek, hetzij ook van een opgraving of begeleiding, kan de gemeente vergunning verlenen voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. Desondanks kunnen bij graafwerkzaamheden ‘toevalsvondsten’ worden gedaan, zoals crematie- of inhumatiegraven die door hun beperkte omvang en diepteligging meestal niet voorspelbaar zijn. In zo’n geval kan de initiatiefnemer niet gehouden worden aan het veroorzakersprincipe. Op basis van een selectiebesluit van de gemeente mocht het initiatief immers zonder (verdere) archeologische verplichtingen worden gerealiseerd. Dergelijke vondsten dienen op grond van art. 19.8 Omgevingswet bij het college van burgemeester en wethouders gemeld te worden. Het college stelt vervolgens de minister van OCW op de hoogte (in de praktijk de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed). Het niet melden is een strafbaar feit. Soms kunnen dergelijke vondsten van groot belang zijn. De Omgevingswet regelt in dat geval dat niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bevoegd is om bodemverstorende werkzaamheden stil te leggen. Ook komt het voor dat onder druk van de publieke opinie alsnog na overleg tussen betrokkenen een onderzoek ingesteld wordt, ook al kan de gemeente niet meer terugkomen op de verleende vergunning. Bij het stilleggen van werk door de gemeente of het Rijk komen de kosten niet ten laste van de verstoorder, maar ‘in redelijkheid’ van de gemeente dan wel de Minister, waarbij van de gemeente verwacht mag worden, dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming evident is. Onder druk van de publieke opinie ontstaat meestal tussen alle betrokkenen een onderhandelingssituatie met hoge tijdsdruk, waarbij kosten voor de gemeente te verwachten zijn. In 2011 werd bij rioleringswerkzaamheden bij toeval deze overkluisde waterput aangetroffen op de Berg. De waterput dateert uit de 19e eeuw en hangt samen met de hier aanwezige dorpspomp (foto R. Berkvens). 4.6Cultuurhistorische waarden Op de Cultuurhistorische Waardenkaart zijn de in de gemeente Nuenen aanwezige cultuurhistorische waarden van lokaal, regionaal en bovenregionaal belang aangegeven. Onder cultuurhistorische waarden vallen het historisch landschap en het gebouwd en aangelegd erfgoed. Voor de gemeente Nuenen onderscheiden we vijf verschillende waarden: Beschermd rijksmonument, waaronder dorpsgezicht en buitenplaats; Beschermd gemeentelijk monument, waaronder dorpsgezichten; Cultuurhistorische vlakken en complexen van provinciaal belang; Gemeentelijke cultuurhistorische ensembles; Object of gebied met zeer hoge, hoge en redelijk hoge cultuurhistorische waarde, waaronder beeldbepalende panden en cultuurlandschappen. De gemeente Nuenen telt maar liefst 46 beschermde rijksmonumenten, 68 gemeentelijke monumenten, 6 beschermde dorpsgezichten (waarvan één rijksbeschermd) en één rijksbeschermde buitenplaats (Soeterbeek). De dienstwoning bij landhuis Soeterbeek waar tuinman Willem Hikspoors woonde, met op de achtergrond het landhuis van de familie Smits van Oyen (foto beeldbank heemkundekring De Drijehornick, jaartal onbekend). De cultuurhistorische waardenkaart van Nuenen van
  15. De cultuurhistorische waarden kunnen worden getypeerd naar verschillende typen objecten of gebieden welke veelal een specifieke omschrijving in de planregels van het bestemmingsplan / omgevingsplan vragen. Het gaat om: Cultuurhistorische ensembles Historische bouwkunst Historische stedenbouw Historische geografie (lijn en vlak) Historisch groen Historische zichtrelaties Aardkundige waarden Een beschrijving van de afzonderlijke gebouwen, objecten en (historisch waardevolle) gebieden is te vinden in de toelichting op de erfgoedkaart (hfd. 5) en de bijbehorende bijlagen 1 en
  16. 4.6.1Cultuurhistorische ensembles De waardering van het historisch landschap en gebouwd en aangelegd erfgoed gaat uit van losse elementen en van ensembles. Ensembles zijn groepen van historische landschappelijke elementen die een nauwe samenhang hebben. Een aantal voorbeelden van ensembles zijn: religieuze ensembles: kerk

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.